CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Bijlage 2.1 TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 Motivering

Gemeenteraad 2 juli 2026, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Vaststellen TAM omgevingsplan Franse Gat deelgebied 329.336 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het Opgaveperspectief Duurzaam Veenendaal geeft voor de komende periode richting aan de ambities en doelen die leiden tot een duurzame stad in 2050. Gemeente Veenendaal zet zich de komende jaren in voor een leefbare wereld onder het motto: Duurzaam denken, gewoon doen! Er wordt ingezet op de thema's duurzaam wonen, CO2-neutraal leven, het minimaliseren van het gebruik van grondstoffen en het omarmen van klimaatadaptatie. Het ombuigen van onze huidige omgang met energie, grondstoffen en hulpbronnen naar een toekomstbestendig Veenendaal vraagt om structurele veranderingen. We zien duurzaamheid als het belangrijkste antwoord om deze veranderingen in gang te zetten. We richten ons op het bereiken van een Circulair, Energieneutraal en Klimaatbestendig Veenendaal en hanteren de volgende visie: Veenendaal ontwikkelt zich tot een duurzame stad waarbij circulaire economie, duurzame energie en klimaatadaptatie onze belangrijkste speerpunten zijn. Hierbij hebben we voor ogen dat Veenendaal ook voor de volgende generaties een gezonde, duurzame en veilige plek is om te leven. Toetsing en conclusie De beoogde ontwikkeling draagt op meerdere manieren sterk bij aan de opgestelde duurzaamheidsambities. Hieronder volgt de toetsingen en conclusie per hoofdlijn van de visie.

Duurzaam wonen De vernieuwing van het Franse Gat bestaat uit de bouw van energiezuinige, aardgasloze woningen die voldoen aan de eisen van deze tijd. De woningen worden goed geïsoleerd, geventileerd en voorbereid op duurzame energieopwekking, zoals zonnepanelen. Daarnaast wordt gewerkt met circulaire bouwprincipes, waarbij

35/105

materiaalhergebruik en duurzame bouwmaterialen centraal staan. CO2-neutraal leven De herstructurering vormt een concrete stap richting een CO2-neutrale wijk. De nieuwe woningen zijn aardgasloos en maken gebruik van duurzame energievoorzieningen. Door compact te bouwen en te verdichten binnen de bestaande stad, wordt het ruimtegebruik beperkt en neemt de noodzaak tot nieuwe infrastructuur af, wat ook de uitstoot vermindert. Bovendien stimuleert het plan duurzame mobiliteit door een duidelijke voorrang aan lopen, fietsen en elektrisch vervoer, ondersteund door laadvoorzieningen in parkeerkoffers en op binnenterreinen. Circulair gebruik van grondstoffen In het ontwerp en de uitvoeringsstrategie is expliciet aandacht voor hergebruik van materialen en circulair bouwen. Bij de nieuwbouw wordt ingezet op duurzame, onderhoudsarme materialen die bijdragen aan een lange levensduur. Ook het ontwerp van de openbare ruimte, met waterdoorlatende verharding, groene daken en hergebruik van regenwater, sluit aan bij het principe van “minimaal grondstofverbruik, maximaal hergebruik. Klimaatadaptatie en weerbaarheid Klimaatadaptatie vormt een belangrijk onderdeel van het stedenbouwkundig ontwerp. De wijk krijgt meer groen, minder verharding en extra waterbergingscapaciteit.

Groene plantsoenen, bredere bermen, waterpasserende bestrating en infiltratievoorzieningen verminderen hittestress en wateroverlast. De nieuwe “Speelse Straat” en de vergroening van de W.C. Beeremansstraat als plantsoen maken de wijk koeler en regenbestendiger. 4.4.7 Omgevingsprogramma's Het omgevingsprogramma is een van de kerninstrumenten onder de Omgevingswet. Een omgevingsprogramma is zelfbindend, maar kan wel inwoners en bedrijven stimuleren om die dingen te doen, die helpen doelstellingen uit de omgevingsvisie te behalen. Het omgevingsprogramma is een flexibel instrument en kan verschillende maatregelen bevatten, zoals: Inzet van communicatie- en informatie-instrumenten Beleidsregels waarin het bestuursorgaan aangeeft hoe zij belangen tegen elkaar afweegt, feiten vaststelt of wettelijke voorschriften uitlegt bij de uitoefening van een bevoegdheid, zoals het behandelen van een aanvraag omgevingsvergunning Inzet van financiële instrumenten, zoals leningen of subsidies Afspraken met organisaties Het stellen van algemene regels in het omgevingsplan De gemeente Veenendaal heeft op dit moment de volgende omgevingsprogramma's vastgesteld: Omgevingsprogramma Openbare Ruimte Veenendaal 2022-2025 (25 november 2021) Omgevingsprogramma Energieneutraal Veenendaal 2022-2025 (16 december 2021) Omgevingsprogramma Vitale Binnenstad (17 december 2020) Toetsing en conclusie

36/105

Omgevingsprogramma Openbare Ruimte Veenendaal 2022-2025 Het beleid heeft een aantal thematische doelen en maatregelen, die onderverdeeld zijn in de volgende punten; Bewegen, ontmoeten, sporten & spelen (BOSS); Klimaatadaptieve leefomgeving; Circulaire economie; Energieneutraal Veenendaal (ENV); Samen maken we de stad; Data en monitoring. De beoogde ontwikkeling draagt aan de volgende thema's bij: Bewegen, ontmoeten, sporten & spelen (BOSS) Om het bewegen, ontmoeten, spelen en sporten te bevorderen wordt ervoor gezorgd dat er voldoende locaties van degelijk formaat zijn waar mensen kunnen spelen en/of sporten. Deze plekken worden met elkaar verbonden om zo tot fijne beweegroutes door de wijk te komen. Waar mogelijk worden de routes gecombineerd met bestaande of nog te ontwikkelen groene openbare ruimtes. De indeling van de locatie wordt nog afgestemd met de buurt, hierdoor komt er een breed aanbod voor de verschillende doelgroepen. Uit de analyse is gebleken dat een uitbreiding van de mogelijkheden om de spelen en sporten in het Franse Gat noodzakelijk is om in de toekomst geen overlast te krijgen van hangjongeren en voor zover deze overlast er al is, deze te verminderen. Een ander aspect uit de analyse is de grote hoeveel toestellen voor de jongere kinderen, door de gehele buurt gaat er nog gekeken worden wat er nodig is en waar het gaat komen.

