4. TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal - Toelichting (inclusief bijlagen)
Tekst van het document
Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de kwaliteit van de buitenlucht als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de kwaliteit van de buitenlucht altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.
50
bestemmingsplan
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
Beoordeling Als een activiteit niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging is er volgens artikel 5.53 en 5.54 Bkl geen toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor stikstof en fijnstof nodig. Het gaat hierbij om een grenswaarde van 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
In artikel 5.54 van het Bkl is opgenomen dat bij een project waarin maximaal 1.500 woningen worden toegevoegd, de genoemde maximale waarde van 1,2 µg/m3 niet zal worden overschreden. Aangezien binnen het plangebied maximaal 175 woningen worden toegevoegd, wordt er niet in betekenende mate bijgedragen aan de luchtverontreiniging. In paragraaf 4.10 is geconcludeerd dat er in de nieuwe situatie 576 extra verkeersbewegingen zijn. Ook is er rekening gehouden met 0,5% middelzwaar en 0,5% zwaar vrachtverkeer (totaal 1%). Uit de ingevulde NIBM-tool blijkt dat er geen negatieve gevolgen ontstaan voor de luchtkwaliteit als gevolg van de herontwikkeling van het plangebied:
NIBM-tool (Bron: IPLO.nl) Het planvoornemen draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Er is geen nader onderzoek nodig. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.17
Geur
Wettelijk kader Het Rijk heeft in het Bkl voor een aantal gebouwen specifieke regels voor geur gesteld. Het gaat hierbij om de zogenoemde geurgevoelige gebouwen. Dit zijn onder andere gebouwen met een woonfunctie. De gemeente moet voor alle geurgevoelige gebouwen zoals opgenomen in artikel 5.91 van het Bkl regels stellen in het omgevingsplan om deze gebouwen te beschermen tegen geurhinder. Voor overige
bestemmingsplan
51
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal gebouwen of locaties mag de gemeente zelf kiezen of zij daar specifieke regels voor geur over opneemt in het omgevingsplan. De gemeente moet daarnaast in haar omgevingsplan een 'bebouwingscontour geur' vastleggen rondom een rioolwaterzuiveringsinstallatie, rondom locaties waar landbouwhuisdieren in een dierenverblijf worden gehouden en rondom agrarische activiteiten als deze activiteiten geur veroorzaken op een geurgevoelig gebouw. Binnen de contour geldt een 'hoge bescherming' en daarbuiten een 'lage bescherming'. Voor andere geurveroorzakende activiteiten mag een gemeente zelf bepalen of zij daar geurregels voor opstelt in het omgevingsplan. Zolang de gemeente zelf nog geen regels in haar omgevingsplan heeft opgenomen omtrent geur, gelden de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit zijn de regels uit de gemeentelijke geurverordening en de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van de Bruidsschat. Hierin wordt nog onderscheid gemaakt tussen locaties binnen en buiten de bebouwde kom, in plaats van een bebouwingscontour. Beoordeling In de nabijheid van het plangebied zijn geen geurbelastende activiteiten gelegen die op dit TAM-omgevingsplan van invloed zijn. Voor dit TAM-omgevingsplan is daarom geen geuronderzoek nodig. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.18
Trillingen
Wettelijk kader Trillinggevoelige gebouwen worden beschermd tegen trillingen van activiteiten en bedrijven. Wat een trillinggevoelig gebouw en trillinggevoelige ruimte is, wordt beschreven in artikel 5.80 en 5.81 van het Bkl. De gemeente neemt in haar omgevingsplan regels op omtrent trillingen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat (check bruidsschat/omgevingsplan). In het Bkl worden standaardwaarden voor trillingen gegeven. De gemeente mag in haar omgevingsplan lagere waarden vaststellen. Ook mag zij onder voorwaarden hogere waarden vaststellen. In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillingshinder worden beoordeeld. In sommige gevallen kan het zelfs nodig zijn om het onderzoeksgebied tot 250 meter aan weerszijden van het spoor uit te breiden. De afwegingen daarvoor zijn in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen opgenomen. Met behulp van deze handreiking kunnen plannen worden gemaakt voor een gezonde fysieke leefomgeving. Beoordeling De locatie ligt niet binnen 250 meter van een spoor. Daarom is er geen quickscan trillingshinder nodig. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.19
Bezonning
Wettelijk kader Voldoende zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 Omgevingswet). De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. TNO-norm
52
bestemmingsplan
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO heeft een norm voor bezonning: De bezonningsliniaal - Een nieuw eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dagverlichting. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. De normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht. Voldoende zon en schaduw Sommige plekken hebben voldoende zon nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplaatsen. Dit draagt bij aan een aangenaam verblijfsklimaat. Ook voldoende schaduw op deze plekken is wenselijk. Zodat mensen in de steeds hetere zomers ook de schaduw kunnen opzoeken. Een toename van schaduw - door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen - kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De gemeente kan voorkomen dat er te veel schaduw ontstaat. En juist zorgen voor voldoende schaduw.
Bezonningsdiagrammen Bezonningsdiagrammen geven inzicht of er voldoende zonlicht is op bijvoorbeeld gevel, tuin, terras en speelplek. Ook geven deze diagrammen inzicht in toename van schaduw op de omgeving door de nieuwbouw. Een vergelijking van de bestaande situatie met de toekomstige situatie is mogelijk met een driedimensionaal model. Dagen De volgende dagen van de 4 seizoenen zijn maatgevend: 22 december: de dag dat de zon het laagst staat 21 juni: de dag dat de zon het hoogst staat 21 maart: de dag dat de zon 'half' staat, namelijk precies tussen de stand van 22 december en 21 juni in (zomertijd) 23 september: de dag dat de zon op 'half' staat, namelijk precies tussen de stand van 21 juni en 22 december in (wintertijd) Beoordeling In het plangebied wordt bebouwing mogelijk gemaakt van meer dan 25 meter hoog (maximaal 27 meter), daarom is er een bezonningsstudie gedaan naar het effect op de bezonning in de omgeving (zie Bijlage 15). Uit de bezonningsdiagrammen blijkt dat er vrijwel geen schaduwwerking optreedt op de bestaande woningen in de omgeving. Alleen in het voor- en najaar vanaf circa 17.00 uur zal er volgens de diagrammen schaduw optreden bij de woningen aan de Tubantia en de Hollandia, maar dan is de zon al (grotendeels) onder. Er wordt ruimschoots voldaan aan de TNO-norm.
