LIS2026.132a Staat van utrecht demografiespecial
Tekst van het document
46
kwaliteit van de verbinding tussen mensen in het algemeen (SCP, 2025)34 en hoe de relatie tussen digitalisering en welzijn moet worden ingeschat (Trimbos, 2025).35 Onderzoeksuitkomsten zijn vooral nog exploratief van aard. Bijvoorbeeld worden zowel de voordelen als de nadelen van digitaal (sociaal) contact op een rij gezet, zonder dat er richtinggevende eindconclusies aan worden verbonden. Het ontstaan van meer ‘light communities’ Met de komst van de explosie aan digitale communicatielijnen is te zien dat mensen zich enerzijds juist makkelijker en vaker aan elkaar verbinden dan vroeger. Dit gebeurt vooral in tal van digitale communities, zoals bijvoorbeeld chat-groepen. Deze zijn gemiddeld genomen ‘licht’ van karakter afgezet tegen vroegere manieren van relaties aangaan. Decennia geleden was het nog gebruikelijk om zich voor het leven te verbinden aan één partner, gezin, vrienden groep, kerk- of dorpsgemeenschap. Vaak golden er diep verankerde wederzijdse verantwoordelijkheden voor elkaar. In de huidige light communities is het makkelijker om in- en uit te stappen.36 Een andere trend is dat men er in de fysieke wereld relatief vaker dan vroeger voor kiest om alleen te (blijven) wonen en/of minder permanente verbindingen aan te gaan in relationeel opzicht (zie ook paragraaf 4.1 over nieuwe huishoudensvormen).
Beide trends zullen naar verwachting in de komende decennia nog door ontwikkelen.
Nieuwe theorieën over toenemende prestatiedruk, individualisering en meritocratisering van de samenleving Naast het exploratief verkennen van de manier waarop de digitale verbindingen in het alledaagse leven van mensen zijn geslopen, is er ook sprake van kritische theorievorming. Die behelst met name de aspecten van toenemende individualisering en prestatie gerichtheid in de samenleving. De digitalisering en daarbinnen met name ook het gebruik van sociale media worden hier expliciet bij genoemd. (RVS, 2025a; SCP, 2025c; SCP, 2025f, Haidt, 2024, RIVM, 2024f) De Raad voor de Volksgezondheid en Samenleving noemt de huidige samenleving hypernerveus en wijst onder andere op de toegenomen prestatiegerichtheid die mensen zijn gaan ervaren. Want alhoewel er op veel vlakken meer (digitale) automatisering heeft plaatsgevonden – die mensen juist meer rust zou moeten brengen – neemt het gevoel van druk alleen maar toe; ook de vrije tijd moet optimaal benut worden en liefst ‘instawaardige content’ opleveren.37 Parallel hieraan wordt er door de planbureaus ingegaan op de toenemende individualisering in de samenleving en de groei van meritocratische waarden.38 In een meritocratische samenleving wordt iemands maatschappelijke positie bepaald door zijn of haar eigen verdiensten en niet door diens afkomst of de groep waar men deel van uitmaakt. Lange tijd zijn meritocratische waarden als een
ideaal nagestreefd om klassenverschillen tegen te gaan. Echter, zo noemt het SCP, zit hier inmiddels ook een belangrijke keerzijde aan. Iedereen die het namelijk ‘niet ver brengt’ in de samenleving zou dit toe moeten schrijven aan tekorten in de eigen inzet. Met het vergrootglas van ook de sociale media op zich gericht, verhoogt dit de druk op het individuele presteren met als gevolg veel mentale problemen. Met name de Amerikaanse Jonathan Haidt (2024) legt een sterk verband tussen de opkomst van sociale media en de alarmerende groei van onwelzijn onder jongeren. De vraag of er een daadwerkelijk een een-op-een relatie is tussen het gebruik van sociale media en mentale problematiek is voorlopig nog niet beantwoord. Feit is wel dat in Nederland, net als in veel andere plekken in de wereld, sprake is van een sterke toename van angsten depressiegevoelens, prestatiedruk, eenzaamheid en bijvoorbeeld vraag naar jeugdhulp (zie kader). Het RIVM stelt dat er nu nog weinig bekend is over de invloed van de digitalisering op de toekomstige mentale gezondheid van de huidige generatie jongeren. ‘Dat die invloed er zal zijn, is echter wel zeker. Daarom is het belangrijk de impact van de ontwikkelingen te volgen’.39
47
Mentaal onwelzijn neemt sterk toe, met name onder jongeren • Toename angst- of depressiegevoelens: hiermee had 42% van de Nederlandse bevolking van 12 jaar of ouder te maken in 2023 (ten opzichte van 36% in 2014).40 In de leeftijdsgroep van 18 tot 25 jaar spelen deze gevoelens het meest, namelijk bij 53%. Onder vrouwen uit deze groep was dit cijfer 66%, ruim anderhalf keer zoveel als onder mannen (40%).41 • Onderzoek in de provincie Utrecht (2021) laat zien dat van alle jongeren (16-25 jaar) die prestatie druk ervaren, het bij 80% gaat om prestatiedruk vanuit zichzelf. 65% van de jongeren gaf aan ook prestatiedruk vanuit de maatschappij te voelen, 29% noemde de school als bron van prestatiedruk en 24% de ouders als bron van prestatiedruk.42 • Gevoelens van (zeer) sterke eenzaamheid nemen toe binnen diverse leeftijdsgroepen. In de periode 2012–2024 gaat het om een stijging van 8,3% naar 13,2% onder alle volwassenen. Voor de groep 18 tot 34-jarigen is de stijging gemiddeld hoger: van 7,4% (zeer) sterk eenzamen in 2012 naar 14,1% in 2024.43 • Bij mannen en vrouwen is het zelfdodingscijfer de afgelopen 15 jaar toegenomen. Onder jonge vrouwen is het zelfdodingscijfer sterker toegenomen dan onder jonge mannen en niet eerder zo hoog geweest als in 2024; 5,5 zelfdodingen per 100.000. Bij mannen ligt dit cijfer op 8,8.
Zelfdoding is onder tieners en twintigers de belangrijkste doodsoorzaak.44 • De vraag naar jeugdhulp is sinds 2000 enorm gestegen. Het aantal kinderen en jongeren dat van jeugdhulp (jeugdzorg zonder jeugdbescherming en jeugdreclassering) gebruikmaakt, is in die tijd verdrievoudigd. In 2000 had 1 op de 20 kinderen ondersteuning nodig en in 2021 al 1 op de 8. Als de lijn wordt doorgetrokken naar 2027, dan leidt dat volgens de Staatscommissie tot een totaal jeugdzorggebruik van ongeveer 520.000 (1 op de 6 kinderen en jongeren).45
48
49
4
Welzijn in het samenleven
Hoe hebben demografische ontwikkelingen impact op welzijn in het samenleven? In dit hoofdstuk benoemen we twee relevante trends: * de manier waarop huishoudensvormen zich verder aan het vernieuwen zijn (met daaraan verbonden nieuwe woonbehoeften) * en het ontstaan van tekortberoepen in tal van essentiële maatschappelijke sectoren.
4.1
Nieuwe huishoudensvormen, nieuwe woonbehoeften
Ontwikkeling van standaard kerngezin naar veelheid van relatievormen Zo’n vijftig jaar geleden bestond er, waar het huishoudensvormen betrof, maar één echte smaak: dat van het kerngezin dat ‘de hoek steen van de samenleving’ vormde. Hierin waren de (hetero seksuele) partners voor de wet en vaak ook voor de kerk getrouwd en kregen ze bijna uitsluitend binnen die formele kaders kinderen. Vanzelfsprekend was het dat de verbintenis tussen partners voor het leven zou zijn; de kinderen zouden hun gehele kindertijd gezamenlijk bij hun biologische ouders doorbrengen. In de afgelopen vijftig jaar is er veel in dit traditionele plaatje veranderd:
50
• Samenwonen of trouwen is niet langer vanzelfsprekend een verbintenis voor het leven. Partnerrelaties worden er niet stabieler op. Sinds de jaren zeventig werden huwelijken, en later ook samenwoonrelaties, steeds vaker ontbonden, soms zelfs in relatief prille stadia. Het aandeel ouders dat bijvoorbeeld binnen enkele jaren na de geboorte van hun kind uit elkaar gaat, neemt steeds verder toe.46 Van de beëindigde huwelijken in 2024 had ongeveer een op de zes minder dan 5 jaar geduurd.47 Vaak is er in de levensloop sprake van een opeenvolging van meerdere relaties (seriële monogamie), waar zich tussendoor periodes van alleen wonen voordoen. • Kinderen wonen niet meer standaard bij beide ouders gezamenlijk. In 2025 woont bijna een kwart van de minderjarige kinderen (23%), niet meer bij beide ouders. De meerderheid uit deze groep (72%) woont bij alleen hun juridische moeder en 19% woont in een samengesteld gezin, waar de vader of moeder samenwoont met een nieuwe partner.48 Kinderen tussen de 2 en 7 jaar krijgen relatief het vaakst te maken met een scheiding. In 2023 ging het om ongeveer 2% van alle kinderen in die leeftijdsgroep.49 • Heteroseksualiteit is verdwenen als exclusieve norm voor huishoudens. In plaats daarvan komt er meer erkenning voor relatievormen die gebaseerd zijn op andersoortige seksuele voorkeuren.
