CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Vaststelling bestemmingsplan Franse Gat Zuid, deel 1 en 2 - Toelichting bestemmingsplan

Gemeenteraad 22 juni 2023, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Franse Gat Zuid, deel 1 en 231.124 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Conclusie

Binnen het plangebied wordt voldoende rekening gehouden met water. Verdere uitwerking van de in de watertoets gegeven adviezen vindt plaats bij het maken van een concreet inrichtingsplan. Voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, vormt het aspect water geen belemmering.

5.3

Externe veiligheid

Externe veiligheid is de kans om te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Beleid en regelgeving op dit gebied is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege: a. het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); b. het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, waterwegen en spoorwegen; c. het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Met betrekking tot risico's wordt onderscheid gemaakt in twee risicomaten: Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als het risico op een plaats buiten een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Binnen de wet- en regelgeving zijn aan deze definitie grens- en richtwaarden opgehangen ten aanzien van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.

Het groepsrisico is gedefinieerd als cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. In wet- en regelgeving is aan het groepsrisico een oriënterende waarde toegekend als indicator voor de omvang van een ramp en een afwegingsproces gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, rampenbestrijding en resteffecten.

5.3.1

Wettelijk kader

De regelgeving voor inrichtingen met (over het algemeen) grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen is samengebracht in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit Besluit is aangegeven welke bedrijven bij het verlenen van een milieuvergunning of het nemen van een besluit op grond van de Wro nadere aandacht behoeven. De wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid biedt geen absolute veiligheid. Een kleine kans op een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen wordt geacht tot het normaal maatschappelijk risico

28

bestemmingsplan

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2 te behoren. Getracht wordt om door middel van regelgeving de gevolgen zo veel als mogelijk is te beperken. De regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen is neergelegd in het “Besluit transportroutes externe veiligheid”. Deze wetgeving verankert het zogenaamde Basisnet en daarmee is de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen per 01-04-2015 vervallen. Externe veiligheid in relatie tot transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) dat op 01-01-2011 in werking is getreden.

5.3.2

Toetsing bouwplan

Het plangebied is getoetst aan de geactualiseerde risicokaart op risicokaart.nl op de onderdelen: veiligheidsafstanden, ongevallen gevaarlijke stoffen, ongevallen verkeer en vervoer, natuurrampen, paniek/verstoring en kwetsbare objecten en ligt niet in verdacht of risicovol gebied.

5.3.3

Conclusie

Het aspect Externe Veiligheid vormt geen belemmering voor de realisatie van het voorgenomen plan.

5.4

Archeologie

5.4.1

Wettelijk kader

In 1992 ondertekende Nederland het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed – kortweg ‘het Verdrag van Malta’ (of Valletta). Sindsdien is het uitgangspunt van het (rijks)beleid dat archeologische waarden volwaardig meetellen in beslissingen over de ruimtelijke inrichting van ons land. De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) heeft als doel bodemverstorende activiteiten beter te reguleren. Centraal daarbij staat de verplichting om archeologische waarden in bestemmingsplannen vast te leggen. Gemeenten zijn daarbij bevoegd gezag inzake de omgang met archeologische waarden. Binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid hebben zij de vrijheid naar eigen inzicht financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de zorg voor de archeologie binnen hun grondgebied. Het verdrag is in 2007 wettelijk verankerd in de herziene Monumentenwet 1988. Een deel hiervan is op 1 juli 2016 overgegaan naar de Erfgoedwet. Zowel archeologie als een deel van cultuurhistorie zijn namelijk sinds 1 juli 2016 verankerd in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. In juli 2015 nam de Tweede Kamer een amendement op de Omgevingswet aan, waarin gesteld wordt dat gemeente de archeologische dubbelbestemmingen beter moeten onderbouwen.

Daarbij is van belang dat de archeologische monumenten aantoonbaar moeten worden gemaakt. Het archeologisch erfgoed heeft hiermee een prominente plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde "veroorzakerprincipe". Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Gemeenten dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1 en 3.38 Wro altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat gemeenten het kader moeten stellen voor de archeologische monumentenzorg. Zij hebben dus een kerntaak in de uitvoering van de archeologische monumentenzorg en moeten bij ruimtelijke besluitvorming het archeologische belang afwegen tegen de andere belangen.

bestemmingsplan

29

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2

In de afgelopen 8 jaar zijn diverse archeologische onderzoeken binnen de gemeente uitgevoerd en zijn er nieuwe bronnen beschikbaar die relevant zijn voor de archeologische verwachting. Daarom is de archeologische beleidskaart uit 2010 geactualiseerd en heeft er een verfijning plaatsgevonden van het verwachtingenmodel. Dit heeft geresulteerd in een geactualiseerde archeologische beleidskaart die op 25 juni 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld. De beleidskaart is vervolgens juridisch vertaald in het bestemmingsplan 'Parapluplan 2020', welke eveneens is vastgesteld door de raad op 25 juni 2020.

5.4.2

Toetsing bouwplan

Bureauonderzoek Sweco Nederland B.V. heeft in oktober 2021 een archeologisch bureauonderzoek (bijlage 5) uitgevoerd. Aanleiding voor het onderzoek is de sloop van de ca. 134 woningen en de bouw van nieuwe woningen in het plangebied Franse Gat Zuid. Op basis van het onderzoek is vastgesteld dat het plangebied zich bevindt in de Gelderse Vallei, in een dekzandgebied dat is gevormd in de laatste ijstijd. Archeologische waarden vanaf het laat Paleolithicum kunnen zich daarom al direct vanaf het maaiveld in de top van het dekzand bevinden. Gezien de bouw van de huidige woonwijk zijn de archeologische waarden uit deze periode, die bestaan uit vuursteenvondsten en haardplaatsen, zeer waarschijnlijk verstoord geraakt. Daarom is de archeologische verwachting uit het Paleolithicum en Mesolithicum laag. Voor archeologie uit het Neolithicum tot en met de vroege Middeleeuwen is de verwachting middelhoog. De ligging van het plangebied aan de rand van een stuwwal is mogelijk een aantrekkelijk gebied voor bewoning geweest. Ook voor de periode late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd is de verwachting middelhoog. Het plangebied is vanaf de 15e eeuw verkaveld. Ook zijn er in het begin van de 19e eeuw aanwijzingen voor een schaapskooi en wat bewoning ten noorden van het plangebied.

