3.c. Vaststelling bestemmingsplan Groenpoort - toelichting
Tekst van het document
Omgevingsvisie 2030 De raad van de gemeente Veenendaal heeft op 17 december 2020 ingestemd met de definitieve Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie 2030 is een plan op hoofdlijnen dat alle strategische beleidsplannen zal vervangen die gaan over de fysieke leefomgeving, zoals het milieubeleidsplan, het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan en de structuurvisie. De inhoud van de Strategische Visie 2040, die de gemeenteraad in 2017 vaststelde, is de basis geweest voor de omgevingsvisie. De Omgevingsvisie zet in op een koerswijziging van kwantiteit naar kwaliteit: beter en slimmer inrichten van de leefomgeving met gebruik van innovatie, kennis en creativiteit. Bij ieder initiatief moeten afwegingen worden gemaakt. Voor Veenendaal staan hierbij de principes gezondheid, duurzaamheid en veiligheid voorop. Voor nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving wordt in de Omgevingsvisie 2030 het volgende afwegingskader gegeven: 1 Ruimtelijke ontwikkelingen moeten een bijdrage leveren aan een Gezonde, Duurzame en Veilige leefomgeving. Elke nieuwe ontwikkeling is een kans om hier aan bij te dragen. Zo zal ook de gewenste groei van Veenendaal moeten bijdragen aan deze doelen. 2 We kiezen voor meervoudig boven enkelvoudig ruimtegebruik, zodat de beperkte ruimte optimaal wordt benut. 3 We voorkomen dat negatieve gevolgen van ontwikkelingen afgewenteld worden op de omgeving.
We beoordelen ruimtelijke ontwikkelingen integraal en in relatie tot de omgeving. Daarnaast bevat de Omgevingsvisie 2030 specifieke opgaven en doelstellingen voor de thema's Gezond duurzaam en veilig, Bouwen en wonen, Groen natuur en water,
27
Mobiliteit, Economie, Milieu, en er worden aanvullende opgaven en doelstellingen voor het centrum gegeven. Toetsing De ontwikkeling van deelplan ‘Groenpoort’ is opgenomen in de Omgevingsvisie als grootste woningbouwproject in de gemeente. De opgave is dat bouwen bijdraagt aan een gezond, duurzaam en veilig Veenendaal. Onder bouwen wordt niet alleen het neerzetten van gebouwen verstaan, maar ruimtelijke ontwikkelingen in de breedste zin van het woord: groen, cultuur, voorzieningen, ruimtelijke kwaliteit. Zowel in het plangebied zelf, alsmede in de overgang tussen de deelplannen ‘Groenpoort’ en ‘Buurtstede’, is ruimte voor groen voorzien. Het stedenbouwkundig plan voorziet in een tweetal groene buffers, die het plangebied van oost naar west doorkruisen. De totstandkoming van deze groenzones - met een gezamenlijke oppervlakte van bijna 3 hectare - is verankerd in de regels van dit bestemmingsplan. De gemeente heeft in de Omgevingsvisie het doel gesteld om een doordachte mix van grondgebonden en gestapelde bebouwing te realiseren. Uitgangspunt daarbij is een variatie en mix aan woonvormen en woningtypen. Door deze mix kan gebouwd worden voor diverse doelgroepen en wordt het gewenste woningaanbod bereikt. Hogere bebouwing is echter niet overal even wenselijk en is uitsluitend toelaatbaar als dit wezenlijk bijdraagt aan de identiteit, herkenbaarheid en oriëntatie in en van de stad.
Voorliggend bestemmingsplan staat gestapelde woningen tot maximaal 20 meter toe (5 tot 6 bouwlagen met (half-)verdiept parkeren), wat passend is bij het groenstedelijke woonmilieu dat wordt beoogd. Aan de noord- en westrand van het plangebied worden daarnaast grondgebonden woningen tot 12 meter toegestaan (drie tot vier bouwlagen). De eerstelijns bebouwing langs de Rondweg Oost (N233) en Buurtlaan Oost vervult namelijk een belangrijke geluidreducerende functie voor de rest van het woongebied. Een hogere bouwhoogte wordt hier daarom acceptabel geacht. Om aantrekkelijke woonwijken te realiseren streeft de gemeente onder meer de volgende ambities na: werken aan een levensloopbestendige inrichting van de woonwijken; in elke woonwijk een passend woningaanbod creëren; een passend aanbod van sociale en commerciële voorzieningen in de wijken; in alle wijken voldoende groen, water en speelplaatsen bieden; versterken van de eigenheid van de stad en haar wijken; Met de voorgenomen ontwikkeling van ‘Groenpoort’ wordt hier op passende wijze invulling aan gegeven. Het beoogde woongebied wordt gekenmerkt door een zeer divers woningaanbod, dat bereikbaar is voor alle doelgroepen (zowel hoge als lage inkomens, jong en oud). Daarnaast wordt ‘Groenpoort’ gekenmerkt door een ontspannen stedenbouwkundige opzet, met veel ruimte voor groen, ontmoeten en verblijven.
Ook is sprake van een fijnmazig netwerk voor langzaam verkeer, dat aansluit op het bestaande fietsnetwerk en de aangrenzende woongebieden. Daarmee zijn ook de maatschappelijke en commerciële voorzieningen in deelplan ‘Buurtstede’ binnen handbereik. Gelet op het voorgaande is het bestemmingsplan in overeenstemming met de gemeentelijke Omgevingsvisie.
28
3.4.3
Woonvisie Veenendaal 2014-2019 In de woonvisie is de gemeentelijke visie en ambitie op het gebied van wonen beschreven. De gemeente Veenendaal streeft naar een aantrekkelijke leefstad met een passende woningvoorraad. Daarbij hoort een actieve gemeente die blijft inspelen op de dynamiek en behoeften van haar woningmarkt. De gemeentelijke zorg op het gebied van wonen strekt zich vooral uit tot de doelgroepen in de markt die niet aan geschikte woonruimte kunnen komen, en tot het aantrekken van dynamische woonmilieus. De woningmarkt in Veenendaal zorgt zelf voor evenwicht in vraag en aanbod. De gemeente richt zich in de uitvoering vooral op de 3 speerpunten van deze Woonvisie. De gemeenteraad van Veenendaal heeft in 2020 besloten dat de woonvisie geldig blijft tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Ten aanzien van Veenendaal-oost wordt in de woonvisie concreet uitgesproken dat het karakter van het programma zoveel mogelijk gemengd moet blijven, zodat een brede doelgroep wordt aangesproken en ook inwoners van buiten Veenendaal kunnen worden aangetrokken. Toetsing Het functionele programma van ‘Groenpoort’ is met de mix aan gestapelde en diverse typen grondgebonden woningen in zowel de huur- (sociaal en vrije sector) als koopsector gemengd te noemen. Ook is in ‘Groenpoort’ aandacht voor een levensloopbestendig karakter van een deel van de woningen.
