4. TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal - Toelichting (inclusief bijlagen)
Tekst van het document
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Wettelijk kader Het nationale beleid vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Artikel 5.129g van het Bkl geeft aan dat als een ontwikkeling voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, rekening moet worden gehouden met: De behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheid om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Dit geldt voor een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Beoordeling Een ladder voor duurzame verstedelijking moet worden opgesteld wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Met voorgenomen ontwikkeling is er sprake van de toevoeging van een dusdanig aantal woningen dat er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
In de periode 2019 tot 2040 moeten er binnen het Utrechtse gedeelte van Foodvalley 7.000 tot 8.000 woningen worden gebouwd om tegemoet te komen aan de geprognotiseerde woningbehoefte. Hiervan zijn 3.500 woningen opgenomen in de bestaande plancapaciteit. Er moet dus nog ruimte voor 3.500 tot 4.500 extra woningen worden gezocht. Hiermee staat vast dat er behoefte is aan woningbouw.
26
bestemmingsplan
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
Een stedelijke ontwikkeling moet in eerste instantie zijn voorzien binnen stedelijk gebied. Daarvan is sprake; het plangebied is aangewezen als 'stedelijk gebied'. Zie voor dat oordeel paragraaf 3.2.2. Conclusie Het planvoornemen voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
4.3
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Wettelijk kader In paragraaf 5.1.2 van het Bkl worden regels gegeven over de toelaatbaarheid van de verschillende categorieën gebouwen en locaties in verband met een veiligheidsrisico dat ontstaat door een activiteit die op grond van het omgevingsplan op die locatie is toegestaan. Kwetsbare gebouwen en locaties Het Bkl werkt met de begrippen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. In bijlage VI bij het Bkl is aangegeven welke soorten gebouwen en locaties tot de verschillende categorieën behoren. Belangrijk om op te merken is dat ook gebouwen en locaties die nog niet bestaan, maar wel op grond van een omgevingsplan mogelijk gemaakt worden, tot deze categorieën worden gerekend.
De lijst in bijlage VI bij het Bkl betreft een limitatieve lijst. Indien een functie niet is genoemd in de bijlage, valt het hier dus niet onder. Het staat het bevoegd gezag vrij om functies onder een strengere categorie te scharen dan vereist. In H4 van het Bal worden de minimale afstanden van verschillende milieubelastende activiteiten tot kwetsbare locaties genoemd. Plaatsgebonden risico Artikel 5.7 Bkl bepaalt dat het plaatsgebonden risico voor kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen niet groter mag zijn dan 1 op de 1.000.000. In artikel 5.8 Bkl, in combinatie met de verschillende onderdelen van bijlagen VII van het Bkl en H4 van het Bal, is aangegeven bij welke afstanden aan het vereiste van artikel 5.7 Bkl wordt voldaan. Artikel 5.9 Bkl bepaalt vervolgens tot waar de afstanden gemeten dienen te worden. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt dat het bevoegd gezag het plaatsgebonden risico van maximaal 1 op de 1.000.000 niet in acht neemt maar er rekening mee houdt. Dit houdt in dat het bevoegd gezag een eventuele afwijking van dit getal moet kunnen verantwoorden, maar dat die afwijking dus eventueel wel toegestaan is.
Aandachtsgebieden Het plaatsgebonden risico, gekoppeld aan de afstanden die daar krachtens artikel 5.8 Bkl voor gelden, zorgen voor een contour rondom het risico-object waarbinnen geen kwetsbare gebouwen of locaties gerealiseerd mogen worden. De zogenaamde aandachtsgebieden voegen meer lagen aan deze contour toe. Het Bkl kent drie soorten aandachtsgebieden: een brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied. Net als bij het plaatsgebonden risico worden ook voor de aandachtsgebieden de begrenzingsregels gegeven in het Bkl. Het aanwijzen van een aandachtsgebied heeft twee belangrijke consequenties. Ten eerste kan in het geval van een brand- dan wel explosieaandachtsgebied het gebied worden aangewezen als brand-respectievelijk explosievoorschriftengebied. Dit heeft gevolgen voor de bouwvoorschriften waar in
bestemmingsplan
27
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal het gebied te realiseren gebouwen aan moeten voldoen. Ten tweede moet rekening gehouden worden met het groepsrisico. Het groepsrisico is de kans op het overlijden van minstens tien personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door de risico-gevende activiteit. Het bevoegd gezag moet, net als bij het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare functies, rekening houden met dit groepsrisico. Het Bkl geeft zelf aan hoe het bevoegd gezag hier in ieder geval aan kan voldoen: er kan voor worden gekozen om geen (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties of zeer kwetsbare gebouwen te realiseren in dit aandachtsgebied. Indien deze categorieën wel worden gerealiseerd, kan het bevoegd gezag verplichten dat maatregelen worden getroffen voor de mensen in die locaties of door het aantal mensen in die locaties te beperken. Beoordeling Het planvoornemen voorziet in de realisatie van woningen. Woningen zijn kwetsbare gebouwen. Er moet worden getoetst aan de wetgeving omtrent omgevingsveiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten plaatsvinden, is de Atlas voor de Leefomgeving, onderdeel veilige omgeving, geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
Figuur 4.1 Bovengrondse hoogspanningslijnen met rekenafstand, Plaatsgebonden risico en Aandachtsgebieden (Bron: Atlasleefomgeving.nl) Plaatsgebonden risico
28
bestemmingsplan
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
Het plangebied ligt niet binnen de contour van het plaatsgebonden risico. Aandachtsgebieden Het plangebied ligt niet binnen een aandachtsgebied. Aandachtspunt voor de locatie is de op de afbeelding in blauw aangegeven bovengrondse hoogspanningsverbinding. Deze bovengrondse hoogspanningsverbinding zal, in lijn met het bestemmingsplan 'Ondergrondse hoogspanning' ondergronds worden gebracht. Op grond van dit bestemmingsplan zijn binnen een straal van 50 meter van de hoogspanningsverbinding geen woningen toegestaan. De start van de bouw van de woningen die met dit planvoornemen worden gerealiseerd zal pas plaatsvinden nadat de hoogspanningsverbinding ondergronds is aangelegd. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.4
Activiteiten en milieuzonering
Wettelijk kader De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet worden het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. Het gemeentelijke omgevingsplan is straks hét instrument waarin deze integratie op lokaal niveau plaatsvindt. Het beleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Overal, maar voornamelijk ter plekke van bedrijven, kunnen milieubelastende activiteiten plaatsvinden die hinder opleveren voor gevoelige functies, zoals woningen. Daarom is het belangrijk om voldoende afstand te houden. Wat voldoende afstand is, is afhankelijk van de aard van de activiteiten. Meestal is geluid de belangrijkste factor, maar ook geur kan de afstand tot gevoelige functies bepalen. Gemeenten kunnen binnen de bandbreedte die het rijk geeft zelf bepalen wat aanvaardbare afstanden of aanvaardbare geluid- of geurhinderniveaus zijn. Voor het bepalen welke activiteiten aanvaardbaar zijn, kan de VNG uitgave Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2022 worden geraadpleegd. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden.
