LIS2021.212a Inwoner - Bijlage Zienswijze Groenpoort Z1861779 met bijlagen
Tekst van het document
nr. LIS2021.212a Cat. B
Aan de gemeenteraad van de gemeente Veenendaal Raadhuisplein 1 3901 GA Veenendaal Betreft: Zienswijze Datum: 12 oktober 2021 Uw kenmerk: zienswijze Veenendaal-oost, deelplan Groenpoort – Z-1861779
Geachte raadsleden, In aansluiting op de eerder ingediende proforma zienswijze van 25 september 2021 jl. op bovengemeld deelplan willen wij deze nader toelichten door middel van deze brief. Met een afvaardiging van ondergetekenden hebben wij een gesprek gehad met mevrouw Cornelisse en de heer Ten Burg van OVO. In genoemd gesprek hebben wij aangegeven dat dit plan ons zeer heeft verbaasd. Wij vinden het resultaat wat er nu ligt onbegrijpelijk. Aangezien wij met een brede groep deze brief ondertekenen willen wij onze argumenten indelen in twee categorieën. Vanuit het perspectief van directe aanwonenden • Het feit is dat er in het bestemmingsplan, op diverse tekeningen en maquettes vanuit de gemeente altijd (al ruim 10 jaar) een brede groenstrook was ingetekend. [zie bijlage 1a,1b,1c,1d]. De exacte invulling was niet bekend, maar het zou wel een brede robuuste strook zijn (er was sprake van 75m). • Ook is tijdens de koop van de woningen heel duidelijk aangegeven dat er een brede groenstrook zou komen, onder ander voor recreatief gebruik. Dit bleek uit de folder van de projectontwikkelaars en in gesprekken met de makelaars of kavelcoach. [zie bijlage 2a,2b]. Daarbij wijzen we u er op dat één van de betrokken projectontwikkelaars nauw gelieerd is aan OVO.
• Ons is nu in bovengenoemd gesprek gezegd dat we aan de (mondelinge) toezeggingen van destijds en aan het bestemmingsplan en de getoonde maquette juridisch geen enkel recht kunnen ontlenen. Als dat inderdaad zo is, dan is het toch zeker in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb) – met name het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel – om zonder overleg met direct betrokkenen het plan dusdanig te wijzigen dat de groenstrook grotendeels verdwenen is. Temeer omdat de gemeente Veenendaal zelf veel waarde hecht aan burgerparticipatie en dit als uitgangspunt stelt bij onder meer een vergunningsaanvraag vanuit een burger. • Het effect van de voorgestelde plannen op het verlies van uitzicht en het verlies privacy is enorm en onomkeerbaar. Juist om redenen van uitzicht en privacy wonen we op deze plek. De huidige groenstrook geeft de nodige rust en ruimte en natuurbeleving. De onomkeerbaarheid van de plannen maakt dat de eerder genoemde argumenten voor ons zwaar wegen. Vanuit het perspectief van alle buurtbewoners • De huidige groenstrook heeft voor alle buurtbewoners een duidelijke maatschappelijke functie. Het wordt gebruikt als speelplek voor kinderen en jongeren van alle leeftijden. Er wordt gesport, honden worden uitgelaten, er wordt gezongen bij een vuurtje enzovoorts. Door de groenstrook weg te halen zijn al deze activiteiten niet meer mogelijk.
Voor een goede en leefbare buurt is deze groenstrook onmisbaar. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat deze
•
•
activiteiten zondermeer worden gecontinueerd in de nieuwe groenstrook halverwege Groenpoort. De huidige plannen zorgen ervoor dat de verdeling van de groenzones in het geheel van Veenendaal Oost niet langer in balans zijn. Juist de huidige groenstrook houdt deze balans in stand en zorgt voor een natuurlijke afscheiding met Groenpoort. [zie bijlage 3a, 3b] We willen er bovendien nog op wijzen dat de nabij gelegen scholen ook regelmatig gebruik maken van het huidige groen. Voor hen zal het met de nieuwe plannen niet meer mogelijk zijn om buiten op gras gymlessen etc. te geven. Dit willen we uitdrukkelijk ter overweging meegeven.
Uiteraard onderkennen wij de grote economische belangen voor de gemeente en de druk op de woningmarkt. Maar wij begrijpen niet dat de oorspronkelijk aangeven groenstrook nagenoeg verdwijnt, terwijl er vervolgens verderop in de nieuw te ontwikkelen wijk wel een hele brede groenstrook voorzien wordt. Volgens het bestemmingsplan dient er rond de Spitsbergenweg een robuuste groenstrook te komen die recht doet aan de historische zichtlijn van Veenendaal. De huidige plannen kun je nauwelijks een groenstrook noemen, laat staat robuust, om van een herkenbare zichtlijn nog maar niet te spreken. Het zou blijk geven van betrouwbaar bestuur als het oorspronkelijke bestemmingsplan gehandhaafd wordt met een brede groenstrook langs de Spitsbergerweg. In dat geval worden toekomstige bewoners niet benadeeld, want het betreft een nieuw te bouwen wijk waarvan het bestemmingsplan nog vastgesteld moet worden en er zullen dus nog geen huizen verkocht zijn. Derhalve willen wij u verzoeken om een nieuw voorstel te laten maken waarin wat betreft de groenstrook niet afgeweken wordt van de oorspronkelijke plannen en de beloofde verwachtingen. Om u als raad een impressie te geven van het effect van de voorgestelde plannen hebben wij een en ander gevisualiseerd. [zie ook bijlage 4]
Impressie huidige situatie met robuust groen
Impressie van voorgesteld plan
In onze overtuiging is het mogelijk om zowel de groenstrook te behouden, recht te doen aan de economische belangen en woningdruk en om een aantrekkelijke Groenpoort te ontwikkelen. Graag gaan we hierover met u en de betrokken partijen in gesprek. Met vriendelijke groet, mede namens de andere indieners [zie bijlage 5],
Marlien Kroon-Roor Van Buurenerf 15, 3907 MW Veenendaal
Bijlage 1a Folder verstrekt vanuit I-centrum ten tijde van aankoop woning/kavel
Foto van folder uitgereikt door I-Centrum ten tijde van aankoop
Bijlage 1b Toelichting Bestemmingsplan Veenendaal-Oost
Behoort bij besluit van de gemeenteraad van Veenendaal d.d. 14 december 2006, nr. 200.127423
.Behoort bij besluit van gedeputeerde staten van Utrecht d.d. 26 juni 2007 nr. 2007REG001423i sectorRGO
~
-~
GEMEENTE
1i
•
'02. ---
1
Behoort bij besluit van de gemeenteraad van Veenendaal d.d. 14 december 2006, nr. 200.127423
Behoort bij besluit van gedeputeerde staten van Utrecht d.d. 26 juni 2007 nr. 2007REG001423i sectorRGO
datum: oktober 2006 schaal; 1:3000 formaat: 84x84 cm kenmerk: 1944F_bp.dgn referte: Marcel v.d. Bosch
1944F tekeningnummer: 2891 projectnummer:
onderdeel
Plankaart werk
Bestemmingsplan Veenendaal-oost opdrachtgever
Gemeente Veenendaal
SVI' architectuur en stedenbouw Postbus 465 3800 AL Amersfoort
telefoon: 033 470 11 88 fax: 033 470 06 11
Toelichting
Inhoudsopgave 1.
Inleiding .................................................................................................... 1
2.
