CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

LIS2026.132a Staat van utrecht demografiespecial

Gemeenteraad 21 mei 2026, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Ingekomen stukken20.449 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

De Staat van Utrecht over demografie ONTWIKKELINGEN IN BREDE WELVAARTSPERSPECTIEF

1

2

Inhoud

Introductie5

Brede welvaart in demografisch perspectief

40

Samenvatting6

3 Welzijn in het persoonlijk leven

41

Algemeen demografische trends 6 Demografie en welzijn in het persoonlijk leven 9 Demografie en welzijn in het samenleven 10 Demografie en economische en materiële welvaart 10 Demografie en duurzame omgang met de natuur 12 Conclusie14

1 Inleiding 1.1 Opzet van de rapportage 1.2 Werkwijze en verantwoording

17 17 18

Demografische kernonderwerpen20 2 Algemene demografische trends 2.1 2.2 2.3 2.4

Groei van de bevolking Levensverwachting en vergrijzing  Ontwikkeling huishoudens Migratie

21 21 28 32 36

3.1 Na pensionering meer gezondheid en redzaamheid te verwachten 41 3.2 Vierde levensfase: welzijn onder grote druk 42 3.3 Nieuwe patronen van sociale cohesie door digitalisering46

4 Welzijn in het samenleven

50

4.1 Nieuwe huishoudensvormen, nieuwe woonbehoeften 50 4.2 Tekortberoepen 55

5 Economische en materiële welvaart 5.1 Sociale zekerheid beweegt mee met demografische ontwikkeling 5.2 Relatief minder werkenden: belang arbeidsproductiviteit neemt toe 5.3 Opleiding en ontwikkeling als groeiende pijlers voor de samenleving

60 60 63 65

3

6 Duurzame omgang met de natuur

69

6.1 Duurzaamheidsopgaven ook gekoppeld aan demografische druk 69 6.2 Energiegebruik daalt ondanks groeiende bevolking 70 6.3 Inrichtingsrestricties door water- en bodemgerichte belangen71

7 Nabeschouwing

75

Demografische ontwikkelingen provincie Utrecht 75 Spanningsvelden76 Tenslotte77

Bibliografie78 Eindnoten83 Colofon84

4

Introductie

Het is inmiddels een jarenlange traditie van de Staat van Utrecht om specials te schrijven over onderwerpen die zowel leven bij provincie als gemeenten. Dit jaar is het special-onderwerp ‘demografie’. We baseren ons daarbij in verregaande mate op het in 2024 verschenen rapport ‘Gematigde groei’ van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050. Wie denkt dat een demografische studie vooral gaat over cijfers en grafieken, komt bij het lezen van ‘Gematigde groei’ bedrogen uit. Slechts een deel gaat over getallen. Grotendeels gaat het verhaal over de impact van demografische ontwikkelingen op urgente samenlevingsopgaven. Denk hierbij aan woningbouwtekorten, migratievraagstukken, ruimteclaims voor duurzaamheid, de AOWleeftijd en kwaliteitsbehoud in zorg en onderwijs. Demografische analyses vormen bij deze en veel andere maatschappelijke opgaven een betrouwbaar beginpunt voor nieuw beleid.

Doordat de reikwijdte van het demografische werkgebied zo ver strekt, vertoont het sterke overlap met dat van de brede welvaart. In deze special wordt deze overeenstemming verder uitgediept, met uiteraard speciale focus op de situatie van en binnen de provincie Utrecht. We hopen dat dit rapport handvatten biedt om vertrouwd te raken met een demografische blik. Vooral ook met de samenhang tussen bevolkingsontwikkeling enerzijds en vraagstukken op gebied van welzijn, economie en duurzaamheid anderzijds.

Florien Labree Programmamanager Staat van Utrecht, provincie Utrecht

5

Samenvatting

Op basis van het rapport Gematigde groei van de Staats­commissie Demografische Ontwikkelingen uit 2024 en tal van publicaties van planbureaus en kennis­ instellingen wordt in deze special gekeken naar algemene demografische trends en trends binnen brede welvaartsperspectief. Als brede welvaarts­kader gebruiken we het klavervier-model waarbij onder­ scheid gemaakt wordt tussen welzijn in het persoonlijk leven, welzijn in het samenleven, economische en materiële welvaart en duurzame omgang met de natuur. Zoveel mogelijk zijn de analyses toegespitst op de situatie van de provincie Utrecht.

Algemeen demografische trends Groei van de bevolking • Voor de provincie Utrecht geldt dat er tot 2050 een sterkere bevolkingsgroei (+15%, ofwel 210.000 inwoners) verwacht wordt dan voor Nederland gemiddeld (+9%). Deze groei zal grotendeels plaatsvinden in de gemeente Utrecht (+121.000 inwoners). Heel lichte krimp wordt verwacht in de gemeente IJsselstein (-200 inwoners). • De provincie onderscheidt zich met haar groei sterk van de krimpregio’s aan de randen van het land.

6

• Dát er sprake is van groei wordt landelijk bijna geheel bepaald door internationale migratie. Zonder de komst van arbeids-, gezins-, asiel- en studiemigranten zou de Nederlandse bevolking krimpen of hooguit stationair zijn. • Voor de Randstad (en dus ook voor een groot deel van de provincie Utrecht) geldt paradoxaal genoeg dat meer mensen er uit wegtrekken dan zich vestigen. Het gaat vooral om stellen van in de dertig en veertig die vertrekken. Dat er toch groei is komt vooral door aanwas van immigranten en omdat er meer kinderen geboren worden dan er mensen overlijden. Levensverwachting en vergrijzing • De levensverwachting neemt steeds verder toe. In de provincie Utrecht wordt men nu, als gerekend wordt vanaf het moment van geboorte, gemiddeld 82 jaar. Als men nu 65 is, is de gemiddelde levensverwachting 84,9 jaar. Dit cijfer groeit door tot 87,2 jaar in 2040. • Door de toegenomen levensverwachting in combinatie met daling van het kindertal, vindt er in heel Nederland sterke vergrijzing plaats. 2025 is een kanteljaar waarin er voor het eerst meer 65-plussers in Nederland wonen dan jongeren tot 20 jaar. • De grijze druk (verhouding tussen aantal personen van 65 jaar of ouder ten opzichte van personen van 20-65 jaar) is binnen de provincie Utrecht (31,0%) gemiddeld lager dan landelijk (35,5%).

Hoge grijze druk is er in de gemeenten Utrechtse Heuvelrug (49,1%), De Bilt (47,7%) en Baarn (47,5%) en (zeer) lage grijze druk in de gemeenten Utrecht (16,2%) en Amersfoort (27,6%).

Huishoudens • De ontwikkeling van huishoudens kent groei én verdunning. In heel Nederland neemt het aantal huishoudens toe van 8,4 miljoen in 2025 naar 10 miljoen in 2070. De gemiddelde omvang zal in die periode dalen van 2,10 naar 2,02 personen. • Verwacht wordt dat de groei in de provincie Utrecht vooral ook eenpersoonshuishoudens zal betreffen. Dit omdat de provincie veel jonge mensen aantrekt (voor opleiding en werk), evenals tijdelijk verblijvende arbeidsmigranten. Voor de gemeente Utrecht geldt momenteel dat 51,6% van de huishoudens een eenpersoonshuishouden is, ten opzichte van 40,1% landelijk. • Wat de vruchtbaarheid betreft: momenteel krijgen vrouwen gemiddeld 1,5 kinderen. Dit is laag vergeleken met bijvoorbeeld de jaren vijftig, toen dit cijfer op 3,1 lag. De vruchtbaarheid zal naar verwachting de komende decennia licht stijgen naar 1,6 in 2070. • In de provincie Utrecht wonen in 2025 relatief minder kinderen niét bij hun beide juridische ouders dan in Nederland gemiddeld (23%). Het vaakst wonen kinderen niet bij hun beide juridische ouders in Nieuwegein (22,0%) en IJsselstein (21,2%), het minst in Renswoude (11,6%) en Woudenberg (11,7%). De Nederlandse gemeenten waar relatief de meeste kinderen niet bij hun beide juridische ouders wonen zijn Heerlen (39%) en Rotterdam (35%).

Migratie • Op het gebied van migratie hamert de Staatscommissie op demografische uiteenrafeling. Er zijn namelijk belangrijke verschillen tussen migrantentypen wat betreft gemiddelde verblijfsduur, huisvestingsbehoeften, leeftijdsopbouw en voorzieningengebruik. • Arbeids- en studiemigranten emigreren relatief vaak binnen vier jaar en blijven gedurende hun tijd in Nederland meestal eenpersoonshuishoudens vormen. Asiel- en gezins­migranten emigreren minder vaak, vormen vaker een meerpersoons­ huishouden en hebben daarmee relatief vaker een grotere woning nodig. • De kern van het rapport van de Staatscommissie vormen drie scenario’s die in sterke relatie staan tot migratievraagstukken. Er is een ‘krimp- en nulscenario’, een ‘gematigde groei-scenario’ en een ‘hoge groei-scenario’. De eerste en laatste scenariotypen zou de Rijksoverheid niet moeten nastreven. • De beste (brede welvaarts-)uitkomsten zijn te behalen met het nastreven van gematigde groei, waarbij er in 2050 zo’n 19 à 20 miljoen inwoners zijn in Nederland. Daartoe is wel matiging van migratie noodzakelijk. De welvaartsgroei kan zich dan, ondanks de vergrijzing, nog dusdanig ontwikkelen dat bijvoorbeeld het huidige niveau van publieke voorzieningen stand kan houden.

