LIS2021.212a Inwoner - Bijlage Zienswijze Groenpoort Z1861779 met bijlagen
Tekst van het document
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
23
stellen van het woningbouwprogramma (per deelfase) zal veel aandacht moeten worden besteed aan flexibiliteit. Hetzelfde geldt ook voor de voorzieningen in de wijk, het combineren van verschillende functies en het zo ontwerpen van complexen dat ze meerdere vormen van gebruik toelaten, is een vereiste voor levensloopbestendigheid. Daarnaast zal de inrichting van de openbare ruimte een zeer belangrijke rol spelen bij levensloopbestendigheid. De openbare ruimte biedt ruimte voor ontmoeting, verbindt de verschillende functies van de wijk met elkaar en bepaald voor een groot deel de woon- en belevingskwaliteit van de wijk. Voor Veenendaal-oost heeft het project Nieuw Wonen grote invloed gehad op het gelijktijdig door het Ontwikkelingsbedrijf Veenendaal-oost opgestelde Masterplan. Ook heeft het invloed gehad op de definitieve versie van het MER/SMB. Zo heeft een aanpassing van de verkeersstructuur plaatsgevonden en is er ruimte gecreëerd voor ontmoeting, multifunctionele accommodaties en heeft de identiteit van buurtjes en wijken aandacht gekregen.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
24
3.5. (Inter)gemeentelijk niveau 3.5.1. Structuurvisie WERV Binnen de gemeenten Wageningen, Ede, Rhenen en Veenendaal (WERV) heeft zich de laatste decennia een verstedelijkt gebied ontwikkeld waar in toenemende mate sprake is van ruimtedruk. Functies als wonen, werken, stedelijke voorzieningen, recreëren, verkeer en vervoer, natuur en water vragen alle om extra ruimte. Bijna letterlijk is het WERV-gebied de Randstad in het klein: een net van stedelijke kernen rond een groen hart dat groen zou moeten blijven. Aan de buitenzijde liggen de kernen ingeklemd tussen belangrijke natuurgebieden die een onaantastbare status hebben: de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug en de uiterwaarden van de Nederrijn. In ruimer geografisch verband gezien heeft het WERV-gebied een zeer centrale ligging in Nederland en vormt het een 'stapsteen' tussen de economische zwaartepunten van de Randstad, het KAN-gebied (Arnhem-Nijmegen) en het Duitse Ruhrgebied. Door dit alles beschikt de WERV-regio over tal van kwaliteiten en potenties. Om deze kwaliteiten onder de toenemende schaarste aan ruimte te behouden en de potenties te benutten, zijn de vier gemeenten gaan samenwerken; dit in het besef dat ze voor ruimtelijke vraagstukken staan die hun afzonderlijke grondgebied en sturend vermogen overstijgen.
Binnen WERV moet gezocht worden naar samenhangende oplossingen, die recht doen aan de bijzondere kwaliteiten van de regio. De samenwerking moet dan ook uitlopen op een regionale ontwikkeling die een meerwaarde biedt ten opzichte van een afzonderlijke koers van iedere gemeente op zich. Op een aantal punten heeft de gezamenlijke missie al geleid tot afspraken en concrete doelstellingen. Deze zijn vastgelegd in het WERV-convenant van 1 maart 2002 en de daaruit gedestilleerde (en jaarlijks bij te stellen) 'Projectagenda WERV'. Het WERV-gebied is bij rijk en provincies op de kaart gekomen als 'regionaal stedelijk netwerk'. De gedachte achter het netwerk-concept is dat intermenselijke en economische relaties zich steeds minder tot één stad of stadsgewest beperken, maar een groter gebied bestrijken: dat van een verstedelijkte zone. De kracht van de netwerkbenadering is vooral dat de kernen binnen stedelijke zones niet allemaal hetzelfde hoeven te doen, maar kansen kunnen benutten om elkaar aan te vullen en een taakverdeling af te spreken. Dit biedt ook het beste recept voor behoud en verbetering van de kwaliteit in stad en platteland.
Door samenwerking en het elkaar aanvullen kan immers de eigen identiteit van de verschillende kernen en gemeenten in het netwerk sterker worden geprofileerd en wordt voorkomen dat ze steeds meer op elkaar gaan lijken in een poging allemaal afzonderlijk 'compleet' te worden. De status van regionaal stedelijk netwerk heeft als consequentie dat de WERV-gemeenten een taak hebben als bundelingsgebied. Rijk en provincies gaan ervan uit dat de nationale bebouwingsopgave voor wonen, werken en voorzieningen zoveel mogelijk in de stedelijke netwerken wordt opgevangen. Dit voorkomt dat de landelijke gebieden verstenen. Bovendien ontwikkelen wonen en werken zich dan zoveel mogelijk in samenhang met elkaar en wordt de groei van de (auto)mobiliteit beperkt. De regionale structuurvisie (concept, december 2003) fungeerde als input voor de nieuwe streekplannen voor Gelderland en Utrecht. De tijdshorizon van de structuurvisie reikt tot 2030 en over-
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
25
stijgt daarmee ruimschoots de planperiode van de beide nieuwe streekplannen (2005-2015) en van de bestaande gemeentelijke structuurvisies/-plannen. Met het oog daarop is in de structuurvisie zowel een ruimtelijk perspectief voor de periode tot 2015 als voor de periode tot 2030 opgenomen. Bovendien fungeert deze structuurvisie als basis voor een verdere uitwerking van de bereikbaarheidsproblematiek van de regio. Naast intensiveringsgebieden worden er in de structuurvisie ook uitleglocaties voor wonen en werken aangegeven. Veenendaal-oost en Dragonder-oost zijn daarbij aangewezen als suburbaan woongebied voor (indicatief) ongeveer 3950 woningen3. Eén van de sleutelprojecten uit de structuurvisie is het vervaardigen van een inrichtingsplan voor de groene zone in het ISEV-gebied tussen Ede en Veenendaal. 3.5.2. Structuurplan Duurzaam Veenendaal-oost Voortgaand op de genomen besluiten op provinciaal niveau om woningen op de locatie Veenendaal-oost te realiseren, heeft de gemeente Veenendaal op 14 oktober 1999 het Structuurplan ‘Duurzaam Veenendaal-oost’ vastgesteld. In de komende 15 jaar zal in Veenendaal-oost - het gebied dat globaal wordt begrensd door de toekomstige Rondweg-oost, de Rijksweg A12, de Dragonderweg en het Gelders Benedeneind - een nieuwe woonwijk met ongeveer 3.000 à 3.500 woningen worden gerealiseerd.
Het Structuurplan geeft richting aan de wijze waarop een optimale leefomgeving kan worden gecreëerd, met een minimale belasting voor het milieu. Het geeft op hoofdlijnen de richting aan voor de ontwikkeling van een kwalitatief hoogwaardige en duurzame woonwijk. Het plan is opgesteld volgens de principes van duurzame inrichting en duurzame stedenbouw waarbij de ambities ten aanzien van duurzaamheid hoger zijn gesteld dan in de voorgaande nieuwe wijken in Veenendaal. Er is in het plan extra aandacht besteed aan een integrale benadering van de aspecten waterhuishouding, ecologie, mobiliteit en energie. In november 2000 heeft gedeputeerde staten uitgesproken dat het vastgestelde Structuurplan een voldoende basis biedt om te kunnen dienen als onderlegger voor een voor Veenendaal-oost op te stellen globaal bestemmingsplan. In het ontwerp zijn de groen- en water- en verkeersstructuur geïntegreerd tot een ‘duurzaam casco’. Uitgangspunt van het casco is de bestaande landschappelijke structuur met langgerekte oostwest kavels. Dit geeft Veenendaal-oost een gebiedseigen karakter. Het casco bestaat uit een aantal groene ruimtes met brede singels. De singels vervullen een belangrijke rol voor de waterhuishouding, de ecologische kwaliteit en de ontsluiting van het gebied.