Huidige situatie ........................................................................................... 3 2.1. Ligging en begrenzing plangebied ...............................................................3 2.2. Huidige situatie van het plangebied ............................................................4 2.2.1. Cultuurhistorische opbouw ...............................................................4 2.2.2. Ecologie .....................................................................................5 2.2.3. Verkeer en vervoer ........................................................................6 2.2.4. Waterhuishouding..........................................................................7 2.2.5. Stankcirkels agrarische bedrijven .......................................................7 2.3. Vigerende planologische regelingen .......................................................... 10 2.4. Eigendomssituatie................................................................................ 10
3.
Bestuurlijke en juridische kaders.................................................................... 12 3.1. Algemeen.......................................................................................... 12 3.2. Internationaal niveau............................................................................ 12 3.3. Nationaal niveau ................................................................................. 14 3.3.1. Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening (Nota Ruimte) ......................... 14 3.3.2. Nota mensen, wensen, wonen ......................................................... 15 3.3.3. Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4) .................................................. 16 3.3.4. Nota mobiliteit ........................................................................... 16 3.3.5. Luchtkwaliteit ............................................................................ 16 3.3.6. Natuurbeleid.............................................................................. 17 3.3.7. Vierde Nota Waterhuishouding ........................................................ 17 3.3.8. Flora- en Faunawet ...................................................................... 18 3.3.9. Nota Belvedère ........................................................................... 18 3.4.
(Inter)provinciaal niveau........................................................................ 18 3.4.1. Interprovinciale Structuurvisie Ede-Veenendaal (ISEV) ............................ 18 3.4.2. MER-ISEV .................................................................................. 18 3.4.3. Streekplan provincie Utrecht 2005-2015 ............................................. 19 3.4.4. Cultuurnota 1999-2002 .................................................................. 21 3.4.5. Nota ‘Niet van Gisteren’................................................................ 21 3.4.6. Andere strategische plannen van de provincie Utrecht............................ 21 3.4.7. Nieuw Wonen ............................................................................. 22 3.5. (Inter)gemeentelijk niveau ..................................................................... 24 3.5.1. Structuurvisie WERV ..................................................................... 24 3.5.2. Structuurplan Duurzaam Veenendaal-oost ........................................... 25 3.5.3. Masterplan Veenendaal-oost ........................................................... 27 3.5.4. Natuurontwikkelingszone; De Groene Grens 28
4.
Nader onderzoek ........................................................................................ 32 4.1. MER/SMB Woningbouwlocatie Veenendaal-oost............................................. 32 4.1.1. Aanleiding MER/SMB ..................................................................... 32 4.1.2. Beschrijving MER/SMB ................................................................... 32 4.2. Onderzoek milieuaspecten ..................................................................... 37 4.2.1. Cultuurhistorie ........................................................................... 37 4.2.2. Ecologie ................................................................................... 41 4.2.3. Verkeer en vervoer ...................................................................... 44 4.2.4. Geluid...................................................................................... 47 4.2.5. Lucht ....................................................................................... 50 4.2.6. Externe veiligheid........................................................................ 51
5.
Watertoets................................................................................................ 55 5.1. Algemeen.......................................................................................... 55 5.2. De waterbeheerder van het gebied Veenendaal-oost ...................................... 55 5.3. Beleidskaders waterbeheerders ............................................................... 55 5.4. Relatie met andere plannen en ontwikkelingen ............................................ 56 5.5. De huidige situatie ............................................................................... 57 5.6. De toekomstige situatie......................................................................... 58 5.7. Overleg waterbeheerders....................................................................... 62 5.8. Advies en afweging .............................................................................. 63 5.9. Doorwerking in dit bestemmingsplan ......................................................... 63
6.
Toekomstige situatie ................................................................................... 65 6.1. Ruimtelijk concept voor Veenendaal-oost ................................................... 65 6.1.1. Stedenbouwkundige inpassing ......................................................... 65 6.1.2. Deelgebieden ............................................................................. 67 6.1.3. Verkeer en vervoer ...................................................................... 68 6.1.4. Openbaar vervoer ........................................................................ 71 6.1.5. Water en groenstructuren .............................................................. 72 6.1.6. Programma................................................................................ 73 6.2. Een levensloopbestendige wijk ................................................................ 73
7.
Economische uitvoerbaarheid ........................................................................ 75
8.
Juridische vormgeving ................................................................................. 77 8.1. Algemeen.......................................................................................... 77 8.2. Voorschriften ..................................................................................... 77 8.3. Plankaart .......................................................................................... 81
9.
Inspraakprocedure ...................................................................................... 82
10.
Vooroverleg ex artikel 10 Besluit op de ruimtelijke ordening................................. 83
1
1.
Inleiding Nadat de colleges van Gedeputeerde Staten van de provincies Utrecht en Gelderland in 1990 het initiatief hadden genomen tot het uitzettten van de lijnen voor de toekomstige stedelijke ontwikkeling van de grensregio Ede-Veenendaal, zijn diverse onderzoeksrapporten vervaardigd en zijn belangrijke beslissingen genomen. Veenendaal-oost is de toekomstige uitbreidingslocatie voor de grensregio. De locatie heeft een capaciteit van 3.000 – 3.500 woningen. Het voorliggende bestemmingsplan biedt het planologisch juridisch kader voor de ontwikkeling van de woonwijk Veenendaal-oost. Omdat het plan is vervaardigd als een zogenaamd globaal bestemmingsplan met uitwerkingsverplichting ex artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, wordt tegelijkertijd een ontwikkelingskader voor de woonwijk en een beheerkader voor de gebruiksfase verkregen. Aan de procedure voor het opstellen van dit bestemmingsplan is een m.e.r.-procedure gekoppeld. Dit is nodig omdat het Besluit milieueffectrapportage dat voor woningbouw van 2000 of meer woningen in niet-verstedelijkt gebied de procedure voor de m.e.r. moet worden doorlopen.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
2
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
3
2.
Huidige situatie
2.1. Ligging en begrenzing plangebied Globaal gesproken is het plangebied van het bestemmingsplan Veenendaal-oost aan de oostzijde van Veenendaal gesitueerd, tussen de Bisschop Davidsgrift (Valleikanaal) en de rijksweg A12. De begrenzing van het gebied wordt aan de westzijde gevormd door de (toekomstige) Rondweg-oost, aan de noord- en oostzijde door respectievelijk de Buurtlaan-oost en de Dragonderweg, en aan de zuidzijde door een denkbeeldige lijn die op wisselende afstand het Gelders Benedeneind volgt. Onderstaande figuur toont het plangebied Veenendaal-oost. Afbeelding 1: Plangebied.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
4
2.2. Huidige situatie van het plangebied 2.2.1. Cultuurhistorische opbouw Het plangebied ligt in een gebied met stuwwallen die in de voorlaatste IJstijd (het Saalien) door landijs zijn gevormd. Het betreft de Utrechtse Heuvelrug, de Ede-Wageningen stuwwal en de stuwwal Veenendaal-Emminkhuizerberg. De Utrechtse Heuvelrug en de Ede-Wageningen stuwwal omsluiten samen de Gelderse Vallei, waarin het plangebied ligt. Door latere turfwinning is een veenlandschap ontstaan, waarvan de kavelrichting oost-west gericht is. Het Valleikanaal is ten zuiden van het plangebied gesitueerd maar heeft een rol gespeeld bij de ontstaansgeschiedenis van het plangebied. Dit kanaal volgt de loop van de voormalige Grift of Bisschop Davidsgrift. Deze in oorsprong uit de 15e eeuw daterende Grift liep vanaf het huidige Zwaaiplein in zuidoostelijke richting, naar de Rijn. In de jaren zestig van de 19e eeuw werd, in samenhang met de aanleg van het Omleidingskanaal, dit gedeelte van de Grift verbreed tot een breedte van circa 8 meter. Hierdoor werd een eventuele inundatie in dit deel van de Grebbelinie beter mogelijk. In de 20e eeuw werden Grift en Omleidingskanaal opgenomen in het Valleikanaal, dat tussen 1937 en 1942 werd gegraven naar het IJsselmeer ter verbetering van de afwateringssituatie in de Gelderse Vallei.