7

8

Demografie en welzijn in het persoonlijk leven Opkomst van nieuwe derde levensfase vol zelfredzaamheid: • Naast de toename van de levensverwachting speelt dat mensen gemiddeld langer gezond blijven. Er is een tussengroep van ‘jongere ouderen’ ontstaan (67-80 jaar) met grote zelfredzaam­ heid en samenlevingskracht. Men spreekt in dit kader over een ‘derde levensfase’. • Binnen de provincie Utrecht ervaart momenteel twee derde van álle 65-plussers zijn of haar gezondheid als (zeer) goed. Welzijn oudere ouderen onder druk: • Voor oudere ouderen (in de vierde levensfase) staat het welbevinden gemiddeld onder toenemende grote druk omdat te weinig of geheel niet aan hun mantelzorgbehoefte kan worden tegemoetgekomen. • Voor de Utrechtse regio geldt dat er relatief veel 75-plussers wonen die alleenstaand zijn en/of kinderloos of een kind hebben dat minimaal 50 kilometer verderop woont. Dat betekent dat de ongerealiseerde mantelzorgbehoefte hier naar verwachting groot is en zal blijven. • Rond 2050 zullen er vermoedelijk zo’n 47.000 mensen met dementie in de provincie wonen, waarvan 8.000 in de gemeente Utrecht en 5.500 in de gemeente Amersfoort. Dit is een ruime verdubbeling ten opzichte van 2020, waarin er naar schatting 19.000 inwoners met dementie waren.

Digitale publieke ruimte legt (mede) druk op persoonlijk welzijn: • Demografische ontwikkeling is ook verweven met vraag­stukken rondom sociale cohesie. De komst van digitale communicatie­ mogelijkheden heeft bijvoorbeeld een parallelle wereld aan ontmoeting voortgebracht. Er is naast de fysieke wereld een digitale publieke ruimte ontstaan met eigen dyna­mieken van contact onderhouden en verbinding creëren. • Binnen de digitale ruimte worden onder andere talloze ‘light communities’ gevormd. Daardoor lijkt de sociale cohesie in de samenleving in ieder geval kwantitatief sterk te zijn toegenomen. Anderzijds wordt in de fysieke leefwereld ook gezien dat mensen gemiddeld minder langdurige relaties met elkaar aangaan en er relatief vaker voor kiezen alleen te blijven wonen. • Planbureaus en kennisinstellingen spreken over maatschap­ pelijke tendensen van individualisering, prestatiedruk, hyper­­­­ nervo­siteit en meritocratisering. Mensen ervaren toenemende uitvergroting van hun persoonlijke verantwoordelijk­heid op alle levensgebieden. Dit brengt groei van mogelijke faalgevoelens mee. • Er is samenlevingsbreed sprake van een zorgwekkende groei van mentaal onwelzijn, met name onder jongeren.

Hoe processen van digitalisering, individualisering en meritocratisering precies samenhangen met het toegenomen mentale onwelzijn in de samenleving is nog niet eenduidig wetenschappelijk vastgesteld.

9

Demografie en welzijn in het samenleven Nieuwe huishoudensvormen en woonbehoeften: • De manier waarop huishoudens zijn samengesteld en woon­ behoeften gevormd, is in de afgelopen vijftig jaar sterk veranderd. Het ouderwetse kerngezin als hoeksteen van de samenleving is vervangen door een grote diversiteit aan huishoudensvormen. • Als men een partnerrelatie heeft, is samenwonen niet per se de norm. Nederland kent momenteel meer dan een miljoen ‘latters’, waarbij ‘lat’ staat voor living apart together. Dit door­ kruist de aanname dat eenpersoonshuishoudens samen­vallen met mensen die relationeel alleenstaand zijn. • De traditionele indeling van woonruimtes naar gezinswoning³ (120 m2) en eenpersoonswoningen (£ 50m2) schiet tekort. Van belang is de sterk gedifferentieerde groei van alleenwonenden, waaronder ook arbeidsmigranten, in de woonvisies te betrekken. Samenleven verandert door tekorten in essentiële beroepen: • Alhoewel de potentiële beroepsbevolking in Nederland in absolute zin tot 2050 licht zal stijgen (van 10,4 miljoen in 2023 naar 10,7 miljoen), neemt deze door de vergrijzing relatief af. Er ontstaan personeelstekorten die grote impact hebben op de kwaliteit van het samenleven. • Arbeidsmigratie kan volgens de Staatscommissie hier maar (zeer) beperkt uitkomst bieden. Veel van de zogenaamde tekortberoepen spelen tegelijkertijd in grote delen van Europa. 10

• Belangrijke tekortberoepen in de provincie Utrecht, met voor­ spelde verdere achteruitgang tot 2030 zijn bouwarbeiders, monteurs en zorgmedewerkers. Daarnaast spelen in de Utrechtse regio zeer sterke personeelstekorten in de kinder­ opvang en het primair onderwijs. Ook deze tekorten zullen verder toenemen. • De algemene tekorten in het onderwijs brengen brede welvaart in het geding en vergroten mogelijk maatschappelijke scheidslijnen. Bemiddelde ouders kunnen desgewenst aan­ vullend onderwijs inkopen waarmee ongelijke ontwikkel­kansen ontstaan tussen groepen jeugdigen. Deze kunnen blijvend doorwerken in latere arbeidsmarkt-, woningmarkten gezondheidskansen.

Demografie en economische en materiële welvaart Socialezekerheidsstelsel verandert onder invloed van demografische ontwikkeling: • Het gebruik van sociale zekerheid is sterk gecorreleerd met demografische kenmerken van de bevolking. • De vergrijzing en de toename van eenpersoonshuishoudens leiden momenteel tot veranderende behoeften; er komen steeds meer AOW-gerechtigden bij en voor eenpersoonshuishoudens geldt dat zij vaak minder vangnetten hebben bij inkomensverlies of (mantel)zorgbehoeften.

• Deze verschuivingen maken nieuwe (politieke) afwegingen noodzakelijk omtrent financiering. Zo wordt de AOW sinds 2025 voor het eerst voor meer dan de helft gefinancierd uit belasting­ inkomsten. Oorspronkelijk was bedacht dat de AOW volledig uit premies van werkende generaties zou worden opgebracht. Door afname aandeel werkenden groeit druk op arbeidsproductiviteit: • Het aandeel (potentieel) werkenden in de bevolking zal mogelijk dalen van 59% in 2023 naar 54% in 2050. Dit betekent dat de totale welvaartsgroei kan stagneren of afnemen. • Omdat arbeidsmigratie de ontstane tekorten nooit helemaal kan opvangen, moet vooral de arbeidsproductiviteit gevoed gaan worden. Hier gaat het met name om de toegevoegde waarde per gewerkt uur. Bijvoorbeeld door innovatie, technologische vooruitgang, opleiding en kwaliteit van management. • De werkgelegenheid en aantrekkingskracht van opleidingen en banen zullen de komende decennia relatief het sterkst zijn in de Randstad, en daarmee in een groot deel van de provincie Utrecht. • Mogelijk zal de komst van AI kunnen zorgen voor toekomstige productiviteitsgroei. • Ook zal de horizon van populaire arbeidsmigratielanden moeten worden verbreed naar regio’s waar in de nabije toekomst de beroepsbevolking juist groeit in plaats van daalt, zoals India, Bangladesh en Indonesië.

11

Een leven lang ontwikkelen is essentieel voor brede welvaart: • Een leven lang ontwikkelen is volgens de Staatscommissie een van de speerpunten waarop vanuit demografisch oogpunt verder beleidsmatig ingezet zou moeten worden. Dit draagt bij aan arbeidsproductiviteit en innovatiekracht van de samenleving. • Door bijvoorbeeld te zorgen voor passende financiële over­ bruggingsregelingen kunnen werknemers makkelijker stappen zetten, via gericht onderwijsaanbod, naar nieuwe arbeidssectoren. • Voor het reguliere onderwijs geldt momenteel dat er (te) veel opwaartse druk speelt. De voorkeur voor universitair onderwijs gaat hierbij ten koste van deelname aan het mbo en mogelijk ook het hbo. • Dit zorgt voor een onevenwichtige instroom op de arbeidsmarkt en ongelijke regionale spreiding. Hbo/wo geschoolden trekken vaak naar de stad en mbo-geschoolden blijven vaker in de eigen regio werken en wonen.