Binnen dit ontwerp is duurzaamheid uitgewerkt door onder andere de aspecten ecologie, waterhuishouding en verkeer integraal op elkaar af te stemmen. De duurzame structuren en systemen die voor deze aspecten ontwikkeld zijn, worden in het Structuurplan geïntegreerd in een ‘duurzaam casco’. Het duurzame casco definieert in feite de hoofdstructuur van de wijk door het vastleggen van de karakteristiek van de van de openbare ruimte. De ligging van het plangebied Veenendaal-oost in het laagst gelegen deel van de Gelderse Vallei vraagt nadrukkelijk aandacht van een goed doordachte waterhuishouding. In het Structuurplan is daarom aangegeven dat het waterhuishoudingssysteem in Veenendaal-oost een kwalitatief hoog3
paragraaf 9.2 Uitleglocaties (uitleggebieden wonen) van de Regionale Structuurvisie WERV, versie 9 december 2003, Bugel Hajema / Goudappel Coffeng.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
26
waardig systeem moet zijn dat belangrijke hydrologische, ecologische en recreatieve kwaliteiten. Belangrijke uitgangspunten van de waterhuishouding van Veenendaal-oost zijn: maximale afvoer naar het Valleikanaal mag niet hoger zijn dan in de huidige situatie; voldoende oppervlaktewater om regenwater te bergen; om de beheersbaarheid van systeem te vergroten wordt het aantal peilgebieden en kunstwerken geminimaliseerd. Op grond van de huidige hoogteverschillen worden een noordelijk en een zuidelijk peilgebied onderscheiden; om regenwater zoveel mogelijk te bergen in het gebied wordt in het regenwatersysteem’s winters hogere peilen toegestaan dan ’s zomers; afkoppelen van schone verharde oppervlakten op de riolering ; in overleg met het waterschap wordt het geheel van peilen en ontwateringsdiepte vastgesteld; een apart kwelwatersysteem in het westen van het plangebied. Deze moet gescheiden blijven van bermsloten; drainagewater in het westen van het plangebied afvoeren naar het kwelwatersysteem. In het oosten en noorden is dit gezien de afstand tot het kwelwatersysteem niet mogelijk. Daar wordt afgevoerd naar het regenwatersysteem; rekening houden met de mogelijkheid tot circulatie van beide regenwatersystemen om in droge perioden het water te kunnen verversen; een hoge waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van het oppervlaktewaterstelsel.
Hiertoe dient vervuild regenwater te worden gereinigd in de vorm van berm/bodempassages en brede natuurvriendelijke oevers. Met het voorgestelde waterhuishoudingssysteem wordt een kwalitatief hoogwaardig systeem verkregen met belangrijke hydrologische, ecologische en recreatieve kwaliteiten. De oorspronkelijke oost-west liggende slotenstructuur is opgepakt en geïntegreerd in de nieuwe waterstructuur. Met de koppeling aan de natuurontwikkelingzone wordt de natuur de nieuwe woonwijk in gehaald. Hiermee wordt de samenhang binnen het gebied vergroot. Met deze koppeling vormen de singels en de groene lobben in Veenendaal-oost samen met het natuurontwikkelingsgebied op het grondegebied van de gemeente Ede een integraal onderdeel van het nieuwe watersysteem. De groenstructuur en de ecologische waarde van het plangebied vormen in ruimtelijke zin een eenheid met het watersysteem. Dit geldt zowel op lokaal als op regionaal niveau. Op regionaal niveau zorgt de inrichting van het natuurontwikkelingsgebied voor de versterking van de ecologische verbinding tussen Grebbelinie en het Valleikanaal. Op lokaal niveau draagt het gehele waterstelsel bij aan de ecologische kwaliteit van de stad. Met name binnen de ruim gedimensioneerde watergangen met relatief flauwe taluds zullen de ecologische kwaliteiten goed tot ontwikkeling kunnen komen.
De noord-zuid waterverbinding door het plangebied die een transportfunctie voor organismen heeft maakt hiervan eveneens onderdeel uit. De twee groene lobben hebben naast een geledende ook een recreatieve en ecologische functie voor Veenendaal-oost. Deze twee parkgebieden hebben door hun grote oppervlakte een belangrijke functie in de wijk. Via onder meer het water worden deze lobben ‘gekoppeld’ aan het natuurontwikkelingsgebied. Met een hierop afgestemde inrichting van deze watergangen wordt kwalitatief hoogwaardige natuur het nieuwe stedelijke gebied ingetrokken.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
27
Binnen Veenendaal-oost zal geen doorgaande route voor gemotoriseerd verkeer worden opgenomen. Fietsverbindingen worden gekoppeld aan bestaande verbindingen en geven dan ook een directe aansluiting op het centrum van Veenendaal. Afbeelding 6: Structuurplan Duurzaam Veenendaal-oost.
3.5.3. Masterplan Veenendaal-oost Het Masterplan Veenendaal-oost is een ontwerpende stap tussen MER/SMB en de op te stellen stedenbouwkundige plannen per deelgebied. In het Masterplan Veenendaal-oost is de hoofdstructuur uit het MMA verder uitgewerkt, definitief vastgelegd en gemaatvoerd. Bovendien zijn spelregels,
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
28
uitgangspunten en toetsingskaders geformuleerd voor de uitwerking van de deelplannen. In het Masterplan worden ook uitspraken gedaan over fasering, beheer en onderhoud van de toekomstige wijk. Op basis van het Masterplan kan in een volgende fase per deelgebied een gedetailleerd programma van eisen worden vastgesteld. 3.5.4. Natuurontwikkelingszone; De Groene Grens
In de nota ‘Interprovinciale Structuurvisie Ede-Veenendaal’ (ISEV, augustus 1994) is afgesproken een natuurontwikkelingszone te realiseren ten oosten van de door gemeentegrenswijziging mogelijk gemaakte woningbouwlocatie Veenendaal-Oost. Dit is vastgesteld door de provinciale staten van Utrecht en Gelderland, en de gemeenteraden van Veenendaal en Ede. Hiermee is de realisatie van de woonwijk Veenendaal-oost gekoppeld aan de inrichting van een natuurontwikkelingszone, respectievelijk ten westen en ten oosten van de Dragonderweg. Voor de uitwerking van de Interprovinciale Structuurvisie Ede-Veenendaal is afgesproken dat de gemeente Veenendaal trekker is voor dit project ten zuiden van de A12. Voor de plannen ten noorden van de A12 is de gemeente Ede trekker. De doelstelling voor de zone is tweeledig: * Beschermen van de ecologische en visueel-landschappelijke waarden van het Binnenveld; * Het vormen van een harde begrenzing van de toekomstige stedelijke uitbreiding. Behalve voor natuurbouw zal de zone deel ook dienen voor recreatief medegebruik en als waterbuffer voor de nieuwe woonwijk. Hiermee wordt ook invulling gegeven aan het gewenste stedelijk uitloopgebied (STUIT) tussen Ede en Veenendaal. De begrenzing van de zone ofwel het plangebied wordt gevormd door de A12, de Zuiderkade, de Meentdijk en Meentweg en de Dragonderweg. De zone heeft een gemiddelde breedte van ca.
300 meter. Het grootste deel ligt op het grondgebied van de gemeente Ede (provincie Gelderland). Een klein deel ligt in de vorm van twee zgn. balkons ten oosten van de Dragonderweg op het grondgebied van de gemeente Veenendaal (provincie Utrecht). Voor het plangebied wordt één realisatieplan en bestemmingsplan gemaakt. De begrenzing van het bestemmingsplan ligt langs de bebouwing aan weerszijden van de Zuiderkade en aan weerszijden van de Meentdijk om de bewoners langs deze wegen dezelfde kansen te bieden.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
29
nieuwe natuur zoekgebied nieuwe natuur wonen (Veenendaal-oost) recreatiegroen: extensieve dagrecreatie waterberging, indicatief balkon noord gemeentegrens nieuw fietspad bestaande wegen spie BuurtlaanKaart natuurontwikkelingsgebied De Groene Grens zichtlijnenBron: Plan van aanpak voor de realisatie van indicatief wandelpadGroenzone Ede-Veenendaal, december 2005
Kaart natuurontwikkelingsgebied De Groene Grens Bron: Plan van aanpak voor de realisatie van de Groenzone Ede-Veenendaal, december 2005
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
30
In de jaren 1998 tot 2000 is de doelstelling voor het plangebied uitgewerkt in ruimtelijke-, functionele- ecologische-, financiële- en realisatie-uitgangspunten. Dit resulteerde in een ruimtelijk visie en een globale exploitatie. Het rapport ‘Natuurontwikkelingszone Ede-Veenendaal’ (VHP juli 2000) is vastgesteld door de beide colleges van burgemeester en wethouders. In het advies voor richtlijnen het milieueffectenrapport woningbouw Veenendaal-Oost (juli 2003) is gesteld dat de MER duidelijkheid moet verschaffen over de bestuurlijke waarborgen voor de realisatie van de natuurontwikkelingszone. In april 2005 is de ‘Startnotitie Natuurontwikkelingszone’ (Veenendaal, april 2005) – zie bijlage 1 - afgerond en vastgesteld in het college van Burgemeester en wethouders van Ede en de gemeenteraad van Veenendaal. Hierin is besloten een Plan van Aanpak op te stellen. Het Plan van Aanpak moest duidelijkheid geven over vorm van organisatie en de taakverdeling; de gebiedsafbakening en prioriteitsstelling; de tijdsplanning (mede in relatie tot Veenendaal-Oost en het nieuwe bestemmingsplan buitengebied Ede); de verwerving en tijdelijke beheer van gronden; de exploitatie, de financiering en garantiestelling; de inrichting; het beheer na inrichting; juridische RO-document(en); het traject besluitvorming en communicatie.
