CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Vaststelling omgevingsplan, deel I - toelichting

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Vaststelling Omgevingsplan, deel I27.792 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Artikel 5.49 Beoordelingsregels omgevingsvergunning driehoeksborden / sandwichborden In dit artikel zijn de voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan om een omgevingsvergunning te kunnen verlenen. De voorwaarden zijn gesteld met het oog op de bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van de weg. De beoordelingsregels kunnen worden gezien als ondersteuning van de motivering om een omgevingsvergunning te verlenen.

Artikel 5.50 Beoordelingsregels omgevingsvergunning spandoeken In dit artikel zijn de voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan om een omgevingsvergunning te kunnen verlenen. De voorwaarden zijn gesteld met het oog op de bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van de weg. De beoordelingsregels kunnen worden gezien als ondersteuning van de motivering om een omgevingsvergunning te verlenen.

Artikel 5.51 Beoordelingsregels omgevingsvergunning verwijsbordjes In dit artikel zijn de voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan om een omgevingsvergunning te kunnen verlenen. De voorwaarden zijn gesteld met het oog op de bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van de weg. De beoordelingsregels kunnen worden gezien als ondersteuning van de motivering om een omgevingsvergunning te verlenen.

Paragraaf 5.5.3 Parkeren In deze paragraaf wordt vooral aandacht besteed aan het verlenen van omgevingsvergunningen voor parkeren en zijn een aantal algemene verbodsbepalingen opgenomen. Er zijn parkeerzones aangewezen waarbinnen parkeren voor vergunninghouders kan worden ingevoerd. Voor de verschillende zones gelden verschillende beoordelingsregels voor het verlenen van een omgevingsvergunning.

Artikel 5.52 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.53 Algemene regels gehandicaptenparkeerkaart In de beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning wordt in sommige gevallen bepaald wat het maximum aantal omgevingsvergunningen per adres is. Met dit artikel wordt bepaald dat een gehandicaptenkaart meetelt met het aantal omgevingsvergunningen.

Artikel 5.54 Algemene regels verboden Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.55 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.56 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Dit artikel bepaalt welke gegevens er, naast de standaard aanvraagvereisten, moeten worden aangeleverd bij een aanvraag omgevingsvergunning.

Artikel 5.57 Beoordelingsregel omgevingsvergunning In lid 1 zijn verschillende categorieën belanghebbenden genoemd die in aanmerking kunnen komen voor een omgevingsvergunning voor parkeren. Door in dit artikel te verwijzen naar categorieën en deze middels een onderbord ook bij de parkeerplaats zelf te vermelden, is het de betrokken vergunninghouders ook bekend waar zij kunnen

180

parkeren. Voor een uitgebreider behandeling van de parkeerbebording verwijzen wij naar de CROW-uitgave 'Richtlijn parkeerbebording' (publicatie 134, 1999). Daarnaast bevat deze paragraaf bijzondere beoordelingsregels, afhankelijk voor welke doelgroep de omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Deze beoordelingsregels zijn opgenomen in artikel 5.58, artikel 5.59, artikel 5.60, artikel 5.61, artikel 5.62, artikel 5.63, artikel 5.64 en artikel 5.65.

Artikel 5.58 Beoordelingsregels omgevingsvergunning (bewoners) Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.59 Beoordelingsregels omgevingsvergunning (garage) Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.60 Beoordelingsregels omgevingsvergunning (zakelijk) Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.61 Beoordelingsregels omgevingsvergunning (functioneel) Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.62 Beoordelingsregels omgevingsvergunning (mantelzorg) Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.63 Beoordelingsregels omgevingsvergunning (autodate) Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.64 Beoordelingsregels omgevingsvergunning (bezoekers zone A) Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.65 Beoordelingsregels omgevingsvergunning (bezoekers zone B) Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.66 Overdragen, intrekken of wijzigen omgevingsvergunning In lid 4 wordt aangegeven wanneer een omgevingsvergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd. Bedoeld is hiermee aan te geven dat het ter beoordeling van burgemeester en wethouders staat of een omgevingsvergunning daadwerkelijk moet worden ingetrokken of gewijzigd, wanneer een van de opgesomde omstandigheden zich voordoet. De opsomming is limitatief bedoeld. Om andere redenen kan de omgevingsvergunning dan ook niet worden ingetrokken of gewijzigd.

Paragraaf 5.5.4 Plaatsen voorwerp op parkeerplaats Artikel 5.67 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.68 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten Dit artikel verbiedt het plaatsen van voorwerpen, niet zijnde motorvoertuigen, op parkeerapparatuur- en belanghebbendenplaatsen zonder omgevingsvergunning. Het plaatsen van dergelijke voorwerpen belemmert het normale gebruik van de bedoelde parkeerplaatsen en doorkruist daarmee de beoogde parkeerregulering. Het gaat hier om gedragingen die zich niet lenen voor fiscalisering. Deze verbodsbepaling moet dan ook, ongeacht of tot fiscalisering wordt overgegaan, in het omgevingsplan worden opgenomen.

Artikel 5.69 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Artikel 5.69 bepaalt welke gegevens er, naast de standaard aanvraagvereisten, moeten worden aangeleverd bij een aanvraag omgevingsvergunning.