12

Demografie en duurzame omgang met de natuur Brede welvaart vraagt om koppeling van duurzaamheids- aan demografische opgaven: • Demografische ontwikkelingen linken maar gedeeltelijk direct aan duurzaamheidsopgaven. Ongeacht de manier waarop de bevolking zich ontwikkelt, moeten er grote opgaves op dit vlak worden volbracht. Hier liggen belangrijke koppelkansen. • Voor met name de Randstad geldt dat duurzaamheidsrestricties op het gebied van ruimte effect kunnen hebben op bevolkings­ ontwikkeling. Hierbij moet gedacht worden aan water- en bodem­belangen, natuurontwikkeling en energietransitie en de conse­quenties hiervan op gebied van wonen. • De Staatscommissie onderstreept het belang te streven naar een vruchtbaar samengaan van functies op het gebied van landbouw, wonen, natuur en economische bedrijvigheid vanuit landelijk perspectief. Nu zijn regionale verschillen groot wat betreft bevolkingsgroei en -krimp en bijkomende sociaaleconomische tweedeling.

Bevolkingsgroei betekent niet automatisch meer grondstoffengebruik: • Ook al blijft de bevolking nog groeien, betekent dit niet automatisch dat consumptie of gebruik van grondstoffen evenredig toeneemt. Zo zijn er op gebied van bijvoorbeeld voedselproductie en energiegebruik efficiency-slagen die besparend werken. • Waar het gaat om totaal energiegebruik wordt er in de komende decennia een daling voorzien ondanks de groei van de bevolking. De energiemix verandert sterk; het verbruik van kolen, olie en gas neemt af en die van elektriciteit groeit aanzienlijk. Mogelijk neemt het verbruik van elektriciteit tot 2060 toe met een factor 2,5 tot 3. • Problemen rondom netcongestie zullen steeds meer aandacht behoeven. De provincie Utrecht is onder andere voornemens samen met de provincies Flevoland en Gelderland grenzen te stellen aan de maximale piekbelasting in nieuwbouwwijken. • Voor mobiliteit in het algemeen geldt dat deze weliswaar sterk verduurzaamt, maar wel zal blijven toenemen. De sterkste toename wordt verwacht voor reizigerskilometers met de trein. Ook het goederenvervoer over de weg zal toenemen.

Water- en bodembelangen stellen belangrijke restricties aan ruimtelijke inrichting: • Op het gebied van water en bodem spelen urgente opgaven die gerelateerd zijn aan overstromingsrisico’s, verdroging, hittestress en piekbelastingen van afvoersystemen bij hevige regenbuien. Dit heeft belangrijke consequenties voor de manier waarop de ruimte geordend en bestemd kan worden en daarmee voor regionale bevolkingsontwikkeling. • Bijvoorbeeld speelt zorg rondom de verwachte zeespiegelstijging in deze eeuw en daarna. Steeds grotere delen van Nederland zullen daarop heringericht moeten worden. Mogelijk kan dit ook leiden tot omslag in woonvoorkeuren van Nederlanders en groeit de wens om zich te vestigen in de hoger gelegen (vaak oostelijke) gebieden van Nederland. • Op korte termijn zijn er al onvoldoende drinkwaterreserves om op piekmomenten alle huishoudens te kunnen voorzien. Zeker ook in de provincie Utrecht wordt het steeds moeilijker om ruimten aan te wijzen als waterwingebied.

13

Conclusie Samenvattend gelden voor de provincie Utrecht een aantal belang­ rijke gunstige trends op het gebied van demografie in relatie tot brede welvaart; er is naar verhouding sterke bevolkingsgroei voorzien, lage grijze druk, geringe krapte voor veel beroepsgroepen en gunstige brede arbeidsmarktomstandigheden. Dit laatste doordat de provincie aantrekkingskracht heeft op jonge mensen voor opleiding en werk evenals voor tijdelijk verblijvende arbeids­ migranten. Minder gunstig zijn de specifiek sterke onderwijspersoneelstekorten, dreigende mantelzorgtekorten en de druk van duurzaamheidsrestricties op ruimte voor wonen. Met de publicatie van Gematigde groei heeft de Staatscommissie een belangrijke invalshoek geagendeerd – namelijk die van de bevolkingsontwikkeling – om naar brede welvaart te kijken. Dit kan zorgen voor meer houvast bij beleidsmatig handelen en voor meer koppeling van korte- aan langetermijnvisies. Brede welvaart gaat in essentie om het goed in balans brengen van de strevingen naar verbetering. We concluderen dat er in ieder geval twee spanningsvelden zijn.

14

• De eerste betreft die tussen ‘welzijn in het persoonlijk leven’ enerzijds en ‘economische welvaart’ anderzijds. Planbureaus en kennisinstellingen roepen op om af te schalen op meritocratische samenlevingsdruk die de continue prestatiedrang van burgers aanjaagt. Anderzijds wordt presteren vanuit de noodzaak en behoefte tot economische groei juist als een noodzaak gezien en wordt gepleit voor het faciliteren van een leven lang ontwikkelen waarbij flexibel geschakeld moet kunnen worden. • Een tweede spanningsveld is die tussen het aanjagen van brede welvaart in de regio (zoals provincie Utrecht) versus die voor Nederland totaal. Gemiddeld genomen zijn de kansen op brede welvaart momenteel in de provincie Utrecht gunstiger dan voor de krimpregio’s aan de rand van het land. De vraag is hoe brede welvaartsgroei tegelijkertijd in beide gebiedstypen in goede balans kan worden gebracht.

15

16

1 1.1

Inleiding

Opzet van de rapportage

Twee delen: demografische basis en de koppeling aan brede welvaart. Het onderwerp demografie kent vele facetten. In de kern gaat het om hoe de bevolking zich getalsmatig ontwikkelt. Die cijfers hebben echter weinig informatiewaarde als men de context niet kent. Bevolkingskrimp als gevolg van een dalend aantal geboortes heeft bijvoorbeeld andere consequenties dan krimp als gevolg van grootschalige emigratie. In het eerste geval moet men zich beraden op leegstand van scholen, in het tweede geval moet men kijken naar mogelijke arbeidsmarkttekorten. Het is juist de context waarin de groei of krimp zich voordoet, die het hele demografische verhaal vertelt. In dit rapport hebben we oog voor die verschillende lagen van de demografische analyse. We splitsen het rapport in twee hoofddelen waarbij we in deel één kijken naar algemene ontwikkelingen op bevolkingsgebied – met name in de provincie Utrecht. We maken zowel gebruik van het in 2024 verschenen rapport ‘Gematigde groei’ van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 (hierna afgekort tot het rapport van ‘de Staatscommissie’) als van bevolkingsprognoses en – analyses van het CBS.

In het tweede deel kijken we naar de consequenties die demo­ grafische ontwikkelingen kunnen hebben op brede welvaart. Alle onderwerpen die we hierin bespreken hebben we ingedeeld op basis van het door de Staat van Utrecht ontwikkelde klaverviermodel. Dit model onderscheidt vier welvaartsdimensies die met elkaar in harmonie moeten blijven wil men succesvol van brede welvaart kunnen spreken, in tegenstelling tot partiële welvaart. Het gaat om de ‘klaverblaadjes’: • Welzijn in het persoonlijk leven • Welzijn in het samenleven • Economische en materiële welvaart • Duurzame omgang met de natuur Welzijn in het persoonlijke leven

Welzijn in het samenleven

Economische en materiële welvaart

Duurzame omgang in de natuur

Bron: Monitor Brede Welvaart in de provincie Utrecht | Staat van Utrecht

17

Als bronnen voor dit deel gebruiken we naast het rapport van de Staatscommissie ook rapportages en artikelen van landelijke plan­bureaus en kennisinstellingen zoals SCP, CPB, PBL, CBS, NIDI, WRR, RVS, Trimbosinstituut en RIVM. Ook vanuit deze bronnen is steeds informatie die de provincie Utrecht betreft naar voren gehaald.

1.2

Werkwijze en verantwoording

Net als bij eerdere specials van de Staat van Utrecht, is ook in deze rapportage het doel om op hoofdlijnen informatie te bieden die van belang is voor de provincie Utrecht. Aangezien er veel informatie bestaat over brede welvaart en demografie lag hier een belangrijke uitdaging om overzichtelijk te blijven. Er is voor gekozen om binnen alle hoofdstukken steeds een beperkt aantal onderwerpen aan te snijden. De selectie die gemaakt is, is het resultaat van een kwalitatief proces waarin gezocht is naar overlappingen binnen thema’s. Het resultaat is mogelijk niet feilloos te noemen. Hopelijk geeft het echter wel een indruk van de uitdagingen en conse­ quenties die demografische ontwikkelingen met zich meebrengen op gebieden als welzijn, economie en duurzaamheid. Op het rapport is intensief meegedacht en meegelezen door medewerkers van gemeente en provincie.