Klimaatadaptieve leefomgeving Voor de beoogde ontwikkeling is er gekozen voor een minder diepe achtertuin, een zogeheten margestrook voor de woning en meer groen in de openbare ruimte. Door deze keuze is het groene karakter tot in de lengte van dagen vastgesteld en niet meer afhankelijk van bewoners. Hierdoor is er in de straten meer ruimte voor groen in de vorm van vakken met beplanting en bomen en waar mogelijk worden de plantvakken rondom bestaande bomen vergroot. De groene ruimten nemen hemelwater op, waardoor wateroverlast in de wijk kan afnemen, en deze plekken gaan samen met bomen 'hittestress' tegen.De nieuwe gemeenschappelijke parkeerterreinen worden zodanig ingericht dat ze ook functioneren als waterbergingsvoorziening, bijvoorbeeld met waterdoorlatende bestrating of voegen. Circulaire economie De beoogde ontwikkeling van het Franse Gat draagt bij aan de circulaire economie door hergebruik van materialen en infrastructuur, duurzame materiaalkeuze, afvalscheiding, energiezuinige bouw en meervoudig ruimtegebruik, allemaal gericht op minimale verspilling en maximale levensduur van wat er wordt gebouwd en gebruikt. Daarnaast stimuleert het plan bewust omgaan met energie en water, onder meer via klimaatadaptieve maatregelen zoals waterberging op parkeerterreinen en vergroening van de openbare ruimte.

Door bestaande kwaliteiten te behouden en te combineren met toekomstbestendige oplossingen, ontstaat een wijk die duurzaam kan groeien binnen haar eigen grenzen. Zo vormt het Franse Gat een voorbeeld van stedelijke vernieuwing volgens circulaire principes, waarin wonen, klimaat en economie elkaar versterken. Energieneutraal Veenendaal (ENV) Het Franse Gat draagt bij aan Energieneutraal Veenendaal 2050 door volledig aardgasvrij te bouwen en in te zetten op all-electric oplossingen, goede isolatie en duurzame energiebronnen zoals zonnepanelen. De plannen

37/105

sluiten aan bij de Transitievisie Warmte, waarin wordt samengewerkt met Stedin en Veenvesters om energie, infrastructuur en klimaat slim te combineren tot een toekomstbestendige, CO2-neutrale wijk. Samen maken we de stad De ontwikkeling van het Franse Gat sluit aan bij “Samen maken we de stad” doordat bewoners, Veenvesters en de gemeente samen werken aan de vernieuwing van de wijk. Inwoners worden actief betrokken bij de inrichting van groene plekken, speelruimtes en de openbare ruimte, en er is ruimte voor zelfbeheer en initiatieven vanuit de buurt. Zo ontstaat een leefbare en duurzame wijk waarin samenwerking en betrokkenheid centraal staan en bewoners mede vormgeven aan hun eigen leefomgeving. Omgevingsprogramma Energieneutraal Veenendaal 2022-2025 Veenendaal wil in 2050 volledig energieneutraal zijn. Dat betekent dat de gemeente dan evenveel duurzame energie opwekt als ze verbruikt. Dit draagt bij aan het verminderen van CO2-uitstoot, het verbeteren van de leefomgeving en het versterken van de lokale economie. Het plan is opgebouwd rond vier pijlers: 1. Wonen; 2. Werken; 3. Mobiliteit; 4. Gemeente als Voorbeeld. De beoogde ontwikkeling draagt aan de volgende pijlers bij: Pijler Wonen De beoogde ontwikkeling in het Franse Gat sluit goed aan op de pijler Wonen door volop in te zetten op duurzame energie, energiebesparing en aardgasreductie.

De wijk wordt toekomstbestendig gemaakt door woningen te isoleren volgens landelijke streefwaarden, zonnepanelen te stimuleren en over te stappen op duurzame energiebronnen zoals warmtenetten en all-electric oplossingen. Nieuwe woningen voldoen minimaal aan de BENG-normen en worden waar mogelijk energieneutraal gerealiseerd. Hiermee draagt het Franse Gat concreet bij aan de gemeentelijke ambitie voor een aardgasvrije, energiezuinige en duurzame woonomgeving met actieve betrokkenheid van bewoners. Pijler Mobiliteit Binnen de pijler mobiliteit wordt de wijk ingericht met meer ruimte voor de fietser en voetgangers, waaronder de transformatie van de Klaas Katerstraat tot fietsstraat en de aanleg van autoluwe zones zoals de Speelse Straat. Dit sluit aan op de gemeentelijke doelstelling om duurzame vervoersmiddelen te stimuleren en verkeersveiligheid te verbeteren. Ook wordt rekening gehouden met de aanleg van laadpunten voor elektrische voertuigen, passend bij de ambitie om het aantal duurzame voertuigen te vergroten. Pijler Gemeente als voorbeeld De beoogde ontwikkeling sluit tot slot goed aan bij deze pijler door de toepassing van klimaatadaptieve maatregelen, natuur inclusief bouwen en energiezuinige openbare verlichting.

Omgevingsprogramma Vitale Binnenstad De binnenstad van Veenendaal transformeert van een traditionele winkelstad naar een complete, toegankelijke, groene, innovatieve en goed georganiseerde binnenstad. Het plan speelt in op veranderend

38/105

consumentengedrag, leegstand, digitalisering en de behoefte aan beleving en verblijfskwaliteit, het plan is uitgewerkt in vijf speerpunten: 1. Complete binnenstad; 2. Toegankelijke binnenstad; 3. Groene en duurzame binnenstad; 4. Innovatieve binnenstad; 5. Goed georganiseerde binnenstad. De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de volgende speerpunten; Complete binnenstad Het plan voor het Franse Gat zet in op gemengd wonen met ruimte voor verschillende doelgroepen en woningtypologieën, in combinatie met maatschappelijke voorzieningen en een sterke verbinding met de stedelijke functies richting het centrum. Daarmee wordt de wijk verder ontwikkeld als verlengstuk van de binnenstad, met een stedelijkere dichtheid, nieuwe bebouwingsstructuren langs de centrale routes en een betere koppeling naar voorzieningen aan de Kerkewijk en Brouwerspoort.Het plan draagt zo bij aan de diversiteitssprong die het programmaplan beoogt: een binnenstad met meer functies naast detailhandel en een aantrekkelijk stedelijk woonmilieu. Toegankelijke binnenstad De herontwikkeling van het Franse Gat versterkt de toegankelijkheid van de binnenstad door verbeterde fietsen wandelverbindingen tussen de wijk en het centrum. Autoverkeer krijgt een ondergeschikte rol ten opzichte van verblijfskwaliteit en groen. Parkeren wordt geclusterd aan de randen van het gebied, waardoor de openbare ruimte leefbaarder wordt.

Er is daarnaast aandacht voor een goede ontsluiting voor hulpdiensten en logistiek, zonder dat dit ten koste gaat van de woonkwaliteit.De aansluiting met het stedelijke beleid is hiermee goed: het plan bevordert de bereikbaarheid en stimuleert duurzame mobiliteit. De groene en duurzame binnenstad Het Franse Gat krijgt een sterke groene en duurzame impuls. De openbare ruimte wordt groener ingericht, met aandacht voor biodiversiteit en klimaatadaptatie door middel van wadi’s, waterdoorlatende bestrating en schaduwrijke routes. In de bouw wordt ingezet op energiezuinige, natuurinclusieve en circulaire principes.Het groen vormt een belangrijke ruimtelijke structuurdrager en zorgt voor verbinding met het bredere groene netwerk van de binnenstad. Goed georganiseerde binnenstad Het plan is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met bewoners, woningcorporaties en de gemeente, waarbij sociaal draagvlak en participatie centraal staan. De herstructurering wordt uitgevoerd als een gebiedsgerichte samenwerking, gericht op leefbaarheid, sociale cohesie en goed beheer. Daarmee sluit het plan naadloos aan op de bestuurlijke en participatieve aanpak die de Vitale Binnenstad nastreeft.

