4. Vaststelling omgevingsplan, deel I - toelichting
Tekst van het document
TOELICHTING
164
Algemene Toelichting 1 Inleiding Op 1 juli 2022 treedt de Omgevingswet (Ow) in werking. De Ow bundelt de wetgeving voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed (Ow, artikel 1.2). De Ow heeft ten doel (artikel 1.3): “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften”. De gemeentelijke regelgeving met betrekking tot de fysieke leefomgeving wordt na de invoeringsdatum van de Ow samengebracht in één omgevingsplan. Het omgevingsplan bundelt de huidige bestemmingsplannen, de beheersverordeningen, milieuregels en regels uit (andere) lokale verordeningen die betrekking hebben op activiteiten in de fysieke leefomgeving. Daarmee wordt de lokale regelgeving overzichtelijker, eenvoudiger en toegankelijker voor inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisatie.
Een deel van de huidige regelgeving wordt “van rechtswege” gerekend tot het omgevingsplan. De gemeente heeft wettelijk de gelegenheid om in de periode 2022 – 2029 dit omgevingsplan van rechtswege en de overige verordeningen over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een omgevingsplan als bedoeld in de Ow. De gemeente Veenendaal heeft er voor gekozen om dit alleen voor de huidige bestemmingsplannen te laten gelden. Voor de regelgeving uit lokale verordeningen en de bruidsschatregels is gekozen om dit te actualiseren, verbeteren en integreren in het Omgevingsplan deel I.
1.1 Toelichting op hoofdlijnen Deze toelichting op Omgevingsplan deel I is er één op hoofdlijnen. Er is in de Ow geen wettelijke verplichting tot een toelichting opgenomen. De gemeente bepaalt zelf of en, zo ja, op welke wijze zij een toelichting wil geven op het omgevingsplan. Deze toelichting kan gezien worden als een leeswijzer bij het Omgevingsplan deel I. Niettemin is er voor de leesbaarheid van het Omgevingsplan gekozen ook een artikelsgewijze toelichting te geven. In het Omgevingsplan zelf zijn de begripsbepalingen opgenomen.
1.2 Omgevingsplan, deel I (OPI) Tot en met 1 juli 2022 staan de regels voor de fysieke leefomgeving verspreid over diverse verordeningen. Met het opstellen van OPI is besloten deze regelgeving te bundelen voor de situatie vanaf 1 juli 2022. Daarbij heeft tevens een actualisatie en verbeterslag plaatsgevonden. De regels in het OPI zijn opgesteld aan de hand van de volgende criteria: • Conflicterende regels worden voorkomen; • Dubbelingen zijn weggenomen; • Naleefbaarheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, en; • Eenvoud, duidelijkheid en toegankelijkheid. OPI treedt in werking met ingang van de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit ter inzage is gelegd, tenzij in het omgevingsplan een later tijdstip is bepaald. Het ligt in de bedoeling OPI direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet bekend te maken en ter inzage te leggen. Het OPI bevat regels die in de afgelopen jaren in de verschillende lokale verordeningen door de raad zijn vastgesteld en de de eventuele uitwerkingsbesluiten van burgemeester en wethouders. Naast het toepassen van bovengenoemde criteria is het OPI afgestemd op de inhoudelijke eisen uit de Ow. In het OPI zijn de regels uit de volgende verordeningen gebundeld (voor zover van toepassing op de fysieke leefomgeving): • Algemene plaatselijke verordening gemeente Veenendaal
165
• Afvalstoffenverordening gemeente Veenendaal • Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur gemeente Veenendaal (de regels over telecomkabels blijven in deze verordening achter) • Bouwverordening gemeente Veenendaal • Doelgroepenverodening gemeente Veenendaal • Subsisieverordening monumenten gemeente Veenendaal • Parkeerverordening gemeente Veenendaal • Aansluitverordening riolering gemeente Veenendaal • Erfgoedverordening gemeente Veenendaal Met het vaststellen van het OPI worden deze verordeningen (gedeeltelijk) ingetrokken. Daarnaast zijn ook de regels van de volgende uitwerkingsbesluiten van burgemeester en wethouders in OPI verwerkt • Aanwijzingsbesluit inzamelaars huishoudelijk papier en karton • Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Veenendaal • Beleid tijdelijke reclame-uitingen • Aanwijzignsbesluit fietsparkeren • Besluit parkeervergunningen • Regels uitstallingen
1.3 Structuur Omgevingsplan deel I De structuur van het OPI sluit aan bij het Casco Omgevingsplan (VNG, hierna Casco) en voldoet aan de wettelijke voorwaarden, zodat (professionele) gebruikers er bij de inwerkingtredingsdatum van 1 juli 2022 goed mee kunnen werken. Het is zodanig opgesteld dat het goed te ontsluiten is via het DSO-LV. Door het aan te laten sluiten op het Casco zorgen we ervoor dat de structuur overeenkomt met de omgevingsplannen van andere gemeenten. Dit vereenvoudigt het gebruik wanneer inwoners, bedrijven of maatschappelijke organisaties ook soortgelijke activiteiten uitvoeren in andere gemeenten. hoewel de structuur van het Casco is aangehouden, bevatten nog niet alle hoofdstukken regels. Op dit moment zijn nog hoofdzakelijk regels uit de verordeningen verwerkt die van invloed (kunnen) zijn op de fysieke leefomgeving. Deze zullen bijvoorbeeld nog worden aangevuld met eventuele programma's en de regels over activiteiten uit de vigerende bestemmingsplannen.
2 Toelichting op hoofdstukken Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen In dit hoofdstuk worden de begrippen gedefinieerd die zijn opgenomen in OPI. In de Ow is een begrippenlijst opgenomen, waarvan in het OPI niet afgeweken wordt. De in het OPI opgenomen begrippen zijn toegevoegd op basis van de lokale regelgeving.
Hoofdstuk 2 Doelen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de doelen zoals ze zijn opgenomen in de Ow (artikel 1.2 en 1.3). Volgens het Casco kunnen ook omgevingswaarden toegevoegd worden: er zijn op grond van de overgenomen regelgeving geen omgevingswaarden in OPI opgenomen.
Hoofdstuk 3 Programma's Een programma met een programmatische aanpak wordt aangewezen in het omgevingsplan. Vooralsnog is daar geen sprake van, zodat dit hoofstuk niet gevuld is. Mogelijk zal dit op termijn nog wel gaan plaatsvinden, zodat dit hoofstuk is aangeduid als [gereserveerd].
Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Dit hoofdstuk is gereserveerd voor regels die strekken tot het aanwijzen van onderdelen van de fysieke leefomgeving, voor zover deze van belang zijn voor het bepalen van het toepassingsbereik van andere onderdelen van dit omgevingsplan (vaak regels over activiteiten), of andere rechtsgevolgen in dit omgevingsplan. Het gaat hier niet om een volledige functietoedeling aan locaties te regelen. Dat is, waar nodig, een onderdeel van hoofdstuk 5. Hier worden
166
alleen onderdelen van de fysieke leefomgeving aangewezen, als die aanwijzing niet of niet uitsluitend relevant is als werkingssfeer van een regel van hoofdstuk 5. Het gaat in dit hoofdstuk dus alleen om helder te maken wat bepaalde onderdelen van de fysieke leefomgeving zijn. Het gaat om onderdelen die, zonder die aanwijzing, niet als zodanig bestaan. De aanwijzing geeft daarmee als het ware status aan de onderdelen die zijn aangewezen: een bebouwde komgrens is alleen een bebouwdekomgrens in de zin van de Omgevingswet als die als zodanig is aangewezen in het omgevingsplan.
Hoofdstuk 5 Activiteiten In dit hoofdstuk zijn de regels voor activiteiten opgenomen die van invloed (kunnen) zijn op de fysieke leefomgeving. Hier zijn de regels uit de verordeningen van de gemeente Veenendaal terug te vinden die zijn opgegaan in het OPI.
Hoofdstuk 6 Beheer en onderhoud Dit hoofdstuk biedt ruimte om onderhoud- en instandingsverplichtingen op te nemen en ook eventuele gedoogplichten die in gemeentelijke verordeningen voorkomen. Vooralsnog is aan dit hoofdstuk geen invulling gegeven en staat op [gereserveerd].
Hoofdstuk 7 Financiële bepalingen Dit hoofdstuk bied de mogelijkheid om gebieden aan te wijzen waar sprake is van kostenverhaal. Per gebied kan worden aangegeven of gewerkt wordt met exploitatieregels of exploitatievoorschriften. Toekomstige exploitatieregels worden opgenomen in het omgevingsplan. De voorgestelde structuur biedt in dit hoofdstuk daarvoor de ruimte. Vooralsnog zijn hier in dit omgevinsplan nog geen regels over opgenomen. De Omgevingswet biedt de mogelijkheid tot het indienen van verzoeken om vergoeding van schade als gevolg van het omgevingsplan. Dit hoofdstuk biedt de mogelijkheid voor het opnemen van regels over de afhandeling van deze verzoeken. De procedureregels zoals opgenomen in titel 4.5 Awb, vormen de basis van de schaderegeling in de Ow en zijn uitputtend bedoeld.
Hoofdstuk 8 Procesregels Dit hoofdstuk is relevant voor zover het besluiten betreft waarvoor dat niet al in de Omgevingswet de procedure is bepaald. In dit hoofdstuk zijn nu procedureregels opgenomen over het gemeentelijk erfgoed en de Commissie ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast kan dit hoofdstuk ook regels bevatten die vorm en inhoud geven aan de participatie of het verkrijgen van maatschappelijk draagvlak bij activiteiten.
Hoofdstuk 9 Handhaving Hoofdstuk 10 Monitoringen en informatie In het omgevingsplan zijn (nog) geen omgevingswaarden opgenomen, daarmee is er geen verplichting tot monitoring. Aangezien niet uit te sluiten valt dat er in de toekomst omgevingswaarden worden vastgesteld, staat dit hoofdstuk om die reden op [gereserveerd].
Hoofdstuk 11 Overgangsrecht In dit hoofdstuk zijn de overgangsregels opgenomen die van toepassing zijn op de regels uit hoofdstuk 5. Vanwege het gegeven dat de regelgeving geactualiseerd, verbeterd en vereenvoudigd is opgegaan in OPI zijn de overgangsbepalingen minimaal.
Hoofdstuk 12 Slotbepalingen
167
Artikelgewijze Toelichting Hoofdstuk 2 Doelen Afdeling 2.1 Doel omgevingsplan Artikel 2.1 Gemeentelijke omgevingsdoelen Het omgevingsplan wordt vastgesteld met het oog op de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet. Het is niet nodig om deze doelen één-op-één over te nemen in het omgevingsplan. Wel zal de gemeente duidelijk moeten maken waarop het omgevingsplan is gericht, want in dit artikel wordt gedaan. Dus welke doelen door de gemeente worden nagestreefd door het omgevingsplan, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet. De doelen in dit artikel werken door in alle hoofdstukken van het omgevingsplan. Daarbij geldt voor in het bijzonder voor hoofdstuk 5 (regels over activiteiten) dat de indeling van dat hoofdstuk in afdelingen steeds het oogmerk van de te stellen regels volgt. Die oogmerken zullen steeds rechtstreeks verbonden zijn aan de doelen die in dit artikel zijn gesteld, met dien verstande dat daar desgewenst in hoofdstuk 5 concretere grenzen of uitbreidingen aan zijn gegeven.
Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving In dit hoofdstuk zijn vooralsnog alleen de belangrijkste aanwijzingen opgenomen. Het gaat hierbij om de aanwijzingen van het culturele erfgoed in de gemeente Veenendaal (paragraaf 4.3.1), en aanwijzingen die volgen uit een instructieregel van het rijk (paragraaf 4.3.2). De verwachting is dat bij volledige integratie van de bruidsschat en bestemmingsplannen in dit omgevingsplan, er behoefte is om meer te gaan werken met aanwijzingen, die te zijner tijd onder meer afdeling 4.1 en 4.2 zullen gaan vullen.
Afdeling 4.3 Thema's Paragraaf 4.3.1 Cultureel erfgoed Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 4.1 Gemeentelijke monumenten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 4.2 Beeldbepalende panden Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 4.3 Integrale ensembles Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 4.4 Stedenbouwkundige ensembles Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Paragraaf 4.3.2 Flora en fauna Artikel 4.5 Bebouwingscontour houtkap In artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt bepaald dat in een omgevingsplan voor toepassing van artikel 11.111, tweede lid, aanhef en onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving, een bebouwingscontour houtkap moet worden aangegeven. De regels over kappen uit het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden alleen buiten deze contour. De regels uit het omgevingsplan zijn een aanvulling op het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 4.6 Bebouwingscontour jacht Artikel 5.165a van het Besluit kwaliteit leefomgeving geeft aan dat er in het omgevingsplan een bebouwingscontour voor jacht moet worden aangegeven, voor toepassing van artikelen 11.71, vierde lid, en 11.76, derde lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Binnen deze contour is het verboden om een geweer te gebruiken bij de jacht. In Veenendaal geldt dit voor de bebouwde kom.