18

Ten slotte is het belangrijk om te noemen dat prognoses op basis van demografische trends en over hoe de samenleving verandert, doorkruist kunnen worden door tal van onvoorziene of onderschatte maatschappelijke inbreuken en ontwrichtingen. Zoals de Staatscommissie zelf ook benoemt, is er uiteindelijk niemand die precies kan voorspellen wat ons de komende decennia te wachten staat. Dat ondermijnt het belang van demografisch denken geenszins. Ons inziens is het volkomen terecht dat de Staats­ commissie pleit voor een meer permanente en overkoepelende inbedding van demografische studies in het beleid van de ministeries (en van gemeenten en provincies). Daarmee wordt de samenhang tussen ontwikkelingen op korte en lange termijn beklemtoond. ‘Het belang van domeinoverstijgend denken, doen en financieren’, zoals de Staatscommissie stelt, zal nooit genoeg kunnen worden herhaald.1

19

I 20

Demografische kernonderwerpen

2.1

Groei van de bevolking

Bevolkingsgroei in provincie Utrecht in 35 jaar een-na-hoogste van Nederland Tussen 1990 en 2025 is de bevolking in de provincie Utrecht met 39% toegenomen, terwijl dat voor Nederland gemiddeld 21% was. Utrecht is daarmee in die tijd de een na sterkst groeiende provincie van Nederland geweest. Flevoland groeide het sterkst met 116%, Limburg het minst sterk, met 3%.

Procentuele bevolkingsgroei per provincie, 1990-2025 120%

116%

100% 80% 60% 40%

39% 26%

20%

22%

20%

20%

0%

17%

15%

11%

10%

9%

3%

an d U N tr oo ec rd ht -H N o oo l rd land -B ra Zu ba id nt -H ol l Ge and ld er la nd Ov er ijs se l Dr en th e Fr ys lâ n Ze el an Gr on d in ge n Li m bu rg

In dit hoofdstuk kijken we naar algemene demografische trends: * groei van de bevolking * levensverwachting en vergrijzing, * ontwikkeling van huishoudens en * migratie

Fl ev ol

2

Algemene demografische trends

provincie

Nederland

Bron: CBS_Statline

21

Bevolkingsgroei- en krimp komen naast elkaar voor in Nederland Voor de komende 25 jaar verwacht het CBS een totale bevolkings­ groei in Nederland van 9,2%. Absoluut gezien betekent dit dat we van bijna 18 miljoen naar 19,6 miljoen inwoners gaan. De provincies met de sterkste bevolkingsgroei zijn dan naar verwachting Flevoland (+24,3%), Noord-Holland (+16,6%) en Utrecht (+14,9%). Er wordt ook bevolkingskrimp voorzien, met name in de provincies Limburg (-3,8%), Drenthe (-2,6%) en Groningen (-2,3%). Bevolkingsontwikkeling blijft daarmee ongelijkmatig plaatsvinden in Nederland. Zoals we ook elders in deze rapportage benoemen betekent dit dat er in de verschillende regio’s ook uiteenlopende soorten opgaven spelen. Bijvoorbeeld waar het gaat om huisvesting, zorgverlening, werkgelegenheid en het in stand houden van voorzieningen. De Staatscommissie beveelt aan tot een nationale visie te komen om demografische ontwikkelingen op lokaal niveau te kunnen begeleiden, met oog voor brede welvaart in alle regio’s van het land.2

22

CBS-prognose bevolkingsgroei- en krimp Nederland en provincies, 2025–2050 2025 Nederland

2050 17.980.500

Groei absoluut 19.630.000

1.649.500

Groei relatief 9,2%

Groningen

593.900

580.100

-13.800

-2,3%

Fryslân

653.100

640.300

-12.800

-2,0%

Drenthe

492.700

480.100

-12.600

-2,6%

Overijssel

1.185.100

1.218.300

33.200

2,8%

Flevoland

448.300

557.100

108.800

24,3%

Gelderland

2.148.200

2.292.900

144.700

6,7%

Utrecht

1.410.700

1.620.700

210.000

14,9%

Noord-Holland

3.016.300

3.517.600

501.300

16,6%

Zuid-Holland

3.869.700

4.377.300

507.600

13,1%

389.800

387.700

-2.100

-0,5%

Noord-Brabant

Zeeland

2.649.900

2.877.500

227.600

8,6%

Limburg

1.122.900

1.080.400

-42.500

-3,8%

Bron: CBS_Statline

Internationale migratie is belangrijkste oorzaak van Nederlandse bevolkingsgroei Dat de Nederlandse bevolking nog steeds groeit, wordt vooral bepaald door internationale migratie. Zonder migratie zou de Nederlandse bevolking krimpen of hooguit gelijk blijven. Een kwart van de bevolking in Nederland heeft inmiddels een migratie­ achtergrond (eerste en tweede generatie). In 2022 is 13% van de totale bevolking eerste generatiemigrant en 12% is tweedegeneratiemigrant.3 Ondanks netto bevolkingsgroei in Randstad toch veel vertrekkers De Randstad – en daarmee de provincie Utrecht – is een populair woongebied in Nederland. Toch blijkt dat er in de afgelopen tien jaar ook veel mensen zijn weggetrokken. In de periode 2016-2024 verlieten er meer mensen de Randstad om elders te gaan wonen, dan dat mensen van elders zich in de Randstad vestigden. Het zijn vooral dertigers die de Randstad verlaten, veelal stellen al dan niet met kinderen. Ook veertigplussers verhuizen vaker uit de Randstad dan ernaartoe, maar die aantallen zijn kleiner dan bij dertigers en kinderen. Jongvolwassenen doen juist het omgekeerde: zij trekken naar de Randstad voor studie, werk en zelfstandig wonen. Hoewel meer mensen vanuit de Randstad naar andere regio’s in Nederland verhuizen dan andersom, groeit de bevolking er nog steeds iets harder.

Dat komt doordat immigranten (die nog niet eerder zelfstandig gehuisvest waren in Nederland) zich wat vaker in de

23

CBS-prognose bevolkingsgroei- en krimp gemeenten provincie Utrecht, 2025–2050 2025

Randstad vestigen en de bevolking in de Randstad gemiddeld jonger is dan daarbuiten. Er worden meer kinderen geboren dan er mensen overlijden.4 Bevolkingsgroei voorzien in de meeste Utrechtse gemeenten Voor gemeenten in de provincie Utrecht geldt een enigszins uiteen­ lopend beeld waar het de bevolkingsontwikkeling van de komende 25 jaar betreft. Naar verwachting zal met name de bevolkings­ omvang in de gemeenten Utrecht (+31,3%), Renswoude (+21,1%) en Bunnik (+18,0%) relatief het sterkst toenemen. Krimp of zeer lage groei wordt voorzien in de gemeenten IJsselstein (-0,6%), De Ronde Venen (+0,2%) en Montfoort (+0,7%). Absoluut gezien gaat het om een verwachte groei van 210.000 inwoners in de provincie Utrecht tussen 2025 en 2050.

Groei absoluut

Groei relatief

Amersfoort

161.700

178.900

17.200

10,6%

Baarn

24.800

25.800

1.000

4,0%

De Bilt

43.300

46.400

3.100

7,2%

Bunnik

16.100

19.000

2.900

18,0%

Bunschoten

23.100

27.100

4.000

17,3%

Eemnes

9.700

11.400

1.700

17,5%

Houten

50.900

59.500

8.600

16,9%

IJsselstein

33.600

33.400

-200

-0,6%

Leusden

31.200

35.200

4.000

12,8%

Lopik

14.700

16.400

1.700

11,6%

Montfoort

13.600

13.700

100

0,7%

Nieuwegein

68.000

79.400

11.400

16,8%

Oudewater

10.400

12.000

1.600

15,4%

Renswoude

5.700

6.900

1.200

21,1%

Rhenen

20.500

21.600

1.100

5,4%

De Ronde Venen

45.300

45.400

100

0,2%

Soest

47.300

48.700

1.400

3,0%

Stichtse Vecht

66.800

67.700

900

1,3%

Utrecht (gemeente)

386.000

506.900

120.900

31,3%

Utrechtse Heuvelrug

50.400

52.000

1.600

3,2%

Veenendaal

69.100

74.800

5.700

8,2%

Vijfheerenlanden

59.700

65.800

6.100

10,2%

Wijk bij Duurstede

24.200

24.600

400

1,7%

Woerden

53.600

55.900

2.300

4,3%

Woudenberg

14.000

15.400

1.400

10,0%

Zeist

67.100

76.700

9.600

14,3%

Bron: CBS_Statline

24

2050

25

Leeftijdsopbouw Nederland, 1950 105

leeftijd

100 95 90 85 80 75 70 65 60 55 50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0 150 x 1.000 mannen

120

90 vrouwen

Bron: Bevolkingspiramide | CBS

26

60

30

0

30

60

90

120

150 x 1.000

Leeftijdsopbouw Nederland, 2050 (prognose) leeftijd 100 95 90 85 80 75 70 65 60 55 50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0 150 x 1.000 mannen