In het plangebied zijn twee wegen op historische dwarskaden aangelegd: de Buursteeg (de huidige Buurtlaan-oost) en de Meentdijk. Bovendien bevond zich langs de noordzijde van het Valleikanaal een pad, dat het Gelders Benedeneind werd genoemd. De Dragonderweg en Spitsbergenweg dateren van recentere datum (20e eeuw).
Langs de zuidelijke grens van het plangebied, is langs het huidige Valleikanaal lineaire bebouwing aanwezig. Deze bebouwing dateert, op één enkele uitzondering na, van ná 1945. Voorts bevindt zich in het plangebied voornamelijk agrarische bebouwing langs de Dragonderweg en de Buurtlaanoost. Het grootste deel van het plangebied bestaat uit een open gebied met een strokenverkaveling. In het plangebied is zowel een toplaag van zand als venig materiaal aanwezig. Het plangebied heeft een open karakter en wordt agrarisch intensief gebruikt (grasland). Het verkavelingspatroon is ontstaan door de eigendomsverhoudingen zoals die waren voor de vervening. Het plangebied behoorde toen tot Gelders Veenendaal, waar de kavels op de Ede-Wageningen stuwwal waren gericht. Tijdens de vervening ontstond door de aanleg van de wijken een fijnmazige strokenverkaveling die ook na afloop van de turfwinning, toen de grond een agrarische bestemming kreeg, in hoofdlijnen is gehandhaafd. Het plangebied als geheel heeft vanaf het midden van de 18e eeuw tot in de Tweede Wereldoorlog een functie gehad als inundatiegebied van de Grebbelinie. Het behoorde tot de meest zuidelijke inundatiekom van deze linie. Kenmerkend voor inundatiegebieden zijn landschappelijke openheid, een relatief lage ligging en een vlak karakter. Deze eigenschappen zijn in het plangebied nog goed herkenbaar.
Het inundatiegebied strekte zich buiten het plangebied uit in oostelijke richting tot aan de Kade.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
5
2.2.2. Ecologie In de omgeving van het plangebied komen hoge natuurwaarden voor. Het plangebied ligt in de Gelderse Vallei, waar vochtige en natte, veelal onder invloed van kwel staande blauwgraslanden, bosjes en moeras aanwezig zijn. Deze gebieden hebben een hoge natuurwaarde. De gebieden ‘De Hel’ en ‘De Blauwe Hel’ (ook wel ‘De Hellen’ genoemd), op circa 200 meter ten zuiden van het plangebied Veenendaal-oost, zijn hier voorbeelden van. Deze gebieden zijn waardevolle en kwetsbare natuurgebieden, die afhankelijk zijn van hoge grondwaterstanden en kwel. ‘De Hellen’ zijn met name in floristisch opzicht zeer waardevol. Er zijn trilveen-vegetaties en Blauwgrasland aanwezig. ‘De Hellen’ maken deel uit van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur, en zijn daarnaast aangewezen als Beschermd en Staatsnatuurmonument. Binnen het plangebied zelf is zowel een toplaag van zand als venig materiaal aanwezig. Het plangebied heeft een open karakter en wordt agrarisch intensief gebruikt (grasland). Een klein deel is uit productie genomen en verruigd. Daarom worden er geen zeer bijzondere ecologische waarden verwacht. De perceelsgrenzen en sloten zijn gelegen van west naar oost. In het zuidelijk deel van het plangebied is het natter, aangezien het maaiveld daar lager is. In het plangebied bevinden zich enkele poelen die van belang zijn voor (algemeen voorkomende) amfibieënsoorten.
De ecologische waarde van het plangebied komt tot uitdrukking in de aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten (door de Flora- en faunawet en/of Habitatrichtlijn beschermd) of bijzondere planten- en diersoorten (op de Rode lijst geplaatst). De mogelijke aanwezigheid van beschermde of bijzondere dier- en/of plantensoorten is bepaald aan de hand van literatuuronderzoek, algemene kennis over het voorkomen van flora en fauna, aangevuld met enkele verkennende veldbezoeken (geen vlakdekkende inventarisaties). De veldbezoeken zijn erop gericht om te controleren in hoeverre de soorten, waarvan op voorhand wordt aangenomen dat deze aanwezig zijn, daadwerkelijk in het plangebied voorkomen of in hoeverre het plangebied voldoet aan de eisen die deze soorten aan hun leefomgeving stellen (met andere woorden: is het plangebied geschikt als leefgebied voor deze soorten). Daarnaast is op basis van literatuurstudie en kaartmateriaal de begrenzing van de verschillende gebieden met een beschermde status bepaald (rapport Tauw, “Gevolgen natuurbeschermingswetgeving Veenendaal-oost”, R003-4289572APB-mfv-VO2-NL, 20 december 2004). Enkele bijzondere en beschermde planten- en diersoorten kunnen op basis van literatuuronderzoek worden verwacht in het plangebied. Het betreft o.a.
Gewone dotterbloem, Kleine modderkruiper, Bittervoorn (strikt beschermd), enkele algemeen voorkomende vleermuissoorten (Laatvlieger, Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis: allen strikt beschermd), diverse algemene zoogdiersoorten (Vos, Hermelijn, Wezel, Bunzing, Aardmuis, Bosmuis, Veldmuis, Gewone bosspitsmuis, Tweekleurige bosspitsmuis, Dwergspitsmuis, Huisspitsmuis, Egel, Haas, Konijn en Mol) en diverse algemene amfibieënsoorten (Middelste groene kikker, Bruine kikker, Gewone pad, Kleine watersalamander). Gericht veldonderzoek (uitgevoerd door Ravon) naar het voorkomen van de strikt beschermde Poelkikker in geschikte habitats binnen het plangebied leverde geen waarnemingen van deze soort op. Het voorkomen van deze soort in het plangebied kan daarom worden uitgesloten. Wel werd tijdens dit veldonderzoek een Kroeskarper aangetroffen in een geϊsoleerd water. Deze soort wordt niet beschermd door de Flora- en faunawet maar staat wel op de Rode lijst. De Waterspitsmuis komt in de regio voor maar wordt op basis van beschikbare habitats niet verwacht in het plangebied.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
6
2.2.3. Verkeer en vervoer Ten noorden van Veenendaal ligt de A12 (weg met een stroomfunctie). Dwars door Veenendaal ligt de Rondweg-west (N233), welke een volledige aansluiting op de A12 heeft. De N233 verbindt Veenendaal aan de noordkant met Ede en aan de zuidkant leidt de weg naar Rhenen. Aan de noordkant van Veenendaal staat de N233 bovendien in verbinding met de N224 (richting Scherpenzeel) en de A30 (richting Barneveld). Aan de zuidkant van Veenendaal kan de N233 ook verlaten worden voor de N416, welke naar Elst leidt en daar overgaat in de N225 (richting Driebergen enerzijds en Wageningen anderzijds). De Rondweg-west is de primaire as door Veenendaal. Op de Rondweg-west monden diverse hoofdontsluitingsroutes uit. Voor de ontsluiting van de oostkant zijn met name de Grote Beer en de route ’t Goeie Spoor/Industrielaan/Wageningselaan van belang. Aan de oostkant is ook de Buurtlaan oost (gebiedsontsluitingsweg) gelegen, die Veenendaal verbindt met het bedrijventerrein Heestereng in het zuiden van Ede. Inmiddels is ook het eerste gedeelte van de Rondweg-oost gereed. Ten zuidoosten van de bebouwing sluit deze recentelijk geopende weg aan op de Cuneraweg. Aan de noordkant takt de Rondweg-oost aan op de Wageningselaan. In en rondom het plangebied liggen voorts nog de Dragonderweg, de Spitsbergenweg en het Gelders Benedeneind.