Niet meer met een vaste richtafstand per bedrijfstype, maar aan de hand van een concrete waarde per activiteit wordt het ruimtebeslag bepaald. Beoordeling Voor onderhavig plan dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich enkele bedrijven met milieucategorie 1 en 2. Omdat deze functies nog op de oude wijze zijn 'bestemd' volgens de VNG-systematiek met richtafstanden, heeft de toetsing nog plaatsgevonden op basis van de richtafstanden die gelden op basis van de geldende planologische mogelijkheden. De omgeving van het plangebied kan, gelet op de ligging aan de met de afwisseling van functies (wonen, dienstverlening, bedrijf), worden gekarakteriseerd als gemengd gebied. Hierbij mag een richtafstand van 1 stap lager worden aangehouden dan dat op grond van de VNG-systematiek geldt. Er ligt een aantal bedrijven en instellingen met een richtafstand in de directe omgeving van het plangebied. Sportschool 'Boksinstituut Veenendaal' (SBI-2008:931). Deze sportschool ligt aan de Kerkewijk 65, op ongeveer 20 meter afstand van het plangebied. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter.
Echter mag wegens de ligging in gemengd gebied een richtafstand van 10 worden gehanteerd. Er wordt voldaan aan deze richtafstand. Adventkerk Gereformeerde Gemeente (SBI-2008:9491). Deze kerk ligt aan de Vijftien Morgen 51, op ongeveer 12 meter van het plangebied. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Echter mag
bestemmingsplan
29
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal wegens de ligging in gemengd gebied een richtafstand van 10 worden gehanteerd. Er wordt voldaan aan deze richtafstand. Tandarts 'Dental Clinics Veenendaal De Vallei' (SBI-2008:8621). Deze tandartspraktijk ligt aan de Kerkewijk 67, op circa 31 meter van het plangebied. Voor artsenpraktijken geldt een richtafstand van 10 meter, die neerkomt op 0 meter in gemengd gebied. Er is voldaan aan de richtafstand. Dit geldt ook voor de locaties voor voetverzorging 'Stichting Procert' en 'Provoet' die op 35, resp. 60 meter van het plangebied liggen. Religieuze organisatie 'Het Venster' (SBI-2008:9491). Deze organisatie ligt aan de Vijftien Morgen 2, op zo'n 20 meter afstand van het plangebied. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Echter mag wegens de ligging in gemengd gebied een richtafstand van 10 worden gehanteerd. Er wordt voldaan aan deze richtafstand. Ouderenzorg Zideris Hollandia (SBI-2008:8621). De hoofdingang van deze zorginstelling bevindt zich aan de Hollandia 251. De dichtstbijzijnde zorgappartementen voor ouderen liggen op circa 20 meter van het plangebied. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Echter mag wegens de ligging in gemengd gebied een richtafstand van 10 worden gehanteerd. Er wordt voldaan aan deze richtafstand.
In de omgeving van het plangebied bevinden zich nog enkele kantoren ('RecruitMens', 'Rijksen Uitvaartzorg Vallei & Rijn'). Daarvoor geldt tevens een afstand van 10 meter, die neerkomt op 0 meter in gemengd gebied. De activiteiten van de omringende bedrijven vormen geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect activiteiten en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde woningbouwontwikkeling. Ook is de nieuwe woonfunctie niet van invloed op de gebruiksmogelijkheden van de bestaande bedrijven.
4.5
Geluid
Wettelijk kader Onder de Omgevingswet is de aanvaardbaarheid van geluidbelasting veel meer een decentrale afweging dan voorheen. In het omgevingsplan nemen gemeentes regels op waar activiteiten die geluid veroorzaken en geluidgevoelige gebouwen aan moeten voldoen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.4 van de Bruidsschat. Het Bkl stelt op rijksniveau regels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen in afdeling 3.5. In plaats van geluidzones zal er worden gewerkt met geluidaandachtsgebieden en geluidproductieplafondwaarden (gpp). Een geluidsaandachtsgebied is een gebied rondom bijvoorbeeld wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Ook drukke 30km/u wegen worden hierin meegenomen. Dit gebied wordt op basis van berekeningen bepaald en beslaat het gebied waarbinnen de standaardwaarde voor geluid mogelijk wordt overschreden. Als binnen dit geluidsaandachtsgebied een geluidgevoelig gebouw wordt gerealiseerd, moet getoetst worden of voldaan wordt aan de standaardwaarden voor geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Wat geluidgevoelige gebouwen en ruimten zijn, wordt beschreven in artikel 3.21 en 3.22 van het Bkl. Er kan onder voorwaarden afgeweken worden van de standaardwaarden voor geluid, mits wordt voldaan aan de grenswaarden.
Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen. Een geluid productie plafond (gpp) is het gebied langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde voor geluid. Het gpp geeft aan hoeveel geluid maximaal is toegestaan op een geluidreferentiepunt. Het bevoegd gezag monitort het geluid op dit punt. Beoordeling Het planvoornemen realiseert maximaal 175 woningen. Een woning is een geluidgevoelig gebouw in de zin van artikel 3.21 van het Bkl. De locatie is niet gelegen binnen een geluidsproductieplafond van een
30
bestemmingsplan
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal (spoor)weg of industrieterrein. Wel ligt het plan op korte afstand van meerdere drukke wegen, waardoor akoestisch onderzoek nodig is. Door LBP Sight is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 4 opgenomen. Gemeentewegen Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van de gemeentewegen niet hoger is dan de standaardwaarde van 53 dB. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 48 dB. Vanuit het Bkl zijn er, vanwege de geluidbron 'gemeentewegen', geen bezwaren tegen de realisatie van de woningen op de locatie. Tevens blijkt uit de resultaten dat ook voor de gemeentewegen met een verkeersintensiteit lager dan 2.500 mvt/etmaal de geluidbelasting gelijk is aan de standaardwaarde van 53 dB. Er kan hiermee gesteld worden dat voor deze wegen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Gecumuleerde en gezamenlijke geluidbelasting Voor dit project is er geen sprake van een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde. Het is dan ook niet nodig om het gecumuleerd en gezamenlijk geluid in beeld te brengen. Wél is voor de volledigheid het gezamenlijk geluid vanwege alle gemeentewegen, ongeacht het aantal voertuigen dat over de weg rijdt, in kaart gebracht.
