4. Vaststelling omgevingsplan, deel I - toelichting
Tekst van het document
Paragraaf 5.6.3 Beeldbepalende panden Artikel 5.124 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 5.125 Voorrangsregel In dit artikel is geregeld dat wanneer er voor het uitvoeren van een activiteit in het omgevingsplan meerdere regels staan die hetzelfde beogen te regelen, de regels uit paragraaf 5.6.3 altijd voorgaan. Bij strijdigheid tussen de regels, gelden de regels buiten paragraaf 5.6.3 dus niet meer.
Artikel 5.126 Specifieke zorgplicht Dit artikel bevat een zorgplicht met het doel om beeldbepalende panden in stand te houden. Een zorgplicht is een verplichting om zorgvuldig om te gaan met de belangen van anderen. In dit geval gaat het om het belang van het in stand houden van cultureel erfgoed. Bij het niet naleven van de zorgplicht, kan handhavend worden opgetreden.
Artikel 5.127 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten In dit artikel zijn de activiteiten opgesomd waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. In lid 2 worden de activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning voor het slopen, het bouwen of het afwijken van het omgevingsplan nodig is, uitgesloten van de vergunningplicht uit lid 1. De activiteiten die al vergunningsvrij zijn, blijven dus vergunningsvrij.
Artikel 5.128 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning De beschrijvingen van de karakteristieke kenmerken van de beeldbepalende panden zijn opgenomen in de welstandsnota van de gemeente Veenendaal.
Artikel 5.129 Beoordelingsregel omgevingsvergunning De beschrijvingen van de karakteristieke kenmerken van de beeldbepalende panden zijn opgenomen in de welstandsnota van de gemeente Veenendaal. De commissie ruimtelijke kwaliteit beoordeelt of er wel of niet blijvend afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke kenmerken van het beeldbepalende pand.
Paragraaf 5.6.4 Integrale ensembles Artikel 5.130 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 5.131 Specifieke zorgplicht Dit artikel bevat een zorgplicht met het doel om onevenredige aantasting van integrale ensembles te voorkomen. Een zorgplicht is een verplichting om zorgvuldig om te gaan met de belangen van anderen. In dit geval gaat het om het belang van het in stand houden van cultureel erfgoed. Bij het niet naleven van de zorgplicht, kan handhavend worden opgetreden.
Paragraaf 5.6.5 Stedenbouwkundige ensembles Artikel 5.132 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
195
Artikel 5.133 Specifieke zorgplicht Dit artikel bevat een zorgplicht met het doel om onevenredige aantasting van stedenbouwkundige ensembles te voorkomen. Een zorgplicht is een verplichting om zorgvuldig om te gaan met de belangen van anderen. In dit geval gaat het om het belang van het in stand houden van cultureel erfgoed. Bij het niet naleven van de zorgplicht, kan handhavend worden opgetreden.
Afdeling 5.7 Activiteiten met betrekking tot flora en fauna Paragraaf 5.7.1 Algemeen Artikel 5.134 Oogmerken In het landschapsontwikkelingsplan (LOP) is beschreven welke natuur- en landschappelijke waarden er in Veenendaal voorkomen.
Paragraaf 5.7.2 Hinderlijke of schadelijke dieren Artikel 5.135 Aanwijzing activiteiten Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen.
Artikel 5.136 Specifieke zorgplicht Dit artikel bevat een zorgplicht met het doel om overlast van de in dit artikel genoemde dieren te voorkomen. Een zorgplicht is een verplichting om zorgvuldig om te gaan met de belangen van anderen. In dit geval gaat het onder andere om het belang van de openbare gezondheid en het voorkomen en tegengaan van overlast. Omdat de begrippen overlast en schade aan de openbare gezondheid tamelijk subjectief van aard zijn, wordt in deze toelichting omschreven wat in ieder geval onder ‘overlast’ en ‘schade aan de openbare gezondheid’ wordt verstaan. Overlast Om te bepalen of sprake is van overlast wordt gekeken naar • het soort dier (denk hierbij ook aan verschillende rassen); • de aard, ernst en duur van de overlast; en • het aantal dieren. Met overlast wordt hier in ieder geval bedoeld geluidsoverlast en geuroverlast. Andere vormen van overlast zijn ook denkbaar (denk hierbij aan stof- of lichtoverlast). Geluidsoverlast Om aan te nemen dat sprake is van geluidsoverlast moet naar bovengenoemde factoren worden gekeken. Indien bijvoorbeeld meerdere dieren aanwezig zijn, is het sneller aannemelijk dat sprake is van overlast. Daarnaast wordt sneller aangenomen dat dieren met een waaks karakter (bijvoorbeeld herdershonden) eerder voor overlast kunnen zorgen (zie ook ECLI:NL:RBROE:2007:BB8806).
Voor wat betreft aard, ernst en duur wordt gekeken naar bijvoorbeeld het tijdstip waarop geluidsoverlast wordt veroorzaakt. Indien een dier tussen 22.00 en 08.00 geluiden veroorzaakt zal dit sneller tot overlast leiden dan wanneer een dier gedurende de dag geluid maakt. Een dier dat overdag frequent geluid maakt kan in bepaalde gevallen ook als overlastgevend worden aangemerkt. Het is dus afhankelijk van de omstandigheden in een concreet geval om te bepalen of sprake is van geluidsoverlast. Bovenstaande criteria geven houvast om te bepalen of sprake is van overlast. Om de geluidsoverlast te objectiveren kan de gemeente ervoor kiezen om: • Een buurtonderzoek te organiseren waarbij een toezichthoudend ambtenaar of een opsporingsambtenaar de geluidsoverlast kan constateren. Hierbij gaat hij na bij buurtbewoners in welke mate sprake is van overlast. Men moet dan denken aan hoe vaak en wanneer het dier geluid maakt. (dit is voldoende objectief volgens ECLI:NL:RBOBR:2013:4431); • Het meten van geluidsoverlast met meetapparatuur (uitgaande van de normen uit de ‘handreiking industrielawaai’) is niet vereist maar kan wel gebruikt worden.
Het belangrijkst is dat de overlast vast komt te staan, niet de overschrijding van een bepaald geluidsniveau (zie ook ECLI:NL:RBROE:2007:BB8806 , uit deze uitspraak blijkt dat verweerder in ieder geval vast moet stellen dat de onderliggende wettelijke bepaling feitelijk is overtreden. Aangezien het hier om een overlastbepaling gaat staat het voorop dat sprake is van overlast).
