3. Bijlage 2 Was-Wordt tabel hoofdstuk 1,2 en 3
Tekst van het document
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
Geel = verwijderde tekst Blauw = aangepaste tekst.
Verordening H. 1 Algemene bepalingen H.2 WMO HUIDIGE TEKST (WAS)
NIEUWE TEKST (WORDT)
INLEIDING
ONDERBOUWING De inleiding heeft geen juridisch status in de verordening. Om die reden is inleiding met uitleg over het gemeentelijke beleid verplaatst naar de toelichting op de verordening.
1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1.1 Algemene definities
a. belanghebbende: b. client:
c. college:
d. eigen kracht :
degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken inwoner die een vorm van ondersteuning ontvangt van de gemeente op grond van de Wmo, Pw etc.; college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal; de mogelijkheid van de inwoner om zelf (een
Definities zijn geharmoniseerd: zoveel mogelijk beperkt gehouden en alleen opgenomen als dit de leesbaarheid en duidelijkheid vergroot. Een aantal definities zijn verplaatst naar hoofdstuk 2 van de integrale verordening. Belanghebbende wordt niet (meer) gebruikt in verordening. Om die reden verwijderd. Opgenomen in artikel 2.1.1
college:
Opgenomen in artikel 2.1.1
1
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
deel van) het probleem op te lossen, al dan niet met de gebruikelijke hulp, of hulp van andere personen uit de naaste omgeving. Ook als professionele ondersteuning wordt ingezet om het probleem op te lossen zal sprake zijn van eigen kracht; e. gebruikelijke hulp
f. gemeente g. gesprek:
h. ingezetene of inwoner:
hulp of inzet die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; gemeente Veenendaal een of meerdere gesprekken in het kader van het onderzoek vanwege een ondersteuningsvraag, als bedoeld in: • artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo; • artikel 3.1.6 van hoofdstuk 3 Jeugdhulp; of • artikel 4 lid 1 Wgs; een natuurlijke persoon die zijn woonstede heeft in Veenendaal. Dit kan ook een ex-gedetineerde betreffen van wie
Definitie verwijderd, staat in de wet
gemeente: gesprek:
ingezetene of inwoner:
2
Gemeente Veenendaal een of meerdere gesprekken in het kader van het onderzoek vanwege een ondersteuningsvraag, als bedoeld in: • artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo; of • artikel 4 lid 1 Wgs;
In hoofdstuk 3 wordt de term gesprek niet meer gebruikt zoals bedoeld in de deze definitie. Er wordt gesproken van onderzoek.
een natuurlijke persoon die zijn woonstede heeft in Veenendaal.
Voorbeeld is verwijderd want hoort niet in definitie.
Was-Wordt tabel
i.
maatschappelijk werk:
j.
mantelzorg:
k. ondersteuningsvraag:
CONCEPT duidelijk is dat hij zijn woonstede heeft in Veenendaal, althans voor zover niet blijkt dat hij door zijn wil en daden zijn woonstede in Veenendaal heeft willen opgeven (zie artikelen 1:10 en 1:11 BW); bieden van individuele begeleiding als algemene voorziening aan een ingezetene met problemen in zijn dagelijks leven of zijn werk, zodat deze ingezetene (weer) op eigen kracht zijn problemen kan hanteren en of oplossen;: mantelzorg als bedoeld als bedoeld in artikel 1.1.1. van de Wmo; ondersteuningsvraag: de behoefte aan ondersteuning op het gebied van: • maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo; • jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jw; • arbeidsinschakeling en de verlening van
Integrale verordening SD 1 en 2
maatschappelijk werk:
bieden van individuele begeleiding als algemene voorziening aan een ingezetene met problemen in zijn dagelijks leven of zijn werk, zodat deze ingezetene (weer) op eigen kracht zijn problemen kan hanteren of oplossen:
mantelzorg:
mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo;
ondersteuningsvraag:
ondersteuningsvraag: de behoefte aan ondersteuning op het gebied van: • maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo; • arbeidsinschakeling en de verlening van bijstand als bedoeld in de Pw; of schuldhulpverlening als bedoeld in artikel 4 lid 1 Wgs;
3
In hoofdstuk 3 wordt de term hulpvraag gehanteerd zoals bedoeld in de jeugdwet.