4.4.8 Woonvisie Op 23 juni 2022 heeft de raad van Veenendaal de Woningvisie 2022-2025 vastgesteld. In de Woonvisie is als centrale visie op wonen in Veenendaal aangemerkt: “De Woonvisie is richtinggevend en

39/105

normstellend voor de ontwikkeling van de woningvoorraad en nieuwbouw van woningen in onze gemeente. Zo blijft het prettig wonen in Veenendaal voor iedereen. Veenendaal is een aantrekkelijke woongemeente. We streven naar behoud van de huidige aantrekkelijkheid, ook onder de groeiende en veranderende woningbehoefte in de komende jaren. We spannen ons nu maximaal in om voor de lange termijn te sturen op de gewenste kwantiteit en kwaliteit. Keuzes van nu zijn namelijk van groot belang voor de toekomst. Een verkeerde keuze nu, kan groot effect hebben op de lange termijn. Van goede keuzes zullen we daarentegen nog lang profijt hebben. Vanzelfsprekend passen we nieuwbouw altijd met zorg en aandacht voor de omgeving in.” Toetsing De herontwikkeling van het Franse Gat sluit goed aan bij de uitgangspunten van de Woonvisie 2022–2025. Het plan draagt bij aan een kwalitatieve vernieuwing van de woningvoorraad, met energiezuinige, aardgasloze en toekomstbestendige woningen die aansluiten bij de woonwensen van nu en later. Er wordt ingezet op duurzaamheid, comfort en levensloopbestendigheid, waardoor de wijk weer klaar is voor de toekomst. Daarnaast ontstaat meer variatie in woningtypen en prijsklassen, zodat zowel starters, gezinnen als senioren een passende woning kunnen vinden. Dit bevordert de doorstroming en zorgt voor een evenwichtige, inclusieve wijk.

De leefomgeving wordt groener, veiliger en aantrekkelijker ingericht met ruimte voor ontmoeting, spelen en wandelen. Daarmee wordt nieuwbouw zorgvuldig ingepast in de bestaande omgeving, geheel in lijn met het uitgangspunt van de Woonvisie om met aandacht te bouwen aan een prettig en leefbaar Veenendaal. Conclusie: De beoogde ontwikkeling past binnen de Woonvisie Veenendaal 2022–2025. Het plan versterkt de kwaliteit, diversiteit en duurzaamheid van de woningvoorraad en draagt bij aan een aantrekkelijke, toekomstbestendige woonomgeving voor iedereen.

4.4.9 Puntensysteem Omgevingsvisie Veenendaal Op 1 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders het Puntensysteem Omgevingsvisie Veenendaal vastgesteld. Het Puntensysteem Omgevingsvisie Veenendaal is een uitwerking van de ambities uit de Omgevingsvisie Veenendaal 2030 naar concrete maatregelen. Het puntensysteem is van toepassing op woningbouwprojecten waarvoor een herziening, uitwerking of wijziging van het bestemmingsplan nodig is. Toetsing en conclusie Door de opzet van het toetsen van concrete maatregelen omtrent duurzaamheid en biodiversiteit, zoals het soort bomen zal de beoogde ontwikkeling bij de planuitwerking getoetst worden aan het puntensysteem. 4.4.10 Groenbeleid Groenstructuurplan Op 29 januari 2004 heeft de gemeenteraad het groenstructuurplan vastgesteld. Het doel van het groenstructuurplan is als volgt te formuleren: 1. De samenhang van het groen met de landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische patronen versterken; 2. met het groen de herkenbaarheid en identiteit van de openbare ruimte vergroten; 3. de gewenste groenstructuur formuleren en realiseren volgens de opgestelde visie;

40/105

4. groen bij nieuwe ontwikkelingen als bouwsteen en leidend principe gebruiken; 5. accenten in het groen aanbrengen overeenkomstig de plaats en het niveau. Spelregels voor groencompensatie Op 17 december 2015 heeft de gemeenteraad de notitie 'Spelregels voor groencompensatie' vastgesteld. Groencompensatie vormt een onderdeel van het totale groenbeleid en heeft als doel dat bij nieuwe ontwikkelingen zorgvuldig wordt omgegaan met bestaande groene structuren. Doordat er praktisch toepasbare spelregels voor groencompensatie zijn vastgesteld, kunnen de gevolgen voor het groen bij nieuwe ontwikkelingen overzichtelijk worden gehouden. Toetsing Bij het ontwerp is het groen een leidend principe geweest. De wijk krijgt een duidelijke groenstructuur met meer bomen, plantsoenen en groene verbindingen tussen straten en binnenterreinen. Zo wordt de ecologische samenhang versterkt en draagt het groen bij aan de herkenbaarheid en identiteit van de wijk. Belangrijke onderdelen zijn de aanleg van de “Speelse Straat” als groene oost-westverbinding, het nieuwe plantsoen aan de W.C. Beeremansstraat, en het vergroenen van de openbare ruimte door minder verharding en meer infiltratiezones. Hiermee wordt het bestaande groen niet alleen behouden, maar ook uitgebreid en kwalitatief verbeterd.

De ontwikkeling volgt daarmee de spelregels voor groencompensatie: bij veranderingen wordt zorgvuldig omgegaan met bestaand groen en wordt waar nodig nieuw groen toegevoegd als compensatie. Conclusie: De beoogde ontwikkeling versterkt de groenstructuur, vergroot de biodiversiteit en maakt het groen tot een bouwsteen van de nieuwe wijk. Daarmee draagt het project bij aan een herkenbare, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving in lijn met de groene ambities van Veenendaal. 4.4.11 Landschapsontwikkelingsplan Veenendaal Het Landschapsontwikkelingsplan is in 2007 door de gemeenteraad vastgesteld en voorziet in overkoepelend beleid voor het landschap. Veenendaal legt hiermee de waarden van het landschap als waardevolle aanvulling op het stedelijk gebied vast in het beleid. Toetsing en conclusie De beoogde ontwikkeling versterkt de relatie tussen stad en landschap. Het plan draagt bij aan een groen en samenhangend stedelijk milieu waarin natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten een prominente plek krijgen. Binnen het ontwerp is veel aandacht voor groene structuren, zichtlijnen en beplanting, die aansluiten op de bestaande landschappelijke identiteit van Veenendaal. Door de aanleg van groene straten, plantsoenen en verbindingen wordt de wijk groener, biodiverser en klimaatbestendiger.

Deze inrichting zorgt ervoor dat het stedelijk wonen en het omliggende landschap beter met elkaar in balans komen. Daarnaast versterkt het plan de beleving van groen en open ruimte binnen de wijk en vergroot het de ecologische samenhang met aangrenzende gebieden. Daarmee is de ontwikkeling een waardevolle aanvulling op het stedelijk gebied.