De kern van de bewoning van Veenendaal zal in eerste instantie echter gelegen zijn rondom de kerk en het marktplein. De aanleg van de huidige woonwijk zal tevens de nodige bodemverstoringen hebben veroorzaakt die eventuele aanwezige archeologische waarden verstoord kunnen hebben. De archeologische waarden zijn waarschijnlijk vrij ondiep gelegen en kunnen zich direct aan het maaiveld bevinden. Eventuele archeologische waarden uit het Paleolithicum en Mesolithicum kunnen bestaan uit losse vuursteenvondsten of jachtkampjes. Er kunnen jachtkampjes aangetroffen worden met kuil- en/of vlakhaarden en strooiingen van vuursteenvondsten met een omvang van ca. 50-100 m2 . Vanaf het Neolithicum kunnen ook nederzettingen (huisplaatsen) aangetroffen worden van 200-2000 m2 . Hier kan aardwerk, dierlijk bot, bewerkt natuursteen, en vanaf de metaaltijden ook metaal worden aangetroffen en sporen zoals (verkavelings- en erf)greppels, paalgaten, waterputten en afvalkuilen; voor de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd aangevuld met periode specifiek keramiek (aardewerk/steengoed/porselein) en bouwmateriaal (baksteen/dakpan, glas, natuursteen). Veldonderzoek Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek is door Sweco Nederland B.V. een verkennend booronderzoek (bijlage 5) uitgevoerd. Uit dit onderzoek is gebleken dat de bodemopbouw in het plangebied niet intact is.

In meer dan de helft van de boringen is een recente bouwvoor met daaronder een oude bouwvoor aangetroffen met daaronder dekzand, behorende tot het de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. Er zijn geen (deels) intacte podzolbodems aangetroffen. Enkel in boring 4 lijkt een verstoorde E-horizont voor te komen. Het zou echter ook kunnen gaan om een recente verstoring. In boring 16 is er onder de oude bouwvoor een slootvulling aangetroffen met plantenresten. Aangezien in het plangebied veldpodzolgronden voorkomen en de gronden waarschijnlijk langdurig als hooiland/weiland in gebruik zijn geweest is het mogelijk dat de gronden relatief nat zijn geweest, waardoor weinig bodemvorming aanwezig is. De kans dat bij de voorgenomen ontwikkeling archeologische waarden worden aangetast is daarom klein.

30

bestemmingsplan

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2

5.4.3

Conclusie

Uit de resultaten van het veldonderzoek volgt dat er geen vervolgonderzoek nodig is. De voorgenomen bodemingrepen kunnen zonder archeologisch voorbehoud worden uitgevoerd. Wanneer bij de uitvoering van de werkzaamheden toch onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten verplicht. De archeologische verwachting voor het plangebied kan worden bijgesteld naar laag.

5.5

Cultuurhistorie

5.5.1

Wettelijk kader

In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

5.5.2

Cultuurhistorische kenmerken

In 2018 is de cultuurhistorische waardenkaart door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit kenmerkenkaarten voor de disciplines landschap en gebouwde omgeving, uit waardenkaarten voor diezelfde aspecten, uit een viertal themakaarten en uit een integrale ensemblekaart, waarop de gebieden die staan die – samen met de sectorale landschappelijke en gebouwde kaarten – het palet aan cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Veenendaal laten zien. De thema’s waarop in het bijzonder ingezoomd is, zijn vervening, industrie, religie en militair erfgoed. Deze vier thema’s vormen een belangrijk deel van het ‘verhaal van Veenendaal’, waarvan in wisselende hoeveelheden ook nog relicten in het huidige Veenendaal – ondergronds, landschappelijk of gebouwd – terug te vinden zijn.

5.5.3

Toetsing bouwplan

Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart is dit plangebied getoetst. De thema's waarop zijn ingezoomd zijn vervening, industrie, religie en militair erfgoed. Het plangebied ligt binnen het verveningsblok 1550-1580. Daarnaast is er dekzaklaag en dekzakvlakte aanwezig en ligt het binnen de Utrechts-Gelderse veenkolonie. Voor het thema industrie is een groot gedeelte van het plangebied een oude arbeidersbuurt. In het plangebied is er een zeer beperkte hoeveelheid religieus erfgoed aanwezig. Een gedeelte van het plangebied is onderdeel van een inundatiegebied en er zijn wapenopstellingen aanwezig. Het plangebied heeft bepaalde delen die gekarakteriseerd worden als stedenbouwkundig waardevol gebied. Ook zijn er gedeelten die vallen binnen waardevol bouwkunstenensemble en karakteristiek ensemble.

5.5.4

Conclusie

Het plangebied is getoetst aan de geactualiseerde cultuurhistorische waardenkaarten. De aspecten vervening, industrie, religie en militair erfgoed zijn echter maar in zeer beperkte mate aanwezig en vormen daarom geen belemmering voor de realisatie van het voorgenomen plan. Het aspect stedenbouwkundig zal verder ook geen belemmering vormen als er wordt aangesloten op de bestaande, waardevol bevonden ruimtelijke uitstraling van het gebied.

bestemmingsplan

31

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2

5.6

Conventionele explosieven

Het is bekend dat in de gemeente Veenendaal tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen zijn geweest. Dit houdt in dat er op plaatsen mogelijk conventionele explosieven in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Uit de praktijk is gebleken dat circa 10% van de afgeworpen bommen niet is geëxplodeerd en in de bodem is achtergebleven als blindganger. De gemeente Veenendaal heeft in mei 2018 beleid ten aanzien van conventionele explosieven vastgesteld. Door het vaststellen van een gemeentelijk beleid wordt geborgd dat activiteiten met betrekking tot CE binnen de gemeente worden getoetst en daar waar nodig beheersmaatregelen kunnen worden genomen en/of voorgeschreven. Het beleid is tevens bedoeld om eenieder die van plan is grondroerende werkzaamheden binnen de gemeente uit te voeren, te verplichten de benodigde acties te ondernemen met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid en risico's van CE op de betreffende locatie. Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) CE wordt alleen uitgevoerd om het risico met betrekking tot CE weg te nemen, en daarmee een veilige werkomgeving en leefomgeving te creëren tijdens uit te voeren werkzaamheden of activiteiten. Dit is ook de reden dat de gemeente Veenendaal altijd ingelicht moet worden als er projectmatig bodemroerende activiteiten plaatsvinden binnen gebieden die als verdacht zijn aangemerkt.

Vanwege voortschrijdende inzichten in de gebeurtenissen tijdens de Tweede Oorlog heeft er in 2020 een update van de bodembelastingkaart Conventionele Explosieven plaatsgevonden.

5.6.1

Toetsing bouwplan

Het plangebied is getoetst aan de geactualiseerde bodembelastingkaart en ligt niet binnen verdacht gebied.

5.6.2

Conclusie

Het aspect Conventionele Explosieven vormt geen belemmering voor de realisatie van het voorgenomen plan.

5.7

Ecologie

5.7.1

Wettelijk kader

Voor ecologie moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met soortbescherming gericht en met gebiedsbescherming. De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming zorgt voor een goede natuurbescherming van planten- en diersoorten, natura 2000-gebieden, en bossen. Sommige plant- en diersoorten worden beschermd omdat ze als kwetsbaar worden gekenmerkt. De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet, en de Flora- en Faunawet zijn vanaf 1 januari 2017 opgenomen in de Wet natuurbescherming. De provincie is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierin worden de soortbescherming en de gebiedsbescherming nader belicht omdat beide voor het bestemmingsplan van belang zijn. De regels die voorheen in de Boswet waren opgenomen zijn binnen het plangebied niet van toepassing omdat het gehele gebied binnen de bebouwde kom ligt. Een nadere beschrijving van dit deel van de wet is dan ook niet opgenomen. Soortbescherming Een belangrijk doel van de wet is het beschermen van alle soorten planten- en dieren die in het wild in Nederland voorkomen. De wet gebiedt dat alle in het wild levende dieren en planten in principe met rust worden gelaten, wat is vastgelegd in de algemene zorgplicht. In de regelgeving heeft de gunstige staat van in stand houding van soorten een prominentere plek gekregen.