De twee laatstgenoemde wegen zijn erftoegangswegen buiten de bebouwde kom met een lage verkeersfunctie. De Dragonderweg daarentegen heeft wel een belangrijke verkeersfunctie. In onderstaande tabel is voor een aantal wegen de (vracht)verkeersintensiteiten voor de huidige situatie gegeven1. Tevens is in de tabel de verhouding tussen de verkeersintensiteit (I) en de wegcapaciteit (C) gegeven, de zogenaamde I/C-verhouding.
Wegvak
Autoverkeer mvt/etm)
Vrachtverkeer (mvt/etm)
I/C-verhouding Avondspits
A12, ten oosten van Rondweg-west
75.500
8.700
60-80%
Rondweg-west tussen A12 en Grote Beer
30.200
1.200
<60%
Grote Beer ten zuiden van Buurtlaan oost
10.400
400
60-80%
Buurtlaan oost ten westen van Dragonderweg
11.100
600
<60%
Dragonderweg
5.700
400
<60%
Uit de tabel blijkt dat het percentage vrachtverkeer op de A12 ruim 11% is, terwijl op het onderliggend wegennet het percentage ongeveer 5% is. Het relatief hoge aandeel vrachtverkeer op de A12 is gezien de functie van de weg logisch. Het aandeel vrachtverkeer op het onderliggend wegennet is niet hoog; het is conform vergelijkbare andere wegen in het land. 1
De huidige situatie is beschreven met behulp van het verkeersmodel Veenendaal, versie december 2003 en gebaseerd op gegevens uit 2001.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
7
Door Veenendaal ligt de spoorlijn tussen Utrecht en Rhenen. Over dit traject rijden momenteel op werkdagen stoptreinen met een frequentie van twee keer per uur in iedere richting. Vanuit Veenendaal is men in een half uur in Utrecht. Aan dit traject liggen de NS stations Veenendaal centrum en Veenendaal west gelegen. Ten noorden van Veenendaal ligt het traject Utrecht-Arnhem. Op dit traject is NS station Veenendaal De Klomp gelegen. Alhier rijdt overdag eenmaal per uur in elke richting een sneltrein en in de spits is de frequentie hoger. De hemelsbrede afstand tussen de rand van het plangebied en het dichtstbijzijnde station bedraagt meer dan een kilometer. In de huidige situatie rijdt in de omgeving van het plangebied een streekbus (lijn 85) en een stadsbus (lijn 3). Lijn 85 maakt onderdeel uit van het Gelderse snelnet. Zolang de Rondweg-oost niet is aangesloten op de A12, rijdt deze bus via de Grote Beer en Buurtlaan-oost naar Ede. Als de Rondweg-oost is aangesloten op de A12 gaat lijn 85 over de Rondweg-oost en de A12 naar Ede. In de andere richting is NS-station Veenendaal-Centrum het eindpunt. Deze snelbus scheert langs het centrum van Veenendaal (halteert op de Raadhuisstraat ter hoogte van de Tuinstraat) en niet op het busstation midden in het centrum. Lijn 85 kent in de spitsperioden een frequentie van twee keer per uur en daarbuiten van een keer per uur.
Lijn 3 rijdt door de wijk Dragonder noord en doet dit alleen in de spitsperioden met een frequentie van twee keer per uur. 2.2.4. Waterhuishouding Het plangebied Veenendaal-oost ligt in het laagste deel van het Binnenveld. De stroming van het grondwater wordt sterk bepaald door de geohydrologische opbouw. Het kwelwater dat in Veenendaal-oost aan de oppervlakte komt is afkomstig van de Veluwe. Kwelwater in de aan de andere zijde van het Valleikanaal gelegen Hel en Blauwe Hel is afkomstig van de Utrechtse Heuvelrug. De kweldruk in Veenendaal-oost is gemiddeld 1,49 mm/dag. Het grondwater in het plangebied stroomt hoofdzakelijk in zuidelijke richting, naar het Valleikanaal. Het grondwaterpeil wordt sterk beïnvloed door de seizoenen en de weersomstandigheden. Na langdurige regenval stijgt het grondwaterpeil plaatselijk tot boven maaiveld. Het watersysteem in het plangebied bestaat vooral uit sloten. Belangrijk voor de waterhuishouding in het plangebied is de ten zuiden van het plangebied gesitueerde Grift (of het Valleikanaal). Het plangebied heeft een doorvoerfunctie voor water uit achterliggende agrarische gebieden naar het Valleikanaal. In het gebied bevinden zich veel slootjes met een onderlinge afstand van 50 tot 100 meter. Vanuit dit watersysteem wordt onder vrij verval geloosd op het Valleikanaal.
Het streefpeil op het Valleikanaal bedraagt NAP +4,40 meter (winterpeil) tot NAP +4,60 meter (zomerpeil), maar het werkelijke waterpeil kan in natte perioden oplopen tot NAP +5,20 à 5,30 meter. 2.2.5. Stankcirkels agrarische bedrijven Over het plangebied ligt een aantal stankcirkels van agrarische bedrijven die in Veenendaal-oost en de directe omgeving zijn gevestigd. Deze stankcirkels kunnen tot geurhinder leiden en kunnen
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
8
daarnaast in planologisch-juridisch opzicht een belemmering zijn voor de ontwikkeling van Veenendaal-oost. De zogenaamde vergunde situatie is hieronder weergegeven, ongeacht of een bedrijf wel of geen (volledig) gebruik maakt van de vergunning. Voor de huidige situatie is bovendien uitgegaan van een categorie II omgeving2 als bedoeld in de Richtlijn Veehouderij en Stankcirkels 1996. De situatie in 2015 zal niet afwijken van de situatie in 2004, tenzij er veranderingen optreden in de vergunningsituatie. Zoals uit onderstaande afbeelding blijkt overlappen de meeste cirkels een deel van het plangebied. Doordat Veenendaal-oost tot de bebouwde kom van Veenendaal gaat behoren, zal ook de omgevingscategorie waarin de bedrijven zijn gesitueerd veranderen (wordt omgevingscategorie I). Hierdoor zal ook de stankcirkel voor een aantal bedrijven toenemen. Binnen deze cirkels kan niet worden gebouwd zolang de milieuvergunning nog van kracht is. Deze cirkels vormen immers een beschermingszone voor enerzijds bestaande agrarische bedrijven bij nieuwbouw van stankgevoelige objecten in de omgeving en anderzijds voor bestaande bebouwing bij vestiging of uitbreiding van agrarische bedrijven. Uit de afbeelding blijkt dat een groot aantal bedrijven reeds is aangekocht. Dat betekent dat deze stankcirkels geen invloed meer hebben op de nieuw te bouwen woonwijk.