Uit het onderzoek blijkt dat het gezamenlijk geluid vanwege alle omliggende wegen ten hoogste 53 dB bedraagt. Dit is gelijk aan de standaardwaarde. Lokaal geluidbeleid In het onderzoek is tevens getoetst aan het lokale geluidbeleid, de 'Beleidsregel hogere waarden Wgh gemeente Veenendaal'. Omdat de geluidbelasting op de geprojecteerde woningen niet meer bedraagt dan de standaardwaarde van 53 dB zullen alle woningen zonder aanvullende geluidmaatregelen voldoen aan het lokale geluidbeleid van de gemeente Veenendaal. Indirecte akoestische effecten Bij het vaststellen van een omgevingsplan zorgt het bevoegd gezag ervoor dat het geluid op een (bestaand) geluidgevoelig gebouw, door wegen waarover geen besluit wordt genomen, niet méér toeneemt dan 1.5 dB (artikel 5.78af, lid 1 Bkl). Deze toename bepaalt het bevoegd gezag ten opzichte van de situatie in het maatgevende jaar zonder de wijziging. Deze instructieregel is opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl, welke slechts van toepassing is op verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafond met een verkeersintensiteit van meer dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde. De verkeerstoename van de ontwikkeling van de Ritmeesterlocatie zal plaatsvinden op de Vijftien Morgen en 't Holle Goed.
Op basis van het verkeersonderzoek van Goudappel dat is opgenomen als Bijlage 9 is de totale verkeerstoename ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen van de Ritmeesterlocatie op de Vijftien Morgen en op ’t Holle Goed als volgt: - Vijftien Morgen: 60% x 1.145 = 687 motorvoertuigen per weekdagetmaal. - 't Holle Goed: 40% x 1.145 = 458 motorvoertuigen per weekdagetmaal. In onderstaande tabel is voor de genoemde wegen de etmaalintensiteit opgenomen van het maatgevende jaar zonder wijziging en met de toename zoals Goudappel heeft bepaald.
Uit de tabel blijkt dat het aantal voertuigen per etmaal ruimschoots onder de 2.500 mvt/etmaal blijft, waarmee de instructieregels niet van toepassing zijn. Geluid van bouwwerkinstallaties zoals warmtepompen In paragraaf 4.3.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn regels opgenomen over bescherming
bestemmingsplan
31
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal tegen geluid van bouwwerkinstallaties, zoals bijvoorbeeld warmtepompen. Zo is onder meer geregeld dat een installatie voor een warmte- of koudeopwekking aan de buitenkant van een bouwwerk, maximaal 40 dB geluid mag produceren op een naastgelegen woning. Bij de vergunningverlening zal wanneer nodig aan deze regels worden getoetst, zoals de Omgevingswet dat vereist. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.6
Duurzaamheid
Duurzame leefomgeving Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie. Klimaatbestendigheid Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling. Energietransitie Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie.
De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld. Dit kan bijvoorbeeld op de volgende wijzen: de woningen zullen voldoen aan het Besluit bouwwerken leefomgeving ten aanzien van de energieprestatie; de woningen worden 'aardgasvrij' gebouwd. Beoordeling Door Merosch, in samenwerking met AM, is een duurzaamheidsagenda opgesteld voor de herontwikkeling van de Ritmeesterlocatie. Dit met als doel duurzaamheid volledig te integreren in het stedenbouwkundig plan en daarmee toe te werken naar een zo duurzaam mogelijke leefomgeving. De notitie met toelichting is als Bijlage 5 toegevoegd. Merosch heeft een quickscan uitgevoerd naar de locatiespecifieke kenmerken, aandachtspunten en kansen voor de thema's klimaatadaptatie, natuurinclusief bouwen, circulariteit en energie. Uit de quickscan komt een aantal relevante thema's naar voren. De belangrijkste drie zijn: 1. Het Ritmeesterterrein is onderdeel van het urban heat island Veenendaal en is sterk versteend.
Dit maakt dat de huidige en verwachte temperauren tijdens zomerdagen zeer hoog liggen. 2. Het Ritmeesterterrein bevindt zich in een netcongestiegebied, wat zowel aansluit- als invoedmogelijkheden op het elektriciteitsnet bemoeilijkt. 3. De nabije aanwezigheid van een drinkwateronttrekkingsgebied maakt dat de mogelijkheden voor het gebruik van bodemwarmte- en koude voor nu beperkt lijken. Bovenstaande drie aandachtspunten maken dat bij de keuze voor het energieconcept drie belangrijke
32
bestemmingsplan
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal factoren zijn meegenomen: de aanwezigheid van koude en hittebestendige maatregelen voor de woningen, maar ook een duurzame energievoorziening welke weinig belasting voor het net veroorzaakt. Er zijn vandaaruit vier doelstellingen gedefinieerd: 1. 2. 3. 4.
Ritmeester is netcongestieproof en energieneutraal. Ritmeester is hittebestendig en waterefficiënt. Ritmeester versterkt de lokale groene structuren en beleving. Ritmeester is Paris Proof, slaat veel CO2 op en stimuleert urban mining.
bestemmingsplan
33
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
Het planvoornemen voorziet in een prettige en groene woonomgeving, waar duurzaamheid een rol speelt door bijvoorbeeld het gebruik van duurzame bouwmaterialen. Er wordt klimaatadaptief en circulair gebouwd, er worden immers waar mogelijk verschillende bouwmaterialen van het oude fabrieksgebouw hergebruikt. Het planvoornemen voorziet daarnaast in een landschapsinrichting met een efficiënte en duurzame waterhuishouding en voldoende groen en schaduw op verblijfsplekken, wat bijdraagt aan de klimaatbestendigheid van het gebied. Het plan voldoet daarmee aan de doelstellingen uit de duurzaamheidsagenda. Conclusie Er is sprake van een duurzame, klimaatadaptieve woningbouwontwikkeling.