De openbare ruimte en de gevels van het nieuw te bebouwen gebied en de tuinen hebben afwisselend schaduw en zon. Ook hier kan voldaan worden aan de TNO-norm. Dit zal bij de uitwerking van de definitieve bouwplannen in beeld gebracht worden. Conclusie Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
bestemmingsplan
53
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
4.20
Ontplofbare Oorlogsresten
Het is bekend dat in de gemeente Veenendaal tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen zijn geweest. Dit houdt in dat er op plaatsen mogelijk ontplofbare oorlogsresten (OO) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Uit de praktijk is gebleken dat circa 10% van de afgeworpen bommen niet is geëxplodeerd en in de bodem is achtergebleven als blindganger. De gemeente Veenendaal heeft in mei 2018 beleid ten aanzien van OO vastgesteld. Door het vaststellen van een gemeentelijk beleid wordt geborgd dat activiteiten met betrekking tot OO binnen de gemeente worden getoetst en daar waar nodig beheersmaatregelen kunnen worden genomen en/of voorgeschreven. Het beleid is tevens bedoeld om eenieder die van plan is grondroerende werkzaamheden binnen de gemeente uit te voeren, te verplichten de benodigde acties te ondernemen met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid en risico's van OO op de betreffende locatie. Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) OO wordt alleen uitgevoerd om het risico met betrekking tot OO weg te nemen, en daarmee een veilige werkomgeving en leefomgeving te creëren tijdens uit te voeren werkzaamheden of activiteiten. Dit is ook de reden dat de gemeente Veenendaal altijd ingelicht moet worden als er projectmatig bodemroerende activiteiten plaatsvinden binnen gebieden die als verdacht zijn aangemerkt.
Vanwege voortschrijdende inzichten in de gebeurtenissen tijdens de Tweede Oorlog heeft er in 2020 een update van de bodembelastingkaart conventionele explosieven plaatsgevonden. Beoordeling en conclusie Het plangebied ligt niet op een locatie die wordt verdacht van ontplofbare oorlogsresten. Dat is te zien op onderstaande afbeelding.
54
bestemmingsplan
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
Figuur 4.5 Locaties ontplofbare oorlogsresten.
4.21
Gezondheid en milieu
Wettelijk kader Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, kwaliteit van de buitenlucht en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd. Beoordeling De aspecten geluid, bodem en luchtkwaliteit zijn in de vorige paragrafen gemotiveerd. Daarnaast wordt
bestemmingsplan
55
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal met de realisatie van woningbouw de kwaliteit van de leefomgeving niet nadelig beïnvloed. Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.22
Totaalbeeld aspecten
Uit alle gevoerde onderzoeken komt naar voren dat het initiatief niet op onacceptabele gevolgen of belemmeringen stuit voor de directe omgeving.
56
bestemmingsplan
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
Hoofdstuk 5 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1
Economische uitvoerbaarheid
Voorliggend TAM-omgevingsplan maakt bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit mogelijk. Op grond van artikel 13.11 van de Omgevingswet dient de gemeenteraad het kostenverhaal te verzekeren voor gronden waarop dergelijke bouwactiviteiten zijn voorzien. De gemeenteraad kan bij een besluit tot vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan besluiten geen kostenverhaalsregels op te nemen, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de gronden anderszins is verzekerd. De kosten voor de ontwikkeling worden volledig gedragen door de ontwikkelaar. Het gaat om plankosten, een bijdrage voor bovenwijkse voorzieningen tot en met het bouw- en woonrijp maken, inclusief de aanleg van groenvoorzieningen, waterberging en andere met dit plan verband houdende kosten. Voor dit plan wordt met de ontwikkelaar een anterieure overeenkomst gesloten waarin het kostenverhaal door de gemeente wordt opgenomen. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid voldoende geborgd.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Omgevingstafel
Het stedenbouwkundig plan voor de Ritmeesterlocatie is op 1 mei en 26 juni 2025 besproken bij de omgevingstafel. Op basis van de uitkomsten van dit overleg is het stedenbouwkundig plan op enkele onderdelen aangepast. 5.2.2
Bestuurlijk vooroverleg
In het kader van bestuurlijk vooroverleg is overleg gevoerd met de provincie en het waterschap. Ook is de Veiligheidsregio Utrecht meegenomen in het vooroverleg. Hieronder zijn de reacties weergegeven. Hierbij is aangegeven of de opmerkingen geleid hebben tot aanpassingen van het plan. 1. Provincie Utrecht De provincie had geen opmerkingen op het TAM-omgevingsplan. 2. Waterschap Vallei en Veluwe Het waterschap heeft aangegeven dat de afvoer van afvalwater inzichtelijk moet worden gemaakt. Ze wil graag weten of de waterberging in het gemeentelijke HWA overloopt en waar dit uitkomt in het watersysteem van het waterschap. Reactie: Bij de verdere uitwerking van het bouwplan zal dit worden meegenomen. Hierover zal afstemming plaatsvinden met het waterschap. 3. Veiligheidsregio Utrecht De Veiligheidsregio heeft opgemerkt dat rekening moet worden gehouden met ruimte voor een redvoertuig. Reactie: Dit zal worden meegenomen bij de verdere uitwerking van het plan. Hierover zal indien nodig afstemming plaatsvinden met de Veiligheidsregio.
bestemmingsplan
57
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
5.2.3
Participatie
Op 28 augustus 2024 en 6 juni 2025 zijn participatiebijeenkomsten georganiseerd, waar omwonenden en belanghebbenden zich hebben kunnen uitspreken over het planvoornemen. Van de inloopavond op woensdag 28 augustus 2024 is een verslag gemaakt. Dit verslag is opgenomen als Bijlage 16. Tijdens de inloopavond werd er enthousiast op de plannen gereageerd en werden er enkele vragen gesteld. Hierbij kwamen er met name drie thema's naar voren: 1. Verkeer en parkeren: bezoekers hebben hun zorgen geuit over de toename van verkeer en de mogelijk toenemende parkeerdruk. Hier is bij de verdere uitwerking van de plannen uitvoerig aandacht aan besteed. 2. Betaalbare woningen en ruime woningen: bezoekers vroegen aandacht voor de mogelijkheden voor betaalbare woningen. Ook levensloopbestendige woningen, grote appartementen en seniorenwoningen zijn genoemd. Ook dit is meegenomen bij de uitwerking van de plannen. 3. Unieke karakter Ritmeester en groen: bezoekers gaven aan dat het (her)leven van het erfgoed van de Ritmeester van groot belang is. Een stoer en robuust karakter van de buurt was voor velen een wens. Maar ook de woorden groen en rust zijn veelal genoemd. Het unieke karakter van de Ritmeester wordt met het planvoornemen behouden. Ook van de inloopavond van 6 juni 2025 is een overzicht gemaakt met input van omwonenden en belanghebbenden. Dit overzicht is opgenomen als Bijlage 17.
In dit overzicht zijn ook punten opgenomen die zijn gemaakt door oud-werknemers van de Ritmeester. Bijna alle punten die tijdens de inloopavond van 6 juni 2025 zijn besproken zijn meegenomen in de verdere uitwerking van het planvoornemen. Vooral op het gebied van parkeren, verkeer en stedenbouw zijn veel punten meegenomen. 5.2.4
Procedure
Het ontwerp wijzigingsbesluit voor het 'TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal' heeft vanaf 12 december 2025 tot en met 22 januari 2026 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode bestond gelegenheid voor eenieder om hiertegen een zienswijze in te dienen. De terinzagelegging is bekendgemaakt via het Gemeenteblad en op de landelijke voorziening. Tijdens de periode van terinzagelegging zijn twee zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien in de commentaarnota (zie Bijlage 18). De zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassing van het plan.