Het beleid zal er op gericht zijn ook de overige bedrijven te verwerven.
2
In de directe omgeving van het bedrijf ligt/liggen: niet-agrarische bebouwing, geconcentreerd in lintbebouwing buiten de bebouwde kom, langs wegen, vaarten, dijken e.d., meerdere verspreid liggende niet-agrarische bebouwingen die aan het desbetreffende buitengebied een bepaalde woonfunctie verlenen objecten voor dagrecreatie (zwembaden, speeltuinen, etc.)
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
9
Afbeelding 2: Stankcirkels agrarische bedrijven.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
10
2.3. Vigerende planologische regelingen Binnen het plangebied Veenendaal-oost zijn 3 bestemmingsplannen van kracht. In het westelijk deel van het plangebied vigeert ten eerste de Herziening bestemmingsplan "Landelijk gebied"; vastgesteld op 19 november 1987, goedgekeurd 28 juni 1988, deels goedkeuring onthouden bij Koninklijk Besluit van 27 juni 1990. Bovendien vigeert de Correctieve herziening bestemmingsplan "Landelijk gebied". Binnen deze plannen hebben de gronden de bestemming agrarische bedrijven en woningen. Voor het voorheen tot de gemeente Ede behorende gebied vigeert het Bestemmingsplan Agrarisch Buitengebied. Vastgesteld op 4 juli 1994 en goedgekeurd op 8 februari 1995. De bestemming van de gronden is Agrarisch ontginningslandschap Binnenveld en Agrarisch gebied.
2.4. Eigendomssituatie In het gedeelte van het plangebied dat ten zuiden van de Spitsbergenweg is gesitueerd heeft de gemeente Veenendaal een groot deel van de gronden in eigendom. Ook een deel van de gronden die ten noorden van de Spitsbergenweg zijn gesitueerd zijn eigendom van de gemeente Veenendaal.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
11
Afbeelding 3: Vigerende bestemmingsplannen.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
12
3.
Bestuurlijke en juridische kaders
3.1. Algemeen Voor het gebied geldt een groot aantal juridische- en beleidskaders. Hieronder worden de belangrijkste samengevat. Op internationaal niveau zijn diverse regelingen van kracht die de duurzame instandhouding van habitats en soorten tot doel hebben. De meest verplichtende regelingen van de Europese unie zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Op nationaal niveau zijn eveneens een groot aantal juridische- en beleidskaders van toepassing op het plangebied Veenendaal-Oost. Een deel daarvan, denk bijvoorbeeld aan de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening en met name de bestuurlijke doorwerking daarvan, is nog in ontwikkeling. Het streekplan Utrecht verwoordt het ruimtelijk-, water- en milieubeleid van de provincie. Momenteel werkt de provincie aan een nieuw streekplan. Tot slot zijn er op verschillende schaalniveau's uitspraken gedaan over de toekomst van het plangebied Veenendaal-Oost.
3.2. Internationaal niveau Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura 2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten. De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.
Het plangebied Veenendaal-Oost is niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn. Habitatrichtlijn De in 1992 vastgestelde Habitatrichtlijn is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones. Het plangebied Veenendaal-Oost is niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
13
Afbeelding 4: Speciale beschermingszones in Nederland.
Het verdrag van Valetta (Malta) Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Invoering van het verdrag heeft gevolgen voor het huidige archeologisch bestel. Het moet nog (beter) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd worden. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. Veel provincies, waaronder de provincie Utrecht, hebben hun beleid en regelgeving inmiddels aangepast.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
14
In de ruimtelijke ordening wordt aan veel aspecten aandacht geschonken en worden tal van belangen tegen elkaar afgewogen. Voor veel zaken wordt de afweging gestuurd door wet- en regelgeving. Het verdrag van Malta heeft tot gevolg dat dit ook voor de archeologie het geval is. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen. De waarden kunnen niet geheel naar eigen inzicht tegen andere aspecten worden afgewogen.
3.3. Nationaal niveau 3.3.1. Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening (Nota Ruimte) Op 15 december 2000 heeft het Kabinet de nota "Ruimte maken, Ruimte delen" als voornemen uitgebracht; de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening. Dit is deel 1 van de zogenaamde "Planologische Kernbeslissing" (PKB) Nationaal Ruimtelijk Beleid. Na inspraak en bestuurlijk overleg (deel 2) heeft de ministerraad een standpunt ingenomen (deel 3). Op 28 november 2001 is dit deel 3 aan de Tweede Kamer verzonden. Daarna zou parlementaire behandeling en vaststelling van deel 4 (de definitieve pkb) hebben moeten volgen. Als gevolg van de val van twee achtereenvolgende kabinetten (kabinet Kok II en kabinet Balkenende I) is deze parlementaire behandeling echter achterwege gebleven. Wel heeft het demissionaire kabinet Balkenende I op 1 november 2002 nog de zogenaamde Stellingnamebrief Nationaal Ruimtelijk Beleid vastgesteld. De minister VROM heeft deze brief op 6 november 2002 aan de Tweede Kamer gestuurd. De brief gaat in op wijzigingen in het nationaal ruimtelijk beleid naar aanleiding van het Strategisch Akkoord van het kabinet Balkenende I. Op basis van de voorstellen uit deze brief wilde het kabinet de Vijfde Nota en het Tweede Structuurschema Groene Ruimte integreren in de Nota Ruimte. De Stellingnamebrief ging ook in op aanpassingen in het nationale verkeers- en vervoersbeleid.
Inmiddels is het kabinet Balkenende-II van start gegaan. De opdracht uit het Hoofdlijnenakkoord (regeerakkoord) is om de afzonderlijke nota's op de desbetreffende onderdelen van ruimtelijk beleid samen te voegen tot één Nota Ruimte. De nota bevat daarmee niet alleen de ruimtelijke uitspraken zoals die eerder in de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening waren opgenomen, maar ook die uit het Tweede Structuurschema Groene Ruimte (SGR2) en uit het Nationaal Verkeers- en Vervoersplan (NVVP), voor zover het kabinet daaraan vasthoudt. Daarnaast worden in de Nota Ruimte ook de Gebiedsgerichte Economische Perspectieven (GEP) opgenomen. De in april 2004 verschenen Nota Ruimte geeft de hoofdlijnen aan van het nationaal ruimtelijke beleid voor de komende decennia. Op 27 april 2004 heeft de ministerraad zijn kabinetsstandpunt ten aanzien van het ruimtelijk beleid tot 2020, met doorkijk naar 2030 kenbaar gemaakt. Het kabinet brengt de Nota Ruimte uit als kabinetsstandpunt (deel 3) van de planologische kernbeslissing Nationaal Ruimtelijk Beleid. Uitgegaan wordt van een dynamisch, op ontwikkeling gericht ruimtelijk beleid en een heldere verdeling van verantwoordelijkheden tussen het rijk en de decentrale overheden. Hiermee keert het beleid terug naar de eigenlijke uitgangspunten van het ruimtelijk rijksbeleid en verschuift het accent van ‘ordening’ naar ‘ontwikkeling’.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
15
De Nota Ruimte is een integrale nota en brengt zo veel mogelijk rijksbeleid voor ruimtelijke onderwerpen in één nota en vervangt hiermee diverse Planologische Kernbeslissingen en ruimtelijk relevante rijksnota’s. De hierin vervatte ruimtelijke strategie wordt wat betreft verkeer en vervoer uitgewerkt in de separate PKB Nota Mobiliteit. De economische, ecologische en sociaalculturele aspecten worden nader uitgewerkt in respectievelijk de Gebiedsgerichte Economische Perspectieven en het Actieplan Bedrijventerreinen, de Agenda Vitaal Platteland en het daarbij behorende Meerjarenprogramma Groene Ruimte en het actieprogramma voor ruimte en cultuur. In het nationaal ruimtelijk beleid richt het kabinet zich op: Versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland; Bevordering van krachtige steden en een vitaal platteland; Borging en ontwikkeling van belangrijke (intern)nationale ruimtelijke waarden; Borging van de veiligheid. In de Nota Ruimte wordt meer verantwoordelijkheid gegeven aan de decentrale overheden. Voor geheel Nederland is een basiskwaliteit geformuleerd waaraan voldaan moet worden. Een verdere verfijning wordt overgelaten aan de decentrale bestuurslagen. De gebieden en netwerken die het kabinet van nationaal belang acht zijn bestemd als Ruimtelijke Hoofdstructuur. In deze gebieden wil het Rijk een nadrukkelijke rol vervullen. E.e.a.