Volgens schattingen van het CBS is 18% van de bevolking van 15 jaar of ouder LHBTQIA, een afkorting die staat
Aandeel minderjarige thuiswonende kinderen dat niet bij beide ouders woont, 2025 25% 22,0%
21,2%
20%
19,1%
18,5%
18,4%
18,0%
17,7%
17,2%
17,2%
16,7%
16,5%
15,9%
15%
15,7%
14,7%
14,7%
14,6% 12,6%
12,2%
11,7%
11,6%
10% 5%
de w ou
er g
Re
ns
nb
ik
de
nn
W ou
Bu
ot en
k
ch
pi Bu
ns
Lo
t
on
tfo
or
en en M
Rh
ut en
Ho
de
n
n
us
ar
Le
Ba
es t So
lt Bi
l
De
nd
aa
is t
ne
Ze
Ve e
n rs te de Ee m ne Am s Ut er re sf ch oo t( rt ge m ee nt e)
W
ijk
bi
jD
uu
ls te i
ss e
IJ
N
ie
uw eg
ei
n
0%
Bron: Aantal kinderen dat scheiding meemaakt weer toegenomen | CBS
voor lesbisch, homoseksueel, bi-plus, transgender, queer, intersekse en aseksueel. Dit komt neer op ongeveer 2,7 miljoen mensen in 2024. De groep mensen met een bi-plus oriëntatie (mensen die zich aangetrokken voelen tot meer dan één gender) is met 1,7 miljoen de grootste. Andere grote groepen zijn homoseksuele mannen (272.000), transgenders (151.000) en homoseksuele vrouwen (106.000).50 Nederland voerde in 1998 het geregistreerd partnerschap in, waardoor ook partners van hetzelfde geslacht hun relatie kunnen registreren. Vanaf 2001 mochten ze ook trouwen. In 2021 werden meer dan 2 duizend huwelijken en partnerschappen gesloten tussen partners van hetzelfde geslacht. Dat is 2,4% van het totaal aantal huwelijken en geregistreerd partnerschappen in dat jaar. In 2023 was dit aandeel 2,8%.51
• Er ontstaan nieuwe soorten gezinsverbanden. Als ouders na een scheiding een nieuwe relatie aangaan ontstaan er samengestelde gezinnen en is er vaak sprake van co-ouderschap. Kinderen in de nieuwe samengestelde gezinnen krijgen te maken met stief zussen en -broers en/of halfzussen en -broers. Vaak ook is er sprake van ‘bonus’-opa’s en oma’s. Alleen wonen is niet hetzelfde als geen partner hebben In bevolkingsstatistieken worden huishoudens traditioneel ingedeeld naar meerpersoons of eenpersoons. Die laatste groep wordt ook wel aangeduid als ‘alleenstaanden’. Lange tijd is het gangbaar geweest om dit type huishoudens te zien als behorend bij mensen die geen partner- of anderszins significante relaties
51
hebben. Ze worden vaak ook direct in verband gebracht met risico’s op eenzaamheid en zorgarmoede. Nieuwe leeftrends maken een nuancering op dit beeld echter wenselijk. Demografisch onderzoek vanuit het NIDI wijst enerzijds uit dat veel mensen die alleen wonen alsnog wel partnerrelaties hebben (lat-relaties). Anderzijds blijkt het voor veel alleenwonenden een positieve, bewuste keus te zijn om (tijdelijk) als ‘single’ door het leven te gaan. Dat betekent niet dat ze geen ondersteunende netwerken om zich heen hebben.52 Volgens het NIDI-onderzoek telt Nederland momenteel meer dan 1 miljoen mensen die een partner hebben, waarmee ze niet samenwonen.53 Deels gaat het om jongeren die nog niet toe zijn aan samenwonen, deels om ouderen. Deze laatsten hebben veelal een langdurige relatie achter de rug. Wanneer zij een nieuwe partner vinden, kiezen zij er vaak voor om hun zelfstandigheid niet op te geven. Interessant is de bevinding dat de latters, als het gaat om zaken als fysiek en mentaal welbevinden, zich positioneren tussen de singles en samenwonenden in. Zo hebben oudere latters een betere gezondheid, leven gezonder en voelen ze zich beter dan oudere singles, maar scoren gemiddeld wel iets slechter dan samenwonenden. De wens om weer (al dan niet gehuwd) samen te wonen neemt af met de leeftijd, vooral bij vrouwen.
Van de 18- tot 35-jarigen wil bijna drie kwart in de toekomst weer met een partner wonen, vrouwen even vaak als mannen. Boven de 35 jaar willen vrouwen minder vaak opnieuw samenwonen dan mannen.
52
Dit verschil wordt steeds groter naarmate mensen ouder worden. Bij 60- tot 80-jarigen is het verschil het grootst. Bij mannen is de kans dat zij opnieuw willen samenwonen 16%, bij vrouwen minder dan 5%.54 Demografen verwachten dat de latrelatie belangrijker zal worden door meer (echt)scheidingen en een groeiende behoefte aan autonomie. Wat dit betekent voor de toekomstige zorgvraag is ongewis. Latters hebben een partner buiten het eigen huishouden, die wellicht niet altijd beschikbaar is om hulp en ondersteuning te bieden. Het verdient volgens de onderzoekers dan ook aanbeveling om de potentiële zorgbehoeften van deze groep preciezer in beeld te brengen. Het is hoog tijd dat de dualiteit tussen ‘samenwonenden’ en ‘eenpersoonshuishoudens’ daarbij wordt overstegen.55 Mismatches op de woningmarkt: te veel gezinswoningen, te weinig kleinere woningen De traditionele indeling van huishoudens naar ‘kerngezinnen’ en ‘alleenstaanden’ heeft ook zijn weerslag gehad in de manier waarop woningen in de afgelopen decennia werden ontworpen. Veelal gaat het om een onderscheid naar eengezinswoning (rond de 120 m2) en kleine woningen voor eenpersoonshuishoudens (vaak kleiner of gelijk aan 50 m2). Inmiddels is duidelijk dat deze indeling is gaan wringen met de werkelijke woonbehoeften. De groei van het aantal eenpersoonshuishoudens is vanaf 2012 tot 2023 bijvoorbeeld ruim
drie keer hoger geweest dan de groei van het aantal kleine woningen.56 Daarnaast blijkt dat er momenteel circa vijf miljoen eengezinswoningen zijn in Nederland, terwijl er ongeveer 2,6 miljoen gezinnen met kinderen zijn (inclusief eenouder gezinnen).57 Uit recent onderzoek blijkt daarbij dat kleine huis houdens niet per se behoefte hebben aan een traditionele kleine woning tot aan 50 m2, maar vaak ook liever een woning zouden willen tussen de 51 en 100 m2.58 Naast een zeer sterk groeiende behoefte aan woningen voor eenpersoonshuishoudens, zijn er vanuit demografisch oogpunt ook andere urgente woonopgaven aan de orde. De Staatscommissie noemt de navolgende: • Noodzaak tot afbuigen tweedeling op koopwoningmarkt: De hoge woningprijzen zorgen ervoor dat met name starters en huishoudens met middeninkomens weinig kans maken op de huizenmarkt. Dit zorgt er onder andere voor dat er sterkere scheidslijnen ontstaan binnen en tussen wijken en regio’s. Delen van grote steden zijn onbetaalbaar geworden voor sommige groepen, terwijl andere delen kampen met toenemende achterstanden en teruglopende voorzieningen. Op regionale schaal is een vergelijkbare ontwikkeling te zien.59
53
• Realiseren integraal voorzieningenniveau bij ouderenwoningen: Omdat ouderen vaker langer zelfstandig wonen, en traditionele ‘bejaardenhuizen’ zijn verdwenen, hebben zij behoefte aan toegankelijke huisvesting in een kwalitatief rijke sociale woon omgeving. Naast mogelijke technologische ontwikkelingen zijn daarin veilige, laagdrempelige en publieke ontmoetingsruimten essentieel. De woonopgave is daarmee ook nadrukkelijk een sociaal-maatschappelijke vraag.60 • Rekening houden met gedifferentieerde woonbehoeften migranten: Migratie vraagt om verschillende soorten huisvesting waarop verder moet worden geïnvesteerd. Arbeidsmigranten die heel tijdelijk in Nederland verblijven, hebben vooral behoefte aan groepsaccommodaties en woningen die gedeeld kunnen worden. Hoogopgeleide kenniswerkers kunnen zich vaak redden in de vrije sector. Asielmigranten zullen vaak permanent in Nederland willen blijven wonen en een corporatiewoning nodig hebben, hetgeen druk geeft op de huurwoningmarkt. Uitgaande van een gematigde groei van de toekomstige bevolking, zal er rekening mee gehouden moeten worden dat in ieder geval arbeidsmigratie (en de bijbehorende specifieke woonbehoeften) een belangrijke rol blijft spelen.61 • Groei van aantal huishoudens tot 2050 verloopt niet gelijkmatig: De Staatscommissie benoemt dat de groei van het aantal huishoudens na 2030 gaat afvlakken.