Met deze aspecten wordt een bijdrage geleverd aan het realiseren van de doelstellingen behorende bij de speerpunten uit de woonvisie.
3.4.4
Welstandsnota 2017 Het welstandsbeleid van de gemeente Veenendaal is opgesteld vanuit de overtuiging dat het belang van een aantrekkelijke gebouwde omgeving behartigd dient te worden. Door het ontwikkelen van beleidsregels voor de welstandsadvisering zet de gemeente haar visie op het ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de rol van de welstandszorg daarin uiteen. De Welstandsnota 2017 vormt het toetsingskader voor alle aanvragen omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen'. In het kader van de welstandsnota is vooral de relatie tussen bestemmingsplan en welstandscriteria van belang. Het bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken voor zover dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening. Datgene dat door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, kan niet door welstandscriteria worden tegengehouden. De architectonische vormgeving van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt exclusief door de welstandsnota geregeld. Welstandscriteria kunnen waar nodig de ruimte die het bestemmingsplan biedt dus invullen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. Het welstandsadvies kan zich dan richten op de gekozen invulling binnen het bestemmingsplan. In een situatie waarin een bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, maar het bestemmingsplan eveneens
29
ruimte biedt voor alternatieven, kan een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen stedenbouwkundige of architectonische oplossing te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving van het betreffende gebied. Uiteraard moet in zo'n geval de welstandsnota daartoe de argumentatie leveren. Toetsing Voor de ontwikkeling van deelplan ‘Groenpoort’ wordt een beeldkwaliteitplan opgesteld, dat te zijner tijd als onderdeel van de welstandsnota zal worden vastgesteld. Toekomstige bouwplannen binnen het voorliggende plangebied worden bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen getoetst aan het beeldkwaliteitplan. 3.4.5
Conclusie Het plan past binnen het gemeentelijke beleid.
30
4
Onderzoek Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van het verrichte onderzoek naar relevante feiten en belangenafweging (artikel 3.2. Algemene wet bestuursrecht).
4.1
Cultuurhistorie en archeologie
4.1.1
Regelgeving Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. De Erfgoedwet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Het streven is het belang van erfgoed tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Gemeentelijk beleid Archeologie Aanleiding voor het opstellen van een gemeentelijk archeologiebeleid is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) die op 1 september 2007 in werking is getreden. Sindsdien zijn gemeenten verplicht bij het vaststellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen rekening te houden met het behoud van belangrijke archeologische waarden.
De gemeente Veenendaal heeft in 2010 voor het hele grondgebied van Veenendaal onderzoek gedaan naar de kans op aanwezigheid van archeologische resten. Nadien zijn diverse archeologische onderzoeken binnen de gemeente uitgevoerd en zijn er nieuwe bronnen beschikbaar die relevant zijn voor de archeologische verwachting. Daarom is de archeologische beleidskaart uit 2010 recentelijk geactualiseerd en heeft er een verfijning plaatsgevonden van het verwachtingenmodel. Het resultaat hiervan is een archeologische beleidskaart en bijbehorende archeologienota, zoals door het college vastgesteld op 11 december 2018. De archeologische beleidskaart is vertaald naar dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan ‘Parapluplan 2020’. Op de geactualiseerde kaart is het thema militair erfgoed opgenomen. Deze laag bevat een verwachting voor archeologische resten uit de Tweede Wereldoorlog, maar e e ook ouder militair erfgoed uit de 18 en 19 eeuw. Hierbij moet gedacht worden aan de forten, werkkampen, bunkers, kazematten, tankversperringen, loopgraven, stellingen en een antitankgracht. 31
Cultuurhistorie In 2018 heeft de gemeente Veenendaal een cultuurhistorische waardenkaart opgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit een kenmerkenkaart voor de disciplines ‘landschap’ en ‘gebouwde omgeving’, waardenkaarten voor het landschap en de aanwezige bouwkunst, een viertal themakaarten en een integrale ensemblekaart, waarop de gebieden die staan die – samen met de sectorale landschappelijke en gebouwde kaarten – het palet aan cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Veenendaal laten zien. De thema’s waarop in het bijzonder ingezoomd is, zijn vervening, industrie, religie en militair erfgoed. Deze vier thema’s vormen immers een belangrijk deel van het ‘verhaal van Veenendaal’, waarvan in wisselende hoeveelheden ook nog relicten in het huidige Veenendaal – ondergronds, landschappelijk of gebouwd – terug te vinden zijn. 4.1.2
Toetsing Archeologie In het kader van het voorgaande bestemmingsplan ‘Veenendaal-Oost’ uit 2006 heeft reeds onderzoek plaatsgevonden in het voorliggende plangebied. Zodoende is het voorliggende plangebied in de (geactualiseerde) archeologische beleidskaart en bijbehorende archeologienota van de gemeente Veenendaal (d.d. 11 december 2018) aangemerkt als een gebied dat is vrijgesteld van onderzoek. Om deze reden is in het bestemmingsplan ‘Parapluplan 2020’ ook geen archeologische dubbelbestemming aan het plangebied toegekend. Gelet op het voorgaande is het uitvoeren van archeologisch onderzoek in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet nodig.
4.1.3
Cultuurhistorie e
Het plangebied is vanaf het midden van de 18 eeuw tot in de Tweede Wereldoorlog onderdeel geweest van (het inundatiegebied van) de Grebbelinie en behoorde tot de meest zuidelijke inundatiekom. Kenmerkend voor inundatiegebieden zijn de landschappelijke openheid, een relatief lage ligging en een vlak karakter. Deze eigenschappen zijn in het plangebied nog goed herkenbaar. Het inundatiegebied strekte zich buiten het plangebied uit in oostelijke richting tot aan De Kade (gemeente Ede). In de Tweede Wereldoorlog bevonden zich enkele stellingen in het plangebied. Deze zijn heden ten dage niet meer herkenbaar c.q. aanwezig. De Grebbelinie is in 1951 opgeheven en bovendien niet meer herkenbaar in het voorliggende plangebied. Voor het overige is het plangebied aangemerkt als een relatief laag gelegen cultuurlandschap (veenlandschap). De Buurtlaan Oost is aangemerkt als een historische route van vóór 1832, gelegen op een dwarskade. Deze weg – voorheen bekend onder de naam Buursteeg – vormde de verbinding tussen de Boveneindsche Grift en Ede. Het westelijk deel is later aangelegd (als weg), maar waarschijnlijk was er al een waterverbinding (vóór 1545). De Buurtlaan Oost is net buiten het voorliggende plangebied gelegen. Met dit bestemmingsplan wordt geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische waarde van deze weg.
