CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

3.c. Vaststelling bestemmingsplan Groenpoort - toelichting

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Groenpoort27.258 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Toetsing Voor de ontwikkeling van Veenendaal-oost - waar het voorliggende plangebied onder14 deel van uitmaakt – is in 2016 een Risico-inventarisatie externe veiligheid opgesteld, waarin de relevante omliggende risicobronnen zijn geïnventariseerd. In dit onderzoek wordt ervan uitgegaan dat in het voorliggende plangebied 1.250 woningen worden gerealiseerd. Dit betreft een worst-case benadering. Op grond van dit bestemmingsplan worden ‘slechts’ 970 woningen mogelijk gemaakt. De belangrijkste conclusies van het onderzoek worden hieronder weergegeven, de volledige rapportage is als bijlage 6 bij de toelichting opgenomen. Ten behoeve van de risico-inventarisatie is binnen 1 km afstand van het plangebied gekeken naar de volgende aspecten, die van invloed kunnen zijn op het plangebied:  risicovolle inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over spoor, water en weg; Risicovolle inrichtingen Er liggen volgens de risicokaart twee inrichtingen in de directe omgeving van het plangebied, het betreft:  een LPG-tankstation ten westen van het plangebied. Het invloedsgebied van het LPG-tankstation is weergegeven in onderstaande afbeelding. Hier is te zien dat een deel van het plangebied binnen het invloedsgebied van het LPG-tankstation ligt.  Het bedrijf ‘Sigma coatings’ ten zuiden van het plangebied.

Hiervoor gelden afstanden van 20 en 50 meter voor twee opslagen met gevaarlijke stoffen. Het bedrijf ligt op bijna 1 km afstand van het plangebied. Dit bedrijf is daarom niet van belang

14

Risico-inventarisatie externe veiligheid Veenendaal Oost, Sweco, Projectnummer: 348469, d.d. 12 september 2016. 50

voor het plangebied.

Afbeelding 4.3: inventarisatie risicobronnen (bron: SWECO).

Afbeelding 4.4: invloedsgebied (blauw) en plaatsgebonden risico (rood) LPG-tankstation.

51

Aan de oostzijde van de Rondweg Oost (N233) is eveneens een tankstation gelegen. Omdat hier geen verkoop van LPG plaatsvindt is dit tankstation vanuit externe veiligheid niet relevant. LPG tankstation -6 Zoals blijkt uit bovenstaande afbeelding reikt de PR 10 contour van het LPG tankstation (o.a. vulpunt en afleverinstallatie) niet tot het voorliggende plangebied. Het plaatsgebonden risico vormt derhalve geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Het invloedsgebied (150 meter) reikt daarentegen wel tot het plangebied. Derhalve is een berekening van het groepsrisico uitgevoerd. Met Safeti-NL is berekend dat het groepsrisico maximaal een factor 0,281 maal de oriëntatiewaarde bedraagt. De maximale overschrijdingsfactor wordt gevonden bij 60 slachtoffers en een frequentie van -8 7,81*10 . In het kader van een goede ruimtelijke ordening heeft een verantwoording van het groepsrisico plaatsgevonden en zijn maatregelen beschouwd. Kortheidshalve wordt hiervoor verwezen de bijlage bij dit bestemmingsplan.

Afbeelding 4.5: berekening groepsrisico LPG tankstation (bron: Sweco)

In de ‘Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations’ van 14 juni 2016 worden ten opzichte van het Bevi andere effectafstanden gehanteerd. De circulaire gaat uit van een tweetal relevante effectafstanden om rekening mee te houden zijn, namelijk:  60 meter van het vulpunt voor (beperkt) kwetsbare objecten;  160 meter van het vulpunt voor zeer kwetsbare objecten. Beide zones zijn op de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen. In de regels is opgenomen dat het gebruik van gronden binnen deze zones voor (beperkt) kwetsbare respectievelijk zeer kwetsbare objecten niet toegestaan. De zones vormen geen belemmering voor het realiseren van de beoogde woningen in het plangebied. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Op ruim 300 meter ten westen van het plangebied is een hogedruk aardgastransportleiding gelegen. Het betreft een leiding met een werkdruk van 40 bar en een maximale diameter van 168 mm. Omdat het invloedsgebied van deze hogedruk aardgastransportleiding slechts 75 meter bedraagt, is aanvullend onderzoek niet benodigd. De betreffende leiding vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

52

Transport van gevaarlijke stoffen over spoor, water en weg Het plangebied is gelegen in de nabijheid van de provinciale weg N233 (Rondweg Oost) en de Rijksweg A12. Over beide wegen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het voorliggende plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied (355 meter) van beide wegen. A12 De Rijksweg A12 is opgenomen in het Basisnet, waarin het PR en plasbrandaan-6 dachtsgebied zijn opgenomen. De A12 heeft geen PR 10 contour, wel is sprake van een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter uit de weg. Dit PAG reikt echter niet tot het voorliggende plangebied. Omdat het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied (355 meter) dient het groepsrisico berekend te worden. Navolgend wordt hier op ingegaan In het kader van dit bestemmingsplan is het groepsrisico berekend. Deze berekening wijst uit dat het groepsrisico voor de Rijksweg A12 maximaal 0,022 maal de oriëntatiewaarde bedraagt. Er is sprake van een kleine toename in de toekomstige situatie. Deze toename van het groepsrisico bedraagt echter niet meer dan 10% en is daarmee niet significant. Het groepsrisico hoeft zodoende niet uitgebreid verantwoord te worden.

Afbeelding 4.6: berekening groepsrisico A12 (bron: Sweco)

N233 De provinciale weg N233 is niet opgenomen in het Basisnet. Dit neemt niet weg dat er wel vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg plaatsvindt. Voor een hoofdweg (niet zijnde een basisnet transportroute) wordt uitgegaan van de meest recente beschikbare gegevens over de omvang van het vervoer over die weg. Er zijn dus geen beperkingen wat betreft het plaatsgebonden risico. In het kader van dit bestemmingsplan is het groepsrisico berekend. Deze berekening wijst uit dat het groepsrisico voor de provinciale weg N233 maximaal 0,313 maal de oriëntatiewaarde bedraagt. Er is sprake van een kleine toename in de toekomstige situatie. Deze toename van het groepsrisico bedraagt echter niet meer dan 10% en is daarmee niet significant. Het groepsrisico hoeft zodoende niet uitgebreid verantwoord te worden.