58
bestemmingsplan
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
Hoofdstuk 6
Juridische plantoelichting
6.1
Toelichting regels
6.1.1
Hoofdstuk 1 - Inleidende regels
In het eerste hoofdstuk van het TAM-omgevingsplan worden een aantal algemene dingen geregeld. Zo worden in artikel 1 begripsbepalingen opgenomen. Voor dit TAM-omgevingsplan zijn naast de specifieke begrippen die zijn opgenomen in artikel 1, ook de begrippen die horen bij het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing verklaard. De specifieke begrippen uit het TAM-omgevingsplan, krijgen voorrang op de begrippen die horen bij de amvb's als sprake is van een andere definitie. Daarnaast zijn de begrippen uit bijlage 1 van de Omgevingswet altijd van toepassing op omgevingsplannen. Begrippen die al zijn opgenomen in bijlage 1 van de Omgevingswet zijn daarom niet opgenomen in de begripsbepalingen van het TAM-omgevingsplan. Artikel 2 regelt specifiek het toepassingsbereik van het TAM-omgevingsplan. Zo wordt geregeld dat het vigerende bestemmingsplan niet langer van toepassing is na inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan. De overige onderdelen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan blijven wel in stand. Ook wordt specifiek een uitzondering gemaakt op de regels over stedenbouwkundige ensembles die in het omgevingsplan gemeente Veenendaal geregeld zijn. Verder wordt de verhouding met de bruidsschat (afdeling 22.2 en 22.3) geduid.
Tot slot wordt geregeld dat de locaties die zijn gemaakt voor het TAM-omgevingsplan ook juridisch deel uitmaken van het TAM-omgevingsplan. In artikel 3 wordt een aanvulling gedaan op de meetbepalingen uit de bruidsschat en geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze hoogtes, afstanden, inhoud en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. Tot slot wordt in artikel 4 het systeem van de toelatingsplanologie juridisch vastgelegd voor zover het gebruiks- of bouwactiviteiten betreft. Dat houdt in dat het TAM-omgevingsplan aangeeft welke gebruiksen bouwactiviteiten mogelijk zijn en onder welke voorwaarden. Als hiervan wordt afgeweken, wordt dat op grond van artikel 4 aangemerkt als activiteit in strijd met het TAM-omgevingsplan. Een uitzondering hierop vormen de bestaande bouwwerken. Deze bouwwerken zijn, ongeacht wat het TAM-omgevingsplan regelt, altijd toegestaan. Het moet dan wel gaan om legale bouwwerken. 6.1.2
Hoofdstuk 2 - Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving
Het hoofdstuk aanwijzingen in de fysieke leefomgeving betreft aanwijzingen van gebieden die in latere hoofdstukken weer terugkomen. In het geval van dit TAM-omgevingsplan is een aanwijzing opgenomen voor de bodemfunctieklasse en het grondwaterbeschermingsgebied. De inhoudelijke regels die verband houden met de bodemfunctieklasse en de aanwezigheid van het grondwaterbeschermingsgebied zijn opgenomen in de hoofdstukken die de verschillende activiteiten reguleren. Je ziet dit terug in hoofdstuk 5 Bouwactiviteiten en hoofdstuk 6 Aanlegactiviteiten. 6.1.3
Hoofdstuk 3 - Benutten van de fysieke leefomgeving
Hoofdstuk 3 bevat regels voor gebruiksactiviteiten. Het gaat hierbij om zogenaamde hoofdgebruiksactiviteiten, die als zelfstandige gebruiksactiviteit mogen worden uitgeoefend. Naast artikel 7, waarin een aantal specifieke gebruiksactiviteiten worden verboden, wordt binnen het plangebied het gebruik voor wonen toegestaan en worden gebruiksactiviteiten binnen verkeer mogelijk gemaakt. Voor het gebruik voor wonen geldt dat dit in de basis is toegestaan. Wel moet er worden voldaan aan de voorgeschreven onderverdeling tussen sociale huur/koop en vrije sector woningen. Daarnaast wordt aangegeven hoeveel wooneenheden in het gehele plangebied in gebruik mogen worden genomen. Voor de gebruiksactiviteiten binnen verkeer wordt geregeld dat de voorzieningen die in de openbare ruimte voorkomen als zodanig mogen worden gebruikt. Deze regeling geeft hiermee niet aan dat het hele gebied wat is aangewezen met de locatie 'Verkeer - Activiteiten binnen verkeer - toegestaan' is bestemd voor een verkeersfunctie. Het is bijvoorbeeld ook mogelijk om het gebied groen in te richten.
bestemmingsplan
59
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
6.1.4
Hoofdstuk 4 - Ondergeschikte gebruiksactiviteiten
Naast hoofdgebruiksactiviteiten zijn er ook regels opgenomen voor ondergeschikte gebruiksactiviteiten. Deze regels zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van het TAM-omgevingsplan. Het gaat hierbij specifiek om een regeling voor beroepen of bedrijven aan huis zijn die onder voorwaarden zijn toegestaan. 6.1.5
Hoofdstuk 5 - Bouwactiviteiten
In hoofdstuk 5 zijn alle regels voor bouwactiviteiten opgenomen. Dit hoofdstuk begint met een artikel dat algemene regels bevat, waaronder de anti-dubbeltelregel en enkele andere algemene regels. Verder zijn in dit hoofdstuk regels opgenomen over het bouwen van gebouwen, hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken. Voor de bijbehorende bouwwerken is aangesloten op de regeling uit de bruidsschat in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan gemeente Veenendaal. In de regels van dit TAM-omgevingsplan is hier een aanpassing in doorgevoerd vanwege een instructieregel uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit heeft ook geresulteerd in de meldingsplicht voor bijbehorende bouwwerken. 6.1.6
Hoofdstuk 6 - Aanlegactiviteiten
Hoofdstuk 6 bevat de regels voor aanlegactiviteiten. Hier vind je bijvoorbeeld de vergunningplicht voor het uitvoeren van aanlegactiviteiten in het grondwaterbeschermingsgebied. 6.1.7
Hoofdstuk 7 - Overige activiteiten
In hoofdstuk 7 van de regels van dit TAM-omgevingsplan is een regeling opgenomen over parkeren en laden en lossen. 6.1.8
Hoofdstuk 8 - Overgangs- en slotregels
De regels worden afgesloten met hoofdstuk 8 die de overgangsbepalingen bevat. Hier wordt geen slotregel opgenomen omdat de slotregel al in het omgevingsplan gemeente Veenendaal staat, waar dit TAM-omgevingsplan juridisch gezien onderdeel van uitmaakt.