32
Tot slot is de laanbeplanting langs de Spitsbergenweg aangemerkt als historisch groenelement. Deze wordt waar mogelijk behouden. In het plangebied zijn geen monumenten aanwezig.
Afbeelding 4.1: uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (kenmerken landschap) van de gemeente Veenendaal
4.1.4
Conclusie De aspecten cultuurhistorie en archeologie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.2
Bodem
4.2.1
Regelgeving In het kader van een planprocedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de gewenste ontwikkeling. In dit geval de functie wonen. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Volgens het Bro zullen burgemeester en wethouders in verband met de uitvoerbaarheid van het plan onder meer een onderzoek (laten) verrichten naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op daarvoor geschikte gronden te worden gerealiseerd.
33
Wet bodembescherming De Wet Bodembescherming bevat de voorwaarden die kunnen en worden verbonden aan het verrichten van handelingen in of op de bodem. De wet is primair gericht op bescherming en sanering van grond en grondwater. De Wet bodembescherming geeft onder andere aan wanneer er sprake is van ‘een geval van ernstige bodemverontreiniging’ en of er dan ook gesaneerd moet worden. Deze beoordeling is mede afhankelijk van het (beoogde) gebruik van de locatie. De gevallen van ernstige bodemverontreinigingen zijn door de Gemeente Veenendaal in beeld gebracht. Aansluitend wordt beoordeeld wat hiermee moet gebeuren. Nadat er is gesaneerd, kunnen er restverontreinigingen aanwezig zijn met eventuele gebruiksbeperkingen. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is te voorkomen dat de bodem (grond en grondwater) en het oppervlaktewater verontreinigd worden door het gebruik van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Daarnaast wordt gestreefd naar hergebruik van grondstoffen, zodat minder materiaal wordt gestort en minder nieuwe grondstoffen hoeven te worden gewonnen. In het besluit zijn regels opgenomen over kwaliteitsborging, bouwstoffen, grond en baggerspecie. Bij de uitgangspunten voor Veenendaal-oost wordt er, na sanering van de ernstige gevallen en aanpak van lokale afwijkingen, van uitgegaan dat binnen het plan sprake is van vrij grondverzet.
Dit kan plaatsvinden onder de actuele Bodemkwaliteitskaart. Op de bodemkwaliteitskaart (Bron: Omgevingsdienst, 2015) is het plangebied voor zowel de boven- als de ondergrond gekwalificeerd als kwaliteit "landbouw/natuur". 4.2.2
Toetsing Om de actuele bodemkwaliteit vast te stellen en ernstige bodemverontreinigingen uit te sluiten is voor alle percelen binnen het plangebied een geactualiseerd bodemonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek wordt stapsgewijs uitgevoerd volgens een door 4 het bevoegd gezag alom geaccepteerde en beproefde onderzoekssystematiek . Historisch onderzoek Als eerste stap heeft het Ontwikkelingsbedrijf Veenendaal-oost in 2019 voor het deelplan ‘Groenpoort’ een historisch onderzoek laten uitvoeren. Het doel van het historisch vooronderzoek (HO) is vast te stellen of er verdachte locaties voor bodemverontreiniging in het gebied voorkomen en of oriënterend of specifiek onderzoek noodzakelijk is. Het betreft de inventarisatie en identificatie van ‘bodembedreigende activiteiten’ die in dit oude agrarische gebied hebben plaatsgevonden. Gedoeld wordt op bijvoorbeeld gedempte sloten, oude stortgaten, (asbesthoudende) puinverhardingen, ophogingen, oude brandstoftanks en procesmatige activiteiten waarbij bodembedreigende stoffen zijn gebruikt. Kortom, situaties waarbij mogelijk een bodemverontreiniging is ontstaan.
4
NEN5725 – vooronderzoek / NEN5740 - verkennend bodemonderzoek 34
5
Het historisch onderzoek - dat als bijlage 2 bij de toelichting is opgenomen - bestond uit het raadplegen van beschikbare archieven, het verzamelen en samenvatten van (verouderde) bodemonderzoeken, het bestuderen van historisch en huidig kaartmateriaal en interpretatie van luchtfoto’s. Het onderzoek beschrijft de potentiële verontreinigingslocaties en vormt de basis voor de aansluitend uitgevoerde verkennende bodemonderzoeken. Bij het historisch onderzoek zijn voor de aspecten archeologie en explosieven geen aanvullende aanwijzingen verkregen dan al uit de bekende informatie kan worden opgemaakt. Verkennend en aanvullend bodemonderzoek In aansluiting op het historisch onderzoek is in 2019 voor de meeste percelen een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd. Het bodemonderzoek is gericht op het vaststellen van de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen. Voor de onverdachte percelen is een standaard verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Voor de meer 6 verdachte locaties is een aanvullend onderzoek uitgevoerd . Het plangebied is onderzocht in circa 20 deellocaties. Binnen een aantal deellocaties is naast het verkennend bodemonderzoek ook een aanvullend en/of afperkend onderzoek uitgevoerd. Over het algemeen is het plangebied in de bovengrond maximaal licht verontreinigd, met zware metalen (kobalt, koper, kwik, lood, zink), PCB, minerale olie en/of PAK.
Plaatselijk is een kleine spot met matige verontreiniging met zink aangetoond. De ondergrond is maximaal licht verontreinigd, met zware metalen (cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, zink) en PAK. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met zware metalen (barium, cadmium, koper, zink, nikkel), benzeen en naftaleen aanwezig. Plaatselijk is een kleine spot met matige verontreiniging met nikkel aangetoond. Dit is zeer waarschijnlijk van nature verhoogd. Ook zijn in enkele dammen binnen het plangebied plaatselijk matige en sterke verhogingen aangetroffen, die te wijten zijn aan de puinbijmengingen in de dammen. Omdat de verontreinigingen duidelijk samenhangen met de dam en diens samenstelling, is nader onderzoek hier niet zinvol. De dammen worden te zijner tijd separaat ontgraven. Naast deze licht tot zeer plaatselijk matige verontreinigingen in de bodem zijn er ook enkele (vermoedelijke) gevallen van ernstige bodemverontreiniging in het kader van de Wbb vastgesteld. Dit gaat om de volgende gevallen: Perceel K-4079: plaatselijk restverontreinigingen met asbest boven interventiewaarden in de bovengrond. Percelen K-4109 en K-4381: plaatselijk asbestresten boven interventiewaarden in de bovengrond en asbest in drupzones boven interventiewaarden. Perceel K-4110: PAK en asbest in de bovengrond boven interventiewaarden.