Voor de woningbouw kan dit vergaande consequenties hebben, waarbij er eerst een enorme opschaling van de productie komt, om daarna af te schalen. 54
Prognose huishoudensontwikkeling, 2023-2050 9,6
x mln.
9,4 9,2 9,0 8,8 8,6 8,4 8,2 8,0 7,8 7,6 2023
2031
2038
2050
Bron: Staatscommissie demografische ontwikkelingen 2050 (2024;159)
Parallel hieraan speelt na 2030 dat er rekening gehouden moet worden met een ‘verstervingsgolf’ waarbij huizen vrijkomen van mensen die zijn overleden. Mogelijk kan dit leiden tot leegstand in bepaalde gebieden en/of bijvoorbeeld het financieel onder water komen te staan van woningen.62
4.2
Tekortberoepen
Onevenwichtigheden op de arbeidsmarkt voorzien, met sociale impact De vergrijzing van de bevolking zal volgens de Staatscommissie de arbeidsmarktstructuur niet onberoerd laten. Tot 2050 zal het aandeel van de potentiële beroepsbevolking (20-65 jaar) jaarlijks afnemen, maar in absolute zin zal de beroepsbevolking licht stijgen: van 10,4 miljoen in 2023 naar een geschat 10,7 miljoen potentieel werkenden in 2050. Tegelijkertijd zal het aandeel van de vergrij zende en vaak afhankelijke bevolking sterk blijven toenemen. Wat de arbeidsmarkt betreft draait het dus vooral om de druk die op de werkende bevolking ligt om een groeiende groep afhankelijken te kunnen ondersteunen.63 Hierbij wordt hardnekkige arbeidsmarkt krapte voorzien in arbeidsintensieve sectoren waar een publiek belang in het geding is, zoals gezondheidszorg en onderwijs. Deze zullen nog meer dan vandaag te maken krijgen met krapte. Arbeidsmigratie zal hierbij slechts tijdelijk en beperkt uitkomst bieden volgens de Staatscommissie omdat vergrijzing niet een specifiek Nederlands probleem is, maar een probleem waar veel landen mee te maken hebben. Bovendien volgt uit arbeidsmigratie ook weer vergrijzing met een beroep op voorzieningen als gevolg.64
Tekort op gebied van kinderopvang en onderwijs Waar het onderwijs betreft voorziet de Staatscommissie vooral sterk oplopende personeelstekorten in de kinderopvang en het primair onderwijs. Regionaal bezien zullen vooral het midden van het land en de Randstad het zwaarst getroffen worden. Recent liepen tekorten hier al op tot 20%. In Noordoost-Nederland, Zeeland en Limburg wordt eerder krimp voorzien van het aantal leerlingen en daarmee minder druk op personeel in deze sector.65 De gevolgen van de arbeidsmarkttekorten in het onderwijs zijn niet alleen nadelig op het niveau van de leerlingen zelf, die het bijvoorbeeld met minder lesuren moeten stellen. Het is volgens de Staats commissie vooral ook nadelig voor de maatschappelijke tweedeling die het kan voortbrengen. Ouders die daartoe de middelen hebben zullen (aanvullend) privéonderwijs kunnen faciliteren, waarmee ongelijke ontwikkelkansen ontstaan tussen groepen jeugdigen. Dit soort verschillen kunnen blijvend doorwerken in het leven van de jongeren, waar het gaat om kansen op de arbeidsmarkt, woningmarkt en mogelijk op gebied van gezondheid.66
55
Ongelijke verdeling lerarentekort primair onderwijs, 2022 20%
Naast oplopende tekorten in regulier onderwijs en kinderopvang signaleert de Staatscommissie ook urgente arbeidsmarkt problemen voor passend onderwijs (aan leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte) en onderwijs aan nieuwkomers. Ook binnen regio’s is hierbij sprake van een ongelijke verdeling van personeel over scholen. Wijken en scholen met meer leerlingen die sterker afhankelijk zijn van de schoolomgeving voor hun leer ontwikkeling hebben te maken met grotere tekorten. Zorgelijk is daarbij dat een belangrijk deel (variërend van een kwart tot een derde) van het onderwijzend personeel momenteel ouder is dan 55 jaar. De huidige instroom van nieuwe leraren is onvoldoende om de uitstroom van oudere leerkrachten op te vangen.67 Tekorten in de zorg Door de vergrijzing neemt ook het aantal mensen met één of meer chronische ziekten toe. Bij ongewijzigd beleid zullen de zorguitgaven de komende jaren sterker stijgen dan de economische groei. Theoretisch zou volgens de Staatscommissie een op de drie mensen in de zorg werkzaam moeten zijn om de huidige zorg arrangementen in stand te houden. Technologische vernieuwing kan weliswaar hierbij ondersteunen, maar creëert ook weer nieuwe vraag. Concreet wordt er voor de toekomst vooral meer vraag naar wijkverpleging voorzien en overige zorgfaciliteiten buiten het ziekenhuis.
Voor diverse soorten ziekten die vooral ook bij ouderen voorkomen (diabetes, artrose, nek- en rugklachten en dementie)
56
0%
Bron: Staatscommissie demografische ontwikkelingen 2050 (2024;268)
geldt dat deze relatief minder acuut medisch-specialistisch ingrijpen zullen behoeven en relatief meer monitorende zorg.68 Accenten in de zorg zullen verschuiven, maar lossen de dreigende tekorten niet op. De vraag hoe de zorgcapaciteit zo goed mogelijk op peil kan worden gehouden, of zelfs verbeterd, is een lastige. Het CPB (2025) benoemt dat zorgmedewerkers hun werk in algemene zin leuk en zinvol vinden, maar moeite hebben met de
werkdruk en bijvoorbeeld de ongewenste omgangsvormen van patiënten. Om personeel te behouden zijn vooral algemene werk tevredenheid, een goede binding met de organisatie en goede loopbaanperspectieven van belang. Zorgmedewerkers met een tijdelijk contract zoeken vaker naar een andere baan (al dan niet buiten de zorg) dan medewerkers die een contract voor onbepaalde tijd hebben. Organisaties die investeren in scholing, loopbaan ontwikkeling en werkdrukverlaging blijken hun medewerkers gemiddeld langer te behouden.69 Tekortberoepen in heel Europa, Nederland en provincie Utrecht Bij arbeidsmarkttekorten kan (het stimuleren van) arbeidsmigratie deels een oplossing bieden. Dit is echter volgens de Staats commissie zeker niet voor alle soorten beroepen het geval. Zij wijst er bijvoorbeeld op dat voor sommige soorten beroepen niet alleen tekorten in Nederland gelden, maar in een groot deel van Europa. Op zorggebied geldt dit met name voor gespecialiseerde verpleeg kundigen, huisartsen, medisch specialisten en fysiotherapeuten. Daarnaast geldt het voor IT’ers zoals applicatieprogrammeurs en -ontwikkelaars en voor de bouw met name op het gebied van civiele techniek en werktuigbouwkunde.
