CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Bijlage 2.1 TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 Motivering

Gemeenteraad 2 juli 2026, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Vaststellen TAM omgevingsplan Franse Gat deelgebied 329.336 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Tabel 5.5: Omgevingswaarden planlocatie (Bron: Sweco, 2025) 5.6.3 Conclusie Het project levert niet in betekenende mate een bijdrage aan de luchtkwaliteit zoals opgenomen in Artikel 5.54 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen ter plaatse ruimschoots onder de grenswaarden. Een aanvullende toetsing van de luchtkwaliteit is niet nodig. De beoogde ontwikkeling past voor het aspect luchtkwaliteit binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7

Geluid door activiteiten

5.7.1 Wettelijk kader Bij een nieuwe ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het geluid van activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Dat geldt voor het toestaan van activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen, maar ook andersom ook voor het mogelijk maken van geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Van belang is dat enerzijds de geluidbelasting ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is en blijft, anderzijds dat de gebruiksruimte van activiteiten in beginsel ongemoeid wordt gelaten. Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met

62/105

verschillende soorten geluidhinder, namelijk: Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder); Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie. In Artikel 5.65 Bkl zijn voor geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten zoals windturbines of militaire activiteiten, standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor het toelaatbare geluid op een geluidgevoelig gebouw en in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Deze waarden zijn van toepassing op nieuwe geluidbelastende activiteiten, maar omgekeerd ook op het toevoegen van nieuwe geluidgevoelige objecten nabij een geluidbelastende activiteit. Het geluid door een activiteit is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in onderstaande tabellen: Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw LAr,LT als gevolg van activiteiten LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen LAmax door andere piekgeluiden Tabel 5.6: Standaardwaarden gevoelig gebouw

07.00-19.00 uur

07.00-19.00 uur

50 dB(A) ---

45 dB(A) 65 dB(A) 65 dB(A)

Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten LAr,LT als gevolg van activiteiten LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen LAmax door andere piekgeluiden Tabel 5.7: Standaardwaarden gevoelige ruimten

07.00-19.00 uur

07.00-19.00 uur

35 dB(A) ---

30 dB(A) 55 dB(A) 45 dB(A)

07.00-19.00 uur 40 dB(A) 65 dB(A) 65 dB(A)

07.00-19.00 uur 25 dB(A) 55 dB(A) 45 dB(A)

Provinciale instructieregels Artikel 9.25 wijst de planlocatie aan als aandachtsgebied stiltegebied. Dit is een zone van 1500 meter rondom een stiltegebied. Artikel 9.29 stelt dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie binnen het aandachtsgebied regels bevat betreft de doelstellingen voor het geluidniveau uit artikel 9.26. Artikel 9.26 bevat een geluidsnorm die geldt binnen de bufferzone op korte afstand van het daadwerkelijke stiltegebied. Het aandachtsgebied waar de planlocatie zich in bevindt valt buiten die bufferzone. Artikel 9.26 bevat dus geen geluidsnorm voor de planlocatie. Warmtepompen Bij de technische eisen uit de bouwregelgeving (Bbl) staan eisen weergegeven aan warmtepompen en airco’s met buitenunits. Bij nieuwbouw en verbouw (aanpassing gebouw) zijn er eisen gesteld omtrent het geluidniveau veroorzaakt door buitenunits van warmtepompen en airconditioningunits. Deze eis is ingevoerd op 1 april 2021. De eisen over installatiegeluid zijn gesteld in paragraaf 4.3.2 van Bbl. Lid 2 van artikel 4.107 van Bbl stelt richting andere percelen: “Een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, veroorzaakt op de perceelgrens met een bouwwerkperceel voor een andere woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB, berekend

63/105

volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.” Lid 3 van artikel 4.108 stelt bij woonfuncties op hetzelfde perceel (woongebouw zoals appartementengebouwen): "Een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, veroorzaakt ter plaatse van een te openen raam of deur van een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een aangrenzende op hetzelfde bouwwerkperceel gelegen woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB, berekend volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels." Iedere woonfunctie met een eigen warmtepomp is volgens Bbl een afzonderlijke installatie. Dit betekent dat de toetsing aan het Bbl gedaan moet worden per afzonderlijke warmtepomp. Echter, in werkelijkheid zal er cumulatie optreden door de aanwezigheid van meerdere warmtepompen, maar hiermee hoeft volgens Bbl geen rekening worden gehouden. Cumulatie is het optellen van het geproduceerde geluid van de afzonderlijke geluidbronnen. Hiermee wordt het geluid op een positie bepaald als er meerdere geluidbronnen aanwezig zijn. De eisen van Bbl is gebaseerd op het maximaal geluidvermogen van een warmtepomp en dus niet over het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau.

Akoestisch leefklimaat Bij grootschalige wijzigingen in een gebied moet er ook rekening gehouden worden met het realiseren van een redelijk akoestisch leefklimaat binnen de planlocatie. Dit betreft dan een toetsing bij het vaststellen van omgevingsplan of activiteiten afwijkend van het omgevingsplan. Er zijn een aantal rechterlijke uitspraken hierover gedaan in relatie tot warmtepompen. Vaak wordt bij besluiten verwezen naar de geluideisen van Bbl (of dezelfde eisen uit haar voorganger Bouwbesluit 2012) voor buitenunits. De Raad van State heeft bij de uitspraak van 24 maart 2021 met zaaknummer 202002867/1/R4 geoordeeld dat de gecumuleerde waarde van verschillende warmtepomp-buitenunits van meerdere woonfuncties inzichtelijk gemaakt moeten worden om te kunnen toetsen of er sprake is van een aanvaardbaar (akoestisch) woon- en leefklimaat. Bij de betreffende zaak had de bezwaarmaker kritiek op de eis van 35 dB(A) op perceelgrens gesteld door het college van Burgermeester en Wethouders van Amersfoort. De Raad van State had geen bezwaar over de waarde van 35 dB(A) gesteld door de Gemeente Amersfoort. Het college had deze eis deels gebaseerd op de eis uit Bouwbesluit. Het is niet specifiek door Raad van State verklaart dat er ook akkoord was gegaan met een hogere gecumuleerde waarde, terwijl dat wel geloofwaardig als de 40 dB(A) van Bbl als referentiekader wordt toegepast.