Hoofdstuk 5 Activiteiten Afdeling 5.1 Inleidende bepalingen Artikel 5.1 Toepassingsbereik Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
168
Artikel 5.2 Normadressaat In dit artikel wordt benoemd voor wie de regels in dit hoofdstuk gelden.
Artikel 5.3 Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplichten zijn algemene regels. Deze regels gelden direct voor burgers en bedrijven.
Artikel 5.4 Maatwerkvoorschriften Dit artikel geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen in aanvulling op, ter invulling van of in afwijking van het gestelde in hoofdstuk 5. Een maatwerkvoorschrift geldt voor een individueel geval en staat in een apart maatwerkbesluit. Burgemeester en wethouders kunnen een maatwerkvoorschrift bijvoorbeeld gebruiken voor: • onvoorziene situaties; • bijzondere gevallen; • lokale omstandigheden; • het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Voor maatwerkbesluiten geldt de reguliere procedure van de Algemene wet bestuursrecht. Burgemeester en wethouders kunnen een maatwerkvoorschrift uit eigen beweging opstellen of op verzoek.
Afdeling 5.2 Benutten van de fysieke leefomgeving Paragraaf 5.2.1 Algemeen Artikel 5.5 Oogmerken Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Paragraaf 5.2.2 Wonen Artikel 5.6 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 5.7 Algemene regels doelgroepen Dit artikel omschrijft de doelgroepen voor sociale huur- en koopwoningen en midden huurwoningen. De afbakening van de doelgroepen vindt plaats door middel van maximale inkomensgrenzen.
Artikel 5.8 Algemene regels instandhoudingstermijn woningbouwcategorieën In dit artikel wordt geregeld gedurende welke termijn de woningen minimaal in stand moeten worden gehouden voor de verschillende doelgroepen.
Artikel 5.9 Algemene regels verboden Indien woningen binnen de gestelde termijn worden onttrokken aan de opgelegde categorie, wordt in strijd gehandeld met de regels uit het omgevingsplan. Als een woning bijvoorbeeld wordt verkocht dan wel voor een te hoge huur wordt verhuurd gedurende die instandhoudingsperiode, kan de gemeente handhavend optreden.
Paragraaf 5.2.3 Gebruiksmelding Artikel 5.10 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 5.11 Maatwerkregel gebruiksmelding Artikel 6.10 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) geeft de raad de mogelijkheid om een maatwerkregel op te stellen over artikel 6.7. Met deze maatwerkregel kan alleen worden afgeweken van het in tabel 6.6 aangegeven aantal personen voor de celfunctie, de gezondheidszorgfunctie en de logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw. Met dit artikel wordt geregeld dat een gebruiksmelding voor het in gebruik nemen van een logiesgebouw nodig is vanaf 4 personen (in plaats van 10 personen zoals gesteld in het BBL).
Afdeling 5.3 Bouw-, aanleg-, sloop en beheeractiviteiten Paragraaf 5.3.1 Algemeen Artikel 5.12 Oogmerken
169
Dit artikel behoefte geen verdere toelichting.
Paragraaf 5.3.2 Bodemonderzoek Artikel 5.13 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 5.14 Algemene regels bodemonderzoek Als er een recent bruikbaar bodemonderzoek beschikbaar is, vervalt de plicht tot het indienen van een bodemonderzoek. Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, maar alleen als uit vooronderzoek blijkt dat een verkennend bodemonderzoek niet nodig is. De strekking van het derde lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd. Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend.
Paragraaf 5.3.3 Aanleggen en gebruik riolering Inzameling en transport van afvalwater en hemelwater is een taak van de gemeente. Voor het uitvoeren van deze taak heeft de gemeente rioolstelsels aangelegd en zorgt de gemeente voor het beheer van deze stelsels. Deze paragraaf regelt de verhouding tussen burgers en de gemeente inzake de aansluiting op het gemeentelijk rioolstelsel. In deze paragraaf worden voorwaarden gesteld aan de wijze waarop de aansluiting op het gemeenteriool wordt verkregen. Het eenduidig vastleggen van voorwaarden in een aansluitverordening over de wijze waarop kan worden aangesloten op het openbaar riool heeft een aantal voordelen boven het privaatrechtelijk regelen van de aansluiting: • Op deze wijze hoeft niet voor elk perceel apart een overeenkomst voor de aansluiting te worden gesloten. Met een eenduidige regeling in een aansluitverordening bestaat voor alle partijen duidelijkheid over de wijze waarop de aansluiting is geregeld en wordt handhaving eenvoudiger. In een overeenkomst kan ter handhaving namelijk slechts een boetebeding worden opgenomen. • Door het vaststellen van een publiekrechtelijke regeling wordt door de gemeente het risico vermeden dat in strijd wordt gehandeld met de in de jurisprudentie ontwikkelde “twee-wegenleer”.
Deze leer houdt kort gezegd in, dat de overheid geen zaken via de privaatrechtelijke weg mag regelen als daarmee het publiekrecht wordt doorkruist. Zou voor een privaatrechtelijk instrument worden gekozen voor de invulling van deze publieke taak, dan loopt de gemeente een groter risico dat zij regelingen stelt die niet toelaatbaar worden geacht. Door haar publiekrechtelijke taak publiekrechtelijk vorm te geven loopt zij dat risico niet. Uitgangspunt van deze paragraaf is dat voor een nieuwe aansluiting op het riool of een wijziging van de bestaande aansluiting, een vergunning is vereist. In de vergunning worden voorwaarden gesteld waaraan de aansluiting moet voldoen. Het gemeentelijk rioolstelsel wordt op een drietal plaatsen begrensd: het punt waar afvalwater of overtollige neerslag wordt overgenomen van de producent (doorgaans daar waar het particulier riool overgaat in gemeentelijk eigendom), het punt waar afvalwater of de overtollige neerslag wordt overgedragen aan de beheerder van de zuiveringstechnische werken (het waterschap) en het punt waar overstortingen op het oppervlaktewater plaats vinden. Deze paragraaf heeft alleen betrekking op de begrenzing van het eerst genoemde punt. Deze begrenzing, de plaats waar de perceelaansluitleiding (de uitlegger) is aangesloten op de ontstoppingsput, wordt het aansluitpunt genoemd.
