3. Bijlage 2 Was-Wordt tabel hoofdstuk 1,2 en 3
Tekst van het document
29
Dagbesteding is een vorm van gerichte begeleiding. Wij zijn van oordeel dat hiervoor professionele begeleiding nodig is. In situaties waarin er geen hoge graad van professionele deskundigheid nodig is, kunnen cliënten in veel gevallen gebruik maken van algemene voorzieningen in de gemeente (zoals verenigingen, sport, buurthuis). De optie dat een pgb voor dagbesteding wordt verstrekt door een niet-professional is daarom geschrapt. Het tarief voor kortdurend verblijf (voorheen logeeropvang genoemd) is bepaald op basis van 2 uur begeleiding door een nietprofessial. Dit is in lijn met de berekening van het bedrag van het tarief voor zorg in natura.
Was-Wordt tabel
iv.
v.
vi.
vii.
CONCEPT rekening houdend met het onder vi, vii en viii gestelde tarief, voor een hulpmiddel, woningaanpassing of aanpassing van de eigen auto: op maximaal 100% van de kostprijs van de goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura en indien van toepassing inclusief een vergoeding voor onderhoud en verzekeringen; voor een dienst, geleverd door een professionele dienstverlener: op maximaal 85% van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura, of zoveel meer, tot ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura; voor een dienst, geleverd door een nietprofessionele dienstverlener of iemand uit het sociaal netwerk: een tarief waarbij rekening wordt gehouden met de hoogste periodiek voor hulp in het huishouden, of ondersteunende begeleiding (FWG 30) in de CAO VVTplus vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren; voor groepsgerichte begeleidingdagbesteding geleverd door een niet-professionele dienstverlener of iemand uit het sociaal netwerk: op 85% van het tarief per dagdeel voor dagbesteding licht langer thuis in natura, of zoveel meer, tot ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste, adequate, in de gemeente
v.
vi.
vii.
viii. ix.
x.
Integrale verordening SD 1 en 2
adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura en indien van toepassing inclusief een vergoeding voor onderhoud en verzekeringen; voor beschermd wonen of een dienst, geleverd door een professionele zorgverlener: op maximaal 85% van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura, of zoveel meer, tot ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura; voor beschermd thuis maximaal 90% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate en tijdig beschikbare voorziening in natura.
voor een dienst geleverd door een nietprofessionele zorgverlener of iemand uit het sociale netwerk: een tarief dat aansluit bij de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren voor kortdurend verblijf binnen het sociaal netwerk: op basis van een onkostenvergoeding voor een vast bedrag van € 52,- per etmaal; De hoogte van het pgb voor vervoer bedraagt de netto kilometerprijs die de gemeente betaalt voor het collectief vervoer vermenigvuldigd met het aantal benodigde kilometers, waarbij het uitgangspunt geldt dat 2500 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd; De hoogte van het pgb voor vervoer dat wordt uitgevoerd door iemand uit het sociaal netwerk betreft een vergoeding van € 0,23 per kilometer vermenigvuldigd met het aantal benodigde kilometers, waarbij het uitgangspunt geldt dat
30
Was-Wordt tabel tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura; viii. voor het logeren binnen het sociaal netwerk: op basis van een onkostenvergoeding voor het vaste bedrag van € 31,15 per etmaal met een maximum van € 141,00 per maand. 2. Voor een aantal voorzieningen geldt in aanvulling op bovenstaande leden voor het pgb het volgende: a. voor een woonvoorziening: wordt in het geval het pgb wordt verstrekt aan een huurder, de eigenaar van de woning geïnformeerd over de aanpassing b. voor onderhoud, reparatie en aanpassingen aan een voorziening: is de vergoeding voor instandhoudingskosten, waaronder onderhoud en reparatie, gelijk aan de kosten in natura wanneer deze voorziening ook in natura te verkrijgen is. 3. Als voor een bepaalde voorziening geen adequate voorziening in natura is ingekocht wordt ter bepaling van de hoogte van de kostprijs: a. een of meerdere offertes opgevraagd; b. eventueel een nader gesprek gevoerd met de aanbieder van de voorziening. Artikel 2.1.15 Hoogte pgb beschermd wonen en beschermd thuis
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
2500 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leefen woonomgeving moet kunnen worden gereisd 2. Voor een aantal voorzieningen geldt in aanvulling op bovenstaand lid voor het pgb het volgende: a. voor een woonvoorziening wordt in het geval het pgb verstrekt wordt aan een huurder, de eigenaar van de woning geïnformeerd over de aanpassing; b. voor onderhoud, reparatie en aanpassingen aan een voorziening: is de vergoeding voor instandhoudingskosten, waaronder onderhoud en reparatie, gelijk aan de kosten in natura wanneer deze voorziening ook in natura te verkrijgen is. 3. Als voor een bepaalde voorziening geen adequate voorziening in natura is ingekocht wordt ter bepaling van de hoogte van de kostprijs: a. een of meerdere offertes opgevraagd; b. eventueel een nader gesprek gevoerd met de aanbieder van de voorziening.
De tarieven zijn geïntegreerd in artikel 2.1.14. Aanvullende voorwaarden staan in nieuw artikel 2.1.15a.
1. De hoogte van het pgb is als volgt: a. Pgb Beschermd Wonen, hoogste tarief is 85% van het normbedrag per etmaal; b. Pgb Beschermd Thuis, hoogste tarief is 90% van het normbedrag per etmaal. 2. Het normbedrag is het tarief dat de gemeente is overeengekomen met een gecontracteerde zorgaanbieder. 3. De tarieven worden door het college kenbaar gemaakt op de website van de centrumgemeente.
31
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
4. De hoogte van het pgb wordt bij toekenning en eventuele verlenging van de maatwerkvoorziening bepaald conform de op dat moment door het college vastgestelde tarieven en geldt gedurende de looptijd van de maatwerkvoorziening. 5. Het college kan nadere regels stellen over de eisen die gelden voor de accommodatie waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben voor wat betreft: a. het aantal bewoners; b. de inschrijving in de Basisregistratie personen (BRP); en, c. de eisen die gelden voor de accommodatie.