6.2
Toelichting verbeelding
Op de verbeelding zijn alle locaties die het werkingsgebied van de verschillende artikelen vormen weergegeven. In elk artikel wordt aangegeven op welke locatie dat artikel van toepassing is. Vaak wordt daarbij verwezen naar een enkelbestemming, soms kan dit een dubbelbestemming of een gebiedsaanduiding zijn. In het geval van algemene regels wordt geen verwijzing gemaakt naar een specifieke locatie, deze regels gelden binnen het hele plangebied. Door de systematiek van de regels van dit TAM-omgevingsplan bestaat de verbeelding uit een opeenstapeling van bestemmingsvlakken. Hierdoor kan geen volledig beeld worden verkregen van de toepassing van de artikelen als alle bestemmingsvlakken tegelijkertijd worden getoond. Voor een correcte weergave is het aan te raden elk bestemmingsvlak afzonderlijk te raadplegen wat mogelijk is in de viewer 'regels op de kaart'.
60
bestemmingsplan
Het verhaal van het Ritmeesterkwartier Stedenbouwkundig plan
Datum 11-11-2025
13415 Veenendaal
Stedenbouwkundig plan
Kerkewijk
Frisia
Tubantia
Hollandia
Vijftienmorgen 0
20m
22-10-2025 | INBO | FELIXX | Huibers van Weelden | Ritmeesterkwartier Veenendaal | Stedenbouwkundig plan svz
2
Stedenbouwkundig plan kadaster + ontwikkelingsgebied Frisia
Kerkewijk
18.543,02 m2
Tubantia
Hollandia
Vijftienmorgen 0
20m
22-10-2025 | INBO | FELIXX | Huibers van Weelden | Ritmeesterkwartier Veenendaal | Stedenbouwkundig plan svz
3
Stedenbouwkundig plan Projectgebied Frisia
Kerkewijk
12.647,56 m2
Tubantia
Hollandia
797,54 m2 van AM naar gemeente
Vijftienmorgen 0
20m
22-10-2025 | INBO | FELIXX | Huibers van Weelden | Ritmeesterkwartier Veenendaal | Stedenbouwkundig plan svz
4
Stedenbouwkundig plan Openbare ruimte / privé Frisia HUIBERS, Ingenious openbare ruimte 1.664,14 m² privé 1.824,27 m² 25,52 m² | van AM naar HUIBERS
openbare ruimte 4.270,52 m² privé
Kerkewijk
AM Hollandia
Tubantia
8.389,46 m²
Vijftienmorgen 0
20m
22-10-2025 | INBO | FELIXX | Huibers van Weelden | Ritmeesterkwartier Veenendaal | Stedenbouwkundig plan svz
5
Doorsnedes Fabrieksplein | AA’
22-10-2025 | INBO | FELIXX | Huibers van Weelden | Ritmeesterkwartier Veenendaal | Stedenbouwkundig plan svz
6
Doorsnedes Fabrieksstraat noord-zuid | BB’
22-10-2025 | INBO | FELIXX | Huibers van Weelden | Ritmeesterkwartier Veenendaal | Stedenbouwkundig plan svz
7
Doorsnedes Fabrieksstraat oost-west | CC’
22-10-2025 | INBO | FELIXX | Huibers van Weelden | Ritmeesterkwartier Veenendaal | Stedenbouwkundig plan svz
8
Doorsnedes Tussenstraten | DD’
22-10-2025 | INBO | FELIXX | Huibers van Weelden | Ritmeesterkwartier Veenendaal | Stedenbouwkundig plan svz
9
Doorsnedes De oude contouren van Ritmeester | EE’
22-10-2025 | INBO | FELIXX | Huibers van Weelden | Ritmeesterkwartier Veenendaal | Stedenbouwkundig plan svz
10
Doorsnedes Vijftien Morgen | FF’
22-10-2025 | INBO | FELIXX | Huibers van Weelden | Ritmeesterkwartier Veenendaal | Stedenbouwkundig plan svz
11
Het verhaal van het Ritmeesterkwartier Puntensysteem Omgevingsvisie
Datum 14-11-2025
13415 Veenendaal
Puntensysteem Omgevingsvisie Minimum aantal punten totaal
Ritmeesterkwartier
24
11
14
18
12
79
bron | Wijziging_Puntensysteem_Omgevingsvisie, pag. 6
14-11-2025 | INBO | FELIXX | Huibers van Weelden | Ritmeesterkwartier Veenendaal | Puntensysteem Omgevingsvisie svz
2
Puntensysteem Omgevingsvisie 3.1 Gezonde en groene leefomgeving
X3 X 14
1,5 punten 5,6 punten
X3
0,9 punten
X5
10 punten
bron | Wijziging_Puntensysteem_Omgevingsvisie, pag. 9
14-11-2025 | INBO | FELIXX | Huibers van Weelden | Ritmeesterkwartier Veenendaal | Puntensysteem Omgevingsvisie svz
3
Puntensysteem Omgevingsvisie 3.1 Gezonde en groene leefomgeving
80 m2
2 punten
75 m2
2 punten
70 m2
2 punten
totaal 24 punten
bron | Wijziging_Puntensysteem_Omgevingsvisie, pag. 11
14-11-2025 | INBO | FELIXX | Huibers van Weelden | Ritmeesterkwartier Veenendaal | Puntensysteem Omgevingsvisie svz
4
Puntensysteem Omgevingsvisie 3.2 Bewegen, ontmoeten, sporten en spelen (BOSS)
6 punten
X1
1 punt
X4
25m
X1
4 punten
bron | Wijziging_Puntensysteem_Omgevingsvisie, pag. 14
totaal 11 punten
referenties | conform de staalkaarten in het themaprogramma 14-11-2025 | INBO | FELIXX | Huibers van Weelden | Ritmeesterkwartier Veenendaal | Puntensysteem Omgevingsvisie svz
5
Puntensysteem Omgevingsvisie 3.4 Natuurinclusief bouwen
4 punten 3 punten
5 punten
4 punten
bron | Wijziging_Puntensysteem_Omgevingsvisie, pag. 22
14-11-2025 | INBO | FELIXX | Huibers van Weelden | Ritmeesterkwartier Veenendaal | Puntensysteem Omgevingsvisie svz
6
Puntensysteem Omgevingsvisie 3.4 Natuurinclusief bouwen
2 punten
totaal 18 punten bron | Wijziging_Puntensysteem_Omgevingsvisie, pag. 23
14-11-2025 | INBO | FELIXX | Huibers van Weelden | Ritmeesterkwartier Veenendaal | Puntensysteem Omgevingsvisie svz
7
Puntensysteem Omgevingsvisie 3.5 Klimaatadaptatie
Hoogbouw en grondgebondenwoningen infiltratie via prindput of verlaagde groenzone.