196
Metingen kunnen ter ondersteuning van het aannemelijk maken van een overtreding worden gebruikt. Een onderliggende klacht (of meerdere klachten) in combinatie met buurtonderzoek is leidend om aan te nemen dat sprake is van geluidsoverlast. Indien uiteindelijk ook gekozen wordt voor het meten van geluidsoverlast kan het beste worden uitgegaan van het langtijdgemiddelde en niet van de piekwaarden. Indien een hond blaft komt dat zeer snel boven de piekwaarden uit zoals genoemd in de handreiking industrielawaai. Wanneer men van piekwaarden uitgaat zou men moeten voorkomen dat het dier geluid maakt. Het is redelijker om uit te gaan van een langtijdgemiddelde (zie ook ECLI:NL:RVS:2011:BU3716) ; • Als een toezichthoudende ambtenaar of opsporingsambtenaar constateert dat sprake is van overlast kan men ervoor kiezen om handhavend op te treden. Geuroverlast Om aan te nemen dat sprake is van geuroverlast wordt weer gekeken naar de algemene criteria zoals genoemd onder het kopje ‘overlast’. Aangezien er momenteel niet veel jurisprudentie bestaat over het objectiveren van geuroverlast, wordt aangehaakt bij de methode die wordt gehanteerd bij geluidsoverlast. Het houden van een buurtonderzoek, het constateren van de overlast door een opsporingsambtenaar/toezichthoudend ambtenaar en het inventariseren van klachten is afdoende om geuroverlast te objectiveren.
Schade aan de openbare gezondheid Schade aan de openbare gezondheid wordt aangenomen als men lichamelijke of psychische problemen ondervindt door de overlast. Men kan hierbij denken aan aandoeningen die worden veroorzaakt door de geur/stoffen afkomstig van het dier of die samenhangen met het houden van het dier. Ook kan men denken aan slaapproblemen die te wijten zijn aan de door het dier veroorzaakte overlast. Sub a Bijen Het vliegen van bijen kan, als de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst zijn en op zodanige wijze dat de ‘aanvliegbanen’ hiervan over de weg lopen, gevaar voor de veiligheid van de weg opleveren. Dit gevaar kan meestal met eenvoudige middelen, zoals het verleggen van de aanvliegroute door het plaatsen van een afscheiding, worden teruggebracht. Sub b Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting dit zoveel mogelijk te voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten lopen van honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel 5.107. Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 van het WvSr. Daarin wordt het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend pluimgedierte (o.a.
kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige grond die bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd. Sub c In sub c van dit artikel is aangegeven waar minimaal zorg voor moet worden gedragen om aan de zorgplicht te voldoen. In sub c onder 1 gaat het om het dagelijks opruimen van uitwerpselen en voedselresten en het opruimen of voorkomen van overlast gevende geuren en stoffen. Sub c onder 2 ziet op het voorkomen van geluidsoverlast. Deze regel is slechts van toepassing indien uit klachten of een buurtonderzoek is gebleken dat sprake is van overlast. Wanneer er sprake is van overlast, worden de dieren tussen 22:00 uur en 08:00 uur binnengehouden in een geluidwerende ruimte of een nachthok. Hierdoor kan de nachtrust voor omwonenden veilig worden gesteld. Met nachthok wordt hier bedoeld het nachtverblijf dat bedoeld is voor een haan. Een nachthok voldoet ten minste aan de volgende eisen: • dubbelwandig met isolatie tussen de wanden; • volkomen afgesloten voor het doordringen van daglicht. Met binnen houden dan wel plaatsen in een geluidswerende ruimte wordt bedoeld dat het dier geplaatst wordt in een gebouw. Onder gebouw wordt verstaan elk bouwwerk dat een voor menselijke toegankelijke, overdekte geheel met
197
wanden omsloten ruimte vormt. Eventuele aanwezige ramen en deuren blijven zoveel als mogelijk gesloten. Een hondenhok wordt in dit verband niet als gebouw gezien. Indien geluidsoverlast wordt ondervonden anders dan tussen 22.00 uur en 08.00 uur kan dat ook op grond van sub c worden aangepakt. De eigenaar/houder van een dier vindt zelf een manier waardoor de overlast wordt opgeheven of kan worden voorkomen. Denk hierbij aan het uit eigen initiatief binnenhouden van het dier of het laten dragen van ‘blafbanden’ bij overlast gevende honden. Burgemeester en wethouders schrijven hier niet voor welke maatregelen een eigenaar/houder van een dier moet nemen. Op andere vormen van overlast kan tevens op grond van het derde lid handhavend opgetreden worden.
Paragraaf 5.7.3 Vellen van houtopstanden Artikel 5.137 Aanwijzing activiteiten Een algemeen kapverbod geeft de gemeente onnodig veel werk omdat er in praktijk meer dan 90% van de aanvragen een kapvergunning wordt verleend. Ook voor de burger is een algemeen kapverbod belastend. In verband met deregulering is daarom in 2007 gekozen voor het uitgangspunt dat in beginsel geen kapvergunning vereist is voor het vellen van een boom, tenzij deze vermeld staat op de door de gemeente opgestelde en vastgestelde bomenlijst. Van belang is om bij de aanvrager onder de aandacht te brengen dat (ook) een vergunning nodig kan zijn op grond van het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet. Met name de vogels in de bomen dienen te worden beschermd. Ten slotte: deze bepalingen zijn bedoeld om toe te zien op het onderhoud en bewaren van het (openbare) groen. Hoe dat eruit ziet en wat daarbij de meest geschikte methode is, kan zeer lokaal bepaald zijn en daarom per gemeente sterk verschillen. Dat blijkt ook in de praktijk: waar veel bepalingen uit de model-APV door de meeste gemeenten worden overgenomen, bestaat bij dit artikel een grote lokale diversiteit.
Artikel 5.138 Voorrangsregel Ook in de bestemmingsplannen, die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zijn regels opgenomen over het vellen van houtopstanden. Daar waar die regels samenvallen met de regels in deze paragraaf zijn alleen de regels van deze paragraaf van toepassing. De burger hoeft dus niet twee vergunningen voor eenzelfde boom aan te vragen.
Artikel 5.139 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten In deze bepaling wordt het belangrijkste element geïntroduceerd: de bomenlijst. Het vaststellen van een bomenlijst gebeurt door de raad in de vorm van een werkingsgebied waardevolle bomenlijst vast te stellen in het omgevingsplan. Aanpassingen en wijzigingen kunnen door burgemeester en wethouders worden vastgesteld op grond van artikel 12.13. Bespreekpunt daarbij zou voor de raad wel kunnen zijn in hoeverre de raad nog betrokken kan blijven bij het wijzigen van de lijst. Uitgangspunten van deze lijst zijn: • de verantwoordelijkheid ligt bij de gemeenten zelf: dat wil zeggen voor het inventariseren en actualiseren van het gemeentelijk bomenbestand en het overnemen van de gemeentelijke monumentale bomen die vermeld staan op de landelijke lijst van de Bomenstichting in Utrecht. • duidelijk en inzichtelijk voor de burgers. • zoveel mogelijk de te beschermen bomen verankeren in het omgevingsplan in een werkingsgebied of een andere kaart. De omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden is aangewezen in artikel 5.139. Soms zal naast deze omgevingsvergunning nog een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig zijn in verband met de bescherming van vogels en hun nesten in de bomen (paragraaf 11.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving).