Artikel 2.1.15 Aanvullende voorwaarden pgb beschermd wonen en beschermd thuis 1. De leveringsvorm pgb voor beschermd wonen geclusterd, beschermd thuis en beschermd thuis is in beginsel alleen mogelijk indien sprake is van een kleinschalige woonvorm (de accommodatie) die bestaat uit minimaal 3 en maximaal 26 bewoners en waarbij aan de volgende cumulatieve eisen wordt voldaan: a. de bewoners staan bij de gemeente ingeschreven op één adres, op aaneengesloten adressen of adressen die dichtbij elkaar liggen (binnen een straal van 100 meter) waar het beschermd wonen wordt geboden; en b. de bewoners hebben in de accommodatie een gemeenschappelijke ruimte voor gezamenlijke activiteiten. 2. De leveringsvorm pgb voor beschermd thuis is in beginsel ook mogelijk bij zelfstandig wonen in de wijk zonder dat er een kleinschalige woonvorm bij betrokken is.
32
Aanvullende voorwaarden stonden in nadere regels. Nu opgenomen in verordening.
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
Verblijf bij ouders of wettelijke vertegenwoordigers valt niet onder een kleinschalige woonvorm of zelfstandig wonen in de wijk. Artikel 2.1.16 Weigeringsgronden voor een pgb 1. Het college kan een pgb weigeren dan wel terugvorderen wanneer gebleken is dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt; c. er eerder een pgb is verleend op grond van de verordening dan wel de hieraan voorafgaande verordening(en) en de cliënt zich niet heeft gehouden aan de bij de verlening van dat eerdere pgb opgelegde verplichtingen; d. de cliënt geen budgetplan kan aanleveren; e. naar het oordeel van het college uit het budgetplan onvoldoende blijkt dat het hulpmiddel, aanpassing van een hulpmiddel, dan wel woningaanpassing, of de dienst die de cliënt inkoopt met het pgb adequaat, veilig, cliëntgericht en kwalitatief verantwoord is; f. er naar het oordeel van het college het ernstige vermoeden bestaat dat de cliënt of degene die cliënt hierbij ondersteunt, problemen heeft bij het omgaan met een pgb; g. de cliënt een mobiliteitshulpmiddel dan wel een roerende voorziening heeft aangevraagd en in een zorginstelling zonder woonlasten met of zonder behandeling verblijft; h.
de cliënt niet voldoet aan de overige aan het pgb verbonden voorwaarden. Artikel 2.1.17 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo
Artikel 2.1.16 Weigeringsgronden voor een pgb 2. Het college kan een pgb weigeren wanneer naar het oordeel van het college: a. uit het budgetplan onvoldoende blijkt dat het hulpmiddel, aanpassing van een hulpmiddel, dan wel woningaanpassing, of de dienst die de cliënt inkoopt met het pgb adequaat, veilig, cliëntgericht en kwalitatief verantwoord is; b. het ernstige vermoeden bestaat dat de cliënt of de pgb-vertegenwoordiger, problemen heeft bij het omgaan met een pgb.
Artikel 2.1.17 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 5.Als het college een beslissing op grond van het tweede
33
Dit artikel beperkt zich tot weigeringsgronden bij het al dan niet toekennen van een voorziening. De bepalingen die betrekken hebben op een oneigenlijk gebruik en misbruik van het pgb zijn onderdeel van artikel 2.1.17.
Was-Wordt tabel 5.Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. Artikel 2.1.20 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, bij zorg in natura, een pgb of een financiële tegemoetkoming, zolang de cliënt van de voorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het wordt verstrekt. 2. De hoogte van de bijdrage voor het gebruik van een of meerdere van de voorzieningen in het vorige lid genoemd tezamen bedraagt, het genoemde bedrag in artikel 2.1.4 derde lid juncto 2.1.4a, vierde lid van de Wmo.. 3. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen zijn gelijk aan de kostprijs, doch ten hoogste het genoemde bedrag in artikel 2.1.4 derde lid juncto 2.1.4a, vierde lid van de Wmo, tenzij overeenkomstig hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 4. De kostprijs van een: a.
voorziening in natura wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of in werkafspraken met de aanbieder; b. voorziening in de vorm van een pgb is gelijk aan de hoogte van dat budget; c. voorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming is gelijk aan de hoogte van de financiële tegemoetkoming.
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. Artikel 2.1.20 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget, zolang de cliënt van de voorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor deze wordt verstrekt. 2. De hoogte van de bijdrage voor het gebruik van een of meerdere van de voorzieningen in het vorige lid genoemd tezamen bedraagt ten hoogste artikel 2.1.4a, vierde lid, van de Wmo genoemde bedrag. 3. De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de voorziening . 4. De kostprijs van een: a. voorziening in natura wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of in werkafspraken met de aanbieder; b. voorziening in de vorm van een pgb is gelijk aan de hoogte van dat budget; 5. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen: a. rolstoelen; b. tijdelijke huisvesting; c. het verwijderen van een woonvoorziening;
34
Voor een financiële tegemoetkoming is geen eigen bijdrage verschuldigd. Dit is expliciet benoemd, waardoor sportvoorzieningen en verhuiskosten niet uitgezonderd hoeven worden voor de eigen bijdrage.
Was-Wordt tabel 5. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor volgende maatwerkvoorzieningen: a. Sportvoorzieningen b. rolstoelen; c.
tijdelijke huisvesting;
d. verhuisvergoeding; e. het verwijderen van een woonvoorziening; f. voorzieningen in algemene ruimten waaronder galerijophoging of deurautomaat op centrale toegangsdeur; g. een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt; h. het product Specialistisch Persoonsgericht Maatwerk; i. het product tijdelijk verblijf; j. de financiële tegemoetkoming voor gebruik van een (eigen) auto of van een (rolstoel) taxi.
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
d. voorzieningen in algemene ruimten, waaronder galerijophoging of deurautomaat op centrale toegangsdeur; e. woningaanpassingen voor een minderjarige cliënt; f. het product specialistisch persoonsgericht maatwerk; g. het product kortdurend verblijf;
6. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet is de cliënt met een indicatie voor het collectief vraagafhankelijk vervoer een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik daarvan en de paskosten. Deze bijdrage bedraagt maximaal het tarief zoals dat geldt voor het openbaar vervoer.
6. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de Wmo is de cliënt met een indicatie voor het collectief vraagafhankelijk vervoer een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik daarvan en de paskosten. Deze bijdrage bedraagt maximaal het tarief, zoals dit geldt voor het openbaar vervoer.
Artikel 2.1.22 - Kwaliteitseisen gesteld aan hulpmiddelen en aanpassingen ingekocht met een persoonsgebonden budget De kwaliteitseisen gesteld aan met het pgb ingekochte hulpmiddelen en aanpassingen geleverd door een professionele dienstverlener, zijn gelijk aan de kwaliteitseisen die worden gesteld aan de gecontracteerde zorgaanbieder..
Artikel 2.1.22 - Kwaliteitseisen gesteld aan hulpmiddelen en aanpassingen ingekocht met een persoonsgebonden budget De kwaliteitseisen gesteld aan met het pgb ingekochte hulpmiddelen en aanpassingen zijn gelijk aan de kwaliteitseisen die worden gesteld aan de gecontracteerde leveranciers.
35
Her gaat hier om hulpmiddelen en aanpassingen en dan gaat het om leveranciers.
Was-Wordt tabel Artikel 2.1.23 Kwaliteitseisen gesteld aan diensten van nietprofessionele dienstverleners ingekocht met een pgb 1. Indien een cliënt of diens vertegenwoordiger een pgb wenst in te zetten voor diensten van niet-professionele dienstverlener worden hieraan de volgende voorwaarden gesteld: a. de ondersteuning van de niet-professional overstijgt de gebruikelijke zorg en inzet voor elkaar; b. de zorg aan de ontvanger van het pgb leidt niet tot overbelasting van de niet-professional c.
er is geen druk op de ontvanger uitgeoefend bij de besluitvorming om de ondersteuning uit te laten voeren door de niet-professional; en
d. de ondersteuning door de niet-professional leidt naar het oordeel van het college aantoonbaar tot de geïndiceerde doelen.
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
Artikel 2.1.23 Kwaliteitseisen niet-professionele zorgverlener via pgb 1. Indien een cliënt of diens vertegenwoordiger een pgb wenst in te zetten voor diensten van nietprofessionele zorgverleners worden hieraan de volgende voorwaarden gesteld:
De kwaliteitseisen aan niet professionele zorgverleners zijn in dit artikel duidelijker verwoord, waarbij we rekening houden met het belang van de cliënt en de niet professionele zorgverlener.
a. de ondersteuning leidt niet tot (dreigende overbelasting van de niet professionele zorgverlener; b. de client heeft in vrijheid gekozen voor ondersteuning door de niet-professionele zorgverlener en er is geen druk uitgeoefend bij de besluitvorming; c.
de ondersteuning draagt aantoonbaar bij aan het bereiken van de in het onderzoeksverslag vastgestelde wmodoelen;
d. de ondersteuning is van goede kwaliteit, waaronder wordt verstaan, veilig, doeltreffend en cliëntgericht. 2. Het college kan de inzet van niet professionele zorg weigeren of beëindigen indien niet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden is voldaan.
Artikel 2.1.23a Kwaliteitseisen gesteld aan diensten van professionele dienstverleners ingekocht met een pgb 1. Indien een cliënt of diens vertegenwoordiger een pgb wenst in te zetten voor diensten van professionele dienstverleners worden hieraan de volgende kwaliteitseisen gesteld:
Artikel 2.1.23a Kwaliteitseisen gesteld aan diensten van professionele dienstverleners ingekocht met een pgb 3. Indien een cliënt of diens vertegenwoordiger een pgb wenst in te zetten voor diensten van professionele dienstverleners worden hieraan de volgende kwaliteitseisen gesteld:
36
Voor zorg die bij een professionele zorgverlener wordt ingekocht met een pgb gelden dezelfde kwaliteitseisen als voor zorg die wordt geleverd in natura. Dit is in dit artikel duidelijk(er) weergegeven.
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
a. de ingekochte ondersteuning is veilig, doeltreffend en cliëntgericht;
a. de ingekochte ondersteuning is veilig, doeltreffend en cliëntgericht;
b. de professionele dienstverlener handelt in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor die dienstverlener geldende professionele standaard; en
b. de professionele dienstverlener handelt in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor die dienstverlener geldende professionele standaard; en
c.
c.
de ingekochte ondersteuning is afgestemd op de behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg en ondersteuning die de cliënt ontvangt.
2. Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van met een pgb ingekochte diensten van professionele dienstverleners.
de ingekochte ondersteuning is afgestemd op de behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg en ondersteuning die de cliënt ontvangt;
d. de professionele zorgverlener beschikt over een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG, screeningsprofiel 45) conform artikel 28 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens; e. de professionele zorgverlener past de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling toe;
Artikel 2.1.26 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Het college legt in nadere regels vast waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.
Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van met een pgb ingekochte diensten van professionele dienstverleners. Artikel 2.1.26 Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht. 2. Deze blijk van waardering bestaat uit een cadeaubon. 3. Het college kan bij nadere regeling vaststellen op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.
37
In dit artikel is concreet gemaakt hoe we invulling geven aan de waardering van mantelzorgers. Dit wordt nog uitgewerkt in de nadere regels.
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
Verordening H.3 Jeugd HUIDIGE TEKST (WAS)
NIEUWE TEKST (WORDT)
Type wijziging/ actie
Artikel 3.1.1 Definities In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jw, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; b. familiegroepsplan: het familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jw; c. ondersteuningsplan: het hulpverleningsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jw; d. individuele voorziening: via een verleningsbeschikking toegankelijke op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of bij pgb wordt verstrekt; e. algemeen toegankelijke voorzieningen: overige voorzieningen als bedoeld in artikel 2.9, onder a, van de wet, waarvoor geen verleningsbeschikking van het college is vereist; f. hulp uit het sociale netwerk: natuurlijk persoon die jeugdhulp verleent die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen hem en de jeugdige of zijn ouders bestaande sociale relatie en die niet beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend. Artikel 3.1.2 Vormen van jeugdhulp 1. De algemeen toegankelijke voorzieningen zijn beschikbaar in de vorm van laagdrempelige kortdurende ondersteuning die tot doel heeft om opvoedings-verantwoordelijken te ondersteunen in het verbeteren van de eigen opvoedsituatie.