betekent dat de provincies en gemeenten in onderling overleg kunnen bepalen waar ontwikkelingen plaats kunnen vinden. Het feit dat het WERV-gebied (Wageningen-Ede-Rhenen-Veenendaal) door het rijk wordt aangewezen als economisch kerngebied is voor het onderhavige bestemmingsplan echter niet relevant. 3.3.2. Nota mensen, wensen, wonen De Nota 'Mensen, Wensen, Wonen' is de visie van het kabinet op het wonen in de 21e eeuw en is in november 2000 aangeboden aan de Tweede Kamer. Onder het motto 'Mensen, Wensen, Wonen' stelt de nota de burger centraal in het woonbeleid. Dat is nodig, want uit onderzoek is gebleken dat de woonwensen van de burger nog onvoldoende worden bediend. De kernthema's van de Nota zijn: meer zeggenschap voor burgers over woning en woonomgeving; kansen scheppen voor mensen in kwetsbare posities; maatwerk in wonen voor mensen die zorg nodig hebben; kwaliteit van wonen in steden vergroten; meer ruimte voor 'groene' woonwensen. Om meer aan de grote vraag naar landelijk wonen te kunnen voldoen, wordt voor de jaren tot 2010 extra ruimte bepleit voor 10.000 woningen in het landelijk gebied. De vraag naar kwaliteit wil deze nota onder andere bevorderen met de realisatie van het doel dat 30 % van de nieuwbouw in 2005-2010 met particulier opdrachtgeverschap van woonconsumenten tot stand komt.
De woonvoorkeur bij deze doelgroep bestaat met name uit vrijstaande woningen in lage dichtheden in een kleinschalige suburbane setting.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
16
3.3.3. Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4) In 2001 verscheen de kabinetsnota 'Een wereld en een wil: werken aan duurzaamheid', beter bekend als het vierde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4). In dit beleidsplan licht het kabinet het te voeren milieubeleid toe. Het NMP4 wil een eind maken aan het afwentelen van milieulasten op de generaties na ons en op mensen in arme landen. Want met de huidige manier van produceren en consumeren schuiven we nog steeds onze milieulasten door naar anderen. Deze nota gaat uit van doelstellingen voor 2030 - 'gezond en veilig leven in een aantrekkelijke omgeving temidden van vitale natuur, zonder biodiversiteit aan te tasten of natuurlijke hulpbronnen uit te putten' - en beschrijft welke maatregelen nodig zijn om deze te bereiken. Het oplossen van zeven hardnekkige milieuproblemen (verlies biodiversiteit, klimaatverandering, overexploitatie natuurlijke hulpbronnen, bedreigingen voor gezondheid, externe veiligheid, aantasting leefomgeving en mogelijk onbeheersbare risico’s) staat centraal: De oplossingen om de genoemde milieuproblemen aan te pakken en de genoemden ambities te bereiken zijn: Systeeminnovatie naar duurzaamheid Transitie naar een duurzame energiehuishouding; Transitie naar een duurzaam gebruik van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen; Transitie naar een duurzame landbouw.
Beleidsvernieuwing stoffen Beleidsvernieuwing externe veiligheid; Beleidsvernieuwing milieu en gezondheid; Vernieuwing van het milieubeleid voor de leefomgeving. 3.3.4. Nota mobiliteit Vrijdag 24 september 2004 heeft de ministerraad de Nota Mobiliteit vastgesteld. De nota zal de PKB-procedure volgen. Naast de Nota Mobiliteit is ook het verlengde Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport (MIT) 2011-2014 vastgesteld. De Nota Mobiliteit geeft de hoofdlijnen van het nationale verkeers- en vervoersbeleid voor de komende decennia. De Nota Mobiliteit is een uitwerking van de Nota Ruimte en bij de totstandkoming van dit beleidsvoornemen hebben provincies, WGR-plusregio's, gemeenten en waterschappen conform de Planwet Verkeer en Vervoer hun bijdragen geleverd. De knelpunten op de hoofdverbindingsassen weg, water en spoor, en daarbinnen met name de triple A-verbindingen (A2, A4 en A12), worden in samenhang bezien en kunnen prioriteit krijgen. De Nota Mobiliteit werkt deze samenhang nader uit. Kernpunt van de Nota is dat de economische structuur moet worden versterkt. Het Rijk is daarbij verantwoordelijk voor de hoofdinfrastructuur. 3.3.5. Luchtkwaliteit Ruimtelijke ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de luchtkwaliteitsnormen als opgenomen in het Besluit Luchtkwaliteit (BLK2005).
Dit besluit bevat de wettelijke grens- en richtwaarden voor de luchtkwaliteit in Nederland, alsmede de wijze waarop deze luchtkwaliteit gerapporteerd dient te worden. Het is een uitwerking van de Europese richtlijnen op grond waarvan de lidstaten in 2010 moeten voldoen aan de grenswaarden voor zwaveldioxide, lood, stikstofdioxide
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
17
en zwevende deeltjes. Het BLK2005 is op 5 augustus 2005 in werking getreden. Ten opzichte van het oude BLK uit 2001 zijn er in BLK2005 een aantal wijzigingen doorgevoerd die een versoepeling van het beleid inhouden. Dat geldt niet voor de grenswaarden, die blijven ongewijzigd. De drie versoepelingen in het BLK2005 zijn: Concentraties die zich van nature of vanwege natuurverschijnselen in de lucht bevinden en niet schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens, worden bij het beoordelen van de luchtkwaliteit voor zwevende deeltjes (PM10) buiten beschouwing gelaten (Artikel 5 lid 1). Dit is de zogenaamde “zeezout-correctie”. Het standstill-beginsel van artikel 5.2. lid 3 Wm is buiten toepassing verklaard, zodat kleine verslechteringen van de luchtkwaliteit kunnen worden geaccepteerd, zolang de grenswaarden maar niet worden overschreden (Artikel 2 lid 2). Een afwijkingsregeling van de grenswaarden in artikel 7 lid 3. Bestuursorganen hoeven hun besluiten niet te toetsen aan de grenswaarden, indien: De concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof vanwege een besluit per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft. Een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, gecompenseerd kan worden door een met het project samenhangende maatregel of effect, waardoor de luchtkwaliteit per saldo verbetert.