Deze landsgrens overschrijdende tekorten benadrukken volgens de Staatscommissie hoe moeizaam de weg of oplossingsrichting van migratie in sommige beroepen of sectoren is en dat de oplossing vooral binnen de organisatie van de sectoren zelf gevonden moet worden.70
Voor heel Nederland geldt in 2024 dat er 22 beroepsgroepen zijn (van de 112), die nu al zeer grote krapte kennen en waarbij verdere verkrapping wordt voorzien. Naast de hierboven genoemde beroepen gaat het ook om bijvoorbeeld vrachtwagenchauffeurs, laboranten, assemblagemedewerkers, koks, docenten en auto monteurs. In vrijwel alle provincies blijft deze krapte de komende jaren bestaan of zal verder toenemen. Voor de provincie Utrecht geldt dat de lijst van zeer krappe beroepsgroepen met voorspelde verdere verkrapping, korter is dan die voor Nederland totaal. Het betreft met name monteurs, verzorgenden en gezondheidszorgers, bouwarbeiders en assemblagemedewerkers.71 (Zie tabel)
57
Tekort beroepen Tekortberoepen in Nederland waarvoor in geen enkel Europees land een overschot is (2023). Tussen haakjes aantal landen met tekort incl. Nederland)
Zeer krappe beroepsgroepen in Nederland in 2024 met voorspelde verdere verkrapping tot 2030
Zeer krappe beroepsgroepen in provincie Utrecht in 2024 met voorspelde verdere verkrapping tot 2030
Gespecialiseerd verpleegkundigen en verpleegkundig coördinatoren (18)
(Elektrotechnisch) ingenieurs
Metaalarbeiders, machinemonteurs (niveau 2)
Applicatieprogrammeurs (15)
Productieleiders industrie en bouw
Elektriciens en elektromonteurs (niveau 2)
Huisartsen en basisartsen (14)
Verpleegkundigen (mbo)
Verzorgenden (niveau 2)
Software en applicatie-ontwikkelaars en analisten (14)
Machinemonteurs
Bouwarbeiders (niveau 2)
Medisch specialisten (14)
Bouwarbeiders afbouw
Vakspecialisten gezondheidszorg (niveau 3)
Weg- en waterbouwkundigen (11)
Automonteurs
Vakspecialisten natuur en techniek (niveau 3)
Fysiotherapeuten (11)
Transportplanners en logistiek medewerkers
Productiemachinebedieners en assemblagemedewerkers (niveau 2)
Technici weg- en waterbouw, bouwinspecteurs (10)
Laboranten
Werktuigbouwkundigen (10)
Fysiotherapeuten
Industrieel ingenieurs en productie-ingenieurs (9)
Vrachtwagenchauffeurs Medisch vakspecialisten Technici bouwkunde en natuur Assemblagemedewerkers Schoonmakers Artsen Verkoopmedewerkers detailhandel Koks Docenten algemene vakken secundair onderwijs Bakkers Dekofficieren en piloten Productcontroleurs Buschauffeurs en trambestuurders
Bron: Staatscommissie (2024)/ UWV (2023)
58
Bron: UWV (2025b)
Bron: UWV (2025b)
59
5
Economische en materiële welvaart
Hoe hebben demografische ontwikkelingen impact op economische en materiële welvaart? In dit hoofdstuk gaan we in op drie thema’s: * de manier demografische ontwikkeling raakt aan ons sociale zekerheidsstelsel * de vraag hoe economische groei kan worden gerealiseerd als het aandeel werkenden afneemt * het belang van opleidingsflexibiliteit onder werkenden voor economische gezondheid.
Sociale zekerheidsuitkeringen als percentage van de bevolking, 1952-2020 35% 30% 25% 20% 15% 10%
5.1
Sociale zekerheid beweegt mee met demografische ontwikkeling
Bevolkingskenmerken van invloed op socialezekerheidsstelsel Het is algemeen erkend, zo stelt de Staatscommissie, dat een goed functionerend stelsel van sociale zekerheid in het belang is van de gehele samenleving. Het voorziet niet alleen in individuele behoeften van inwoners, maar versterkt ook de maatschappelijke participatie en de sociaaleconomische stabiliteit. Het gebruik van sociale zekerheid hangt echter sterk samen met demografische kenmerken van de bevolking, zoals opleiding, leeftijd en gezond heid. Een beter opgeleide, jonge en gezonde bevolking maakt minder gebruik van sociale zekerheid en betaalt er juist relatief veel aan mee. Het omgekeerde geldt voor een minder goed opgeleide en ongezonde bevolking.72 De vergrijzing en toename van het aantal
60
5% 0% 1952
1960
1970
1980
1990
werkloosheid (WW/bijstand)
ANW
arbeidsongeschiktheid
AOW
2000
2010
2020
Bron: Staatscommissie demografische ontwikkelingen 2050 (2024;248)
eenpersoonshuishoudens leiden tot veranderende behoeften aan sociale zekerheid. De vergrijzing zorgt voor sterke stijging van AOW-lasten (zie figuur). De groei van eenpersoonshuishoudens markeert sterkere kwetsbaarheid bij inkomensverlies. Er kan dan niet (vanzelfsprekend) geleund worden op partnerinkomen of
Sociale zekerheidsuitgaven als percentage van het bbp, 1969-2018 20%
15%
10%
5%
0% 1970
1975
1980
1985
1990
1995
2000
2005
2010
ouderdom (AOW/ANW)
werkloosheid (WW/bijstand)
arbeidsongeschiktheid
overig (o.a. zorgtoeslag)
2015
Bron: Staatscommissie demografische ontwikkelingen 2050 (2024;250)
Sociale zekerheid uitgedrukt als percentage van bbp momenteel vrij stabiel De totale uitgaven voor sociale zekerheid als aandeel van het bbp is de afgelopen decennia redelijk stabiel gebleven (rond de 11%), mede als gevolg van de evenredige groei van het bbp.74 Het relatieve gebruik van uitkeringen op gebied van werkloosheid en arbeids ongeschiktheid is in de afgelopen decennia juist gedaald. Dit laatste heeft te maken met een reeks hervormingen waarbij rechten zijn beperkt, uitkeringsniveaus zijn aangepast en onderdelen van de sociale zekerheid zijn geprivatiseerd. Zoals verkorting van de maximale ww-duur en grotere eigen verantwoordelijkheid voor werkgevers in de eerste ziektejaren. In principe, zo stelt de Staats commissie, heeft de bevolkingsomvang weinig betekenis voor de houdbaarheid van het socialezekerheidsstelsel op lange termijn. Sociale zekerheid gaat in essentie om het delen van risico’s en het herverdelen van inkomen. Hier kunnen steeds nieuwe vormen voor gevonden worden en afwegingen gemaakt; dit maakt onderdeel uit van het publieke debat.75
-vermogen. Daarnaast speelt dat alleenwonenden mogelijk minder directe mantelzorgers om zich heen hebben en dus sneller een beroep op formele zorg zullen moeten doen.73
61
62
Stijging AOW-gebruik in provincie Utrecht, 2015-2025 45
43,7%
40 35
31,0%
30 25
21,5%
20 15
19,2% 19,0% 18,5%
17,2% 16,4%
10
14,6% 13,9% 13,7%
13,1% 12,9% 12,5%
11,2% 10,0%
5 0
8,6% 8,0%
6,7% 6,7% 6,2% 5,5% 4,8% 4,6%
-0,1%
W
uu
ijk
bi
jD
Ho
ut en rs te Le de u Re sde ns n w o N ie ude uw eg e Ee in m ne s Lo IJ pi ss k el s Am te er in s Ve foo rt en en St ic da h De tse al Ve Ro nd ch t e Ve ne n W o Bu erd ns en ch o M ten on tf W ou oor t de nb e Ou de rg w at e Rh r en en Bu nn Ut re ik ch t ( Ba a ge m rn e Ut en re te ch ) ts Ze e He is uv t el ru g So es De t Bi lt
-5
gemeente
Nederland
Bron: CBS_Statline
Deels nieuwe financieringsstructuur voor AOW Een voorbeeld van aanpassing binnen het socialezekerheidsstelsel is de nieuwe manier waarop de AOW sinds 2001 mede wordt gefinancierd. Van oudsher werd de AOW betaald uit premies die waren opgebracht door werkende generaties van dat moment (omslagfinanciering). Met de komst van de vergrijzing bleek dat onhoudbaar en waren opgebrachte AOW-premies niet meer toereikend om alle AOW-uitkeringen te dekken. Sinds het begin van deze eeuw wordt het verschil tussen AOW-uitkeringen en premies door het Rijk aangevuld uit algemene middelen (fiscalisering van de AOW). Deze rijksaanvullingen nemen steeds verder toe. In 2025 wordt de AOW voor het eerst voor meer dan de helft bekostigd uit belastinggeld. Een andere belangrijke aanpassing op AOW-gebied is
de koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting; hierdoor daalt enerzijds het gebruik van de uitkeringen doordat mensen pas later instromen. Anderzijds stijgen de inkomsten uit belastingen en premies doordat mensen langer doorwerken.76, 77
5.2
Relatief minder werkenden: belang arbeidsproductiviteit neemt toe