53

Afbeelding 4.7: berekening groepsrisico N233 (bron: Sweco)

Verantwoording groepsrisico Voor de Rijksweg A12 en de provinciale weg N233 kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Kortheidshalve wordt hiervoor verwezen naar de bijlage bij dit bestemmingsplan. Bij de beperkte verantwoording van het groepsrisico is in gegaan op:  de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval, en  de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet. LPG-tankstation Voor het LPG-tankstation is een volledige verantwoording uitgevoerd. Daarbij is ingegaan op de nut en noodzaak van de ontwikkeling, alsmede eventuele maatregelen. De volgende maatregelen zijn te onderscheiden: 1. bronmaatregelen; 2. effectbeperkende maatregelen; 3. maatregelen ten behoeve van de zelfredzaamheid. Ad 1) Bronmaatregelen Een mogelijkheid om de kans op een koude BLEVE te beperken is het realiseren van een invoegstrook vanaf het tankstation naar de N233. De kans op een verkeersongeval met een tankwagen wordt dan lager en bij een aanrijding zal de tankwagen dan niet in de flank (het zwakste gedeelte) kunnen worden geraakt. Ad 2) Effectbeperkende maatregelen De kans op een BLEVE is gering omdat de LPG-tank ondergronds is en de tankauto voorzien is van een hittewerende coating.

Dit geeft de brandweer de mogelijkheid om een brand in de buurt van een tankwagen te blussen voordat een warme BLEVE optreedt. De gevolgen van een BLEVE van een tankauto met LPG zouden kunnen worden beperkt door het aanleggen van een aarden wal langs de N233 aan de zijde van het plangebied. Ad 3) Zelfredzaamheid De mogelijkheden van de zelfredzaamheid hangen grotendeels af van het type scenario dat zich afspeelt. Zoals eerder geconstateerd kunnen zich twee typen scenario’s voordoen, de BLEVE en een wolkbrand met explosie. Bij secundaire branden (volgend op een BLEVE) dienen personen zich in veiligheid te brengen door het ontvluchten van het rampgebied. Dit kan door het stratenplan, waardoor het mogelijk is om in

54

de afgekeerde richting van het tankstation te vluchten. Vluchten tot buiten het invloedsgebied is de beste optie. De hulpverlening dient risicocommunicatie in te zetten ter bevordering van het juiste zelfreddende gedrag. Indien bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen personen betrokken zijn, dienen zij zich in veiligheid te brengen door zich van de bron af te wenden. Personen dienen minimaal 30 meter te vluchten, dat is buiten het invloedsgebied van brandbare vloeistoffen. De hulpverlening dient risicocommunicatie in te zetten ter bevordering van het juiste zelfreddende gedrag. Het stedenbouwkundig plan voorziet in voldoende vluchtwegen. Daarnaast is het een mogelijkheid dat het bevoegd gezag de burgers, die binnen het invloedsgebied wonend of werkzaam zijn, informeren over de mogelijkheden en onmogelijkheden om zichzelf in veiligheid te brengen bij een eventuele calamiteit. Vanuit het toxische (gifwolk)scenario kan de zelfredzaamheid van personen in het plangebied verbeterd worden door de woningen in het plangebied uit te voeren met een eenvoudig afsluitbaar en/of uitschakelbaar ventilatiesysteem. Door deze maatregel kunnen personen die verblijven in dit object zich tijdelijk onttrekken aan een toxische wolk en veilig schuilen. Deze maatregel zal verder uitgewerkt worden richting de omgevingsvergunningen voor het bouwen.

Advies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio Utrecht heeft van haar adviesmogelijkheid gebruik gemaakt en het volgende geadviseerd: 1 De ‘Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations’ d.d. 14 juni 2016 op te nemen in de diverse onderdelen van de toelichting, regels en verbeelding van het bestemmingsplan. 2 Het verwerken van het toxische (gifwolk)scenario in de toelichting. Ter bevorderen van de zelfredzaamheid zal in de toelichting moeten worden opgenomen dat de gebouwen (woningen en mogelijke bedrijven) uitgevoerd moeten worden met een eenvoudig afsluitbaar en/of uitschakelbaar ventilatiesysteem. Door deze maatregel kunnen personen die verblijven in dit object zich tijdelijk onttrekken aan een toxische wolk en veilig schuilen. Deze maatregel zal als voorwaarde in de omgevingsvergunningen bouw moeten worden opgenomen. 3 Voor het definitief uitwerken van het stedenbouwkundig ontwerp en inrichtingsplan met de afdeling Team Ondersteuning Repressie van de Veiligheidsregio Utrecht in overleg te treden om de bereikbaarheid en bluswatervoorziening in het plangebied te waarborgen. 4 De bewoners via gerichte risicocommunicatie te informeren over de getroffen maatregelen en de handelingsperspectieven bij de diverse scenario’s.

Het advies van de Veiligheidsregio met bijbehorende acties voor het vast te stellen bestemmingsplan en de verdere uitwerking van de plannen is overgenomen en verwerkt. 4.7.3

Conclusie De beschouwde risicobronnen kunnen leiden tot ongevallen die onbeheersbaar kunnen blijken. Voor wat betreft het LPG-tankstation is gebleken dat het groepsrisico

55

maximaal 0,281 maal de oriëntatiewaarde, waardoor een volledige verantwoording is uitgevoerd. De in de risico-inventarisatie genoemde maatregelen ten aanzien van het LPG-tankstation kunnen de effecten van ongevallen mogelijk reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten. Ondanks de reductie van het risico is er altijd sprake van een restrisico. Dit is onvermijdelijk en wordt derhalve acceptabel geacht.

4.8

Water

4.8.1

Regelgeving Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.

56

In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:  Nederland blijft de veiligste delta in de wereld.  Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater.  Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.  Nederland is en blijft een gidsland voor watermanegement.  Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water.

Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Provinciaal beleid In het provinciaal Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 is het waterbeleid van de provincie Utrecht vastgelegd. De provincie draagt met dit beleidsplan bij aan het realiseren van ontwikkelopgaven zoals Veenendaal-oost door in een vroeg stadium kennis en inzichten in te brengen vanuit het bodem-, water- en milieudomein. Bij de uitwerking van het beleid is de focus van de provincie gericht op vier prioriteiten uit de Strategische Agenda: 1. waterveiligheid en wateroverlast; 2. schoon en voldoende oppervlaktewater; 3. ondergrond; 4. leefkwaliteit stedelijk gebied.

Waterschap Vallei en Veluwe Het gebied Veenendaal-oost ligt binnen het beheergebied van Waterschap Vallei en Veluwe.

57

Keur De Keur is een algemene verordening van het waterschap als toetsingskader om de belangen ten taken van het waterschap te waarborgen. De Keur is gebaseerd op de Waterwet en de Waterschapswet (die de organisatie van waterschappen regelt). De verordenende bevoegdheden zijn vormgegeven naar een model van de Unie van Waterschappen. In de Keur staat wat er wel en niet mag in wateren, waterkeringen, bergingsgebieden en ondersteunende kunstwerken (waterstaatswerken) en grondwater. Met die regels beschermt het waterschap de dijken, sloten, waterstanden en grondwaterstanden. Zo mogen bepaalde activiteiten bij wateren en dijken alleen worden uitgevoerd als het waterschap daarvoor een vergunning heeft verleend. Hiermee voorkomen we met elkaar risico's op wateroverlast of gevaren voor de dijken. In bepaalde gevallen gelden algemene regels in plaats van de vergunningplicht. In deze algemene regels worden minder risicovolle activiteiten toegestaan zonder dat er vooraf toestemming hoeft te worden gevraagd aan het waterschap. Wel gelden er meestal voorwaarden en moet er achteraf een melding worden gedaan. Van de waterstaatswerken wordt via een legger de technische norm en geografische begrenzing aangegeven. Waterbeheerprogramma 2016-2021 Het Waterschap Vallei en Veluwe heeft op 30 september 2015 het waterbeheerprogramma vastgesteld onder het motto 'partnerschap als watermerk'.