32

bestemmingsplan

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2

De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Provincies hebben de mogelijkheid om voor bepaalde soorten aanvullende maatregelen vast te stellen. De provincie Utrecht heeft hiervoor al een lijst opgesteld met prioritaire soorten en aanvullende maartregelen per soort. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is van toepassing op natuurgebieden die door de overheid zijn aangewezen in het kader van de vogelrichtlijn en/of de habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn richt zich op de bescherming van natuurlijke habitats en leefgebieden van aangewezen planten- en dierensoorten. De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming van leefgebied van beschermde vogelsoorten. Belangrijk is dat ruimtelijke projecten niet zonder meer mogen worden gerealiseerd in beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Projecten die in de nabijheid van beschermde natuurgebieden (inclusief de Habitatrichtlijngebieden) worden geprojecteerd, dienen te worden getoetst op de mogelijke negatieve effecten die zij op deze gebieden kunnen hebben (externe werking). Indien een negatief effect vermoed wordt dan moet bij de Provincie een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd worden.

De Provincie zal naar aanleiding van de aanvraag een beschikking opstellen. De beschikking kan een verbod van het project betekenen of voorwaarden verbinden aan de uitvoer. De Wet natuurbescherming beschermt geen gebieden buiten de natura 2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland Naast de volgens de wet aangewezen gebieden kent Nederland het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). Het NNN is bedoeld voor het ontwikkelen van ecologische zones tussen verschillende natuurgebieden zodat populaties met elkaar in verbinding blijven en versnippering van natuur wordt tegen gegaan. Het is uiteraard niet wenselijk dat een ontwikkeling een verstorende werking heeft op de functie van deze verbindingszones. Deze zones zijn niet beschermd volgens de Wet natuurbescherming maar krijgen planologische bescherming doordat deze in bestemmingsplannen worden opgenomen. Projecten en bestemmingsplannen worden getoetst aan dit provinciale beleid.

5.7.2

Toetsing bouwplan

Sweco heeft in 2018 in het hele Franse Gat een jaarrond natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur uitgevoerd (bijlage 6). Vervolgens is in 2022 tevens door Sweco een oplegnotite natuur geschreven om de resultaten planspecifiek te maken en te onderzoeken of het bestemmingsplan uitvoerbaar is in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur (bijlage 7) en is er een Aeriusberekening uitgevoerd (bijlage 8). Hieronder worden de resultaten gedeeld. Soortenbescherming Het Franse Gat is een echte huismussen- en gierzwaluwenwijk met maar liefs 330 nestlocaties van de huismus en circa 266 van de gierzwaluw. De essentiële leefgebieden voor de huismussen betreffen de vaak diepe achtertuinen, er is weinig openbaar groen aanwezig in de wijk. Er zijn vier vleermuissoorten aanwezig in het Franse Gat. De meest voorkomende is, zoals verwacht, de gewone dwergvleermuis. Daarnaast zijn ook de ruige dwergvleermuis, de laatvlieger en de Rosse vleermuis aangetroffen. De belangrijkste vondst is de massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in het appartementencomplex 'Het Hooge Zicht'. Van deze soort zijn verder geen kraamverblijven aanwezig, maar wel circa 50 zomeren/of paarverblijven. Van de ruige dwergvleermuis zijn drie paarverblijfplaatsen vastgesteld. De laatvlieger en Rosse vleermuis zijn alleen foeragerend of overvliegend waargenomen.

Er zijn geen essentiële foerageergebieden of vliegroute aanwezig in de wijk. De aanwezige vleermuizen trekken in de loop van de avond en nacht waarschijnlijk richting het kleinschalige natuurlandschap en bosrijke gebieden ten westen en zuiden van het Franse Gat. Met de ontwikkelingen in het Franse Gat zullen nestlocaties en verblijfplaatsen van de huismus, gierzwaluw en gewone- en ruige dwergvleermuis aangetast worden. Hiervoor is een ontheffing van verbodsbepalingen artikel 3.1, lid 2 en artikel 3.5, lid 4 uit de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Met een natuur inclusieve en gebiedsgerichte aanpak kan

bestemmingsplan

33

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2 de wijk nog aantrekkelijk worden voor deze soorten en kan de gunstige staat van instandhouding geborgd worden. Voor de getoonde gebieden (enveloppen) in afbeelding 7 is activiteitenplan (bijlage 9) opgesteld. Op basis van dit activiteitenplan is een ontheffing bij de provincie aangevraagd. Er is sprake van een geldig wettelijk belang en er is geen sprake van een andere bevredigende oplossing. Door in te zetten op natuurinclusief bouwen worden ruimschoots compenserende maatregelen getroffen conform bekende richtlijnen en kennisdocumenten. Hiermee wordt verstoring van de beschermde soorten zoveel mogelijk beperkt en is de gunstige staat van instandhouding van deze soorten gewaarborgd. Zo wordt gezorgd dat de wijk de typische huismus- en gierzwaluwwijk blijft en wordt het aantrekkelijk voor vleermuizen. De provincie Utrecht heeft de ontheffing verleend (bijlage 10). De ontheffing is geldig tot en met 15 augustus 2026.

Afbeelding 7: Het Franse Gat (rood omkaderd) met de 4 enveloppen waarvoor ontheffing is aangevraagd en verleend (Bron: Activiteitenplan Sweco)

34

bestemmingsplan

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2

Gebiedsbescherming Op basis van het natuuronderzoek uit 2018 en de oplegnotitie uit 2022 blijkt dat effecten op Natura-2000 gebieden als gevolg van verdroging, vernatting, optische verstoring, licht- en geluidsverstoring dan wel van overige directe effectindicatoren, op voorhand kunnen worden uitgesloten. Dit vanwege de aard van de ontwikkeling, de afstand en tussenliggende barrières. Een nadere beschouwing op deze effectindicatoren was niet nodig. Effecten van verzuring en vermesting als gevolg van een toename in stikstofdepositie waren mogelijk wel aan de orde. Echter, op basis van de huidige wetgeving kunnen de effecten in de aanlegfase van deelgebied 2 buiten beschouwing worden gelaten. De Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering voorziet sinds 1 juli j.l. namelijk in een partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor stikstofemissie afkomstig van bouw- en sloopwerkzaamheden. De aanlegfase kan vanaf die datum buiten beschouwing gelaten worden voor de beoordeling van de vergunningplicht. Voor de gebruiksfase zijn de effecten van de emissie van stikstof ten gevolge van de verwarming van de woningen op de omliggende stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden opnieuw bepaald. Dit is gedaan middels een stikstofdepositieberekening met de meest recente versie van de AERIUS Calculator.