Artikel 5.70 Beoordelingsregels omgevingsvergunning Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.71 Verlenging omgevingsvergunning Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Paragraaf 5.5.5 Parkeerexcessen motorvoertuigen en aanhangwagens

181

Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen Sinds de inwerkingtreding van de WVW 1994 kunnen verkeersbesluiten, behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de vrijheid van het verkeer, ook worden genomen ter bescherming van de zogenaamde milieubelangen. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen ter voorkoming of beperking van overlast, hinder of schade dan wel aantasting van het karakter of de functie van objecten of gebieden ten gevolge van het verkeer (zie artikel 2, tweede lid, van de WVW 1994). Op initiatief van de VNG is artikel 2a in de WVW 1994 ingevoegd. Dit artikel luidt als volgt: “Provincies, gemeenten en waterschappen behouden hun bevoegdheid om bij verordening regels vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voor zover verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe lenen.” Artikel 2a van de WVW 1994 geeft aan dat gemeenten bevoegd zijn om parkeerexcessenbepalingen vast te stellen. De grondslag voor dergelijke bepalingen is overigens gewoon artikel 149 van de Gemeentewet. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet streeft de gemeente Veenendaal er naar dat alle regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen in het omgevingsplan, zo ook deze regels (zie noot 30 blz. 27 van de handreiking VNG).

Begrippen ‘weg’, ‘voertuig’ en ‘parkeren’ Het begrip ‘parkeren’ is in artikel 1.1 omschreven. Voor alle andere gebruikte begrippen wordt aansluiting gezocht bij de in de wegenverkeerswetgeving voor deze begrippen gebruikte definities. Uit de verschillende bepalingen in deze paragraaf blijkt, of zij al dan niet slechts betrekking hebben op gedragingen op de weg (in de zin van de WVW 1994). Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van deze paragraaf zich ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (bijvoorbeeld de eigenaar, huurder en opdrachtgever) zodat de zinsnede “het laten stilstaan” een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving van de (parkeer)verboden in deze paragraaf. Begrip ‘parkeerexces’ In de wegenverkeerswetgeving wordt nergens aangegeven wat het begrip ‘parkeerexces’ precies inhoudt. Uit de jurisprudentie blijkt dat onder het begrip ‘parkeerexces’ ieder excessief parkeren op de weg kan worden begrepen, dus: a.

wanneer het parkeren op de weg betreft dat buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte voor andere weggebruikers die gelegenheid om te parkeren behoeven, en daarom niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke aanvulling); b. wanneer het gebruik van de weg als parkeerplaats op zichzelf niet ongeoorloofd is te achten, maar wel dat de aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van anderen; c. wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om andere motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde of veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast (oneigenlijke aanvulling). Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt op te maken dat in de eerste plaats van een parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik van de weg, strijdig met de bestemming die de weg heeft. Wegen zijn, volgens de zienswijze van de Hoge Raad, in de eerste plaats bestemd om zich daarover te kunnen verplaatsen en daarop tijdelijk een voertuig te kunnen laten staan.

Ten aanzien van bepaalde (categorieën van) voertuigen, die de weg in strijd met deze bestemming gebruiken, is het bestuur gerechtigd strengere eisen te stellen en scherpere grenzen te trekken. Daarbij mag het niet te diep ingrijpen in het ‘normale’ verkeer, en dus ook niet in het ‘normale’ parkeren. In het ‘normale’ verkeer voorziet de geldende wettelijke verkeersregeling exclusief, volgens de Hoge Raad. Daarnaast is volgens de Hoge Raad sprake van een parkeerexces als het parkeren op de weg gepaard gaat met ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente, beneming van uitzicht, stankoverlast of gevaar voor de veiligheid van personen. Al deze vormen van excessief, hinderlijk en ontsierend gebruik van de weg kunnen door de gemeentelijke wetgever aan regels worden gebonden. Zie bijvoorbeeld de beide Dordtse arresten van de Hoge Raad: HR 15-06-1971, NJ 1971, 432 en 25-04-1972, NJ 1972, 296. Plaatsing en rubricering parkeerexcesbepalingen

182

Gezien de ruime uitleg van het begrip ‘parkeerexces’ is het niet nodig om een onderscheid te maken tussen twee soorten van excessief gebruik van de weg: gevallen die excessief zijn op grond van een verkeersmotief en die als ‘parkeerexcessen’ moeten worden gekwalificeerd en gevallen waarin een ander motief (in hoofdzaak) aan het stellen van regels ten grondslag ligt. Daarom zijn de bepalingen over parkeerexessen ondergebracht in afdeling 5.5 Activiteiten in openbaar toegankelijke ruimte. Met het onder één noemer – die van het parkeerexces – brengen van de bepalingen blijken de aan de bepalingen ten grondslag liggende motieven niet steeds uit de tekst van de bepalingen. Het is daarom verstandig, dat in de toelichting op de bepalingen deze motieven tot uitdrukking worden gebracht Zie ook: ABRvS 21-09-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2119. Een van de voordelen van deze aanpak is dat artikelen die eenzelfde gedraging verbieden, doch op grond van verschillende motieven, in één artikel kunnen worden samengebracht. Paragraaf 5.5.5 Parkeerexcessen motorvoertuigen en aanhangwagens, is ook een onderwerp opgenomen, die niet kan worden aangeduid als ‘parkeerexces in eigenlijke zin’, waarvan gesproken kan worden als het gaat om gedragingen op de weg in de zin van de WVW 1994.