41/105

Hoofdstuk 5 5.1

Effecten fysieke leefomgeving

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt getoetst of het plan een bijdrage levert aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij wordt ingegaan op verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving. Paragraaf 5.2 tot en met 5.13 zijn opgebouwd aan de hand van de instructieregels die het Bkl in hoofdstuk 5 geeft. Paragraaf 5.14 en verder bestaat uit overige relevante instructies, regels en beleid vanuit het rijk, de provincie of gemeente.

5.2

Milieueffectrapportage

In dit hoofdstuk wordt getoetst of het plan een bijdrage levert aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij wordt ingegaan op verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving. Paragraaf 5.1 tot en met 5.13 zijn opgebouwd aan de hand van de instructieregels die het Bkl in hoofdstuk 5 geeft. Paragraaf 5.14 en verder bestaat uit overige relevante instructies, regels en beleid vanuit het rijk, de provincie of gemeente. 5.2.1 Wettelijk kader De wet- en regelgeving omtrent de m.e.r. is geen puur nationale aangelegenheid. De verplichting om in bepaalde gevallen een soort m.e.r. op te stellen volgt uit het Europese recht, te weten de m.e.r.-richtlijn en de Europese richtlijn voor Strategische Milieubeoordeling (hierna: SMB-richtlijn). De m.e.r.-regelgeving wordt onder de Omgevingswet geïmplementeerd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Aangezien de regelgeving moet blijven voldoen aan de Europese richtlijnen verandert er relatief weinig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit in 1 lijst zijn zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten.

5.2.2 Toetsing Voorliggende ontwikkeling kan gezien worden als een 'stedelijk ontwikkelingsproject' (J.11 uit bijlage V Ob), waardoor beoordeeld moet worden of er sprake zal zijn van aanzienlijke milieueffecten. Artikel 16.43 van het Omgevingsbesluit beschrijft wanneer er sprake is van mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten. Artikel 16.43 lid 1 luidt als volgt: Bij algemene maatregel van bestuur worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen: a. die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt; en b. waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

42/105

Onderhavig initiatief is een project als bedoeld onder b. Er dient daarom te worden bezien of er wordt voldaan aan de beoordelingscriteria van bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect komen hierbij aan bod. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. Deze aanmeldnotitie is opgenomen als bijlage 8 (Franse Gat (deelgebied 3) Aanmeldingsnotitie, 12-09-2025, Sweco) bij de motivering. De mer-beoordeling kent een ‘nee, tenzij’ principe. Dit betekent dat geen nadere mer nodig is tenzij aanzienlijke gevolgen voor het milieu te verwachten zijn als gevolg van het plan. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 8 december op basis van de aanmeldnotitie besloten dat het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk is. In tabel 5.1 van bijlage 8 zijn de nodige mitigerende maatregelen voor wat betreft soortenbeschermning en gebiedsbescherming beschreven. Op basis hiervan is geconcludeerd dat aanzienlijke negatieve milieueffecten als gevolg van het project kunnen worden uitgesloten. 5.2.3 Conclusie Op grond van het voorgaande heeft het college geconcludeerd dat het project geen aanzienlijke milieugevolgen kan hebben en dat het opstellen van een milieueffectrapport niet verplicht is.

5.3

Omgevingsveiligheid

5.3.1 Wettelijk kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving in § 5.1.2. Deze paragraaf gaat in de eerste plaats over de veiligheidsrisico's van branden, rampen en crises (artikel 5.2). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen.

Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste

43/105

norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.

Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: Hoeveel personen zijn in dat gebouw c.q. op die locatie gelijktijdig aanwezig? Wat is de aanwezigheidsduur van die personen? In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident. Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan. 5.3.2 Toetsing Het omgevingsplan biedt geen ruimte voor nieuwe risicovolle activiteiten. Wel worden kwetsbare gebouwen (woningen) mogelijk gemaakt.

Zeer kwetsbare gebouwen (zoals bijvoorbeeld kinderdagverblijven en bepaalde zorgfuncties) zijn niet toegestaan. Het is daarom van belang om af te wegen of ten aanzien van die nieuwe woningen een veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico's. Met behulp van de PAV-kaarten van het REV is in beeld gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van de planlocatie vinden. Daarbij is gekeken naar activiteiten met externe veiligheidsrisico's, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De risicobronnen met relevante contouren en aandachtsgebieden zijn weergegeven in onderstaand figuur.

44/105

Figuur 5.1: Uitsnede risicokaart met begrenzing planlocatie (Bron: Atlas voor de Leefomgeving) Uit de uitsnede is te herleiden dat de planlocatie niet binnen de contour van een plaatsgebonden risico van een milieubelastende activiteit met een extern veiligheidsrisico is gelegen. Daarnaast bevindt de planlocatie zich ook niet binnen een aandachtsgebied voor brand, explosie of gifwolk. Er is geen aanleiding tot nader onderzoek of het opnemen van regels ten aanzien van externe veiligheid. Gevaren anders dan externe veiligheid De planlocatie bevindt zich in een gebied met een middelgrote kans op overstroming: 1/30 tot 1/300 per jaar. De berekende waterdiepte die optreedt bij een overstroming is 2 tot 5 meter. Omdat dit overstromingsrisico voor heel Veenendaal geldt, zijn er op planniveau geen specifieke aanpassingen gedaan om het risico of het effect van een overstroming te beperken. De gemeente Veenendaal sluit aan bij landelijke kaders zoals het Deltaprogramma en de Waterveiligheidsnormen. Binnen de planlocatie zijn geen aanvullende eisen gesteld, aangezien het risico voortkomt uit een bredere regionale situatie. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt het overstromingsrisico wel meegewogen, maar dit leidt niet standaard tot fysieke maatregelen op perceelsniveau.

Ten aanzien van elektrische voorzieningen geldt dat de gemeente via de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren (AVOI) en het Handboek Kabels en Leidingen eisen stelt aan de aanleg en bescherming van ondergrondse netwerken. Deze kaders dragen bij aan het beperken van risico's bij overstromingen, bijvoorbeeld door het voorkomen van schade aan vitale infrastructuur en het minimaliseren van verstoringen bij calamiteiten. Binnen de planlocatie zijn voldoende mogelijkheden aanwezig voor zowel evacuatie als tijdelijk schuilen in geval van een overstroming. De fysieke opzet van de bebouwing en de bereikbaarheid van het gebied sluiten

45/105

aan bij de uitgangspunten van de veiligheidsregio. Gezien deze omstandigheden en het feit dat het overstromingsrisico generiek is voor het stedelijk gebied van Veenendaal, bestaat er geen aanleiding om op planniveau aanvullende randvoorwaarden of planregels op te nemen met betrekking tot evacuatie of schuilmogelijkheden. 5.3.3 Conclusie Gelet op het voorgaande is de aangevraagde activiteit in overeenstemming met instructieregels voor het waarborgen van de veiligheid. De beoogde gebiedsontwikkeling draagt voor het aspect omgevingsveiligheid bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op het gebied van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen.