120

90

60

30

0

30

60

90

120

150 x 1.000

vrouwen

Bron: Bevolkingspiramide | CBS

27

Levensverwachting bij geboorte en vanaf 65 jaar voor gemeenten in provincie Utrecht Bij geboorte

2.2

Levensverwachting en vergrijzing

Toename gemiddelde levensverwachting naar 87,2 jaar in 2040 Voor inwoners in de provincie Utrecht geldt momenteel een levensverwachting van 82 jaar, gerekend vanaf het moment van geboorte, en van 84,9 jaar gerekend vanaf 65-jarige leeftijd. Vrouwen hebben een hogere levensverwachting: gemiddeld worden zij 83,4 jaar gerekend vanaf de geboorte en 86,0 jaar gerekend vanaf het 65ste jaar. Voor mannen in de provincie Utrecht geldt een gemiddelde levensverwachting van 80,5 jaar vanaf de geboorte, en van 83,8 jaar vanaf 65 jaar5. Binnen de provincie Utrecht hebben momenteel inwoners van de gemeenten Montfoort en Bunnik de hoogste gemiddelde levensverwachting. Zij hebben gemiddeld kans om respectievelijk 85,5 en 84,8 jaar oud te worden. In de gemeenten Baarn (80,4) en Zeist (80,9) liggen deze cijfers het laagst.

Voor de vraag hoe de levensverwachting zich de komende decennia verder gaat ontwikkelen, zijn vooralsnog alleen landelijke cijfers beschikbaar. Tussen 2025 en 2070 neemt de levensverwachting volgens het CBS toe met iets minder dan 5 jaar. Is iemand 65 jaar geworden, dan is de verwachting dat deze persoon in 2070 gemiddeld doorleeft tot 90,3 jaar. In het jaar 2025 was dit nog 85,1 jaar.

Amersfoort

Bij 65 jaar 19,8

Baarn

80,4

19,1

Bunnik

84,8

22,6

Bunschoten

81,5

19,4

De Bilt

82,6

20,2

De Ronde Venen

83,4

20,6

Eemnes

83,6

22,4

Houten

83,5

20,9

IJsselstein

81,8

19,5

Leusden

82,6

20,6

Lopik

83,8

21,5

Montfoort

85,5

22,9

Nieuwegein

82,6

21,1

Oudewater

82,8

20,9

Renswoude

82,8

20,8

Rhenen

82,3

20,4

Soest

82,3

20,1

Stichtse Vecht

82,4

20,0

Utrecht (gemeente)

81,0

19,1

Utrechtse Heuvelrug

82,0

20,2

Veenendaal

81,7

19,8

Vijfheerenlanden

81,3

19,1

Wijk bij Duurstede

83,2

21,0

Woerden

82,1

20,1

Woudenberg

82,8

20,8

Zeist

80,9

19,2

Bron: Vzinfo.nl / 2020-2023

28

81,9

Prognose levensverwachting mannen/vrouwen gerekend vanaf 65ste verjaardag (in jaren), 2025-2070 Totaal

Mannen

Vrouwen

2025

20,06

19,02

21,05

2030

20,96

19,85

22,05

2035

21,57

20,44

22,69

2040

22,17

21,02

23,31

2045

22,74

21,58

23,90

2050

23,30

22,12

24,46

2055

23,83

22,64

25

2060

24,34

23,15

25,52

2065

24,83

23,64

26,01

2070

25,30

24,11

26,48

Bron: CBS_Statline

Minder geboorten en langer leven zorgen tezamen voor vergrijzing De toenemende levensverwachting in combinatie met het feit dat er sinds de jaren zeventig relatief minder kinderen worden geboren, zorgt voor vergrijzing in de samenleving. De verhouding tussen het aandeel jongeren en ouderen is daarmee drastisch komen te veranderen. In 1950 kon er nog gesproken worden over een bevolkingspiramide en waren er veel meer (jonge) kinderen dan 50-plussers. In de verwachte bevolkingsopbouw van 2050 zien we meer een stoofpot-model: aan de basis zijn minder kinderen en jeugdigen dan in de middengroep van 25- tot 65-jarigen. Het aantal en aandeel 66 -100 jarigen is vervolgens veel groter dan 100 jaar eerder. Kalenderjaar 2025 kan als een mijlpaaljaar worden gezien; voor het eerst wonen er meer 65-plussers in Nederland dan jongeren tot 20 jaar.6

29

Grijze druk in Utrechtse gemeenten, 2025 50%

49,1%

47,7% 47,5%

45%

45% 44,9%

40%

43,3% 42,3% 42,2%

41,6% 41% 40,9% 40,9%

39,6% 39,3%

35%

37,1% 36,5%

36,2%

35,1% 34,9% 34,7%

33,6% 33,2% 30,5% 30,2%

30%

27,6%

25% 20%

16,2%

15% 10% 5%

de n rs te de So es Bu t nn Rh ik Ou ene de n w at De Ee er Ro m nd ne s St e V en ic ht se en Ve ch t Ze M i on st t f N ie oo Vi jfh uw rt ee eg e re nl in an d W en oe IJ rde ss n W elst ou e de in nb er Ho g Ve ut en en en da al Bu Lo ns pik c Re hot ns en w Am ou d er e sf oo Ut rt re ch t

n ar

uu

jD

Le

us

lt

Ba

Bi

De

bi ijk W

Ut

re c

ht

se

He

uv el

ru

g

0%

gemeente

provincie Utrecht

Bron: CBS_Statline/Staat van Utrecht

Vergrijzing uitgedrukt in grijze druk De verhouding tussen het aantal personen van 65 jaar of ouder ten opzichte van personen in de zogenaamde ‘productieve leeftijds­ groep’ van 20 tot 65 jaar, wordt grijze druk genoemd. In 2025 is de grijze druk in heel Nederland gemiddeld 35,5%. Dit aandeel gaat de komende decennia flink oplopen, naar 48,6% in 20707. Iedere gemeente of regio heeft zijn eigen verhouding in de mate waarin er jongeren en ouderen wonen. Momenteel geldt binnen de provincie Utrecht dat de grijze druk in de gemeenten Utrechtse Heuvelrug (49,1%), De Bilt (47,7%) en Baarn (47,5%) het hoogst is en in de gemeenten Utrecht (16,2%), Amersfoort (27,6%) en Renswoude

30

(30,2%) het laagst. Gemiddeld is de grijze druk in de provincie Utrecht 31,0%. Dubbele vergrijzing Naast ‘gewone’ vergrijzing wordt er door demografen ook gesproken over dubbele vergrijzing. Hierbij gaat het om de stapeling van twee typen vergrijzing. Er komen meer ‘jongere ouderen’, grofweg in de leeftijd van 65-80 jaar (derde levensfase). Daarnaast neemt de levensverwachting in de groep 80-plussers steeds verder toe (vierde levensfase). De indeling naar beide typen groei is vooral ook van belang voor het maken van inschattingen rond

Dubbele vergrijzing: aandeel ouderen in totaal van de bevolking, 1950-2025 25% 20% 15% 10% 5% 0% 1950 1955 1960 1965 1970 1975 1980 1985 1990 1995 2000 2005 2010 2015 2020 2025 65 tot 80 jaar

80 jaar of ouder

Bron: CBS Ouderen | CBS

zorgbehoeften; gemiddeld genomen is de groep 65-80 jarigen redzamer dan de groep 80-plussers. Doordat deze laatste groep relatief sterk toeneemt, zullen er grote mantelzorgtekorten ontstaan. Zie hiervoor ‘Vierde levensfase: welzijn onder grote druk’. Begin 2025 was 15,6% van de inwoners tussen de 65 en 80 jaar oud, en 5,2% was 80 jaar of ouder. In 1950 was 6,7% van de inwoners tussen de 65 en 80 jaar oud en 1% 80 jaar of ouder.

De Staatscommissie is hier echter heel stellig over: immigratie als antwoord op de bevolkingsvergrijzing is niet mogelijk. Sterker nog, het zou onverstandig zijn om te proberen de bevolking van een land op kunstmatige wijze jong te houden. Migranten kunnen de vergrijzingsproblematiek op termijn zelfs versterken doordat – als ze blijven – zij ook verouderen en tot het afhankelijke deel van de bevolking gaan horen.8

Immigratie houdt vergrijzing niet tegen De vergrijzing heeft uiteraard consequenties voor de economie en sociale zekerheid. Hier komen we in hoofdstuk 5 op terug. Een vaker gehoorde redenering is dat een sterke immigratie het vergrijzingsproces zal kunnen afremmen of tegengaan.

31

Gemiddelde huishoudensgrootte, 1970-2070 4

Een- en meerpersoonshuishoudens, 1970-2070

personen

10

x mln.