Gemeentelijk beleid De gemeente Veenendaal hanteerde onder de Wet geluidhinder een eigen beleid met betrekking tot het vaststellen van hogere waarden. Er is nog geen nieuw beleid onder de Omgevingswet. In de Geluidsnota Gemeente Veenendaal heeft de gemeente de beleidsregels voor hogere waarden opgesteld. Inhoudelijk komen daarbij de volgende punten aan de orde: Het huidige en toekomstige karakter van het gebied is leidend voor de mate waarin de aanwezigheid van geluid aanvaardbaar wordt geacht. Motiveringsplicht en onderzoeksplicht: wettelijke voorwaarden waaronder hogere waarden worden toegelaten. Geluidluwe gevel: principe dat op minimaal één gevel van de woning de voorkeurswaarde gehaald moet worden.

64/105

Indelingsvoorschrift: principe dat bij hogere geluidniveaus de indeling van de woning afhankelijk wordt gemaakt van het geluid, zoals het situeren van een badkamer aan de drukke straatkant of zoals een slaapkamer/balkon aan de achterzijde plaatsen. Maximale ontheffingswaarde voor weg- en railverkeerslawaai: de gemeente verleent bij uitzondering hogere waarden dan 58 dB voor wegverkeerslawaai (10 dB boven voorkeurswaarde Wgh) en 65 dB voor railverkeerslawaai (10 dB boven voorkeurswaarde Wgh). Dit is conform het gemeentelijke milieukwaliteitsplan de hoogste waarde voor de basisgeluidkwaliteit op woningen. Cumulatie: rekening houden met overige geluidbronnen zoals een andere weg of spoorweg. Toepassing dove gevel: randvoorwaarden voor het toepassen van dove gevels, dit zijn bijvoorbeeld gevels met niet te openen ramen of deuren. Het omgevingsplan geeft geen normering voor indirecte akoestische effecten. Hiervoor wordt de normering uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) gehanteerd. Bkl paragraaf 5.1.4.2a.5, artikel 5.78af Artikel 22.63 lid 3 van Omgevingsplan van Veenendaal gaat over inpandige en aanpandige geluidgevoelige objecten. De warmtepomp met de hoogste bijdrage is namelijk bevestigd aan de woning. De betreffende eisen zijn gesteld aan het geluidniveau binnen de verblijfsruimten van de woningen.

Er wordt gesteld dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr;LT) niet meer mag zijn dan: 35 dB(A) in de periode tussen 07:00 en 19:00. 30 dB(A) in de periode tussen 19:00 en 23:00. 25 dB(A) in de periode tussen 23:00 en 07:00. Tevens mag in voornoemde ruimten het maximale geluidniveau niet hoger zijn dan: 55 dB(A) in de periode tussen 07:00 en 19:00. 50 dB(A) in de periode tussen 19:00 en 23:00. 45 dB(A) in de periode tussen 23:00 en 07:00.

5.7.2 Toetsing Bufferzone stiltegebied De instructieregels staan geen activiteiten toe die kunnen zorgen voor geluidhinder. Er worden in de planregels alleen woningen, dus geluidgevoelige gebouwen, mogelijk gemaakt waardoor er geen nadelige invloed kan zijn op de bufferzone stilstegebied en de geluidsnormen die daar als uitgangspunt gelden. Er wordt daarmee voldaan aan artikel 9.26 van de POV. Akoestisch onderzoek warmtepompen Bij de woningen worden warmtepompen gerealiseerd. Aan de warmtepompen kan potentieel geluidshinder worden ondervonden aan de beoogde danwel bestaande geluidsgevoelige gebouwen. Om deze reden is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd om na te gaan dat er kan worden voldaan aan de vigerende geluidsnormen zodoende te kunnen spreken van een goed woon- en leefklimaat. Dit aspect is onderzocht in het akoestisch rapport en is te vinden in Bijlage 1. Onderstaand is een samenvatting van de conclusie een aanbevelingen. De berekeningen tonen dat buitenunits van warmtepompen, zowel op maaiveld bij grondgebonden woningen

65/105

als op het dak van appartementengebouwen, voldoen aan de geluidseisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Bij plaatsing op maaiveld is het geluid op de perceelgrens maximaal 40 dB(A) en op de gevels van woningen circa 45 dB(A), wat met een gevelgeluidwering van 20 dB neerkomt op ongeveer 25 dB(A) binnenshuis. Voor dakopstellingen geldt een hoger bronvermogen, maar ook hier blijft de geluidbelasting bij omliggende gevels onder 45 dB(A). Dit betreft een maximaal niveau en niet een langtijdgemiddelde. De resultaten zijn bruikbaar voor plaatsing in voortuinen, omdat geen rekening is gehouden met schuttingen. Binnen het onderzoek wordt geconcludeerd dat een goed woon- en leefklimaat qua geluid kan worden gerealiseerd door minimaal één van de volgende maatregelen: geen installatie met buitenunit toepassen, buitenunits op maaiveld plaatsen lager dan 1,5 meter en conform Bbl-eisen, buitenunits op het platte dak van woongebouwen met minimaal één meter afstand tot de dakrand, of bij afwijkende posities systemen kiezen met een lager geluidvermogen en een berekening van de cumulatieve geluidbelasting aanleveren voor toetsing. Deze aandachtspunten dienen te worden meegenomen bij de verdere planontwikkeling. Voorgenomende toont aan dat de geluidbelasting van de units binnen de wettelijke normen blijft en het plan uitvoerbaar is.

De in het akoestisch rapport genoemde aandachtspunten met betrekking tot onder meer installatiegeluid van warmtepompen betreffen uitvoeringsaspecten. Deze worden niet planologisch geregeld, maar volgen rechtstreeks uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en zijn dwingend van toepassing bij de vergunningverlening voor het bouwwerk. 5.7.3 Conclusie De ontwikkeling heeft met de bouw van woningen geen nadelige gevolgen op de bufferzone stiltegebied. De berekeningen tonen aan dat de geluidbelasting van buitenunits van warmtepompen, zowel op maaiveld als op daken, binnen de wettelijke normen blijft. Daarmee is sprake van een goed woon- en leefklimaat en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er zijn geen aanvullende planregels nodig; aandachtspunten voor plaatsing van buitenunits kunnen in de verdere planuitwerking worden meegenomen.