5.4

Water

5.4.1 Wettelijk kader Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen (weging van het waterbelang). In deze waterparagraaf zijn de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen voor het project gegeven. Deze paragraaf vormt daarmee de basis voor het vastleggen van het wateraspect en de weging van het waterbelang zoals dat in de omgevingswet is opgenomen. Om de waterbelangen te borgen is advies ingewonnen bij de waterbeheerder (www.wateradvies .nl). Indien hiervan afgeweken wordt is dit in navolgende onderbouwing deugdelijk gemotiveerd. Verder zijn de water gerelateerde instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening getoetst. Hiermee is gegarandeerd dat het waterbelang in voldoende mate is meegewogen en dat de plan specifieke regels van het bevoegd gezag (waterschap en gemeente) op een goede wijze in het plan zijn meegenomen. Ten slotte wordt het project ook getoetst aan het relevante gemeentelijke beleid met betrekking tot water.

Provinciale instructieregels Artikel 2.6 gaat in op de omgevingswaarde wateroverlast binnen de bebouwde kom Waterschap Vallei en Veluwe. De planlocatie valt in het beheersgebied van Waterschap Vallei en Veluwe binnen de bebouwde kom waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur of spoorwegen aanwezig zijn . Hierbij geldt als omgevingswaarde de overstromingskans van 1 keer per 100 jaar. Hierbij geldt Artikel 2.13 Instructieregel monitoring omgevingswaarde wateroverlast waarmee het waterschap wordt belast met de uitvoering van de monitoring voor de omgevignswaarden en de zorg dat wateroverlast beperkt blijft tot de maximaal gestelde omgevingswaarde. Artikel 2.16 Instructieregel overstroombaar gebied geeft aan dat de planlocatie ligt binnen de grenzen van overstroombaargebied. Hierdoor moet het omgevingsplan regels bevatten die rekening houden met overstromingsrisico's. De motiviering daarvan gaat in op het gemeentelijk beleid omtrent overstromingsrisico's. 5.4.2 Toetsing Hoogteligging

46/105

Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN), bevindt het maaiveld zich ter plaatse van deelgebied A op een hoogte van gemiddeld 7,20 tot 7,50 m +NAP. Ter plaatse van deelgebied B ligt het maaiveld op een hoogte van gemiddeld 7,50 tot 7,70 m +NAP en ter plaatse deelgebieden C en D op een hoogte van gemiddeld 7,50 tot 7,80 m +NAP. In figuur 5.2 t/m figuur 5.4 is per deelgebied een uitsnede van het AHN weergegeven. Op basis van de gegevens uit het AHN zijn enkele hoogtemarkers geplaatst.

Figuur 5.2: Uitsnede Actueel Hoogtebestand van Nederland deelgebied A (Bron: AHN_4)

47/105

Figuur 5.3: Uitsnede Actueel Hoogtebestand van Nederland deelgebied B (Bron: AHN_4)

Figuur 5.4: Uitsnede Actueel Hoogtebestand van Nederland deelgebied C en D (Bron: AHN_4) Waterdoorlatendheid De waterdoorlatendheid is in-situ (nog) niet onderzocht. Op basis van de verwachtte bodemopbouw en textuur

48/105

worden vooralsnog geen problemen verwacht met de lediging van het toekomstige systeem. Geadviseerd wordt om bij de verdere planvorming een in-situ waterdoorlatendheidsonderzoek uit te voeren. Met het uitvoeren van een in-situ waterdoorlatendheidsonderzoek kan vastgesteld worden dat de voorgestelde hemelwatervoorzieningen ook daadwerkelijk door middel van infiltratie snel genoeg kunnen ledigen. Hydrogeologie Om inzicht te krijgen in de gelaagdheid van goed doorlatende en slecht doorlatende lagen (hydrogeologischeeenheden) van de (diepe) bodem is gebruik gemaakt van het REGIS II v2.2.3 en GeoTOP v1.6.1 model van uit het BROloket. Beide modellen geven op een schematische wijze inzicht in de hydrogeologische opbouw en doorlatendheid van de ondergrond op een regionale schaal. In tabel 5.1 is de hydrogeologische opbouw van de ondergrond op schematische wijze weergegeven.

Tabel 5.1: Hydrogeologie (DKL = deklaag, WVL = watervoerende laag, SDL =slecht doorlatende laag) Grondwater De freatische grondwaterstand fluctueert in een jaar als gevolg van seizoensinvloeden (neerslag en verdamping). In het algemeen ligt de freatische grondwaterstand in het voorjaar (februari-maart) op het hoogste niveau en in de nazomer (september) op het laagste niveau. Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand). In de omgeving van de planlocatie liggen meerdere grondwatermeetpunten. De historische meetreeksen van de gebruikte grondwatermeetpunten zijn gebruik geïnterpoleerd naar de planlocatie. Het grondwater van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de geraadpleegde bronnen in noordoostelijke richting. In tabel 5.2 zijn de gegevens van de grondwatermeetpunten opgenomen. In figuur 5.5 is de situering van de grondwatermeetpunten weergegeven. Op basis van de grondwaterstromingsrichting en de gegevens van de grondwaterpeilputten is voor de planlocatie ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) in het zuiden van de planlocatie is gelegen op een hoogte van ca. 7,10 m +NAP. In het noorden van de planlocatie wordt ingeschat dat de GHG op een hoogte ligt van ca. 6,0 m +NAP ligt.

Dit betekent dat de GHG in het zuiden is te verwachten op ca. 0,7 meter beneden maaiveld en op ca. 1,2 meter beneden maaiveld in het noorden. In Bijlage 7 (Weging van het waterbelang Franse Gat deelgebied 3 Veenendaal, 20-10-2025, RB-water) zijn de stijghoogte metingen van de grondwatermeetpunten opgenomen.

49/105

Tabel 5.2: Gegevens grondwatermeetpunten

Figuur 5.5: Situering grondwatermeetpunten Oppervlaktewater Voor het waterschap is de legger, samen met de waterschapsverordening, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem. Op basis van de leggerkaart van waterschap Vallei en Veluwe is in de directe omgeving van de planlocatie geen oppervlaktewater gelegen. Veiligheid (waterkering) De planlocatie ligt niet in een kern- of beschermingszone van een waterkering.