Voor het onderhavige bestemmingsplan is de toekomstige luchtkwaliteit bepaald en getoetst aan dit Besluit. 3.3.6. Natuurbeleid In het Natuurbeleidsplan (1990) wordt gestreefd naar een samenhangend netwerk van natuurgebieden, ofwel de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). In het Structuurschema Groene Ruime is deze EHS, bestaande uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, ruimtelijke vastgelegd. In deze gebieden mogen in principe geen ruimtelijke ingrepen plaatsvinden. De geplande woningbouwlocatie Veenendaal-Oost ligt niet binnen deze EHS. In de Nota Natuur voor mensen, mensen voor natuur (Nota natuur, bos en landschap in de 21e eeuw, NBL-21) wordt het beleid voor de komende tien jaar geschetst. Deze nota draagt bij aan een meer samenhangend natuurbeleid en vervangt vier groene nota's (Natuurbeleidsplan, Nota Landschap, Bosbeleidsplan en Strategisch plan van aanpak biodiversiteit). Verder biedt de nota het kader voor behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit in onder meer landbouw, visserij, toerisme en water. 3.3.7. Vierde Nota Waterhuishouding De Vierde Nota Waterhuishouding zet de strategie door van integraal waterbeheer die is ingezet in de Derde Nota Waterhuishouding. De wateroverlast die in de negentiger jaren is ontstaan heeft echter tot het inzicht geleid dat maatregelen, die herhaling moeten voorkomen, meer inhouden dan het verhogen van dijken.
De Vierde Nota Waterhuishouding pleit daarom voor meer samenhang tussen het beleid voor water, ruimtelijke ordening en milieu, gericht op de verschillende belangen zoals veiligheid, landbouw, natuur, drinkwatervoorziening, transport, recreatie en visserij, daarbij ruimte scheppend voor gebiedsgericht maatwerk.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
18
3.3.8. Flora- en Faunawet Sinds 1 april 2002 is de Flora- en Faunawet in werking getreden. Deze wet biedt het juridisch kader voor de bescherming van dier- en plantensoorten in Nederland en bevat onder andere de implementatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde plant- en diersoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LNV (artikel 75, lid 3). Inmiddels is het Besluit houdende wijzigingen van een aantal maatregelen van bestuur in verband met wijziging van artikel 75 van de Flora- en faunawet en enkele andere wijzigingen (AMvB artikel 75) van kracht. Dat betekent dat niet meer in álle gevallen een ontheffing nodig is. De gemeente heeft een inventarisatie laten verrichten teneinde duidelijk te krijgen welke ecologische waarde het plangebied vertegenwoordigt. De resultaten zijn weergegeven in paragraaf 4.2.2. van deze toelichting. 3.3.9. Nota Belvedère In 1999 is de Nota Belvedère verschenen. Doel van de nota is de cultuurhistorische identiteit meer richtinggevend te laten zijn voor de inrichting van de ruimte.
Deze doelstelling wordt in de nota geconcretiseerd in een breed scala van te ondernemen acties op rijks-, regionaal- en lokaal niveau. In het kader van de nota is een landsdekkend overzicht gemaakt van de cultuurhistorisch meest waardevol geachte steden en gebieden: de Cultuurhistorische Waardenkaart van Nederland (ook wel Belvedèrekaart genoemd). Het plangebied behoort niet tot de in de nota aangewezen Belvedèregebieden (waaruit overigens niet geconcludeerd mag worden dat er in het gebied geen cultuurhistorische waarden zijn).
3.4. (Inter)provinciaal niveau 3.4.1. Interprovinciale Structuurvisie Ede-Veenendaal (ISEV) In 1990 hebben de colleges van gedeputeerde staten van Gelderland en Utrecht besloten om een Interprovinciale Structuurvisie Ede-Veenendaal (ISEV) op te stellen. Zij hebben dit in samenwerking met de gemeenten Veenendaal en Ede gedaan. In maart 1992 heeft de stuurgroep ISEV de interprovinciale structuurvisie vastgesteld. De visie zet de lijnen uit voor een toekomstige stedelijke ontwikkeling van de grensregio Ede-Veenendaal voor circa 300 hectare woongebied (circa 8500 woningen) en circa 200 hectare kantoor- en bedrijventerrein. 3.4.2. MER-ISEV Voor zowel het woongebied als voor het kantoor- en bedrijventerrein uit het ISEV geldt dat de vaststelling van het eerste ruimtelijke plan dat in de mogelijke bouw voorziet een m.e.r.-plichtig besluit is. In het kader van de ISEV-plannen waren dat de herziening van het Gelderse streekplan Veluwe en de (partiële) herziening van het streekplan Utrecht. In augustus 1994 is daarom een Milieueffectrapport opgesteld. Hierin zijn voor 4 verschillende (locatie)alternatieven de milieueffecten in kaart gebracht: Nulalternatief; Alternatief 2 (deelwoonlocatie Ede-Noord en De Klomp-Ederveen en deelwerklocaties Ede-West en Veenendaal-Noord);
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
19
Alternatief 3a (deelwoonlocatie Ede-Noord en Veenendaal-oost en deelwerklocaties Ede-West en Veenendaal-Noord); Meest milieuvriendelijk alternatief (natuurgericht en mobiliteitsbeperkend). Model 3a is door de betrokken provincie- en gemeentebesturen als ruimtelijk model aanvaard en heeft een vertaling gekregen in onder andere de partiële herziening van het streekplan Gelderland d.d. februari 1998 en de Interprovinciale Structuurschets Ede-Veenendaal (1999). Dit besluit is ook de basis geweest voor de grenscorrectie in 1998, waarbij het grondgebied voor woningbouwlocatie Veenendaal-oost van de gemeente Ede aan de gemeente Veenendaal is overgedragen. Hierdoor is het grondgebied van de gemeente Veenendaal met circa 180 hectare uitgebreid. 3.4.3. Streekplan provincie Utrecht 2005-2015 Het streekplan is op 13 december 2004 vastgesteld door provinciale staten van Utrecht. In het streekplan is aangegeven dat de komende jaren (2005-2015) grote behoefte is aan woningen en bedrijventerreinen in de provincie. De ruimte hiervoor zal zoveel mogelijk gezocht moeten worden binnen de huidige kernen (inbreiding). Rond steden en dorpen zijn bebouwingsgrenzen (rode contouren) gelegd. Binnen de rode contour zijn gemeenten vrij om te bepalen hoeveel woningbouw kan plaatsvinden. Uitbreidingslocaties zijn op de plankaart aangegeven. Voorts zijn in het plan aantallen genoemd.
Met betrekking tot Veenendaal is in het streekplan aangegeven dat aan de oostzijde van Veenendaal een uitbreidingslocatie gerealiseerd kan worden. Voor de uitvoering daarvan heeft in 1998 een grenscorrectie plaatsgevonden tussen de gemeenten Veenendaal en Ede, alsmede tussen de provincies Utrecht en Gelderland. De restcapaciteit voor Veenendaal bedraagt 3400 woningen.
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
20
Afbeelding 5: Bebouwingscontour streekplan Utrecht (december 2004).