4.7
Flora en fauna
Wettelijk kader Er moet te allen tijde rekening gehouden worden met de flora en fauna om de natuur te beschermen. In artikel 5.1 van de Omgevingswet is bepaald dat er een omgevingsvergunning nodig is voor Natura 2000-activeiten en flora- en fauna-activiteiten. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Een flora- en fauna-activiteit wordt omschreven als een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Daarnaast
34
bestemmingsplan
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal zijn er ook provinciale regels voor het beschermen van flora en fauna. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Gebiedsbescherming Er zijn verschillende gebieden met belangrijke waarde voor flora en fauna: Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en andere bijzondere gebieden en landschappen. De Natura 2000-gebieden worden op Europees niveau beschermd en de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de Omgevingswet. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk dat door de provincies is aangewezen. Bijna alle Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Een Natura 2000-activiteit kan zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden, want een activiteit buiten een Natura 2000-gebied kan ook van invloed zijn op het gebied. Voor de bescherming van NNN gelden voornamelijk provinciale regels. Stikstofdepositie Veel Natura 2000-gebieden bevatten stikstofgevoelige habitattypen. Toename van de stikstofdepositie op het gebied betekent een verslechtering van de habitattypen. Om die reden moet vooraf onderzocht worden of de betreffende activiteit niet leidt tot onevenredige toename van stikstofdepositie op beschermde stikstofgevoelige gebieden.
Met de AERIUS calculator kan berekend worden of er bij het uitvoeren van een activiteit sprake is van een toename van de stikstofdepositie. Hierbij dient zowel de gebruikersfase als de realisatiefase doorgerekend te worden. Zodra er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn, is er geen belemmering voor een plan op het gebied van stikstofdepositie. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd. Het gaat om soorten van nationaal belang en soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijnen vallen. Voor de soortenbescherming gelden rijksregels. De provincies zijn echter verantwoordelijk voor de soortenbescherming. Door de brede formulering van een 'flora- en fauna-activiteit' is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving vrijwel altijd nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn, om te onderzoeken of de activiteit mogelijk gevolgen heeft voor beschermde soorten. Zorgplicht Ten tijde van de uitvoering van werkzaamheden geldt te allen tijde de zorgplicht (artikel 11.6 en 11.27 Bal). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna en Natura 2000-gebieden zoveel mogelijk voorkomen moeten worden.
Concreet betekent dit dat iemand die een activiteit wil verrichten op een bepaalde locatie, eerst moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die locatie of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat de beschermde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Beoordeling Soortenbescherming Door Blom Ecologie is er een Quickscan Natuur uitgevoerd. De rapportage van deze quickscan is opgenomen als Bijlage 6. Het plangebied is gelegen in een gebied met een gemeentelijk Soortenmanagementplan (SMP) gebiedsvergunning. Met deze gebiedsvergunning heeft de gemeente voor bepaalde bouwactiviteiten (waaronder sloop) een ontheffing verkregen voor de verbodsbepaling genoemd in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g van de Omgevingswet, in samenhang met de artikelen 11.37 eerste lid, aanhef en onder b en 11.46 eerste lid, aanhef en onder a, b en d van het Bal. Uit de quickscan blijkt dat er enkele algemene maatregelen moeten worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels.
Met betrekking tot soortenbescherming is er potentie voor vleermuizen en deels voor gierzwaluw en huismus. Er is een SMP geldig in gemeente Veenendaal. De beoogde ruimtelijke ingreep kan onder het SMP worden
bestemmingsplan
35
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal uitgevoerd. Hierbij dient er gehouden te worden aan de werkwijze die staat beschreven in de werkprotocollen. Hieronder wordt nader ingegaan op de bevindingen ten aanzien van vleermuizen, vogels en dieren en planten algemeen vanuit de zorgplicht. Vleermuizen Gebaseerd op de bekende verspreidingsgegevens, de ligging van de planlocatie (stedelijk gebied) en het type bebouwing is er potentie voor verblijfplaatsen van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. De beoogde ontwikkeling kan onder het SMP Veenendaal uitgevoerd worden. Hierbij dient er gehouden te worden aan de werkwijze die staat beschreven in de werkprotocollen. Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De planlocatie is volledig verhard en bebouwd, waardoor relatief weinig voedselaanbod aanwezig is. Een De bebouwing is niet lijnvormig en een groot deel bestaat uit slechts één bouwlaag, waardoor het niet geschikt is als essentiële vliegroute. Daarnaast zijn er voldoende uitwijkmogelijkheden in de omgeving, zoals de bomenrijen en het Omleidingskanaal. Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep worden deze structuren niet aangetast.
Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: ekster, houtduif, huismus, kauw en koolmees. Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied, namelijk de huismus. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van de jaarrond beschermde huismus Tijdens het veldbezoek zijn huismusnesten aangetroffen onder de overkapping aan de achterkant van de te slopen Hallen. Er is nestmateriaal gevonden tussen en op de balken van de overkapping. Daarnaast kropen er huismussen weg door een gleuf tussen de bakstenen muur en de bevestiging van de overkapping in de gevel. De rest van het te slopen nieuwbouwgedeelte bevat geen huismuspotentie. Aangezien de bebouwing in de omgeving ook geschikt is voor huismus kan niet worden uitgesloten dat er vogels uit de kolonies hier kunnen nestelen. Echter kan de beoogde ontwikkeling ook voor de huismus onder het SMP worden uitgevoerd. Hierbij dient er gehouden te worden aan de werkwijze die staat beschreven in de werkprotocollen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied.