50/105

Klimaateffect Korte, hevige buien zullen naar verwachting steeds vaker voorkomen. Dit klimaateffect kan een grote impact hebben. In dat kader heeft het waterschap een klimaateffectatlas ontwikkeld2. Via deze klimaateffectatlas kan inzicht worden verkregen in de kwetsbaarheid van de omgeving ten gevolge van extreme regenval. Het is mogelijk dat de gepresenteerde wateroverlast niet altijd in de praktijk (in die mate) herkend wordt. Aan de resultaten kunnen geen rechten worden ontleend, maar geven wel een goede indicatie van de te verwachten overlastlocaties bij hevige neerslag. De kaarten in figuur 5.6 en figuur 5.7 laten voor de planlocatie het resultaat van de klimaateffectatlas zien voor respectievelijk een extreme bui van 46 millimeter en 74 mm in 1 uur. Beide testen laten zien dat er in de Klaas katerstraat met name in het zuiden van de planlocatie water-op-straat is te verwachten. Bij een bui van 74 mm in 1 uur treedt ook water-op-straat op in het noorden van de planlocatie. Hier zal bij het toekomstige ontwerp rekening mee gehouden worden. Om instroming van hemelwater vanuit de omgeving te voorkomen worden de toekomstige bouwpeilen minimaal 20 tot 30 cm hoger aangelegd dan het naastgelegen maaiveldniveau of wegpeil.

Figuur 5.6: Klimaateffectatlas Vallei en Veluwe, bui 46 mm in 1 uur

51/105

Figuur 5.7: Klimaateffectatlas Vallei en Veluwe, bui 46 mm in 1 uur Ontwatering Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten. Uitgangspunt hierbij is dat bij de inrichting van (nieuw) stedelijk gebied in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). Met andere woorden, hydrologisch neutraal ontwerpen.

Figuur 5.8: Ontwatering en drooglegging De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand. Gangbare normen voor de ontwateringsdiepte zijn opgenomen in tabel 5.3.

52/105

Tabel 5.3 Normen voor ontwateringsdiepte Riolering Momenteel zijn woningen in binnen de planlocatie aangesloten op de gemengde riolering, waarop zowel het vuilwater als het hemelwater wordt afgevoerd. In enkele aangrenzende wegen zoals de Dr. de Visserstraat, de Dr. Slotemaker de Bruinestraat en de Binnenronde ligt een regenwaterriool. Drainage Door kwel van grondwater vanuit de Utrechtse Heuvelrug ontstaan er hoge grondwaterstanden in de wijk Franse Gat. Om dit te voorkomen, is er een drainagestelsel aanwezig voor het afvoeren van overtollig water. Dit drainage stelsel wordt bemalen door middel van pompen. Verhard oppervlak Het huidig verhard oppervlak is bij benadering bepaald aan de hand van de Opentopokaart van de Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK), de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT), de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), de NEO verhardingsmonitor en luchtfoto’s. meegenomen in de bepaling voor het verhard oppervlak van de achtertuinen. Via de NEO verhardingsmonitor is de verharding van de tuinen berekend. Op basis van de gegevens van de NEO verhardingsmonitor is voor de tuinen in de huidige inrichting het verhardingspercentage vastgesteld op 50%. In de bestaande situatie is sprake van een verhard oppervlak van 20.980 m2. Dit komt overeen met een verhardingspercentage van ca. 74%.

In figuur 5.9 is een verbeelding van de oppervlakten weergegeven. De tekening is tevens bijgevoegd in Bijlage 7.

53/105

Figuur 5.9: Overzicht oppervlakten bestaande situatie Ten aanzien van het toekomstig verhard oppervlak wordt vooralsnog uitgegaan van een oppervlak van 20.540 m2. Dit komt overeen met een verhardingspercentage van ca. 72%. De oppervlakten zijn bij benadering en bepaald aan de hand van het stedenbouwkundigplan zoals opgenomen in Bijlage 7. Bij de berekening is 50 % van het netto perceeloppervlak van de beneden-bovenwoningen en eengezinswoningen (perceeloppervlak bebouwing) beschouwd als aanname voor het toekomstig verhard oppervlak van tuin- en erfverharding. Omdat de parkeerplaatsen worden uitgewerkt in een doorgroeiverharding zijn deze eveneens voor 50% als verhard beschouwd. In figuur 5.10 is een verbeelding van de oppervlakten weergegeven. De tekening is tevens bijgevoegd in Bijlage 7

54/105

Figuur 5.10: Overzicht oppervlakten toekomstige situatie In tabel 5.4 staan de oppervlakten van de bestaande en toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven. Omdat de toekomstige parkeerplaatsen worden aangelegd als doorgroeiverharding, is ten opzichte van de huidige situatie sprake van een afname van de totale verharding van 440 m2.

Tabel 5.4 Gegevens verhard oppervlak Waterbergingsopgave De toename of aanleg van verhard oppervlak zorgt voor versnelde afvoer van hemelwater. Omdat er sprake is van een verhardingsafname of toename kleiner dan 1.500 m2 is er vanuit het waterschap geen bergingsopgave voor hemelwater. In het kader van de Omgevingsvisie Veenendaal wordt vanuit de gemeente de minimale eisen voor waterberging gesteld van minimaal 25 mm waterberging over het totaal verharde oppervlakte én 2 m3 waterberging per 100 m2 bebouwd oppervlak bij hoogbouw of 2 m3 waterberging per woning bij grondgebonden woningen. Hier zal aan moeten worden voldaan. In het kader van de bergingseis van minimaal 25 mm bedraagt de bergingsopgave voor de planlocatie in totaal ca. 514 m3 (20.540 m2 x 25 mm). De exacte berekening en uitwerking vindt plaats bij een latere uitwerkingsfase.

55/105

Voor de drie appartementencomplexen (hoogbouw) dient in aanvulling op de waterbergingsopgave van 514 m3 te worden voorzien in een waterberging op eigen terrein van ca. 20 m3 per complex. Voor de twee rijen beneden-bovenwoningen en zes rijen eengezinswoningen (grondgebonden) zal per woning moeten worden voorzien in een waterberging van 2 m3. Per 10 mm kunnen extra berging 4 punten verdiend worden met een maximum van 12 punten, hiervoor dient voor de drie appartementencomplexen per 4 punten per complex ca. 10 m3 extra waterberging gerealiseerd te worden. Voor de twee rijen beneden-bovenwoningen en zes rijen eengezinswoningen (grondgebonden) kunnen 4 extra punten worden verkregen, met een maximum van 12 punten, voor elke extra m3 waterberging op eigen perceel. Randvoorwaarden en uitgangspunten In het kader van de planontwikkeling is het proces van de digitale watertoets doorlopen. Op basis van de digitale procedure blijkt dat waterbelangen worden geraakt en dat de normale procedure van toepassing is. Dit betekent dat (voor)overleg met het waterschap nodig is. Het resultaat van de digitale watertoets is opgenomen in Bijlage 7. De digitale watertoets is geen aanvraag voor een vergunning voor een wateractiviteit. De uitkomsten van de digitale watertoets zijn bedoeld voor de (ruimtelijke) planvorming fase.

Eventueel benodigde vergunningen worden niet binnen de watertoetsprocedure of met de digitale watertoets geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren); Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren); Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd; Verhard oppervlak 20.540 m2. Afname verhard oppervlak 440 m2. Wateropgave totale plan 514 m3 (25 mm/m2 verharding); Wateropgave eigen perceel: Hoogbouw: 2 m3 per 100 m2 bebouwing (20 mm); Grondgebonden woningen: 2 m3 per woning. De maximale ledigingsduur van het systeem bij voorkeur gelijk of kleiner dan 48 uur; Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG; GHG: Zuiden: 7,10 m +NAP; Noorden 6,0 m +NAP. Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden); Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen. Hemelwater Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen (hydrologisch neutraal). Het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) wordt gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en verwerkt.