Daar dit voorschrift door het publiek wel als zodanig wordt ervaren, is er de voorkeur aan gegeven ook dit onderwerp in deze paragraaf te regelen. Artikel 5.73 , derde Lid, – strekt zich ook uit tot gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994. Beperking van de hierin neergelegde verbodsbepaling tot ‘op de weg’ ligt niet voor de hand, wanneer men let op het motief dat aan deze bepaling ten grondslag ligt. Deze bepaling strekt niet (mede) ter bescherming van verkeersbelangen. Ook artikel 5.97 , tweede Lid heeft betrekking op gedragingen buiten de weg (‘aantasten van groenvoorzieningen’). Indien aan een bepaling uitsluitend verkeersmotieven ten grondslag liggen, is de werkingssfeer van die bepaling uiteraard beperkt tot de weg (in de zin van de WVW 1994). Zie bijvoorbeeld artikel 5.74 , eerste Lid. Aan de meeste bepalingen liggen behalve verkeersmotieven ook andere motieven ten grondslag. Vervangende parkeergelegenheid Complementair aan de vaststelling van parkeerexcesbepalingen zal voor bepaalde categorieën voertuigen – in het bijzonder voor vrachtwagens – de aanwezigheid van vervangende parkeergelegenheid moeten worden bezien. Uitgangspunt is dat de desbetreffende ondernemingen in principe zelf hiervoor behoren te zorgen. Parkeerplaatsen zouden kunnen worden aangeduid met een bord model E4 van bijlage 1 van het RVV 1990 (vierkant blauw bord met witte P).

De aanduiding van parkeerplaatsen voor vrachtwagens in het kader van de voorkoming van parkeerexcessen moet gebeuren op basis van de betreffende bepalingen uit het omgevingsplan en niet op basis van verkeersborden die gebaseerd zijn op de wegenverkeerswetgeving. Overleg met vervoerders(organisaties) Het behoeft geen nader betoog dat het wenselijk is overleg te plegen met de betrokken chauffeurs en bedrijven betreffende de vaststelling of uitvoering van parkeerregelingen voor vrachtwagens en dergelijke.

Artikel 5.72 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.73 Algemene regels verboden Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig, moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking krijgen. Tweede lid Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere tijd in het bijzonder een parkeerexces

183

kunnen opleveren door het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Zie bijvoorbeeld ABRvS 21-09-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2119. Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze bepaling. Derde lid Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van vrachtwagens en dergelijke bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Door opneming van de bestanddelen “of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of gebruikers van gebouwen berokkend, verboden.

Hierbij kan worden gedacht aan belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bijvoorbeeld ten gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen. Zoals opgemerkt in de toelichting bij paragraaf 5.5.4 wordt het begrip ‘parkeren’ zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig. Vierde lid De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bijvoorbeeld op (het parkeren van) hoogwerkers, meetwagens en dergelijke. Een vergunningmogelijkheid is niet geboden. Niet goed valt in te zien hoe deze mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde parkeren.

Artikel 5.74 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten Het verlenen van een vergunning op grond van artikel 5.74 zal in het algemeen op zijn plaats zijn als redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de houder/ exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren, dan wel daarover op andere wijze de beschikking te krijgen. Aan de vergunning kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden, onder meer over de plaats waar en de tijd gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg mogen worden geplaatst, als ook over het aantal voertuigen dat ter plaatse door de vergunninghouder mag worden geparkeerd. Eerste lid Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn toevertrouwd. Bij het opstellen van deze bepaling is ernaar gestreefd de delictomschrijving zoveel mogelijk vrij te houden van elementen waarvan de bewijslevering moeilijkheden kan opleveren.

Niettemin kan met name het bewijs dat betrokkene “zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte” van de hier bedoelde activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende voertuigen “hem toebehoren of zijn toevertrouwd”, onder omstandigheden problemen opleveren. De woorden “drie of meer voertuigen” zijn gekozen om de bewijslast niet onevenredig zwaar te doen zijn. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant en eventueel van zijn gezinsleden mogelijk (zie het tweede lid, onder b). Deze bepaling heeft slechts betrekking op ‘eigenlijke’ parkeerexcessen, dat wil zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg in de zin van de WVW 1994. Het zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen buiten de weg. De gemeente bepaalt zelf het aantal meters. Op basis van de bepaling mogen binnen de cirkel met een straal van 35 meter maximaal twee, dus geen drie, voertuigen staan. Eén van de op de weg geparkeerde voertuigen geldt als middelpunt van de cirkel. Voor eventuele volgende voertuigen die buiten deze cirkel staan, geldt opnieuw dat er

184

maximaal twee voertuigen binnen een cirkel met een straal van 35 meter mogen staan. En zo verder. Overigens lijkt de Afdeling de bepaling anders, en strikter, uit te leggen. Zie hiervoor ABRvS 06-02-2019, ECLI:NL:RVS:2019:358 (Den Haag), waarin naar aanleiding van een gelijkluidende APV-bepaling is beoordeeld of de voertuigen waren geparkeerd in een straal van 25 meter rond de onderneming. Dat is echter niet wat in het voormalige artikel 5.2 van de APV staat. Eerste lid, onder b Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid. Tweede lid Het woord ‘vergen’ is opgenomen in plaats van ‘duren’ om zoveel mogelijk twijfel uit te sluiten over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan een uur gemoeid is. Bij het gebruik van de term ‘vergen’ beschikt men over een meer objectieve maatstaf. Derde lid Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet ‘dagelijks’ worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen.

Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie en dergelijke worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens en dergelijke op de weg. Door de bestanddelen “te plaatsen of te hebben” (in plaats van “te parkeren”) is de handhaving van deze bepaling eenvoudiger. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje en dergelijke op de openbare weg wordt handhaving van deze bepaling niet langer meer voorkomen. Campers zijn van dit verbod op grond van het vierde lid uitgezonderd. Gezien de veelal toenemende parkeerdruk op de openbare weg – vaak juist ook in woonwijken – is ervoor gekozen om deze bepaling direct voor de gehele gemeente van toepassing te verklaren, door te bepalen dat het verboden is de hier bedoelde voertuigen langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben. Vijfde lid Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop.