De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen in de directe omgeving en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn nesten aangetroffen van ekster, houtduif en zwarte kraai. Deze nesten zijn buiten de planlocatie gesitueerd en worden niet aangetast bij de beoogde ruimtelijke ingreep. Doordat de kans bestaat dat broedende vogels in de nabijheid van de werkzaamheden aanwezig zijn, zal rekening worden gehouden met het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli). Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten zullen de sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart zal de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd worden door een ter zake deskundige. Dieren en planten algemeen vanuit de zorgplicht De Omgevingswet bepaalt dat eenieder naar redelijkheid zorgvuldig met planten en dieren in het wild om dient te gaan. Voor alle activiteiten die uitgevoerd worden en mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben, zullen deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt worden. Gebiedsbescherming
36
bestemmingsplan
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
Op een afstand van circa 1,3 km ligt het Natura 2000-gebied 'Binnenveld'. Dit Natura 2000-gebied maakt teven deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Op circa 1,4 km van het plangebied ligt de Groene contour. Door SAB adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het stikstofonderzoek is opgenomen in Bijlage 7. Om te beoordelen wat de effecten op Natura 2000-gebieden zijn, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator. Uit de berekening blijkt dat de gewenste ontwikkeling leidt tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. In de aanlegfase bedraagt de stikstofdepositie op het naastgelegen Natura 2000-gebied Binnenveld maximaal (in 2026) 0,02 mol/ha/jaar. Er zijn daardoor mogelijk nadelige milieueffecten te verwachten op het Natura 2000-gebied. Ook in de gebruiksfase, in de jaren 2029-2031, vindt er een tijdelijke stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/jaar plaats op Natura 2000-gebieden. Na 2031 zijn er geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Een ecologische voortoets is noodzakelijk. Omdat de stikstofdepositie groter is dan 0,00 mol/ha/jaar is een vergunning vereist, tenzij door middel van een ecologische voortoets kan worden uitgesloten dat de ontwikkeling significante gevolgen heeft.
In de ecologische voortoets, opgesteld door SAB adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling, is voor de relevante habitattypen onderzocht of de deposities die de ontwikkeling veroorzaakt voor significante, dus merkbare of meetbare, gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied kunnen zorgen. Uit het onderzoek blijkt dat de habitats in de recente jaren zijn verbeterd of gelijk zijn gebleven in omvang en kwaliteit. Er spelen in beide habitats knelpunten met een grotere invloed dan atmosferische stikstofdepositie, die reeds worden aangepakt door middel van beheersmaatregelen. In dat perspectief geplaatst is niet aannemelijk dat de depositie die het project veroorzaakt een negatieve invloed zal hebben op het behalen van de natuurdoelen. Ook is de tijdelijke depositie in verhouding tot de stikstof die in het natuurgebied omgaat niet significant en dus verwaarloosbaar. De hoeveelheid stikstof die nodig is om veranderingen in habitattypen te bewerkstelligen in verhouding tot fluctuaties in stikstofdepositie in ruimte en tijd maken het bovendien onmogelijk om de onderhavige stikstofdepositie in het veld te meten of waar te nemen.
Met bovenstaande is aangetoond dat het onmogelijk is dat de depositie, ten gevolge van de bouw van de woningen, een significante invloed heeft op het functioneren van de habitattypen in Natura 2000-gebied Binnenveld en de daarvan afhankelijke soorten. De relevante habitats zullen ook in de toekomst, met deze de positie, nog in gelijke mate kwalificeren als het betreffende habitat. De vegetaties en watersystemen kunnen nog steeds dezelfde functies vervullen als wanneer deze ontwikkeling niet zou plaatsvinden. Een merkbaar, meetbaar en dus significant ofwel aanzienlijk gevolg voor de instandhoudingsdoelstelling en/of aantasting van wezenlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, is daarmee uitgesloten. Aangezien significante effecten kunnen worden uitgesloten is er geen vergunning nodig voor een Natura 2000-activiteit. Conclusie Soortenbescherming Uit de ecologische quickscan blijkt dat er enkele algemene maatregelen moeten worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Met betrekking tot soortenbescherming is er potentie voor vleermuizen en deels voor gierzwaluw en huismus. Er is een SMP geldig in gemeente Veenendaal. De beoogde ruimtelijke ingreep kan onder het SMP worden uitgevoerd. Gebiedsbescherming Voor de jaren 2025 tot en met 2031 is een ecologische voortoets noodzakelijk.
Vanaf 2031 zijn er geen overschrijdingen meer en zijn er geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. In de ecologische voortoets is geconcludeerd dat significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.
bestemmingsplan
37
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.8
Landschappelijke-, stedenbouwkundige waarden en Cultureel erfgoed
Wettelijk kader Paragraaf 5.1.5 van het Bkl bevat regels met het oog op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden. Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden zijn een element van omgevingskwaliteit en het beschermen van die waarden is in artikel 2.1, derde lid, van de Omgevingswet opgenomen als een van de oogmerken die van belang kan zijn bij de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wet. De invulling hiervan wordt grotendeels overgelaten aan gemeenten en provincies. Op rijksniveau worden er onder meer regels gesteld over de kust, over de Waddenzee en het Waddengebied, over het zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand (de ladder voor duurzame verstedelijking, zie onder 3.1.2.1) en over cultureel erfgoed. De landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden zijn vastgelegd in de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Veenendaal. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit kenmerkenkaarten voor de disciplines landschap en gebouwde omgeving, uit waardenkaarten voor diezelfde aspecten, uit een viertal themakaarten en een integrale ensemblekaart, waarop de gebieden staan die - samen met de landschappelijke en gebouwde kaarten - het palet aan cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Veenendaal laten zien.
Beoordeling Op kaart '2 Kenmerken Bouwkunst en Stedenbouw' is te zien dat de Ritmeesterlocatie in 'stedenbouwkundig waardevol gebied' ligt. Op kaart '3.1 Waardering landschap' is te zien dat het landschap ter plaatse van de Ritmeesterlocatie de waardering 'niet gewaardeerd' heeft gekregen. Er is op de locatie geen landschappelijk erfgoed waar rekening mee moet worden gehouden. Op kaart '3.2 Waardering bouwkunst' is de Ritmeesterfabriek aangewezen als bouwkunst met een hoge waarde. Op kaart '4 Integrale ensemblekaart' is de Ritmeesterlocatie aangewezen als 'Integrale ensemble' en 'Waardevolle bouwkunstensemble'. In paragraaf 5.6.4 van het Omgevingsplan gemeente Veenendaal staan regels die gelden voor activiteiten die wijzigingen aanbrengen in integrale ensembles. In deze paragraaf is een specifieke zorgplicht gedefinieerd. Op grond van deze zorgplicht mag er bij aanpassingen in openbaar toegankelijk gebied en aan of bij gebouwen en bouwwerken geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de cultuurhistorische waarden behorende bij integrale ensembles, zoals opgenomen in de welstandsnota of diens rechtsopvolger. Met de ontwikkeling van de Ritmeesterlocatie zal het fabrieksgebouw gesloopt worden en worden vervangen door nieuwbouw. Direct naast het plangebied (gelegen aan de Kerkewijk) zijn enkele vooroorlogse gebouwen met een gemeentelijke monumentenstatus gelegen.