Artikel 3.1.1 Definities In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: algemeen toegankelijke voorzieningen: overige voorzieningen als bedoeld in artikel 2.9, onder a, van de wet, waarvoor geen verleningsbeschikking van het college is vereist; andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, welzijn, sport en cultuur; eigen kracht: eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet; familiegroepsplan: het familiegroepsplan, bedoeld in artikel 1.1 van de wet; hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet; individuele voorziening: via een verleningsbeschikking toegankelijke op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of bij pgb wordt verstrekt; sociaal netwerk: andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouders; wet: Jeugdwet. Artikel 3.1.2 Vormen van jeugdhulp 1. De volgende vormen van algemeen toegankelijke voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a.
ondersteuning door Veens Welzijn; b. vrijwilligerscircuit; c. zelfhulpgroepen;
Technische wijziging: - Nummering a tot en met f verwijderd; - Alfabetische volgorde toegepast; - Vetgedrukt naar schuingedrukt; - Verwijderd definitie ondersteuningsplan. Term komt niet terug in hoofdstuk 3; - Toevoeging definitie hulpvraag en eigen kracht. - Definitie sociaal netwerk verduidelijkt; - Toevoegen definitie Jeugdwet.
38
De afbakening van algemene voorzieningen (maatregel 5.1 uit het raadsvoorstel) is verwerkt in artikel 3.1.2 eerste lid. Hier zijn de algemene voorzieningen nader uitgesplitst.
Was-Wordt tabel 2. Individuele voorzieningen zijn beschikbaar in de vorm van ondersteuning: a. die betrekking heeft op een complexe ondersteuningsvraag op één of meerdere levensterreinen (intensieve ondersteuning); b. die betrekking heeft op een deel van het vakgebied van de jeugdhulp en specialistische kennis vereist voor de uitvoering ervan (specialistische ondersteuning); c. die betrekking heeft op een complexe ondersteuningsvraag en specialistische kennis vereist voor de uitvoering ervan (specialistische intensieve ondersteuning); d. waar een hoge drempel voor geldt en alleen kan worden overwogen als alle andere vormen van ondersteuning niet voldoen (excluderende ondersteuning). 3. Het college stelt bij nadere regeling vast welke algemeen toegankelijke en individuele voorzieningen op basis van het eerste en tweede lid beschikbaar zijn.
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
d. themabijeenkomsten; e. jongerenwerk; f. informatie, advies en lichte ondersteuning rondom opgroeien en opvoeden; g. algemene trainingen gericht op weerbaarheid, sociale vaardigheden en opvoedvaardigheden; h. praktijkondersteuning huisarts - Jeugd; i. onafhankelijke cliëntondersteuning; j. jeugdgezondheidszorg; k. toeleiding door Centrum Jeugd en Gezin naar een passende algemeen toegankelijke voorziening; l. ambulante begeleiding door Centrum Jeugd en Gezin. 2. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. ambulant; i. diagnostiek; ii. dagbehandeling; iii. dagbesteding; iv. individuele of groepsbegeleiding v. crisishulp; vi. vervoer van de jeugdige naar en van de jeugdhulplocatie; b. verblijf; i. woonvormen; ii. residentieel; iii. gesloten verblijf; iv. kortdurend verblijf; v. crisisverblijf.
Op sommige onderdelen is afgeweken van de exacte bewoording zoals in het raadsvoorstel gepresenteerd. Indien is afgeweken van deze bewoording, is dat om de juridische houdbaarheid van deze bepaling te borgen. Ook zijn een aantal algemene voorzieningen, zoals de ambulante hulpverlening door het Centrum Jeugd en Gezin (CJG) zelf toegevoegd. Dit beslaat een uitbreiding van de lijst zoals deze in het raadsvoorstel is benoemd. Deze algemene voorzieningen zijn toegevoegd om te bekrachtigen dat het CJG ook zelf een algemeen toegankelijke voorziening is en niet enkel doorverwijst naar individuele jeugdhulpvoorzieningen, zoals ook beoogd in de paradigmaverschuivingen uit het raadsvoorstel. De afbakening van het aanbod aan individuele jeugdhulpvoorzieningen (maatregel 5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.2 tweede lid. In dit lid zijn de beschikbare vormen van individuele voorzieningen uitgesplitst. Er is bewust gekozen om deze uitsplitsing hoog-over te houden. Deze uitsplitsing sluit namelijk aan bij de uitsplitsing zoals deze wordt gehanteerd bij de regionale inkoop van individuele jeugdhulpvoorzieningen.
39
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
Een afwegingskader en/of indicatieprotocol om het CJG meer handvatten te geven omtrent de inzet van een individuele voorziening wordt opgenomen in de beleidsregels. Tot slot is de uitsplitsing van beschikbare algemene en individuele voorzieningen in de verordening zelf neergelegd op basis van recente jurisprudentie die hiertoe verplicht.
Artikel 3.1.3 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. De huisarts, medisch specialist of jeugdarts kunnen jeugdigen of ouders rechtstreeks verwijzen naar een algemeen toegankelijke voorziening.
Artikel 3.1.3 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg, overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder. 2. Het college maakt afspraken met de huisarts, medisch specialist en jeugdarts over samenwerking om de jeugdige zo goed mogelijk te kunnen helpen, ieder vanuit zijn eigen rol. 3. Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouders wordt verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. 4. De jeugdhulpaanbieder houdt zich na een verwijzing, bij het beoordelen welke jeugdhulp nodig is in vorm, duur en frequentie aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover
40
De uitsplitsing in de nadere regels komt hiermee te vervallen. De grondslag hiertoe is verwijderd (derde lid). De afbakening van het aanbod aan individuele jeugdhulpvoorzieningen (maatregel 5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.3. De toegevoegde bepalingen in dit artikel bakenen de medische verwijsroute af voor zover als mogelijk binnen het kader van de jeugdwet. Het tweede lid in de ‘was’ kolom had geen juridische meerwaarde, aangezien de medisch verwijzers wettelijke verwijsvrijheid hebben en een algemeen toegankelijke voorziening ook zonder verwijzing toegankelijk is. Daarom deze bepaling verwijderd.