Vanwege de herinrichting van de weg wordt een gescheiden hemelwaterriool aangelegd dat het hemelwater uiteindelijk afvoert. De verwachting

56/105

is dat dit ook meteen een groot deel van de waargenomen wateroverlast in het noordelijke deel van de wijk wegneemt. Hierbij dient wel rekening gehouden te worden met waarop het hemelwaterriool vervolgens afvoert. De definitieve systeemkeuze, positionering en technische uitwerking van het systeem wordt bij een latere uitwerkingsfase nader uitgewerkt en gedimensioneerd met aangegeven maatvoering en dwarsdoorsnede(s) met hoogtematen t.o.v. NAP. De diverse onderdelen van het hemel-, afvalwatersysteem worden vervolgens (civieltechnisch)uitgewerkt en getoetst. Daarnaast wordt de wijze van beheer en onderhoud en onderhoudsplichtige overlegd. Het waterschap vallei en veluwe heeft hierbij expliciet aangegeven dat Voor de verdere planuitwerking is het noodzakelijk om inzichtelijk te maken hoeveel verhard oppervlak (in m²) wordt afgekoppeld van het gemengde riool. Daarnaast moet worden vastgesteld waar het HWA-lozingspunt zich bevindt ten opzichte van het peilvak van de gemengde overstort. Indien beide in hetzelfde peilvak liggen, kan het afkoppelen verguningsvrij plaatsvinden. Bevindt het lozingspunt zich in een ander peilvak, dan is een vergunning vereist en moet worden aangetoond dat het afkoppelen geen nadelige effecten heeft op het ontvangende watersysteem.

Dit kan op verschillende manieren, conform de toelichting in Beleidsregel 3.2.13 – Brengen van water vanaf verhard oppervlak (‘afkoppelen’). Binnen de planlocatie wordt voorzien in waterberging met als doel om het afstomende regenwater korte tijd vast te houden, zodanig dat de pieken van de regenwaterafvoer worden afgevlakt en daardoor minder kans op wateroverlast is. Waterbergende voorzieningen voor 25 mm Voor het opvangen van de waterbergingsopgave van het totale plan (25 mm/m2 verharding) worden onder andere de nieuwe gemeenschappelijke parkeerterreinen ingezet (afhankelijk van de bodemopbouw en aanwezige grondsoorten ter plekke voor infiltratie). Hier kan eventueel gekozen worden door het toepassen van waterberging onder de bestratingen bijvoorbeeld in de fundering. Voor de bestratingselementen en funderingslaag kunnen verschillende waterbergende materialen worden toegepast zoals lava, (drainage)zand, schelpen, Grauwacke of systemen zoals Rockflow (steenwolelementen), Aquaflow of bergende bestratingselementen zoals de Bufferblock of Aquaparker. Het vullen van een dergelijk systeem kan op conventionele wijze middels kolken en verbuizing, waterdoorlatende verhardingsconstructies (steen of voeg), permeoblokken en/of lijn,- molgoten.

Bij de aanleg van ondergrondse voorzieningen dient, afhankelijk van het type voorziening en de belastbaarheid en gronddekking rekening te worden gehouden met de grondwaterstand (GHG) zodat een ondergrondse bergingsvoorziening zonder verlies van berging wordt aangelegd. Waterberging onder de nieuwe gemeenschappelijke parkeerterreinen kan daarbij worden gecombineerd door de aanleg van bovengrondse voorzieningen zoals wadi's of raingardens. Bij bovengrondse en groene voorzieningen is het functioneren inzichtelijker, beter te onderhouden en het draagt bij aan een groene leefomgeving. In de openbare groenvakken. Waterbergende voorzieningen percelen Voor het opvangen van de waterbergingsopgave op de percelen, 2 m3 per 100 m2 bebouwing bij hoogbouw en 2

57/105

m3 per woning bij grondgebonden woningen kan worden ingezet op het toepassen van waterdaken/groene daken op woningen en/of bijgebouwen, regenwatertonnen of -schuttingen of de aanleg/toepassing van infiltratie elementen van steenwol in de voortuinen (Rockflow/Aco Rainbloxx), de Waterbucket van Trewatin of raingardens. Kwaliteit Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Tijdens de gebruiksfase van de planlocatie verdienen de volgende zaken extra aandacht: Toepassing van chemische onkruidbestrijding; Toepassing van uitlogend wegmeubilair (met name gegalvaniseerd metaal); Wassen van auto’s door particulieren; Hondenpoep; Afval inzamelen; Regelmatig vegen; Gladheidsbestrijding. Waterschapsverordening Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc.

is in het kader van de waterschapsverordening een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden. Ten aanzien van het beoogde planvoornemen zullen zeer waarschijnlijk voor de onderstaande onderdelen een watervergunning worden aangevraagd of geldt tenminste een meldingsplicht: Tijdelijke grondwateronttrekkingen; Tijdelijke lozingen van bemalingswater. Afvalwater Het hemelwater en vuilwater binnen het plan wordt gescheiden opgevangen en uiteindelijk gescheiden aangeboden aan de kavelgrens. Bij de herinrichting van de weg schrijft gemeente Veenendaal voor dat er ook meteen een gescheiden rioolstelsel wordt aangelegd, waarop de bebouwing vervolgens wordt aangesloten. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater (mogelijk) wijzigen. Het vuilwater wordt opnieuw aangesloten op het omliggende vuilwater rioleringsstelsel. Het aantal woningen neemt toe van 95 bestaande naar circa 163 nieuwe woningen. Dit betekent dat bij een gemiddelde vuilwaterproductie van 12 l/u en 2,5 inwoners per woning, de DWA-productie toeneemt met 2,04 m3/u. Er dient te worden nagegaan of deze toename binnen de capaciteit van het huidige rioleringsstelsel en de -gemalen past. In de toekomstige situatie zal de hemelwaterafvoer afnemen door de afname van verhard oppervlak en de te realiseren waterberging.

De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal bij het verdere planproces in overleg nader worden uitgewerkt en worden getoetst.

58/105

Drainage Het bestaande drainagesysteem in de Klaas katerstraat en omliggende wegen blijft gehandhaafd of wordt vernieuwd.

5.4.3 Conclusie Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling zijn de waterhuishoudkundige consequenties in beeld gebracht waarbij de waterbelangen ten aanzien van waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit zijn gewogen. Bij de weging van de waterbelangen zijn de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving uit het omgevingsplan en de waterschapsverordening van het waterschap in acht genomen en vormde hiervoor de basis. Met het uitvoeren van de weging van het waterbelang is het kader gegeven voor het vastleggen van het wateraspect zoals dat in de omgevingswet is opgenomen. Op basis van de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen wordt er in het plan voldoende rekening gehouden met de waterbelangen.