Het Plan van Aanpak voor realisatie van de Groenzone Ede-Veenendaal met de afspraken en acties die nodig zijn om de groenzone tussen Ede en Veenendaal te realiseren is in juni 2006 vastgesteld in de gemeenteraden van Ede en Veenendaal. Exploitatie De exploitatie van de groenzone is positief sluitend bij de ontwikkeling van alleen het zuidelijk woonbalkon. De kosten zijn gebaseerd op de grondverwerving en inrichting incl. alle bijkomende kosten voor 70 ha groenzone, de balkons, en het beheer van 95 ha groenzone. Deze kosten worden gedekt uit de opbrengsten van de ontwikkeling van de balkons en uit de bijdrage van de woonwijk Veenendaal-Oost. De bijdrage uit de woonwijk is vastgelegd in een overeenkomst met de Ontwikkelings Maatschappij Veenendaal-Oost (OVO), nl. € 3,63 miljoen per 1/1/2010. Bij deze exploitatie is uitgegaan van het uitgeven van 75 % van de gronden in het zuidelijk balkon voor woningen en beperkte ontwikkeling van het noordelijk balkon. Het streekplan Gelderland geeft het stedelijk uitloopgebied tussen Ede en Veenendaal aan. Hiervoor is een subsidie voor de verwerving en inrichting van 25 hectare voor dit stedelijk uitloopgebied. Samen met de 70 hectare die de gemeenten ontwikkelen is de omvang van het te beheren gebied uiteindelijk 95 hectare.
Bestemmingsplan Groenzone Ede-Veenendaal Voor het plangebied wordt in 2006 gestart met het opstellen van een apart bestemmingsplan inclusief beeldkwaliteitsplan. De reden is de specifieke ontwikkeling in dit gebied gewenst is, nl. van agrarisch gebied naar een groenzone met natuur, recreatief groen en water tussen de woonkernen Veenendaal en Ede. Voor de realisatie van de nieuwe woonwijk Veenendaal-Oost is de realisatie van de groenzone een voorwaarde die voortvarend aangepakt moet worden. Het plangebied is verdeeld over twee gemeenten en provincies. De besluitvorming over het bestemmingsplan is gesplitst. Er komt geen nieuwe gemeentegrenscorrectie in het kader van dit project. De “balkons” en de “spie” zijn onderdeel van dit bestemmingsplan, maar moeten
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
31
aparte procedures in de gemeente Veenendaal en de provincie Utrecht vastgesteld worden. Het grootste deel van het bestemmingsplan voor de groenzone ligt binnen de gemeente Ede en Gelderland. Streekplan Utrecht 2004 Dit plan is van belang voor de zgn. balkons. De rode contour in het streekplan ligt buitenom deze balkons.
De globale planning voor het bestemmingsplan Groenzone Ede-Veenendaal In 2005 is de inventarisatie van het gebruik van bebouwing voor het bestemmingsplan uitgevoerd, een aanvulling zal begin 2006 afgerond worden. Na de vaststelling van het Plan van Aanpak kan in de 2de helft van 2006 de planfase starten om tot het voorontwerp bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan te komen met inventarisatie/onderzoek, de bureaukeuze, het uitwerken van de functiewisselingsmogelijkheden en het bestuurlijke traject.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
32
4.
Nader onderzoek
4.1. MER/SMB Woningbouwlocatie Veenendaal-oost In het MER/SMB is een groot aantal milieuaspecten onderzocht. Uitgangspunt voor het onderzoek is de stedenbouwkundige invulling geweest van het duurzame casco dat reeds in het Structuurplan duurzaam Veenendaal-oost is beschreven. Daartoe zijn drie modellen ontwikkeld, die in paragraaf 4.1.2 worden beschreven. Het onderzoek naar de verschillende milieuaspecten is opgenomen in paragraaf 4.2. Naast deze modellen zijn een Meest Milieuvriendelijk Alternatief (MMA) en een Voorkeursalternatief ontwikkeld. Hoewel dit laatste model in eerste instantie als het uitgangspunt voor de woonwijk werd beschouwd, bleek bij de opstelling van het Masterplan en het tegelijkertijd lopende project Nieuw Wonen, dat er winst op het gebied van milieu en leefbaarheid te behalen viel. Derhalve is besloten het MMA aan te passen en als vormgevend vertrekpunt voor de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk te hanteren. Het MMA vindt derhalve zijn neerslag in voorliggend bestemmingsplan (het voorkeursalternatief is mogelijk binnen de flexibiliteitsbepalingen van het plan). Bovengenoemd keuzeproces heeft gevolgen voor de weergave van het onderzoek in dit hoofdstuk. In principe wordt daarbij uitgegaan van de onderzoeksresultaten van het voorkeursmodel. Waar nodig worden de verschillen aangegeven die voor het MMA van belang zijn. 4.1.1.
Aanleiding MER/SMB In het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven dat voor woningbouw van 2000 of meer woningen in een niet verstedelijkt gebied de procedure voor de m.e.r. moet worden doorlopen. In 1992 is de Interprovinciale Structuurvisie Ede-Veenendaal (ISEV) opgesteld, waarin de lijnen zijn uitgezet voor de toekomstige stedelijke ontwikkeling van de grensregio Ede-Veenendaal. Reeds in 1994 is een procedure voor de m.e.r. gevolgd voor het gehele ISEV-gebied, waarvan de resultaten zijn opgenomen in het MER-ISEV. Het toen ‘be-merde’ streekplan kan echter niet aangemerkt worden als een zogenaamde concrete beleidsbeslissing. Tenzij wordt gekozen voor een partiële herziening van het streekplan betekent dit concreet dat de m.e.r. wettelijk gezien alleen gekoppeld kan worden aan het voorliggende bestemmingsplan. Omdat een herziening van het streekplan niet aan de orde was, is voor Veenendaal-oost het bestemmingsplan dan ook als het m.e.r.-plichtige besluit beschouwd. Naast de vereisten ingegeven door de m.e.r.-procedure is ook onderzoek verricht conform de eisen ingegeven door de Europese richtlijn inzake de strategische milieubeoordeling (SMB). De resultaten van dat onderzoek zijn ook weergegeven in het MER.
Beschrijving MER/SMB In het MER/SMB zijn drie modellen voor de stedenbouwkundige invulling van de locatie Veenendaal-oost ontwikkeld op basis van vooraf opgestelde randvoorwaarden en ambities. De modellen zijn niet bepaald door vormstudies rond een willekeurig thema maar uit verschillen in ruimtegebruik: de essentie van het stedenbouwkundig ontwerp. De woonmilieus ‘tuinstad’, ‘tuinwijk’ en ‘tuindorp’ zijn onderzocht omdat daarin alle relevante differentiaties in het woonmilieu voor een Veenendaalse uitbreiding zijn opgenomen. Ieder milieutype kent zijn eigen verhouding uitgeefbaar en niet-uitgeefbaar gebied, verhard en onverhard gebied, bebouwd en onbebouwd gebied. Deze
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
33
factoren zijn mede bepalend voor de kansen en knelpunten voor duurzaamheidthema's als water, natuur, verkeer, leefbaarheid en energie. Door te onderzoeken hoe verschillende milieutypen binnen het ontwikkelde raamwerk ingevuld zouden kunnen worden, alsmede door het in beeld brengen van het effect op (en de mogelijke transformatie van) het raamwerk als gevolg van de keuze voor een bepaald milieutype worden de ‘uitersten’ zichtbaar. Afbeelding 7: De onderzochte modellen.