8

3

6 2 4 1

0 1970

2

1990

2010

meerpersoonshuishoudens

2030

2050

2070

alle huishoudens

0 1970

1990

2010

eenpersoonshuishoudens totaal huishoudens

2030

2050

2070

meerpersoonshuishoudens

Bron: Huishoudensprognose 2024-2070: bijna 10 miljoen huishoudens verwacht in 2070 | CBS

Bron: Huishoudensprognose 2024-2070: bijna 10 miljoen huishoudens verwacht in 2070 | CBS

2.3

Eenpersoonshuishoudens groeien het sterkst In de toekomst zullen naar verwachting steeds meer mensen een eenpersoonshuishouden gaan vormen. Dit betekent overigens niet dat ze ook allemaal single zijn, hier komen we in het volgende deel op terug (paragraaf 4.1). Dat er meer alleen gewoond wordt, hangt vooral samen met de navolgende ontwikkelingen:10 • Jongeren blijven vaker wat langer alleen wonen dan bijvoorbeeld vijftig jaar geleden. Ze stellen het samenwonen met een partner langer uit en leggen meer nadruk op het eerst opdoen van ervaringen en het vinden van een baan. Daarna kiezen ze eventueel voor een vaste relatie, samenwonen en kinderen krijgen. • Voor mensen van middelbare leeftijd speelt relatieverbreking een rol. Scheiden komt vaker voor, paren wonen ongehuwd samen en ongehuwde samenwoners hebben een grotere kans om uit elkaar

Ontwikkeling huishoudens

Totaal aantal huishoudens groeit, grootte huishoudens daalt Het aantal huishoudens zal de komende decennia in heel Nederland sterk stijgen, terwijl de grootte van de huishoudens gemiddeld afneemt. Het aantal huishoudens zal toenemen van 8,4 miljoen in 2025 naar 10 miljoen in 2070. Wat de omvang betreft zal deze gemiddeld afnemen van 2,10 personen in 2025, naar 2,02 personen in 20709. Op dit gebied zijn geen specifieke prognosecijfers voor de provincie Utrecht beschikbaar. Dat er in heel Nederland zoveel huishoudens bijkomen heeft vooral te maken met de gemiddelde krimp ervan en parallel daaraan de groei van het aantal een­ persoonshuishoudens. Het aantal meerpersoonshuishoudens zal ook toenemen, maar minder sterk.

32

Aandeel eenpersoonshuishoudens in Utrechtse gemeenten, 2025 55%

51,6

50% 45%

41,8

40%

39,3 38,8

35%

38

37,4

36,2

34,8 34,5

34,1

33,3

33

32,9

32,8

30% 25%

32,4

32,1

31,9 31,3

30,4

29,8

29,7

29,4

29,4 27,7

27,6

27,3

20% 15% 10% 5%

Ut

re c

ht

(g

em

ee

nt e) Ze is t Ba N a ie uw rn e Am ge er in Ut sf oo re ch r De t ts e He Bi uv lt el ru g Ve Soe e s St nen t ic d ht a se al Ve Ou c de ht w at e Bu r n W nik oe IJ rde ss n el st e Le in us de De Rh n Ro e nd ne n e Ve ne W ijk Ee n bi j D mn uu es rs t M ede Vi jfh on ee tfo o re nl rt an de Ho n W ou ute de n Re nbe ns rg w ou de Bu Lo ns pik ch ot en

0%

gemeente

Nederland

Bron: CBS_Statline

te gaan dan gehuwden. Na de relatiebreuk wonen ze vaak voor kortere of langere tijd alleen. • Ouderen vormen een steeds grotere bevolkingsgroep. Door scheiding of verweduwing wonen zij relatief vaak alleen en zijn zij daarnaast vaak minder geneigd opnieuw samen te gaan wonen. In 2025 is 40,1% van alle Nederlandse huishoudens een eenpersoonshuishouden, voor de provincie Utrecht is dat 39,8%. Binnen de provincie Utrecht zijn momenteel de meeste eenpersoonshuishoudens te vinden in de gemeente Utrecht (51,6%), de minste in de gemeente Bunschoten (27,3%).

33

34

Vruchtbaarheidscijfer, waarneming en prognose, 1950-2070 3,5

kinderen

3,0 2,5 2,0 1,5 1,0 0,5 0,0

1950 1960 1970 1980 1990 2000 2010 2020 2030 2040 2050 2060 2070

Stabilisatie verwacht aantal geboortes per vrouw Kregen vrouwen in de jaren vijftig nog gemiddeld 3,1 kinderen, in 2025 is dat 1,5 kind.11 Het CBS verwacht dat hier na 2030 nog een lichte stijging plaatsvindt naar ruim 1,6 kind in 2070. Over de leeftijd waarop men voor het eerst moeder of vader wordt, zijn geen prognosecijfers beschikbaar. Terugkijkend is wel te zien dat de leeftijd steeds verder toenam. In 2024 zijn moeders gemiddeld 30,4 jaar bij de geboorte van hun eerste kind, vaders 32,9 jaar. In de naoorlogse decennia lag die leeftijd voor moeders veel lager, zo tussen de 24 en 26 jaar. Over de leeftijd van vaders in die tijd, zijn geen gegevens. Wel blijkt dat vaders aan het begin van deze eeuw gemiddeld iets jonger waren dan nu bij de geboorte van hun eerste kind, namelijk 32,0 jaar.12

Bron: CBS_Statline

35

2.4

Migratie

Kijken naar de toekomst van migratie vraagt om precisie en ordening Het onderwerp migratie wordt door de Staatscommissie uitvoerig behandeld. Zij maakt daarbij steeds onderscheid tussen de verschillende soorten migratie zoals asielmigratie, arbeidsmigratie, gezinsmigratie en studiemigratie. De commissie benadrukt het belang van dit onderscheid; iedere vorm van migratie kent haar eigen afwegingskaders en demografische dynamieken. Zo hebben afwegingen rond arbeids- en studiemigratie vooral betrekking op de gewenste (in)richting van de Nederlandse economie en samen­ leving. Afwegingen rond asiel- en gezinsmigratie zijn van humani­ taire aard en moeten vooral ook in relatie tot de draagkracht van de samenleving worden geplaatst.13 De groepen migranten verschillen daarnaast naar gemiddelde verblijfsduur, verblijfsrechten, sociaal­ economische positie en gebruik van voorzieningen. De commissie spreekt zich er voor uit dat er in Nederland een bewust nage­ streefde ordening en planning komt van maatschappelijke opgaven op dit gebied, die resultaat zijn van gedragen politieke besluit­ vorming in plaats van een fenomeen te vormen ‘dat de samenleving overkomt’.14

36

Demografische kenmerken diverse soorten migratie:15,16 • Asielmigratie: De asielmigratie naar Nederland varieerde in de periode 1999-2020 het sterkst in omvang van alle vormen van immigratie in Nederland. Het ging om een jaarlijkse instroom die lag tussen de 4% tot 32% van de totale instroom, met een gemiddelde van 12%. Van de asielmigranten is gemiddeld na tien jaar nog driekwart in Nederland aanwezig. • Arbeidsmigratie: Arbeidsmigranten vormen tussen 1999 en 2020 24% van de gemiddelde jaarlijkse instroom. In de beschrijvingen maakt de Staatscommissie onderscheid tussen arbeidsmigranten van binnen de EU, die vaak laagbetaald werk doen en van buiten de EU. Deze laatsten vormen grotendeels (80-95%) de groep hoogopgeleide kennismigranten. Van de arbeidsmigranten is driekwart binnen tien jaar uit Nederland vertrokken.17 • Studiemigratie: Nederland blijkt een populair land voor studie­ migranten, zowel die van binnen als buiten de EU. Tussen 1999 en 2019 liet studiemigratie een sterke opmars zien en groeide het aandeel binnen de totale groep immigranten van 7% naar 20% (met een gemiddelde van 16% over de jaren heen). Deze groei werd mede gestimuleerd door het vrije verkeer van personen in de EU en de internationalisering van het Nederlandse onderwijs. Meer dan 80% van de studiemigranten is binnen tien jaar weer uit Nederland vertrokken.