5.5

Grondwaterbescherming

5.5.1 Wettelijk kader In de grondwaterbeschermingsgebieden is sprake van een kwetsbare functie (waterwinning voor drinkwater) en vaak een kwetsbare bodem. Daarom moeten personen en instanties die hier activiteiten ontplooien extra alert en zorgvuldig zijn op zaken die de kwaliteit van het grondwater negatief kunnen beïnvloeden. Voor de activiteiten die altijd schadelijk zijn, of die mogelijk schadelijk zijn en vaak voorkomen, zijn gerichte regels opgesteld. In afdeling 3.2 van de Omgevingsverordening worden regels gesteld voor de bescherming van het grondwater. De grondwaterbeschermingszone bestaat uit verschillende onderdelen waaronder het waterwingebied, het grondwaterbeschermingsgebied en de boringsvrijezone. Grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones liggen als een schil rond de waterwingebieden en hebben als doel de waterwinning te beschermen tegen schadelijk invloeden. De grens van deze gebieden is de lijn vanaf waar het grondwater een periode van 25 jaar nodig heeft om de pompputten te bereiken (de 25-jaarszone). Het onderscheid tussen deze zones hangt af van het antwoord op de vraag of het grondwater waaruit gewonnen wordt direct vanaf het oppervlak beïnvloed kan worden (grondwaterbeschermingsgebieden), of dat tussen maaiveld en het grondwaterpakket met de winning nog een voldoende afschermende kleilaag aanwezig is (boringsvrije zones).

5.5.2 Toetsing en conclusie Grondwaterbescherming In de grondwaterbeschermingsgebieden is sprake van een kwetsbare functie (waterwinning voor drinkwater) en vaak een kwetsbare bodem. Daarom moeten personen en instanties die hier activiteiten ontplooien extra alert en zorgvuldig zijn op zaken die de kwaliteit van het grondwater negatief kunnen beïnvloeden. Voor de

59/105

activiteiten die altijd schadelijk zijn, of die mogelijk schadelijk zijn en vaak voorkomen, zijn gerichte regels opgesteld. In afdeling 3.2 van de Omgevingsverordening worden regels gesteld voor de bescherming van het grondwater. De grondwaterbeschermingszone bestaat uit verschillende onderdelen waaronder het waterwingebied, het grondwaterbeschermingsgebied en de boringsvrijezone. Grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones liggen als een schil rond de waterwingebieden en hebben als doel de waterwinning te beschermen tegen schadelijk invloeden. De grens van deze gebieden is de lijn vanaf waar het grondwater een periode van 25 jaar nodig heeft om de pompputten te bereiken (de 25-jaarszone). Het onderscheid tussen deze zones hangt af van het antwoord op de vraag of het grondwater waaruit gewonnen wordt direct vanaf het oppervlak beïnvloed kan worden (grondwaterbeschermingsgebieden), of dat tussen maaiveld en het grondwaterpakket met de winning nog een voldoende afschermende kleilaag aanwezig is (boringsvrije zones). In de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht wordt in artikel 3.51 lid 4 aangegeven dat het centrum van Veenendaal binnen de boringsvrijezone ligt. Het doel van deze zone is het bescherming van de waterwinning.

Voor de boringsvrijezone in Veenendaal geldt een vergunningplicht bij boringen dieper dan 30 meter ten behoeve van energiesystemen of een meldingsplicht voor funderingen. De planlocatie ligt binnen de boringsvrijezone. Er zijn voor zover bekend geen activiteiten voorzien dieper dan 30 meter. De planlocatie ligt niet in een grondwaterwingebied.

Figuur 5.11: Boringsvrijezone

60/105

Conclusie De planlocatie ligt binnen de boringsvrijezone van Veenendaal, zoals bepaald in artikel 3.51 lid 4 van de Omgevingsverordening Utrecht. Voor deze zone geldt een vergunningplicht bij boringen dieper dan 30 meter en een meldingsplicht voor funderingen. Binnen het plan zijn geen activiteiten voorzien die dieper reiken dan 30 meter. De locatie ligt niet in een grondwaterwingebied. Daarmee wordt voldaan aan de instructieregel uit de Omgevingsverordening.

5.6

Luchtkwaliteit

5.6.1 Wettelijk kader Onder de Omgevingswet is het niet meer in alle gevallen nodig om te toetsen aan luchtkwaliteit. Wel moet bij het toelaten van specifiek aangewezen activiteiten (te weten de aanleg of wijziging van een wegtunnelbuis en de aanleg van een autoweg of autosnelweg) de bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) altijd worden beoordeeld. In het geval wanneer een ontwikkeling in of nabij een aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof plaatsvindt kan in de volgende gevallen onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig zijn: de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwegen; activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen; milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht Onderzoek is in deze gevallen in beginsel niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. 5.6.2 Toetsing Om de bijlage can het project op de luchtkwaliteit te toesten is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is te vinden in Bijlage 9 (Luchtkwaliteitsonderzoek Franse Gat fase 3, 18-07-2025, Sweco).

De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op de aanleg of wijziging van een autoweg, autosnelweg of tunnel voor het wegverkeer. Daarnaast is de gemeente Veenendaal niet aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof. Een toets aan de omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) onderzocht wat de (indicatieve) luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is. Maatgevend is het toetspunt aan de Klaas Katerstraat. Uit de kaart blijkt dat in 2024 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de omgevingswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2024: 10,95 µg/m³ voor NO2 15,87 µg/m³ voor PM10 8,85 µg/m³ voor PM2,5. Vanaf 2030 gaan strengere Europese luchtkwaliteitseisen gelden, dus ook in Nederland. Uiterlijk in 2030 moeten de jaargemiddelde concentraties zijn gedaald naar : 20 ìg/m³ voor NO2 (huidige norm 40 ìg/m³) 20 ìg/m³ voor PM10 (huidige norm 40 ìg/m³) 10 ìg/m³ voor PM10 (huidige norm 25 ìg/m³)

61/105

Toetsing NIBM De beoogde ontwikkeling valt binnen woningbouwlocaties onder de standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit van Artikel 5.54 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hierin wordt genoemd dat wanneer woningbouwlocaties die in geval van één ontsluitingsweg netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvatten Niet in betekende mate bijdragen. Het aantal te realiseren woningen in de planlocatie bedraagt maximaal 168. Dit totale aantal van 168 woningen valt ruim onder de grens van het NIBM-artikel. Toetsing ETFAL Naast de NIMB toetsing is ook getoetst aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hieruit moet blijken of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, met betrekking tot de luchtkwaliteit, aanwezig is. Hiervoor zijn de maximale jaargemiddelde concentraties van de luchtverontreinigende stoffen NO2 en PM10 ter hoogte van dit rekenpunt gemeten. Dit is zowel de achtergrondconcentraties en bijdrage van het lokale wegverkeer. De meetwaarden zijn terug te lezen in tabel 5.5. Hieruit blijkt dat in de directe omgeving geen overschrijdingen zijn van de grenswaarden van de betreffende stoffen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16872450/2