5.8

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.8.1 Wettelijk kader Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2a instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Hierin wordt beschreven dat een omgevingsplan rekening moet houden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op nieuwe geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en erin voorziet dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens tabel 5.8. In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht: Geluidbronsoort Provinciale wegen Rijkswegen

66/105

Standaardwaarde Lden [dB] 50

Grenswaarde Lden[dB] 60

Gemeentewegen 53 70 Waterschapswegen Lokale spoorwegen 55 65 Hoofdspoorwegen Industrieterreinen 50 Lden/40 Lnight 55 Lden/45 Lnigh Tabel 5.8: Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht: bij vervangende nieuwbouw maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde en het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde mag niet wezenlijk toenemen; bij functiewijziging maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde (transformatie); bij zeehavengebonden activiteiten maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde; bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen; bij een niet-geluidgevoelige gevel. Een overschrijding van de grenswaarden is alleen mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarden te voldoen en de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel.

In het uiterste geval van het overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan. Provinciale instructieregels Artikel 9.25 wijst de planlocatie aan als aandachtsgebied stiltegebied. Dit is een zone van 1500 meter rondom een stiltegebied. Artikel 9.29 stelt dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie binnen het aandachtsgebied regels bevat betreft de doelstellingen voor het geluidniveau uit artikel 9.26. Door de ligging van het de planlocatie in een aandachtsgebied is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Gemeentelijk beleid De gemeente Veenendaal hanteerde onder de Wet geluidhinder een eigen beleid met betrekking tot het vaststellen van hogere waarden. Er is nog geen nieuw beleid onder de Omgevingswet. Daarom wordt het beleid zoals dat gold onder de Wet geluidhinder meegenomen. Uit het beleid komen de volgende Inhoudelijke punten naar voren: Het huidige en toekomstige karakter van het gebied is leidend voor de mate waarin de aanwezigheid van geluid aanvaardbaar wordt geacht; Motiveringsplicht en onderzoeksplicht: wettelijke voorwaarden waaronder hogere waarden worden toegelaten; Geluidluwe gevel: principe dat op minimaal één gevel van de woning de voorkeurswaarde gehaald moet worden;

67/105

Indelingsvoorschrift: principe dat bij hogere geluidniveaus de indeling van de woning afhankelijk wordt gemaakt van het geluid, zoals het situeren van een badkamer aan de drukke straatkant; Maximale ontheffingswaarde voor weg- en railverkeerslawaai: de gemeente verleent bij uitzondering hogere waarden dan 58 dB voor wegverkeerslawaai (10 dB boven voorkeurswaarde Wgh) en 65 dB voor railverkeerslawaai (10 dB boven voorkeurswaarde Wgh). Dit is conform het gemeentelijke milieukwaliteitsplan de hoogste waarde voor de basisgeluidkwaliteit op woningen; (Akoestische) compensatie: zoals een slaapkamer/balkon aan de achterzijde plaatsen; Cumulatie: rekening houden met overige geluidbronnen zoals een andere weg of spoorweg; Toepassing dove gevel: randvoorwaarden voor het toepassen van dove gevels, dit zijn bijvoorbeeld gevels met niet te openen ramen of deuren. Onder de Omgevingswet wordt geen hogere waarden besluit meer genomen, maar wordt het gezamenlijke geluid op de gevel vastgelegd in het omgevingsplan.

5.8.2

Toetsing

Geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied De planlocatie maakt zelf geen nieuwe weg, spoorweg of industrieterrein mogelijk. Het project maakt wel geluidgevoelige gebouwen mogelijk in een geluidaandachtsgebied van de geluidbronsoorten gemeentewege. De planlocatie ligt niet binnen het geluidaandachtsgebied van een spoorlijn, rijksweg of gezoneerd industrieterrein. Sweco heeft een akoestisch onderzoek (wegverkeerslawaai) uitgevoerd. Hierbij is getoetst of de grenswaarden niet worden overschreven. Het volledige onderzoek is te vinden in Bijlage 1 (Woningbouw Franse Gat akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, 28-11-2025, Sweco). Het plan zorgt voor een toename van verkeersbewegingen doordat bestaande woningen worden vervangen door (meer) nieuwe woningen. De ontwikkeling verandert de verkeersstructuur niet en de extra belasting is in verhouding tot de bestaande intensiteit beperkt. Op basis van deze omstandigheden is redelijkerwijs aan te nemen dat de geluidseffecten gering blijven en geen aanmerkelijke verslechtering van de leefomgeving veroorzaken. Een aanvullend akoestisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Het wegverkeerslawaai bedraagt maximaal 53 dB waarmee de wettelijke standaardwaarde van 53 dB niet overschreden wordt. Verder akoestisch onderzoek naar maatregelen is niet nodig.

Indirect akoestische effecten Het voorgenomen plan zorgt voor een toename van 557 motorvoertuigen per gemiddelde weekdag. Om deze wijk te verlaten kunnen de bewoners gebruik maken van drie ontsluitingsroutes: via de Docotor Slotemaker de Bruïnestraat, via de Patrimoniumlaan of via de Doctor de Visserstraat/Bilderdijkstraat. Dat betekent dat op deze routes het verkeer kan toenamen met ongeveer 200 motorvoertuigen per etmaal. De gehanteerde verkeersgegevens zoals opgenomen in tabel 2, vermeerderd met de hiervoor genoemde verkeersgeneratie, blijven nog ruim onder het drempelaantal (2.500 motorvoertuigen per etmaal) zoals gesteld voor indirecte akoestische effecten.

68/105

Tevens zullen de nieuwe woningen ongeveer dezelfde locatie en bouwhoogte hebben als de huidige woningen, hierdoor treden geen extra reflecties op. De bestaande afscherming blijft ongeveer hetzelfde, waardoor de invloed minimaal zal zijn. Ten gevolge van de ontwikkeling van dit plan is het niet te verwachten dat er indirecte akoestische effecten optreden.

Figuur 5.12: Wegverkeerslawaai op beoogde nieuwbouwgevels (Bron: Sweco 2025) 5.8.3 Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregel (artikel 5.78t Bkl) voor geluid door wegen omdat er wordt voldaan aan de standaardwaarde en daarmee het geluid als aanvaardbaar wordt beoordeeld. De ontwikkeling past voor het aspect geluid door wegen binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat het geluid als aanvaardbaar wordt beoordeeld. Er zijn geen voorschriften nodig voor het aspect geluid vanwege (spoor)wegen en industrieterreinen om te voldoen aan etfal en instructieregels.