In het Structuurplan Duurzaam Veenendaal-Oost is een 'duurzaam casco' vastgesteld waarin groen-, water- en verkeersstructuur zijn geïntegreerd. In dit casco zijn door middel van profielen de ligging en afmeting van de langzaam verkeersroutes, de (hoofd)waterlopen, de hoofdontsluitingen en de gebiedsontsluitingen vastgelegd. Het plangebied wordt door brede groene oost-west ruimtes geleed. Het casco is zo ontworpen dat Veenendaal-oost in de toekomst goed aansluit op de bestaande wijken van Veenendaal en de toekomstige natuurontwikkelingszone ten oosten van het plangebied. Tussen de dragers van het casco zijn vlakken aangegeven die een woonbestemming krijgen. De ruimtelijke hoofdstructuur uit het Structuurplan Duurzaam Veenendaal-oost is het vertrekpunt geweest bij de uitwerking van de drie modellen. De drie modellen richten zich met name op de 'vulling' van het casco, de vlakken met een woonbestemming.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
34
Om de modellen verder uit te werken en om ze goed vergelijkbaar met elkaar te maken is het duurzame casco uit het structuurplan vervolgens verder uitgebouwd. Binnen de woonvlekken is een structuur van oost-west georiënteerde bouwblokken getekend met daartussen voldoende ruimte voor ontsluitingen. In het zo ontstane raamwerk konden verschillende principe oplossingen voor bebouwing, water, verkeer, groen, parkeren etc. voor de drie woonmilieus ingevuld worden. In onderstaande afbeelding worden de principes toegelicht. Afbeelding 8: De modellen vergeleken. Principes
tuinstad
bebouwing
•
compact
tuinwijk
•
gesloten
•
bouwblokken
•
straten in oost-
•
tuindorp half open bouwblok-
•
open bouwblokken
ken
•
afwisselend bebou-
afwisseling korte en
wingsbeeld
lange rijen ontsluitings-
•
structuur
westrichting
straten in noord-zuid
•
richting •
parkeerstraten bin-
patroon •
nen de blokken •
organisch ontsluitings-
geen lange doorlopende straten
autovrijestraten tussen blokken
groen
•
concentreren op
•
wijkniveau
concentreren binnen
•
de verschillende de-
verspreid op buurtniveau
len van de wijk water
•
harde oevers
•
groene oevers
•
kade muren en be-
•
beschoeiingen
•
binnen het bouwblok
schoeiingen parkeren
•
binnen de blokken in gebouwde voorzieningen (garage,
•
voorzieningen
•
•
vers •
flauwe taluds
•
zo veel mogelijk op ei-
langs parkeerstraten •
op straat op de kop-
natuurvriendelijke oe-
gen kavel •
geclusterd op kleine
onder dek)
pen van de bouw-
parkeerterreintjes bin-
op straat
blokken
nen het bouwblok
concentreren
•
meerdere clusters
•
incidenteel op straat
•
verspreid
Model Tuinstad Het model Tuinstad is een stedelijk model waar in hoge dichtheid gebouwd wordt. Het bebouwd oppervlak is zo beperkt mogelijk gehouden zodat het landschap zo min mogelijk aangetast wordt. Het gebied wordt niet integraal opgehoogd waardoor bestaande elementen zoals de Dragonderweg met aanliggende bebouwing en de bestaande laanbeplanting in het gebied gehandhaafd kunnen worden. Door het bebouwen van stroken in oost-west richting in verschillende diepten is de rand
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
35
met het landschap rafelig, dit heeft als voordeel dat relatief veel woningen aan de rand komen te liggen. Het stratenpatroon volgt de structuur van bouwblokken. De langzaam verkeersroutes liggen in de groene zones tussen de verschillende wijkdelen. Naar het zuiden toe neemt de hoeveelheid water in het plangebied toe. In het noorden van de wijk liggen brede singels die de verschillende wijkdelen van elkaar scheiden, in het zuiden treft men ook water aan binnen de woonvlekken in de vorm van grachten tussen de bouwblokken. Binnen de buurten zijn geen groenvoorzieningen opgenomen, al het groen is geconcentreerd in een groot wijkpark ten oosten van het plangebied. De voorzieningen zijn geconcentreerd in het centrum van de wijk en liggen aan de hoofdontsluitingsweg uit het casco. De kerken zijn op formele plekken in de stedenbouwkundige structuur gepositioneerd zodat ze als echte landmarks gaan functioneren. Naast een grote brede school in het voorzieningencentrum is ook een brede school in het noorden van de wijk opgenomen. In de brede scholen worden basisscholen, kinderdagverblijf en peuterspeelzaal gecombineerd. Model Tuinwijk Het model Tuinwijk is een model waar in gemiddelde dichtheid gebouwd wordt. Het bebouwd oppervlak is groter dan in het model Tuinstad. Er is uitgegaan van integrale ophoging van het volledige plangebied.
Hierdoor zal de bestaande laanbeplanting langs de Spitsbergerweg en de Dragonderweg verdwijnen. Het gehele gebied tot aan de Dragonderweg wordt bebouwd, de Dragonderweg als oud lint met aangrenzende bebouwing zal dan ook opgenomen worden in de wijk en niet meer als zelfstandig element duidelijk herkenbaar zijn. De wijk oogt een stuk groener doordat de bouwblokken niet gesloten maar half-open zijn en de woningen voortuinen hebben. De ontsluitingsstructuur loopt voornamelijk in noord-zuid richting. Vanaf de hoofdontsluiting lopen korte straatjes het bouwblok in, hier kan aan geparkeerd worden. Hierdoor is het mogelijk tussen de bouwblokken woonpaden te maken waar gespeeld kan worden dicht bij huis. Ook in dit model neemt de hoeveelheid water van noord naar zuid toe. Het water in het zuiden van het plan grenst echter niet aan het openbaar gebied maar vormt de grens tussen de tuinen. Ieder deel van de wijk heeft zijn eigen park. Het is denkbaar dat bij het park ook gestapelde woningen gebouwd worden. De voorzieningen zijn meer verspreid door de wijk. Naast een centrumgebied in het midden van het plan is ook een sub-centrum in het noorden van de wijk getekend. Ieder centrum heeft een brede school, ook is een brede school in het zuiden van de wijk getekend. De kerken zijn opgenomen in de beide centra zodat deze wellicht een bredere functie kunnen krijgen.
Model Tuindorp Het model Tuindorp is het dunst bebouwde model. Het bebouwd oppervlak beslaat het hele plangebied en ook de twee 'balkons' ten oosten van de Dragonderweg zijn bebouwd. Het gebied wordt integraal opgehoogd en de Dragonderweg wordt opgenomen in de wijk doordat de wijk soms over de weg heen springt en de Dragonderweg soms de grens vormt tussen stad en landschap. De bebouwingsstructuur is open en gevarieerd, korte en lange blokken wisselen elkaar af. Het ontsluitingspatroon sluit hier op aan, de straten zijn relatief kort en er zijn weinig lange doorlopende lijnen. In het zuiden van de wijk is het water een zeer bepalend element. Er wordt gewoond aan singels, op eilanden in het water en zelfs drijvende woningen aan langs steigers behoren tot de mogelijkheden. Het groen ligt verspreid door de wijk. De voorzieningen liggen verspreid langs de hoofdontsluiting als een echt dorpslint. De onderwijsvoorzieningen zijn niet geclusterd in brede scholen maar functioneren zelfstandig.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
36
Voorkeursmodel en Meest milieuvriendelijke alternatief (MMA) Op basis van de kansrijke ingrediënten die voortkwamen uit de beschreven modellenstudie is vervolgens een voorkeursalternatief geschetst. Dit voorkeursalternatief is van schets tot detailontwerp gegroeid. Het duurzame raamwerk uit het structuurplan Veenendaal-oost, waarin water en groen als structurerende elementen worden ingezet om de landschappelijke hoofdstructuur van het gebied te verduidelijken, is het ruimtelijke vertrekpunt voor het voorkeursalternatief. Het raamwerk is in het voorkeursalternatief zo aangepast dat binnen de wijk verschillende gebieden ontstaan met ieder hun eigen bebouwingsdichtheid, sfeer en karakter. De structurerende water- en groenelementen vormen duidelijke verbindingen met de bestaande stad en de natuurontwikkelingzone ten oosten van de wijk. Het centrum van de wijk waar de voorzieningen zijn gesitueerd heeft een stedelijk karakter. De delen ten noorden en zuiden van het centrum hebben een tuinwijk karakter. Het gebied aan de zuidzijde van de wijk en de zones aan de oostzijde langs de Dragonderweg hebben een dorps karakter en vormen belangrijke overgangszones naar het omliggende landschap. De nieuwbouwwijk krijgt in het voorkeursmodel twee aansluitpunten op het Veenendaalse wegennet. Aan de noordkant wordt de wijk aangesloten op de Buurtlaan-oost.