Stagnatie van groei beroepsbevolking verwacht Als alles bij het oude blijft, zo stelt de Staatscommissie, krijgt de Nederlandse economie door de kracht van de vergrijzing met demografische tegenvallers te maken. De komende decennia zal 63
Potentiële beroepsbevolking in verhouding tot de omvang van de totale
Bruto binnenlands product (volume), arbeidsproductiviteit en gewerkte uren,
bevolking, 1900-2070
1974-2023
63%
4%
gemiddelde jaarlijkse verandering
61% 3%
59% 57%
2%
55% 53%
1%
51%
0%
49% 47% 1910
1930
1950
1970
% potentieel werkenden 95% ondergrens
1990
2010
2030
2050
2070
prognose % potentieel werkenden 95% bovengrens
-1% 1974-1983
1984-1993
arbeidsproductiviteit
1994-2003
2004-2013
2014-2023*
gewerkte uren
Bron: Staatscommissie demografische ontwikkelingen 2050 (2024;201)
Bron: Arbeidsproductiviteit neemt steeds minder toe in afgelopen 50 jaar | CBS
de groei van de beroepsbevolking naar verwachting gaan stagneren. Tot voor kort werd de groei van de beroepsbevolking vooral veroor zaakt door immigratie en toegenomen participatiegraad onder vrouwen en ouderen. Deze participatiegraad zal naar verwachting minder gaan stijgen. Het aandeel (potentieel) werkenden in de bevolking zal mogelijk dalen van 59% in 2023 naar 54% in 2050. Deze daling van 5% pakt twee keer ongunstig uit. Dit komt doordat niet alleen het arbeidspotentieel achteruitgaat, maar tegelijkertijd het aandeel niet-werkenden – dat een beroep kan doen op sociale zekerheid – met 5% kan groeien. Regionaal gezien zullen zich daarbij overigens ook verschillen blijven voordoen. De werkgelegenheid en de aantrekkingskracht van opleidingen en banen zal de komende decennia relatief het sterkst zijn in de Randstad.78,79
Accent ligt vooral op arbeidsproductiviteit De kunst zal zijn om de kracht van de demografische tegenvallers te overtreffen, zo stelt de Staatscommissie. Dit kan met name gerealiseerd worden door het stimuleren van verdere arbeids participatie, langer doorwerken of door de groei van arbeids productiviteit. Vooral dat laatste aspect is volgens de commissie van groot belang; met een sterke productiviteitsgroei van 3% is het vergrijzingseffect goed op te vangen. Bij productiviteitsgroei gaat het primair om hoe productief het aandeel werkenden in een samenleving is en staat (deels) los van de vraag hoeveel mensen aan het werk zijn. Zo kunnen wel meer mensen gaan werken, maar gezamenlijk toch minder uren maken. Nederland staat in Europa bekend om haar ‘deeltijdcultuur’ met een relatief laag niveau aan werkzame uren per week (30 uur in 2021), ten opzichte
64
van 36 uur in Europa gemiddeld.80 De economie kan groeien doordat er meer uren worden gewerkt of doordat er meer toegevoegde waarde wordt gecreëerd per gewerkt uur. De economische groei van de afgelopen tien jaar is met name behaald door een toename van de gewerkte uren.81 Innovatie en technologische vooruitgang belangrijke pijler Arbeidsproductiviteit wordt vooral ook gevoed door innovatie of technologische vooruitgang. Dit is weer terug te voeren op zaken als de opleiding van mensen, machines waarin wordt geïnvesteerd, kwaliteit van management en ook bijvoorbeeld wetgeving. De groei van de arbeidsproductiviteit is sinds de jaren zeventig langzaam gedaald en mocht dit zo blijven doorzetten, dan zal volgens de Staatscommissie de totale welvaartsgroei stagneren of zelfs dalen. Sommige deskundigen zien geen reden voor pessimisme omdat we ons midden in een tijd bevinden van fundamentele technologische veranderingen. In het verleden waren dat uitvindingen als de stoommachine, elektrisch licht, verbrandingsmotoren en computers. Nu is dat AI. Het zal volgens experts ongeveer tien jaar duren voordat de bijdrage van AI in de statistieken concreet wordt en zich vertaalt in productiviteitsgroei.82 Arbeidsmigratie moet inspelen op mondiale demografie Arbeidsmigratie is uiteraard een belangrijke factor bij het tegen gaan van arbeidsmarkttekorten en bij doorontwikkeling van
innovatieve technologieën. De Staatscommissie benadrukt het belang van arbeidsmigratie voor de economie en het toegankelijk houden van publieke diensten. De WRR stelt daarbij dat landen waarmee Nederland op dit moment nauwe banden onderhoudt op het gebied van arbeidsmigratie, zoals die in Midden- en OostEuropa, de komende 25 jaar snel krimpen en vergrijzen. Nederland zal daardoor minder aantrekkelijk worden om te komen werken. Tegelijkertijd zijn er ook regio’s waar de beroepsbevolking juist groeit, zoals India, Bangladesh, Indonesië en de Filippijnen. De WRR adviseert om nu al op deze mondiale demografische ontwikkelingen te gaan anticiperen en de handels-, ontwikkelings- en arbeids migratiebanden met juist deze landen te verdiepen.83
5.3
Opleiding en ontwikkeling als groeiende pijlers voor de samenleving
Langlopende groei van aandeel hoger opgeleiden Opleidingsniveau is een belangrijk demografisch bevolkings kenmerk dat ook in verband moet worden gebracht met de hiervoor besproken noodzaak tot versterking van de arbeidsproductiviteit. Het gemiddelde opleidingsniveau van Nederlanders is de afgelopen decennia zeer sterk gestegen. In eerste instantie ging het om zowel een relatieve als absolute groei van het aantal mensen dat voortgezet onderwijs volgde. Tot in de jaren zeventig was dit nog
65
Hoogstbehaalde onderwijsniveau van personen van 15 jaar en ouder, 1971 en 2021 7.000
x 1.000
6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 basisonderwijs, vmbo, mbo1 1971
havo, vwo, mbo2-4
hbo, wo
onbekend
2021
Bron CBS 2024, Toen en nu: hoe Nederland in 50 jaar veranderde | CBS
geen vanzelfsprekendheid en had een groot deel van de bevolking maximaal de basisschool afgerond. In 1968 werd de leerplicht verhoogd van 12 tot 16 jaar en trad de Mammoetwet in werking, die het voortgezet onderwijs toegankelijker maakte. In 1975 werd de leerplicht verder uitgebreid naar 17 jaar.84 Een volgende stap in de stijging van het opleidingsniveau was dat steeds meer mensen op een hoger niveau hun opleiding afrondden. In 2013 had 28% van de mensen van 15 tot 75 jaar een diploma van het hbo of de universiteit, in 2023 was dat 36%. Het aandeel mensen met een laatst behaald diploma op havo-, vwo- of mbo-niveau nam in dezelfde periode af. Beide groepen waren hierdoor in 2023 ongeveer even groot.85 Vrouwen hebben hierbij inmiddels hun traditionele achterstand ingelopen. In 2024 heeft 38% van de
66
vrouwen een hbo- of universitair diploma ten opzichte van 36% van de mannen.86 De Staatscommissie verwacht nog verdere groei van het aantal universitair afgestudeerden. Deze groei zal echter deels ten koste gaan van deelname aan het middelbaar beroepsonderwijs en ook het hbo krijgt naar verwachting te maken met krimp. De opwaartse druk in het onderwijs mondt uit in een toenemende voorkeur voor wetenschappelijk onderwijs in plaats van het hbo.87 Toename hoger opgeleiden brengt ook spanningsvelden mee Alhoewel de kenniseconomie volgens de Staatscommissie baat heeft bij de groeiende instroom van universitair geschoolde arbeids krachten leidt dit ook tot tekorten van mbo- en hbo-opgeleid personeel in de private en publieke sectoren.88 Een ander belang rijke keerzijde is dat zich steeds meer regionale verschillen gaan aftekenen waar het opleidingsniveaus betreft. Hbo/wo-geschoolden trekken veelal naar de stad, terwijl mbo-geschoolden vaker in de eigen regio studeren en daar ook blijven werken en wonen. Studentenstromen verdelen zich daarmee ongelijk over het land, waardoor patronen van regionale krimp en groei zullen worden versterkt.89 Zoals in de vorige paragraaf al gesteld, zal de aantrekkingskracht van opleidingen en banen op met name jongeren in de Randstad naar verwachting voorlopig relatief sterk blijven.