Was-Wordt tabel
Artikel 3.1.4 Toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Jeugdigen of ouders met een ondersteuningsvraag kunnen het college verzoeken om toeleiding naar een voorziening voor jeugdhulp. 2. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraag het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jw. 3. Jeugdigen of ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een algemeen toegankelijke voorziening.
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. 5. Het college kan afwijken van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder indien dit oordeel niet tot stand is gekomen conform de stappen, bedoeld in artikel 3.1.5, vierde lid, of niet voldoet aan de professionele standaard. Artikel 3.1.4 Toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Jeugdigen of ouders met een hulpvraag kunnen terecht bij het college. 2. Een aanvraag kan bij het college worden ingediend nadat de jeugdige of zijn ouders zich met een hulpvraag hebben gewend tot het Centrum Jeugd en Gezin en er met het Centrum Jeugd en Gezin een gesprek over de hulpvraag heeft plaatsgevonden. 3. Tijdens het gesprek met het Centrum Jeugd en Gezin wordt de hulpvraag onderzocht. Indien blijkt dat de hulpvraag ondervangen kan worden met een algemene voorziening als bedoeld in artikel 3.1.2 eerste lid, volgt geen aanvraag en nader onderzoek, tenzij hierom uitdrukkelijk wordt verzocht door de jeugdige of zijn ouders. 4. Indien uit het gesprek blijkt dat nader onderzoek nodig is naar de hulpvraag en welke voorziening passend is, wordt een schriftelijke aanvraag ingediend middels een door de jeugdige of zijn ouders ondertekend aanvraagformulier. 5.
In afwijking van het tweede lid kan een aanvraag zonder voorafgaand gesprek met het Centrum Jeugd en Gezin bij het college worden ingediend als er sprake is van een veiligheidsrisico, bij uitzondering wanneer het een aanvraag betreft tot verlenging of herindicatie van een reeds toegekende voorziening of bij overige dringende redenen. 6. Voor het indienen van de aanvraag maakt de jeugdige of zijn ouders gebruik van het door het college in de nadere regels vastgestelde formulier. 7. Het college wijst de jeugdige en zijn ouders voor het onderzoek, bedoeld in artikel 3.1.5, op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning en op de mogelijkheid om binnen twee weken een familiegroepsplan te verstrekken. 8. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende voorziening. Het college legt de beslissing over de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.
41
De afbakening van het aanbod aan individuele jeugdhulpvoorzieningen (maatregel 5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.4. Met de toevoeging van het tweede tot en met het vijfde lid is de toegang via de gemeentelijke route aangescherpt. Zo bevordert dit artikel, in lijn met de paradigmaverschuivingen uit het raadsvoorstel, de gedifferentieerde aanpak, waarbij incidentele hulpvragen vaker worden beantwoord met een algemene voorziening in plaats van een individuele voorziening. Ook is het met het derde lid mogelijk voor het CJG om in bepaalde gevallen af te zien van een aanvraag en onderzoek en direct naar een algemene voorziening te verwijzen. Ter bevordering van de leesbaarheid is verder de beschrijving van het toegangsproces in dit artikel verduidelijkt. Er is verduidelijkt wanneer sprake is van een aanvraag in de zin van de Awb en wanneer een onderzoek start. De
Was-Wordt tabel
Artikel 3.1.5 Ontvangstbevestiging en vooronderzoek 1. Het college bevestigt de ontvangst van een ondersteuningsvraag schriftelijk. 2. Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk in overleg een afspraak voor een gesprek met de jeugdige en/of zijn ouders. Hierbij brengt het college de jeugdige of zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid: a. om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan op te stellen; b. dat als de jeugdige of zijn ouders om ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan verzoeken, het college daarvoor zorg draagt; en c. zich tijdens het gesprek te kunnen laten bijstaan door een cliëntondersteuner. 3. Voor het gesprek verschaffen de jeugdige en/of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. Hiertoe behoort in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 4. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het tweede en derde lid.
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
9. Jeugdigen of ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een algemeen toegankelijke voorziening.
bepalingen uit art. 3.1.8 zijn hiermee overbodig.
Artikel 3.1.5 Onderzoek 1. Na ontvangst van de aanvraag voert het college een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3 van de wet uit. 2. Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk in overleg een afspraak voor een gesprek met de jeugdige of zijn ouders. 3. Gedurende het onderzoek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. Indien het college daarom verzoekt, behoort hiertoe ook een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 4. Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige of zijn ouders, het sociale netwerk en voor zover van toepassing de cliëntondersteuner, en voor zover nodig: a. wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan; b. de behoeften, persoonskenmerken, veiligheid, ontwikkeling en de gezinssituatie van de jeugdige; c. of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen bij de jeugdige en om welke problemen het concreet gaat; d. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; e.
welke hulp gelet op de vastgestelde problematiek naar aard en omvang nodig is om de jeugdige in staat te stellen om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te kunnen participeren; f. of en in hoeverre de eigen kracht van de jeugdige of ouders of ondersteuning van het sociale netwerk toereikend zijn de hulpvraag (geheel of gedeeltelijk) op te lossen; g. voor zover de eigen kracht ontoereikend is, of het inzetten van een algemeen toegankelijke voorziening de hulpvraag geheel of gedeeltelijk kan oplossen;
De afbakening van het aanbod aan individuele jeugdhulpvoorzieningen (maatregel 5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.5 vierde lid.
42
In dit lid is verduidelijkt op basis van welke stappen het onderzoek naar de noodzaak van jeugdhulp wordt doorlopen. Op basis van recente jurisprudentie is het verplicht deze stappen te verduidelijken. De stappen die in het vierde lid zijn beschreven, zijn een letterlijke vertaling van het stappenplan opgesteld door de Centrale Raad van Beroep. Ook zijn de passages over het onderzoek uit 3.1.5 en 3.1.6 samengevoegd tot één onderzoeksprocedure. Het is namelijk feitelijk onjuist een onderscheid te maken tussen een vooronderzoek en een onderzoek. Het CJG hanteert deze werkwijze niet.