69/105

5.9

Bodemkwaliteit

5.9.1 Wettelijk kader Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.

Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Provinciale instructieregels Klein open bodemenergiesysteem - Grondwatergebied Een deel van de planlocatie valt binnen het gebied 'klein open bodemenergiesysteem'dat in Artikel 3.4 wordt vrijgesteld van de vergunningsvereiste voor het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem, indien de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken niet meer bedraagt dan 10 m3/u. 5.9.2 Toetsing Bodemfunctieklasse 1. Het Bkl verplicht de gemeente om de landbodem in bodemfunctieklassen (Artikel 5.89p) in te delen 2.

De Nota Bodembeheer is gedeeltelijk opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan, inclusief de bodemfunctieklassenkaart (overgangsrecht) Voor het vaststellen van de gebiedseigen bodemkwaliteit is de bodemkwaliteitskaart van de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) (2024) geraadpleegd (https://www.odru.nl/geoloket/). De bodemfunctieklasse van de

70/105

onderzoekslocatie is Wonen. Volgens de ontgravingskaarten van de ODRU voldoet de gemiddelde kwaliteit van de bovengrond aan de ontgravingsklasse Wonen. De gemiddelde kwaliteit van de ondergrond voldoet aan de ontgravingsklasse Landbouw/Natuur. Voor de toepassingskaart geldt voor de bovengrond de toepassing Wonen en voor de ondergrond de toepassing Landbouw/Natuur. Door Sweco is binnen de planlocatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om de milieuhygienische bodemkwaliteit vast te stellen. Het gehele onderzoek is te vinden in Bijlage 2 (Verkennend bodemonderzoek Franse Gat Deelgebied 3, 06-11-2025, Sweco). Het onderzoek heeft plaatsgevonden in openbare gebieden en privetuinen in de planlocatie.

71/105

Figuur 5.13: Uitsnede boorpunten bodemonderzoek (bron: Sweco, 2025) Voor de locatie gold de hypothese ‘verdachte locatie’ conform NEN 5740. Strikt genomen is deze hypothese juist gebleken, omdat er licht verhoogde gehalte aan verschillende parameters zijn gemeten (allemaal kleiner dan de

72/105

interventiewaarden) bij boringen 33, 46, 47, 48 en 61. Hierbij zijn ook verhoogde waarden aan PFOS aangetroffen ter plaatse van boringen 33. De grond ter plaatse van de boringen is geclassificeerd als “Klasse Industrie”. De overige monsters zijn geclassificeerd als Landbouw/ Natuur. Het grondwater bevond zich tijdens de veldwerkzaamheden op een diepte van circa 1,00 tot 2,00 m-mv. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 42 is slechts een overschrijdingen gemeten van de signaleringsparameters (molybdeen) welke geen verdere belemmeringen vormen voor de beoogde werkzaamheden. De onderzoeksresultaten geven vanuit de Omgevingswet (Besluit activiteiten leefomgeving) aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek ter plaatse van de ondergrond op het openbaargebied in verband met het aantreffen van het asbestverdacht materiaal en de fundering onder de weg

5.9.3 Conclusie Het project maakt geen nieuwe functie of activiteiten mogelijk die schadelijk kunnen zijn voor de bodem- of grondwaterkwaliteit. De onderzoeksresultaten geven vanuit de Omgevingswet (Besluit activiteiten leefomgeving) aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek ter plaatse van de ondergrond op het openbaargebied (boring 25) in verband met het aantreffen van het asbestverdacht materiaal en de fundering onder de weg. Om de hergebruiksmogelijkheden te bepalen dienen samenstellings- en uitlooganalyses uitgevoerd te worden. Ter plaatse van de overige terreindelen is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Bij uitvoering van de werkzaamheden is geen veiligheidsklasse van toepassing op basis van de resultaten van dit onderzoek. De beoogde ontwikkeling past voor het aspect bodem binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.10 Cultureel erfgoed 5.10.1 Wettelijk kader Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Gemeente Veenendaal heeft in Parapluplan 2022 (Vastgesteld 20-04-2023) de planlocatie de waarde Archeologie

73/105

middelhoog toegekend. bij ontwikkelingen met een oppervlakte van meer dan 5.000 m² en waar dieper gegraven wordt dan 0,5 meter is daarom is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Zo kan de mogelijke archeologische waarde van de planlocatie vastgesteld of uitgesloten worden. 5.10.2 Toetsing Archeologie De planlocatie heeft volgens de archeologische beleidskaart een middelhoge verwachtingswaarde. Bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 5.000 m² en waarbij dieper dan 0,5 meter wordt gegraven en/of onderheid wordt is archeologisch onderzoek verplicht. In het kader van de beoogde ontwikkeling is archeologisch onderzoek uitgevoerd wat is opgenomen in Bijlage 3 (Archeologisch onderzoek Franse Gat deelgebied 3, gemeente Veenendaal, 04-11-2025, Sweco). Op de archeologische beleidskaart in figuur 5.14 is te zien dat de planlocatie de waarde middelhoog heeft.

Figuur 5.14: Archeologische beleidskaart Veenendaal (Keunen, 2018)

Het archeologisch bureauonderzoek heeft de onderstaande archologsiche kenmerken in het terrein uitgesloten: Het plangbied bevat geen geregistreerde AMK-terreinen In het plangebied zijn geen archeologische vondstmeldingen geregistreerd Binnen het plangebied zijn geen archeologische onderzoeksmeldingen geregistreerd In het plangebied bevinden zich geen gebouwde rijksmonumenten in het plangebied worden geen ondergrondse bouwhistorische waarden verwacht Verder heeft het onderzoek aangetoond dat de aanleg van gebouwen, kabels en leidingen mogelijk wel eventuele archeologische resten verstoord. De diepte en de mate van de verstoringen is niet bekend. Om de mate van verstoring of te achterhalen zal een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd moeten worden. Van de het Paleolithicum tot de Nieuwe Tijd zijn middelhoge archeologische verwachtingen. De verwachte diepte is vanaf direct onder het maaiveld. Hierdoor ligt de grootse verwachting in de onbebouwde gebieden

74/105

omdat daar geen verstoring is geweest door de aanleg van bebouwing. Vondsten uit de tweede wereldoorlog zullen beperkt blijven tot incidentele vondsten omdat de wapenopstellingen na de oorlog zijn verwijderd. Organische materialen worden niet verwacht door de ongunstige bodemsamenstelling. In dit tam-omgevingsplan is de archeologische verwachtingswaarde en bijbehorende beschermingsregime overgenomen. Archeologische belangen worden via het vergunningproces zorgvuldig geborgd en daarmee is de uitvoerbaarheid van het plan gewaarborgd. Monumenten Zoals in de onderstaande figuur is weergegeven zijn volgens de Archeologische Monumentenkaart (AMK) binnen het plangebied geen AMK-terreinen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan één gebouwd rijksmonument en één complex. Monumentnummer 511612: Het gebouw staat 350 m ten oosten van het huidige plangebied. Complexnummer 506995: De noordelijke grens van het complext ligt 520 m ten zuidwesten van het huidige plangebied.