Voor de berekening is een vergelijking gemaakt tussen de plansituatie en de referentie (huidige) situatie. De maximale toename van de depositie ten gevolge van het plan, ten opzichte van de referentiesituatie, op stikstofgevoelige habitattypen/leefgebieden met een (naderende) overschrijding van de KDW in de referentie situatie, bedraagt 0,00 mol N/ha/jaar. Het onderdeel stikstofdepositie vormt geen belemmering om het plan ten uitvoer te brengen. Gebieden die onderdeel zijn van het NNN, de Groene contour, Waterparels of Watervogel-gebieden liggen op relatief grote afstand (1,5 kilometer) van het plangebied. Externe werking ten aanzien van de NNN en de Groene contour is in provincie Utrecht niet van toepassing. Tevens is er geen ecologische relatie tussen waterparels en watervogelgebieden uit de omgeving. Vanuit het provinciaal waren er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen.

5.7.3

Conclusie

Voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan vormt het aspect ecologie geen belemmering.

5.8

Geluid

5.8.1

Wettelijk kader

Tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh) is een koppeling gelegd. Dat blijkt uit art. 76 en 76a van de Wgh. Dit betekent dat de geluidssituatie binnen het plangebied moet voldoen aan de voorwaarden uit de Wgh. Als nadere invulling van deze voorwaarden heeft de gemeente Veenendaal de beleidsregel hogere waarden Wgh opgesteld. In het kader van de Wet geluidhinder liggen er zones rond wegen en spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen. Wegen op een woonerf of met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen zone. Binnen een zone moet voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, onderzoek worden gedaan naar de geluidbelasting. Binnen de geluidszone geldt een voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting ter plaatse van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. Hierbij geldt een afzonderlijke toetsing per weg, spoorweg of industrieterrein. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde moet worden onderzocht of geluid reducerende maatregelen getroffen kunnen worden, waarbij de volgorde bron- overdracht- en ontvangermaatregelen de voorkeur geniet. Beleidsregel hogere waarden Pas als blijkt dat niet aan de voorkeurswaarde kan worden voldaan kan het college van Burgemeester en Wethouders een hogere waarde verlenen (ontheffing van de voorkeurswaarde). Hierbij geldt wel een maximale ontheffingswaarde.

Voordat een hogere waarde vast te stellen dienen bron- en overdrachtsmaatregelen afgewogen te worden. In deze beleidsregel worden randvoorwaarden genoemd voor het toestaan van hogere geluidsbelastingen

bestemmingsplan

35

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2 dan de voorkeurswaarde. De voorwaarden zijn geformuleerd als eis of als inspanningsverplichting. Indien niet aan de inspanningsverplichting kan worden voldaan dient de initiatiefnemer te motiveren waarom dit niet kan of waarom voor een alternatieve oplossing is gekozen. 5.8.2

Toetsing bouwplan

Door Sweco is een akoestisch onderzoek (bijlage 11) uitgevoerd voor het mogelijk maken van woningbouw in woonwijk het Franse Gat te Veenendaal. In het onderzoek is de geluidsbelasting van omliggende wegen rondom het plangebied inzichtelijk gemaakt. De geluidsbelasting ten gevolge van verkeer over de wettelijke gezoneerde Rondweg-West leidt tot een overschrijding van de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. De hoogst berekende waarde welke plaatsvindt op de gevel van slechts één woning, is 49 dB, inclusief correctie art. 3.4 uit het RMG 2012. Hierom is onderzoek naar maatregelen vereist. Indien maatregelen onvoldoende effectief zijn en/of stuiten op overwegende bezwaren, dient een hogere waarde te worden aangevraagd. De geluidsbelasting op de randen van de bouwkavels ten gevolge van het verkeer over de 30 km/uur bedraagt ten hoogste 53 dB, inclusief aftrek conform artikel 3.4 uit het RMG 2012. Dit is hoger dan de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB conform de Wet geluidhinder. Het betreft echter geen wettelijke toets, doordat 30 km/uur wegen zijn uitgezonderd van wettelijke zonering. Aanvullende maatregelen voor de 30 km/uur wegen kunnen worden onderzocht, al is dit wettelijk niet verplicht. 5.8.3

Conclusie

Voor de Rondweg-West wordt een hogere grenswaarde ingevolge de Wet geluidhinder aangevraagd. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid

5.9

Bedrijven- en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Der basis hiervoor vormt de Wet milieubeheer. In de VNG handreiking 'bedrijven en milieuzonering' 2009 zijn de aan te houden afstanden opgenomen. Hieraan wordt het plan dan ook getoetst. Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) dienen binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen.

5.9.1

Toetsing bouwplan

In de directe omgeving van het plangebied zitten verschillende bedrijven. Deze bedrijven zijn opgenomen in onderstaande tabel.

36

bestemmingsplan

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2

Afbeelding 8: Richtafstanden VNG-Handreiking voor rustige woonwijk (Bron: Omgevingsdienst Regio Utrecht) Uit de tabel blijkt dat aan de richtafstanden wordt voldaan voor de huidige bedrijven. Uitgangspunt is dat ter plaatse dan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.In de meeste gevallen zijn in de omgeving van de genoemde functies reeds andere woningen aanwezig die als maatgevend object voor eventuele milieuhinder kunnen worden beschouwd. Daardoor zijn de beoogde woningen voor deze bedrijven niet belemmerend.. Dit geldt ook bij maximale planologische invulling. Alleen in het geval van de viskraam (Dr. Slotemaker de Bruïneplein) zullen de beoogde woningen het maatgevend object worden. Op de locatie van de viskraam geldt de enkelbestemming “dienstverlening” met als functieaanduiding “detailhandel”. Hier zijn in principe meerdere soorten detailhandel toegestaan. Op grond van het beperkte bouwvlak kan detailhandel met een zwaardere milieucategorie (zoals een bouwmarkt) op deze locatie op voorhand worden uitgesloten. Hiermee vormt het beoogde woningbouwproject geen belemmering voor detailhandel op deze locatie, en is het woon- en leefklimaat ter plaatse aanvaardbaar. Ten westen van het plangebied ligt een agrarisch gebied. Veehouderijen en andere agrarische bedrijven zitten op grote afstand van het plangebied.

De dichtstbijzijnde veehouderij (zorgboerderij) is het bedrijf op Dijkstraat 15. Dit bedrijf ligt op meer dan 700 meter van het plangebied. Eventuele milieuhinder is op grond van de grote afstand niet te verwachten. Hiermee is voldoende aannemelijk dat agrarische bedrijvigheid geen belemmering zal vormen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. Ook zijn bestaande woningen maatgevend voor eventuele milieuhinder. Bestaande agrarische bedrijven zullen niet worden belemmerd door het beoogde plan. 5.9.2

Conclusie

Het aspect bedrijven- en milieuzonering vormt geen belemmering voor de realisatie van het voorgenomen plan.