Het waterbeheerprogramma is bedoeld als een handleiding voor de doelstellingen van het waterschap. De doelstellingen zijn gebaseerd op de strategische doelen uit de Langetermijnvisie van het waterschap, de aanbevelingen uit het klimaatrapport van OESO uit 2014 en de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Het waterschap onderscheidt de drie programma's waterveiligheid, watersysteem en waterketen. Het programma watersysteem is onderverdeeld in landelijk gebied, stedelijk gebied en KRW. De maatregelen zijn op hoofdlijnen uitgewerkt. Hieraan zijn meerjarenramingen gekoppeld voor de reguliere exploitatiekosten en voor investeringen. De verdere uitwerking van de maatregelen volgt de jaarlijkse beleidscyclus, waaronder de vaststelling van de meerjarenbegroting. Het waterschap geeft invulling aan partnerschap door jaarlijks de mogelijke projecten en trajecten te bespreken met de gebiedspartners, zoals de gemeente Veenendaal. Het waterschap ziet 'partnerschap' als onderdeel van de basishouding, om het voorliggende programma beter, effectiever, efficiënter en integraler te kunnen uitvoeren. Grebbedijk Een eventuele doorbraak van de Grebbedijk leidt tot grootschalige overstroming van de Gelderse Vallei, waarbij Veenendaal hard getroffen wordt. Het Waterschap Vallei en Veluwe is beheerder van de Grebbedijk en verantwoordelijk voor het op orde brengen en houden van de dijk.

Ze zorgt dat de dijk voldoet aan de veiligheidsnorm. Het Waterschap is verantwoordelijk voor de formele veiligheidsbeoordeling van de Grebbedijk en opdrachtgever voor de waterveiligheidsopgave. De Grebbedijk staat met hoge prioriteit op het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) 2017-2022 om te zorgen dat de dijk in 2024 voldoet aan de geldende veiligheidsnorm. Op dit moment wordt gewerkt aan een gebiedsontwikkelingstraject waarbij naast dijkversterkings-

58

maatregelen ook wensen worden meegenomen om inrichtingsmaatregelen te treffen rondom doelstellingen in het kader van Natura 2000, Nadere Uitwerking Rivierengebied (NURG) en provinciaal beleid (Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone). 4.8.2

Toetsing In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een waterhuishoudingsplan opge15 steld , waarin het waterhuishoudingssysteem voor ‘Groenpoort’ is beschreven. De belangrijkste resultaten zijn hieronder verwoord, de volledige rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Uitgangspunten De uitgangspunten voor het waterhuishoudingsplan zijn:  ‘Groenpoort’ heeft een totaal oppervlak van 33,4 hectare;  voor de verdeling van het verhard en onverhard oppervlak wordt dezelfde verdeling aangehouden als in 2007. Die betekent dat er is uitgegaan van 13,4 hectare verhard, 18,2 hectare onverhard oppervlak en 1,8 hectare open water;  de totale watercompensatieopgave van Veenendaal-oost is 15,8 hectare. Hiervan is 3,5 hectare gerealiseerd in ‘Buurtstede’en wordt er op dit moment 6,7 hectare gerealiseerd in ‘Veenderij’. De resterende waterberging wordt voor 3,8 hectare gerealiseerd in ‘De Groene Grens’ en voor 1,8 hectare in ‘Groenpoort’;  voor het hele gebied rond ‘Groenpoort’ en ook voor het gebied zelf geldt een maximale afvoer van 3 l/sec/hectare bij T=100;  er wordt uitgegaan van een centrale watergang in ‘Groenpoort’ van noord naar zuid, de zogenaamde Singel. Via deze watergang wordt het water dat afkomstig is uit ‘Groenpoort’ afgevoerd richting ‘Buurtstede’.

Aan het einde van de watergang wordt een nieuwe stuw geplaatst waarmee de peilverschillen tussen ‘Groenpoort’ en ‘Buurtstede’ gehandhaafd worden;  de centrale watergang door Groenpoort’ wordt verbonden aan het watersysteem van ‘Buurtstede’. In ‘Buurtstede’ wordt er een koppeling gemaakt met de waterberging in ‘De Groene Grens’;  ‘Groenpoort’ krijgt – net als de rest van Veenendaal-oost een gescheiden rioolstelsel. Het hemelwaterriool kan worden aangesloten op het oppervlaktewater. Daarnaast spelen ook de groene buffers een zeer belangrijke rol in de waterhuishouding van het plan. Straatwater wordt via een deels oppervlakkig systeem van de verhardingen naar de groene buffers geleid. In de buffers vindt berging en infiltratie plaats middels een systeem van wadi’s en infiltratiezones. Watercompensatie De totale watercompensatieopgave van Veenendaal-oost is bepaald voordat de ontwikkeling van het gebied is begonnen. Tijdens deze fase is besloten om een groot deel van de waterberging te realiseren in het deelplan ‘Veenderij’ en in mindere mate in deelplan ‘Buurtstede’ vanwege de lage ligging en de feit dat door de aanleg van de wijken een deel van de waterberging van de Grift verloren is gegaan. Dit betekent dat de resterende opgave voor ‘Groenpoort’ relatief laag is, slechts 1,8 hectare.

15

Waterhuishoudingsplan Groenpoort, Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V., Projectcode 113870, d.d. 8 januari 2020 59

Watercompensatie wordt gevonden in de aanleg van een singel. Uitgaande van de benodigde watercompensatie van 1,8 hectare, resulteert dit in een watergang van 820 meter lang en 22 meter breed. De singel zoals opgenomen in het stedenbouwkundig plan is minder breed (circa 12 meter), maar niettemin wordt wel voldaan aan de totale eis van 1,8 hectare. Naast de beoogde singel wordt een deel van de berging gecreeerd in wadi’s binnen het plangebied. Drooglegging van circa 1 meter is daarbij het uitgangspunt. Het hemelwater wordt via een vernuftig overloopstelsel afgevoerd met in extreme situatie - een afwatering op de singel. Het langer vasthouden van hemelwater is een belangrijk uitgangspunt. Om de benodigde compenserende maatregelen juridisch-planologisch te waarborgen, is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Effecten van extreme neerslag In het waterhuishoudkundig plan is tevens beoordeeld wat de effecten zijn van extreme neerslag op de waterstanden in het gebied. Op basis hiervan is bepaald welke afmetingen de stuwen aan de noord- en zuidzijde van ‘Groenpoort’ moeten zijn. Deze zijn bepaald op basis van de volgende uitgangspunten:  bij een T=2 bui is de waterstand niet hoger dan 20 cm boven het streefpeil;  bij een T=10 bui is de waterstand niet hoger dan 30 cm boven het streefpeil;  bij een T=100 bui is er geen wateroverlast.