Perceel K-4111: asbest in drupzones bij gootlijnen boven interventiewaarden.
5
Bodemkwaliteitsplan Groenpoort, Peninsula, R01-1708, d.d. 20 januari 2021.
6
Verkennende en aanvullende bodemonderzoeken en asbest in bodemonderzoeken van 20 deellocaties binnen plangebied Groenpoort in Veenendaal Oost (door Peninsula / PJ Milieu BV en door PJ Milieu BV, in 2019 en 2020) 35
Perceel K-4107: (sloop-)asbest op het maaiveld en in de bovengrond boven interventiewaarden.
Gezien de beperkte omvang van de verontreinigingen in verhouding tot het plangebied zal dit niet leiden tot belemmeringen in de uitvoerbaarheid. Er is een Bodemkwaliteitsplan voor Groenpoort gemaakt waarin is beschreven op welke wijze wordt omgegaan met de aangetroffen verontreinigingen en sanerende maatregelen (zoals BUS meldingen voor de gevallen van ernstige bodemverontreiniging Wbb), in samenhang met de fasering van het bouwrijp maken van het plangebied. Ook is in het Bodemkwaliteitsplan aandacht voor hoe er wordt omgegaan met (te) veel (puin)bijmengingen en met onverwachts aangetroffen toevalsvondsten van verontreiniging. Aangeraden wordt om de saneringslocaties conform het Bodemkwaliteitsplan op te pakken, zodat de belemmeringen daadwerkelijk uitgesloten kunnen worden. Samengevat wordt geregeld dat de aangetoonde ‘ernstige gevallen van bodemverontreiniging’ worden gesaneerd en uitgangspunten voor onvoorziene situaties worden vastgelegd. Voor de overige verdachte delen, zoals bijvoorbeeld de kleinere puinhoudende toegangsdammen, halfverhardingen en lichtverontreinigde spots, wordt het ‘Plan van aanpak bodemkwaliteit Groenpoort’ gevolgd. Het plan van aanpak zal gelden voor de duur van de ontwikkeling van het deelplan ‘Groenpoort’.
Doel is verdachte spots en puinconcentraties zoveel mogelijk uit het gebied te verwijderen en zo het gehele gebied geschikt te maken voor de functie wonen. Beleidsontwikkelingen, PFAS en ZZS Omgevingswet In het kader van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal het bevoegd gezag voor de bodemkwaliteit met ingang van 1 juli 2022 worden overgedragen van de Provincie aan de gemeente Veenendaal. PFAS en andere Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) Met betrekking tot PFAS zijn binnen het ontwikkelingsgebied Veenendaal-oost inmiddels diverse resultaten voor PFAS in boven- en ondergrond verzameld. Tot op heden zijn ook geen grote afwijkingen aangetoond. Vooralsnog is er in de directe nabijheid geen specifieke verontreinigingsbron voor deze stoffen bekend en er is derhalve geen reden grote afwijkingen van achtergrondwaarde PFAS te verwachten. Tot nader orde is geen aanleiding af te wijken van de aanwijzingen uit het Tijdelijk Handelingskader 7 PFAS (THK) . Nieuwe ontwikkelingen rond PFAS en andere Zeer Zorgwekkende Stoffen zullen in samenhang met de landelijke ontwikkelingen en de aanwijzingen van het bevoegd gezag worden beoordeeld en opgevolgd.
7
Aanpassing tijdelijk handelingskader PFAS, Ministerie IenW/BSK-2019/251123 dd. 29-nov2019. 36
4.2.3
Conclusie Begin 2020 is van het overgrote deel van deelplan ‘Groenpoort’ een actueel verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Op basis van deze onderzoeken blijkt dat de bodemkwaliteit veelal voldoet aan de eisen voor het gebruik overeenkomstig de beoogde bestemming (wonen). In de nu aanwezige waterbodems in de sloten en watergangen zijn geen relevante verontreinigingen aangetoond. Ook bij de onderzochte slootdempingen zijn geen relevante verontreinigingen aangetroffen. Er zijn enkele situaties bekend waarbij sprake is van een ‘ernstig geval van bodemverontreiniging’ als bedoeld in de Wet Bodembescherming. Deze locaties worden gesaneerd. Verder is verspreid over het plangebied een aantal kleinere verdachte situaties aangetroffen waarbij het ongewenst is dat deze zich door het gebied verspreiden. Het betreft met name kleinere spots met puinresten, (half)verhardingsmateriaal en plaatselijk bijmenging van asbest-resten. Hoewel er geen chemische verontreinigingen zijn aangetoond, is de aanwezigheid van deze verontreinigingen niet wenselijk. In het ‘Plan van aanpak Bodemkwaliteit Groenpoort’ is uitgewerkt hoe met deze en vergelijkbare situaties wordt omgegaan. De algehele bodemkwaliteit van het gebied voldoet aan, of is beter dan, de beoogde doelstelling, klasse wonen.
Het is mogelijk dat tijdens het bouwrijp maken van het plangebied niet-aangetoonde bodemverontreinigingen worden aangetroffen. Indien onvoorziene verontreinigingen worden aangetroffen, worden deze aangepakt volgens het ‘Plan van aanpak Bodemkwaliteit Groenpoort’. Voor het deel van het plangebied dat nog niet is onderzocht wordt geen afwijkende bodemkwaliteit verwacht. Mochten hier onverhoopt bodemverontreinigingen worden aangetroffen, dan is het bodemkwaliteitsplan ook geschikt de eventueel aangetroffen bodemverontreinigingen aan te pakken. Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De saneringskosten worden ten laste gebracht van de Grondexploitatie Veenendaal-oost waarmee de financiële haalbaarheid van zowel het gehele woningbouwplan als specifiek van de saneringen in voldoende mate is aangetoond.
4.3
Geluid
4.3.1
Regelgeving De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het plan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterrein. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of de geluidbelasting binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De voor37
keursgrenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. Voor spoorweglawaai bedraagt de voorkeursgrenswaarde 55 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van haar eigen beleid en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. 4.3.2
Toetsing Deelplan 'Groenpoort' is het meest geluidsbelaste deel van Veenendaal-Oost. De geluidsbelasting van het wegverkeer wordt bepaald door de Rijksweg A12 aan de noordzijde, de Rondweg-Oost aan de westzijde, alsmede de Buurtlaan Oost, de aansluiting 'Groenpoort' en de planinterne (30 km/uur-)wegen. Zodoende is een akoes8 tisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd, dat als bijlage bij de toelichting is opgenomen. De voornaamste resultaten worden navolgend besproken. Uitgangspunt voor het akoestisch onderzoek is de meest recente verkaveling voor het plangebied. Daarnaast is ervan uitgegaan dat de Rondweg-Oost wordt verbreed naar 2x2-rijstroken, de wettelijke maximum snelheid wordt verlaagd naar 70 km/uur en langs de weg geluidsschermen worden geplaatst van circa 5 meter hoog. Op de weg zal het geluidsreducerende wegdek type SMA NL8 G+ worden toegepast. Resultaten De geluidsbelasting van de rijksweg A12 op de woningen aan de noordzijde van 'Groenpoort' overschrijdt de norm. Zonder het treffen van maatregelen wordt in enkele gevallen de maximale ontheffingswaarde overschreden. Dit is met name het geval op het niveau van bouwlaag 3 of hoger, maar ook voor een aantal woningen/appartementen op het niveau van bouwlaag 2. Het treffen van geluidsbeperkende maatregelen (geluidsschermen) langs de Rijksweg A12 is niet doelmatig.