5.10

Luchtkwaliteit

5.10.1 Wettelijk kader Voor luchtkwaliteit zijn de luchtkwaliteitseisen (hoofdstuk 5.2) van de Wet milieubeheer van kracht. Hierin is vastgelegd dat onder meer ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. Deze Wet is nader uitgewerkt in Besluiten en Regelingen, waarvan het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate (nibm), het Besluit gevoelige bestemmingen en de Regeling beoordeling de belangrijkste zijn. Daarnaast is ook het beginsel van een goede en duurzame ruimtelijke ordening van belang. Niet in betekenende mate (nibm) Alleen projecten die ‘in betekenende mate’ bijdragen aan de concentraties luchtvervuiling worden getoetst aan de grenswaarden. Er dient te worden onderzocht of een project ‘in betekenende’ mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Het Besluit nibm bepaalt dat een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtvervuiling als deze minder dan 3% van de grenswaarde, ofwel 1,2 microgram per m3. De Regeling nibm is hier een nadere uitwerking van. Hierin is bepaald dat woningbouwprojecten tot 1.500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg en woningbouwprojecten tot 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling zijn vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof.

Besluit gevoelige bestemmingen Kinderen, ouderen en zieken zijn gevoeliger voor luchtvervuiling en worden daarom extra beschermd. Op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen gelden voor gevoelige bestemmingen nabij wegen zwaardere beperkingen. Zo mogen binnen 300 meter van rijkswegen en 50 meter vanaf provinciale wegen geen bestemmingen voor langdurig verblijf als kinderdagverblijven, scholen of verzorgingstehuizen worden gebouwd, als de wettelijke grenswaarden worden overschreden. Het Besluit verplicht overheden om onderzoek uit te voeren naar de concentraties stikstofdioxide en fijn stof. Voor gemeentelijke wegen

bestemmingsplan

37

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2 geldt een zwaardere motiveringsplicht. Concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof De Omgevingsdienst heeft de concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof voor het jaar 2015 en 2025 berekenend met het rekenmodel GeoMilieu. De wettellijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde ligt op 40 microgram per m3. De uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 microgram per m3 wordt overschreden wanneer de concentraties gemideld op jaarbasis boven de 60 microgram per m3 uitkomen.

5.10.2 Toetsing bouwplan In het plangebied worden er maximaal 154 woningen meer gerealiseerd dan het huidige aantal woningen. Omdat het plan volgens de Regling nibm, niet in betekenden mate bijdraagt aan de concentraties luchtvervuiling, is het plan vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof uit de Wet luchtkwaliteit. De Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) heeft de concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof voor het jaar 2018 en 2030 berekenend met het rekenmodel GeoMilieu (bron:geoloket ODRU). Hieruit komen de volgende gemiddelde waarden op jaarbasis voor het plangebied:

Afbeelding 9: concentraties fijnstof en stikstofdioxide voor 2018 en 2030 (Bron: Omgevingsdienst Regio Utrecht). Deze waarden zitten ruim onder de grenswaarden voor zowel het peiljaar 2018 als 2030. 5.10.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het voorgenomen plan.

5.11

Mobiliteit

5.11.1 Wettelijk kader Op 26 november 2020 heeft de raad de Notitie parkeernormen Veenendaal 2020 vastgesteld. De parkeernormen zijn hiermee herzien. In het vastgestelde beleid worden flexibelere parkeernormen toegepast, waardoor er meer maatwerk mogelijk is bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in Veenendaal. Hierbij wordt meer rekening gehouden met het bestaande stedelijk gebied en met de mogelijkheden om met andere vervoerswijzen te reizen naast de personenauto. Ook worden er fietsparkeernormen geïntroduceerd om de positie van Veenendaal als fietsstad verder te versterken. Tot slot kunnen initiatiefnemers van grote ruimtelijke ontwikkelingen met behulp van een mobiliteitsplan gemotiveerd een reductie op de parkeernormen verdienen door andere vormen van mobiliteit aan te bieden en gebruik te maken van de kwaliteiten die aanwezig zijn in de nabije omgeving van het plangebied.

5.11.2 Toetsing bouwplan Mobiliteitsplan Door Sweco is een mobiliteitsplan (bijlage 12) opgesteld, waarbij ingegaan wordt op de parkeervraag van de ontwikkeling. Op basis van de maximale invulling van het woningbouwprogramma en de verkavelingsschets voorziet de planontwikkeling in 333 autoparkeerplaatsen. De parkeervraag bedraagt, na reductie op basis van de nabijheid tot het OV en fietsvoorzieningen, 320 parkeerplaatsen. Hiermee

38

bestemmingsplan

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2 voldoet het plan aan de gemeentelijke parkeernormen. Daarnaast biedt het ruimte om extra woningen te realiseren, uitgaande van het maximale aantal als opgenomen in dit bestemmingsplan. Verkeerstoets Sweco heeft een verkeerstoets (bijlage 13) uitgevoerd, waarbij is ingegaan op de verkeersafwikkeling. Op basis van dit onderzoek zijn twee conclusies getrokken: 1. De beoogde woningbouwontwikkeling genereert naar verwachting 545 voertuigverplaatsingen per werkdag extra ten opzichte van de huidige situatie; 2. Het effect van de verkeersgeneratie ten gevolge van de woningbouwontwikkeling is zeer beperkt. Gemiddeld bedraagt de extra belasting tijdens piekmomenten op de gehele verkeersafwikkeling minder dan één voertuig per minuut. Wanneer gekeken wordt naar de verschillende routes bedraagt de toename op de drukste route gemiddeld één voertuig per 3 minuten. De capaciteitswaarden van de omliggende wegenstructuur worden niet overschreden en naar verwachting is het effect op de verkeersafwikkeling bij kruispunten verwaarloosbaar. 5.11.3 Conclusie Het plan voldoet aan de Notitie parkeernormen Veenendaal 2020. Het aspect parkeren vormt dan ook geen belemmering voor de realisatie van de ontwikkeling. Daarnaast zijn er geen problemen te verwachten in het kader van de verkeersafwikkeling.

5.12

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r) in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de procedure voor de vormvrije m.e.r.- beoordeling. Voor een aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, zal door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie opgesteld moeten worden. Na het indienen van de aanmeldnotitie dient het bevoegd binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. Vervolgens moet de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is vereist als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en de besluiten (kolom 4) die daaraan zijn gekoppeld, in gevallen waarin de omvang van activiteiten onder de drempelwaarden (kolom 2 van de D-lijst) liggen.