Deze eis sluit aan bij het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), waarbij wordt gesteld dat er geen wateroverlast mag optreden in stedelijke gebieden bij een T=100 bui. Klimaatadaptatie Een van de effecten van klimaatverandering is dat er waarschijnlijk vaker langere periodes zijn van droog en warm weer. Vanwege de ruimtelijke kwaliteit van ‘Groenpoort’, maar ook voor bijvoorbeeld de waterkwaliteit is het wenselijk om tijdens droge periodes water vast te kunnen houden in de openbare ruimte en op uit te geven gebieden. Daarnaast heeft open water ook een beperkte positieve invloed om hittestress tegen te gaan. Derhalve is ervoor gekozen de stuwen een overstorthoogte te geven die 10 cm lager is dan het streefpeil. Gedurende natte omstandigheden leidt dit tot beperkte peilstijgingen, maar dit zorgt ook voor een uitzakking van het peil tijdens droge periodes. Om te voorkomen dat het peil uitzakt kan ervoor gekozen worden om de stuw te verhogen wanneer de afvoer laag is. In deze gevallen is de overstortende straal kleiner dan 10 cm en zakt het peil uit. Wanneer gekozen wordt voor een automatische stuw, is hier geen actief beheer voor nodig. De klep kan dan automatisch omhoog gezet worden wanneer de afvoer laag is. Het verhogen van de klep kan ook handmatig gedaan worden door een extra schotbalk te plaatsten. Dit gebeurt op meer plaatsen binnen het waterschap Vallei en Veluwe.

Door het verhogen van de stuw kan er meer water vastgehouden worden in ‘Groenpoort’, waardoor overlast bij droogte beperkt kan worden. Dit heeft niet alleen een positief effect binnen ‘Groenpoort’. Het is ook voor de natuur in ‘De Groene Grens’ van belang dat droge periode opgevangen kunnen worden. Hiermee wordt schade aan de natuur voorkomen. Om hevige piekbuien beter op te kunnen vangen, kunnen de wegen onder afschot gelegd worden richting het oppervlaktewater. Het water kan dan ook over de wegen afgevoerd worden als de capaciteit van het riool bereikt is. De woonstraten in Groen-

60

poort worden voorzien van brede goten in de as van de weg. Het regenwater wordt waar mogelijk oppervlakkig afgevoerd naar diverse infiltratiegreppels. Ter plekke van de haakse parkeervakken wordt een waterdoorlatende verharding toegepast zodat er zoveel mogelijk water en lucht beschikbaar is voor de beoogde boomstructuur. Het uitgangspunt voor Groenpoort is dat het dakwater van de woningen niet infiltreert op de eigen kavels, maar wordt afgevoerd naar het open water en/of wadi’s. Dit neemt niet weg dat er altijd maatregelen genomen kunnen worden om afstroming van water vanaf particuliere terrein te beperken, bijvoorbeeld door de toepassing van groene daken en infiltratievoorzieningen. 4.8.3

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. In het kader van het wettelijk vooroverleg is het voorliggende bestemmingsplan en waterhuishoudingsplan aan Waterschap Vallei en Veluwe voorgelegd.

4.9

Natuur

4.9.1

Toetsing In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is onderzocht of er - volgens de nu geldende wet- en regelgeving - beschermde natuurwaarden aanwezig zijn in het plangebied. Naast beschermde natuurwaarden in het plangebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur in de nabijheid van het plangebied. Ten behoeve daar16 van is een quick scan Wet natuurbescherming en aanvullend onderzoek naar vaste 17 rust- en verblijfsplaatsen uitgevoerd. Navolgend worden de conclusies van deze onderzoeken beknopt uiteengezet, de volledige rapportages zijn als bijlage bij de toelichting opgenomen. Gebiedsbescherming Het plangebied is gelegen nabij Natura 2000-gebied ‘Binnenveld’, dat zich circa 1.150 meter ten zuiden van het plangebied bevindt. Op grotere afstand zijn de Natura 2000gebieden ‘Veluwe’ (op circa 6 kilometer) en ‘Rijntakken’ (op circa 7,7 kilometer) gelegen. Zodoende is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een onderzoek naar 18 stikstofdepositie uitgevoerd. De emissies als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden bepaald door het toekomstige verkeer van en naar de woningen in het plangebied.

Deze woningen worden niet aangesloten op het gasnet, maar zullen verwarmd worden middels een collectief duurzaam energiesysteem op basis van warmte/koudeopslag in de bodem, gecombineerd met een zogenaamde ‘warmtepomp’ en een ‘warmtekrachtcentrale’.

16 17

18

Quick scan Wnb Groenpoort Veenendaal (concept), Bureau Bleijeveld, 15 oktober 2019. Onderzoek vaste rust- en verblijfsplaatsen Groenpoort Veenendaal, Bureau Bleijeveld, d.d. 21 januari 2021. Memo onderzoek stikstofdepositie bestemmingsplan Groenpoort te Veenendaal, Langelaar milieuadvies, kenmerk: 19111/04, d.d. 13 april 2020. 61

Deze warmtekrachtcentrale stoot uitsluitend waterdamp uit. De beoogde woningen dragen daarom niet bij aan de emissie van stikstof. Uit de stikstofberekening voor de gebruiksfase blijkt dat op verschillende stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied ‘Binnenveld’ een stikstofdepositie plaatsvindt tot maximaal 0,77 mol/ha/jaar. Hierbij worden de kritische depositiewaarden overschreden. De bijdrage in de aanlegfase – dit betreft een tijdelijke stikstofdepositie – bedraagt maximaal 0,20 mol/ha/jaar. De gebruiksfase is zodoende leidend. In het plangebied vinden momenteel diverse agrarische activiteiten plaats, die als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beëindigd zullen worden. De stikstofemissie van deze agrarische activiteiten wordt verrekend met de toekomstige stikstofemissie (interne saldering). Zodoende is een verschilberekening uitgevoerd tussen de referentiesituatie (bestaande situatie) en de gebruiksfase. Deze verschilberekening levert geen verschillen op boven 0,00 mol/ha/jaar. Dit betekent dat de stikstofdepositie in de gebruiksfase per saldo niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar en er dus geen toename is te verwachten. Op de omliggende Natura 2000-gebieden is zelfs sprake van een afname. Voor Binnenveld is een afname berekend van minimaal -0,75 mol/ha/jaar. De maximale afname op één van de relevante hexagonen bedraagt zelfs -3,24 mol/ha/jaar.