75mm 75mm
75mm
12 punten
75mm
75mm
75mm 75mm 75mm
De benodigde waterberging wordt opgelost met verschillende systemen, afhankelijk van het type gebouw.
totaal 12 punten bron | Wijziging_Puntensysteem_Omgevingsvisie, pag. 25-26 14-11-2025 | INBO | FELIXX | Huibers van Weelden | Ritmeesterkwartier Veenendaal | Puntensysteem Omgevingsvisie svz
8
Aan:
Gemeente Veenendaal
Datum:
26 november 2025
Project:
Ritmeesterlocatie
Betreft:
Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling
1
Inleiding
1.1 Aanleiding De gemeente Veenendaal is voornemens de Ritmeester sigarenfabriek de komende jaren te transformeren naar een groen, leefbaar en gevarieerd woon-werkgebied. De fabrieksloods wordt gesloopt en maakt plaats voor maximaal 172 woningen, bestaande uit grondgebonden woningen en appartementen. Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Ritmeesterkwartier’, dat deel uitmaakt van het (tijdelijk) Omgevingsplan gemeente Veenendaal. Op basis van dit bestemmingsplan geldt ter plaatse van het plangebied de bestemming ‘Gemengd – Uit te werken bestemming’. Voor de uitwerking van deze bestemming is geen uitwerkingsplan vastgesteld. In het bestemmingsplan zijn uitwerkingsregels opgenomen waar een uitwerkingsplan aan moet voldoen. Zo dient de bouwhoogte in overeenstemming te zijn met wat op de verbeelding is opgenomen. Deze maximale bouwhoogte ligt tussen de 10 en 16 meter. De beoogde woningbouwontwikkeling is op grond van het tijdelijk omgevingsplan niet mogelijk. Er is geen uitwerkingsplan voor opgesteld en de beoogde bebouwing past niet binnen deze maximale bouwhoogten. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, is er een wijziging nodig van het huidig juridisch-planologisch kader.
Er dient een TAM-omgevingsplan in procedure te worden gebracht, waarin wordt aangetoond dat het initiatief op verschillende relevante onderdelen haalbaar is en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
1.2 Plangebied Het plangebied ligt centraal in de gemeente Veenendaal, aan de Kerkewijk en tussen de Frisia, Tubantia en Vijftien Morgen. Het plangebied bestaat grotendeels uit het fabrieksterrein van de voormalige Ritmeester sigarenfabriek. Daaromheen zijn verschillende woonwijken gelegen.
1.3 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Per project dient te worden besloten of er een m.e.r.-plicht geldt, of dat er aanvankelijk slechts een m.e.r.-beoordeling wordt gevraagd. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor vereiste besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht of een m.e.r.-plicht geldt. In kolom 1 van bijlage V zijn de categorieën van projecten aangeduid, waaronder een ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen’ (J11). Voor deze projectcategorie is er geen m.e.r.-plicht van toepassing, zoals vermeld in artikel 16.43, eerste lid, aanhef
1
P a r t ne r s R O
|
A a n m e l d n o t i t i e m . e . r . - b e o o rd e l i n g Ri t m e e s t e rl o c a t i e V e e n e n d a a l |
en onder a (kolom 2). Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ geldt echter wel een m.e.r.-beoordelingsplicht (kolom 3). Dit houdt in dat de initiatiefnemer van een project mededeling dient te doen bij het bevoegd gezag. Onderhavig document betreft de mededeling. De voorgenomen ontwikkeling, waarbij maximaal 172 woningen worden gerealiseerd, wordt namelijk beschouwd als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. Op basis van kolom 3 van bijlage V van het Omgevingsbesluit is dus een m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing. In het geval van een projectm.e.r.-beoordelingsplicht beoordeelt en besluit het college van burgemeester en wethouders aan de hand van deze aanmeldingsnota of er een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Procedure Het bevoegd gezag moet binnen zes weken na ontvangst van de m.e.r.- aanmeldnotitie beoordelen of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en een milieueffectrapport nodig is. Is het opstellen van een milieueffectrapport niet benodigd, kan – wanneer de m.e.r.-aanmeldnotitie tegelijk met de omgevingsvergunningaanvraag is ingediend – de aanvraag worden behandeld. Als wel een milieueffectrapport nodig is en de m.e.r.- aanmeldnotitie tegelijk met de omgevingsvergunningaanvraag is ingediend, wordt de omgevingsvergunningaanvraag afgewezen (artikel 16.49 lid 4 van de Ow).
In dat geval moet opnieuw een omgevingsvergunningaanvraag met milieueffectrapport worden ingediend om een omgevingsvergunning te kunnen krijgen.
1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 vormt de aanmeldnotitie. In het daaropvolgende hoofdstuk, hoofdstuk 3, is de m.e.r.beoordeling opgenomen. De beoordeling of het noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen, is geheel afhankelijk van het feit of er sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’. De bijzondere omstandigheden kunnen betrekking hebben op: a.
De kenmerken van de activiteit;
b.
De plaats waar de activiteit plaatsvindt, o.a. in relatie tot gevoelige gebieden;
c.
De kenmerken van de belangrijkste (nadelige) gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben;
d.
2
De samenhang met andere activiteiten ter plaatse (cumulatie).
P a rt n e r s R O
| A a n m e l d n o t i t i e m . e . r . - b e o o rd e l i n g Ri t m e e s t e rl o c a t i e V e e n e n d a a l
|
2
Effecten op het milieu
2.1 Inleiding In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria, die zijn genoemd in bijlage II.A en bijlage III van de Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 1 en die zijn overgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit2, een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Het gaat hierbij om de volgende criteria: 1. Kenmerken van het project • Omvang en het ontwerp van het gehele project; • Cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; • Gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit • Productie van afvalstoffen; • Verontreiniging en hinder; • Risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering, gebruikte stoffen of technologieën; • Risico’s voor de menselijke gezondheid, bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling. 2.
Plaats/locatie van het project • Bestaand en goedgekeurd grondgebruik; • Relatieve rijkdom aan beschikbaarheid, kwaliteit en het regeneratieve vermogen van natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) in het gebied en de ondergrond ervan; • Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: o wetlands, oeverformaties, riviermondingen; o kustgebieden en het mariene milieu; o berg- en bosgebieden; o natuurreservaten en -parken; o gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd (speciale beschermingszones), zoals Natura 2000-gebieden, beschermde stads- en dorpsgezichten; o gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; o gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; o landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3.
Soort en kenmerken van het potentiële effect • Orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); • Aard van het effect; • Grensoverschrijdende karakter van het effect; • Intensiteit en complexiteit van het effect; • Waarschijnlijkheid van het effect; • Verwachte aanvang, duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect; • Cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; • Mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.
1 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:32014L0052&from=NL#d1e49-15-1 2 https://wetten.overheid.nl/BWBR0041278/2024-01-01#Hoofdstuk11
3
P a r t ne r s R O
|
A a n m e l d n o t i t i e m . e . r . - b e o o rd e l i n g Ri t m e e s t e rl o c a t i e V e e n e n d a a l |
De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van de beoogde woningbouwontwikkeling. In de onderstaande tabellen vindt de beoordeling/toets plaats aan de hand van bovengenoemde criteria.
2.2 Kenmerken van het project Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang en het ontwerp
Met beoogd planvoornemen worden maximaal 172 woningen
van het gehele project
ontwikkeld ter plaatste van de oude fabriekshallen van de Ritmeester sigarenfabriek.
Cumulatie met andere
Nee.
bestaande en/of goedgekeurde projecten Gebruik van natuurlijke
De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor natuurlijke hulpbronnen.
hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit Productie van afvalstoffen
Nee, naast het reguliere afval van de toekomstige functie zal er geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.