Staatscommissie pleit voor een leven lang ontwikkelen Een leven lang ontwikkelen is volgens de Staatscommissie een van de speerpunten waarop vanuit demografisch oogpunt verder gehandeld zou moeten worden. Het vormt een belangrijke schakel tussen economie, sociale cohesie, gezondheid, onderwijs en arbeidsmarkt. Bijvoorbeeld kan het gaan om het vergemakkelijken van stappen die werkzoekenden kunnen maken naar nieuwe arbeidssectoren. Met financiële overbruggingsregelingen kan hierop beter gefaciliteerd worden. Als er keuzes moeten worden gemaakt, zo stelt de commissie, is een doorbraak op dit onderwerp, in samenwerking met het bedrijfsleven, onderwijs en werknemers, belangrijker dan tijd en energie steken in allerlei afzonderlijke projecten en stelselwijzigingen in het onderwijs.90 Het versterken van een leven lang ontwikkelen hoeft niet uitsluitend ten laste van de onderwijsbegroting en sociale zekerheidsuitgaven te komen. Eigen bijdragen van werkgevers en werknemers zijn bijvoorbeeld te overwegen. Omdat een leven lang ontwikkelen niet vanzelf tot stand komt, is een aanpak urgent en nodig die de domeinen van onderwijs (wetgeving en financiering) en sociale zaken (wetgeving en financiering) overstijgt.91
67
68
6
Duurzame omgang met de natuur
Hoe hangen demografische ontwikkelingen samen met duurzame omgang met de natuur? In dit hoofdstuk gaan we in op drie thema’s: * het belang van de koppeling van duurzaamheidsopgaven aan demografische druk in de regio’s * hoe de groei van bevolking niet per se betekent dat er groter beslag komt op bijvoorbeeld energiegebruik * hoe wateren bodemgerichte belangen ook sterke woon- en bouwrestricties met zich meebrengen.
6.1
Duurzaamheidsopgaven ook gekoppeld aan demografische druk
Duurzaamheidstransities en demografische ontwikkelingen moeten samenhangend worden doordacht De grote transitievraagstukken op het gebied van duurzaamheid omvatten met name energie, klimaatadaptatie, natuur en voedsel productie. Het zijn allemaal vraagstukken waar de inrichting van de ruimte, en bijbehorende claims een belangrijke rol in spelen. De Staatscommissie bepleit dat demografische ontwikkelingen hier expliciet bij geagendeerd worden. Gebeurt dat niet, dan kunnen er ongewenste scheidslijnen ontstaan. Bijvoorbeeld kunnen verschillen tussen regio’s waar bevolkingsgroei of juist krimp plaatsvindt, uitvergroot raken en leiden tot breed gevoelde
sociaaleconomische tweedeling. Met de juiste sturing kunnen duurzaamheidstransities goed gebundeld worden met de demografische opgaven. Toekomstig grondgebruik kan dan zorgen voor een opbouwend samengaan van functies op gebied van landbouw, wonen, natuur en economische bedrijvigheid.92 Duurzaamheidstransities betekenen nieuwe vormen van ruimtebeslag Duurzaamheidstransities betekenen dat er nieuwe verdelingen ontstaan in de wijze waarop de ruimte in Nederland in gebruik wordt genomen. In de Toekomstverkenning Welvaart en Leef omgeving van het PBL (2025) wordt in de toekomst een verdere toename van het ruimtegebruik voor wonen, werken, energie opwekking en natuur voorzien. De landbouw zal in oppervlakte afnemen, maar blijft met ruimschoots de helft veruit de belangrijkste ruimtegebruiker.93 De Staatscommissie wijst er daarnaast op dat bevolkingsgroei niet eenduidig hoeft te betekenen dat er evenredig meer grondstoffen worden gebruikt en voedsel geproduceerd. Er zijn in de aankomende periode ook ontwikke lingen van besparing voorzien. Zo zal het inzetten op circulaire economie en landbouw gevolgen hebben voor de consumptie, ongeacht de demografische ontwikkelingen die plaats gaan vinden.94
69
6.2
Energiegebruik daalt ondanks groeiende bevolking
Totale energieverbruik gaat afnemen Volgens het PBL gaat het energiegebruik in de komende decennia dalen, ondanks de verwachte bevolkingsgroei in Nederland. Dit is het gevolg van een efficiencyverbetering, zoals betere isolatie van woningen, het toepassen van warmtepompen in de gebouwde omgeving en industrie, energiebesparing bij de industrie en afbouw van energie-intensieve productieprocessen en het gebruik van efficiënte elektromotoren in plaats van verbrandingsmotoren in het wegverkeer. De samenstelling van de Nederlandse energiemix verandert daarmee drastisch. Het verbruik van kolen, olie en gas neemt sterk af en de rol van elektriciteit in het Nederlandse energiesysteem neemt sterk toe tot 2060 met een geschatte factor van 2,5 of 3. Het totale energieverbruik neemt af.95 Overigens zal het opwekken van duurzame energie wel (zichtbaar) meer ruimtebeslag met zich meebrengen op land en zee, wat van invloed zal zijn op de ruimte die voor wonen en natuur beschikbaar is. Tegelijkertijd zullen problemen rondom netcongestie steeds meer aandacht behoeven. De provincie Utrecht is onder andere voornemens samen met de provincies Flevoland en Gelderland grenzen te stellen aan de maximale piekbelasting die alle woningen gezamenlijk in een nieuwbouwwijk mogen veroorzaken. Hiertoe moeten ‘netbewuste ontwerpprincipes’ worden toegepast.96
70
Mobiliteit verduurzaamt, maar groeit ook door Op het gebied van mobiliteit is sprake van verduurzaming als gevolg van de elektrificatie van vervoersmiddelen. Echter neemt in samenhang met de bevolkingsgroei de omvang van de mobiliteit wel toe. Het PBL voorziet voor 2050 een toename van reizigers kilometers voor alle vervoersvormen; auto, OV en fiets.97 De sterkste toename wordt verwacht voor het aantal reizigers kilometers met de trein. Het goederenvervoer zal de komende decennia aanzienlijk veranderen als gevolg van de energietransitie. Het vervoer van kolen en olie per schip en trein komt te vervallen. Bestelautoverkeer en vrachtverkeer over de weg zullen meer groeien. Het gebruik van vervoermiddelen verschilt tussen bewoners in het stedelijk en in het landelijk gebied. Dat verschil zal in de toekomst naar verwachting toenemen. In het hoogstedelijk gebied hebben mensen gemiddeld minder vaak een auto en ze maken meer gebruik van fiets en openbaar vervoer. Door de sterke bevolkingsgroei in de steden wordt het daar steeds drukker op straat. Dat maakt volgens PBL een uitbreiding van het stedelijk verkeersbeleid logisch, zoals betaald parkeren, 30-kilometerzones en fietsnetwerken. Een toename van autogebruik vindt vooral plaats buiten de steden, waar eveneens reële kans is op een afname van het gebruik van busvervoer.98
6.3
Inrichtingsrestricties door water- en bodemgerichte belangen
Water- en bodemvraagstukken leidend voor bestemmen van de ruimte De klimaatverandering brengt met name op het gebied van waterbeheer belangrijke problemen voort zoals overstromings risico’s, verdroging, hittestress en piekbelastingen van afvoer systemen bij hevige regenbuien. Waterschappen staan nu voor veel nieuwe taken, zoals het op de juiste manier vasthouden en infiltreren van water in de bodem. De Staatscommissie benoemt het belang van het door het Rijk ingezette beleid om bodem en water sturend te maken voor het ordenen en bestemmen van de ruimte.99 Bijvoorbeeld zullen er in toenemende mate restricties gelden voor stedelijke uitbreiding op slappe, zettingsgevoelige grond, waarbij zich verzakkingen kunnen voordoen en voor bijvoorbeeld overstromingsgevoelige gebieden.100 Het PBL stelt dat dergelijke restricties effect kunnen hebben op regionale bevolkings ontwikkelingen; vooral in delen van de Randstad kunnen ze potentieel leiden tot minder grote bevolkingsgroei dan eerder is voorzien.101
71
Grondwaterbeschermings- en waterwingebieden in de provincie Utrecht
Eempolder
Bethunepolder waterleidingkanaal Bethunepolder
Amersfoort-Koedijkerweg Groenekan
Beerschoten
Leidsche Rijn
Woerden
SoestduinenAmersfoort-Berg
Bilthoven
Zeist
De Meern
Woudenberg
Linschoten
Blokland
Bunnik WCB Nieuwegein
Driebergen Doorn Veenendaal
Nieuwegein Tull en Vianen
't Waal
Leersum Cothen
Vianen-Panoven Langerak
Rhenen
Lexmond
100-jaarsaandachtsgebied boringsvrije zone grondwaterbeschermingsgebied waterwingebied kwetsbare strategische grondwatervoorraad matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad drinkwater zoekgebied Bron: Staat van Utrecht (2023); Kennismaken met de wateropgaven in de provincie Utrecht
72