Het aansluitpunt wordt in deze paragraaf gesitueerd op de kadastrale eigendomsgrens van het aan te sluiten perceel of niet meer dan een halve meter daar vandaan. De aansluitleiding bestaat dus vanaf het hoofdriool achtereenvolgens uit de perceelaansluitleiding, het aansluitpunt en het particuliere riool. In het systeem van de verordening is een keuze gemaakt voor een verdeling van het beheer van de aansluitleiding. Dit betekent dat de gemeente en de eigenaar elk verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van een deel van de aansluitleiding. Het deel van de aansluitleiding vanaf het aansluitpunt naar het hoofdriool van het gemeentelijk rioolstelsel (de perceelaansluitleiding), wordt beheerd door de gemeente. Dit deel van de aansluiting ligt onder de
170
openbare weg. Als er nu bijvoorbeeld een verstopping is ontstaan in het particuliere riool, dan moet de rechthebbende3 zelf en voor eigen rekening zorgdragen voor het verhelpen van het probleem. Dit kan bijvoorbeeld door het inschakelen van een installateur. Is er een verstopping ontstaan in de perceelaansluitleiding, bijvoorbeeld door ingroeiende boomwortels van een boom van de gemeente of door verzakking, dan draagt de gemeente zorg voor de reparatie. De kosten van onderhoud, renovatie en vervanging van de perceelsaansluitleiding zijn voor de gemeente. Hierop is echter wel een uitzondering gemaakt. Als het aannemelijk is dat de betreffende onderhouds- of herstelwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd als gevolg van een onjuist gebruik van het riool, dan zijn de kosten voor rekening van de rechthebbende. De aanleg van de perceelaansluitleiding geschiedt door de gemeente. Deze legt de perceelaansluitleiding en de ontstoppingsput (dit is ook het feitelijke aansluitpunt) aan voor rekening van de eigenaar. De hoogteligging van de aansluiting wordt door de gemeente bepaald. De kosten die de eigenaar moet betalen zijn in beginsel de minimale kosten van de aanleg.
De verlening van de vergunning kan door de gemeente worden geweigerd indien aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting vanwege technische, juridische of milieuhygiënische redenen bezwaarlijk is. In de verordening is geen uitputtende regeling opgenomen met betrekking tot weigeringsgronden voor het verlenen van de vergunning. Wel zijn situaties opgenomen die in ieder geval worden aangemerkt als bezwaarlijk voor het verlenen van een vergunning voor de aansluiting. Een van deze weigeringsgronden is de aansluiting van drainagewater hetgeen in de lijn ligt van het beleid van de vierde Nota waterhuishouding. Het Gemeentelijk Rioleringsplan biedt de basis voor het weigeren van dit type lozingen. Consequentie van het weigeren van deze lozingen kan zijn dat de gemeente een drainagestelsel zal moeten aanleggen. Overigens heeft de gemeente nog geen wettelijk vastgestelde ontvangstplicht voor drainagewater. Als een vergunningaanvraag wordt geweigerd moet deze weigering conform artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht voorzien zijn van een goede motivering.
Artikel 5.15 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 5.16 Specifieke zorgplicht In artikel 5.16 worden een aantal eisen opgenomen over de kwaliteit van het op het openbaar riool te lozen afvalwater. Deze hebben betrekking op bijvoorbeeld het aantasten van het materiaal van de riolering, het lozen van versneden stoffen, het veroorzaken van verstoppingen van of beschadigingen aan het rioolstelsel en de werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Daarnaast zijn bepalingen opgenomen over de zorg die betracht moet worden bij de werkzaamheden die schade kunnen veroorzaken aan het openbaar riool. Als de rechthebbende bij sloopwerkzaamheden niet voldoet aan het gestelde in dit artikel, dan wel dat er aan de aansluitleiding of aan het openbaar riool schade ontstaat, dan kan de gemeente de aansluiting op het openbaar riool afsluiten en het aansluitriool op openbaar terrein te verwijderen.
Artikel 5.17 Algemene regels aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater Dit artikel bevat algemene regels voor de uitvoering van de aansluiting van afvoer van huishoduelijk afvalwater en hemelwater.
Artikel 5.18 Algemene regels lozen grondwater bij ontwatering Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 5.19 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten In dit artikel wordt bepaald dat aansluiting van een particulier riool op het openbaar riool of wijziging van een dergelijke aansluiting, verboden is zonder omgevingsvergunning. In de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden opgenomen met betrekking tot het tot stand brengen van de aansluiting; het onderhoud, de renovatie en de vervanging van de aansluitleiding; de sloopwerkzaamheden op het perceel van de rechthebbende en op de periode; en het af te voeren debiet waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend indien de aansluiting bedoeld is voor de afvoer van bronneringswater (tijdelijke aansluiting). Zolang de betreffende aansluiting bestaat, blijven deze voorschriften gelden. Bij wijziging van de aansluiting moet een nieuwe omgevingsvergunning worden aangevraagd. In lid 2 wordt aangegeven dat burgemeester en wethouders alleen een omgevingsvergunning verlenen voor aansluitingen die overeenstemmen met het openbaar riool ter plaatse. Doordat steeds meer gemengde rioolstelsels worden gewijzigd in een gescheiden rioolstelsel, wordt alleen nog maar een omgevingsvergunning verleend als het
171
afvalwater en hemelwater gescheiden wordt aangeboden, ook als er ter plekke een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Met deze bepaling in lid 2 is een duidelijke basis gelegd voor handhavend optreden. Immers, iemand die bijvoorbeeld een aansluiting heeft op de drukriolering en daar later een leiding voor de afvoer van hemelwater op aansluit, handelt in strijd met zijn omgevingsvergunning.
Artikel 5.20 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Artikel 5.20 bepaalt welke gegevens er, naast de standaard aanvraagvereisten, moeten worden aangeleverd bij een aanvraag omgevingsvergunning.