5.12.1 Toetsing bouwplan Het project blijft onder de drempelwaarde van 100 hectare, 2.000 of meer woningen of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Daarom is voor dit project geen ‘formele’ m.e.r.-beoordeling maar een ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling nodig. Door Sweco is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd (bijlage 14). De meeste effecten zijn beperkt en door het nemen van (mitigerende) maatregelen op te lossen of in voldoende mate te beperken. Er wordt verder nog nader onderzoek uitgevoerd naar aanleiding van de conclusies uit het verkennend bodemonderzoek. Gezien de omvang van de activiteiten in relatie tot de drempelwaarden en te verwachten effecten, zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu uit te sluiten.

5.12.2 Conclusie Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet m.e.r.-plichtig.

bestemmingsplan

39

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2

5.13

Totaalbeeld aspecten

Uit alle gevoerde onderzoeken komt naar voren dat het bestemmingsplan niet op onacceptabele gevolgen of belemmeringen stuit voor de directe omgeving. In het kader van vergunningverlening is nog vervolgonderzoek nodig voor het aspect bodem.

40

bestemmingsplan

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE PLANOPZET

Inleiding

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat verbeelding en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding Zoals reeds eerder gesteld is de verbeelding gerelateerd aan de regels (en vice versa) en heeft tevens de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Verder kunnen er binnen een bestemming verklaringen zijn aangegeven. Deze hebben juridisch gezien geen enkele betekenis en zijn uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken.

Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken. Toelichting De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter geen rechtsreeks burgers bindende werking.

6.2

De indeling van de planregels

Het gemeentelijk beleid is vertaald in de planregels. Het deelplan bevat normatieve regels, die bindend zijn voor zowel de overheid als de burger. Daarbij is geprobeerd een flexibel stelsel van regels te ontwikkelen zonder daarbij tekort te doen aan eisen van rechtszekerheid. Gekozen is daarom om het aantal bestemmingen op de verbeelding te beperken tot datgene wat noodzakelijk wordt geacht. Het is voor beide partijen van groot belang, dat de verbeelding en de planregels duidelijke informatie verschaffen. Door het aantal bestemmingen met een minimum te beperken wordt de leesbaarheid en duidelijkheid van zowel de verbeelding als de planregels vergroot. Een leesbaar en duidelijk plan zorgt bovendien voor een plan dat handhaafbaar is. De indeling van de planregels is als volgt:

6.2.1

Inleidende regels (hoofdstuk 1)

Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige planregels goed te kunnen hanteren: begrippen: bevat in het plan gebruikte begrippen die uitleg behoeven; wijze van meten: bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlaktes,

bestemmingsplan

41

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2 percentages, hoogtes, dieptes, breedtes en dergelijke. Hieronder valt tevens de wijze van peilbepaling. 6.2.2

Bestemmingsregels (hoofdstuk 2)

Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan burgemeester en wethouders ten aanzien van bepaalde bouwregels. Specifiek e gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die vormen van gebruik waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de bestemmingsomschrijving. Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels. 6.2.3

Algemene regels (hoofdstuk 3)

Hoofdstuk 3 bestaat achtereenvolgens uit de volgende artikelen: Anti-dubbeltelregel; Algemene bouwregels; Algemene gebruiksregels; Algemene aanduidingsregels; Algemene afwijkingsregels; Algemene wijzigingsregels; Overige regels. 6.2.4

Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4)

In hoofdstuk 4 van de regels is het overgangrecht geformuleerd. De formulering is conform de tekst als in het Bro omschreven. Zonder vergunning opgerichte, dus illegale, bouwwerken vallen niet onder het overgangsrecht. Indien de bouwwerken door wetgeving inmiddels vergunningvrij kunnen worden opgericht, worden deze niet als illegaal beschouwd. In de slotregel wordt genoemd hoe het plan kan worden aangehaald.

6.3

Bestemmingen

De bestemmingen bestaan uit een opsomming van omschrijvingen die aangeven hoe een bepaalde plek gebruikt mag worden en wat er op een bepaalde plek gebouwd mag worden. Dit wordt respectievelijk opgesomd in de bestemmingsomschrijving en de bouwregels. Daarnaast gelden er voor sommige bestemmingen aanvullende specifieke gebruiksregels (bijvoorbeeld verboden) en mogelijkheden tot afwijken van de gebruiks- en bouwregels. In dit bestemmingsplan is bij de bestemmingsomschrijvingen het begrip additionele voorzieningen 42

bestemmingsplan

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2 toegevoegd. Deze voorzieningen vormen een onderdeel van de bestemming of functie en zijn daaraan ondergeschikt. Met deze ruime begripsomschrijving worden meerdere voorzieningen aan de bestemmingen gekoppeld om flexibiliteit voor (kleine) bouwwerken in het plan te waarborgen. Hieronder wordt de voor dit plan geldende bestemming toegelicht. Er wordt aangegeven wat de gebruiksen bouwmogelijkheden zijn.

Parkeren - eigen terrein - P(et) Gebruiksmogelijkheden De gronden met de bestemming 'Parkeren - eigen terrein - P(et)' zijn bestemd voor parkeervoorzieningen ten behoeve van de aangrenzende bestemming 'Wonen'. Bouwmogelijkheden Binnen de bestemming 'Parkeren - eigen terrein' is het niet toegestaan om te bouwen, met uitzondering van de locaties die aangeduid zijn met 'specifieke bouwaanduiding' - overhellende verdieping'. Binnen deze specifieke bouwaanduiding is het toegestaan om de verdieping van het hoofdgebouw bestemd voor wonen maximaal 3 meter over te laten hellen.

Verkeer - V Gebruiksmogelijkheden De gronden met de bestemming 'Verkeer - V' zijn primair bestemd voor wegen. Daarnaast zijn deze gronden bestemd voor de aanleg en instandhouding van kunstwerken, auto- en fietsparkeervoorzieningen, water, verhardingen, doeleinden van algemeen nut, en infrastructuur ter ondersteuning of ten behoeve van het wegverkeer. Bouwmogelijkheden Op deze gronden zijn uitsluitend overige bouwwerken (bouwwerken, geen gebouwen zijnde) toegestaan. Deze mogen maximaal 6 meter hoog zijn. Voor sport zijn ruime bouwmogelijkheden opgelegd om ruimte te bieden voor de sportvoorzieningen die doorgaans benodigd zijn. Bij additionele voorzieningen kan gedacht worden aan: bankjes, prullenbakken, pleinen.