Druk op drinkwatervoorzieningen neemt toe Eén van de urgente watergerelateerde opgaven is die rond de drinkwatervoorziening. Met de verwachte bevolkingstoename zal de druk op hierop – die nu al bestaat – verder groeien. Drinkwater bedrijven en RIVM waarschuwen dat er al op korte termijn onvoldoende reserves zijn om op piekmomenten iedereen te kunnen voorzien. Sinds 1990 neemt het drinkwatergebruik van huishoudens af, ondanks bevolkingsgroei. Dat neemt niet weg volgens de Staatscommissie dat de toenemende netto vraag tot een vergroting van het aantal huidige knelpunten kan leiden.102 Zeker ook voor de provincie Utrecht geldt dat het steeds ingewik kelder wordt om ruimte te vinden die kan worden aangewezen als grondwaterbeschermings- en waterwingebied. De grenzen aan wat op een verantwoorde manier aan grondwater kan worden onttrokken ten behoeve van drinkwater komen steeds meer in zicht.103
Deel van Nederland dat bij een zeespiegelstijging van 1 meter onder waterniveau uitkomt
Klimaatverandering vraagt om vroegtijdige inrichtingskeuzes Op dit moment is er nog ruimte om keuzes te maken ten aanzien van specifieke klimaatgerelateerde ontwikkelingen. De Staats commissie doelt hier onder andere op het feit dat de zeespiegel gaat stijgen en in het westen van het land de bodem zakt. Voor het eind van deze eeuw kan de zeespiegel met één meter stijgen, maar een stijging van twee meter wordt niet uitgesloten en duidelijk is dat deze na de eeuwwisseling onherroepelijk verder zal gaan. Steeds grotere delen van het landschap zullen daarop moeten worden ingericht. Voorzien moet worden volgens deskundigen dat dit ook kan leiden tot een omslag in woonvoorkeuren van Nederlanders. Zij zullen zich bijvoorbeeld liever willen gaan vestigen in de hoger gelegen (meer oostelijke) gebieden in Nederland.104
Bron: Climate Central | Land below 1.0 meters of water
73
74
7
Nabeschouwing
Ten slotte kijken we in dit laatste hoofdstuk kort naar de manier waarop de provincie Utrecht in deze special uitgelicht werd op het gebied van demografische ontwikkelingen. Daarnaast benoemen we twee spanningsvelden vanuit het brede welvaartsper spectief; op de eerste plaats die rond het thema ‘een leven lang ontwikkelen’. Hier speelt enerzijds een economische noodzaak (om onder andere ons voorzieningenstelsel intact te houden). Anderzijds speelt hier de dreiging van risicovolle afname van persoonlijk welzijn. Op de tweede plaats is er een spanningsveld tussen belangen van brede welvaart voor de provincie Utrecht specifiek, versus die van Nederland in het algemeen.
Demografische ontwikkelingen provincie Utrecht • Relatief sterke bevolkingsgroei voorzien: Voor de provincie Utrecht geldt dat er tot 2050 een sterkere bevolkingsgroei (+15%, ofwel 210.000 inwoners) verwacht wordt dan voor Nederland gemiddeld (+9%). Deze groei zal grotendeels plaatsvinden in de gemeente Utrecht (+121.000 inwoners). Heel lichte krimp wordt verwacht in de gemeente IJsselstein (-200 inwoners). • Relatief gunstige ontwikkeling ten opzichte van krimpregio’s: De provincie onderscheidt zich met haar groei sterk van de
krimpregio’s aan de randen van het land. Dit vertaalt zich ook naar sociaaleconomische verschillen. • Relatief grote groei eenpersoonshuishoudens: Verwacht wordt dat de groei vooral ook eenpersoonshuishoudens zal betreffen. Dit omdat de provincie vooral veel jonge mensen aantrekt (voor opleiding en werk), evenals tijdelijk verblijvende arbeids migranten. Voor de gemeente Utrecht geldt momenteel dat 51,6% van de huishoudens een eenpersoonshuishouden is, ten opzichte van 40,1% landelijk. • Relatief lage grijze druk: De grijze druk (verhouding tussen aantal personen van 65 jaar of ouder ten opzichte van personen van 20-65 jaar) is binnen de provincie Utrecht (31,0%) gemiddeld lager dan landelijk (35,5%). Hoge grijze druk is er in de gemeenten Utrechtse Heuvelrug (49,1%), De Bilt (47,7%) en Baarn (47,5%) en (zeer) laag in de gemeenten Utrecht (16,2%) en Amersfoort (27,6%). • Relatief sterke mantelzorgtekorten: De provincie Utrecht kent relatief veel ouderen (75+) die alleenstaand zijn en/of kinderloos en/of kinderen hebben die meer dan 50 kilometer verder weg wonen. Dit betekent dat mantelzorgtekorten hier extra sterk zullen spelen. • Verwachte verdubbeling mensen met dementie: Rond 2050 zullen er vermoedelijk zo’n 47.000 mensen met dementie in de provincie wonen, wat een verdubbeling vormt van het huidige aantal.
Het gaat dan naar schatting om 8.000 mensen met dementie in de gemeente Utrecht en 5.500 in de gemeente Amersfoort. 75
• Relatief weinig kinderen die niet bij hun beide juridische ouders gezamenlijk wonen. In de provincie Utrecht wonen in 2025 relatief minder kinderen niét bij hun beide juridische ouders dan in Nederland gemiddeld (23%). Het vaakst wonen kinderen niet bij hun ouders gezamenlijk in Nieuwegein (22,0%) en IJsselstein (21,2%), het minst in Renswoude (11,6%) en Woudenberg (11,7%). De Nederlandse gemeenten waar relatief de meeste kinderen niet bij hun beide juridische ouders wonen zijn Heerlen (39%) en Rotterdam (35%). • Relatief sterke onderwijs-personeelstekorten: De provincie Utrecht heeft in relatief zeer sterke mate te maken met personeelstekorten in de kinderopvang en het primair onderwijs. Deze zullen nog verder oplopen. • Geringere krapte beroepsgroepen dan Nederland gemiddeld: Wat (verder groeiende) personeelstekorten betreft geldt dat de lijst van zeer krappe beroepsgroepen in de provincie Utrecht minder lang is dan voor Nederland gemiddeld. Voor Utrecht betreft het met name metaalarbeiders, monteurs, verzorgenden en bouwarbeiders. • Relatief gunstige brede arbeidsmarktomstandigheden: De werkgelegenheid en aantrekkingskracht van opleidingen en banen zullen de komende decennia relatief het sterkst zijn in de Randstad, en daarmee in een groot deel van de provincie Utrecht.
• Relatief kwetsbaar op gebied van ruimtebeslag: Voor met name de Randstad geldt dat duurzaamheidsrestricties op het gebied
76
van ruimte effect kunnen hebben op bevolkingsontwikkeling. Hierbij moet gedacht worden aan water- en bodembelangen, natuurontwikkeling en energietransitie en de consequenties hiervan op gebied van wonen.
Spanningsvelden Brede welvaart gaat in essentie om het goed in balans brengen van de strevingen naar verbetering. Er voor zorgen dat niet één aspect alle aandacht krijgt ten koste van andere aspecten. Onvermijdelijk is het dat zich hierbij spanningsvelden voordoen. We noemen er hier twee die voortvloeien uit de beschreven demografische ontwikkelingen. Een leven lang ontwikkelen als exponent van (ongewenste) prestatiesamenleving: We zien een spanningsveld waar persoonlijk welbevinden en economische welvaart elkaar raken. Enerzijds staat het persoonlijke welzijn momenteel zwaar onder druk en wordt er door planbureaus en kennisinstellingen opgeroepen om af te schalen op continue prestatiedrang. Anderzijds wordt presteren vanuit de noodzaak en behoefte tot economische groei juist aangejaagd. Bijvoorbeeld in de vorm van de oproep om een leven lang te blijven ontwikkelen. Als hier niet op wordt geacteerd dan dreigt de economie te stagneren of verzwakken en bijten we onszelf
– als samenleving – in de staart. Theorie over de meritocratisering van de samenleving is in dit dilemma goed op zijn plaats. Het gaat over de ogenschijnlijk onbegrensde mogelijkheden van mensen om zich vrij te ontwikkelen, los van de vraag waar je wieg heeft gestaan. In principe zijn er geen grenzen aan de soorten scholing die worden aangeboden. Degenen die in de huidige tijd op de weg naar boven uitvallen kan verweten worden (of kunnen vooral zichzelf verwijten) niet voldoende hun best te hebben gedaan. Dit kan leiden tot negatieve omgevingsfeedback, zelfbeeldvorming en geïnter naliseerde prestatiedruk met mogelijk mentaal onwelzijn als gevolg. Uit de wens om een leven lang ontwikkelen als norm te stellen spreekt waarschijnlijk een te groot optimisme over menselijke mogelijkheden om tot gezonde groei te komen. Het is een mechanisme waarmee we onszelf al mogelijke teveel in een spanningsrelatie hebben geplaatst. Impactvolle verschillen tussen groei- en krimpgebieden in Nederland: Een tweede spanningsveld betreft de demografische analyses over verschillen tussen groei- en krimpgebieden in Nederland. Deze verschillen laten de uiteenlopende perspectieven zien van waaruit naar brede welvaart kan worden gekeken. Gemiddeld genomen zijn de kansen op brede welvaart momenteel in de provincie Utrecht gunstiger dan voor de krimpregio’s aan de rand van het land.