Aanbevolen wordt om, waar nodig, toepassing te geven aan benodigde dove geveldelen en voor de normoverschrijding ontheffing van hogere grenswaarden aan te vragen. Maatwerk is hierbij vereist en in overleg met de gemeente/ODRU vergt dit mogelijk nader onderzoek en bouwkundige voorzieningen aan de betreffende woningen. De geluidsbelasting langs de Rondweg-Oost overschrijdt de norm van de woningen van de eerste lijnsbebouwing. Daarnaast is sprake van norm- en grenswaardeoverschrijding ter plaatse van de aansluiting 'Groenpoort' en ter hoogte van het tankstation. Voor deze normoverschrijding(en) is ontheffing van een hogere grenswaarde nodig. In enkele gevallen is een nodigde toepassing van dove geveldelen niet ondenkbaar. De grondgebonden woningen beschikken op bouwlaag 1 en 2 grotendeels over een geluidsluwe (achter)gevel. Bij de appartementengebouwen langs de Rondweg-Oost is aandacht nodig voor deze voorwaarde en ook voor enkele woningen langs de zuidzijde van de aansluiting 'Groenpoort'. Langs de Buurtlaan Oost treedt normoverschrijding op bij de woningen van de eerste lijnsbebouwing langs de weg. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Bij het appartementengebouw aan de noordwestzijde van het plan 8
Akoestisch onderzoek wegverkeer Groenpoort, Buro dB, RPT21180106-04, d.d. 22 maart 2021 38
wordt de grenswaarde van 58 dB wel overschreden. Voor de woningen met normoverschrijding is ontheffing van een hogere grenswaarde nodig. Bij deze woningen dient nader te worden aangetoond dat wordt voorzien in voldoende geluidwerende gevels. Daarbij dient te worden uitgegaan van de gecumuleerde geluidsbelasting van het wegverkeer. De geluidsbelasting van de Buurtlaan Oost is nauw verbonden aan de geluidsbelasting van het verkeer op de Rijksweg A12. Dit geeft een extra motivatie waarom het plaatsen van geluidsafscherming langs de Rijksweg A12 voor de woningen van 'Groenpoort' niet doelmatig is. Langs de nieuwe aansluiting van 'Groenpoort' (50 km/uur-weg) is bij enkele woningen/appartementen van het plan ook sprake van normoverschrijding. Ontheffing van een hogere grenswaarde voor de betreffende woningen is nodig en mogelijk. Daarbij is aandacht nodig voor de benodigde aanwezigheid van een geluidsluwe gevel. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de (combinatie van de) geluidsbelasting van de Rondweg-Oost. Voor een aantal woningen langs de planinterne 30 km/uur-wegen is sprake van een geluidsbelasting hoger dan 55 dB (zonder correctie) ten gevolge van deze wegen. Aanbevolen wordt om bij deze woningen te voorzien in voldoende geluidwering van de (voor)gevels. Hiermee is een acceptabel woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners geborgd.
De tuinen van deze woningen zijn allemaal gelegen aan de achterzijde (van de weg af). Daarmee is in alle gevallen sprake van de aanwezigheid van een geluidsluwe zijde en buitenruimte. Bij circa 85% van de woningen/gevels van het plan is sprake van een maximale (gecumuleerde) geluidsbelasting van 55 dB en daarmee van een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat. Op het niveau van bouwlaag 3 van de woningen van het plan is veelal geen sprake van een aanwezige geluidsluwe zijde. Voor de aanmerking van een acceptabel woonen leefklimaat is dit geen probleem. Het verblijven in de woningen gebeurt voornamelijk op de begane grond en op de eerste verdieping. Op de zolderverdieping is veelal sprake van een onbenoemde of opbergruimte. Het is van belang om bij elk van de woningen te voorzien in voldoende geluidwering van de gevels. Daarmee wordt een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat in de woningen geborgd. Voor een aantal woningen van het plan is ontheffing van een hogere grenswaarde nodig. Het betreft circa 324 grondgebonden woningen waarvan circa 229 verschillende adressen. Daarnaast betreft het 3 verschillende appartementengebouwen van het plan. Bij 19 grondgebonden woningen en 1 appartementengebouw is de toepassing van een dove gevel noodzakelijk.
Met het aantal benodigde ontheffingen voor 'Groenpoort' komt het totale aantal benodigde ontheffingen voor geheel Veenendaal-Oost uit op circa 16%. Hiermee wordt niet voldaan aan de gestelde inspanningsverplichting van maximaal 15%. Met het uitgevoerde akoestisch onderzoek is echter aangetoond dat het treffen van (aanvullende) geluidsbeperkende voorzieningen niet doelmatig is. In de stedenbouwkundige opzet van het plan is het beperken van het geluid voor een optimaal akoestisch woon- en leefklimaat als uitgangspunt gehanteerd. De geringe overschrijding (slechts 1%) van 39
het aantal maximaal gewenste ontheffingen van hogere grenswaarden is daarmee gerechtvaardigd. Aanbevolen wordt om voor het plan algemene ontheffing hogere grenswaarden te verlenen met een bepaald maximum (budget), voor in totaal 350 woningen. Het is namelijk niet uitgesloten dat het stedenbouwkundig plan in de loop der jaren op onderdelen nog wijzigt. Een zekere marge is derhalve gewenst. Het totale aantal ontheffingen voor Veenendaal-Oost komt daarmee uit op 17%. Belangrijk aandachtspunt bij het nadere ontwerp en invulling van deelplan 'Groenpoort' is verder de aanwezigheid van geluidsluwe zijden/geveldelen. Met name bij drie van de in het plan opgenomen appartementengebouwen is het creëren van een geluidsluwe zijde aandachtspunt. Bij woningen waar op gangbare wijze niet (goed) kan worden voorzien in een geluidsluwe gevel, kunnen gebouwgebonden maatregelen oplossing bieden en de realisatie van de woningen toch mogelijk maken. Bouwtechnisch gezien zijn hiervoor verschillende toepassingen en mogelijkheden. 4.3.3
Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel dient voor 350 woningen een hogere waarden te worden verleend. Het ontwerpbesluit Hogere Waarden wordt gelijktijdig met het voorliggende ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd en is als bijlage bij de regels is opgenomen. Omdat dit bestemmingsplan een globale eindbestemming bevat en de exacte situering van de woningen nog kan wijzigen (ten opzichte van het meest recente stedenbouwkundig plan), is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Daarin is bepaald dat wanneer de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden, voldaan moet worden aan de voorwaarden in het Besluit Hogere Waarden (dat als bijlage bij de regels is opgenomen).