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
21
3.4.4. Cultuurnota 1999-2002 Deel III van de Utrechtse Cultuurnota 1999-2002 (Provincie Utrecht, 1999) behandelt het cultureel erfgoed. Het accent ligt daarbij op de inbreng van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening als volwaardige, vanzelfsprekende en vroegtijdige wegingsfactor. Verder introduceert deze nota de cultuurhistorische hoofdstructuur, bestaande uit gebieden van bovenlokale betekenis, die wordt onderbouwd door verschillende informatiebronnen: een cultuurhistorische elementenkaart, cultuurhistorische waardenkaart en een gegevensbestand met betrekking tot archeologie, historische geografie en historische stedenbouw en architectuur. Bij deze laatste categorieën moet gedacht worden aan een Archeologische Monumentenkaart (AMK), Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW door ROB) en het Monumenten Inventarisatieproject (MIP). 3.4.5. Nota ‘Niet van Gisteren’ De nota ‘Niet van Gisteren’ van de provincie Utrecht (Provincie Utrecht, 2002) is richtinggevend voor het ruimtelijk cultuurhistorisch beleid van de provincie en werkt het idee van de cultuurhistorische hoofdstructuur ruimtelijk uit. De cultuurhistorische hoofdstructuur beschrijft vanuit de huidige situatie de samenhang van en tussen cultuurhistorische structuren. De nota levert daarmee ook een belangrijke bijdrage aan het streekplan.
De provincie Utrecht is een stap verder gegaan dan de inventarisering en waardering van cultuurhistorische waarden, aangezien in de nota ook wordt aangegeven wat de provincie ermee wil. Utrecht is de eerste provincie in Nederland die een beleidsmatige visie op het cultureel erfgoed heeft geformuleerd. Cultuurhistorie wordt hierin gehanteerd als een dynamisch begrip. Net als in het verleden, zal ook het hedendaags menselijk handelen leiden tot veranderingen in de ruimte. Met behulp van drie sturingsmechanismen (veiligstellen, eisen stellen en actief versterken) moeten deze ruimtelijke veranderingen worden begeleid. Voor de archeologische waarden zal de Provinciale Staten naar verwachting na 2003 archeologische attentiegebieden aanwijzen, in aanvulling op de nota. Tot die tijd biedt de nota, samen met de Archeologische monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) een handreiking voor het archeologiebeleid. Het plangebied Veenendaal-oost ligt in het deelgebied Gelderse Vallei en in het lijnvormige deelgebied Grebbelinie. De Grebbelinie behoort tot de hoofdstructuur en wordt beschouwd als een megastructuur. In het deelgebied Gelderse Vallei behoren de noord-zuid gerichte watergangenstructuur en de veenontginningen tot de cultuurhistorische hoofdstructuur.
Daarnaast is in het Cultuurprogramma 2005-2008 “Dat moet je breed zien” het provinciale programma voor de komende jaren vastgelegd. 3.4.6. Andere strategische plannen van de provincie Utrecht Gelijk met het opstellen van het Streekplan heeft de provincie nog drie strategische plannen opgesteld: het Strategisch Mobiliteitsplan Utrecht (SMPU), het Waterhuishoudingsplan 2004 – 2008 (WHP) en het Milieubeleidsplan 2004 – 2008 (PMP). In deze plannen is beleid ontwikkeld voor respectievelijk mobiliteit en infrastructuur, voor de inrichting en het beheer van de waterhuishouding en voor het beheer van de kwaliteit van de lucht, het grondwater en de vaste bodem. Voor deze vier strategische plannen heeft de Koepelnotitie Fysieke Leefomgeving (oktober 1998) het gezamenlijk uitgangpunt gevormd. Door de vier plannen gelijktijdig op te stellen heeft de provincie de
Gemeente Veenendaal – Bestemmingsplan Veenendaal-oost
22
mogelijkheid benut om vraagstukken en oplossingsrichtingen voor de fysieke leefomgeving op elkaar af te stemmen. Het streekplan vormt het ruimtelijk integratiekader voor de strategische plannen. In het SMPU geeft de provincie aan hoe inhoud wordt gegeven aan een doelmatig en veilig verkeers- en vervoerssysteem, dat iedereen in staat stelt activiteiten te ontplooien. Uitgangspunt hierbij is de kwaliteit en het gebruik van het verkeer- en vervoerssysteem in balans te laten zijn met de kwaliteit van de leefomgeving. In het SMPU staan drie hoofddoelen centraal: bereikbaarheid, veiligheid en kwaliteit van de leefomgeving. In het Waterhuishoudingsplan wordt aangegeven hoe de provincie wil bereiken dat de waterhuishouding wordt gekarakteriseerd door gezonde en veerkrachtige watersystemen die een beeldbepalende kwaliteit vormen in het Utrechtse landschap en waarbij duurzaam gebruik van water voor mens, dieren en planten is gegarandeerd. Het Waterhuishoudingsplan geeft inhoud aan Waterbeheer 21ste eeuw en aan de Europese Kaderrichtlijn Water. Leefbaarheid en duurzaamheid zijn de pijlers van het Milieubeleidsplan. Veiligheid, gezondheid, leefomgevingskwaliteit en biodiversiteit zijn voor het provinciaal bestuur de belangrijkste maatschappelijk relevante thema's voor ons milieubeleid gedurende de looptijd van het Milieubeleidsplan. 3.4.7.
Nieuw Wonen De provincie Utrecht wil de komende jaren duurzaam investeren in de Utrechtse samenleving. Dat doet ze in tien zorgvuldig geselecteerde projecten die in samenhang worden ontwikkeld: Agenda 2010. De projecten leveren allemaal een concrete bijdrage aan het wonen, werken en recreëren van de Utrechtse burgers in de periode tot 2010. Het project Nieuw Wonen uit Agenda 2010 is hier een voorbeeld van. Op initiatief van de provincie zijn twee levensloopbestendige woonwijken als voorbeeldprojecten geselecteerd. Veenendaal-oost is één van beide voorbeeldprojecten. Een levensloopbestendige woonwijk is een wijk die mensen in elke levensfase, ongeacht levensomstandigheden, huishoudensamenstelling en culturele achtergrond, optimale mogelijkheden beidt voor alle vormen van fysieke en geestelijke activiteit en zelfontplooiing en die een woningaanbod en voorzieningenniveau heeft dat daartoe is uitgerust. Het levensloopbestendige concept is neergelegd in het Ontwerp Nieuw Wonen, “Veenendaal-oost, de plek van je leven!” (september 2005). Dit ontwerp is door de gemeenteraad vastgesteld op 15 december 2005. De uitvoering van het ontwerp is vastgelegd in een overeenkomst tussen de provincie, de gemeente, Ontwikkelingsbedrijf Veenendaal-oost en Patrimonium Woonstichting ( 21 december 2005). De gemeente voert de regie over de uitvoering.
In het Uitvoeringsplan Nieuw Wonen van mei 2006 is aangegeven op welke wijze de gemeente het ontwerp uit gaat voeren en met welke partners. Op basis van dit uitvoeringsplan heeft de gemeente een toezegging van 3,5 miljoen euro van de provincie voor de extra investeringen die nodig zijn om van Veenendaal-oost een levensloopbestendige woonwijk te maken. In een prestatieovereenkomst tussen de provincie en de gemeente (oktober 2006) worden afspraken gemaakt over de verdeling van de middelen. In de loop van de jaren zal dit geld voor deze extra investeringen ingezet worden. Voor Veenendaal-oost betekent dit onder andere dat er flexibel en gedifferentieerd gebouwd dient te worden en dat het voorzieningenaanbod goed afgestemd moet worden op de vraag. Bij het vast-