Artikel 5.22 Intrekken of wijzigen van de omgevingsvergunning In dit artikel is vastgelegd wanneer een verstrekte omgevingsvergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd. Burgemeester en wethouders kunnen hiertoe overgaan wanneer bijvoorbeeld opgenomen bepalingen niet worden nagekomen of wanneer er sprake is van onjuist gebruik. Met het indienen van de omgevingsvergunning dient de rechthebbende ook een verzoek in aan burgemeester en wethouders om de aansluiting tot stand te brengen en om hiervoor een prijsopgave aan de rechthebbende uit te brengen. Om te voorkomen dat de gemeente omgevingsvergunningen verleent voor percelen waar uiteindelijk geen aansluiting tot stand wordt gebracht, wordt onder f geregeld dat burgemeester en wethouders de omgevingsvergunning kunnen intrekken indien een jaar na de vergunningverlening de aansluiting nog niet is gerealiseerd. Omdat net als een vergunningverlening de intrekking is aan te merken als een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, dient de rechthebbende in de gelegenheid te worden gesteld toe te lichten waarom de aansluiting nog niet is gerealiseerd en moet de intrekking worden voorzien van een deugdelijke motivering.
Artikel 5.23 Informatieplicht De rechthebbende moet burgemeester en wethouders informeren op het moment dat het gebruik van een aansluitleiding definitief wordt beëindigd. Daarnaast bevat dit artikel de plicht om de gemeente te informeren op het moment dat er gebreken ontdekt worden aan de aansluiting.
Artikel 5.24 Maatwerkvoorschriften Dit artikel geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen in aanvulling op, ter invulling van of in afwijking van het gesteld in paragraaf 5.3.3. Een maatwerkvoorschrift geldt voor een individueel geval en staat in een apart maatwerkbesluit. Burgemeester en wethouders kunnen een maatwerkvoorschrift bijvoorbeeld gebruiken voor: • onvoorziene situaties; • bijzondere gevallen; • lokale omstandigheden; • het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Voor maatwerkbesluiten geldt de reguliere procedure van de Algemene wet bestuursrecht. Het bevoegd gezag kan op grond van artikel 3:10 van de Awb de uitgebreide procedure van toepassing verklaren. Het bevoegd gezag moet hier wel een goede reden voor hebben.
Paragraaf 5.3.4 Werkzaamheden kabels en leidingen Onder kabels en leidingen worden kabels en leidingen verstaan die bedoeld zijn voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen of van energie. Dit betreffen bij voorbeeld elektriciteitskabels, drinkwaterleidingen, gasleidingen, warmtenetten en rioolbuizen. Telecommunicatiekabels vallen niet onder deze definitie. Deze paragraaf omvat een stelsel van aanvraag en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden in of op openbare gronden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels en leidingen. Een uitzondering is hierbij gemaakt voor de werkzaamheden in verband met aanleg, instandhouding en opruiming van kabels ten dienste van een openbaar elektronisch telecommunicatienetwerk. Deze werkzaamheden vallen onder de werking van de Telecommunicatiewet en zijn opgenomen in de Telecommunicatieverordening / AVOI. De bepalingen van deze paragraaf sluiten inhoudelijk en voor wat betreft de afweging die de gemeente dient te maken zo veel mogelijk aan bij de bepalingen voor werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van de kabels ten dienste van een openbaar elektronisch telecommunicatienetwerk, zoals deze zijn opgenomen in de
172
Telecommunicatiewet (in paragraaf 5.1.2, van de Tw).
Artikel 5.25 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 5.26 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten In lid 1 is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning werkzaamheden uit te voeren inzake de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels en leidingen. Burgemeester en wethouders kunnen voorschriften in de vergunning opnemen die betrekking hebben op: a. de plaats van de werkzaamheden; b. het tijdstip van de werkzaamheden, waarbij het toegestane tijdstip van aanvang, behoudens zwaarwichtige redenen van publiek belang, niet later mag liggen dan 12 maanden na de datum van verlening van de omgevingsvergunning; c. de wijze van uitvoering van de werkzaamheden; d. het bevorderen van medegebruik van voorzieningen; e. het afstemmen van de voorgenomen werkzaamheden met beheerders van overige in de grond aanwezige werken; f. beperkte geldigheidsduur bij werkzaamheden ten behoeve van voorzieningen welke in gebruik zijn bij bouwactiviteiten derden, inclusief plicht tot verwijderen van de voorzieningen binnen de gestelde termijn; g. de gegevens die bij de aanvraag moeten worden verstrekt of over de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 5.27 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Het eerste lid bepaalt, dat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning een uitvoeringsplan moet worden gevoegd. Het uitvoeringsplan is een figuur dat bekend is uit het stelsel van de Telecommunicatiewet (zie artikel 5.4, lid 4, van de Tw). Bij de melding van werkzaamheden in het kader van deze wet dient een uitvoeringsplan te worden gevoegd. Het tweede lid bepaalt vervolgens wat dit uitvoeringsplan ten minste moet bevatten. Voor de uitvoering van werkzaamheden van niet ingrijpende aard behoeft overeenkomstig het derde lid geen uitvoeringsplan te worden opgesteld. Een dergelijke eis zou niet in proportie zijn met de aard van de werkzaamheden.
Artikel 5.28 Beoordelingsregel Dit artikel somt de weigeringsgronden voor het verlenen van de omgevingsvergunning op. De gronden zijn gelijkluidend met de belangen zoals genoemd in artikel 5.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet.
Artikel 5.29 Wijzigen, intrekken of verlengen omgevingsvergunning Lid 1 in dit artikel geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om een vergunning in te trekken of te wijzigen indien sprake is van één of meer van de in het artikel genoemde gronden. De belangrijkste grond betreft het intrekken indien de netbeheerder de regels van het omgevingsplan, het Handboek Ondergrondse Infrastructuren 2016 of de aanwijzingen in de verstrekte omgevingsvergunning niet naleeft. Onderdeel f betreft het geval indien er werken ter plaatse van de vergunde leiding moeten worden uitgevoerd, waardoor deze leiding niet kan blijven liggen of moet worden aangepast. In lid 3 wordt geregeld dat een omgevingsvergunning moet worden ingetrokken in geval de leidingexploitant niet langer van een omgevingsvergunning gebruik wenst te maken. De leidingexploitant kan hiervan schriftelijk mededeling doen aan burgemeester en wethouders. Met het afstand doen van de omgevingsvergunning vervallen alle rechten die met de omgevingsvergunning gepaard gaan. De leidingexploitant is vervolgens verplicht de leiding te verwijderen.