Dit is een significante afname. Op grond van de uitgevoerde verschilberekening is door de provincie Utrecht een vergunning op grond van de Wet natuurbe19 scherming verleend. Deze afname is een direct gevolg van het beëindigen van de agrarische activiteiten van het agrarisch bedrijf aan de Dragonderweg 14. Voor de beëindiging van de huidige agrarische activiteiten is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Op deze wijze is de bedrijfsbeëindiging voldoende verzekerd. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Volledigheidshalve wordt wel opgemerkt dat ten oosten van de Dragonderweg het gebied ‘De Groene Grens’ is gelegen. Dit gebied is gelegen in de provincie Gelderland en behoort derhalve tot het Gelders Natuurnetwerk. Soortenbescherming Planten Het plangebied bestaat grotendeels uit reguliere landbouwpercelen en erven die intensief gebruikt worden en voedselrijk zijn. De meer natuurlijke delen van het gebied bestaan uit smalle singels en perceelsloten die sterk beïnvloed zijn door het aangrenzende agrarische gebruik.

In het gebied zijn alleen algemene vegetaties van voedselrijkere milieus aangetroffen. Er zijn geen beschermde plantensoorten gevonden.

19

Provincie Utrecht – Beschikking in het kader van de Wet natuurbescherming – Gebiedsbescherming – woningbouw Groenpoort in Veenendaal, zaakkenmerk Z-WNB-PP-NA-2020-0674, d.d. 5 oktober 2020 62

Zoogdieren In het gebied zijn alleen ree en haas daadwerkelijk waargenomen. Daarnaast zijn sporen van klein zoogdieren gevonden in de vorm van holen en uitwerpselen. In het gebied zijn alleen algemene soorten te verwachten waarvoor een algemene vrijstelling van de Wnb geldt in geval van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de strenger beschermde kleine diersoorten voldoet het terrein niet als leefgebied of deze soorten zijn niet bekend in de regio. Van de overige zoogdieren zijn naast haas en ree, kleine marterachtigen en vos te verwachten. Voor deze soorten geldt ook een algemene vrijstelling. Een deel van de aanwezige gebouwen zijn in potentie geschikt als verblijfplaats voor de steenmarter. Tijdens de inspecties zijn geen steenmarters of sporen van gebruik gevonden. De afwezigheid van deze soort wordt ondersteund door het feit dat op Dragonderweg 10 kippen werden gehouden die dag en nacht los rondliepen. Ook broeden hier in de schuren een steenuil en holenduiven. Deze situatie zou bij aanwezigheid van steenmarters niet mogelijk zijn. Vleermuizen Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich in holten van bomen en besloten of donkere ruimten van kunstwerken, zoals gebouwen. De bomen in het gebied zijn te jong of in te goede staat om geschikt te zijn als verblijfplaats. De bebouwing is deels geschikt als verblijfplaats met name de aanwezige woningen.

Zodoende is een vleermuisonderzoek uitgevoerd. Uit de resultaten van het vleermuisonderzoek blijkt dat er tijdens de veldbezoeken geen in- of uitvliegende dieren zijn waargenomen. Ook zijn er geen andere aanwijzingen gevonden voor vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in de aanwezige bebouwing. Wel zijn er twee vliegroutes vastgesteld, waarvan er één vrij intensief gebruikt wordt. Deze is parallel aan de Buurtlaan Oost gelegen, aan de noordzijde van het plangebied. Daarnaast wordt het plangebied (zeer) beperkt gebruikt als foerageergebied. Gelet op de aanwezige vliegroutes en potentieel foerageergebied is een activiteiten20 plan opgesteld, dat als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. Op grond van het activiteitenplan dient te zijner tijd een ontheffing van de Wnb te worden aangevraagd. Vogels De sloop van de bestaande bebouwing kan leiden tot verstoring, aantasting of vernieling van rust- of voortplantingsplaatsen van vogels. Van een aantal vogelsoorten is het nest jaarrond beschermd, dus ook buiten het broedseizoen. Het gaat bijvoorbeeld om soorten die niet zelf hun nest bouwen, maar voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van menselijke bebouwing, soorten die jarenlang dezelfde locatie gebruiken of soorten die het nest ook buiten de broedperiode gebruiken. In het plangebied zijn allerlei algemene vogelsoorten van bos, struweel en ruigte aanwezig.

De opgaande begroeiing is grotendeels ongeschikt voor soorten met een vaste nestplaats vanwege de beperkte ouderdom van de bomen. In de oudere bomen in het gebied zijn geen grotere nesten waargenomen die duiden op horsten en dergelijke. Tijdens de veldbezoeken is (meermaals) een broedende ooievaar vastgesteld in een

20

Activiteitenplan Groenpoort Veenendaal-oost, Bureau Bleijerveld, d.d. 2 december 2020. 63

mast ten westen van de Dragonderweg 10. In 2020 zijn er drie jonge ooievaars uitgevlogen. Verder is in de voortuin van de Dragonderweg 12 een steenuil aangetroffen. Deze heeft een nestplaats op het erf van nummer 10. Tijdens het huismusonderzoek in 2020 verbleef een steenuil nabij een gat op het dak van het meest oostelijke bijgebouw. Er is vanuit gegaan dat het nest zich hier bevond. Er is daarom geen specifiek veldonderzoek naar steenuil gedaan. De te slopen gebouwen van de overige adressen zijn niet geschikt als nestplaats voor steenuil. In het gebied is verder de aanwezigheid van de huismus vastgesteld. Tijdens het muismussenonderzoek zijn op de erven van de Dragonderweg en bij Buurtlaan Oost 84 huismussen waargenomen. Nestindicerend gedrag is waargenomen bij Dragonderweg 8, 12, 14 en 16. In totaal ging het om circa tien paren waarvan circa zes paren bij huisnummer 16. Bij de te slopen bebouwing zijn echter geen nestplaatsen vastgesteld. Bij de wooncluster Buurtlaan Oost 84-88 is de aanwezigheid van de huismus wel vastgesteld, maar is geen nestindicerend gedrag waargenomen. De vogels bleken hier te foerageren op kippenvoer en vlogen over de provinciale weg heen-en-weer naar de woonwijk ten westen van de weg. Gelet op het voorgaande is voor de ooievaar en steenuil een activiteitenplan opgesteld, dat als bijlage bij deze toelichting is opgenomen.

Op grond van het activiteitenplan dient te zijner tijd een ontheffing van de Wnb te worden aangevraagd. Daarnaast moet in het plangebied – met name in opgaande begroeiing en gebouwen – rekening worden gehouden met algemene broedvogels. Bij het slopen van gebouwen en het rooien van begroeiing is verstoring van broedsels en sterfte een mogelijk effect, hetgeen in strijd is met de Wnb. Derhalve dienen dergelijke ingrepen buiten het broedseizoen plaats te vinden, tenzij een controle uitwijst dat geen broedsels aanwezig zijn. De piek van het broedseizoen beslaat de periode van 15 maart tot 15 juli, maar eerdere en vooral latere broedgevallen zijn mogelijk. In de periode van 15 augustus tot 15 maart is de kans op broedgevallen gering. Tot slot is jaren geleden een oeverzwaluwwand in het plangebied aangelegd. Deze is echter al jaren niet meer in gebruik omdat er geen onderhoud meer wordt uitgevoerd. De oude zand-leemlaag moet jaarlijks verwijderd worden, waarna de gaten weer opnieuw worden gevuld met zand, zodat de zwaluw een nest kunnen graven. Inmiddels is er een alternatieve oeverzwaluwwand geplaatst in de Groene Grens. De in het plangebied aanwezige wand wordt in het kader van het bouwrijp maken gesloopt c.q. verwijderd. Amfibieën Alle soorten amfibieën zijn in meer of mindere mate beschermd. Tijdens het veldbezoek zijn alleen bastaardkikkers waargenomen.