Deze zullen worden behouden en benut. Ook de historische (industriële) waarde van het gebied wordt bewust meegenomen in het ontwerp. Waar mogelijk verwijst de nieuwe bebouwing naar het industriële verleden. Zo blijven onder andere vier stalen spanten behouden, die een symbolische verbinding vormen tussen het bestaande en het nieuwe. Het ontwerp zoekt daarbij naar een harmonieuze samenkomst van oud en nieuw, waarbij ruimtes ontstaan die niet alleen functioneel zijn, maar ook een gelaagde geschiedenis en karakter uitstralen. Deze uitgangspunten zijn vastgelegd in de Notitie uiterlijk aanzien gebouwen, zodat de cultuurhistorie zichtbaar blijft in de toekomstige bebouwing. Het stedenbouwkundig plan is beoordeeld bij de Omgevingstafel en akkoord bevonden. Hier is ook het cultuurhistorische aspect meegewogen. Conclusie De landschappelijke-, stedenbouwkundige waarden en Cultureel erfgoed vormen geen belemmering voor
38
bestemmingsplan
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal het planvoornemen.
4.9
Archeologische monumenten
Wettelijk kader In het Bkl is bepaald dat gemeenten in hun omgevingsplan een beschermingsregime moeten opnemen voor cultureel erfgoed. Hierbij moeten de instructieregels uit paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl in acht worden genomen. Dit gaat onder meer over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; en conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Tot dat de gemeentes regels in over cultureel erfgoed in het omgevingsplan hebben opgenomen, geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit bestaat uit de geldende ruimtelijke regelingen zoals bestemmingsplannen, de gemeentelijke erfgoedverordening en de regels uit de bruidsschat. Beoordeling archeologie Het plangebied is op de archeologische beleidskaart aangeduid als categorie 5 met een lage archeologische verwachting. In het beleid van de gemeente Veenendaal staat beschreven dat bij een archeologische waarde van categorie 5 er alleen onderzoek moet worden verricht als het project MER-plichtig is. Dat is hier niet het geval. Daarom is archeologisch onderzoek niet nodig.
Beoordeling cultuurhistorie Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalende pand in het geldende omgevingsplan. Geconcludeerd kan worden dat met het plan geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren. Conclusie Het aspect archeologie en monumenten vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.10
Verkeer en parkeren
Wettelijk kader Bij het toelaten van een nieuwe functie in het omgevingsplan moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling binnen en rondom het gebied. Ook wordt in beeld gebracht of er sprake is van een extra parkeerbehoefte voor auto's en fietsen. De nieuw ontwikkeling mag geen onaanvaardbare effecten hebben voor de fysieke leefomgeving. Door Goudappel BV zijn de aspecten verkeer en parkeren als gevolg van deze ontwikkeling en de naastgelegen herontwikkeling van de bestaande gebouwen beoordeeld. De rapportage daarvan is als Bijlage 9 toegevoegd. Parkeerbehoefte De parkeernormen van de gemeente Veenendaal zijn opgenomen in de Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023. De gemeente gaat uit van een gebiedsindeling in zones. Het plangebied bevindt zich in zone 1.
bestemmingsplan
39
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
Figuur 4.2 Het plangebied is aangegeven met de zwarte locatiepin. In de omgeving van het plangebied komen verschillende functies bij elkaar. In onderstaande tabellen zijn de bijbehorende parkeernormen weergegeven.
Parkeernormen wonen (aandeel bezoekers per woning = 0,3 parkeerplaats per woning)
40
bestemmingsplan
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
Parkeernormen werken
Parkeernormen sport, cultuur en ontspanning
Parkeernormen horeca
Parkeernomen gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen De ongewogen parkeerbehoefte (programma x parkeernorm) van het programma is in onderstaande tabellen weergegeven. Voor het parkeren is de parkeeropgave voor de gehele Ritmeesterlocatie in beeld gebracht, bestaande uit de nieuwbouw (plangebied van dit TAM-omgevingsplan) en het nieuwe programma in de bestaande (te behouden) gebouwen aan de Kerkewijk.
Ongewogen parkeerbehoefte woonprogramma
bestemmingsplan
41
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
Ongewogen parkeerbehoefte niet-woonprogramma Niet op elk moment van de week is de parkeerbehoefte even hoog. Om die reden wordt gewerkt met aanwezigheidspercentages. De aanwezigheidspercentages zijn in onderstaande tabel weergegeven.
Aanwezigheidspercentages De parkeerbehoefte per moment van de week is weergegeven in onderstaande tabel.
Parkeerbehoefte per moment van de week Uit bovenstaande tabel blijkt dat 109,6 (110) parkeerplaatsen nodig zijn op het drukste moment van de week (werkdagavond). Het gemeentelijke parkeernormenbeleid biedt een aantal opties om de normatieve parkeerbehoefte te reduceren, met maximaal 25% reductie op de parkeereis voor auto's (na correctie voor dubbelgebruik). Deze reductie kan worden toegepast met maatregelen op 5 onderdelen: Deelmobiliteit: zichtbaar en goed geborgd deelsysteem (auto/fiets), vooral bij grootschalige ontwikkelingen, kan een groot deel van de reductie opleveren. Openbaar vervoer: ligging op loopafstand van goede OV-voorzieningen (bus en/of trein) geeft recht op reductie, behalve in zone 1 waar dit al in de norm zit. Doelgroep: als de beoogde gebruikers aantoonbaar een lager autobezit/-gebruik hebben (bijv.
42
bestemmingsplan
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal studenten, specifieke zorgdoelgroepen), kan reductie worden toegekend. Bedrijfsplan mobiliteit: voor niet-woonfuncties kan een eigen bedrijven-mobiliteitsbeleid (stimuleren OV/fiets, vergoedingen, e-bike, etc.) leiden tot reductie. Parkeren op afstand: bij grootschalige ontwikkelingen kan parkeren verder weg (bij overschot aan capaciteit) met nabijere voorzieningen voor lopen, fietsen en OV reductie opleveren. De reductie tot maximaal 25% na totaal correctie dubbelgebruik wordt als volgt berekend: - 25% x 109,6 = 27,4 parkeerplaatsen. Het planvoornemen voorziet in de inzet van deelmobiliteit. Er worden twee deelauto's aangeboden in (de omgeving van) het plangebied. Door 2 deelauto’s te integreren bij oplevering van de woningen — met zichtbare parkeerplaatsen naast het complex, één laadpunt per auto — wordt de leefkwaliteit vergroot door meer ruimte voor groen en wordt bewoners een goedkoper en flexibeler alternatief voor autobezit aangeboden. De ligging bij het NS-station en op fietsafstand van winkels maakt dit model vanuit gebruiksperspectief vrijwel aantrekkelijker dan elders. De reductie als gevolg van de deelmobiliteit is als volgt: 40% x 27,4 = 11 parkeerplaatsen. De parkeereis is 109,6 - 11 + 2 deelauto's = 100,6 (101) parkeerplaatsen.