Verontreiniging en hinder
Tijdens de bouwfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden. Uit de ruimtelijke motivering blijkt dat bij ieder milieuaspect sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Omgevingsveiligheid Het plangebied ligt niet binnen de contour van het plaatsgebonden risico of binnen een aandachtsgebied. De bovengrondse hoogspanningsverbinding in het gebied wordt voor de start van de bouw van de woningen die met dit planvoornemen worden gerealiseerd ondergronds gelegd. In het plangebied zijn geen nieuwe risicovolle activiteiten toegestaan. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen en de omgeving hiervan. Activiteiten en milieuzonering In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich enkele bedrijven en andere activiteiten met milieucategorie 1 en 2. Omdat deze functies nog op de oude wijze zijn ‘bestemd’ volgens de VNGsystematiek met richtafstanden, heeft de toetsing nog plaatsgevonden op basis van de richtafstanden die gelden op basis van de geldende planologische mogelijkheden. Het plangebied bestaat uit gemengd gebied, waardoor een richtafstand van 1 stap later mag worden aangehouden dan op grond van de VNG-systematiek geldt. Voor alle bedrijven en maatschappelijke instellingen geldt dat wordt voldaan aan de richtafstand.
De activiteiten van de omringende bedrijven vormen geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. Ook is de nieuwe woonfunctie niet van invloed op de gebruiksmogelijkheden van de bestaande bedrijven.
4
P a rt n e r s R O
| A a n m e l d n o t i t i e m . e . r . - b e o o rd e l i n g Ri t m e e s t e rl o c a t i e V e e n e n d a a l
|
Geluid: Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door LBP Sight een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen en de toename van geluidbelasting op geluidgevoelige functies in de omgeving. Uit dit onderzoek blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van de gemeentewegen op de nieuwe woningen ten hoogste 48 dB bedraagt. De standaardwaarde van 53 dB wordt niet overschreden. Voor de gemeentewegen met een verkeersintensiteit lager dan 2.500 mvt/etmaal blijft de geluidbelasting gelijk aan de standaardwaarde van 53 dB. Bij het vaststellen van een omgevingsplan zorgt het bevoegd gezag ervoor dat het geluid op een (bestaand) geluidgevoelig gebouw, door wegen waarover geen besluit wordt genomen, niet méér toeneemt dan 1.5 dB (artikel 5.78af, lid 1 Bkl). Deze instructieregel geldt echter slechts bij wegen waar de verkeersintensiteit hoger is dan 2.500 mvt/etmaal. Daarvan is geen sprake, zo blijkt uit het onderzoek. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Flora en Fauna: Soortenbescherming Door Blom Ecologie is een quickscan natuur uitgevoerd. In het plangebied zijn een aantal soorten aangetroffen waar rekening mee dient te worden gehouden. Uit de quickscan volgt dat het mogelijk is dat de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in het wegnemen van vleermuisverblijfplaatsen.
Het plangebied is gelegen in een gebied met een gemeentelijk Soortenmanagementplan (SMP). Een gebiedsvergunning, op grond waarvan voor een aantal activiteiten een ontheffing voor verstoring van de flora- en fauna in het gebied bestaat. De ontwikkeling kan worden uitgevoerd onder het SMP. Hierbij dient de werkwijze worden gevolgd die staat beschreven in de werkprotocollen. Tijdens het veldonderzoek zijn er ook huismusnesten aangetroffen in het plangebied. De beoogde ontwikkeling kan ook voor de huismus worden uitgevoerd onder het SMP. De werkwijze uit de werkprotocollen dient te worden aangehouden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Voor algemene broedvogels en categorie 5 soorten geldt dat de sloopwerkzaamheden in beginsel worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart zal de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden worden geïnspecteerd door een deskundige. Voor alle activiteiten die uitgevoerd worden en mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben voor planten en dieren in het wild, zullen deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt worden.
5
P a r t ne r s R O
|
A a n m e l d n o t i t i e m . e . r . - b e o o rd e l i n g Ri t m e e s t e rl o c a t i e V e e n e n d a a l |
Gebiedsbescherming Op een afstand van circa 1,3 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Binnenveld’. Dit Natura 2000-gebied maakt teven deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Op circa 1,4 km van het plangebied ligt de Groene contour. Door SAB adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling is een stikstofonderzoek uitgevoerd. De stikstofdepositie bedraagt 0,02 mol/ha/jaar welke wordt veroorzaakt door de sloop- en bouwfase. Ook in de gebruiksfase, in de jaren 2028 t/m 2031, vindt er een stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/jaar plaats op Natura 2000-gebieden. Na 2031 zijn er geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000gebieden. Omdat er sprake is van een stikstofdepositie van > 0.00 mol/ha/jaar is er een ecologische voortoets uitgevoerd. In de ecologische voortoets, opgesteld door SAB adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling, is voor de relevante habitattypen onderzocht of de deposities die de ontwikkeling veroorzaakt voor significante, dus merkbare of meetbare, gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied kunnen zorgen. Er is geconcludeerd dat het onmogelijk is dat de depositie, ten gevolge van de bouw van de woningen, een significante invloed heeft op het functioneren van de habitattypen in Natura 2000gebied Binnenveld en de daarvan afhankelijke soorten.
Cultureel erfgoed en archeologie: Cultureel erfgoed De fabriekshallen binnen het plangebied kennen geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en zijn op de cultuurhistorische waardenkaart niet aangeduid als cultuurhistorisch waardevol of als beeldbepalend pand. Met het plan wordt geen schade aangebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren. Archeologie Het plangebied is op de archeologische beleidskaart aangeduid als categorie 5 met een lage archeologische verwachting. In het beleid van de gemeente Veenendaal staat beschreven dat bij een archeologische waarde van categorie 5 er alleen onderzoek moet worden verricht als het project MER-plichtig is. Dat is hier niet het geval. Daarom is archeologisch onderzoek niet nodig. Met het plan wordt geen schade aangebracht aan archeologische waarden. Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren: Voor de beoogde ontwikkeling is een verkeerskundig advies opgesteld door Goudappel BV. Het verwacht aantal extra verkeersbewegingen is 576 motorvoertuigen/etmaal. Dit extra verkeer levert geen knelpunten op voor de verkeersafwikkeling. De parkeerbehoefte bedraagt op basis van de Nota Parkeernomen Veenendaal 2020, herziening 2023, 87
6
P a rt n e r s R O
| A a n m e l d n o t i t i e m . e . r . - b e o o rd e l i n g Ri t m e e s t e rl o c a t i e V e e n e n d a a l
|
parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen kunnen binnen het plangebied worden gerealiseerd. Bodem: Door Van Dijk Geo- en Milieutechhniek B.V. is op 28 februari 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Tevens is er op 7 november 2022 door Multiconsult een vooronderzoek en beoordeling bodemkwaliteit gedaan. Beide onderzoeken zijn in maart 2025 beoordeeld door de Omgevingsdienst Regio Utrecht en akkoord bevonden. Uit de onderzoeken blijkt dat de top- en onderlaag van de bodem ter plaatse van de onderzochte deellocaties licht tot hooguit matig verontreinigd is, Deze puinhoudende bodemlaag is niet asbesthoudend. Ook is het grondwater ter plaatse licht verontreinigd. Gezien de geringe mate van verontreiniging is er milieutechnisch geen bezwaar tegen de herontwikkeling van het plangebied. Uit de onderzoeken blijkt ook dat de puinhoudende bodemlaag ter plaatse van het centraal gelegen deel van het fabrieksterrein sterk verontreinigd is met enkele zware metalen. Er zijn sanerende maatregelen nodig. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit moet aannemelijk worden gemaakt dat deze maatregelen zullen worden getroffen, dat deze technisch uitvoerbaar zijn en leiden tot een geschikte bodemkwaliteit.