De aanvrager kan zelf beslissen of deze omgevingsvergunningen los van elkaar of gelijktijdig worden aangevraagd. Bij een gecombineerde aanvraag is de gemeente bevoegd gezag en heeft de provincie advies- en instemmingsrecht. Er wordt dan dus één omgevingsvergunning verleend of geweigerd. Bij losse aanvragen beslist de gemeente op de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden en de provincie op de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit. Vierde lid
198
Door het vierde lid wordt bij onmiddellijk gevaar het kapverbod buiten werking gesteld.
Artikel 5.140 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning In de Omgevingswet zijn indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning opgenomen. Naast een aantal algemene indieningsvereisten zijn er in artikel 5.140 nog een aantal speciale indieningsvereisten voor het vellen van houtopstanden opgenomen. Let op: handelen zonder of in strijd met een omgevingsvergunning is een economisch delict op grond van artikel 1a van de WED. Als er sprake is van opzet kwalificeert dit delict als een misdrijf.
Artikel 5.141 Beoordelingsregels omgevingsvergunning Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 5.142 Maatwerkvoorschriften Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Afdeling 5.8 Activiteiten met betrekking tot afval Paragraaf 5.8.1 Algemeen Artikel 5.143 Oogmerken Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Paragraaf 5.8.2 Huishoudelijke afvalstoffen Artikel 5.144 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 5.145 Algemene regels inzameldienst en inzamelaars Dit artikel omvat de aanwijzing van de onderneming die met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen is belast. Lid 2 verwijst naar bijlage 2 Huishoudelijk afvalstoffen van het omgevingsplan waarin is opgesomd welke andere inzamelaars zijn aangewezen om huishoudelijke stoffen in te zamelen.
Artikel 5.146 Algemene regels inzamelen oud papier en karton Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 5.147 Algemene regels dagen en tijden van aanbieding Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 5.148 Algemene regels gebruik en aanbieden inzamelmiddelen Er is een onderscheid tussen inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen. Inzamelmiddelen dienen het ter inzameling aanbieden door een huishouden, zoals een minicontainer, afvalemmer, plastic afvalzak. Inzamelvoorzieningen, dienen het collectief ter inzameling aanbieden door meerdere huishoudens, zoals een verzamelcontainer of een wijkcontainer, voor het inzamelen daarvan. Dit artikel bevat regels over de wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen worden aangeboden.
Artikel 5.149 Algemene regels afvalscheiding Dit artikel regelt welke bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk moeten worden ingezameld, met welke frequentie en op welke locatie. Deze locatie kan zijn bij elk perceel, nabij elk perceel of een van deze met uitzondering van bepaalde gebieden van de gemeente. Het artikel omvat daarnaast concrete omschrijvingen van de te scheiden bestanddelen om discussies te slechten en om in het kader van de handhaving houvast te bieden.
Artikel 5.150 Algemene regels verboden Lid 1 regelt dat het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen niet anders mag gebeuren via de kanalen die daarvoor in artikel 5.145, artikel 5.147 en artikel 5.148 zijn aangewezen. Lid 2 regelt de keerzijde van artikel 5.149. Wat gescheiden moet worden ingezameld, moet ook gescheiden worden aangeboden. Lid 3 bevat een vrijstelling van het verbod in lid 2 voor personen die woonachtig zijn in een gestapelde woning. Een gestapelde woning is in de begripsbepalingen gedefinieerd als een woning die zich bevindt in een woongebouw dat bestaat uit twee of meer boven- of nagenoeg boven- elkaar gesitueerde woningen. Lid 4 bevat een verbod om een inzamelmiddel na afloop van de tijden, bedoeld in artikel 5.150 , eerste Lid, aanhef en onder d, buiten een perceel te laten staan.
199
Paragraaf 5.8.3 Bedrijfsafvalstoffen Artikel 5.151 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 5.152 Algemene regels inzameling Dit artikel geeft de categorieën bedrijfsafvalstoffen weer die door de inzameldienst van huishoudelijke afvalstoffen worden opgehaald.
Artikel 5.153 Algemene regels aanbieden Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 5.154 Algemene regels verboden Alleen die bedrijven die betalen voor de gemeentelijke inzamelvoorzieningen mogen hun bedrijfsafvalstoffen aanbieden aan de inzameldienst.
Paragraaf 5.8.4 Zwerfafval en overige Artikel 5.155 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 5.156 Specifieke zorgplicht Sub a en b gaan over straatafval. Dat is afval dat onderweg ontstaat, buiten een perceel, dat niet als zwerfafval op straat of in het plantsoen terecht dient te komen en waarvoor afvalbakken of voorzieningen zijn om zich daarvan ter plekke te ontdoen (voor zover van zeer beperkte omvang en gewicht). Klein chemisch afval is uitdrukkelijk uitgesloten van de omschrijving. Dit afval dient in alle gevallen via de daartoe opgezette inzamelstructuur te worden verwijderd. Het gaat hier per definitie om afvalstoffen die "buiten een perceel ontstaan". Er bestaat een zorgplicht om een huishoudelijke afvalstof, ontstaan op of binnen het perceel, aan te bieden volgens de bepalingen uit paragraaf 5.8.2. Sub c en d bevatten een zorgplicht om geen zwerfafval achter te laten op locaties waar milieubelastende activiteiten zijn toegestaan. Sub e en f gaan over het laden en lossen en bevat een zorgplicht om na beëindiging van de werkzaamheden de weg opgeruimd achter te laten. Degene die de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt heeft de zorgplicht om na beëindiging van de werkzaamheden de weg opgeruimd achter te laten. Het doel van het artikel is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren.
Artikel 5.157 Algemene regels verboden In lid 1 is de afgifte van autowrakken door huishoudens geregeld. Op grond van artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken (hierna: BBA) moeten gemeenten in hun afvalstoffenverordening bepalen dat een autowrak, zijnde een huishoudelijk afvalstof, slechts mag worden afgegeven aan autodemontagebedrijven, garages en autoschadeherstelbedrijven of aan een persoon die in een ander land dan Nederland is gevestigd (onder strikte voorwaarden). Op grond van artikel 7 van het BBA worden autowrakken, afkomstig van huishoudens uitdrukkelijk uitgezonderd van de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk afval. Lid 2 heeft een milieubeschermende functie en beoogt de gemeenten een instrument te geven om illegale dumpingen, voor zover er geen hogere wet- of regelgeving van toepassing is, of het ontstaan van zwerfafval tegen te gaan. In het eerste lid worden bewust de termen stof en voorwerp gebruikt en niet alleen de term afvalstof, omdat niet altijd duidelijk is of de desbetreffende stoffen of voorwerpen afvalstoffen zijn. Lid 3 geeft aan in welke gevallen het verbod in lid 2 niet geldt. Lid 4 regelt dat wanneer niet direct duidelijk is wie de overtreder is van het verbod in lid 2, de persoon die herleid kan worden vanuit de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp als overtreder van het verbod wordt gezien.