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Regelgeving De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO 2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5 (zeer fijn stof). Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan.
40
Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.
Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. 4.4.2
Toetsing Voorliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal 970 woningen en maakt onderdeel uit van uitbreidingswijk Veenendaal-oost. Voor de ontwikkeling van deze wijk 9 is een onderzoek naar luchtkwaliteit uitgevoerd . De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder beknopt verwoord, de volledige rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat langs de ontsluitende wegen van het plangebied en binnen het plangebied, in de onderzochte situaties wordt voldaan aan de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5. Hiermee voldoet het plan aan de milieukwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en staat het aspect luchtkwaliteit niet in de weg aan het voorliggende bestemmingsplan.
9
Bestemmingsplan Veenendaal Oost onderzoek luchtkwaliteit, Sweco, 17 mei 2016 41
Zoals blijkt uit de bovenstaande tabellen bedraagt de jaargemiddelde concentratie 3 3 NO2 maximaal 29 µg/m , voor PM10 bedraagt dit maximaal 24 µg/m . In beide gevallen 3 wordt de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m niet overschreden. De jaarge3 middelde concentratie PM2,5 bedraagt maximaal 15 µg/m en is daarmee ruimschoots 3 lager dan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m . Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen of stabiliseren, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Uit de NSL monitoringsviewer blijkt dat ter hoogte van het plangebied de verwachte jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in 2030 respectievelijk 18, 17 en 9,5 3 µg/m bedragen. Dit is exclusief de voorgenomen planontwikkeling, maar wel ruim3 schoots lager dan de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m voor NO2 en PM10 3 en 25 µg/m voor PM2,5. Deze jaargemiddelde grenswaarden zullen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling nimmer overschreden worden. 4.4.3
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.5
Bedrijven en milieuzonering
4.5.1
Regelgeving Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie.
42
Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is 10 de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. 4.5.2
Toetsing Situatie ontwikkelingslocatie De ontwikkellocatie ligt buiten de bebouwde kom van Veenendaal, maar zal in de toekomstige situatie tot de bebouwde kom gaan behoren. Het plangebied is gesitueerd in de oksel van twee (boven)regionale wegen; de provinciale weg N233 en de Rijksweg A12. Tevens bevinden zich diverse hinderveroorzakende functies in de directe omgeving van het plangebied. Dit tezamen maakt dat de noord- en westrand van het plangebied, alsmede een deel van de zuidelijke rand getypeerd kunnen worden als een ‘gemengd gebied’. Het gaat hierbij alleen om de eerstelijns bebouwing. Dit betekent dat bij de beoordeling van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ de richtafstanden uit de VNG-publicatie met één afstandsstap kunnen worden verlaagd (met uitzondering voor het aspect ‘gevaar’). Voor het overige deel van het plangebied geldt dat sprake is van een rustig woongebied. Hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van woningen. ‘Wonen’ betreft geen hinder veroorzakende functie. Dit betekent dat er geen nadere toetsing naar de woningen noodzakelijk is. Hinder van bedrijvigheid op de ontwikkeling Naast de hinder die een ontwikkeling zelf kan veroorzaken, dient ook onderzocht te worden of de beoogde ontwikkeling zelf hinder kan ondervinden van hinder veroorzakende functies uit de omgeving.
Woningen moeten worden aangeduid als milieuhindergevoelig. Aangezien er in de omgeving van het plangebied op grond van de geldende bestemmingsplannen diverse hinder veroorzakende functies gevestigd c.q. mogelijk zijn, heeft een inventarisatie plaatsgevonden. De navolgende afbeelding geeft de nabij gelegen niet-woonfuncties globaal weer.
10
VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’, 2009. 43
11
In een separate notitie zijn de omliggende hinderveroorzakende functies getoetst aan de indicatieve richtafstanden uit de VNG-publicatie ‘bedrijven en milieuzonering’. De belangrijkste conclusies zijn hieronder beschreven, de volledige rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen.
Afbeelding 4.2: overzicht van de aanwezige inrichting rondom het plangebied, dat rood is omkaderd.
Op basis van de quick scan bedrijven en milieuzonering die heeft plaatsgevonden kan worden geconcludeerd dat voor een aantal omliggende inrichtingen niet voldaan kan worden aan de richtafstanden van de VNG-publicatie ‘bedrijven en milieuzonering’. Dit geldt in ieder geval voor de benzinestations aan de Rondweg Oost 11 en 12, de sporthal aan de Spiesheem 54, de (pluim)veehouderij aan de Buurtlaan Oost 169 en het uitoefenen van agrarische nevenactiviteiten aan de Dragonderweg 3. Rondweg Oost 12 en Spiesheem 54 Voor het benzinestation aan de Rondweg Oost 12 en de sporthal aan de Spiesheem 54 is geluid het maatgevende aspect. Vooralsnog zijn er geen woningen binnen de hindercontour van deze inrichtingen geprojecteerd. Derhalve wordt een akoestisch onderzoek naar inrichtingslawaai op dit moment niet nodig geacht. Volledigheidshalve is op de verbeelding de gebiedsaanduiding ‘milieuzone - geluid' opgenomen. Ter
11
Quick scan bedrijven en milieuzonering Veenendaal – Oost deelplan Groenpoort, SAB, Projectnummer: 190582, d.d. 14 juli 2021. 44
plaatse van deze aanduiding mogen geen woningen en andere voor bewoning bestemde bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. Voorliggend bestemmingsplan bevat een afwijkingsbevoegdheid waarmee kan worden afgeweken van de voornoemde gebiedsaanduiding, op voorwaarde dat uit een akoestisch onderzoek blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in voldoende mate gewaarborgd is en de omliggende functies niet onevenredig worden belemmerd. Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat er op basis van het meest recente stedenbouwkundig plan geen woningen binnen de ‘milieuzone – geluid’ zijn geprojecteerd. Rondweg Oost 11 Voor het benzinestation aan de Rondweg Oost 11 is uitsluitend het aspect ‘gevaar’ van belang. Uit een separaat onderzoek naar externe veiligheid blijkt dat er sprake is van enig restrisico. Dit wordt echter acceptabel geacht. In de paragraaf externe veiligheid (paragraaf 4.7) komt dit uitgebreider aan bod. Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen. Buurtlaan Oost 169 Voor de (pluim)veehouderij aan de Buurtlaan Oost 169 geldt dat aanvullend onderzoek naar de aspecten geluid (30 m) en geur (100 m) noodzakelijk is. Voor het aspect geur wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 4.6 van deze toelichting, waar het aspect geur uitgebreid aan bod komt.