Verder zijn alleen de algemene, lichtbeschermde soorten te verwachten zoals bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Voor de genoemde soorten geldt een algemene vrijstelling van de Wnb in geval van ruimtelijke ontwikkelingen.

64

Ten oosten van het plangebied komt de poelkikker voor en ten zuiden van Veenendaal-oost de heikikker. Beide soorten zijn strikt beschermd volgens het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn. Met name de poelkikker is niet geheel uit te sluiten vanwege de nabijheid van een populatie. De aanwezigheid van de heikikker is niet waarschijnlijk vanwege de relatief grote afstand tot het plangebied. In het voorjaar van 2019 is een e-DNAonderzoek uitgevoerd naar de heikikker in het de sloten en plassen in het plangebied. De resultaten hiervan waren negatief. Om de aanwezigheid van de poelkikker in het voorliggende plangebied uit te sluiten is aanvullend onderzoek uitgevoerd. Tijdens de drie uitgevoerde veldbezoeken zijn geen poelkikkers waargenomen in de aanwezige potentieel geschikte water- en landbiotopen in het plangebied. Ook zijn geen waarnemingen gedaan van roepende mannetjes. Dit laatste terwijl er op de inventarisatiedata elders in Nederland wel kooractiviteit van poelkikker is waargenomen. Reptielen Alle soorten reptielen zijn in meer of mindere mate beschermd. Het gebied is tot op zekere hoogte geschikt als leefgebied voor ringslang maar in het gebied is geen populatie van deze soort bekend. Voor de overige soorten reptielen vormt het plangebied geen geschikt leefgebied. Vissen Van het gebied ten oosten van Veenendaal is bekend dat de grote modderkruiper er voorkomt.

Deze soort is in eerdere ontwikkelingsfasen gevonden in vergelijkbaar sloten. Zodoende is in het voorjaar van 2019 een eDNA-onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de grote modderkruiper in sloten en plassen in het plangebied. In één van de watermonsters (nr. 21891) is een lage concentratie eDNA aangetoond. Dit duidt op een kleine populatie grote modderkruipers, maar de populatiegrootte is niet exact te bepalen via de eDNA-methode. Dit neemt niet weg dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling het leefgebied van deze soort verloren gaat en er mogelijk sterfte optreedt, hetgeen in strijd is met de Wnb. Gelet op het voorgaande is voor de grote modderkruiper een activiteitenplan opgesteld, dat als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. Op grond van het activiteitenplan dient te zijner tijd een ontheffing van de Wnb te worden aangevraagd. Ongewervelden De beschermde soorten ongewervelden zijn gebonden aan zeer specifieke habitats. Deze komen in het plangebied niet voor. Derhalve is de aanwezigheid van deze soortgroep uitgesloten. 4.9.2

Conclusie Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Wel is het plangebied op relatief korte afstand van het Natura 2000-gebied ‘Binnenveld’ gelegen. Op grotere afstand bevinden zich de Natura 2000-gebieden ‘Veluwe’ en ‘Rijntakken’. Uit de uitgevoerde stikstofberekeningen blijkt dat als gevolg van het beëindigen van de agrarische activiteiten in het plangebied voor zowel de aanleg- als

65

gebruiksfase sprake is van een afname van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Op grond van de uitgevoerde verschilberekening is door de provincie Utrecht een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming verleend. Soortenbescherming In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn diverse ecologische onderzoeken uitgevoerd. Daarbij zijn de volgende beschermde soorten aangetroffen:

Naar aanleiding van de aangetroffen beschermde soorten is een activiteitenplan opgesteld. Op grond van dit activiteitenplan dient te zijner tijd een ontheffing van de Wnb te worden aangevraagd. De beoogde werkzaamheden mogen niet starten zonder ontheffing, tenzij de betreffende werkzaamheden niet van invloed zijn op de hiervoor genoemde vliegroutes, foerageer- en leefgebieden en/of vaste verblijfsplaatsen.

4.10

Verkeer en parkeren

4.10.1

Verkeer Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling is ingeschat met behulp van het regionale verkeersmodel van de provincie Utrecht. Dit verkeersmodel is opgesteld en toegepast voor de beoogde verbreding van de N233 (Rondweg Oost). Uit dit verkeersmodel blijkt dat de totale verkeersgeneratie - als gevolg van de ontwikkeling van 970 woningen in Groenpoort - 6.713 motorvoertuigen per gemiddelde weekdag bedraagt, ofwel circa 6,9 motorvoertuigbewegingen per woning per etmaal. Dit sluit aan bij de cijfers die het CROW hanteert voor de gemiddelde verkeersgeneratie van woningen. Ontsluiting Inmiddels is duidelijk dat de provincie Utrecht voorbereidingen treft voor de verbreding van de N233 (Rondweg Oost) naar 2 x 2 rijbanen. Door de beoogde verbreding van de provinciale weg ontstaat de mogelijkheid ‘Groenpoort’ rechtstreeks op de Rondweg Oost (N233) te ontsluiten, waardoor het verkeer snel en eenvoudig kan worden afgewikkeld. Met de provincie Utrecht is overeengekomen dat deze directe aansluiting op de provinciale weg sowieso zal worden gerealiseerd, ook als de verbreding van de N233 naar 2 x 2 rijbanen onverhoopt geen doorgang kan vinden. Deze directe aansluiting kan gerealiseerd worden op grond van het geldende juridisch-planologische

66

kader voor de N233. De (verbrede) Rondweg Oost beschikt over voldoende capaciteit om de extra verkeersbewegingen te verwerken. In de toekomstige situatie zal het verkeer van en naar het voorliggend plangebied grotendeels worden afgewikkeld via de hoofdontsluiting van Groenpoort op de (verbrede) rondweg. Het plangebied wordt secundair ontsloten op de Buurtlaan Oost, maar de verwachte verkeersintensiteiten op deze ontsluitingsweg zijn aanzienlijk lager. 4.10.2

Parkeren In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een advies met betrekking tot mobili21 teit en parkeren opgesteld . Dit onderzoek is enerzijds gebaseerd op de kencijfers van de CROW richtlijnen (ASVV 2012, landelijke norm) en anderzijds op de ervaringen die zijn opgedaan in het aangrenzende deelplan ‘Buurtstede’, dat een vergelijkbaar woningaanbod kent. De resultaten zijn samengevat in een beknopte notitie, die als bijlage bij de toelichting is opgenomen. Voor het voorliggende plangebied worden de volgende parkeernormen gehanteerd: Woningtype