In lid 5 is het verbod opgenomen om huishoudelijke afvalstoffen op te slaan op een voor publiek waarneembare plaats. Het bewaren van huishoudelijke afvalstoffen voor de eerstvolgende aanbieding wordt niet als opslag gezien.
Hoofdstuk 6 Beheer en onderhoud Afdeling 6.1 Gedoogplichten Artikel 6.1 Gedoogplichten
200
In beginsel biedt de Belemmeringenwet Privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet Privaatrecht is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerende zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.
Hoofdstuk 8 Procesregels Afdeling 8.1 Voorbereiding van besluiten Paragraaf 8.1.1 Erfgoed Artikel 8.1 Gemeentelijk erfgoedregister Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het beschermd gemeentelijk aangewezen cultureel erfgoed als dat krachtens dit omgevingsplan is gebeurd. Het woord onherroepelijk betekent hier dat tegen de aanwijzing geen beroep of bezwaar is ingesteld of dat het is afgewezen.
Artikel 8.2 Aanwijzing gemeentelijke monumenten Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument. Dit artikel bevat de criteria die de gemeente Veenendaal hanteert. Hierbij moet op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een belangenafweging worden gemaakt. Hoewel niet concreet genoemd, valt hieronder ook het belang van het gebruik van het monument.
Artikel 8.3 Voornemen tot aanwijzing Voor alle zakelijk gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.
Artikel 8.4 Voorbescherming Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. Het is vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeit uit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft gelden voor rijksmonumenten).
Artikel 8.5 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit Voor de beslistermijn is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid).
Artikel 8.6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving Ontvangst van de aanwijzing is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers. De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is alleen een administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.
Artikel 8.7 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de adviescommissie zoals bedoeld in Artikel 8.14 pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De bescherming van paragraaf 5.6.2 geldt echter vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet eenvoudig omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming.
201
Artikel 8.8 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister.
Artikel 8.9 Aanwijzing beeldbepalende panden Dit artikel bevat de criteria die de gemeente Veenendaal hanteert voor het aanwijzen van beeldbepalende panden. Hierbij moet op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een belangenafweging worden gemaakt.
Artikel 8.10 Voornemen tot aanwijzing Ontvangst van de aanwijzing is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.
Afdeling 8.3 Advies Onder de Omgevingswet is een adviescommissie alleen verplicht voor het toetsen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een Rijksmonument (artikel 16.15a Omgevingswet). De commissie kan een bredere adviesrol toegewezen krijgen door de raad, dit moet worden omschreven in het omgevingsplan. In deze afdeling wordt omschreven wat de commissie ruimtelijke kwaliteit inhoud, en in welke gevallen zij advies moet of kan verlenen.
Paragraaf 8.3.1 Advies Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Artikel 8.13 Taak en werkzaamheden Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Tweede lid Dit lid beschrijft de adviestaak in algemene zin: het adviseren van de raad en burgemeester en wethouders op het gebied van de omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de wet. De commissie adviseert dus niet over andere aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Derde lid Onderdeel a Dit betreft de advisering over aanvragen om een omgevingsvergunning of de advisering over een ontwerpbesluit als burgemeester en wethouders geen bevoegd gezag zijn. De commissie adviseert op verzoek van burgemeester en wethouders over een aanvraag voor: 1 De bescherming van monumenten als gemeentelijk monument gebeurt door aan het monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Met een voorbereidingsbesluit kan voorbescherming worden geboden aan een locatie waarvoor wordt overwogen deze de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.
In Veenendaal zijn er naast gemeentelijke monumenten ook beeldbepalende panden aangewezen. Wanneer een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, als bedoeld in Artikel 5.127, adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders op deze aanvraag.
De raad kan op grond van artikel 16.15, tweede lid, van de Omgevingswet in het nieuwe deel van het omgevingsplan bepalen in welke gevallen een advies verplicht is. Dit kan per gebied of per type activiteit of bouwwerk verschillen. Zolang nog geen gevallen zijn aangewezen, zet het college het bestaande beleid met betrekking tot het vragen van commissieadvies voort. Omdat het omgevingsplan ook bij een projectbesluit of een voorbereidingsbesluit kan worden gewijzigd, brengt dit mee dat ook Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur van het Waterschap en de Minister van OCW de commissie als adviseur in het omgevingsplan kunnen aanwijzen. Regels over de aanwijzing van de commissie als adviseur kunnen ook onderdeel zijn van de voorbeschermingsregels waarmee een voorbereidingsbesluit het omgevingsplan wijzigt. Overigens betekent dit niet dat de commissie daarmee ook formeel adviesorgaan van die andere bestuursorganen
202
wordt. Als burgemeester en wethouderse geen bevoegd gezag zijn voor de aanvraag om een omgevingsvergunning maar adviseur, is de commissie ook adviseur en richt het advies van de commissie zich tot burgemeester en wethouders in plaats van het bevoegd gezag (artikel 4.22 van het Omgevingsbesluit).
Dit onderdeel is gelijkwaardig aan de huidige zogenoemde “kan-bepaling” over de welstandsadvisering in artikel 6.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht. Burgemeester en wethouders kunnen – voor zover dat in het omgevingsplan niet anders is geregeld – op grond daarvan zelf bepalen of zij een advies inwinnen bij de commissie. De Omgevingswet biedt de gemeente een kans om te zorgen voor een betere inbedding en aansluiting van welstandsaspecten binnen het ruimtelijke kwaliteitsbeleid. Het streven naar een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de Omgevingswet is daarbij het overkoepelende doel. Daarom is de advisering niet beperkt tot ingrepen aan beschermde monumenten en het uiterlijk van bouwwerken. De commissie adviseert zowel over de toepassing van de regels in het omgevingsplan zelf (zoals de mogelijkheid tot “binnenplanse” afwijkingen), als over de toepassing van de beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit gebeurt vanuit het doel van een goede omgevingskwaliteit .
Op verzoek van burgemeester en wethouders adviseert de commissie over de aanwijzing van een gemeentelijk monument.
Op verzoek van burgemeester en wethouders adviseert de commissie over de aanwijzing van een voorlopig gemeentelijk monument.