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
h. of en welke ondersteuning aanvullend nodig is in de vorm van een individuele voorziening; i. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige of zijn ouders; j. indien van toepassing, de manier waarop een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen, welzijn, sport en cultuur. 5. Als de jeugdige of zijn ouders een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt het college dat bij het onderzoek. 6. Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. 7. Het college informeert de jeugdige en zijn ouders over de mogelijkheid om te kiezen voor de verstrekking van een pgb waarbij in begrijpelijke bewoordingen wordt uitgelegd wat de gevolgen zijn van die keuze. 8. Het college kan, met instemming van de jeugdige of ouders, informatie opvragen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest passende hulp. 9. Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.
Dit advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional: a. bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd; b. bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of c. op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. 10. De jeugdige en zijn ouders zijn verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek. 11. Als de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt of meewerken aan het onderzoek en
43
Was-Wordt tabel
Artikel 3.1.6 Gesprek en onderzoek 1. Het college onderzoekt in een gesprek met deskundigen, de jeugdige of zijn ouders en voor zover van toepassing, de cliëntondersteuner, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de behoeften, persoonskenmerken, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de ondersteuningsvraag; b. het gewenste resultaat en of daartoe jeugdhulp is benodigd; c. het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om op eigen kracht of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de ondersteuningsvraag te vinden; d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; e. de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een algemeen toegankelijke voorziening; f. de mogelijkheden om een individuele voorziening te treffen; g. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen of veiligheid; h. hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders; i. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb waarbij in begrijpelijke bewoording wordt uitgelegd wat de gevolgen zijn van die keuze. 2.
Als de jeugdige of zijn ouders een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het gesprek.
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
de benodigde jeugdhulp hierdoor niet kan worden vastgesteld, kan door het college de aanvraag worden afgewezen. Artikel 3.1.6 Gesprek en onderzoek Dit artikel is komen te vervallen.
Artikel komt te vervallen. De onderzoeksprocedure is in zijn geheel opgenomen in artikel 3.1.5.
44
Was-Wordt tabel 3. Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. 4. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een gesprek. Artikel 3.1.7 Gespreksverslag of ondersteuningsplan 1. Van het gesprek wordt een verslag gemaakt, waarin ook het oordeel van het college over de wenselijkheid van een individuele of algemeen toegankelijke voorziening wordt vastgelegd onder vermelding van de aan de jeugdige of zijn ouders kenbaar gemaakte gevolgen. 2. Indien het gesprek naar het oordeel van het college leidt tot de wenselijkheid van een individuele voorziening wordt een ondersteuningsplan opgesteld. 3. Binnen 10 werkdagen na afronding van het gesprek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders het gespreksverslag en, in voorkomend geval, het ondersteuningsplan. Artikel 3.1.8 Aanvraag 1. De jeugdige en ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening mondeling of schriftelijk indienen bij het college. 2. Het college bevestigt een mondelinge aanvraag schriftelijk. 3. Het college kan een ondertekent ondersteuningsplan aanmerken als aanvraag indien de jeugdige of zijn ouders dat hebben aangegeven op het ondersteuningsplan. 4.
Een aanvraag om een individuele voorziening wordt niet ingediend voordat een gesprek als bedoeld in artikel 3.1.6 heeft plaatsgevonden, tenzij het college toepassing heeft gegeven aan artikel 3.1.6, derde lid. Artikel 3.1.9 Verstrekking individuele voorziening
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
Artikel 3.1.7 Onderzoeksverslag 1. Het college zorgt voor een schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, bedoeld in artikel 3.1.5, in een onderzoeksverslag. In dit onderzoeksverslag wordt ook het oordeel van het college over de noodzaak van een individuele voorziening vastgelegd. 2. Binnen tien werkdagen na afronding van het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders het onderzoeksverslag. 3. De jeugdige of zijn ouders kunnen binnen een termijn van twee weken reageren op het verslag. Het college kan deze opmerkingen of aanvullingen toevoegen aan het verslag.
Ter bevordering van de leesbaarheid zijn alle bepalingen over de verslaglegging samengevoegd in dit artikel. Een aantal bepalingen stonden voorheen in andere artikelen.
Artikel 3.1.8 Aanvraag Dit artikel is komen te vervallen
Artikel komt te vervallen. Bepalingen over de aanvraag zijn opgenomen in artikel 3.1.4.
Artikel 3.1.9 Verstrekking individuele voorziening 1. Het college neemt het onderzoeksverslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een individuele voorziening.
45
De afbakening van het aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen (maatregel
Was-Wordt tabel 1. Het college neemt het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een individuele voorziening. 2. Het college kan een individuele voorziening verstrekken voor zover in het ondersteuningsplan zoals bedoeld in artikel 3.1.7, tweede lid, is vastgesteld dat de jeugdige of zijn ouders jeugdhulp nodig hebben en deze: a. op eigen kracht of met andere personen uit zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn ondersteuningsvraag kan vinden; b. geen oplossing kan vinden voor zijn ondersteuningsvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een algemeen toegankelijke voorziening; c. geen oplossing kan vinden voor zijn ondersteuningsvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening. 3. Het college verstrekt een individuele voorziening als een verwijzing zoals bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid, is afgegeven en de jeugdhulpaanbieder, na een onderzoek overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1.6, eerste lid, onder a. tot en met i., van oordeel is dat de inzet van jeugdhulp nodig is. 4. Het college kan afwijken van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder als bedoeld in lid 3, indien dit oordeel niet voldoet aan het bepaalde in het derde lid of de professionele standaard. 5. Bij het verstrekken van een individuele voorziening wordt altijd uitgegaan van: a.
een passende voorziening die het meest effectief (doeltreffend) en efficiënt (doelmatig) is; b. die zo licht en kortdurend als mogelijk is; en c. tegen de laagste kosten.