Als handelsreclame in de zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen worden immers niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel. Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente. In deze bepaling gaat het om een ‘eigenlijk’ parkeerexces, hetwelk veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg in de zin van de WVW 1994. Het hebben van handelsreclame op of aan onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare plaats is geregeld in artikel 5.88. Het in dit artikel omschreven verbod is beperkt tot het maken van handelsreclame (commerciële reclame). Uit de jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van de Grondwet blijkt, dat de gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen.

Voor wat betreft de relatie met de artikelen 10 van het EVRM en 19 van het IVBPR wordt verwezen naar ABRvS 23-12-1994, ECLI:NL:RVS:1994:AN4127.

Artikel 5.75 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.76 Beoordelingsregels omgevingsvergunning Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

185

Artikel 5.77 Verlenging omgevingsvergunning Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Paragraaf 5.5.6 Het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Artikel 5.78 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.79 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten Omdat voor de toepassing van dit artikel onder andere het begrip ‘weg’ uit de WVW 1994 gebruikt wordt, is een omgevingsvergunning vereist voor bijvoorbeeld de aanleg en verandering van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningplicht ook geldt voor de zogenaamde ‘eigen wegen’ die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance en dergelijke voorschriften gesteld kunnen worden over bijvoorbeeld de wijze van verharding en breedte. Aan artikel 5.79 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg. Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor – door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting – de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt.

Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Burgemeester en wethouders kunnen in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.

Artikel 5.80 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Artikel 5.80 bepaalt welke gegevens er, naast de standaard aanvraagvereisten, moeten worden aangeleverd bij een aanvraag omgevingsvergunning.

Artikel 5.81 Beoordelingsregels omgevingsvergunning Deze beoordelingsregels kunnen worden gezien als ondersteuning van de motivering om een omgevingsvergunning te weigeren.

Paragraaf 5.5.7 Het maken of veranderen van een uitrit Artikel 5.82 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.83 Algemene regel verbod In artikel 5.83 zijn de 'ontsluitingswegen' opgenomen waarbij het vanwege verkeersveiligheid onmogelijk is een een bestaande uitrit te veranderen of een nieuwe uitrit aan te leggen.

Artikel 5.84 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten Artikel 5.84 beoogt de aanleg van uitritten zoveel mogelijk vrij te laten, maar te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen, en desgewenst ook dat een uitrit feitelijk opheffing betekent van soms (zeer) schaarse parkeerruimte. Uit de jurisprudentie over artikel 14 van de Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in het omgevingsplan (voorheen een verordening) mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door een privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Burgemeester en wethouders kunnen in dat geval

186

de aanvrager om een omgevingsvergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.

Artikel 5.85 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning De indiener van de melding moet bij zijn melding een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie ter plaatse voegen (eerste lid, onder a, variant 1). Aan de hand van deze gegevens kunnen burgemeester en wethouders sneller de afweging maken of de gewenste uitweg al of niet kan worden toegestaan en eventueel onder oplegging van welke voorschriften.

Artikel 5.86 Beoordelingsregel omgevingsvergunning In artikel 5.86 zijn de beoordelingsregels opgenomen die tot een weigering van de omgevingsvergunning kunnen leiden en kunnen worden gezien als ondersteuning van de motivering om een omgevingsvergunning te weigeren.

Paragraaf 5.5.8 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van de openbare ruimte Artikel 5.87 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.88 Specifieke zorgplicht Sub a Zie de toelichting op artikel 5.89. Sub b Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kunnen burgemeester en wethouders op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 van de Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien. Volgens deze bepaling is er een zorgplicht voor eenieder om beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht niet wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. ‘Wegverkeer’ kan daarbij breed worden gelezen. Het is bijvoorbeeld ook mogelijk dat een gevaarlijke situatie ontstaat doordat overstekende voetgangers het zicht wordt belemmerd. Sub d Met deze bepaling wordt het door een zorgplicht voorkomen dat het verkeer in gevaar wordt gebracht of hinder of overlast wordt veroorzaakt voor omwonenden door handelreclame. De gedachte daarachter is dat voor een reclame van enige omvang of betekenis doorgaans een omgevingsvergunning nodig is, waardoor al aan de welstand kan worden getoetst.

Een reclame waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of overlast wordt veroorzaakt voor omwonenden komt relatief zo weinig voor dat het moeilijk valt te rechtvaardigen om voor die gevallen een vergunningplicht voor alle reclames in stand te houden. Deze bepaling is niet in strijd met artikel 7 van de Grondwet. In artikel 7, vierde lid, van de Grondwet wordt de handelsreclame met zo veel woorden van de vrijheid van drukpers uitgezonderd. Afleidende objecten langs snelwegen Rijkswaterstaat heeft op 21 oktober 2011 het Beleidskader “Beoordeling van Objecten langs Auto(snel)wegen” vastgesteld. De hoofdlijn voor objecten (waaronder reclame) is nu: - bewegende objecten of beelden zijn niet toegestaan; - de objecten of beelden mogen niet verblinden (moeten voldoen aan richtlijn lichthinder); - de objecten of beelden moeten op voldoende afstand van de rijbaan zijn geplaatst. De APV kan op dit soort objecten van toepassing zijn, namelijk als de grond langs de snelweg valt binnen het begrip ‘weg’ of binnen de definitie van ‘openbare ruimte’ als genoemd in artikel 1.1. In dat geval zal het rijksbeleidskader handvaten kunnen bieden om te bepalen of het object het verkeer in gevaar brengt.