De Minister van OCW vraagt ingevolge de Erfgoedwet altijd advies aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar een monument of archeologisch monument zich bevindt, alvorens te besluiten het aan te wijzen als rijksmonument. In dat geval is de commissie adviseur van burgemeester en wethouders. De commissie is ook adviseur in geval burgemeester en wethouders voornemen hebben een monument aan te wijzen als gemeentelijk monument (door de locatie de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven).
Op verzoek van burgemeester en wethouders adviseert de commissie over de aanwijzing van een beeldbepalend pand.
Dit onderdeel geeft invulling aan de mogelijkheid als bedoeld in artikel 17.9, tweede lid, van de Omgevingswet om de commissie in te schakelen bij het ontwikkelen van beleid voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Zoals hierboven vermeld gaat het uitsluitend om beleid op het gebied van de omgevingskwaliteit.
Dit onderdeel betreft de opgavegerichte advisering in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave. In geval van een verkenning in het kader van een projectprocedure of projectbesluit als bedoeld in artikel 5.48, tweede lid, van de Omgevingswet onderzoekt het bevoegd gezag de mogelijke oplossingen voor een opgave. Door de verkenning kan het bevoegd gezag inzichten verkrijgen in: - de aard van de opgave, - de relevante ontwikkelingen voor de fysieke leefomgeving, en - de mogelijke oplossingen voor die opgave. Hieronder vallen ook de oplossingen die anderen aandragen en waarvan het bevoegd gezag na beoordeling ervan besluit deze mee te nemen in de verkenning. Burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen van het Rijk en de provincie die een mogelijke oplossing hebben aangedragen, kunnen aan burgemeester en wethouders vragen een deskundige instantie als de commissie over hun oplossing te raadplegen. Burgemeester en wethouders kunnen ook zelf advies vragen over de aangedragen oplossingen voor de opgave.
203
De laatste zinsnede van dit onderdeel geeft aan dat ook als er geen sprake is van een projectprocedure of projectbesluit burgemeester en wethouders aan de commissie advies kunnen vragen in het kader van een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving.
Dit onderdeel betreft de ontwerpgerichte advisering. Deze taak heeft geen betrekking op het adviseren over door burgemeester en wethouders op aanvraag te nemen besluiten, maar op het informeren en begeleiden van planindieners en ontwerpers gedurende het ontwerpproces, met het doel een hoogstaande stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit te bereiken. Dit onderdeel biedt de mogelijkheid om in een specifiek geval de commissie of een lid van de commissie te belasten met of te betrekken bij deze taak.
Vooroverleg bij een vergunningaanvraag wordt in de Omgevingswet niet gereguleerd. De bestaande praktijk kan op grond van dit onderdeel worden voortgezet. Het belang van een goed vooroverleg neemt toe, aangezien het vereiste van onlosmakelijke samenhang vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) niet is overgenomen in de Omgevingswet. De initiatiefnemer is er zelf verantwoordelijk voor dat zij of hij voor alle activiteiten beschikt over de vereiste vergunningen. Het is aan de initiatiefnemer om de verschillende eisen op elkaar af te stemmen. Vooral bij complexe projecten is vooroverleg van groot belang.
In dit onderdeel is bepaald dat de commissie ook adviseur kan zijn bij het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen. De aanschrijvingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet in geval van een bouwwerk dat in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand, is opgenomen in de bruidsschat als bedoeld in artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Dit in de vorm van een bevoegdheid tot stellen van maatwerkvoorschriften (zie Artikel 22.6 in samenhang met Artikel 22.3). De specifieke zorgplicht voor rijksmonumenten verplicht initiatiefnemers om maatregelen te nemen om het beschadigen of vernielen van (voorbeschermde) rijksmonumenten te voorkomen. Een activiteit hoeft daarbij niet gericht te zijn op een rijksmonument. Het is voldoende dat een activiteit in de fysieke leefomgeving effect heeft op dat rijksmonument. Een voorbeeld hiervan is het bouwen van een tunnel, waardoor een rijksmonument kan verzakken. De regels voor de specifieke zorgplicht staan in hoofdstuk 13 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De gemeente kan op grond daarvan maatwerkvoorschriften opleggen.
Artikel 8.14 Verplichte advisering Dit artikel sluit aan op de verplichte adviezen op grond van artikel 17.9 van de Omgevingswet en het op grond van de voormalige erfgoedverordening verplichte advies bij gemeentelijke monumenten.
Artikel 8.15 Samenstelling Dit lid geeft invulling aan artikel 17.7, eerste lid, van de Omgevingswet, waarin is bepaald dat de raad het aantal leden vaststelt. Er worden ook plaatsvervangers benoemd, zodat de commissie ook kan functioneren wanneer één of meer vaste leden zijn verhinderd.
Dit lid geeft aan dat de leden als deskundigen op persoonlijke titel en op grond van hun persoonlijke kwalificaties worden benoemd. Hun lidmaatschap is niet afhankelijk van het bekleden van een bepaalde functie of het hebben van een bepaalde hoedanigheid. De leden vertegenwoordigen geen bijzondere belangen. Dat betekent bijvoorbeeld dat belangenorganisaties op het gebied van de omgevingskwaliteit geen vertegenwoordigers in de commissie hebben. De leden oefenen hun functie onafhankelijk uit. Daartegenover staat dat benoeming niet achterwege zal blijven enkel vanwege het lidmaatschap van een bepaalde groepering of het bekleden van een bepaalde bestuurlijke of maatschappelijke functie. Daarnaast beschikken de leden over inzicht in maatschappelijke verhoudingen op grond van maatschappelijke kennis en ervaring.
204
Deze leden zien toe op de deskundigheidsgebieden die in de commissie vertegenwoordigd moeten zijn. De Omgevingswet schrijft voor dat binnen de commissie enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg, en dat die in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument. Volgens de Memorie van toelichting beschikt de commissie ten minste over deskundigheid op het gebied van cultuurhistorie, bouw- en architectuurhistorie, restauratiearchitectuur, landschap en stedenbouw (Kamerstukken II 2014-2015, 33962 nr. 3, p. 581).
Dit lid zorgt voor een aanscherping van de wettelijke eis van onafhankelijkheid ten opzichte van het gemeentebestuur. Artikel 17.8 van de Omgevingswet stelt slechts als eis, dat de leden van het gemeentebestuur geen lid zijn van een gemeentelijk adviesorgaan.
Artikel 8.16 Benoeming Het eerste en tweede lid hebben betrekking op de benoemingstermijn als bedoeld in artikel 17.7, eerste lid, van de Omgevingswet. Het derde en vierde lid regelt de herbenoeming. De regels voor de herbenoeming zijn alleen van toepassing op de leden, niet op hun plaatsvervangers.
Dit lid regelt schorsing en ontslag. De Omgevingswet bepaalt dat de raad de leden benoemt en ontslaat (artikel 17.7, tweede lid, van de Omgevingswet). Het is vanzelfsprekend dat leden op eigen aanvraag worden ontslagen. Zij kunnen verder worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.