Artikel 5.30 Meldingsplicht Dit artikel bevat een uitzondering op het verbod in artikel 5.26 in het geval van ernstige belemmeringen en storingen. Ernstige belemmeringen en storingen moeten in beginsel onmiddellijk kunnen worden verholpen, waarbij als voorwaarde wordt gesteld dat de werkzaamheden wel vooraf dienen te worden gemeld bij burgemeester en wethouders. De kennisgeving dient zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen 48 uur te worden gedaan. Deze bepaling is afgeleid van artikel 5.6 van de Telecommunicatiewet.
Afdeling 5.4 Milieubelastende activiteiten Paragraaf 5.4.1 Algemeen
173
Artikel 5.31 Oogmerken Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Paragraaf 5.4.2 Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting Op grond van de Omgevingswet beschikken milieubelastende activiteiten over een omgevingsvergunning of voldoen aan een AMvB die artikelen met betrekking tot de bescherming van het milieu bevat. In artikel 2.21, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond een bevoegdheid voor gemeenten om bij of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te verbinden aan festiviteiten om geluidhinder te beperken of te voorkomen. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet mag de gemeente op grond van Artikel 22.66 voorwaarden verbinden aan festiviteiten in dit omgevingsplan. Artikel 22.199 beperkt het gebruik van de terreinverlichting tot specifiek aangewezen gevallen. Op grond van het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor bepaalde festiviteiten en speciaal aangewezen andere activiteiten. Deze festiviteiten en activiteiten zijn op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt aangewezen in het omgevingsplan.
Artikel 5.32 Aanwijzing activiteiten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 5.33 Algemene regels onversterkte muziek Dit artikel sluit aan op de voormalige artikelen 2.17, 2.17a, 2.18, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit locaties waar een milieubelastende activiteit is toegestaan en niet buiten deze locaties. Of er sprake is van een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan, wordt bepaald door de Omgevingswet. In het Activiteitenbesluit was onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus. Gemeenten hadden, in artikel 2.18, eerste lid, onder f, juncto vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek regels op te nemen in de APV. Voor onversterkte muziek geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat onversterkte muziek buiten beschouwing wordt gelaten, tenzij anders is bepaald in het omgevingsplan. In de instructieregels van het Bkl wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen versterkte en onversterkte muziek, wat betekent dat onder het Bkl, anders dan onder het oude recht, onversterkte muziek wél onder de standaardwaarden voor geluid valt.
Het Bkl biedt wel de flexibiliteit om bijvoorbeeld alsnog een splitsing aan te brengen tussen versterkte en onversterkte muziek. Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is dan die van versterkte muziek, wordt deze op gelijke wijze beschermd. De geluidswaarden kunnen door de gemeenten zelf worden bepaald. Het kan zijn dat een gemeente er de voorkeur aan geeft hogere waarden vast te stellen, bijvoorbeeld vanwege oude, meer gehorige panden. Deze keuze is aan de gemeente. Burgemeester en wethouders kunnen op basis van artikel 5.39 maatwerkvoorschriften vaststellen voor onversterkte muziek. Deze kunnen dan mogelijk wel afwijken van hetgeen in artikel 5.34 gesteld wordt. Dit kan verwarrend zijn voor bedrijven die meer of minder geluid mogen produceren bij versterkte (maatwerkvoorschriften) dan bij onversterkte muziek (omgevingsplan). Om de geluidsnormen voor versterkte muziek gelijk te kunnen maken aan onversterkte muziek, is dit artikel De genoemde geluidsniveaus in het eerste lid (tabel) zijn niet van toepassing op het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden.
Artikel 5.34 Algemene regels incidentele festiviteiten In 2016 is er, onder meer met het kenniscentrum Infomil, gesproken over de betekenis van het woordje ‘in’ in artikel 2:21, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit. Conclusie is dat de wetgever daarmee niet heeft bedoeld dat het hier alleen over de binnenruimte van een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan gaat, maar dat het dus ook kan slaan op bijvoorbeeld een bij een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan behorend terras in de open lucht. Dat betekent dat de bepaling in het tweede lid van dit artikel, die de incidentele activiteiten wel
174
beperkt tot de binnenruimte, niet bindend is voor de raad. De raad kan dus dit artikel aanpassen en zodoende bepalen dat de incidentele activiteit ook in de buitenruimte van de inrichting mag plaatsvinden. Er zijn redenen om incidentele festiviteiten te beperken tot de binnenruimte. Geluid vanuit de binnenruimte is eenvoudiger beheersbaar. Gekozen is daarom deze bepaling ongewijzigd te laten. Het tegenargument daarbij is dat het voor de doelstelling van dit artikel niet bepalend is waar het geluid wordt geproduceerd, zolang de normen maar niet worden overschreden. Zoals hiervoor al genoemd: de wet laat de raad de ruimte om deze bepaling zo te herschrijven dat incidentele activiteiten ook kunnen plaatsvinden in de buitenruimte van een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan. In het tweede en derde lid wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te produceren bij een festiviteit beperkt tot binnen de gebouwen van de locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan. Gebouwen hebben over het algemeen een bepaalde geluiddempende werking. Op het buitenterrein zijn minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies.
Daarbij is het zo dat de regeling geldt voor diverse locaties waar milieubelastende activiteiten mogen plaatsvinden, wat met name een belasting kan geven voor woningen met diverse bedrijven in de omgeving die op verschillende momenten festiviteiten organiseren. Voor muziekgeluid op buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij evenementen, kan dit in de omgevingsvergunning voor een evenement worden geregeld.
Artikel 5.35 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten Een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan heeft een omgevingsvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) of valt onder de algemene regels van paragraaf 5.4.2. In deze algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen. In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Omgevingswet, Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het BAL en BBL een afbakeningsdiscussie opleveren. In een provinciale omgevingsverordening kunnen zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij provinciale omgevingsverordening regels over het voorkomen en beperken van geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale omgevingsverordening gaat in dit geval voor het omgevingsplan. Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van het omgevingsplan van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 van de Gemeentewet betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling.
Artikel 5.35 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan: - een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een braderie, een rally, enzovoort; - het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; - het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; - het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen; - het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; - het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enzovoort; - overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat. Verder kunnen onder Artikel 5.35Artikel 5.35Artikel 5.35Artikel 5.35Artikel 5.35 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van ‘lawaaiige’ hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro-akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enzovoort. Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen.
Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Burgemeester en wethouders kunnen vergunning verlenen, zo nodig met voorschriften.
Artikel 5.36 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
175
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 5.37 Beoordelingsregels omgevingsvergunning Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 5.38 Informatieplicht Eerste lid De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal dagen of dagdelen in verband met de viering van incidentele festiviteiten op locaties waar een milieubelastende activiteit is toegestaan in een gemeentelijke verordening stond in artikel 2.21 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onder b, kan de raad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de geluidsnormen. Deze bepalingen zijn nu opgenomen in Artikel 22.66 , eerste Lid onder b. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een ‘vroege vogels’toernooi. Meerdaagse festiviteiten zijn denkbaar. In Artikel 22.66 , eerste Lid onder b is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal twaalf dagen of dagdelen per jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid om, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, in dit artikel het aantal te verlagen.
In het onderhavige artikel heeft de raad bepaalt dat op maximaal 4 dagen of dagdelen in verband met de viering van incidentele festiviteiten op een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan, zijn toegestaan in de gemeente. Tweede lid Volgens het voormalige artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 3.148 kon hiervan worden afgeweken. Deze bepalingen zijn nu opgenomen in Artikel 22.199. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een ‘vroege vogels’-toernooi. Volgens Artikel 22.199 is het maximum aantal dagen waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid.
Uiteraard blijft ook bij gebruik van Artikel 22.199, de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duisternis voor de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder bij incidentele activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd gezag.
Artikel 5.39 Maatwerkvoorschriften Dit artikel geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen in aanvulling op, ter invulling van of in afwijking van het gestelde in paragraaf 5.4.2. Een maatwerkvoorschrift geldt voor een individueel geval en staat in een apart maatwerkbesluit. Burgemeester en wethouders kunnen een maatwerkvoorschrift bijvoorbeeld gebruiken voor: • onvoorziene situaties; • bijzondere gevallen; • lokale omstandigheden; • het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de leefomgeving. Voor maatwerkbesluiten geldt de reguliere procedure van de Algemene wet bestuursrecht. Het bevoegd gezag kan op grond van artikel 3:10 van de Awb de uitgebreide procedure van toepassing verklaren. Het bevoegd gezag moet hier wel een goede reden voor hebben. Geluid De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid bedoelde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit het voormalige artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit artikel voorzag erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van collectieve
176
festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele, sport- en recreatieve manifestaties. Met artikel 5.39 wordt burgemeester en wethouders de mogelijkheid geboden om te bepalen welke feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen. Het verdient aanbeveling dat burgemeester en wethouders jaarlijks – in samenspraak met het plaatselijke bedrijfsleven – vaststelt op welke data de betreffende voorschriften van artikel 5.33, Subparagraaf 22.3.4.2 en Paragraaf 22.3.20 niet van toepassing zijn. Licht Volgens Artikel 22.199 moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij collectieve festiviteiten staat in Artikel 22.199. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. Ook hier verdient het aanbeveling burgemeester en wethouders – in samenspraak met de plaatselijke sportverenigingen – vast te laten stellen op welke data de betreffende beperkingen niet van toepassing zijn.
Afdeling 5.5 Activiteiten in openbaar toegankelijke ruimte Openbare ruimte Voor het begrip openbare ruimte is aangehaakt bij het begrip ‘openbare plaats’ van de Wet openbare manifestaties (verder Wom). Artikel 1, eerste lid, van de Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de MvT zeggen ‘dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan’; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats ‘open staat’ betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’. Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. ‘De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling’.
Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de MvT (Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 16). Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wom zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen. Omdat de definitie van het begrip ‘openbare plaats’ ook een aantal ’besloten plaatsen’ als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, van de Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (Kamerstukken II 1986/87, 19 427, nr. 5, p. 11-13 en nr. 6). Parkeren Voor het begrip ‘parkeren’ is aangehaakt bij de definitie van artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990: ‘het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen’.
De gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan van voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die door deze paragraaf niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf stilstaan om benzine te tanken; ook in dit geval is er geen sprake van parkeren. Weg Verschillende bepalingen in deze afdeling zien op de ‘weg’. Daarbij wordt aangehaakt bij de definitie ervan in artikel 1,
177
eerste lid, onder b, van de WVW 1994. Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Hiertoe behoren ook trottoirs, voetpaden, voetgangersgebieden, rijwielpaden en parkeerplaatsen of terreinen. Uit de definitie van ‘openbare ruimte’ blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt.
Paragraaf 5.5.1 Algemeen Artikel 5.40 Oogmerken Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Paragraaf 5.5.2 Objecten plaatsen op de weg Artikel 2a van de WVW 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor deze verordeningen niet in strijd zijn met het bepaalde in deze wet (of krachtens de op dit punt vergelijkbare oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16-12-1975, NJ 1976, 204). Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de weg. Vanwege de fysieke component van deze regels is besloten deze in het omgevingsplan op te nemen.
Artikel 5.41 Aanwijzing activiteiten Dit artikel geeft de gemeente de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden, containers of fietsparkeervoorzieningen. Ook voorwerpen die met de grond zijn verbonden, zoals een haag in de berm, kunnen als voorwerpen als hier bedoeld worden aangemerkt (ABRvS 10-01-2018, ECLI:NL:RVS:2018:49). Inboedels Het plaatsen van inboedels op de weg gebeurt dikwijls in het kader van de ontruiming van woningen. Het is echter in strijd met dit artikel. In de VNG ledenbrief Lbr. 97/39 van 20 maart 1997 wordt het advies gegeven om met preventieve bestuursdwang op te treden ten aanzien van op de weg geplaatste zaken. Die mogelijkheid is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2001. Het op straat plaatsen en daar laten staan van inboedel is geen gebruik van de weg overeenkomstig de bestemming, zodat zo’n handeling onder het verbod van artikel 5.45 valt.