Welke vorm van brede welvaart moet dan zwaarder gaan wegen? Dat van Nederland als geheel, of van de
provincie specifiek? De Staatscommissie benoemt hoe bevolkings krimp in een regio vaak samenvalt met verlies aan economische bedrijvigheid, kwaliteit van infrastructuur, verschraling van publieke voorzieningen, het wegtrekken van jongeren en (mede daardoor) versterkte vergrijzing. Het is lastig om vast te stellen dat brede welvaart voor heel Nederland niet per se samengaat met groei van brede welvaart in een afzonderlijke provincie, net zo min als andersom.
Tenslotte Met de publicatie van Gematigde groei heeft de Staatscommissie een belangrijke nieuwe invalshoek geagendeerd – namelijk die van de bevolkingsontwikkeling – om naar brede welvaart te kijken. Dit kan zorgen voor meer houvast bij beleidsmatig handelen en voor meer koppeling van korte- aan langetermijnvisies. In deze special is vooral geprobeerd om hier meer specifieke structuur aan te geven in de vorm van het klaverbladmodel. Het gebruik van dit model beoogt zowel het belang van de afzonderlijke domeinen als hun onderlinge afhankelijkheid te onderstrepen; zonder een goede balans raakt het totaalplaatje uit evenwicht.
77
Bibliografie
• Bakker, E. d. (2025, Augustus 5). Digitalisering kan op termijn sociale cohesie aantasten. Sociale Vraagstukken. • Beer, J. d. (2017, mei). Pas op: je leeft langer dan je denkt! DEMOS. • Berg, L. v. (2025, Februari). Flexibele arbeidsrelaties verminderen welzijn van jongvolwassenen. DEMOS. • Braat, M. e. (2025, April). De integratieparadox in Nederland. Opgehaald van DEMOS.
• CBS. (2024k, oktober). Meer jongeren zonder startkwalificatie. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2024m, oktober). Nederlanders hebben steeds vaker hbo of universiteit gevolgd. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2025, Oktober). Arbeidsproductiviteit stagneert in 2024. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2025, september 5). Jongeren met jeugdzorg naar problematische schulden en GGZ-gebruik, 2023. Opgehaald van CBS.nl.
• CBS. (2020, Oktober). Kinderen in complexe gezinsverbanden. Opgehaald van CBS.nl.
• CBS. (2025, September 24). Opnieuw minder mensen met studieschuld. Opgehaald van CBS.nl.
• CBS. (2021). Nederland in cijfers. Opgehaald van cbs.nl.
• CBS. (2025, mei 26). Statistische trends. Stijgende woningprijzen, minder geboorten. Opgehaald
• CBS. (2022, juli). Trends in (echt)scheidingen. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2023). Armoede en sociale uitsluiting. Opgehaald van Longreads.cbs.nl: https://longreads. cbs.nl/armoede-en-sociale-uitsluiting-2023/risico-op-armoede-bij-huishoudens/
van CBS.nl. • CBS. (2025e, Oktober). Uitgaven gezondheids- en welzijnszorg stegen met 8,9% in 2024. Opgehaald van CBS.nl.
• CBS. (2023a). Arbeidsparticipatie hoger bij goede beheersing Nederlands. Opgehaald van CBS.nl.
• CBS. (2025g, september). Opnieuw minder mensen met studieschuld. Opgehaald van CBS.
• CBS. (2023d, Oktober). Weer samenwonen na een scheiding: verschillen tussen mannen en
• CBS. (2025h, mei). 1.849 zelfdodingen in 2024. Opgehaald van CBS.nl.
vrouwen ontrafeld. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2024, oktober). Achtergrond bij de daling van de arbeidsproductiviteitsgroei van Nederland. Opgehaald van CBS. • CBS. (2024). Toen en nu. Hoe Nederland in 50 jaar veranderde. Opgehaald van CBS.nl: https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2024/toen-en-nu-hoe-nederland-in-50jaar-veranderde • CBS. (2024). Toen en nu: hoe Nederland in 50 jaar veranderde. Volkstelling 2021 vergeleken met 1971. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2024a, Oktober). Nederland telt 2,7 miljoen LHBTQIA personen. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2024b). Huishoudensprognose 2024-2070: bijna 10 miljoen huishoudens verwacht in 2070. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2024f, December). Huishoudenprognose 2024 -2070: bijna 10 miljoen huishoudens verwacht in 2070. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2024i, september). 4 op de 10 Nederlanders hebben angst- of depressiegevoelens. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2024k, september). Bijna kwart Nederlanders gebruikt kunstmatige intelligentie zoals ChatGPT. Opgehaald van CBS.nl.
78
• CBS. (2025j, april). Jeugdhulp 2024. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2025l, april). Gemiddelde pensioenleeftijd voor het eerst boven de 66 jaar. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2025m, oktober). Jeugdhulp 1e halfjaar 2025. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2025m, november). Prognose levensverwachting 65-jarigen: 21 jaar in 2031. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2025p, september). 10 procent van de 15-plussers sterk eenzaam in 2024. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2025p). Gebruik kunstmatige intelligentie (AI) door bedrijven neemt toe. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2025p). Moeders iets ouder bij geboorte eerste kind. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2025p). Tijdlijn migratie 1849-2025. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2025q, december). Bedrijven gebruiken AI vaakst voor marketing of verkoop. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2025r, december). Bevolkingsprognose: vanaf nu meer ouderen dan jongeren. Opgehaald van CBS.nl.
• CBS. (2025t). Immigratie vanuit een huishoudensperspectief. Opgehaald van CBS.nl.
• Gaalen, R. v. (2018, November). De opmars van de oudere vader en moeder. DEMOS.
• CBS. (2025w). Aantal kinderen dat scheiding meemaakt weer toegenomen. Opgehaald van CBS.nl.
• Gillissen, R. (2025). Van woorden naar daden: (doen) wat werkt in de suïcidepreventie (Oratie).
• CBS. (2025y). Trek uit Randstad neemt wat af, vooral dertigers vertrekken. Opgehaald van CBS.nl.
• Haidt, J. (2024). Generatie angststoornis. Wat sociale media met onze kinderen doen.
• CBS. (2026c). Bevolking groeit voor derde jaar op rij minder snel. Opgehaald van CBS.nl.
• Jeugdzorg Nederland. (2024). Reflectieverslag: Jeugdbescherming als er sprake is van financiële
• CBS. (2026d). Ontwikkelingen in fysieke en psychische gezondheid in Nederland. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (2026e). Bevolking groeit het sterkst in Flevoland en de Gelderse Vallei. Opgehaald van CBS.nl. • CBS. (zd). Scheiden. Opgehaald van CBS.nl. • CCV-Secondant. (2025, Juli 8). Onze migratiesamenleving vraagt om realisme. CCV-Secondant. • CLO. (z.d.). Hbo- en wo gediplomeerden 2024. Opgeroepen op februari 2026, van www.clo.nl. • Commissariaat voor de media. (2024). Jongeren, nieuws en sociale media. Een blik op de toekomst van het nieuws. • Commissie Sociaal Minimum. (2023a). Een zeker bestaan. Naar een toekomstbestendig stelsel van het sociaal minimum. • Compendium voor de leefomgeving. (2021). Oppervlaktewater in Nederland. Opgeroepen op juni 13, 2023, van www.clo.nl. • CPB. (2023). De Nederlandse economie in historisch perspectief. Opgehaald van CPB.nl.