Artikel 8.17 Ondersteuning van de commissie Volgens het eerste lid wordt de commissie bijgestaan door een secretariaat dat berust bij Stichting MooiSticht. Het tweede lid borgt dat het secretariaat slechts door de belangen van de commissie wordt geleid.
Artikel 8.18 Adviestermijn In de Omgevingswet is geen termijn gesteld waar binnen de commissie moet adviseren. Deze termijn mag volgens artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht niet zodanig kort zijn, dat de commissie haar taak niet meer kan vervullen. In dit omgevingsplan is voor een termijn van vier weken gekozen, tenzij er sprake is van een aanvraag omgevingsvergunning voor een reguliere procedure. Hiervoor geldt een adviestermijn van twee weken.
Artikel 8.19 Beraadslaging en standpuntbepaling De geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 2:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de commissie en de daarvoor werkzame personen.
Dit lid is een nadere regeling van uitwerking van de wettelijke eis van openbaarheid als bedoeld in artikel 17.9, vijfde lid, van de Omgevingswet.
Uit artikel 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot toelichting van een plan ten overstaan van de commissie wordt geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning.
Dit lid ziet erop toe dat in de vergadering voldoende leden aanwezig zijn, zodat een deskundig oordeel kan worden gevormd.
Dit lid behoeft geen verdere toelichting.
Dit lid borgt de wettelijke eis dat enkele leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een
205
rijksmonumentenactiviteit (artikel 17.9, eerste lid, van de Omgevingswet).
Met deze bepaling wordt verstrengeling van belangen tegengegaan..
Artikel 8.20 Afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie Dit artikel geeft de mogelijkheid om de advisering namens de commissie over te laten aan een of meer leden, al dan niet in een vaste samenstelling. De commissie blijft verantwoordelijk voor het advies. Een goede omschrijving van het manaat is nodig om aan het advies een doorslaggevende betekenis toe te kennen. Dit kan worden opgenomen in het reglement van orde (Artikel 8.23). Daarbij moet wel rekening worden gehouden met de wettelijke eis dat enkele leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit (artikel 17.9, eerste lid, van de Omgevingswet)
Artikel 8.21 Adviseurs Dit artikel geeft de commissie de bevoegdheid zich ten behoeve van de advisering te laten voorlichten door ambtenaren (eerste lid) of door externe deskundigen (tweede lid). Een ambtenaar of een externe deskundige kan ingevolge het derde lid op uitnodiging van de commissie aanwezig zijn bij de vergaderingen of als adviseur deelnemen aan de beraadslagingen. Deze regeling sluit aan op de gegroeide praktijk, waarbij de commissies afhankelijk van de behoefte, specifieke adviseurs inschakelen (bijvoorbeeld een specialist op het gebied van historische interieurs of een specialist op het gebied van duurzaam bouwen).
Artikel 8.22 Verwerking van het advies Dit artikel is opgenomen met het oog op een goede vervulling van de adviestaak. Daarvoor is nodig dat de commissie voortdurend inzicht heeft in hoe burgemeester en wethouders omgaan met de uitgebrachte adviezen.
Artikel 8.23 Reglement van orde De commissie stelt een reglement van orde vast.
Dit lid geeft aan welke onderwerpen in ieder geval in het reglement van orde worden opgenomen.
Dit lid regelt de bekendmaking van het reglement van orde.
Artikel 8.24 Relatie met andere adviseurs Dit artikel regelt een goede afstemming tussen de werkzaamheden van andere adviseur(s) op het gebied van de omgevingskwaliteit en de commissie.
Artikel 8.25 Vergoeding Dit artikel regelt de vergoeding die de leden en de adviseurs. Dit kan op basis van een overeenkomst met de adviesorganisatie.
Artikel 8.26 Jaarverslag Het jaarverslag als bedoeld in artikel 17.9, zesde lid, van de Omgevingswet kan voor de raad aanleiding zijn voor bijstelling van het gemeentelijk beleid. De commissie kan naar aanleiding van de verrichte werkzaamheden beleidsaanbevelingen doen. Bijvoorbeeld over de in het omgevingsplan op te nemen beoordelingscriteria met betrekking tot de omgevingskwaliteit. Om die reden verschijnt het jaarverslag tijdig vóór de jaarlijkse beleids- en begrotingscyclus in de gemeente De specifieke bepalingen over het jaarverslag van burgemeester en wethouders zijn onder de Omgevingswet vervallen. In verband met de politieke verantwoordelijkheid voor de omgevingskwaliteit hebben burgemeester en wethouders het voornemen om de bestaande praktijk van verantwoording en terugkoppeling voort te zetten en deze mee te nemen in de verplichte evaluatierapportage over de uitvoering van het omgevingsrecht aan de raad. In de gemeentelijke evaluatierapportage kan bijvoorbeeld aandacht worden besteed aan hoe is omgegaan met de adviezen
206
van de commissie en aan het (tijdig) inwinnen en ontvangen van advies binnen de afdoeningstermijn.
Afdeling 8.6 Overige procesregels Artikel 8.27 Aanwijzing collectieve festiviteit Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 8.28 Algemene weigeringsgrond omgevingsvergunning De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten, mits de aanvrager de kans heeft gekregen om de aanvraag aan te vullen. Gemeenten kunnen in het omgevingsplan geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten. Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een –volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de omgevingsvergunning nodig heeft. Een omgevingsvergunning zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente.
Dit artikel biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Hoofdstuk 9 Handhaving Artikel 9.1 Reikwijdte De reikwijdte van de regels in dit hoofdstuk heeft een inhoudelijke afbakening en een afbakening naar bevoegd gezag. Ten eerste moet het gaan om de uitvoering of handhaving van de Omgevingswet. De terminologie “uitvoering en handhaving” duidt op de uitvoerings- en handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.20 van de Omgevingswet. “Uitvoering en handhaving” betekent dan vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dat wil zeggen alle taken tot uitvoering of handhaving van de Omgevingswet, voor zover dat in die wet is bepaald. Ten tweede moet het gaan om de uitvoering of handhaving door of in opdracht van burgemeester en wethouders.