Wonen - W Gebruiksmogelijkheden Op de gronden met de bestemming 'Wonen - W' mag natuurlijk gewoond worden. Daarnaast is het direct toegestaan om beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen in hoofd- of bijgebouw tot een maximum van 45 m². Dit gebruik is echter wel aan voorwaarden onderhevig, de voorwaarden worden in specifieke gebruiksregels binnen de bestemming opgenomen. Bouwmogelijkheden Per deelgebied is aangegeven wat de bouwmogelijkheden zijn. Er is een regeling opgenomen voor bijbehorende bouwwerken, waarin de maximum oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken als volgt is gerelateerd aan de grootte van het bouwperceel: 1. in geval van een bouwperceel kleiner dan of gelijk aan 200 m2: 25% van dat bouwperceel; 2. in geval van een bouwperceel groter dan 200 m2: 50m², vermeerderd met 20% van het deel van het bouwperceel dat groter is dan 200 m2, tot een maximum van in totaal 120m². Milieuzone - boringsvrije zone (gebiedsaanduiding) In het kader van de grondwaterbescherming is op de verbeelding de zogenaamde milieuzone-boringsvrije zone als bedoeld in de Provinciale Milieuverordening Utrecht aangegeven. Deze zone is als een

bestemmingsplan

43

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2 gebiedsaanduiding in de planregels opgenomen. Een milieuzone-boringsvrije zone is een gebied waar de onttrekking van water plaatsvindt onder slecht doorlatende aardlagen. Het beschermingsregime van de milieuzone-boringsvrije zone is gericht op het tegengaan van activiteiten die de beschermende functie van de slecht doorlatende bodemlagen teniet kunnen doen. Als regeling is opgenomen, dat indien door de gebiedsaanduiding “milieuzone-boringsvrije zone” met elkaar onverenigbare regels van kracht worden de bovengenoemde regels voorrang hebben, tenzij de beheerder van het grondwater met het tegendeel instemt.

44

bestemmingsplan

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2

Hoofdstuk 7

FINANCIEEL-ECONOM ISCHE UIT VOERBAARHEID

Tegelijkertijd met de vaststelling van een bestemmingsplan kunnen exploitatieplannen (ex. art. 6.12 Wro) worden vastgesteld. Op basis van het exploitatieplan kunnen (plan)kosten worden verhaald. Een exploitatieplan hoeft niet opgesteld te worden bij een bestemmingsplan met alleen conserverende bestemmingen of wijzigingsbevoegdheden. Een exploitatieplan hoeft ook niet opgesteld te worden als het kostenverhaal ‘anderszins verzekerd’ is, door middel van bijvoorbeeld anterieure overeenkomsten of als de gemeente eigenaar is van de gronden. Met Veenvesters is een contract getekend, een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over de ontwikkeling van deelplan 2 en de exploitatiebijdrage. Met deze anterieure overeenkmst is het kostenverhaal verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan niet vereist.

bestemmingsplan

45

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2

Hoofdstuk 8

M AAT SCHAPPELIJKE UIT VOERBAARHEID

Het gemeentelijke beleid is er op gericht om in de voorbereiding op de bestemmingsplanprocedure een participatietraject te volgen. Om in het voortraject inspraak te kunnen hebben worden belanghebbenden uitgenodigd om te participeren in de totstandkoming van het bestemmingsplan. Dit vervangt de ter inzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan. Met de burgerparticipatie wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van het plan en te reageren op de inhoud. Het communicatie- en participatietraject is langdurend en de inzet verandert per fase in de ontwikkeling van de wijk. Niet alleen de wijk verandert richting de toekomst, de wijkbewoners en ondernemers veranderen mee. Let wel: je bereikt nooit dat iedereen voorstander van alle plannen en ontwikkelingen is. Er zullen altijd wijkbewoners tegen bepaalde plannen zijn, want enkelen ervaren wel degelijk nadelen van een hoger appartementencomplex in de straat (vermindert uitzicht, schaduwwerking). Zorgen over en weerstand op onderdelen blijft. Denk bijvoorbeeld aan hoogbouw. Niemand wil hoogbouw in de voortuin of achtertuin, ‘nimby’. Door het toevoegen van woningen is er de zorg voor extra verkeer en voldoende parkeermogelijkheden. De verkeers- en parkeerdruk wordt in enkele straten nu al als te hoog ervaren.

Blijft het geliefde karakter van de wijk wel behouden? Hoe houden we de wijk prettig en leefbaar tijdens de sloop en nieuwbouw? Ook zijn er zorgen over eventuele schade aan de eigen woning als gevolg van de bouwwerkzaamheden. Communicatie en participatie houden niet op na de vaststelling van dit bestemmingsplan. Ook richting de uitvoering blijven de verschillende doelgroepen betrokken. In bijlage 15 is meer te lezen over de vormen van participatie in de verschillende fases van de ontwikkeling.

8.1

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit omgevingsrecht is het ontwerpbestemmingsplan gedurende de inzagetermijn toegezonden aan de provincie Utrecht en het waterschap Vallei en Veluwe. Het plan raakt geen belangen van het Rijk of andere gemeenten. De provincie Utrecht gaf aan geen opmerkingen te hebben op het ontwerp bestemmingsplan. Van het waterschap Vallei en Veluwe hebben we geen reactie mogen ontvangen.

8.2

Ontwerp ter inzage legging

Het ontwerp bestemmingsplan is op 16 november gepubliceerd in het Gemeenteblad en op ruimtelijkeplannen.nl. Aansluitend heeft het ontwerp bestemmingsplan vanaf 17 november 2022 gedurende zes weken (dus tot en met 28 december 2022) ter inzage gelegen. Binnen deze termijn zijn 77 zienswijzen ingediend. In bijlage 16 is de commentaarnota in te zien waarin de zienswijzen voorzien van reactie zijn opgenomen. Een groot deel van de zienswijzen gaat in op het deelgebied 3, waar een apart bestemmingsplan voor wordt opgesteld. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen zijn er geen wijzigingen doorgevoerd in de regels van dit bestemmingsplan. Wel is op basis van een advies van de Woon Advies Commissie de planbeschrijving in hoofdstuk 4 uitgebreid.

46

bestemmingsplan

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2

Bijlagen bij toelichting

bestemmingsplan

47

bestemmingsplan Franse Gat Zuid - deel 1 en 2

Bijlage 1 M arktverkenning

48

bestemmingsplan

BIJLAGE 1: MARKTVERKENNING

Marktonderzoek Franse Gat Veenendaal eindrapport

Stec Groep aan de gemeente Veenendaal

Luuk Lentferink & Beer Janssens 7 april 2022

2

Marktonderzoek Franse Gat Veenendaal 22.072

Inhoudsopgave 1

Inleiding 1.1 1.2

2

3

Aanleiding................................................................................................. 3 Leeswijzer ................................................................................................. 3

Conclusies en adviezen

4

Conclusies op basis van analyses voor Franse Gat ........................................... 4 Adviezen ten aanzien van de 100 tot 180 vrijesectorwoningen in het Franse Gat................................................................................................. 5

3

Uitgangspunten 3.1 3.2

4

4.2 4.3

5

SWOT Franse Gat..................................................................................... 7 Marktregio: voornamelijk lokaal ............................................................. 8

Bestaande woningvoorraad 4.1

5.2

11

Woningvoorraad in Veenendaal Zuidwest bestaat voornamelijk uit sociale huur ....................................................................................... 11 Marktruimte huurwoningen op basis van marktruimtemodel ........... 12 Betaalbaarheid onder druk .................................................................... 13