Artikel 5.89 Algemene regels winkelwagens Deze bepaling bestrijdt het ‘zwerfkarrenprobleem’ door winkelbedrijven te verplichten achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Een andere aanpak van het probleem is via een statiegeldsysteem op het gebruik van winkelwagentjes. De consument kan een wagentje pas gebruiken met bijvoorbeeld een munt van 50 eurocent. Dit leidt niet altijd tot het gewenste resultaat. Om die reden

187

gaan sommige gemeenten er toe over om in deze bepaling een verbod jegens de burger op te nemen.

Artikel 5.90 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.91 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.92 Beoordelingsregels omgevingsvergunning Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Paragraaf 5.5.9 Openbaar water Algemeen Het beheer van het openbaar (vaar)water is in Nederland aan diverse overheden opgedragen. Zo is voor het beheer van de belangrijkste rivieren en rijkskanalen de centrale overheid verantwoordelijk. Het beheer van de overige wateren is verdeeld tussen de provincies, gemeenten en waterschappen c.a. De centrale wetgever heeft voor het gebruik van het openbaar (vaar)water diverse regelingen vastgesteld. Daarbij is een splitsing aangebracht tussen regelingen die uitsluitend van toepassing zijn op de bij het Rijk in beheer zijnde (vaar) wateren en regelingen die voor het gebruik van alle openbare (vaar)wateren gelden. Bij het Rijk in beheer zijnde vaarwateren Voor bij het Rijk in beheer zijnde vaarwateren geldt de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Voor de provinciale en gemeentelijke overheden en de waterschappen resteert, voor zover daaraan hetzelfde motief als aan de Wet beheer rijkswaterstaatswerken ten grondslag ligt, slechts voor de overblijvende vaarwateren regelgevende bevoegdheid. Deze bevoegdheid wordt eveneens gerelateerd aan het onder beheer hebben van die vaarwateren. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet regelt de provincie dat in een Omgevingsverordening en het waterschap in een Waterschapsverordening.

De gemeentelijke overheid kan krachtens artikel 149 van de Gemeentewet regels stellen met betrekking tot het bij haar in beheer zijnde openbare (vaar)water. Deze regelingen van de lagere overheden mogen niet in strijd komen met hogere regelingen. In grote lijnen betekent dit dat de overheden slechts een regelgevende bevoegdheid toekomt ten aanzien van bij hen in beheer zijnde openbare (vaar)wateren.

Artikel 5.93 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.94 Algemene regels verboden Deze bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn bij de gemeente. Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan degene die een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op.

Artikel 5.95 Meldingsplicht Artikel 5.95 heeft een aanvullend karakter op de hoger wet- en regelgeving (Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartsverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening). De veiligheid op het water heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het WvSr, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het BPR (zie bijvoorbeeld artikel 1.15 van dit reglement). Deregulering Met de melding legt de overheid nadrukkelijk een deel van de verantwoordelijkheid bij de burger. In eerste instantie moet deze zelf de afweging maken of een steiger of een meerpaal gevaar of hinder oplevert voor het vaarverkeer, of een probleem voor het beheer en onderhoud vormt. Omdat het hierbij gaat om permanent bedoelde zaken, is aan dit artikel wel een meldingsplicht verbonden. Op die manier kan de gemeente vooraf toetsen en met de melder overleggen of bijvoorbeeld het onderhoud van de oevers niet in het geding is. Zo kan worden voorkomen dat een al geplaatst object weer moet worden verwijderd, met alle financiële gevolgen van dien.

188

Paragraaf 5.5.10 Gebruik openbaar groen Artikel 5.96 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.97 Algemene regels verboden Eerste lid Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s, motoren, bromfietsen en dergelijke al dan niet met een wedstrijdkarakter, zijn verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de wegenverkeerswetgeving plaatsvinden. Afbakening Op grond van artikel 122 van de Gemeentewet vervallen bepalingen van het omgevingsplan van rechtswege als in het onderwerp door een wet, AMvB of provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 van de Gemeentewet betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. Hieronder wordt ingegaan op de afbakening van artikel 5.97 ten opzichte van de Wegenverkeerswet 1994, de Omgevingswetgeving en de Zondagswet. WVW 1994 Het verkeersrechtelijk regime is niet van toepassing wanneer de bedoelde activiteiten zich afspelen op een terrein dat niet kan worden aangemerkt als een weg die feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Op de vraag wanneer sprake is van een zodanige weg wordt verwezen naar de definitie in artikel 1.1.

Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen en dergelijke op de weg, als bedoeld in de WVW 1994, plaats vindt én een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling zegt dat het verboden is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen. Dit verbod richt zich dus zowel tot de organisator van de wedstrijd als tot de deelnemers aan de wedstrijd. Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen dan op de weg in de zin van de WVW 1994, dan kan artikel 5.97 , eerste Lid van toepassing zijn. Artikel 5.97 , eerste Lid ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het RVV 1990 in het kader van een wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door burgemeester en wethouders. Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen, medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht wordt gesteld. Indien artikel 5.103 lid 1 van toepassing is, is een omgevingsvergunning op basis van artikel 2:25 van de Algemene Plaatselijke Verordening Veenendaal niet meer aan de orde. Voor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 3, ‘Evenementen’ van de Algemene Plaatselijke Verordening Veenendaal van toepassing (artikel 2:24 en verder).