• Gezinsmigratie: Van alle soorten immigratie was tussen 1999 en 2020 die van de gezinsmigratie in Nederland gemiddeld jaarlijks

Verloop van immigratie naar immigratiemotief, 1999-2020 250

x 1.000 personen

200 150

100 50

0

1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 arbeid

gezin

asiel

studie

overig

Bron: Staatscommissie demografische ontwikkelingen 2050 (2024;91)

het grootst (33%). Ruim een kwart van de gezinsmigratie komt doordat een Nederlander zonder migratieachtergrond of statushouderschap een partner of andere gezinsleden naar Nederland laat komen. Voor elke tien arbeidsmigranten volgen zes gezinsmigranten, voor kennismigranten is die verhouding één op één. Studiemigranten kennen nauwelijks gezinsmigratie. Van de gezinsmigranten is na tien jaar nog ruim de helft aanwezig. Tweedeling immigratiestroom naar type huishouding Er is sprake van een duidelijke tweedeling van de immigratie­ stromen waar het typen huishoudens betreft. Aan de ene kant zijn er de wat meer tijdelijke migranten, vooral arbeids- en studie­

migranten. Zij emigreren relatief vaak binnen vier jaar na immi­ gratie en vormen gedurende hun tijd in Nederland meestal een eenpersoonshuishouden. Aan de andere kant zijn er immigranten die langer in Nederland blijven, vaak als lid van een paar of gezin. Zij veranderen relatief weinig van huishoudenspositie en emigreren ook minder vaak. Dit beeld is in de loop der tijd stabiel gebleven. Voor de woningmarkt betekent dit dat niet het aantal immigranten op zich bepalend is voor de vraag naar woningen, maar de samen­ stelling van de migratiestroom: tijdelijke alleenwonenden zullen vooral druk uitoefenen op stedelijke kleine woningen, terwijl gezinsmigratie vooral de vraag naar grotere woningen zal vergroten.18

37

Toewerken naar afgewogen migratie-kaders Wat de toekomst van de migratie in Nederland betreft, stelt de Staatscommissie dat dit niet aan het toeval moet worden over­ gelaten. Afwegingen rondom migratie spelen een belangrijke rol binnen de drie scenario’s die zij heeft opgesteld (zie kader). Bijvoorbeeld stelt zij het van belang te vinden dat de asielketen op orde wordt gebracht, op een manier die niet direct aangrijpt op de aantallen die naar Nederland komen, maar wel effect heeft op de impact van deze vorm van migratie op de Nederlandse samenleving. Vroegtijdige samenwerking door de Rijksoverheid met gemeenten bij het uitvoeren van het asielbeleid hoort onderdeel te zijn van het op orde brengen van de asielketen. Waar het gaat om arbeids­ migratie, is een van de aanbevelingen van de Staatscommissie dat goed gekeken wordt naar wat men nodig heeft, om ongewenste verdienmodellen te voorkomen.19

38

Aanbevolen leidraad: streven naar Gematigde groei en matiging van migratie Kern van het rapport van de Staatscommissie vormen drie scenario’s op het gebied van bevolkingsomvang tot aan 2050, die in sterke relatie staan tot migratievraagstukken. Er is een ‘krimp- en nulscenario’, een ‘gematigde groei-scenario’ en een ‘hoge groeiscenario’. Met name de Rijksoverheid heeft volgens de commissie knoppen waaraan zij kan draaien om het gewenste scenario realiteit te laten worden. De conclusie van de Staatscommissie zelf is dat krimp- en nulgroei van de Nederlandse bevolking naar 2050 geen oplossing biedt voor vergrijzing en arbeidsmarkttekorten en een rem vormt op de economische groei. Hoge en snelle bevolkingsgroei is evenmin een gewenst scenario. Dit vergroot de druk op voorzieningen en biedt geen structurele oplossing voor vergrijzing. Gematigde groei naar 19 à 20 miljoen inwoners richting 2050 biedt daarentegen betere uitkomsten op voldoende welvaartsgroei in brede zin. Daartoe is matiging van migratie noodzakelijk. De commissie stelt aldus een beredeneerde keuze voor gematigde groei voor. Dit perspectief biedt ruimte aan verdere groei ‘zonder daarbij de draagkracht van de samenleving uit het oog te verliezen’20.

Drie kernscenario’s uit het rapport van de Staatscommissie Krimp- en nulscenario: In dit scenario heeft Nederland in 2050 een bevolkingsomvang die kleiner of gelijk is aan de huidige omvang van 18 miljoen mensen, namelijk tussen de 16 en 18 miljoen. In dit scenario speelt dat de economische groei onder druk komt te staan en daarmee het inkomen per hoofd van de bevolking; gezien de onomkeerbare vergrijzing zullen er relatief steeds minder werkenden zijn. In regio’s met nu al krimp is er risico dat bijvoorbeeld scholen moeten sluiten, voorzieningen wegvallen en dat werkgelegenheid en bereikbaarheid extra kwetsbaar worden. Ook zal er met name in deze regio’s meer leegstand komen van woningen en andere gebouwen waardoor leefbaarheid achteruitgaat. De bestaande krapte op het gebied van onderwijs en zorg zal verder toenemen, de druk op mantelzorg sterk verhoogd. In dit scenario is het migratiesaldo (op gebieden als arbeidsmigratie, gezinsmigratie en asielmigratie) negatief. Gematigde groei-scenario: In dit scenario heeft Nederland in 2050 een bevolkingsomvang van 19 à 20 miljoen mensen. Hierbij zijn de groei door migratie, de toename van vergrijzing en sociale waarborgen meer in evenwicht met de huidige voorzieningen. Daarmee kan een evenwichtige toename van de bevolking zorgen voor voldoende welvaartsgroei om in publieke voorzieningen te voorzien.

Om als regering, parlement en overheid een koers van gematigde bevolkingsgroei te kunnen volgen is echter wel een goede kennisinfrastructuur op het terrein van demografie een eerste vereiste21. Hoge groei-scenario: In 2050 heeft Nederland een bevolkingsomvang van 21 à 23 miljoen mensen. Een dergelijk scenario verzacht op korte termijn de gevolgen van vergrijzing, in termen van betaalbaarheid van en personeelstekorten in de zorg. Op de langere termijn is hier echter geen sprake van, omdat de vergrijzing uiteindelijk zal doorzetten. Hoge bevolkingsgroei moet dus worden gezien als een vertraging van de vergrijzingstrend, het biedt geen structureel tegenwicht. Hoge groei zal waarschijnlijk vooral voortkomen uit een hoger migratiesaldo, omdat het niet in de lijn van de verwachting ligt dat het kindertal stijgt. Migranten worden ook ouder, waarmee de vergrijzing op de langere termijn niet wordt verlicht. Integendeel zal na 2050 de grijze druk juist weer snel oplopen. Het hoge groeiscenario zal de druk op de publieke voorzieningen doen toenemen, evenals op ruimte, woningvraag, mobiliteitsnetwerken en infrastructuur voor energie- en watervoorziening. Bron: Staatscommissie demografische ontwikkelingen 2050 (2024)

39

II 40

Brede welvaart in demografisch perspectief

3

Welzijn in het persoonlijk leven

Hoe hebben demografische ontwikkelingen impact op welzijn in het persoonlijke leven? In dit hoofdstuk lichten we drie trends uit: * het ontstaan van een nieuwe generatie redzame ‘jongere ouderen’ * sterke groei van oudere ouderen leidt tot mantelzorgtekorten * en het feit dat persoonlijk welzijn mede meer in de knel komt door veranderingen in patronen van sociale cohesie.

3.1

Na pensionering meer gezondheid en redzaamheid te verwachten

Opkomst derde levensfase met sterke zelfredzaamheid De manier waarop we ouder worden is in de afgelopen decennia sterk aan het veranderen. Niet alleen is de levensverwachting aan het toenemen, maar ook de mate van gezondheid daarbinnen. De traditionele driedeling van levensfasen in jong, volwassen en oud, voldoet niet meer. Er is een derde levensfase tussen ‘volwassen en oud’ gekomen, die begint rondom de pensionering en eindigt rond het tachtigste levensjaar. Het is een fase waarin mensen gemiddeld nog sterk zelfredzaam zijn. De Raad voor de Volksgezondheid en Samenleving schat dat het aantal mensen in de derde levensfase zal gaan toenemen van 2,4 miljoen in 2018 naar 3,2 miljoen in 2040.22 Overigens schuift de start van de derde

levensfase steeds wat verder op, omdat de leeftijd waarop mensen met pensioen gaan stijgt. Aan het begin van deze eeuw was het nog een grote minderheid van mensen die tot hun 65ste doorwerkten (in 2004 ging het om 12%). In 2024 gaat 77% van de werkenden door tot minimaal hun 65ste jaar. De gemiddelde pensioenleeftijd was toen 66 jaar en 1 maand.23 Meer gezondheid en sociale ontmoeting bij 65-plussers Volgens het RIVM zullen de 65-plussers van 2050 niet alleen langer leven, maar bovendien een groter deel daarvan zonder fysieke beperkingen doorbrengen. Nu al wordt gezien dat mensen op hoge leeftijd vaker maatschappelijk actief zijn; zij passen bijvoorbeeld steeds vaker op de kleinkinderen en doen vaker vrijwilligerswerk. Het PBL stelt dat 77% van de 65- tot en met 74-jarigen geen of minimale kwetsbare gezondheid heeft en zich dermate goed kan redden dat zij zelfstandig kan wonen. Dit percentage daalt echter bij 75- tot en met 84-jarigen (55%) en 85-plussers (32%).24 Ook uit zelfrapportages van 65-plussers in de provincie Utrecht zien we dat het aantal langdurige ziektes of aandoeningen in de afge­ lopen 12 jaar flink is afgenomen. In 2012 rapporteerde nog 77% te maken te hebben met meerdere langdurige ziektes of aan­ doeningen, in 2024 is dat 48%.