Voor het aspect geluid heeft (nog) geen akoestisch onderzoek plaatsgevonden, omdat nog niet duidelijk is waar de beoogde woningen exact worden gesitueerd. Groenpoort wordt gefaseerd ontwikkeld vanuit het zuiden, waardoor het op dit moment niet zinvol wordt geacht een akoestisch onderzoek naar inrichtingslawaai uit te voeren. Bovendien vinden er in de huidige situatie slechts zeer beperkt activiteiten plaats op het perceel Buurtlaan Oost 169, waardoor er naar verwachting ook geen sprake is van geluidhinder richting de omgeving. Als gevolg van de (pluim)veehouderij aan de Buurtlaan Oost 169 zijn op de verbeelding twee milieuzones opgenomen: ‘milieuzone - geur 1’ en ‘milieuzone - geluid'. Ter plaatse van deze aanduidingen mogen respectievelijk geen geur- en geluidgevoelige objecten (woningen) worden gebouwd. Hiervan kan met een afwijkingsbevoegdheid worden afgeweken, op voorwaarde dat de bedrijfsmatige activiteiten van het agrarisch bedrijf beëindigd zijn, respectievelijk een akoestisch onderzoek naar inrichtingslawaai is uitgevoerd waaruit blijkt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dragonderweg 3 Aan de Dragonderweg 3 mogen op grond van het geldende bestemmingsplan agrarische nevenactiviteiten worden uitgeoefend. Op het perceel bevindt zich een vervallen agrarische schuur, waarvan het dak is ingestort.
In het verleden is voor dit perceel een milieuvergunning afgegeven (d.d. 30 juni 1987), maar van deze vergunning wordt al geruime tijd geen gebruik meer gemaakt. In 2016 heeft de laatste controle plaatsgevonden, de betreffende bebouwing stond toen al leeg. Dat is thans onveranderd. De huidige bewoners zijn inmiddels op leeftijd en voornemens de vervallen schuur op korte termijn te amoveren. Het is derhalve niet aannemelijk dat de milieuvergunning uit 1987 nog benut zal worden. Bovendien gaat het slechts om agrarische nevenactivitei-
45
ten, waardoor het niet mogelijk is ter plaatse een volwaardig agrarisch bedrijf te exploiteren. Aanvullend onderzoek wordt derhalve niet nodig geacht. Overig Voor alle andere inrichtingen in de omgeving van het plangebied geldt dat voldaan wordt aan de indicatieve richtafstanden van de VNG. De betreffende inrichtingen worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Evenmin leiden de inrichtingen tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van de beoogde woningen. Energiehuis 12 Voor het beoogde energiehuis in het plangebied is akoestisch onderzoek om te kunnen onderzoeken hoe een goed woon- en leefklimaat van de beoogde woningen kan worden gewaarborgd. Uit het onderzoek volgt dat met het treffen van maatregelen voldaan kan worden aan de wettelijke geluidsnormen en daarmee sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. In de regels van dit bestemmingsplan zijn regels opgenomen dat het energiehuis uitsluitend in gebruik genomen kan worden dan nadat de benodigde maatregelen zijn getroffen en in stand worden gehouden. 4.5.3
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6
Geur
4.6.1
Regelgeving Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: 1. voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object; 2. voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Op basis van de wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geldt voor geurgevoelige objecten gelegen in bebouwde kom een minimaal aan te houden afstand van 100 meter tot veehouderijbedrijven Voor geurgevoelige objecten gelegen buiten bebouwde kom geldt een minimale afstand van 50 meter vanaf de gevel van een dierenverblijf tot de gevel van een woning. Deze gevel tot gevel afstand geldt zowel voor dieren met geuremissie als dieren zonder geuremissie. Met gemeentelijk geurbeleid vastgesteld op basis van artikel 6 van de Wgv kunnen andere afstanden van toepassing zijn. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. 12
DWA (2021). Geluidemissie Energiecentrale. Kenmerk: 19440SDAO2813848. 23 september 2021. 46
Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: 1. de geurbelasting wordt bepaald; 2. de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). 4.6.2
Toetsing De in het plan beoogde woningen zijn aan te merken als geurgevoelig objecten. Het plangebied is in de toekomstige situatie binnen de bebouwde kom gelegen, waardoor een minimaal aan te houden afstand van 100 meter geldt. Het plangebied is gelegen op de grens tussen de provincies Utrecht en Gelderland. Op basis van het I-GO Veehouderijen (Web-BVB) van de provincie Gelderland zijn in een straal van twee kilometer 52 veehouderijen met OU-dieren gelegen. In het voorliggende plangebied bevindt zich een manege aan de Dragonderweg 6, alsmede twee voormalige veehouderijen aan de Dragonderweg 10 en 14. Laatstgenoemde bedrijven zijn aangekocht door het Ontwikkelingsbedrijf Veenendaal-Oost (OVO) en worden (of zijn reeds) beëindigd. De manege is nog in bedrijf. Daarnaast is er in de nabijheid van het plangebied één veehouderij gelegen in de provincie Utrecht. Dit betreft het agrarisch bedrijf aan de Buurtlaan Oost 169, direct ten noorden van het plangebied. Deze veehouderij heeft sinds 17 maart 1992 een vergunning voor het houden van 35 vleeskoeien, 72 stuks jongvee en 8.700 legkippen. De vleeskoeien en jongvee zijn VA-dieren. Voor hen geldt een vaste afstand van 100 meter tot de gevels van de geurgevoelige objecten binnen het plangebied. Aan deze afstand kan niet worden voldaan. Legkippen zijn daarnaast OU-dieren.