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid voorschriften geven omtrent het houden van zo’n evenement dan wel het evenement geheel verbieden. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en motorsportevenementen die geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten, oldtimerritten en dergelijke. Besluit activiteiten leefomgeving Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen en dergelijke buiten de weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst bedoelde terreinen vallen doorgaans onder paragraaf 3.9.1 van het Bal. Voor de overige terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in artikel 5.97 , eerste Lid en artikel 5.97 , tweede Lid. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om op een aanvraag voor omgevingsvergunning voor een motorterrein als bedoeld in 3.305 Bal te beslissen. Bij de vergunningverlening wordt rekening gehouden met de motieven die aan de wettelijke regeling ten grondslag liggen, zijnde de gevolgen voor de fysieke leefomgeving of de bescherming van de fysieke leefomgeving. Omgevingsplan De regeling in het omgevingsplan is van belang voor die terreinen die niet genoemd zijn in paragraaf 3.9.1 Bal,

189

bijvoorbeeld een terrein dat niet is ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt. In een gemeentelijke regeling met betrekking tot dit soort motorterreinen zal de werkingssfeer ten opzichte van de Omgevingswet in ieder geval moeten zijn afgebakend. Bij een aanwijzingsbesluit kunnen alleen regels worden gesteld ter bescherming van de belangen die dit voorschrift dient. Het gaat hier om milieubelangen en het belang van de veiligheid van het publiek of de deelnemers. Tweede lid Natuurgebieden, parken en dergelijke worden steeds vaker door ruiters en fietsers/mountainbikers bezocht. Het komt nogal eens voor dat ruiters en fietsers/mountainbikers de speciaal voor hen aangewezen ruiter- of fietspaden verlaten. Deze gedraging levert gevaar en hinder op voor wandelaars en berokkent vaak ook schade aan flora en fauna. De redactie van lid 2 is overeenkomstig het systeem van artikel lid 1. Op grond van het tweede lid 2 geldt een algeheel verbod om zich met motorvoertuigen, (brom)fietsen of paarden in een natuurgebied te bevinden. Burgemeester en wethouders kunnen op grond van artikel 12.8 aanwijzen waar dit verbod niet geldt en kan tevens regels stellen voor het gebruik van deze terreinen.

Stiltegebieden De Provinciale omgevingsverordening stelt regels over het gebruik van toestellen binnen stiltegebieden. Het is ook verboden om met een motorvoertuig met draaiende verbrandingsmotor de openbare weg of andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen te verlaten. Groenstroken en grasperken Daarnaast is het helaas ook een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van voertuigen. Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken en dergelijke, die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden. Omdat in de WVW 1994 onder ‘wegen’ ook de bermen vallen, is het in artikel 5.97 vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De wegenverkeerswetgeving voorziet niet in de gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de weg (in de zin van de WVW 1994). Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet strafbaar, als dat geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of uit te stappen, dan wel voor het laden of lossen van goederen. Deze beperkingen zijn onwenselijk bij een verbod tot het doen of laten staan van voertuigen in groenvoorzieningen.

Daarom is hier bewust gekozen om de bestanddelen “te bevinden” te gebruiken naast “te parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid veroorzaakt. Ten overvloede: gedragingen als de onderhavige brengen in sommige gevallen ook zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het WvSr met zich mee. Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen maken wel deel uit van de ‘wegen’ in de zin van artikel 1 van de WVW 1994. Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een ’oneigenlijk’ parkeerexces – dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de ‘weg’ (in de zin van de WVW 1994) plaatsvindt, behoeft voor strijd met de bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze reden bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook bijvoorbeeld het rijden over openbare beplantingen wordt verboden. Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat bijvoorbeeld auto’s en motoren op de rijbaan en op andere weggedeelten – met uitzondering van het trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad – mogen worden geparkeerd. Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd mag worden vallen ook de bermen van een weg.

Indien in een bepaald geval het parkeren in een berm als ongewenst moet worden aangemerkt, kan een parkeerverbod voor die berm worden ingesteld. Zie artikel 12.9 sub c en de toelichting daarop. Het is tevens mogelijk dat het parkeren op de rijbaan niet wenselijk is, bijvoorbeeld uit oogpunt van de verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de berm wel kan worden toegestaan. In dat geval is plaatsing van bord E1 van bijlage 1 van het RVV 1990 noodzakelijk. Derde en vierde lid Bij de onder lid 3 bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen in gebruik bij de politie, de brandweer of de gemeentelijke plantsoenendienst. Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder b van het vierde lid.

190

Paragraaf 5.5.11 Het voorkomen van overlast, gevaar of schade Artikel 5.98 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.99 Algemene regels verontreiniging door honden Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. Los daarvan staat het probleem al jaren hoog in de ranglijsten van ergernissen. Er zijn verschillende manieren om de overlast van hondenuitwerpselen aan te pakken. Handhaving vraagt betrapping op heterdaad, de bedoeling van de bepaling is daardoor deels preventief. Het is mogelijk om het bij zich hebben van ‘opruimmiddelen’ verplicht te stellen, wat uiteraard wel controleerbaar is. Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de politie. In het tweede lid is een uitzondering gemaakt voor de eigenaar of houder van een geleidehond of sociale hulphond en voor de eigenaar of houder van een hond die vanwege een blessure niet in staat is de uitwerpselen van een hond te verwijderen en af te voeren.

Artikel 5.100 Algemene verboden loslopende honden Artikel 5.100 beperkt het loslopen van honden, zonder dat de hond aangelijnd is, binnen bepaalde gebieden. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag. In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen: • de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht; • het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden; • het voorkomen van hinder voor voetgangers; • het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken, e.d.); • het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven staan. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden en andere sociale hulphonden. Voor deze categorie is in het derde lid een voorziening getroffen. Het eerste lid, onder a, maakt het mogelijk om ook buiten de bebouwde kom plaatsen aan te wijzen waar honden moeten worden aangelijnd.

Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kunnen de honden op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) gevangen worden genomen en overgedragen aan een door burgemeester en wethouders aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is. Het BW geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente moet op basis van Boek 5, artikel 8, derde lid, van het BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging van het dier op zich nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vormgegeven door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken. De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige redenen is vereist. Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even verwijderd is van eigenaar of erf, is geen sprake van een ‘gevonden dier’.

De regeling over het doden van dieren is uitputtend bedoeld. De gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van loslopende honden in het geheel niet regelen.

191

Artikel 5.101 Algemene verboden natuurlijke behoefte Doorgaans beter bekend onder de naam ‘wildplassen’. Momenteel zijn er veel gemeenten die in het kader van een likop-stuk-beleid onderhavige bepaling strikt handhaven.

Artikel 5.102 Algemene verboden plaatsen fiets Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.103 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten In Veenendaal zijn in het centrum een aantal straten aangewezen waar het zonder omgevingsvergunning verboden is om je met je hond te begeven, ook niet als de hond is aangelijnd.

Artikel 5.104 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor het begeven met je hond in het gebied ‘hondenverbod’, moet de aanvrager woonachtig zijn in of grensend aan dat gebied, of een dringende reden hebben dat hij of zij zich met een hond in dat gebied wil begeven. Bij de aanvraag omgevingsvergunning moet deze reden worden aangetoond.

Artikel 5.105 Beoordelingsregels omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de aanvrager woonachtig is in of grensend aan het gebied ‘hondenverbod’, tenzij aangetoond kan worden dat er een dringende reden is om zich met zijn of haar hond in dat gebied te begeven.

Paragraaf 5.5.12 Standplaatsen Artikel 5.106 Aanwijzing activiteiten Het gaat bij een standplaats om het te koop aanbieden van goederen of diensten vanaf een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van het venten met goederen of diensten. Bij het venten met goederen of diensten wordt er immers vanuit gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen of diensten vanaf een andere plaats in de openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de standplaatshouder niet. Het innemen van een standplaats op een markt, ingesteld op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet, valt niet onder het begrip standplaats . Degene die op een dergelijke markt een standplaats wil innemen, zal zich moeten houden aan de regels die voor de markt gelden. Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen omgevingsvergunning krachtens deze paragraaf nodig. Op een evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25 van de Algemene Plaatselijke Verordening Veenendaal van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van toepassing zijn.

Artikel 5.107 Specifieke zorgplicht Deze bepaling is erop gericht zwerfaval te voorkomen.

Artikel 5.108 Algemene regels verboden Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een omgevingsvergunning is verstrekt. Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die zonder omgevingsvergunning een standplaats inneemt, maar ook tegen de eigenaar van de grond die het innemen van een standplaats zonder omgevingsvergunning toestaat.

Artikel 5.109 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten De VNG acht een vergunning voor het hebben van een standplaats, hoe eenvoudig ook, noodzakelijk en evenredig. De omgevingsvergunning dient om overlast tegen te gaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. De omgevingsvergunning is persoonsgebonden. Op het vergunningstelsel is de Dienstenrichtlijn van toepassing. Dat geldt ook als de standplaats wordt gebruikt voor de verkoop van goederen. Die activiteit vormt voor de toepassing van de Dienstenrichtlijn namelijk een ‘dienst’. Er kan sprake zijn van een schaarse vergunning, waardoor de omgevingsvergunning niet voor onbepaalde tijd kan worden verleend en de selectie- en vergunningprocedure aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen (zie daarvoor ‘VNG Handreiking voor gemeenten ‘Schaarse vergunningen’, november 2018’). Vrijheid van meningsuiting

192

Voor het aanbieden van gedrukte stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard kan geen vergunning worden geëist in verband met artikel 7 van de Grondwet. Het aanbieden van zodanige gedrukte stukken wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. Wel is een omgevingsvergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken worden aangeboden. Deze omgevingsvergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt ingenomen.

Artikel 5.110 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.111 Beoordelingsregels omgevingsvergunning Onder e De Dienstenrichtlijn staat een redelijk voorzieningenniveau niet toe als weigeringsgrond voor standplaatsen, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten (artikel 14, punt 5, van de Dienstenrichtlijn). Op grond van de Dienstenrichtlijn mag wel een kwantitatieve of territoriale beperking worden gesteld, mits: • geen sprake is van discriminatie naar nationaliteit of statutaire zetel (discriminatieverbod); • er sprake is van een dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheid); en • de maatregelen zijn geschikt om het nagestreefde doel te bereiken en gaan niet verder dan nodig is en het doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt (evenredigheid) (artikel 15 Dienstenrichtlijn). De formulering van onderdeel e is hierop afgestemd. Het begrip ‘dwingende reden van algemeen belang’ omvat onder meer de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag; handhaving van de maatschappelijke orde; bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, met inbegrip van de stedelijke en rurale ruimtelijke ordening. Maximumstelsel Op grond van de Europese Dienstenrichtlijn is een maximumstelsel toegestaan.

Wel geldt op grond van artikel 9 juncto 10 van de Dienstenrichtlijn dat er een transparante en non-discriminatoire op objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet zijn. Bij het vaststellen van een maximum aantal omgevingsvergunningen, eventueel uitgesplitst naar plaats, tijdstip of branche, moet rekening gehouden worden met het aantal reeds afgegeven (omgevings)vergunningen. Voorschriften omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning voor een standplaats kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Voorschriften die aan een vergunning gesteld kunnen worden betreffen: • het vervallen van de standplaats indien gedurende een bepaalde periode geen standplaats is ingenomen; • de soort goederen of diensten die mogen worden aangeboden.