Figuur 5.15: Rijksmonumenten, vondst- en onderzoeksmeldingen met ligging planlocatie (Sweco, 2025) Stedenbouwkundige ensembles Een groot deel van het Franse Gat is aangewezen als stedenbouwkundig ensemble. Dit is geregeld in het

75/105

Omgevingsplan gemeente Veenendaal. Stedenbouwkundige ensembles zijn karakteristieke gebieden, die representatief zijn voor belangrijke momenten in de stedenbouwkundige en ruimtelijke ontwikkeling van Veenendaal.

Figuur 5.16: Stedenbouwkundig ensemble Franse Gat (Gemeente Veenendaal, 2021) Bij de aanwijzing van de stedenbouwkundige ensembles zijn de volgende criteria gehanteerd: 1. Het gebied of ensemble is van belang als voorbeeld of onderdeel van de cultuurhistorische gebiedskarakteristiek en de ontwikkelingsgeschiedenis/ historische gelaagdheid; 2. Het gebied of ensemble is van belang vanwege de bijzondere betekenis voor het beeld van de omgeving, vanwege opmerkelijke ligging, zichtlijnen, aanwezigheid van landmarks, etc. 3. Er is sprake van een structurele gaafheid, herkenbaarheid en/of samenhang in het gebied of ensemble; 4. Er is sprake van een zekere zeldzaamheid van het gebied of ensemble, stedenbouwkundig/structuur), op gemeentelijk / regionaal niveau; 5. De dichtheid en kwaliteit van de aanwezige beschermde en/of karakteristieke bebouwing, waarbij gelet is op herkenbaarheid, gaafheid en (in mindere mate) zeldzaamheid. Binnen een stedenbouwkundig ensemble richt de bescherming zich op het behoud van de stedenbouwkundige karakteristiek. Bij sloop en nieuwbouw is de onderlinge eenheid van de nieuwbouw stedenbouwkundig meer van belang dan het terugbouwen van een kopie van het gebouw. Vernieuwing en nieuwe architectuur blijven

76/105

mogelijk, wanneer deze bijdragen aan het gewenste karakter, bijvoorbeeld variatie, versterken van een bijzondere plek, etc; Kenmerken van het Franse Gat Het Franse Gat staat in een aantal opzichten model voor een vroeg naoorlogse wijk, gerealiseerd tussen 1940 en 1960: de wederopbouw. De volgende kenmerken, die hierna uitgebreider worden beschreven, zijn van toepassing op het Franse Gat: Herhaling van eenheden, rationalisering van de bouw Stedenbouwkundig overgangsmodel van gesloten naar open bouwblok Afwisseling tussen hoog- en laagbouw Bescheiden omvang van de wijk Veel groen Sobere architectuur Samenhang tussen groen, stedenbouw en architectuur. De nieuwbouw aan de Klaaskaterstraat laat het Stedenbouwkundig patroon intact. Het beeld wat gegeven wordt van de architectuur is sober. De nieuwbouw samen met de herinrichting van de straat geeft een grotere samenhang en herkenbaarheid. Daarnaast wordt herkenbaarheid gegeven aan speciale plekken zoals het dr. S. de Bruïneplein door een hogere 4 laagse bebouwing. De nieuwbouw past binnen de kenmerken van het stedenbouwkundig ensemble Franse Gat.

5.10.3 Conclusie Er is in dit plan voldoende rekening gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In dit tam-omgevingsplan is de archeologische verwachtingswaarde en hun bijbehorende beschermingsregime overgenomen. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning wordt een aanvullend onderzoek uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling past binnen de kenmerken van het stedenbouwkundig ensemble Franse Gat. Gelet op bovenstaande zijn cultuurhistorie en archeologie adequaat geborgd, is het plan uitvoerbaar en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, conform artikel 5.130 Bkl en instructieregels 7.9 en 7.11 van de provincie.

5.11 Geur 5.11.1 Wettelijk kader Besluit kwaliteit leefomgeving De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Bkl. Dit is een invulling van een plicht die al geldt vanuit de Omgevingswet. In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan

77/105

locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en 2.4 Omgevingswet). Een geurgevoelig gebouw is in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Omgevingsverordening provincie Utrecht De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema geur. 5.11.2 Toetsing Met de ontwikkeling wordt wonen mogelijk gemaakt, waardoor geurgevoelige gebouwen binnen de planlocatie worden toegestaan. In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich geen veehouderijen of andere agrarische activiteiten die geurhinder kunnen veroorzaken. De enige relevante bron betreft een bakkerij aan de Nicolaas Beetsstraat 2, gelegen op circa 30 meter van de planlocatie. Deze bakker valt onder de regels voor niet-industriële voedselbereiding uit het tijdelijk omgevingsplan Veenendaal.

Deze regeling borgt dat geurhinder richting de omgeving wordt beperkt, waardoor ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor horecabedrijven geldt in het omgevingsplan Veenendaal (artikel 22.199) dat afgezogen dampen en gassen ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van bebouwing binnen 25 meter van de uitmonding moeten worden afgevoerd. Omdat de dichtstbijzijnde beoogde woningen op circa 30 meter afstand liggen, wordt deze bedrijfsvoering niet beperkt door het plan. Daarmee is geborgd dat de ontwikkeling voldoet aan de geldende geurregels en dat ter plaatse van de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 5.11.3 Conclusie Met de geurregels uit het tijdelijk deel van het Omgevingsplan wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl. Bij de realisatie van nieuwe (hogere) woningen wordt de bestaande bakker niet beperkt in haar bedrijfsruimte en kan voldoen aan de regels van het omgevingsplan. Tevens is er sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen.