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
2. Een jeugdige of zijn ouders komen slechts in aanmerking voor een individuele voorziening wanneer het college of een andere verwijzer vaststelt dat: a. sprake is van concrete opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen bij de jeugdige; b. inzet noodzakelijk is om de jeugdige gelet op deze problemen in staat te stellen: i. gezond en veilig op te groeien; ii. te groeien naar zelfstandigheid; iii. voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; en c. de eigen kracht van de jeugdige of zijn ouders onvoldoende is om zelf of met behulp van hun sociale netwerk binnen afzienbare tijd een passende oplossing voor de hulpvraag te vinden. 3. Een andere of voorliggende voorziening kan de noodzaak tot jeugdhulp wegnemen of verminderen indien deze: a. daadwerkelijk beschikbaar is; en b. passend en toereikend is voor de hulpvraag. 4. De inzet van een individuele voorziening is in beginsel tijdelijk en gericht op herstel en versterking van de eigen kracht van de jeugdige of diens ouders. Bij het verstrekken van een individuele voorziening wordt altijd uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening. 5. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden.
De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en waar beschikbaar er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. 6. Er is sprake van een bewezen effectieve voorziening als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie is opgenomen als zijnde ‘erkend’ in: a. de Databank Effectieve Jeugdinterventie van het Nederlands Jeugdinstituut; b. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; c. de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking.
46
5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.9 vierde, vijfde en zesde lid. In het vierde lid is het reeds geldende uitgangspunt van een passende voorziening tegen de laagste kosten anders verwoord om innerlijke tegenstrijdigheden tussen de subleden a, b en c te voorkomen. De bewoording in de ‘wordt’ kolom sluit ook aan bij het uitgangspunt gehanteerd in hoofdstuk 2 van de integrale verordening. In dit lid is niet het uitgangspunt altijd groepsgerichte en/of systeemgerichte voorzieningen in te zetten opgenomen. Dit bleek juridisch niet haalbaar in combinatie met het uitgangspunt goedkoopst, adequaat. Binnen de regionale inkoop van individuele voorzieningen wordt deze maatregel verder opgepakt, zoals in het raadsvoorstel in maatregel 1.8 benoemd. In het vijfde en zesde lid is verder bepaalt aan welke criteria een individuele voorziening in ieder geval moet voldoen. Met deze bepalingen is het gebruik van
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
7. Als een deel van de oorzaak van de hulpvraag is gelegen in problematiek bij de ouder dan hoort de ondersteuning van de ouder die voor dat gedeelte van de hulpvraag nodig is in beginsel onder de daarvoor geldende wettelijke voorziening voor volwassenen, ongeacht of de jeugdige zelf een beperking heeft. De hulp die daarnaast nodig is voor de jeugdige is wel jeugdhulp, of noodzakelijke opvoedondersteuning. 8. Het college verstrekt alleen een voorziening als bedoeld in het tweede lid als de gemaakte kosten zien op een periode vanaf het moment van indienen van de aanvraag. 9. Het college kan afwijken van het bepaalde in het achtste lid in spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 3.1.4, achtste lid.
bewezen niet-effectieve voorzieningen uitgesloten. De toegevoegde bepalingen zijn naar voorbeeld van de modelverordeningen van Schulink en de VNG of naar voorbeeld van andere gemeenten. De afstemming met andere wettelijke domeinen (maatregel 5.3 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.9 zevende lid. In het zevende lid is bepaald dat, voor onderliggende ouderproblematiek, de voorzieningen vanuit onder andere de Wmo, Wlz of Zvw in beginsel voorliggend zijn op de jeugdwet.
Artikel 3.1.9a Beoordelingscriteria eigen kracht 1. Onder de eigen mogelijkheden van de ouders, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet, verstaat het college de inzet die redelijkerwijs van ouders mag worden verwacht bij de verzorging, opvoeding en begeleiding van jeugdigen, gelet op hun wettelijke verantwoordelijkheid op grond van artikelen 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek. Hieronder valt in ieder geval: a. het bieden van dagelijkse verzorging, opvoeding en toezicht, passend bij de leeftijd en ontwikkelingsfase van de jeugdige; b. het aanleren van vaardigheden; c. het inschakelen van beschikbare en bereikbare hulpbronnen binnen het gezin of het sociale netwerk; en d. het bevorderen van de ontwikkelingskansen, zelfstandigheid en maatschappelijke participatie van de jeugdige.
47
De afbakening van het aanbod aan individuele jeugdhulpvoorzieningen (maatregel 5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.9a. Met de toevoeging van dit artikel is voldaan aan de verplichting uit recente jurisprudentie om in de verordening zelf op te nemen welke afwegingsfactoren in het onderzoek als bedoeld in artikel 3.1.5 vierde lid, wordt meegewogen en op welke wijze dit gebeurt.
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
2. Onder het probleemoplossend vermogen van de ouders, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet, verstaat het college het vermogen van de ouders om op eigen initiatief, al dan niet met ondersteuning uit hun sociale netwerk, maatregelen te treffen die de hulpvraag oplossen of beperken. Hieronder valt in ieder geval: a. het benutten van beschikbare andere voorzieningen, waaronder in ieder geval begrepen: i. opvangmogelijkheden op basis van de Wet kinderopvang, al dan niet met gebruikmaking van een tijdelijke tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvangtoeslag op basis van een sociaalmedische indicatie; ii. ondersteuning op grond van de Wmo; iii. aanspraak maken op de zorgverzekeringswet; iv. het maken van aanspraak op de aanvullende zorgverzekering, indien aanwezig; b. het benutten van beschikbare algemeen toegankelijke voorzieningen; c. het herverdelen van zorgtaken of aanpassen van werk- of dagindeling; d. het zoeken naar passende oplossingen binnen het bestaande netwerk. 3. Bij de beoordeling van de eigen kracht van de ouders houdt het college rekening met de objectieve belemmeringen die de ouders ondervinden. 4. Van objectieve belemmeringen als bedoeld in het derde lid is sprake wanneer ouders, ondanks aantoonbare en redelijke inspanningen om hun eigen kracht te benutten, niet in staat zijn de noodzakelijke hulp aan hun kinderen te bieden of te organiseren. 5.