Vanaf deze weg kan het verkeer via de Grote Beer en de Lorentzstraat de Rondweg-oost bereiken. Aan de zuidkant wordt de nieuwbouwwijk aangesloten op de Prins Clauslaan. Laatstgenoemde weg heeft uitwisselingsmogelijkheden met de Rondweg-oost. De delen van de wijk zijn herkenbaar aan de wijze waarop is omgegaan met water, groen en dichtheden. De afzonderlijke buurten kunnen zich van elkaar onderscheiden door de profielen (smal of breed, groen of steenachtig, voortuinen of geen voortuinen), parkeeroplossingen (in de straat, gebouwd parkeren, binnen het bouwblok) architectuur (kapvormen, kleur- en materiaal gebruik, geleding van de gevels) en woningtypologie. Nadat het voorkeursalternatief gereed was – en ook de belangrijkste effecten in beeld waren gebracht – zijn vervolgens maatregelen voor het MMA benoemd. Deze voorstellen voor het MMA zijn voor het overgrote deel gedaan door de bureaus die de effectenbeschrijving voor hun rekening hebben genomen. Het MMA wijkt op een aantal punten af van het voorkeursalternatief. De afwijkingen hebben geen betrekking op fundamentele aansluitingsprincipes in relatie tot de omgeving.
Hoewel het voorkeursalternatief in eerste instantie als het uitgangspunt voor de woonwijk werd beschouwd, bleek bij de opstelling van het Masterplan en het tegelijkertijd lopende project Nieuw Wonen, dat er winst op het gebied van milieu en leefbaarheid te behalen viel. Derhalve is besloten het MMA aan te passen en als vormgevend vertrekpunt voor de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk te hanteren. Het MMA vindt derhalve zijn neerslag in voorliggend bestemmingsplan. Dat wil overigens niet zeggen dat het voorkeursalternatief niet gerealiseerd zou kunnen worden (het voorkeursalternatief is mogelijk binnen de flexibiliteitsbepalingen van het plan). De MMA-maatregelen zijn achtereenvolgens gebaseerd op: een combinatie van de meest milieuvriendelijke aspecten uit de drie modellen; een optimalisatie op een aantal aspecten (met name verkeer en geluid), waarbij de suggesties uit de richtlijnen voor het MER/SMB leidend zijn;
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
37
een compensatie en/of mitigatie van (negatieve) milieueffecten uit het voorkeursalternatief; voorstellen die zijn gedaan in het kader van het voorbeeldproject Nieuw Wonen. Het MMA is derhalve ontwikkeld binnen de bovenstaande randvoorwaarden waardoor het een realistisch MMA kan worden genoemd. Op basis van de beschikbare informatie is besloten om Veenendaal-oost te ontwikkelen volgens het Meest Milieuvriendelijke Alternatief. In hoofdstuk 6 zal het Meest Milieuvriendelijke Alternatief dan ook als toekomstige situatie worden beschreven. De Commissie voor de milieueffectrapportage heeft inmiddels op 19 mei 2006 een positief eindadvies uitgebracht over het MER.
4.2. Onderzoek milieuaspecten 4.2.1. Cultuurhistorie Uit zowel bureauonderzoek als verkennend booronderzoek blijkt dat het plangebied relatief laag ligt en waarschijnlijk pas in de Nieuwe tijd bewoond is geraakt (RAAP rapport, “Plangebied Veenendaal-oost Een cultuurhistorisch onderzoek in het kader van de MER”, 1114/eindversie, 1312-2004). De aanwezigheid van een intacte kleine dekzandrug of -kop, waarop eventueel archeologische resten uit met name de Steentijd kunnen voorkomen, wordt uitgesloten. Het dekzand is grotendeels verstoord als gevolg van de veenwinning in de 16e en 17e eeuw en andere (sub)recente grondwerkzaamheden. Uit het bureauonderzoek blijkt dat er nagenoeg geen archeologische vindplaatsen bekend zijn van de laaggelegen dekzandgronden in de Gelderse Vallei. Indien archeologische vindplaatsen in dit gebied aanwezig zijn, liggen deze doorgaans op de flanken van stuwwallen, de (gordel)dekzandruggen en kleinere dekzandkoppen. Ook uit de venige laagten zijn geen archeologische vindplaatsen bekend, hetgeen gezien de relatief vochtige omstandigheden in dergelijke gebieden niet verrassend is). Op basis van bovenstaande geldt voor het overgrote deel van het plangebied een lage archeologische verwachting. Bij het bouw- en woonrijp maken wordt aandacht geschonken aan mogelijke vondsten van veenpakketten. Hiervoor zal een amateur archeoloog ingeschakeld worden.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
38
Uit “Geschiedenis van Veenendaal, Historische Vereniging Oud Veenendaal”
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
39
Uit het historisch-geografisch onderzoek blijkt dat het plangebied in het verleden werd gekenmerkt door de aanwezigheid van de Grift (het huidige Valleikanaal), enige bebouwing, enkele wegen, een strokenverkaveling die deel uitmaakte van een ontginningseenheid in Gelders Veenendaal en een inundatiegebied van de Grebbelinie. Binnen de context van de deelgebieden Gelderse Vallei en Grebbelinie uit de CHS van de provincie Utrecht kan het plangebied als geheel worden gezien als een ensemble ‘veenontginning en militaire inundatiezone’. Er wordt een historischgeografische waardestelling van ‘redelijk hoog’ voor het plangebied als geheel gesteld. Deze waarden zijn ingegeven door: een aantal nog goed herkenbare historisch-geografisch elementen en patronen in het plangebied (het open weidegebied met strokenverkaveling, het Valleikanaal en de wegen op de voormalige kades); het Valleikanaal, de voormalige kades en de strokenverkaveling die structurerend zijn geweest voor de verdere inrichting van het landschap; de aansluiting met aangrenzende veenontginningen in de gemeente Ede en de natuurreservaten de Hel en de Blauwe Hel.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
40
Uit de “Tastbare tijd, cultuurhistorische atlas van Utrecht”
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
41
Volgens de bekende historisch-bouwkundige gegevens (monumentenlijsten en gegevens MIP) bevinden zich in het plangebied geen waardevolle gebouwen. Op Gelders Benedeneind nummer 11, ter hoogte van de verbinding met de Meentdijk, staat een boerderij die dateert van voor 1900. De overige bebouwing in het plangebied dateert uit de 20e en de 21e eeuw. 4.2.2. Ecologie In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de te verwachten effecten op in het plangebied aanwezige/ te verwachten bijzondere en beschermde soorten Soortgroep
Soorten waarvan aantasting bij aanleg wordt Effect na realisatie? (t.o.v. referentieverwacht situatie)
Flora
Gewone dotterbloem
Vleermuizen (verblijfGewone dwergvleermuis plaatsen strikt beschermd Laatvlieger (foerageergebied); door de Habitatrichtlijn) Indien verblijfplaatsen aanwezig zijn in schuren, dan ook aantasting van verblijfplaatsen
Overige zoogdieren
Amfibieën
Positief effect op standplaatsen Positief effect (zowel foerageergebied als verblijfplaatsen).