5.12 Trillingen 5.12.1 Wettelijk Kader Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl zijn instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Deze instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. De gemeente kan in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van

78/105

functies aan locaties. Voor de beoordeling van trillingen kan de SBR-richtlijn en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt. Omgevingsverordening provincie Utrecht De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema trillingen. 5.12.2 Toetsing Het voornemen maakt trillinggevoelige gebouwen mogelijk. Het planvoornemen voorziet niet in activiteiten die trillingen veroorzaken. Vanuit het Bkl is er geen directe aanleiding om voor deze planlocatie nader in te gaan op trillingshinder. Ten (noord)oosten van de planlocatie is op meer dan 500 meter afstand het spoor gelegen. Gelet op deze afstand en het ontbreken van goederentransport op deze spoorlijn wordt er geen trillingshinder verwacht. De standaardwaarde voor trillingen is niet van toepassing op het doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Specifiek onderzoek is niet nodig. 5.12.3 Conclusie Er wordt geen trillinghinder verwacht ter plaatse van de beoogde herontwikkeling. Vanuit het Bkl is er geen directe aanleiding om voor deze planlocatie nader in te gaan op trillingshinder of regels op te nemen in het omgevingsplan.

5.13 Milieuzonering

5.13.1 Toetsingskader Bij het opstellen van een omgevingsplan moet worden beoordeeld of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL), zoals bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet. Dit houdt in dat nieuwe functies, zoals woningbouw, moeten passen binnen de bestaande omgeving en geen onaanvaardbare hinder veroorzaken of leiden tot beperkingen voor omliggende bedrijven. Milieuzonering is hierbij een belangrijk instrument om de afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies, zoals woningen, te beoordelen. De beoordeling richt zich op: Geluid en geur van nabijgelegen bedrijven en activiteiten; De vraag of toekomstige woningen een goed woon- en leefklimaat hebben; De vraag of bedrijven in hun bedrijfsvoering niet worden beperkt door de nieuwe ontwikkeling. 5.13.2 Toetsing Het planvoornemen voorziet in de vervanging van 95 grondgebonden woningen door maximaal 168 nieuwe woningen. Het plan staat geen bedrijfsactiviteiten toe, waardoor de ontwikkeling primair een woonfunctie behoudt. Uit de sectorale analyses voor de aspecten geluid en geur blijkt dat er geen belemmeringen ontstaan voor de inpasbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

79/105

Wel verdient het aandacht dat bij toepassing van warmtepompen, zoals beschreven in paragraaf 5.7, enkele maatregelen noodzakelijk zijn om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen. Deze maatregelen zijn redelijkerwijs goed uitvoerbaar en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Ten aanzien van het aspect geur kan worden geconcludeerd dat er geen bedrijven in hun bedrijfsvoering worden beperkt, zoals beschreven in paragraaf 5.11. 5.13.3 Conclusie Uit de sectorale analyse komen geen onoverkomelijke belemmeringen naar voren. Er worden geen bedrijven beperkt in hun bedrijfsruimte en ter plaatse van de beoogde woningen is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Bovengenoemde toont aan dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.14 Ladder voor Duurzame Verstedelijking 5.14.1 Wettelijk kader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. De geldende planologische mogelijkheden zijn vertrekpunt bij de beoordeling. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.

Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving. Als wordt voorzien in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling heeft betrekking op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft de beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

80/105

5.14.2 Toetsing Behoefte gebiedsontwikkeling Met de ondertekening van de woondeal Foodvalley heeft gemeente Veenendaal de taak op zich genomen om in de komende jaren veel nieuwe woningen te realiseren. Veenendaal heeft haar gemeentegrenzen bereikt en uitbreiding is nauwelijks mogelijk. De ruimtevraag naar woningen, werken, recreëren en mobiliteit neemt echter toe. De beschikbare ruimte binnen de gemeentegrenzen moet daarom zo efficiënt mogelijk worden benut. Woningbehoefte De woningbehoefte blijkt uit diverse bronnen die hierna worden behandeld. Actualisatie woondeal Foodvalley (juli 2025) In de jaren 2025 tot en met 2030 spant de regio Foodvalley zich in om 19.580 woningen te realiseren, waarvan minimaal 66% betaalbaar, inclusief minimaal 30% sociale huurwoningen. De gemeente Veenendaal zet zich in voor de realisatie van 4.390 woningen in deze periode.

Tabel 5.9: Woningbehoefte 2025 tm 2030 (bron: geactualiseerde woondeal) Van 2031 tot en met 2034 spant de regio zich in om circa 8.176 woningen te realiseren, waarvan tenminste tweederde betaalbaar, inclusief minimaal 30% sociale huurwoningen. Dit vanwege de woningbehoefte (Primos2023), het noodzakelijke inlopen van het woningtekort, vanwege netto-bruto/sloop (woningbehoefteonderzoek Stec Groep uit 2024). De gemeente Veenendaal zet zich in voor de realisatie van 1.350 woningen in deze periode.

81/105

Tabel 5.10: Woningbehoefte 2031 tm 2034 (bron: geactualiseerde woondeal) De totale behoefte voor Veenendaal in de periode 2025 tot en met 2034 is 9.526 woningen. Met dit project kan daar significant aan worden bijgedragen. Doelgroepen en type woningen Met het woonbehoefteonderzoek regio foodvalley is onderzocht hoe gaat met de verstedelijkingsstrategie van regio foodvalley ten opzichte van de woningbehoefte. De passende woningvoorraad heeft het grootste tekort bij de lage inkomens zonder passend toewijzen en de middeninkomens. Voor de hoge inkomens is een overschot in het aanbod te zien.

82/105

Tabel 5.11: Betaalbaarheidsgrenzen woningvoorraad (bron: woningbehoefteonderzoek Foodvalley) Het plan bestaat uit 59 sociale huurwoningen en 109 koopwoningen. Kijkend naar de huishoudontwikkeling voor Veenendaal is ook te zijn dat sociale huur het grootste aandeel heeft in de prognose. Voor koopwoningen is dat de betaalbare koop. Bij de type woningen is de behoefte het grootste bij gelijkvloerse woningen. Het woningbouwprogramma bestaat uit 82 gelijkvloerse appartementen, 25 beneden boven woningen en 61 grondgebonden eengezinswoningen. Hiermee sluit het programma goed aan op de vraag en verwacht ontwikkeling. Het type woningen

83/105

Tabel 5.12: Vergelijking verwachte huishoudensontwikkeling 2025 t/m 3035 naar prijssegmenten (bron: woningbehoefteonderzoek Foodvalley)

5.14.3 Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor duurzame ontwikkeling, omdat er op een binnenstedelijke locatie invulling wordt gegeven aan de behoefte aan een gedifferentieerd woningaanbod voor diverse doelgroepen en prijssegmenten. Binnen de gemeente en regio foodvalley is een grote vraag naar nieuwe woningen. Met de sloop- en nieuwbouw wordt het woningaantal vergroot en sluit het beter aan op de diverse, actuele en toekomstige vraag. Met het mogelijk maken van de ontwikkeling is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat er invulling wordt gegeven aan de vraag en behoefte op een binnenstedelijke locatie. In de planregels is geborgd dat ten minste 30% van het aantal woningen binnen de planlocatie sociale woningen zijn. Ten minste twee derde van de sociale woningen zijn sociale huurwoningen die voldoen aan de doelgroepenverordening. Hiermee is geborgd dat wordt voldaan aan de regels over betaalbare woningen uit het Omgevingsplan van de gemeente Veenendaal.