Hoewel artikel 5:21 van de Awb niet met zoveel woorden voorziet in de mogelijkheid van een preventieve bestuursdwangaanschrijving, kan een dergelijk besluit volgens vaste jurisprudentie worden genomen indien er sprake is van klaarblijkelijk gevaar van een op zeer korte termijn te verwachten overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift. De Afdeling overweegt nog expliciet dat niet van belang is er of sprake is van dreigende ernstige schade. Het enige criterium voor preventieve bestuursdwang is dus “klaarblijkelijk gevaar van overtreding”. Verder oordeelt de Afdeling dat de aanschrijving terecht aan de woningstichting is gericht. Als opdrachtgeefster tot ontruiming, waarbij de inboedel op straat komt te staan, is ze overtreedster van artikel 5.45 ( voorheen artikel 2:10 APV). Als overtreedster is de woningstichting op grond van artikel 5:25 van de Awb ook de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd (ABRvS 07-11-2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD5810 (Brunssum)). Containers Over het plaatsen van containers kan nog opgemerkt worden dat het CROW in 1998 richtlijnen heeft uitgebracht, getiteld Markering onverlichte obstakels.
Deze richtlijnen gaan in op het uniform plaatsen en markeren van verplaatsbare onverlichte obstakels (waaronder vuil- en opslagcontainers), inclusief mogelijke regelgeving met bijbehorende handhavings- en controlemogelijkheden. Objecten langs auto(snel)wegen Rijkswaterstaat heeft op 21 oktober 2011 de richtlijn “Beoordeling van objecten langs Auto(snel)wegen” (Kader vergunningverlening) vastgesteld (Stcrt. 2011, 23311). De hoofdlijn voor objecten (waaronder reclame) is nu: • bewegende beelden op digitale billboards zijn niet toegestaan (hieronder valt ook knipperen); • de objecten mogen niet verblinden (moeten voldoen aan Richtlijn Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor
178
Verlichtingskunde) • de objecten (en windturbines) of commerciële uitingen moeten op voldoende afstand van de rijbaan zijn geplaatst. Artikel 5.41 kan op dit soort objecten van toepassing zijn, namelijk als de grond langs de snelweg valt binnen het begrip ‘weg’ of binnen de definitie van ‘openbare ruimte’. In dat geval zal het rijksbeleidskader handvatten kunnen bieden om te bepalen of het object gevaar oplevert voor de bruikbaarheid of het doelmatig en veilig gebruik van de weg (voorheen artikel 2:10 APV).
Artikel 5.42 Specifieke zorgplicht De zorgplicht in artikel 5.42 is erop gericht dat situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn, worden voorkomen. De verantwoordelijkheid wordt daarbij bij een ieder gelegd die flyert of die een object op of boven de openbare weg plaatst. De zorgplicht ziet daarbij op zowel vergunningplichtige activiteiten als activiteiten die niet vergunningplichtig zijn. In lid 2 wordt toegelicht wat onder de zorgplicht wordt verstaan voor uitstallingen.
Artikel 5.43 Algemene regels uitstallingen In dit artikel is een algemene regel opgenomen in plaats van een vergunningstelsel. De raad maakt daarmee een nadrukkelijke keuze voor het bieden van meer ruimte aan burger en bedrijfsleven. De gedachte is dat voor een aantal voorwerpen die in de openbare ruimte worden geplaatst een vergunning overbodig is, omdat deze voorwerpen volstrekt geen overlast veroorzaken of zelfs bijdragen aan de leefbaarheid. In de praktijk wordt er ook niet vaak handhavend opgetreden tegen voorwerpen die strikt gesproken alleen met vergunning op of aan de weg zouden mogen staan. Voordeel van een gedetailleerde regel is dat er de nodige duidelijkheid wordt gegeven. Daarmee is meteen een nadeel genoemd van een algemeen gestelde regel. Feitelijk is daarmee voor burgers en bedrijven een zogeheten ‘zorgplicht’ neergelegd. Er mogen voorwerpen worden geplaatst, zolang de verkeersveiligheid niet in gevaar wordt gebracht en aan de andere voorwaarden van het artikel wordt voldaan. De burger dient dat zelf af te wegen. Als de gemeente wenst op te treden omdat zij van mening is dat niet aan de voorwaarden van artikel 5.43 wordt voldaan, zal daarover al snel discussie ontstaan. Dat vraagt inschattingsvermogen, zelfstandigheid en tact van de toezichthoudende ambtenaren. De gemeente zal haar handhavingsbesluit daarom ook zeer nauwkeurig dienen te motiveren.
Artikel 5.44 Algemene regels mobiele billboards Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 5.45 Algemene regels verboden Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 5.46 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten Net als een gedetailleerde regel kan een omgevingsvergunning met de daarbij gestelde voorschriften voor duidelijkheid zorgen: de houder van de omgevingsvergunning weet waar hij aan toe is, net als de gemeentelijke toezichthouder. Voor de omgevingsvergunning geldt dat ze in beginsel voor een onbeperkte periode wordt verstrekt. Uiteraard wordt wel een termijn gesteld voor zaken die per definitie tijdelijk worden geplaatst of waarbij de omgevingsvergunningen schaars zijn. Lid 2 Onder dit verbod zijn geen voorwerpen gebracht waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Een vergunningstelsel voor zulke uitingen zou in strijd zijn met artikel 7 van de Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Het is op grond van lid 1 (zouden we sub b niet moeten uitsluiten van het verbod voor deze uitingen? Of zelfs naar lid 3 omdat we ook een zorgplicht voor een veilige constructie hebben opgenomen?) wel verboden om uitingen te doen als daardoor het verkeer wordt gehinderd of in gevaar wordt gebracht. Lid 3 Indien een evenement wordt gehouden, waartoe een omgevingsvergunning is verleend op basis van artikel 2:25 van de Algemene Plaatselijke Verordening Veenendaal (evenement) of artikel 5.109 (standplaats), dan hoeft geen omgevingsvergunning te worden verleend op basis van dit artikel.
Deze bepaling voorkomt een samenloop van beide omgevingsvergunningen. In de voorschriften bij een omgevingsvergunning voor een evenement of standplaats kan
179
immers ook de verkeersveiligheid worden gewaarborgd.
Artikel 5.47 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning In dit artikel zijn de aanvullende aanvraagvereisten opgenomen die benodigd zijn om tot een besluit op de aanvraag te kunnen komen.
Artikel 5.48 Beoordelingsregels omgevingsvergunning aankondigingsborden In dit artikel zijn de voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan om een omgevingsvergunning te kunnen verlenen. De voorwaarden zijn gesteld met het oog op de bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van de weg. De beoordelingsregels kunnen worden gezien als ondersteuning van de motivering om een omgevingsvergunning te verlenen.