Parkeernormen

bezoekersparkeren

Vrijstaand

1,7 per woning

0,3 per woning

Geschakeld Twee-aaneengebouwd (twee- onder-één kap woning) Aaneengebouwd (rijwoning)

1,5 per woning

Nultredenwoningen Gestapeld – koop (appartement) Gestapeld – vrij sector huur (appartement)

1,3 per woning

Gestapeld – sociale huur (appartement)

1,2 per woning

Tabel 4.1: parkeernormen woongebied Groenpoort

Voor bezoekers van woningen dient - van de hierboven aangegeven aantallen parkeerplaatsen per woning - minimaal 0,3 parkeerplaats per woning in de openbare ruimte te worden gerealiseerd. De voornoemde parkeernormen zijn recentelijk opgenomen in het parkeernormenbeleid van de gemeente Veenendaal. Hoeveel parkeerplaatsen specifiek nodig zijn wordt bepaald door het woningtype. Voor ieder woningtype geldt immers een andere parkeernorm. De toekomstige parkeerbehoefte binnen deelplan ‘Groenpoort’ is dan ook afhankelijk van het definitieve programma en de stedenbouwkundige uitwerking. Omdat de definitieve uitwerking van het woongebied op onderdelen nog kan wijzigen, is in de (algemene) regels van dit bestemmingsplan een dynamische verwijzing naar het gemeentelijke parkeernormenbeleid opgenomen. Daarmee is de realisatie van voldoende parkeergelegenheid te allen tijde gewaarborgd. Indien er ten behoeve van de woningen parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd, dienen deze ook na ingebruikname van de woning(en) in stand te worden

21

Mobiliteit en parkeren Groenpoort, Goudappel Coffeng, projectnr: 05445.20190116R1.01. 67

gehouden. Hiervoor is in de regels een specifieke regeling opgenomen. Het doel van deze regeling is te voorkomen dat parkeerplaatsen op eigen terrein na verloop van tijd voor andere doeleinden worden gebruikt en de parkeerdruk op de openbare ruimte wordt afgewenteld. Fietsparkeren Voor woningen geldt dat een berging op eigen terrein gerealiseerd dient te worden 2 met een oppervlakte van tenminste 5 m . Bij gestapelde woningbouw is er een keuze tussen een berging op de begane grond per woning, een gezamenlijke fietsenstalling in het gebouw of een mix van beide. In het geval van een gezamenlijke fietsenstalling gelden de kencijfers van de CROW als fietsparkeernorm. De parkeernormen voor fietsparkeren zijn gewaarborgd in het gemeentelijk parkeernormenbeleid. In de (algemene) regels van dit bestemmingsplan is een dynamische verwijzing naar het gemeentelijke parkeernormenbeleid opgenomen. Daarmee is de realisatie van voldoende parkeergelegenheid voor fietsen te allen tijde gewaarborgd. 4.10.3

Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.11

Explosieven Voorliggend plangebied is lange tijd onderdeel geweest van de Grebbelinie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben er dan ook diverse gevechtshandelingen in het plangebied plaatsgevonden. Omdat in het kader van de voorgenomen ontwikkeling grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd, is het raadzaam onderzoek te doen naar de eventuele aanwezigheid van niet gesprongen c.q. conventionele explosieven in het plangebied.

4.11.1

Toetsing De gemeente Veenendaal heeft voor het hele grondgebied van de gemeente in kaart gebracht wat de situatie is omtrent Conventionele Explosieven (CE). In de navolgende uitsnede uit de overzichtskaart van verdachte gebieden is het plangebied globaal rood aangeduid. Hieruit blijkt dat het grootste deel van het plangebied verdacht is op het voorkomen van Duitse en/of Engelse geschutmunitie.

68

Afbeelding 4.8: uitsnede overzichtskaart CE (gemeente Veenendaal)

4.11.2

Conclusie Gelet op de resultaten die volgen uit de overzichtskaart dient bij bodemverstorende werkzaamheden in het oostelijk deel van het plangebied rekening te worden gehouden met het aantreffen van CE. Voorafgaand aan de grondwerkzaamheden dient de eventuele aanwezigheid van CE aanvullend onderzocht te worden, bijvoorbeeld middels een detectieonderzoek. Voor het overige (onverdachte) deel van het plangebied wordt geadviseerd voorafgaand aan toekomstige werkzaamheden, de betreffende aannemers(s) te instrueren hoe te handelen bij het onverwacht aantreffen van CE. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een protocol toevalsvondsten.

4.12

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.12.1

Regelgeving Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen, een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk om na te gaan of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EUrichtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag

69

duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. 4.12.2

Toetsing De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een activiteit genoemd onder D.11.2 (stedelijke ontwikkelingen) van de bijlage behorend bij het Besluit milieueffectrapportage. De bouw van maximaal 970 woningen kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, maar blijft onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling heeft plaatsgevonden en is verwoord in een afzon22 derlijke rapportage , die als bijlage bij de toelichting is opgenomen. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Alleen wat betreft natuur (soortenbescherming) is een beperkt negatief milieueffect niet uit te sluiten, maar dit is niet te kwalificeren als een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-procedure is daarom niet nodig.

4.12.3

Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiele effecten, zullen er geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Er zijn geen ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken een m.e.r.-procedure te volgen.

22

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Veenendaal-oost, deelplan Groenpoort, SAB, kenmerk: 190582, d.d. 3 februari 2021. 70

5 5.1

Juridische toelichting Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012 en de Wabo. Daarnaast is zoveel mogelijk aangesloten bij de bestemmingsplannen voor de deelplannen ‘Buurtstede’ en ‘Veenderij’, alsmede het bestemmingsplan ‘Parapluplan 2020’. Opzet bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling van het voorliggende plangebied tot woongebied wordt gefaseerd ontwikkeld en gerealiseerd.

Doordat marktomstandigheden en/of inzichten kunnen veranderen en de architectonische ontwerpen en het inrichtingsplan nog nader uitgewerkt moeten worden, is een grote mate van flexibiliteit gedurende het ontwikkelingstraject gewenst. Bovendien kan zo beter ingespeeld worden op specifieke wensen vanuit de toekomstige bewoners of eventuele doelgroepen. Het toekomstige woongebied is voorzien van een globale eindbestemming. Op grond van deze bestemming geldt een rechtstreekse bouwtitel. De globale eindbestemming is inhoudelijk gestoeld op het stedenbouwkundig plan, maar biedt de nodige flexibiliteit. Omdat het een nog te realiseren woongebied betreft en de exacte situering en vorm van de woningen nog niet bekend is, zijn ruimere bouwmogelijkheden opgenomen dan voor de bestaande woningen aan de Dragonderweg het geval is. Door deze opzet wordt de gewenste flexibiliteit gedurende het ontwikkelingstraject gecreëerd.