Ruige dwergvleermuis (foerageergebied)
Negatief effect op foerageergebied
Vos, Hermelijn, Wezel, Bunzing, Aardmuis, Veldmuis, Haas, Konijn en Mol
Negatief effect op vaste verblijfplaatsen
Bosmuis, Egel, Gewone Bosspitsmuis, Tweekleurige bosspitsmuis, Dwergspitsmuis en Huisspitsmuis
Neutraal tot positief effect op vaste verblijfplaatsen
Waterspitsmuis (voorkomen in het plangebied onwaarschijnlijk, maar voorkomen in het zuidelijk deel van het plangebied kan niet geheel worden uitgesloten)
Positief effect door realisatie van kwelwaterrijke bergingsvijvers in de natuurontwikkelingzone (gevoed door kwelwater uit diepdrainage onder Veenendaal-oost)
Gewone pad, Kleine watersalamander, Brui- Positief effect op voortplantings- en overne kikker en Middelste groene kikker winteringsmogelijkheden Mogelijk komen in de referentiesituatie ook Positief effect op voortplantings- en overKamsalamander en Poelkikker voor in het winteringsmogelijkheden plangebied. Deze twee soorten worden strikt beschermd door de Habitatrichtlijn
Vissen
Kleine modderkruiper en Bittervoorn Kroeskarper (in geϊsoleerd water)
Positief effect op leefgebied
Effecten op leefgebied van bijzondere soorten zijn bepaald aan de hand van de potentiële waarde die kan wordt verwacht. De potentiële waarde is ingeschat op basis van de autonome ontwikkelingen (stedelijke ontwikkeling, natuurontwikkeling) in de omgeving en soorten die voorkomen in de omgeving. De regionale en landelijke aantalsontwikkeling van soorten is buiten beschouwing gela-
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
42
ten aangezien het potentiële voorkomen van soorten vooral afhankelijk is van de natuurwaarden die direct ten oosten van het plangebied (natuurontwikkelingzone) en langs het Valleikanaal worden gecreëerd. De potentiële waarde van het plangebied is voor alle soortgroepen gehanteerd als referentiewaarde in de effectbeschrijving die in onderstaande tabel is samengevat. Geconcludeerd kan worden dat de aanleg van Veenendaal-oost een positief effect heeft op het potentieel leefgebied van bijzondere soorten en soorten met een beschermde status. Met de realisatie van Veenendaal-oost een gevarieerde oever- en watervegetatie ontstaat. Op termijn worden de oevers en watergangen in het plangebied daardoor geschikter voor bijzondere flora dan in de referentiesituatie (weinig variatie) het geval is. De licht negatieve effecten op de zoogdieren en vogels (foerageergebied en verblijfsplaats) wordt gecompenseerd door nieuwe verblijfsplaatsen in het gebied en nieuwe vestiging van soorten in de ten oosten van het plangebied te realiseren natuurontwikkelingzone. Voor amfibieën geldt dat het areaal aan voortplantings- en overwinteringsbiotopen van meer bijzondere amfibieënsoorten toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie. Tenslotte worden ook voor vissen kansen gecreëerd aangezien door de ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers een gevarieerde oever- en watervegetatie ontstaat.
Ook de effecten op de groenstructuur worden positief beoordeeld. De groenstructuur in het plangebied is namelijk omvangrijker dan in de referentiesituatie en kan daarom beter fungeren als verbindingszone tussen natuurontwikkelingzone en de bebouwde kom van Veenendaal (en vice versa).De beïnvloeding van beschermde natuurgebieden door realisatie van Veenendaal-oost wordt als verwaarloosbaar klein ingeschat. Er zal nagenoeg geen (extra) verstoring door verkeersbewegingen, betreding (recreanten) en licht optreden. Ook worden effecten op grondwaterafhankelijke natuurgebieden in de omgeving niet verwacht, aangezien het grondwatersysteem niet wordt aangetast. Voor wat betreft natuurwaarden worden dus geen negatieve effecten verwacht. Er wordt zelfs een lichte verbetering verwacht. Voor het MMA zijn maatregelen bedacht die de natuurwaarden in het plangebied kunnen vergroten en deze beter aan te laten sluiten op de natuurwaarden in de natuurontwikkelingzone en de ecologische verbindingszone langs het Valleikanaal. Het betreft met name maatregelen om het leef- en foerageergebied van flora en fauna te verbeteren, zoals de aanleg van poelen, verblijfruimtes voor vleermuizen en gierzwaluwen en de natuurlijke inrichting en beheer van wadi’s en bermen. Effect
Alternatief
Verlies/aantasting potentieel leefgebied bijzondere soorten Verlies/aantasting soorten met beschermde status
Voorkeursalternatief
MMA
+ + +
+ + +
0 0 0
0 0 0
Relatie met bestaande groenstructuur Beïnvloeding beschermde natuurgebieden (effecten van autobewegingen, betreding, verlichting en grondwater) - De Hellen - Grift (ecologische verbindingszone) - Natuurontwikkelingzone
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
43
Ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet is (mogelijk) nodig voor: − − −
De Kleine modderkruiper (indien uit nader veldonderzoek blijkt dat deze soort hier voorkomt) De Bittervoorn (indien uit nader veldonderzoek blijkt dat deze soort hier voorkomt) Waterspitsmuis (indien uit nader veldonderzoek blijkt dat in het zuidelijk deel van het plangebied voorkomt, de kans op de aanwezigheid van deze soort wordt zeer klein geacht) − Vleermuizen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn van Gewone dwergvleermuis of Laatvlieger of indien er belangrijke vliegroutes van vleermuizen aanwezig zijn) Indien een ontheffing dient te worden aangevraagd dan zal het ministerie van LNV voorschriften verbinden aan de ontheffing. Deze voorwaarden zijn zodanig dat de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten niet in het geding komt. Aan deze voorschriften kan worden voldaan door het nemen van mitigerende maatregelen binnen het plan. Voor vissen en de Waterspitsmuis is binnen het plan voldoende ruimte gereserveerd voor het creëren van natuurvriendelijke oevers (oevers met een gevarieerde oevervegetatie). Geschikt habitat voor deze soorten zal vóór aanvang van werkzaamheden langs de watergangen worden gerealiseerd. De huidige verblijfplaatsen van deze soorten worden verbonden met de nieuwe biotopen, ofwel de betreffende soorten worden verplaatst naar de nieuwe habitats.
Voor vleermuizen kan de nieuwe bebouwing toegankelijk worden gemaakt met eenvoudige ingrepen (opening realiseren onder op het zuidwesten georiënteerde nokpannen). Daarnaast zijn er technische en inrichtingsmogelijkheden om lichtinstraling langs vliegroutes van lichtgevoelige vleermuissoorten af te schermen. Uit de natuurtoets blijkt eveneens dat in het plangebied maatregelen getroffen worden ter verbetering van aanwezige natuurwaarden. De bouw van het plangebied is van algemeen belang en er is binnen de gemeente geen alternatief. Uit de intergemeentelijke structuurvisie Ede-Veenendaal is gebleken dat Veenendaal-oost als een goede woningbouwlocatie naar voren kwam. Het plangebied is dan ook in het Streekplan van de provincie Utrecht opgenomen als toekomstig woongebied. Tevens is inmiddels de procedure van de Milieueffectrapportage voor dit plangebied met een positief toetsingadvies van de Commissie voor de milieueffectrapportage afgerond. Daarnaast wordt zorg gedragen voor een gunstige staat van instandhouding door bijvoorbeeld rekening te houden met het voortplantingsseizoen. Na realisatie van het plangebied zullen de biotopen in het plangebied juist verbeteren voor deze soorten door de aanleg van watergangen en grote groenzones. De groenstructuur in het plangebied wordt gelijktijdig met de aanleg van de wijk aangelegd.