Voor de provincie Utrecht geldt daarnaast dat in 2024 twee derde (66%) van de 65-plussers zijn of haar gezondheid als (zeer) goed ervaart.25

41

3.2

Vierde levensfase: welzijn onder grote druk

Voor oudere alleenstaanden en/of mantelzorgers geldt extra druk op mentale gezondheid De sterke groei van een krachtige, energieke groep 65-80-jarigen neemt niet weg dat er ook kwetsbaarheden spelen die toenemen met de leeftijd. Het RIVM bericht dat de toekomstige mentale gezondheid van vijftigplussers af zal gaan nemen, mede doordat zij vaker (ongewenst) alleenstaand zijn. Hierdoor spelen risico’s op het gebied van eenzaamheid die deels ook samenhangen met psychische klachten en stoornissen zoals depressiviteit.26 Ook wijst het RIVM op de toenemende druk die het geven van mantelzorg op het mentale welbevinden legt. Mantelzorg verlenen kan weliswaar een positieve invloed hebben, bijvoorbeeld doordat het verbonden­ heid voortbrengt met degene aan wie mantelzorg wordt gegeven, het hangt in het algemeen ook samen met een verminderde mentale gezondheid. Dit komt vaker voor bij vrouwen en neemt toe bij intensievere zorg. Mantelzorgers ervaren meer stress en gevoelens van angst en depressie vergeleken met mensen die geen mantelzorg geven. Werkende mantelzorgers ervaren bovendien meer tijdsdruk dan mantelzorgers die niet werken. Vooral mantel­ zorgers van iemand met dementie voelen zich vaker meer belast en ervaren meer stress en depressieve symptomen.27

42

Mantelzorgpotentieel, 1990-2050 20

ratio

18 16 14 12 10 8 6 4 2 0 1990

2000

2010

2020

verhouding 50-64 jarigen en 85+ verhouding 50-74 jarigen en 85+ Bron: RIVM/VTV Trendscenario

2030

2040

2050

Alleenstaande en kinderloze ouderen (75-plus) en alleenstaande en kinderloze ouderen (75-plus) van wie het dichtstbijzijnde kind verder woont dan op 50 kilometer hemelsbreed per gemeente, 2023 alleenstaand en kinderloos

alleenstaand en kinderloos, of kind ver weg

15 - 20% 12 - 15% 9 - 12% 6 - 9% 2 - 6%

Bron: Mandemakers, J. et al. (2025)

Mantelzorgaanbod zal fors achterblijven bij de vraag Door de komende sterke vergrijzing van de samenleving zal het mantelzorgpotentieel van kinderen aan hun ouders fors afnemen. Het RIVM voorspelt dat in de toekomst aan een groot deel van de vraag naar mantelzorg niet zal kunnen worden voldaan.28 In 2050 zijn er meer ouderen op hoge leeftijd die waarschijnlijk mantelzorg nodig hebben, terwijl er minder 50–65-jarigen zijn – de leeftijdsgroep die doorgaans mantelzorg verleent. Deze verhouding neemt af van 8,8 in 2022 tot 3,2 in 2050. Zelfs als er voor ruimere leeftijdsgrenzen van mantelzorgers wordt gekozen (65-74 jaar), blijft het potentieel afnemen. Voor de provincie Utrecht geldt in 2024 dat een op de zes 65-plussers mantelzorg verleent, waarbij een op de vijf aangeeft

zich overbelast te voelen. Dit laatste aandeel is gestegen ten opzichte van 2020, van gemiddeld 12% naar 21%.29 Regionale verschillen in (mantel)zorgpotentieel Het aandeel ouderen dat potentieel kwetsbaar is op mantelzorg­ gebied is ongelijk verdeeld over Nederland. Er spelen verschillende typen kwetsbaarheid. In de grote steden zijn ouderen vooral kwetsbaar doordat zij relatief vaak geen partner én geen kinderen hebben. Daarmee vallen belangrijke mantelzorgbronnen weg. In meer landelijke gebieden hebben ouderen wel vaker een partner of kinderen, echter wonen deze laatsten vaker ver weg. Dit maakt het lastiger om (frequent) mantelzorg te geven. Voor ouderen in

43

gemeenten aan de rand van het land speelt daarnaast dat het voorzieningenniveau soms relatief beperkt is. Daardoor kan het mogelijke gebrek aan mantelzorg ook minder makkelijk worden opgevangen door formele zorg. Voor de Utrechtse regio geldt vooral dat er relatief veel 75-plussers wonen die alleen­staand zijn en kinderloos of een kind hebben dat minimaal 50 kilometer verderop woont.30 Meer dan verdubbeling ouderen met dementie De sterke groei van het aantal ouderen in de samenleving, gecombi­ neerd met hun langere levensverwachting brengt met zich mee dat specifieke, vaak chronische ziekten vaker voorkomen. Dementie is daar een belangrijk voorbeeld van. Deze ziekte vergt intensieve (mantel)zorg; verschijnselen die bij het ziektebeeld horen betreffen niet alleen het geheugen maar bijvoorbeeld ook gedragsverande­ ringen en beperkingen bij alledaagse handelingen. Het feit dat er steeds meer mensen met dementie te maken krijgen, zal ook samenlevingsbreed doorwerken. Verwacht kan worden dat men op straat, in winkels en openbare gelegenheden vaker te maken krijgt met iemand die (even) geholpen moet worden met zijn of haar oriëntatie31. De impact van dementie op de samenleving is groot te noemen omdat het een veelomvattend ziektebeeld betreft en er tegelijkertijd toenemende tekorten spelen op gebied van mantel- en professionele zorg. (Zie ook paragraaf 4.2 over tekorten in de zorg).

44

Indicatie aantal mensen met dementie provincie Utrecht

Voor heel Nederland wordt verwacht dat er in 2050 620.000 mensen dementie zullen hebben. Voor de provincie Utrecht gaat het dan naar verwachting om 47.000 mensen. Hierbij wordt er uiteraard van uitgegaan dat er tot die tijd geen ontwikkelingen zijn die het vóórkomen van de ziekte hebben kunnen beïnvloeden.32

2020

2030

2040

2050

Nederland

280.000

390.000

520.000

620.000

Utrecht (provincie)

19.000

28.000

38.000

47.000

Amersfoort

2.000

2.800

4.100

5.500

Baarn

550

750

1.000

1.200

De Bilt

1.100

1.300

1.600

1.900

Bunnik

330

450

540

620

Bunschoten

260

420

550

690

Eemnes

150

250

330

400

Houten

570

860

1.400

1.700

IJsselstein

500

770

1.100

1.400

Leusden

550

830

1.200

1.400

Lopik

180

280

370

460

Montfoort

200

330

410

480

Nieuwegein

870

1.400

2.000

2.300

Oudewater

180

300

370

420

Renswoude

50

90

130

150

Rhenen

390

570

730

870

De Ronde Venen

760

1.100

1.500

1.800

Soest

950

1.200

1.600

1.800

Stichtse Vecht

1.000

1.600

2.100

2.400

Utrecht (gemeente)

3.100

4.100

5.900

8.000

Utrechtse Heuvelrug

1.100

1.400

1.900

2.300

Veenendaal

1.000

1.400

1.900

2.400

Vijfheerenlanden

920

1.400

1.900

2.300

Wijk bij Duurstede

320

550

850

1.000

Woerden

800

1.200

1.700

2.100

Woudenberg Zeist

230

340

460

590

1.300

1.700

2.400

2.800

Bron: ABF in opdracht van Alzheimer Nederland

45

3.3

Nieuwe patronen van sociale cohesie door digitalisering

Digitale communicatie brengt explosie aan persoonlijke verbindingen voort Demografische ontwikkelingen zijn ook verweven met de sociale cohesie in een samenleving. Sociale cohesie kan bijvoorbeeld toe- of afnemen als gevolg van de manier waarop mensen fysiek dichter of minder dicht op elkaar leven en verbindingen met elkaar aangaan. Tot zo’n veertig jaar geleden was de manier waarop mensen elkaar ontmoetten en sociale cohesie ontstond, vrij overzichtelijk te noemen. Grotendeels speelde sociale ontmoeting zich af in de fysieke wereld volgens een aantal vaste patronen, zoals naar het werk gaan, familie bezoeken, uitgaan met vrienden. De scope van het aantal mensen dat men kende was veelal terug te brengen tot een handzaam adresboekje. Door de sterke digitali­ sering van de samenleving is het aantal contacten tussen (groepen) mensen de afgelopen decennia explosief toegenomen en wordt er steeds meer tijd- en plaats onafhankelijk gecommuni­ceerd. Naast de ‘gewone’ fysieke wereld is een nieuwe digitale publieke ruimte ontstaan.33 De verbindingslijnen tussen mensen hebben daarin tal van nieuwe dynamieken gekregen en de sociale cohesie is complexer geworden. Diverse kennisinstellingen doen onderzoek naar de vraag wat ‘digitaal vervlochten zijn’ betekent voor de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16872922/1