Artikel 9.2 Betrokkenheid van de raad Dit artikel is van belang voor de rolverdeling tussen de raad en burgemeester en wethouders. Ingevolge de systematiek van afdelingen 13.2 en 13.3 van het Omgevingsbesluit, is de jaarlijkse beoordeling van en rapportage over kwaliteit een taak voor het bevoegd gezag. Dat wil zeggen: burgemeester en wethouders. Bezien vanuit de Gemeentewet, is kaderstelling juist de taak van de raad. De kaderstellende rol krijgt allereerst gestalte door de vaststelling van het omgevingsplan. Daarnaast is het echter, gelet op de samenhang met afdelingen 13.2 en 13.3 van het Omgevingsbesluit, van belang uitdrukking te geven aan het feit dat de raad vooral vanuit de hoofdlijnen betrokken is bij het beleid en zal toezien op de continuïteit van de kwaliteit over meerdere jaren. Het horizontale toezicht door de raad op het (regionale) uitvoerings- en handhavingsbeleid door burgemeester en wethouders, zal daarom plaatsvinden in het licht van het strategische beleid dat op hoofdlijnen wordt gevoerd voor de fysieke leefomgeving, zoals in een omgevingsvisie. Dit artikel richt zich tot de raad. Indirect is het artikel eveneens van belang voor burgemeester en wethouders, en de omgevingsdiensten die in hun opdracht werken, omdat de rol van de raad zich juist bij de meerjarenprogrammering en hoofdlijnen laat gelden.
Voor het waarmaken van deze rol, beschikt de raad over de mogelijkheden die de organieke wetgeving biedt en de kaders die op strategisch niveau voor de fysieke leefomgeving in een omgegevingsvisie en omgevingsplan zijn vastgelegd. Om deze rol waar te kunnen maken is het vanzelfsprekend van belang dat burgemeester en wethouders de raad daartoe door tijdige informatieverstrekking in staat stellen. Dat daarvoor eveneens informatie van de omgevingsdienst van belang kan zijn, spreekt voor zich en is op grond van de Wgr en de opdrachten aan de omgevingsdiensten voldoende gewaarborgd.
207
Artikel 9.3 Kwaliteitsdoelen Afdelingen 13.2 en 13.2 van het Omgevingsbesluit verplichten burgemeester en wethouders om beleid te formuleren voor de kwaliteit van de uitoefening van de uitvoerings- en handhavingstaken. Er is dan sprake van een uitvoeringsbeleid en handhavingsbeleid, waarover onderlinge afstemming plaats dient te vinden tussen de bevoegde gezagen op het niveau van de omgevingsdienst. Welk beleid moet worden geformuleerd laat het Omgevingsbesluit inhoudelijk open. Dit artikel strekt ertoe een inhoudelijke ambitie te geven aan de procesverplichting om kwaliteitsbeleid te vormen. Ten eerste door voor te schrijven dat burgemeester en wethouders naar de kwaliteit van de uitvoering en handhaving kijken in het licht van het geformuleerde (regionale) beleid, waarbij de doelen van dat beleid betrekking moeten hebben op een aantal voorgeschreven inhoudelijke thema's. Het gaat er daarbij telkens om die doelen te zien, niet vanuit elke mogelijke factor die daaraan kan bijdragen, maar vanuit het perspectief van de prestaties en kwaliteit van de uitvoering van de eigen organisatie. Het gaat dan in ieder geval om dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van producten en diensten en financiën.
Artikel 9.4 Kwaliteitsborging Dit artikel geeft een verankering aan de kwaliteitscriteria 2.2 en de opvolgers daarvan. De kwaliteitscriteria worden door bevoegde gezagen in brede samenwerking opgesteld. De kwaliteitscriteria hebben betrekking op de deskundigheid van de uitvoerende en handhavende organisaties. De meest actuele versie van de kwaliteitscriteria worden door de VNG en het IPO (en andere organisaties) bekendgemaakt. Vanwege de verdere ontwikkeling van de kwaliteitscriteria wordt dynamisch verwezen. Het artikel strekt ertoe te regelen dat van die kwaliteitscriteria voor de uitvoering van uitvoerings- en handhavingstaken in de praktijk gebruik gemaakt wordt. Het gaat immers om kwaliteitscriteria waaraan zorgvuldig en met grote deskundigheid is gewerkt door de betrokken bevoegde gezagen. Van belang is dat deze kwaliteitscriteria relevante input leveren voor de kwaliteit. Dat geeft vanzelfsprekend geen garantie dat de doelen die door burgemeester en wethouders zijn gesteld op grond van Artikel 9.3 ook zonder meer in alle gevallen worden gehaald. Het bereiken van deze doelen zal immers niet alleen afhankelijk zijn van de goede verrichtingen van de uitvoerende organisaties. Van de naleving van de kwaliteitscriteria zal daarom jaarlijks mededeling gedaan moeten worden aan de raad.
Het gaat hier om een belangrijke inhoudelijke mededelingsplicht die kan worden meegenomen in bestaande jaarlijkse rapportages, in de op grond van afdelingen 13.2 en 13.3 van het Omgevingsbesluit op te stellen documenten. Omgekeerd wil het evenmin zeggen dat, als de kwaliteitscriteria (nog) niet in alle relevante taken worden toegepast, dat de kwaliteit per definitie te wensen zal overlaten. In dit geval zal echter wel gemotiveerd moeten worden waarom de kwaliteitscriteria niet toegepast zijn, of konden worden, en hoe wel voor de gestelde kwaliteit wordt gezorgd. De kwaliteitscriteria zijn derhalve een cruciaal richtsnoer waarvoor, op grond van het derde lid, geldt: pas toe of leg uit, “comply or explain”.
Hoofdstuk 11 Overgangsrecht Afdeling 11.1 Overgangsrecht Artikel 11.1 Lopende procedures besluiten op aanvraag of ambtshalve besluiten Met dit artikel is geregeld dat lopende procedures die zijn gestart vóór de inwerkingtreding van het omgevingsplan, nog onder het oude recht vallen.
Artikel 11.2 Overgangsrecht vergunningplichtige activiteiten Vergunningen die verleend zijn en onherroepelijk zijn voordat dit omgevingsplan in werking is getreden, blijven van kracht. Daarnaast wordt in artikel 11.2 geregeld dat activiteiten waar onder dit omgevingsplan geen omgevingsvergunning vereist is, maar waar onder het oude recht wel een omgevingsvergunning voor vereist was, de voorschriften uit de omgevingsvergunning die onder het oude recht is verleend blijven gelden.
Artikel 11.3 Overgangsrecht meldingen, kennisgevingen en maatwerkvoorschriften In artikel 11.3 wordt aangegeven hoe wordt omgegaan met meldingen en vergunningen die op grond van een verordening zijn verleend.
Artikel 11.4 Overgangsrecht handhavingsbesluiten In dit artikel wordt bepaald wanneer een handhavingsbesluit, dat is genomen voor de inwerkingtreding van dit
208
omgevingsplan, blijft gelden op grond van het oude recht.