Bij de beoordeling van de objectieve belemmeringen, bedoeld in het derde lid, betrekt het college in ieder geval: a. lichamelijke of psychische beperkingen van de ouders die aantoonbaar invloed hebben op het bieden van de noodzakelijke hulp aan de jeugdige; b. beperkingen in kennis en vaardigheden die niet binnen een redelijke termijn kunnen worden aangeleerd; c. de mate waarin ouders gebruik kunnen maken van hun sociale netwerk;
48
In dit artikel is het afwegingskader omtrent eigen kracht nader uitgewerkt. Eigen kracht bestaat uit de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. In het eerste en tweede lid is bepaald wat in dit kader van ouders wordt verwacht. In het derde tot en met het vijfde lid bepaald op welke wijze belemmeringen worden meegewogen in het beoordelen van de eigen kracht.
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
d. financiële of maatschappelijke omstandigheden die een substantiële belemmering vormen voor het bieden of organiseren van de noodzakelijke hulp aan de jeugdige; e. ernst, duur en complexiteit van de problematiek van de jeugdige en de aard en omvang van de hulpvraag die daaruit voortvloeit; f. de gezinssituatie, waarbij meerdere jeugdigen met zorgvragen of alleenouderschap aantoonbaar een belemmering vormen voor het bieden of organiseren van de noodzakelijke hulp aan de jeugdige. Artikel 3.1.9b Vervoer 1. Uitgangspunt is dat ouders zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt vervoer van en naar de jeugdhulplocatie binnen een straal van zes kilometer in beginsel beschouwd als behorend tot de eigen kracht van de jeugdige of zijn ouders. 2. Een vervoersvoorziening kan uitsluitend worden verstrekt indien dit aantoonbaar in het belang van de jeugdige is en: a. sprake is van een medische noodzaak, waarbij de mate van zelfredzaamheid van de jeugdige bepalend is, of; b. door de ouders ten behoeve van het college voldoende wordt aangetoond dat zij niet in staat zijn, ook niet met behulp van hun sociale netwerk, om het vervoer zelfstandig uit te voeren, dan wel dat dit tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden, en er geen andere passende oplossing mogelijk is. 3.
Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 3.1.5 en 3.1.9a, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen kracht van de jeugdige of zijn ouders onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen. 4. Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, wordt aangesloten bij het bepaalde in artikel 3.1.9, vierde lid. Hierbij geldt dat de kosten worden bepaald op basis van de voorziening en vervoersindicatie tezamen. Artikel 3.1.9c Dyslexie 1. De zorg voor kinderen van 4 tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de wet. 2. Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de ED-specialist van het Centrum Jeugd en Gezin
49
De afbakening van het aanbod aan individuele jeugdhulpvoorzieningen (maatregel 5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.9b. Op verzoek van het CJG en volgend uit het raadsvoorstel is dit artikel toegevoegd om af te bakenen in welke gevallen een vervoersindicatie kan worden toegekend. Deze bepaling sluit aan bij de verordening leerlingenvervoer en modelverordeningen of verordeningen van andere gemeentes binnen de regio.
De afbakening van het aanbod aan individuele jeugdhulpvoorzieningen (maatregel 5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.9c.
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 3.0 van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is.
Artikel 3.1.9d Vaktherapie 1. Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines: a. beeldende therapie; b. danstherapie; c. dramatherapie; d. muziektherapie; e. psychomotorische therapie; f. psychomotorische kindertherapie; en g. speltherapie 2. Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een erkende opleiding op HBO- of master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie geaccrediteerde opleiding. 3. Vaktherapie kan alleen worden ingezet als jeugdhulp als deze naar het oordeel van het college een noodzakelijk onderdeel uitmaakt van de totale behandeling en als er geen passend alternatief beschikbaar is. 4. Vaktherapie kan alleen worden ingezet onder verantwoordelijkheid van een professional die is ingeschreven in het Register Vaktherapie. 5. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op dierondersteunende interventies. Artikel 3.1.9e Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
50
Dit artikel is op verzoek van het CJG en volgend uit het raadsvoorstel toegevoegd om te verduidelijken in welke gevallen dyslexiezorg onder de jeugdwet valt. Deze bepaling bevordert dat dyslexiezorg enkel vanuit de jeugdwet wordt opgepakt indien het een jeugdhulpvraag betreft. De afbakening van het aanbod aan individuele jeugdhulpvoorzieningen (maatregel 5.2 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.9d. Dit artikel is op verzoek van het CJG en volgend uit het raadsvoorstel toegevoegd. Het artikel bevat geen inhoudelijke aanscherpingen van de inzet van vaktherapie ten opzichte van de reeds geldende inkoopvoorwaarden. Wel is dit artikel een verduidelijking voor de inwoner en bevordert het de rechtszekerheid.
De afstemming met andere wettelijke domeinen (maatregel 5.3 uit het raadsvoorstel) is onder andere verwerkt in artikel 3.1.9e.
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
1. Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van: a. de Leerplichtwet; b. de Participatiewet; c. de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; d. de Wet Inburgering 2021; e. de Wet kinderopvang; f. de Wet langdurige zorg; g. de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; h. de Wet passend onderwijs; i. de Wet publieke gezondheid; j. de Wet tijdelijk huisverbod; k. de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en l. de Zorgverzekeringswet, zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouders actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorzieningen of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg. 2. Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee: a. de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder; b. de eigen kracht van een jeugdige of een ouder, bedoeld in artikel 3.1.9a, en de mogelijkheden van het sociale netwerk; c. welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; d. welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn. 3.
Het college onderzoekt tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag van de jeugdige die hulp ontvangt op grond van de wet. Daarbij wordt beoordeeld op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringsvet) de benodigde ondersteuning kan worden ingezet, met als doel de continuïteit van de ondersteuning zo goed mogelijk te waarborgen.
51
De afstemming van jeugdhulpvoorzieningen op andere voorzieningen is een verplichting uit de jeugdwet. Hoe deze afstemming gebeurt en op welke wijze wordt gewaarborgd dat onderliggende oorzaken van jeugdhulpvraagstukken door de juiste domeinen worden aangepakt, volgt hier niet direct uit. De toevoeging van artikel 3.1.9e verduidelijkt daarom, in lijn met het raadsvoorstel, op welke wijze deze afstemming plaats vindt. Een nadere uitwerking van deze afstemming volgt in de beleidsregels.