5.2

Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uit71

leg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.3

Bestemmingsregels

5.3.1

Opbouw bestemmingen Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals ‘Wonen’ en ‘Woongebied’. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan burgemeester en wethouders ten aanzien van bepaalde bouwregels. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die vormen van gebruik waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de bestemmingsomschrijving.

Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.

5.3.2

Bestemmingen In deze paragraaf zijn de feitelijk in het plan voorkomende bestemmingen beschreven. Per bestemming is kort toegelicht welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Agrarisch - Manege De bestaande manege aan de Dragonderweg 6 is voorzien van de bestemming ‘Agrarisch - Manege. Het voornemen bestaat de gronden van de manege te betrekken in de ontwikkeling van Groenpoort. Omdat de betreffende gronden nog niet zijn aangekocht door het ontwikkelingsbedrijf en de bestaande situatie (een manege) niet voor de tweede keer onder het overgangsrecht geplaatst mag worden, is besloten de bestaande situatie conserverend te bestemmen. Daarbij wordt teruggegrepen op het

72

voorgaande bestemmingsplan ‘Agrarisch buitengebied’ van de gemeente Ede (d.d. 4 juli 1994). De gronden met de bestemming ‘Agrarisch - Manege’ zijn bestemd voor een paardenhouderij, manege en ondergeschikte horeca. Ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ is tevens de bestaande bedrijfswoning toegestaan. Een mestopslag is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch mestopslag. Verder zijn de gronden mede bestemd voor parkeer- en stallingsvoorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Het bouwen van gebouwen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met dien verstande dat de goot- en bouwhoogte niet meer mag bedragen dan aangegeven op de verbeelding. Voor de bedrijfswoning en daarbij behorende bouwwerken is een specifieke bebouwingsregeling opgenomen. Buiten het bouwvlak mogen geen gebouwen worden gebouwd. Wel mogen er bouwwerken, geen gebouw zijnde worden opgericht, mits voldaan wordt aan de gestelde maatvoeringseisen. Rijbakken mogen uitsluitend worden aangelegd ter plaatse van de aanduiding ‘rijbak’. Groen Aan de zuidoostzijde van het plangebied zijn gronden bestemd als ‘Groen’. Hier zijn onder meer groenvoorzieningen, watervoorzieningen, voetpaden, ontsluitingsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen en hondenuitlaatvoorzieningen toegestaan.

Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde worden opgericht. Hiervoor zijn regels met betrekking tot de maximum bouwhoogte opgenomen. Verkeer Aan de noord- en westzijde van het plangebied is een smalle strook parallel aan de provinciale weg (N233) en Buurtlaan-Oost voorzien van de bestemming ‘Verkeer’. Deze gronden zijn onder meer bestemd voor voorzieningen ten behoeve van wegverkeer, infrastructuur, geluidwerende voorzieningen en nutsvoorzieningen. Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde worden opgericht, waaronder in ieder geval begrepen geluidbeperkende voorzieningen. Voor een geluidbeperkende voorziening geldt een maximum bouwhoogte van 8 meter. Wonen De te handhaven woningen aan de Dragonderweg zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen’. Deze woningen zijn voorzien van een gedetailleerde eindbestemming, die de bestaande situatie vastlegt. De gronden met de bestemming ‘Wonen’ zijn bestemd voor wonen, alsmede een beroep of bedrijf aan huis. Het hoofdgebouw (de woning) dient binnen het bouwvlak gebouwd te worden, in de naar de weg gekeerde bouwgrens. De maximum goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw is vastgelegd op de verbeelding. Bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding ‘erf’ gebouwd worden. Erkers en luifels vormen hierop een uitzonde-

73

ring, deze mogen ook aan de voorzijde van het hoofdgebouw worden gebouwd. Voor wat betreft de maatvoering van bijbehorende bouwwerken is aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Parapluplan 2020’, waarmee voor heel Veenendaal een eenduidige regeling geldt. Woongebied Bestemmingsomschrijving Het toekomstige woongebied ‘Groenpoort’ is voorzien van de eindbestemming 'Woongebied'. Deze bestemming heeft een (zeer) globaal karakter en bevat derhalve veel flexibiliteit. Dit is wenselijk, omdat de bouwplannen voor het nieuwe woongebied nog niet tot in detail zijn uitgewerkt. Zo is bijvoorbeeld de exacte situering van de nieuwe woningen nog niet bepaald. Het stedenbouwkundige plan heeft als uitgangspunt gediend voor de inhoudelijke bepalingen van de bestemming 'Woongebied'. Binnen de bestemming ‘Woongebied’ zijn de gronden bestemd voor wonen (waaronder mede begrepen een beroep of bedrijf aan huis), verkeersvoorzieningen in de vorm van wegen, fiets- en voetpaden, parkeer- en stallingsvoorzieningen, nutsvoorzieningen, speel- en groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en geluidbeperkende voorzieningen. In aanvulling daarop is de hoofdontsluitingsstructuur van Groenpoort op de verbeelding verankerd middels de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van verkeer - singel’ en ‘ontsluiting’.

Ter plaatse van de eerstgenoemde aanduiding zijn de gronden bestemd voor een singel, (ontsluitings)weg en langzaam verkeersroute. De hoofdontsluitingswegen vanaf de singel op de N233 en Buurtlaan Oost zijn voorzien van de aanduiding ‘ontsluiting’. De begrenzing van beide aanduidingen biedt enige ruimte om te schuiven, mocht daar bij de definitieve uitwerking van het stedenbouwkundig plan aanleiding toe bestaan. De beoogde groene buffers in het woongebied zijn eveneens verankerd in de regels. Ter plaatse van de aanduidingen ‘specifieke vorm van groen - groene buffer 1’ en ‘specifieke vorm van groen - groene buffer 2’ zijn de gronden bestemd voor een aaneengesloten groenvoorziening met een minimale oppervlakte van respectievelijk 12.500 m² en 15.000 m². Programma Binnen de bestemming ‘Woongebied’ mogen maximaal 970 nieuwe woningen worden gebouwd. Om de nodige flexibiliteit te behouden, is het woningbouwprogramma niet in een keurslijf gegoten. Dat betekent dat binnen de bestemming 'Woongebied' zowel grondgebonden als gestapelde woningen kunnen worden gebouwd. Om te voorkomen dat een eenzijdig aanbod van woningen tot stand komt, is per woningtype een maximum aantal woningen vastgelegd.

Voor de ontwikkeling van Groenpoort geldt dat:  het aantal sociale huurwoningen tenminste 20% van het totale aantal woningen bedraagt;  het aantal sociale koopwoningen tenminste 10% van het totale aantal woningen bedraagt;  het aantal gestapelde woningen niet meer mag bedragen dan 270;  het aantal vrijstaande woningen niet meer mag bedragen dan 120;  het aantal twee-aaneengebouwde woningen niet meer mag bedragen dan 240;  het aantal aaneengebouwde woningen niet meer mag bedragen dan 500.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11112427/1