Hoofdstuk 12 Slotbepalingen Afdeling 12.1 Delegatiebepalingen Paragraaf 12.1.1 Delegatie De raad kan, op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet, de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het omgevingsplan delegeren aan burgemeester en wethouders. Het delegatiebesluit hoeft geen deel uit te maken van het omgevingsplan, dit kan ook een los besluit zijn. Er is voor gekozen de delegatiebepalingen behorend bij dit omgevingsplan omwille van het overzicht op te nemen in het omgevingsplan. Alle regels die zijn gebaseerd op door burgemeester en wethouders vastgestelde besluiten, regels en beleidsstukken (zie toelichting op artikel 12.16 intrekken verordeningen) mogen middels de artikelen in deze afdeling gewijzigd worden door burgemeester en wethouders.
Artikel 12.1 Hinderlijke of schadelijke dieren Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat burgemeester en wethouders bevoegd worden verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Vóór de vaststelling van dit omgevingsplan lag de bevoegdheid hiervoor ook bij burgemeester en wethouders, op grond van het aanwijzingsbesluit inzake hinderlijke en schadelijke dieren. Waar burgemeester en wethouders bij een aanwijzing bevoegd zijn verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 van de Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen op de Wet natuurbescherming, waarin onder meer regels worden gegeven ter bescherming van dieren.
Artikel 12.2 Woningbouwcategorieën In artikel 5.7 is de doelgroep voor sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en middenhuur woningen gekoppeld aan een huishoudinkomen. Dit inkomen mag jaarlijks aangepast worden door burgemeester en wethouders.
Artikel 12.3 Objecten plaatsen op de weg De regels in paragraaf 5.5.2 hebben hun oorsprong voornamelijk in het door burgemeester en wethouders vastgestelde beleid tijdelijke reclame-uitingen en regels voor uitstallen. De bevoegdheid voor het wijzigen van deze regels, blijft middels dit artikel bij burgemeester en wethouders.
Artikel 12.4 Omgevingsvergunning parkeren De regels in paragraaf 5.5.3 hebben hun oorsprong voornamelijk in het door burgemeester en wethouders vastgestelde uitvoeringsbesluit voor parkeervergunningen. De bevoegdheid voor het wijzigen van deze regels, blijft middels dit artikel bij burgemeester en wethouders.
Artikel 12.5 Parkeerexcessen Deze bepaling beoogt aan de gemeentebesturen mogelijkheden te verschaffen om aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, voor monumenten en historische gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open landschappen een ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon betekenen. Bijvoorbeeld vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft. Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van grote voertuigen buiten de weg. In zoverre heeft deze bepaling dus niet enkel betrekking op ‘eigenlijke’ parkeerexcessen. Wat het motief bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente betreft, wordt erop gewezen, dat het niet noodzakelijkerwijs behoeft te gaan om (het parkeren op of bij) plaatsen, die uit een oogpunt van stadsschoon of karakteristiek een bijzondere betekenis hebben, wil er sprake kunnen zijn van een ‘parkeerexces’. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad is de bevoegdheid van het gemeentebestuur op dit punt zeer ruim.
Het is met name niet vereist dat de bij openbare kennisgeving aangewezen plaatsen voldoen aan aanmerkelijke eisen van
209
schoonheid en karakteristiek. Bij de aanwijzing van plaatsen waar volgens besluit van het burgemeester en wethouders grote voertuigen met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente niet mogen worden geparkeerd, zal eventueel rekening moeten worden gehouden met een omgevingsverordening van de Provincie Utrecht die – geheel of gedeeltelijk – hetzelfde terrein met hetzelfde motief bestrijkt, bijvoorbeeld ter bescherming van het landschapsschoon.
Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met een excessief gebruik van de weg. Met betrekking tot het motief “buitensporig gebruik van de weg” wordt opgemerkt, dat het in dat verband niet noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér voertuigen behoeft te gaan. Ook het parkeren van één groot voertuig kan een parkeerexces in deze zin opleveren. In het licht van het motief van deze bepaling is het stellen van een hoogtegrens minder belangrijk. Zoals opgemerkt in de toelichting bij paragraaf 5.5.5 wordt het begrip ‘parkeren’ zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig. Voor het onder de aandacht van belanghebbende brengen van deze aanwijzing zie het gestelde hierboven.
Burgemeester en wethouders kunnen als wegbeheerder door middel van een verkeersbesluit parkeer- of stopverboden voor de weg instellen (artikel 18, eerste lid, onder d, van de WVW 1994). Onder ‘weg’ vallen ook de tot de weg behorende paden, bermen en zijkanten (artikel 1, eerste lid, onder b, van de WVW 1994). In het omgevingsplan wordt deze definitie van ‘weg’ gevolgd (artikel 1:1). Een verkeersbesluit is een besluit om een bepaald verkeersteken te plaatsen, te wijzigen of in te trekken of een bepaalde fysieke maatregel te treffen. Het is verplicht gebruik te maken van de verkeerstekens die in bijlage 1 van het RVV 1990 zijn opgenomen (artikel 15 van de WVW 1994 juncto artikel 12 van het BABW). Sinds de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden 23-05-2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3927, geldt dat de plaatsing van de verbodsborden E1, E2 en E3 uit bijlage 1 bij het RVV 1990 niet het parkeren of laten stil staan in de berm of een braakliggend terrein verbieden, maar alleen het parkeren (of laten staan) op de rijbaan. Deze verbodsborden betreffen achtereenvolgens het parkeerverbod, het stopverbod en het verbod fietsen en bromfietsen te plaatsen. Artikel 65, tweede lid, van het RVV 1990 bepaalt dat deze verkeersborden slechts gelden voor de zijde van de weg waar zij zijn geplaatst.
Volgens het hof moet ‘weg’ hier niet worden opgevat in de zin van artikel 1, eerste lid, onder b, van de WVW 1994 en beperkt het parkeerverbod volgens bord E1 zich uitsluitend tot de rijbaan. Het hof baseert zich voor dat standpunt op het Verdrag inzake verkeerstekens van 8 november 1968 dat voor Nederland op 8 november 2008 in werking is getreden (Trb. 2008, 77). Artikel 6, tweede lid, van dit verdrag bepaalt: “Alle tekens zijn over de hele breedte van de rijbaan die voor het verkeer openstaat van toepassing op de bestuurders voor wie ze bedoeld zijn.” In artikel 1 van het verdrag staan de volgende definities: • weg: het gehele oppervlak van elke weg of straat die voor het openbaar verkeer openstaat (onderdeel c). • rijbaan: dat deel van een weg dat gewoonlijk voor het verkeer met voertuigen wordt gebruikt; een weg kan een aantal rijbanen bevatten die duidelijk zichtbaar van elkaar gescheiden zijn, bijvoorbeeld door een scheidende strook of een verschil in niveau (onderdeel d). • rijstrook: elk van de delen waarin de rijbaan in de lengterichting kan worden verdeeld, al of niet aangegeven door strepen op het wegdek in de lengterichting, welke rijstrook voldoende breed moet zijn voor één rij rijdende motorvoertuigen, anders dan motorfietsen (onderdeel e).