Op het maatgevende moment (werkdagavond) is een parkeerdruk van 58% gemeten in de omgeving (zie onderstaande tabel). Daarmee bestaat de mogelijkheid om gebruik te maken van het ‘beter benutten’ principe. Rekening houdend met een maximale gewenste parkeerdruk van 85% is er sprake van een resterende parkeercapaciteit van 14 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen mogen in mindering worden gebracht op de totale parkeereis. De totale parkeereis is dus: 101 – 14 = 87 parkeerplaatsen.
Parkeeraanbod Ten noorden van het plangebied, aan de Frisia worden 87 parkeerplaatsen gerealiseerd. De parkeerbehoefte kan daarmee binnen het plangebied worden opgelost. De twee deelauto's worden geplaatst in de nabijheid van het kruispunt Vijftien Morgen/Tubantia (centraal gelegen binnen de woonbuurt). Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie voor de totale ontwikkeling van de Ritmeesterlocatie is berekend aan de hand van kencijfers van CROW publicatie 744 ('Parkeerkencijfers 2024'). De hoogte van het verkeersgeneratiekencijfer is afgestemd op de hoogte van de parkeernorm. De verkeersgeneratieberekening is weergegeven in onderstaande tabel.
bestemmingsplan
43
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
Verkeersgeneratie (in motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal) Het totale aantal motorvoertuigbewegingen komt neer op (576 + 569 =) 1.145 per weekdagetmaal. De verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling in het plangebied van dit TAM-omgevingsplan bedraagt 576 mvt per weekdagetmaal. Beoordeling en conclusie In totaal worden er 87 parkeerplaatsen toegevoegd in het gebied. Daarmee is voldaan aan de parkeerbehoefte van 87 parkeerplaatsen. Het totale aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van de ontwikkeling in het plangebied en als gevolg van de herontwikkeling van de naastgelegen bestaande gebouwen komt neer op 1.145 per weekdagetmaal. Dit extra verkeer kan op een acceptabele wijze verwerkt worden op het omliggende wegennet. Het aspect verkeer en parkeren geeft geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
44
bestemmingsplan
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
4.11
Kabels en leidingen
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameeter groter of gelijk aan 18 inch. Uit het Omgevingsplan gemeente Veenendaal is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Wel is de bovengrondse hoogspanningsverbinding, waarvoor in het huidige bestemmingsplan Ritmeesterkwartier 2016 een veiligheidszone is aangewezen, van belang. Deze bovengrondse hoogspanningsverbinding zal, in lijn met het bestemmingsplan 'Ondergrondse hoogspanning' ondergronds worden gebracht. De start van de bouw van de woningen die met dit planvoornemen worden gerealiseerd zal pas plaatsvinden nadat de hoogspanningsverbinding ondergronds is aangelegd. Het vormt dus geen belemmering voor het planvoornemen.
Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.12
Bodem
Wettelijk kader In paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl zijn instructieregels voor het aspect bodem opgenomen. Deze regels zijn van toepassing op bodemgevoelige gebouwen. Artikel 5.89g geeft aan wanneer een gebouw als bodemgevoelig gebouw wordt aangemerkt. De gemeente moet in haar omgevingsplan de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opnemen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.2.3 en 22.3.7 van de Bruidsschat. De regels voor bodem zijn berust op drie pijlers: Het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); Het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies aan locaties); en Het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen). Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van zo'n onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Beoordeling Het planvoornemen realiseert maximal 175 woningen. Een woning is een bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89a van het Bkl. Door Van Dijk Geo- en Milieutechniek b.v.
is op 28 februari 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 10). Tevens is er op 7 november 2022 door Multiconsult een vooronderzoek en beoordeling bodemkwaliteit gedaan, waarin is geconcludeerd dat het eerdere onderzoek dat is uitgevoerd door Van Dijk toereikend is (Bijlage 11). Uit de onderzoeken blijkt dat de top- en onderlaag van de bodem ter plaatse van de onderzochte
bestemmingsplan
45
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal deellocaties over het algemeen licht tot hooguit matig verontreinigd is. Deze puinhoudende bodemlaag is niet asbesthoudend. Ook is het grondwater ter plaatse licht verontreinigd met barium, naftaleen en/of minerale olie. Gezien de geringe mate van verontreiniging is er milieutechnisch geen bezwaar tegen de herontwikkeling van het plangebied. Uit de onderzoeken blijkt ook dat de puinhoudende bodemlaag ter plaatse van het centraal gelegen deel van het fabrieksterrein sterk verontreinigd is met enkele zware metalen. Omdat er sprake is van meer dan 25 m3 grond met een concentratie boven de interventiewaarde, zijn er sanerende maatregelen nodig. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit moet aannemelijk worden gemaakt dat sanerende maatregelen zullen worden getroffen, dat deze technisch uitvoerbaar zijn en leiden tot een geschikte bodemkwaliteit. Hiervoor kan een beschrijving worden aangeleverd binnen de vergunningsprocedure of een melding 'saneren' worden ingediend in het Omgevingsloket die voldoet aan het gewenste saneringsresultaat. Tevens zullen in de omgevingsvergunning voor het bouwen bodemvoorschriften worden opgenomen, waarin is bepaald dat de bodem geschikt moet worden gemaakt voor het voorgenomen gebruik. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planinitiatief.
4.13
Weging elektriciteits-infrastructuur, energieparagraaf
De instructieregels uit de provinciale verordening geven in artikel 5.11 aan dat bij de bouw van 10 of meer woningen, die tot een aanvullende belasting van de elektriciteits-infrastructuur kunnen leiden, rekening gehouden wordt met de aansluitbaarheid op de elektriciteits-infrastructuur. Er is tweemaal overleg gevoerd met de netbeheerder. Het verslag van het eerste overleg is opgenomen in Bijlage 12. Het verslag van het tweede overleg is opgenomen in Bijlage 13. Beoordeling en conclusie In het plangebied wordt een extra transformator gerealiseerd waaruit de woningen van elektriciteit worden voorzien. Het plan past binnen de energie-infrastructuur van de netbeheerder.