Demografische ontwikkeling 5.1

7

14

De huishoudensprognose voor Veenendaal tot 2042 op basis van scenario’s ................................................................................................ 14 Wijk Zuidwest groeit met 525 tot 550 huishoudens in de periode 2022 t/m 2042 ......................................................................................... 15

6

Woningbehoefte

16

7

Doelgroepen Franse Gat

20

7.1 7.2

Kansrijke doelgroepen Franse Gat: stedelijk georiënteerde huishoudens ........................................................................................... 20 Woonvoorkeuren van kansrijke doelgroepen Franse Gat .................. 20

Bijlagen 22 Bijlage A: Overzicht leencapaciteit en huidig aanbod Veenendaal................. 22 Bijlage B: Toelichting scenario’s huishoudensontwikkeling ........................... 24 Bijlage C: Overzicht Stec-doelgroepen .............................................................. 25 Bijlage D: Instrumenten betaalbaarheid ........................................................... 32

Marktonderzoek Franse Gat Veenendaal 22.072

3

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De wijk het Franse Gat in Veenendaal zuidwest is een na-oorlogse wijk met veel sociale huurwoningen. Veel van de woningen in de wijk voldoen niet meer aan de huidige standaarden wat betreft indeling, isolatie en duurzaamheid. In de afgelopen jaren heeft de gemeente Veenendaal samen met andere betrokken partijen gewerkt aan een wijkaanpak voor de wijk. In het Franse Gat worden de komende jaren circa 1.100 woningen onder handen genomen. Dit door vernieuwing, renovatie, sloop en nieuwbouw van bestaande woningen en de aanpak van onder andere de openbare ruimte. Op dit moment werkt de gemeente Veenendaal samen met Patrimonium woonservice aan de vernieuwing van het plandeel Zuid in de wijk het Franse Gat in Veenendaal (zie afbeelding hiernaast). In dit deelplan zuid worden 249 eengezinswoningen (sociale huur) gesloopt en vervangen door nieuwbouw. In totaal moet de herontwikkeling van plandeel Zuid ruimte bieden aan circa 430 nieuwe woningen. Afgesproken is dat er evenveel sociale huurwoningen terug zullen komen als er gesloopt worden. Ook worden er circa 100 tot 180 woningen in de vrijesector toegevoegd. In dit marktonderzoek gaan we in op de woningtypen, segmenten en doelgroepen voor de 100 tot 180 vrijesectorwoningen die de gemeente op deze locatie wilt toevoegen.

Specifiek zoomen we in op de volgende vragen: • Wat is de kwantitatieve behoefte voor woningen in Veenendaal en de wijk het Franse Gat? • Vanuit welke doelgroepen is de vraag naar woningen afkomstig en voor welke doelgroepen is de locatie aantrekkelijk? • Met welke product-marktcombinaties in uw programma komt u tegemoet aan de vraag vanuit kansrijke doelgroepen? • Hoe kan de kwantitatieve woningbehoefte worden vertaalt in een differentiatie in een kwalitatieve woningbouwprogramma? • Op welke manier draagt dit programma bij aan de doorstroming in de woningmarkt in Veenendaal en de balans in de wijk het Franse Gat?

1.2 Leeswijzer In hoofdstuk 2 presenteren we onze conclusies en adviezen voor de vrijesectorwoningen in het Franse Gat. Deze zijn onder andere gebaseerd op de uitgangspunten voor het Franse Gat (hoofdstuk 3) en de bestaande woningvoorraad (hoofdstuk 4). In hoofdstuk 5 gaan we in op de demografische ontwikkeling die vervolgens in hoofdstuk 6 leidt tot de verwachte woningbehoefte in het Franse Gat. Vervolgens definiëren we in hoofdstuk 7 de kansrijke doelgroepen om te komen tot een concept programma voor Franse Gat (hoofdstuk 8).

Marktonderzoek Franse Gat Veenendaal 22.072

4

2 Conclusies en adviezen We starten met onze conclusies op basis van de uitgevoerde analyses en geven vervolgens adviezen ten aanzien van de ontwikkeling van 100 tot 180 vrijesectorwoningen in het Franse Gat. De onderbouwing voor deze conclusies en adviezen is in de hoofdstukken hierna uitgewerkt.

Conclusies op basis van analyses voor Franse Gat 1. Bestaande woningvoorraad in de wijk bestaat voor meer dan de helft uit sociale huur Ruim de helft van de woningen in de Wijk Zuidwest is een sociale huur woningen. Dit zijn zowel grondgebonden sociale huurwoningen (circa 26% van de totale woningvoorraad) als appartementen in de sociale huur (circa 25% van de totale woningvoorraad). Daarnaast bestaat 39% van de bestaande woningvoorraad uit grondgebonden koopwoningen. In de wijk Zuidwest bevinden zich nauwelijks vrijesectorhuurwoningen in de bestaande voorraad. De kwaliteit van de bestaande woningvoorraad staat onder druk. Circa 22% van de woningen in de wijk Zuidwest heeft een groen energielabel A of B, dit is relatief laag in vergelijking met het gemiddelde van de gemeente Veenendaal (circa 40%). Het aandeel woningen met een energielabel F of G is in Zuidwest met 28% ook een stuk hoger dan gemiddeld in Veenendaal (circa 15%). 2. Komende jaren vergrijzing, noodzaak om in te spelen op de veranderende woningbehoefte Naar verwachting neemt het aantal huishoudens in de Wijk Zuidwest met circa 555 huishoudens toe tot 2040. Deze groei wordt voornamelijk beïnvloed door de vergrijzin van de bevolking. Het aantal huishoudens van 65 jaar en ouder neemt de komende twintig jaar met circa 60% toe. Dit beïnvloed de kwalitatieve uitbreidingsbehoefte in de wijk.

De groei in het aantal ouderen stuwt de vraag naar levensloopbestendige nultredenwoningen/appartementen, zowel op korte als de langere termijn. De uiteindelijke kwalitatieve uitbreidingsbehoefte is sterk afhankelijk van de mate waarin doorstroming van ouderen plaatsvindt en zij de huidige woning verlaten voor een nultredenalternatief. Bouwen voor deze doelgroep heeft een smerend effect op de verhuisketen. De vrijkomende grondgebonden woning (al dan niet als kluswoning) is geschikt voor de (vermogende) starter. Ouderen stromen pas door als het aanbod past bij hun woonvoorkeuren. 3. Voldoende behoefte voor circa 100 tot 180 vrijesectorwoningen in Franse Gat in komende jaren De komende jaren is er in het Franse Gat behoefte aan zowel appartementen/nultredenwoningen als grondgebonden woningen. In totaal verwachten we in de wijk Zuidwest een behoefte aan 295 tot 335 woningen in de vrije sector (vrijesectorhuur en koop) tot 2042. Zoals genoemd wordt de uiteindelijke kwalitatieve woningbehoefte sterk beïnvloed door de mate van doorstroming. We verwachten in het scenario op basis van reguliere doorstroming een sterkere behoefte aan appartementen/ nultredenwoningen dan in het scenario op basis van mindere doorstroming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12797845/1