5.15 Toegankelijkheid Openbare Ruimte 5.15.1 Wettelijk kader In artikel 5.162 van het Bkl is bepaald dat als een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in dat omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. De instructieregel brengt mee dat bestuursorganen als zij nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken het belang

84/105

van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een beperking moeten afwegen tegen de overige betrokken belangen. De tekst van artikel 5.162 brengt tot uitdrukking dat gemeenten met inachtneming lukt van, vaak al bestaand, beleid het belang van toegankelijkheid kan meewegen met het oog op een gelijkwaardige wijze van gebruikmaking van de openbare ruimte door een ieder. Omgevingsverordening provincie Utrecht De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema toegankelijkheid openbare ruimte. 5.15.2 Toetsing Dit tam-omgevingsplan maakt de herinrichting van de openbare ruimte binnen de planlocatie planologisch mogelijk en legt verder geen beperkingen op aan het bevorderen van de toegankelijkheid voor personen met een functiebeperking. De toegankelijkheid voor mensen met een functiebeperking wordt betrokken bij de nadere uitwerking in het op te stellen inrichtingsplan. 5.15.3 Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregel voor toegankelijkheid van in openbare ruimte. Hiermee draagt het bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.16 Mobiliteit en Parkeren 5.16.1 Wettelijk kader Mobiliteit en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. Het Bkl en de provinciale omgevingsverordening stellen geen instructieregels op dit gebied. Wel kan het zijn dat de provincie, regio en gemeente hiervoor beleid heeft, bijvoorbeeld een Mobiliteitsvisie, regels over aanleg parkeerplaatsen in het omgevingsplan en/of een Nota Parkeernormen. In de beoordeling van het project op het omgevingsaspect mobiliteit zijn de ontsluitingsstructuur, verkeersgeneratie, bereikbaarheid en verkeersveiligheid relevant. Daarbij worden alle relevante vervoerswijzen bezien (langzaam verkeer, openbaar vervoer en gemotoriseerd verkeer). De beoordeling van het project op het omgevingsaspect parkeren houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig moet zijn. Hierbij wordt de parkeerbehoefte bepaald op basis van het geldende gemeentelijke parkeerbeleid indien beschikbaar. Beleid gemeente Veenendaal In de Notitie Parkeernormen Veenendaal (herziening 2023) staat het parkeerbeleid van de gemeente. Hierin zit een reductie van de parkeernormen. De ruimte die hiermee beschikbaar komt moet ingezet worden voor de realisatie van andere ruimtelijke kwaliteiten. Het benodigde aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte mag ook niet overschreden worden.

Een nieuwe ontwikkeling mag geen parkeerproblemen veroorzaken. De

85/105

parkeeroplossing moet dus binnen de planlocatie gerealiseerd worden. Het benodigde aantal geldt hier voor hele nieuwbouwplan. Voor het vaststellen van de parkeernormen is de gemeente verdeeld in zones. De planlocatie ligt in zone 4.

Figuur 5.17: Zonering parkeernormen gemeente Veenendaal (bron: Notitie parkeernormen Veenendaal) Fietsparkeren Naast de parkeernormen voor auto's is ook een fietsparkeernorm. Fietsparkeervoorzieningen voor bewoners moeten op eigen terrein opgelost worden doormiddel van een berging. Voor grondgebonden woningen is dit een eigen berging van minimaal 5m² dichtbij de ingang. Voor gestapelde woningen zijn verschillende opties: een berging op de begane grond per woning, een gezamenlijke fietsenstalling in het gebouw, een gezamenlijke berging in nabijheid van in- en uitgang van het gebouw op maximaal 50 meter loopafstand, een mix van berging per woning en gezamenlijke fietsenstalling. bij een gezamelijke stalling is de parkeernorm voor bewoners 2,5 p.p./woning. De fietsparkeervoorziening voor bezoekers moet bij de hoofdingang van gestapelde woningen. Voor alle woontypes is de bezoekersnorm 0,1 p.p./woning.

5.16.2 Toetsing Parkeren Met de parkeerbalans voor deelgebied 3 deelplan zuid is berekend of het plan voorziet in voldoende parkeerplekken. Op basis van 163 woningen is het aantal benodigde parkeerplekken 215.

86/105

Het aantal beoogde parkeerplekken in het stedenbouwkundig plan bedraagt 217 parkeerplekken waarmee een overschot van 2 parkeerplaatsen wordt mogelijk gemaakt. In de planregels is echter een maximum woningaantal van 168 woningen opgenomen. Bij dit maximale woningaantal dient één extra parkeerplaats gerealiseerd te worden om in de parkeerbehoefte te voorzien.

Figuur 5.18: Parkeerbalans planlocatie Fietsparkeren Op basis van 168 woningen is het aantal benodigde fietsparkeerplekken in de openbare ruimte 16,8, dus 17 plekken. Verkeer De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 168 woningen, waarvoor 95 bestaande sociale huurwoningen komen te vervallen. Bij het berekenen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling kan dan ook rekening worden gehouden met het toepassen van saldering. Voor het bepalen van de verkeerstoename van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van kencijfers uit CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024'. Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers wordt op basis van CBS-data voor de gemeente Veenendaal een stedelijkheidsgraad van 'sterk stedelijk' aangehouden. De ligging van de projectlocatie is gedefinieerd als 'schil centrum'. Tenslotte wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het gemiddelde autobezit per huishouden in Veenendaal conform het CBS per kencijfer het gemiddelde van de bandbreedte aangehouden. Met behulp van de CROW-kencijfers is de verkeersgeneratie gedurende een gemiddelde weekdag berekend. Voor het beoordelen van de

87/105

verkeersafwikkeling is echter de gemiddelde werkdag maatgevend. Conform CROW-744 wordt voor het omrekenen van weekdag naar werkdag voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 toegepast. In tabel 5.13 is de verkeersgeneratie van de planlocatie in de bestaande en beoogde situatie bepaald. Bestaande situatie Functie