4.14
Water
Wettelijk kader Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat het wettelijk kader voor het beschermen van waterbelangen. Hierin worden regels gegeven ter bescherming van primaire waterkeringen, de kust, grote rivieren en het IJsselmeergebied. Als een omgevingsplan betrekking heeft op een locatie in een van deze gebieden, gelden er regels ter bescherming van waterbelangen. Beoordeling De ontwikkeling ligt niet in of nabij een primaire waterkering. Wel ligt de ontwikkeling in het grondwaterbeschermingsgebied (zie paragraaf 4.15). Door de beoogde ontwikkeling neemt het verhard oppervlak niet toe. Daarnaast wordt er meer groen gerealiseerd dan dat er in de huidige situatie is voorzien, wat voor een betere waterberging zal zorgen. Er wordt voldaan aan de ambitie om 25 mm / m2 verhard oppervlak te bergen. Hierbij is het uitgangspunt dat er waterberging plaatsvindt op alle daken van de appartementencomplexen en het aanleggen van alle openbaar groen als verdiept/waterbergend. De resterende capaciteit wordt opgelost door een voorziening in de tuinen of eventueel een kunstmatige voorziening in de openbare ruimte (zoals infiltratiekoffers). De resterende capaciteit kan afhankelijk van het waterhergebruikconcept, ook worden opgevangen in eventueel benodigde regenwatertanks voor het hergebruik van regen- en/of grijswater.
In Bijlage 14 zijn tabellen opgenomen waarin een berekening van de benodigde waterberging en een
46
bestemmingsplan
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal berekening van de mogelijk te realiseren waterberging zijn opgenomen. Daarin is weergegeven dat het planvoornemen in de benodigde waterberging voorziet. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.15
Grondwaterbescherming
In de grondwaterbeschermingsgebieden is sprake van een kwetsbare functie (waterwinning voor drinkwater) en vaak een kwetsbare bodem. Daarom moeten personen en instanties die hier activiteiten ontplooien extra alert en zorgvuldig zijn op zaken die de kwaliteit van het grondwater negatief kunnen beïnvloeden. Voor de activiteiten die altijd schadelijk zijn, of die mogelijk schadelijk zijn en vaak voorkomen, zijn gerichte regels opgesteld. Wettelijk kader In afdeling 3.2 van de Omgevingsverordening worden regels gesteld voor de bescherming van het grondwater. De grondwaterbeschermingszone bestaat uit verschillende onderdelen waaronder het waterwingebied, het grondwaterbeschermingsgebied en de boringsvrijezone. Grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones liggen als een schil rond de waterwingebieden en hebben als doel de waterwinning te beschermen tegen schadelijk invloeden. De grens van deze gebieden is de lijn vanaf waar het grondwater een periode van 25 jaar nodig heeft om de pompputten te bereiken (de 25-jaarszone). Het onderscheid tussen deze zones hangt af van het antwoord op de vraag of het grondwater waaruit gewonnen wordt direct vanaf het oppervlak beïnvloed kan worden (grondwaterbeschermingsgebieden), of dat tussen maaiveld en het grondwaterpakket met de winning nog een voldoende afschermende kleilaag aanwezig is (boringsvrije zones).
Boringsvrijezone In de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht wordt in artikel 3.51 lid 4 aangegeven dat het centrum van Veenendaal binnen de boringsvrijezone ligt. Het doel van deze zone is het beschermen van de waterwinning. Voor de boringsvrijezone in Veenendaal geldt een vergunningplicht bij boringen dieper dan 30 meter ten behoeve van energiesystemen of een meldingsplicht voor funderingen. Het initiatief ligt binnen een boringsvrije zone. Het plangebied ligt zowel binnen een grondwaterbeschermingsgebied als binnen een boringsvrije zone. Dat is aangegeven op onderstaande afbeeldingen.
bestemmingsplan
47
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
Figuur 4.3 Grondwaterbeschermingsgebied
48
bestemmingsplan
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
Figuur 4.4 Boringsvrije zone
Waterwingebied Een plan dat betrekking heeft op locaties binnen een waterwingebied, laat geen activiteiten toe die een risico vormen voor de grond- en oppervlaktewaterwinning voor menselijke consumptie. Het initiatief ligt niet binnen het waterwingebied. Beoordeling Op grond van artikel 3.11 van de Omgevingsverordening provincie Utrecht geldt er een specifieke zorgplicht voor grondwater. Degene die in een grondwaterbeschermingszone een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van het grondwater in verband met de winning daarvan voor menselijke consumptie is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken. Kunnen de gevolgen onvoldoende worden beperkt, dan wordt van diegene verwacht dat de activiteit achterwege wordt gelaten, voor zover dat redelijkerwijs kan worden gevraagd. Wanneer sprake is van een direct optredende of dreigende verontreiniging van het grondwater, moeten gedeputeerde staten onmiddellijk op de hoogte worden gesteld. In de boringsvrije zone is het op grond van artikel 3.51 van de Omgevingsverordening provincie Utrecht verboden om boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 30 meter of meer onder maaiveld.
Daarnaast is het verboden boringen, grond- of funderingswerken uit te
bestemmingsplan
49
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal voeren of te hebben op een diepte van 30 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de boringsvrije zone. Daarvan is in het planvoornemen geen sprake. Conclusie Het initiatief vormt geen belemmering voor het aangewezen grondwaterbeschermingsgebied en de boringsvrije zone.
4.16
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect kwaliteit van de buitenlucht instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de kwaliteit van de buitenlucht; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Advieswaarden WHO De rijksomgevingswaarden uit het Bkl volgen uit de Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen. Deze Europese normen zijn mede gebaseerd op adviezen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). De WHO heeft advieswaarden opgesteld voor stikstofdioxide, fijnstof en zeer fijn stof. In het Schone Lucht Akkoord (SLA) is afgesproken dat voor 2030 wordt toegewerkt naar de WHO advieswaarden. De gemeente Veenendaal heeft het SLA ondertekend. De beoordeling van de kwaliteit van de buitenlucht vindt niet overal plaats.