Hierbij moet men wel het oog houden op een goede verdeling van de te verkopen goederen voor de consument, anders zou er oneerlijke concurrentie kunnen zijn; • de grootte van de standplaats; • de ruimte waarbinnen de waren uitgestald mogen worden; • het uiterlijk aanzien van de standplaats; • tijden van opbouw en ontruiming van de standplaats; • eisen met betrekking tot de (brand)veiligheid. Overige regelgeving Op het drijven van straathandel zijn ook andere regels dan de regels van het omgevingsplan van toepassing. Deze regels stellen vanuit andere motieven eisen aan de straathandel. Te noemen zijn de Winkeltijdenwet en de Warenwet

193

Afdeling 5.6 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed Paragraaf 5.6.1 Algemeen Artikel 5.112 Oogmerken Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Paragraaf 5.6.2 Gemeentelijke monumenten Subparagraaf 5.6.2.1 Algemeen Artikel 5.113 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.114 Specifieke zorgplicht Dit artikel bevat een zorgplicht met het doel om gemeentelijke monumenten in stand te houden. Een zorgplicht is een verplichting om zorgvuldig om te gaan met de belangen van anderen. In dit geval gaat het om het belang van het in stand houden van cultureel erfgoed. Bij het niet naleven van de zorgplicht, kan handhavend worden opgetreden.

Subparagraaf 5.6.2.2 Vergunningplichtige activiteiten Artikel 5.115 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten Normaal onderhoud van een monument is gedefineerd in artikel 1.1.

Artikel 5.116 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

Artikel 5.117 Beoordelingsregel omgevingsvergunning Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

Subparagraaf 5.6.2.3 Subsidie Artikel 5.118 Subsidie voor een gemeentelijk monument voor onderhoud In lid 1 van dit artikel wordt weergegeven welke activiteiten voor subsidie in aanmerking komen. Onderhoud van gemeentelijke monumenten is in de begrippen gedefinieerd als noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde van het monument. Lid 2 geeft weer welke kosten die gemaakt worden voor het uitvoeren van de activiteiten zoals genoemd in het eerste lid in aanmerking komen voor subsidie. Materiaalkosten worden gezien als de kosten van bouwstoffen of materialen die in een bouwwerk worden verwerkt. Materieelkosten zijn de kosten voor al wat nodig is om de activiteiten uit te kunnen voeren en het materiaal te verwerken in het bouwwerk. Denk hierbij aan gereedschappen, werktuigen of machines. Bij arbeidskosten gaat het om de directe arbeidskosten. Dit zijn de kosten voor de ingehuurde werknemers die daadwerkelijk bij het uitvoeren van de activiteiten betrokken zijn. Leden 3 tot en met 5 geven weer hoe vaak het mogelijk is om subsidie aan te vragen voor de activiteiten zoals genoemd in lid 1. In lid 3 staat dat een eigenaar van een gemeentelijk monument ten hoogste eenmaal per twee kalenderjaren in aanmerking komt voor een subsidie.

Om deze subsidie ontvangen, moet in een onafhankelijk bouwkundig inspectierapport aangetoond worden dat de werkzaamheden binnen vijf jaar verricht moeten worden om het monument in goede staat te houden. In lid 4 staat vervolgens dat wanneer een eigenaar van een gemeentelijk monument in jaar X subsidie heeft ontvangen voor een schilderbeurt, de eigenaar na 10 jaar weer in aanmerking kan komen voor subsidie voor een schilderbeurt. Lid 5 bevat de regel dat wanneer een eigenaar van een gemeentelijk monument een subsidie heeft ontvangen voor een bepaalde activiteit in jaar X, de eigenaar na 10 jaar weer in aanmerking kan komen voor subsidie voor het uitvoeren van dezelfde activiteit.

Artikel 5.119 Subsidieomvang Onder subsidiabele kosten worden de kosten bedoeld in artikel 5.118 , tweede Lid.

Artikel 5.120 Subsidieplafond Dit artikel regelt dat wanneer het door burgemeester en wethouders vastgestelde subsidieplafond is bereikt, de aanvragen die nog binnenkomen het daaropvolgende jaar op basis van volgorde van binnenkomst in behandeling worden opgenomen. Is een ingediende aanvraag onvolledig, dan wordt de mogelijkheid geboden om de ontbrekende stukken alsnog aan te leveren. De datum waarop de aanvraag volledig is, is de datum van binnenkomst. Andere

194

volledige aanvragen die voor deze datum zijn ingediend gaan dus voor.

Artikel 5.121 Aanvraag subsidieverlening De subsidieaanvraag kan gedaan worden via https://www.veenendaal.nl/aanvragen-en-regelen/subsidie-onderhoudgemeentelijk-monument. Hier vindt u ook meer informatie over de subsidie.

Artikel 5.122 Weigeringsgronden Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 5.123 Aanvraag subsidievaststelling Wanneer de eigenaar van een gemeentelijk monument bij de gemeente heeft gemeld dat de onderhoudswerkzaamheden zijn uitgevoerd en hij een gespecificeerde eindafrekening met betalingsbewijzen heeft aangeleverd, dan heeft hij daarmee een verzoek tot subsidievaststelling gedaan. De gemeente controleert hierna de werkzaamheden. Na deze inspectie wordt de subsidie definitief vastgesteld en uitbetaald. In lid 2 is de beslistermijn op acht weken vastgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11093509/1