Tevens zullen in de omgevingsvergunning voor bouwen bodemvoorschriften worden opgenomen, waarin is bepaald dat de bodem geschikt moet worden gemaakt voor het voorgenomen gebruik. Het aspect bodem zorgt niet voor belemmeringen. Water: De ontwikkeling ligt niet in of nabij een primaire waterkering. Wel ligt de ontwikkeling in het grondwaterbeschermingsgebied. In het kader van de bescherming van dit gebied zijn er regels opgenomen in het TAMomgevingsplan. Door de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak niet toe. Daarnaast wordt er meer groen gerealiseerd dan dat er in de huidige situatie is voorzien, wat voor een betere waterberging zal zorgen. Er wordt voldaan aan de ambitie om 25 mm/m2 verhard oppervlak te bergen. Het uitgangspunt is dat er waterberging plaatsvindt op alle daken van de appartementencomplexen en het aanleggen van alle openbaar groen als verdiept/waterbergend. De resterende capaciteit wordt opgelost door een voorziening in de tuinen, kunstmatige voorzieningen in de openbare ruimte of door het opvangen van regenwater in daarvoor bestemde tanks voor hergebruik. In bijlage 8 bij de motivering van het TAM-plan zijn tabellen opgenomen waarin is weergegeven dat het planvoornemen in de benodigde waterberging voorziet. Luchtkwaliteit: De woningbouwontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
In artikel 5.54 van het Bkl is opgenomen dat bij
7
P a r t ne r s R O
|
A a n m e l d n o t i t i e m . e . r . - b e o o rd e l i n g Ri t m e e s t e rl o c a t i e V e e n e n d a a l |
een project waarin maximaal 1.500 woningen worden toegevoegd en ontsloten op één ontsluitingsweg, de genoemde maximale waarde van 1,2 μg/m3 niet zal worden overschreden. Aangezien binnen het plangebied maximaal 172 woningen worden gerealiseerd, wordt ruimschoots voldaan aan de gestelde eisen. Geur: In de nabijheid van het plangebied zijn geen geurbelastende activiteiten gelegen die op dit TAM-omgevingsplan van invloed zijn. Het plan maakt ook geen geurbelastende activiteit mogelijk. Het aspect geur vormt geen belemmering. Trillingen: In de nabijheid van het plangebied zijn geen trillingsbronnen gelegen. De locatie ligt niet binnen 250 meter van een spoor. In het plangebied worden geen nieuwe trillingsbronnen toegevoegd. Er treedt geen trillingshinder op. Risico van zware
Zeer klein. Er worden geen nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt.
ongevallen en/of rampen, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering, gebruikte stoffen of technologieën Risico’s voor de menselijke
Zeer klein. De woningbouwontwikkeling draagt niet in betekenende
gezondheid, bijvoorbeeld
mate bij aan de luchtverontreiniging en leidt niet tot een toename van
als gevolg van
de waterverontreiniging.
waterverontreiniging of luchtvervuiling
2.3 Plaats/locatie van het project Plaats/locatie van het project Criteria
Toets
Bestaand en goedgekeurd grondgebruik
De projectlocatie heeft onder het huidige planologische regime de bestemming ‘Gemengd – Uit te werken bestemming’. De bestaande functie is bedrijfsbebouwing. Deze is gerealiseerd voordat het geldende bestemmingsplan van kracht werd en is volgens het overgangsrecht toegestaan.
Relatieve rijkdom aan beschikbaarheid, kwaliteit
N.v.t.
en het regeneratieve vermogen van natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) in het gebied en de ondergrond ervan
8
P a rt n e r s R O
| A a n m e l d n o t i t i e m . e . r . - b e o o rd e l i n g Ri t m e e s t e rl o c a t i e V e e n e n d a a l
|
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden:
•
wetlands, oeverformaties,
N.v.t.
riviermondingen;
• • • •
kustgebieden en het mariene milieu;
N.v.t.
berg- en bosgebieden;
N.v.t.
natuurreservaten en -parken;
N.v.t.
gebieden die in de nationale wetgeving
N.v.t.
zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd (speciale beschermingszones), zoals Natura 2000gebieden, beschermde stads- en dorpsgezichten;
•
gebieden waarin bij communautaire
N.v.t.
wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden;
•
gebieden met een hoge
N.v.t.
bevolkingsdichtheid;
•
landschappen en plaatsen van
N.v.t.
historisch, cultureel of archeologisch belang.
2.4 Soort en kenmerken van het potentiële effect Soort en kenmerken van het potentiële effect Criteria
Toets
Orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de
Beoogde ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt
effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en
middels een TAM-omgevingsplan. De
omvang van de bevolking die getroffen kan
herontwikkeling van de Ritmeesterlocatie is
worden)
beperkt tot het plangebied zelf. De effecten zijn daarmee zeer beperkt.
Aard van het effect
N.v.t.
Grensoverschrijdend karakter van het effect
Er is geen sprake van een grensoverschrijdend effect.
Intensiteit en complexiteit van het effect
Er is geen sprake van een significante intensiteit en complexiteit van het effect. De effecten zijn lokaal en beperkt van omvang. Het effect is weinig complex.
Waarschijnlijkheid van het effect
Van onevenredige effecten voor de omgeving is geen sprake.
Verwachte aanvang, duur, frequentie en
De effecten zijn blijvend zolang de functie wordt
omkeerbaarheid van het effect
uitgevoerd, maar als de functie niet meer wordt uitgevoerd, is er geen sprake van effecten. Daarbij zijn de effecten beperkt.
9
P a r t ne r s R O
|
A a n m e l d n o t i t i e m . e . r . - b e o o rd e l i n g Ri t m e e s t e rl o c a t i e V e e n e n d a a l |
Cumulatie van effecten met de effecten van
N.v.t.
andere bestaande en/of goedgekeurde projecten Mogelijkheid om de effecten doeltreffend te
Er worden passende maatregelen getroffen om
verminderen
potentiële effecten te voorkomen, te compenseren of te beperken. Deze maatregelen zijn reeds besproken onder ‘Verontreiniging en hinder’.