Tot slot is het perceel Dragonder 3 – direct ten oosten van het plangebied – bestemd voor agrarische nevenactiviteiten. Op het perceel bevindt zich een vervallen agrarische schuur, waarvan sinds 2015 het dak verval vertoont en in 2017 het dak is ingestort. In het verleden is voor dit perceel een milieuvergunning afgegeven (d.d. 30 juni 1987), maar van deze vergunning wordt al geruime tijd geen gebruik meer gemaakt. In 2016 heeft de laatste controle plaatsgevonden, de betreffende bebouwing stond toen al leeg. Dat is thans onveranderd. De huidige bewoners zijn inmiddels op leeftijd en voornemens de vervallen schuur op korte termijn te amoveren. Het is derhalve niet aannemelijk dat de milieuvergunning uit 1987 nog benut zal worden. Bovendien gaat het slechts om agrarische nevenactiviteiten, waardoor het niet mogelijk is ter plaatse een volwaardig agrarisch bedrijf te exploiteren. Onderzoek naar geur wordt derhalve niet nodig geacht.
47
Om nader inzicht te krijgen in de geurbelasting van de manege aan de Dragonderweg 6 en de veehouderij aan de Buurtlaan Oost 169 op het plangebied heeft een berekening naar de voorgrondgeurbelasting plaatsgevonden. Aangezien er rondom het plangebied meerdere veehouderijen met OU-dieren gelegen zijn, is tevens aanvullend onderzoek naar de achtergrondgeurbelasting uitgevoerd. De resultaten van het 13 geuronderzoek worden navolgend besproken, de volledige rapportage van het onderzoek is als bijlage 5 bij de toelichting opgenomen. Geuronderzoek Buurtlaan Oost 169 Uit het geuronderzoek blijkt dat de geuremissie in de huidige situatie (op basis van het aantal aanwezige dieren) dusdanig klein is dat deze geen rol speelt. In dat kader zou het bouwen van woningen binnen het plangebied niet leiden tot een overschrijding van de geurnorm. Voor de milieurechten van de veehouderij is echter de milieuvergunning leidend. Op 3 basis van deze milieuvergunning is sprake van een geurbelasting van 8,4 ouE/m op 3 de noordoostgrens van het voorliggende plangebied, terwijl deze slechts 3,0 ouE/m mag zijn. Het bouwen van woningen op deze locatie pleegt inbreuk op de milieurechten van de veehouderij. In aanvulling op het voorgaande zijn er in de milieuvergunning VA-dieren opgenomen, waarvoor vaste afstand van 100 meter tot woningen binnen de bebouwde kom geldt.
Het toekomstige woongebied moet beoordeeld worden als bebouwde kom. Dit betekent dat er inbreuk wordt gepleegd op de milieurechten van de veehouderij indien er binnen een afstand van 100 meter nieuwe woningen worden gebouwd. Vanwege de voorgrondbelasting en aanwezigheid van VA-dieren is in dit bestemmingsplan een geurcontour (van 100 meter) rond de aanwezige stallen opgenomen. Deze contour is voorzien van de gebiedsaanduiding ‘milieuzone - geur 1’. Ter plaatse van deze aanduiding mogen geen geurgevoelige objecten (woningen) worden gebouwd. Van dit verbod kan slechts worden afgeweken indien de agrarische bedrijfsactiviteiten aan de Buurtlaan Oost 169 structureel beëindigd worden. Dragonderweg 6 De veehouderij aan de Dragonderweg betreft een manege. Ten tijde van het geuronderzoek is niet bekend hoeveel paarden er gehouden worden. Dit is ook niet dusdanig van belang aangezien paarden vallen onder VA-dieren. Voor VA-dieren geldt een vaste afstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten (binnen de bebouwde kom). Aangezien er woningen zijn voorzien binnen deze contour, kan geconcludeerd worden dat het voorliggende plan inbreuk pleegt op de milieuruimte van de manege aan de Dragonderweg 6 indien er binnen een contour van 100 meter uit het bouwvlak – waarbinnen de stallen en mestopslag zijn gesitueerd - woningen worden gebouwd.
13
Onderzoek agrarisch geur Veenendaal, Groenpoort, SAB, kenmerk: 190582, d.d. 4 juni 2021 48
De geurcontour van de manege (100 meter) is in het voorliggende bestemmingsplan voorzien van de gebiedsaanduiding ‘milieuzone - geur 2’. Ter plaatse van deze aanduiding mogen geen geurgevoelige objecten (woningen) worden gebouwd. Van dit verbod kan worden afgeweken indien de agrarische bedrijfsactiviteiten aan de Dragonderweg 6 beëindigd worden. Het voornemen bestaat om dit perceel bij de ontwikkeling van Groenpoort te betrekken, zoals dit reeds voorzien is in het bestemmingsplan ‘Veenendaal - Oost’ d.d. 14 december 2006. Woon- en leefklimaat De voorgrondbelasting ten gevolge van de veehouderij aan de Buurtlaan Oost 169 3 bedraagt ten hoogste 8,4 ouE/m . Hiermee is het woon- en leefklimaat als gevolg van de voorgrondbelasting te kwalificeren als ‘matig’. De achtergrondconcentratie aan de 3 oostelijke zijde van het plangebied ligt tussen de 10,8 en 5,2 ouE/m . Het woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting ter plaatse van het plan is daarmee te kwalificeren als ‘redelijk goed’ tot ‘goed’. 4.6.3
Conclusie Voor de aanwezige agrarische bedrijven aan de Buurtlaan Oost 169 en Dragonderweg 6 zijn in dit bestemmingsplan geurcontouren opgenomen, waarmee de (milieu)rechten van deze bedrijven niet aangetast worden. Het voornemen bestaat de gronden van de manege te betrekken in de ontwikkeling van Groenpoort en de agrarische bedrijfsactiviteiten ter plaatse te beëindigen. Wanneer de bedrijfsmatige agrarische activiteiten beëindigd zijn, kan de geurcontour komen te vervallen. Voor het perceel Buurtlaan Oost 169 geldt dat er in de huidige situatie slechts zeer beperkt agrarisch activiteiten plaatsvinden. Het gaat om slechts 5 vleeskoeien en 7 stuks jongvee. In de bestaande situatie wordt dan ook voldaan aan de geurnormen. Op het betreffende perceel rust echter nog wel een milieuvergunning voor o.a. het houden van rund- en pluimvee. Het ligt echter niet in de lijn der verwachtingen dat deze milieuvergunning (op korte termijn) geëffectueerd zal worden, omdat deze milieuvergunning weinig perspectief biedt op een rendabele bedrijfsvoering, mede gelet op de sterk verouderde stalsystemen. Niettemin laat deze milieuvergunning zich vertalen in een geurcontour op de verbeelding. Wanneer de bedrijfsmatige agrarische activiteiten ter plaatse beëindigd zijn (of de milieuvergunning is ingetrokken/vervallen), kan de geurcontour komen te vervallen.
Met in acht name van de geurcontouren vormt het aspect geur geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Regelgeving Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (zoals een chemische fabriek of een lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (vervoer van gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de
49
kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (of-6 wel 10 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risi-6 co van 10 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. 4.7.2