Aantal

Huur, huis, sociale 95 woningen huur Beoogde ontwikkeling Functie Aantal

Kencijfer 3,6 per woning

Kencijfer

Koop, huis, 36 woningen 6,8 per woning tussen/hoek Koop, appartement, 56 woningen 6,8 per woning >100 m² bvo Koop, appartement, 17 woningen 5,1 per woning 75-100 m² bvo Huur, huis, sociale 25 woningen 3,6 per woning huur Huur, appartement, 26 woningen 2,9 per woning sociale huur, >100 m² bvo Huur, appartement, 8 woningen 2,6 per woning sociale huur, 75-100 m² bvo Totaal beoogd 168 woningen Toename (beoogd bestaand) Tabel 5.13: Verkeerstoename beoogde ontwikkeling

Weekdag (mvt/etmaal) 342

Werkdag (mvt/etmaal) 379,62

Weekdag (mvt/etmaal) 244,8

Werkdag (mvt/etmaal) 271,7

380,8 86,7

422,7 96,2

90

99,9

75,4

83,7

20,8

23,1

898,5 +556,5

997,3 +617,7

In totaal zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van 618 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Verkeersafwikkeling Voor de toedeling van het gegenereerde verkeer worden 3 routes voorzien. De eerste route is vanaf de noordzijde van het projectgebied, via de Hovystraat. Vanaf de Hovystraat wordt het gegenereerde verkeer vervolgens in westelijke richting ontsloten over de Doctor Slotemaker de Bruinestraat tot aan het kruispunt bij de Rondweg-West. De tweede route houdt rekening met een ontsluiting via de Klaas Katerstraat in noordelijke richting naar de Patrimoniumlaan, waarna het verkeer vervolgens in oostelijke richting wordt ontsloten richting de Kerkewijk. De derde route begint tevens op de Klaas Katerstraat, waarvandaan het gegenereerde verkeer vervolgens in zuidelijke richting wordt ontsloten langs de Van Limburg Stirumstraat naar de Bergweg. Vanaf de

88/105

Bergweg splitst het verkeer zich vervolgens evenredig in westelijke richting naar de Rondweg-West en in oostelijke richting naar de Kerkewijk. Aan wordt gehouden dat de totale verkeerstoename van de beoogde ontwikkeling zich evenredig verdeeld over de drie benoemde routes. De exacte huidige verkeersintensiteiten op de omliggende wegen (zoals de Klaas Katerstraat en Nicolaas Beetsstraat) worden nog door de gemeente bevestigd. Deze wegen hebben een erftoegangsfunctie en zijn ingericht voor lage snelheden (30 km/uur). De bestaande wegenstructuur biedt voldoende capaciteit om de tijdelijke toename op piekmomenten op te vangen. Ook bij kruispunten worden geen merkbare effecten op de doorstroming verwacht. De aansluitingen van het projectgebied op het omliggende wegennet kunnen de extra verkeersbelasting probleemloos verwerken, waardoor de verkeersveiligheid naar verwachting niet wordt beïnvloed. Het effect van de toename van het verkeer is beperkt en concentreert zich uitsluitend op de realisatiefase van de bouw. Na afronding van de werkzaamheden keert de verkeersbelasting grotendeels terug naar de huidige situatie, met alleen een lichte toename als gevolg van de nieuwe bewoners. De verkeersafwikkeling in de omgeving van het Franse Gat blijft hierdoor onverminderd goed functioneren.

Verkeersonderzoek In het kader van de wijkuitbreiding heeft Bureau Sweco onderzoek gedaan naar het verkeer in het Franse Gat (Bijlage 11, De verkeerscirculatie in het Franse Gat, 20-03-2023, Sweco). Hieruit kwam op basis van modelstudies naar voren dat het effect van de verkeersgeneratie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling beperkt is. De beoogde ontwikkeling zorgt gemiddeld voor een verkeerstoename van circa 2,5 voertuigbewegingen per minuut gedurende het piekmoment. De omliggende wegen hebben voldoende restcapaciteit beschikbaar om deze verkeerstoename probleemloos op te vangen, zowel op basis van de huidige inrichting van de verkeersstructuur als na doorvoering van verkeerscirculatiemaatregelen. Verkeersveiligheid De inrichting van de openbare ruimte wordt afgestemd op de principes van Duurzaam Veilig. Er komen voldoende oversteekmogelijkheden en de verblijfsfunctie blijft leidend. Daarbovenop worden aanvullende maatregelen genomen voor het verbeteren van de verkeersveiligheid en bereikbaarheid van het gebied voor fietsers. Zo worden conform de Gebiedsvisie Franse Gat de Jan Steenlaan, Bergweg en de route Frans Halslaan - Klaas Katerstraat - Van Limburg Stirumstraat heringericht tot fietsstraaten. Dit houdt in dat de wegen opnieuw worden ingericht vanuit het oogpunt dat fietsers de primaire weggebruikers zijn en de auto te gast.

In figuur 5.19 is een voorbeeld opgenomen van hoe een dergelijke fietsstraat eruitziet.

89/105

Figuur 5.19: Voorbeeldinrichting fietsstraat binnen een woongebied (bron: Sweco, 2023) Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling niet zal leiden tot knelpunten in de verkeersveiligheid van het omliggende wegennet. 5.16.3 Conclusie Op basis van het woningaantal van 163 uit het stedenbouwkundig plan wordt voorzien in de parkeerbehoefte. Bij de maximaal mogelijke planologische invulling van 168 woningen, wordt een extra parkeerplek mogelijk gemaakt om in de parkeerbehoefte te voorzien. Hiervoor is in de regeling een beoordelingsregel opgenomen (Artikel 24.2). Bij de aanvraag moet worden aangetoond dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Verder worden bij de verkeersafwikkeling of veiligheid geen knelpunten verwacht. De beoogde ontwikkeling past voor het aspect mobiliteit en parkeren binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.17 Ecologie 5.17.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bal en het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels, niet zijnde instructieregels, komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland. Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een wijziging van het omgevingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een ecologische beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan

90/105

worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een activiteit waarvoor een omgevingsplan wordt aangevraagd kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen. 5.17.2 Toetsing Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld waarin de mogelijke effecten van het project op de omgeving zijn onderzocht (Bijlage 8, Franse Gat (deelgebied 3) Aanmeldingsnotitie, 19-11-2025, Sweco).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16872450/2