Omschrijving nader veldonderzoek: • Onderzoek naar voorkomen beschermde vissoorten (Kleine modderkruiper, Bittervoorn) Middels ‘electrisch’ vissen (‘deka’ en schepnet) worden de watergangen in het plangebied onderzocht. Tauw werkt samen met een ecologisch adviesbureau dat veel ervaring heeft met electrisch vissen en de vergunningen hiervoor heeft. Het is voor de veiligheid noodzakelijk dat dit onderzoek door twee personen wordt uitgevoerd. Het onderzoek neemt 1 dag in beslag en zal in het voorjaar van 2007 (eind meibegin juni) worden uitgevoerd. Daarnaast wordt tijdens het visonderzoek gelet op de aanwezigheid van amfibieën (onderzoek door Ravon is ondertussen al twee jaar oud) • Onderzoek naar vleermuizen Het onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd met behulp van een bat-detector en bij goede weersomstandigheden. De bat-detector is een apparaatje dat de hoge tonen die vleermuizen produceren omzet in voor de mens hoorbare tonen. Uit ritme en frequentie kan de betreffende soort worden afgeleid. Onderzoek naar vleermuizen vindt gespreid over het jaar plaats. In de periode half mei-eind juni wordt gezocht naar kraamkolonies van vleermuizen. Dit onderzoek vindt globaal plaats van 03:00 - 05:30 uur. In deze periode wijzen inzwermende vleermuizen op de aanwezigheid van kraamkolonies. Er worden
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
44
twee bezoeken verricht. In de periode tussen half mei en eind juni 2007 wordt ook aandacht besteed aan de aanwezigheid van belangrijke foerageergebieden en vliegroutes. Onderzoek naar de aanwezigheid van belangrijke foerageergebieden, vliegroutes en paarplaatsen wordt uitgevoerd in juli (1 bezoek m.n. gericht op vliegroutes en foerageergebieden) en eind augustus/begin september 2007 (1 bezoek m.n. gericht op paarplaatsen). De bezoeken in juli en augustus vinden plaats in de avondperiode (globaal van 21:30 uur tot 23:30 uur). In oktober worden de huizen geïnspecteerd op de mogelijke aanwezigheid van winterverblijven (late avondperiode) . Dit onderzoek is reeds in het najaar van 2006 uitgevoerd (er werden tijdens het bezoek op 12 oktober geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van winterverblijfplaatsen) Tijdens het onderzoek naar vleermuizen wordt eveneens gelet op territoriale steenuilen in het gebied. De Steenuil is een soort die een vaste verblijfplaats heeft. Indien een vaste verblijfplaats van deze soort aangetast wordt (ook buiten het broedseizoen), dient een ontheffing van de Flora- en faunawet te worden aangevraagd voor deze soort. Middels het (kort) afspelen van de territoriumroep van de Steenuil met een draagbare CD-speler op geschikte locaties in het plangebied, worden steenuilen tot roepen aangezet.
De Steenuil is met deze methode goed te inventariseren • Beschrijving habitat Waterspitsmuis Een nauwkeurige beschrijving wordt gemaakt waarom de Waterspitsmuis niet wordt verwacht in het plangebied. Deze beschrijving wordt ondersteund met een reeks foto’s die in het veld worden gemaakt tijdens het onderzoek naar vissen
4.2.3. Verkeer en vervoer De komende jaren vindt er een aantal ontwikkelingen plaats in de wegenstructuur in en rond Veenendaal. In het MER/SMB worden deze beschreven als de autonome ontwikkeling. De belangrijkste wijzigingen in de autonome ontwikkeling zijn: de huidige Rondweg-oost (tussen Cuneraweg en de Wageningselaan) wordt doorgetrokken naar het noorden en krijgt een volwaardige aansluiting op de A12. Het is de bedoeling dat deze nieuwe weg de bestaande N233 ontlast, het aandeel doorgaand verkeer door de bebouwde kom van Veenendaal vermindert en de bereikbaarheid van bedrijventerrein Nijverkamp verbetert. Er is verkeersuitwisseling mogelijk met de Lorentzstraat en de Prins Clauslaan in het verlengde van de Raadshuisstraat. De Rondweg-oost wordt alleen nog gekruist door brom-/ fietstunnels en – ter hoogte van de Buurtlaanoost – door een tunnel voor lokaal autoverkeer; de route Buurtlaan oost/Maanderbuurtweg/Pakhuisweg wordt waarschijnlijk ‘geknipt’ ter hoogte van het viaduct over de A12. Hierover is echter nog geen overeenstemming bereikt tussen betrokken partijen. Wanneer de knip wordt gerealiseerd komt de directe verbinding met Ede te vervallen; de A12 krijgt aan de noordzijde een weefvak tussen de Rondweg-oost en de bestaande afrit Veenendaal.
Daarnaast wordt de A12 ten oosten van de huidige op-/afrit Veenendaal voorzien van plusstroken; de A30 is in juli 2004 ten westen van Ede gecomplementeerd, waardoor er tussen de A1 en de A12 nu een volledige autosnelweg ligt. In onderstaande tabel zijn voor een aantal wegen de verkeersintensiteiten gegeven alsmede of sprake is van een toe- of afname in vergelijking met de huidige situatie4. Ook is in de tabel de I/C-verhouding voor de avondspits gegeven (rapport Goudappel Coffeng, Verkeerskundige bijdrage MER Veenendaaloost, OVO 002/Kih/0012, 25 mei 2005).
4
In het MER is de huidige situatie beschreven met behulp van het verkeersmodel Veenendaal, versie december 2003.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
45
Wegvak
Verkeersdruk (mvt/etm) Huidig (2001) Autonoom
I/C-verhouding Toe-/afname (avondspits)
A12, ten westen van Rondweg-oost
75.500
91.900
+22%
<60%
A12, ten oosten van Rondweg-oost
75.500
114.200
+51%
60-80%
Rondweg-west tussen A12 en grote Beer
30.200
35.700
+18%
60-80%
Rondweg-oost nabij Buurtlaan oost
n.v.t.
27.200
n.v.t.
60-80%
Rondweg-oost nabij Wageningselaan
n.v.t.
25.200
n.v.t.
60-80%
Grote Beer ten zuiden van Buurtlaan oost
10.400
6.300
-39%
<60%
Buurtlaan oost ten westen van Dragonderweg 11.100
1.300
-88%
<60%
Dragonderweg
5.700
1.300
-78%
<60%
Lorentzstraat
3.800
11.600
+205%
60-80%
Raadhuisstraat
5.400
11.500
+113%
60-80%
Verlengde Raadhuisstraat
n.v.t.
7.300
n.v.t.
<60%
Wageningselaan ten westen van Rondweg-oost 13.800
12.300
-11%
60-80%
Bron: MER/SMB Woningbouwlocatie Veenendaal-oost De gewijzigde infrastructuur in combinatie met de verwachte verkeersgroei tot 2015 heeft als gevolg dat de verkeersdruk op de A12 en de Rondweg-west zal toenemen Toekomstige situatie als gevolg van de realisering van Veenendaal-oost Ten opzichte van de autonome situatie zal in de toekomst de wijk Veenendaal-oost worden gerealiseerd volgens het MMA uit het MER/SMB. De nieuwbouwwijk krijgt twee aansluitpunten op het Veenendaalse wegennet. Aan de noordkant wordt de wijk aangesloten op de Buurtlaan-oost. Vanaf deze weg kan het verkeer via de Grote Beer en de Lorentzstraat de Rondweg-oost bereiken. Een directe aansluiting van de nieuwbouwwijk op de Rondweg-oost ter hoogte van de Lorentzstraat is ongewenst omdat een extra aansluitpunt op de Rondweg-oost hier de doorstroming op de Rondweg-oost belemmert. Aan de zuidkant wordt de nieuwbouwwijk aangesloten op de Rondweg-oost ter hoogte van de Prins Clauslaan. In onderstaande tabel is voor een aantal wegen de verkeersintensiteiten gegeven alsmede de toename in vergelijking met de autonome situatie. Ook is in de tabel de I/C-verhouding voor de avondspits gegeven.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
46
Verkeersdruk (mvt/etm) Wegvak
Autonoom
voorkeursalternatief
Toename
I/C-verhouding (avondspits)
A12, ten westen van Rondweg-oost
91.900
93.200
+1%
<60%
A12, ten oosten van Rondweg-oost
114.200
116.300
+2%
60-80%
Rondweg-west tussen A12 en Grote Beer
35.700
36.900
+3%
60-80%
Rondweg-oost nabij Buurtlaan oost
27.200
30.100
+11%
80-100%
Rondweg-oost nabij Wageningselaan
25.200
27.400
+9%
80-100%
Grote Beer ten zuiden van Buurtlaan oost
6.300
8.100
+29%
<60%
Buurtlaan oost ten westen van Dragonderweg
1.300
7.200
+454%
<60%
Dragonderweg
1.300
1.800
+38%
<60%
Lorentzstraat
11.600
13.800
+19%
80-100%
Raadhuisstraat
11.500
13.900
+21%
60-80%
Verlengde Raadhuisstraat
7.300
10.700
+47%
60-80%
Wageningselaan ten westen van Rondwegoost
12.300
13.400
+9%
60-80%
Noordelijke invalsweg Veenendaal-oost
n.v.t.