10
P a rt n e r s R O
| A a n m e l d n o t i t i e m . e . r . - b e o o rd e l i n g Ri t m e e s t e rl o c a t i e V e e n e n d a a l
|
3
M.e.r.-beoordeling
Gelet op bijlage V van het Omgevingsbesluit en de bevindingen uit hoofdstuk 2, kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1.
de kenmerken van het project;
2.
de plaats/locatie van het project;
3.
de soort en kenmerken van het potentiële effect;
er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar in dit geval is deze niet zodanig dat normen worden overschreden. Wij bevelen u aan om na nadere kennisname van deze m.e.r. -aanmeldnotitie een gemeentelijk besluit voor te bereiden, waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van het TAMomgevingsplan voor de herontwikkeling van de Ritmeesterlocatie, geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld.
11
P a r t ne r s R O
|
A a n m e l d n o t i t i e m . e . r . - b e o o rd e l i n g Ri t m e e s t e rl o c a t i e V e e n e n d a a l |
Herontwikkeling Ritmeesterlocatie Veenendaal Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Opdrachtgever Partners RO Contactpersoon Kristel Hoogenboezem Kenmerk R002_06_L250268 Versie 06 Datum 22 april 2026 Auteur ing. M.J.M. (Monique) van Bemmelen
Kelvinbaan 40, 3439 MT Nieuwegein | Postbus 1475, 3430 BL Nieuwegein | T (030) 231 13 77 | F (030) 234 17 54 E info@lbpsight.nl | www.lbpsight.nl | IBAN: NL62 RABO 036 42 36 558 | KvK 30073990 | BTW NL007076083B01
Inhoudsopgave
1
2
3
Inleiding ........................................................................................................................................... 3 1.1
Onze opdracht .................................................................................................................................................. 3
1.2
Het plan ............................................................................................................................................................... 3
Uitgangspunten .............................................................................................................................. 5 2.1
Gehanteerde stukken ..................................................................................................................................... 5
2.2
Geluidaandachtsgebied ................................................................................................................................ 5
2.3
Gegevens geluidbronnen ............................................................................................................................. 7
2.4
Rekenmethoden ............................................................................................................................................... 8
2.5
Akoestisch rekenmodel ................................................................................................................................. 8
Geluid wegverkeer........................................................................................................................ 10 3.1
Juridisch kader ................................................................................................................................................ 10
3.2
Rekenresultaten en toetsing ..................................................................................................................... 12
3.3
3.2.1
Wegsoort ‘gemeentewegen’ (t.b.v. grenswaarden Bkl).................................................. 12
3.2.2
Wegsoort ‘gemeentewegen’ (t.b.v. ETFAL).......................................................................... 13
Conclusie rekenresultaten .......................................................................................................................... 15
4
Gecumuleerde en gezamenlijke geluidbelasting ..................................................................... 16
5
Lokaal geluidbeleid ...................................................................................................................... 18
6
7
5.1
Samenvatting lokaal geluidbeleid........................................................................................................... 18
5.2
Lokaal beleid planlocatie ‘Ritmeester’ ................................................................................................... 18
Indirecte akoestische effecten .................................................................................................... 19 6.1
Algemeen .......................................................................................................................................................... 19
6.2
Uitgangspunten.............................................................................................................................................. 20
6.3
Conclusie ........................................................................................................................................................... 20
Conclusie ........................................................................................................................................ 21
Bijlagen Bijlage I
Wegverkeersgegevens
R002_06_L250268 | 22 april 2026
2
1
Inleiding
In dit inleidende hoofdstuk staat zowel de opdracht als het project samengevat.
1.1
Onze opdracht
AM heeft het voornemen nieuwe woningen te realiseren ter plaatse van de oude fabriekshal van de Ritmeesterlocatie in Veenendaal. Er zal ook nog een functiewijziging plaatsvinden van de bestaande bebouwing langs de straat ‘Kerkewijk’, maar deze valt buiten het kader van dit onderzoek. In het plangebied geldt het omgevingsplan ‘gemeente Veenendaal’. Als tijdelijk deel binnen dit omgevingsplan geldt het bestemmingsplan ‘Ritmeesterkwartier 2016’. Het (nieuwe) plan is in strijd met het omgevingsplan/bestemmingsplan. Dit betekent dat een planologische procedure nodig is voor de ontwikkeling. Voor de Ritmeesterlocatie zal een TAM-IMRO wijziging omgevingsplan worden opgesteld. In dat kader is het onder meer noodzakelijk om een akoestisch onderzoek uit te voeren. Dit rapport betreft de beoordeling van de akoestische situatie van het wegverkeer. Het doel van het onderzoek is om te bepalen hoe de nieuwbouw gerealiseerd kan worden, met inachtneming van het Besluit kwaliteit leefomgeving en (indien aanwezig) het ter plaatse geldende lokale geluidbeleid. Daarnaast wordt in dit rapport ook ingegaan op het aspect ‘indirecte akoestische effecten’.
1.2
Het plan
Het plan omvat de bouw van 175 woningen verdeeld over verschillende bouwvlakken. Binnen het plan zullen zowel grondgebonden woningen (EGW) als (kleinschalige) woongebouwen (MGW) voorkomen. De maximum bouwhoogte varieert van 11 tot en met 27 meter. Op de volgende pagina is in figuur 1.1 de concept verbeelding opgenomen van het gewijzigde omgevingsplan. Tevens is in figuur 1.2 het stedenbouwkundig plan met bijbehorend woonprogramma opgenomen.
R002_06_L250268 | 22 april 2026
3
Figuur 1.1 Plankaart planlocatie
Figuur 1.2 Stedenbouwkundig plan
R002_06_L250268 | 22 april 2026
4
2
Uitgangspunten
In dit hoofdstuk staan de uitgangspunten van het akoestisch onderzoek omschreven.
2.1
Gehanteerde stukken
Bij het onderzoek hebben we gebruikgemaakt van de volgende stukken: -
Concept verbeelding ‘NL.IMRO.Ritmeesterkwartier-ow01’, met datum 7 mei 2025, opgesteld door BraGis uit Eerde.
-
Stedenbouwkundig plan met projectnummer 13415 en datum 8 januari 2025, opgesteld door INBO en Felixx uit Rotterdam.
-
Rapport ‘Verkeersstudie Ritmeester Veenendaal’ met kenmerk 019701.20250326.R1.05 van 24 november 2025, opgesteld door Goudappel. Betreft een apart rapport bij de aanvraag.
-
Verkeersgegevens van het omliggende wegverkeer ontvangen per mail op 28 april 2025. De ontvangen e-mail en het Excel-bestand wat als bijlage bij de e-mail zat zijn in bijlage I opgenomen.
2.2
Geluidaandachtsgebied
Het plan wordt gebouwd op een geluidbelaste locatie. Voor het bepalen van de geluidbelasting is alleen de geluidbron ‘gemeentewegen’ relevant. Het betreft onder andere de volgende omliggende gemeentewegen, zie ook figuur 2.1: -
Kerkewijk
-
Raadhuisstraat
-
Industrielaan
-
Boompjesgoed
-
Vijftien Morgen
-
‘t Holle Goed
-
Hollandia
-
Turbantia
-
Frisia
-
De Sterke Arm
-
Eikenlaan
Volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving moet voor nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied een akoestisch onderzoek worden gedaan. Het geluidaandachtsgebied beslaat het gebied waarbinnen de standaardwaarde mogelijk wordt overschreden.