6.300
n.v.t.
60-80%
Zuidelijke invalsweg Veenendaal-oost
n.v.t.
10.200
n.v.t.
80-100%
Bron: MER/SMB Woningbouwlocatie Veenendaal-oost
Realisatie van Veenendaal-oost heeft als gevolg dat het Veenendaalse wegennet drukker wordt belast. Met name op de Rondweg-oost, de Lorentzstraat en de Verlengde Raadhuisstraat leidt deze extra verkeerstoename naar verwachting in de toekomst tot afwikkelingsproblemen. De situatie zal het ergst zijn op de Rondweg-oost en de Lorentzstraat. Op delen van deze twee wegen moet in de avondspits rekening worden gehouden met een I/C-verhouding hoger dan 80%. Geconcludeerd moet echter worden dat deze verwachting betrekking heeft op een nog niet gerealiseerde situatie (Rondweg-oost) en dat er voorts nog vrij grote onzekerheid bestaat over de effecten van ingrepen in de infrastructuur binnen de regio (A30). Inmiddels is onderzoek opgestart naar de effecten en mogelijk benodigde maatregelen om de eventueel optredende regionale knelpunten op te lossen5. Uit het onderzoek dat in het kader van het MER/SMB is uitgevoerd is komen vast te staan dat de ontwikkeling van Veenendaal-oost geen significante gevolgen heeft voor de verwachte knelpunten. De interne verkeersstructuur van de nieuwbouwwijk is zodanig vormgegeven dat doorgaand gemotoriseerd verkeer in de wijk onmogelijk is. Dit voorkomt dat het verkeer van en naar de Rondwegoost de hoofdwegenstructuur door de wijk als sluiproute gaat gebruiken.
5
De gemeenten Wageningen, Ede, Rhenen, Veenendaal, Nederbetuwe, Barneveld, Nijkerk, Regio de Vallei, de provincies Utrecht en Gelderland en de Rijkswaterstaten Directie Oost en Directie Utrecht werken sinds begin 2004 samen aan de bereikbaarheid van de regio. Dit gebeurt in het samenwerkingsverband Beter Bereikbaar Vallei (BB Vallei).
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
47
4.2.4. Geluid Met behulp van de hiervoor berekende intensiteiten zijn vervolgens de geluidcontouren van de A12, de Rondweg-oost en de interne wegen (MMA) bepaald. Onderstaande figuren in afbeelding 9 tonen de geluidcontouren als gevolg van de externe wegenstructuur van Veenendaal-oost (rapport Goudappel Coffeng, Verkeerskundige bijdrage MER Veenendaal-oost, OVO 002/Kih/0012, 25 mei 2005). Afbeelding 9: Meest milieuvriendelijke alternatief in relatie tot 50 dB(A) en 55 dB(A) contouren.
Op basis van de uitkomsten van de akoestische berekeningen is onderzocht of, en zo ja welke, maatregelen getroffen konden worden om aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) te voldoen. Voorts is bepaald of een hogere grenswaarde verkregen zou kunnen worden in het geval niet voldaan zou kunnen worden aan de voorkeursgrenswaarde. Ook is onderzocht of andere oplossingen mogelijk waren, zoals afscherming door middel van geluidsschermen- of wallen, of het realiseren van zogenaamde "dove gevels". Op deze wijze is een afgewogen set maatregelen bedacht waarbij specifieke omstandigheden een rol hebben gespeeld. Uitkomst van het onderzoek is dat niet op alle plaatsen voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). De afbeelding hieronder toont de voorgestane oplossingen.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
48
Afbeelding 10: Stelsel van geluidwerende voorzieningen.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
49
Afbeelding 11: Locaties waarvoor hogere grenswaarde is vereist.
Naast oplossingen in de overdrachtsfeer en maatregelen aan de gevel, zal er dus een ontheffing hogere grenswaarden dienen te worden aangevraagd bij Gedeputeerde Staten van Utrecht. De ontheffing dient te zijn verleend voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Naar schatting zal de hogere grenswaarde voor ongeveer 250 woningen dienen te worden aangevraagd. Dit komt overeen met ongeveer 8% van het aantal te realiseren woningen. Onderstaande afbeelding geeft de locaties waarvoor ontheffing dient te worden aangevraagd. De procedure hiervoor wordt binnenkort gestart.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
50
4.2.5. Lucht Een toename van het autoverkeer veroorzaakt ook een toename van uitstoot van stoffen die schadelijk voor mensen en zijn omgeving kunnen zijn. Daarom is op 19 juli 2001 is in Nederland het ‘Besluit luchtkwaliteit en Meetregeling luchtkwaliteit’ van kracht geworden (staatsblad 2001, 269). Het Besluit luchtkwaliteit bevatte de wettelijke grens- en richtwaarden voor de luchtkwaliteit in Nederland, alsmede de wijze waarop deze luchtkwaliteit gerapporteerd dient te worden en is een uitvloeisel van Europese regelgeving. Inmiddels is het Besluit Luchtkwaliteit 2005 (BLK2005) op 5 augustus 2005 in werking getreden. Ten opzichte van het oude BLK uit 2001 zijn er in BLK2005 een aantal wijzigingen doorgevoerd die een versoepeling van het beleid inhouden. Dat geldt niet voor de grenswaarden, die blijven ongewijzigd (rapport Goudappel Coffeng, Verkeerskundige bijdrage MER Veenendaal-oost, OVO 002/Kih/0012, 25 mei 2005). De drie versoepelingen in het BLK2005 zijn: Concentraties die zich van nature of vanwege natuurverschijnselen in de lucht bevinden en niet schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens, worden bij het beoordelen van de luchtkwaliteit voor zwevende deeltjes (PM10) buiten beschouwing gelaten (Artikel 5 lid 1). Dit is de zogenaamde “zeezout-correctie”. Het standstill-beginsel van artikel 5.2.
lid 3 Wm is buiten toepassing verklaard, zodat kleine verslechteringen van de luchtkwaliteit kunnen worden geaccepteerd, zolang de grenswaarden maar niet worden overschreden (Artikel 2 lid 2). Een afwijkingsregeling van de grenswaarden in artikel 7 lid 3. Bestuursorganen hoeven hun besluiten niet te toetsen aan de grenswaarden, indien: De concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof vanwege een besluit per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft. Een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, gecompenseerd kan worden door een met het project samenhangende maatregel of effect, waardoor de luchtkwaliteit per saldo verbetert. Voor het onderhavige bestemmingsplan is de toekomstige luchtkwaliteit bepaald en getoetst aan dit Besluit6.Concreet betekent dit dat de gevolgen voor de aftrek voor fijn stof zijn opgenomen. Voor plannen op het grondgebied van de gemeente Veenendaal, bedraagt de correctie op de jaargemiddeldeconcentratie van PM10 4 µg/m³ en de correctie van het aantal overschrijdingsdagen voor het 24-uursgemiddelde bedraagt 6 dagen. De saldobenadering vraagt om een complexe aanpak. Het instrument om de mogelijkheden voor de saldobenadering te kunnen onderzoeken is de verkeersmilieukaart. Deze wordt momenteel door de gemeente Veenendaal geactualiseerd.
De ontwikkeling van Veenendaal-Oost dient conform het Besluit luchtkwaliteit getoetst te worden aan de grenswaarden. Voor bestemmingsplannen dient aangetoond te worden dat de grenswaarden in 2010 niet overschreden worden. In de MER/SMB is de luchtkwaliteit bepaald door de concentraties NO2 en PM10 inzichtelijk te maken. Het blijkt dat zowel in de autonome situatie, het voorkeursalternatief als in het MMA de grenswaarden voor het uur- en jaargemiddelde van NO2 en het jaargemiddelde voor PM10, niet wordt overschreden. Wel is er een probleem wat betreft het aantal keren dat de maximumwaarde 6