Was-Wordt tabel
l.
pgb:
m. sociaal netwerk:
n. uitkering
CONCEPT bijstand als bedoeld in de Pw; of • schuldhulpverlening als bedoeld in artikel 4 lid 1 Wgs; persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1. van de Wmo dan wel artikel 8.1.1. van de Jw; sociaal netwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 Wmo; uitkering: een uitkering op grond van de Pw, de IOAW en de IOAZ;
pgb:
Integrale verordening SD 1 en 2
persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo dan wel artikel 8.1.1 van de Jw; Opgenomen in artikel 2.1.1
uitkering:
uitkering: een uitkering op grond van de Pw, de IOAW en de IOAZ.
4
Was-Wordt tabel
CONCEPT
HUIDIGE TEKST WAS
Integrale verordening SD 1 en 2
NIEUWE TEKST WORDT
ONDERBOUWING
a. algemeen gebruikelijke voorziening:
een voorziening die: i. niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; ii. daadwerkelijk beschikbaar is; iii. een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot (meer) zelfredzaamheid of participatie in staat is; en 4 betaald kan worden met een inkomen op minimumniveau;
algemeen gebruikelijke voorziening:
een voorziening die: i. niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; ii. daadwerkelijk beschikbaar is; iii. een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot (meer) zelfredzaamheid of participatie in staat is; en iv. betaald kan worden met een inkomen op minimumniveau;
b. andere voorziening:
een voorziening die de cliënt kan ontvangen op grond van andere wet en regelgeving dan de Wmo;
andere voorziening:
een voorziening anders dan in het kader van de Wmo;
beschermd thuis:
een maatwerkvoorziening voor inwoners met complexe psychische of psychosociale problematiek die doorgaans hun ondersteuningsvraag kunnen uitstellen tot geplande momenten van begeleiding, maar wel moet kunnen terugvallen op 24/7 bereikbaarheid of beschikbaarheid van een
5
Was-Wordt tabel
c. bijdrage:
CONCEPT
bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo;
Integrale verordening SD 1 en 2 hulpverlener. beschermd thuis kan geleverd worden in een geclusterde woonvorm of in een situatie waarin de cliënt zelfstandig woont; bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4a van de Wmo;
bijdrage:
budgethouder:
Een persoon die pgb ontvangt;
budgetplan:
door cliënt of zijn vertegenwoordiger opgesteld plan, volgens het door de gemeente vastgesteld format, waarin is opgenomen hoe het persoonsgebonden budget wordt besteed;
eigen kracht:
het vermogen van de cliënt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie of tot een oplossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen hulp of inzet die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;
gebruikelijke hulp:
6
Was-Wordt tabel
CONCEPT
d. melding:
melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo;
e. niet-professionele dienstverlener/ nietprofessional:
is iemand die binnen het eigen sociale netwerk, aan een ouder of familielid zorg levert, die niet hoeft te voldoen aan de voorwaarden en kwaliteitseisen zoals die door de gemeente aan de aanbieders van zorg in natura worden gesteld. Ook als diegene hiervoor gediplomeerd, BIG-geregistreerd is, of ingeschreven is bij de Kamer van Koophandel;
f.
persoonlijk plan:
plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2., vierde lid onderdeel a tot en met g van de Wmo, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest passend is;
Integrale verordening SD 1 en 2
melding:
ondersteuningsplan;
door de aanbieder van individuele- en groepsondersteuning, in overleg met de cliënt, opgesteld document volgens het door de gemeente vastgestelde format, waarin de doelen en inhoud van de ondersteuning zijn vastgelegd;
participatie:
deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;
persoonlijk plan:
plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid van de Wmo, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn
7
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2 mening het meest passend is;
g. professionele dienstverlener:
h. regres:
de zorgaanbieder die: a. voldoet aan de opleidingseisen en kwaliteitseisen zoals deze worden gesteld aan de medewerkers van de gecontracteerde in natura zorgaanbieders; b. kennis van, en ervaring heeft met het bieden van ondersteuning die een cliënt nodig heeft; c. gebruik maakt van een ondersteuningsplan of plan van aanpak; d. een verklaring omtrent het gedrag heeft (art. 28 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens); e. de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling toe past (Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling); en f. niet behoort tot het sociaal netwerk van de cliënt; houdt in dat de gemaakte Wmo kosten verhaald kunnen worden op de veroorzaker van de schade (artikel 2.4.3 Wmo); sociaal netwerk:
8
personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt;
Was-Wordt tabel
i.
verslag:
CONCEPT
schriftelijke weergave van het gesprek door middel van een format dat bestaat uit (vaste) stappen;
verslag:
schriftelijke weergave van het gesprek door middel van een format dat bestaat uit vaste stappen; wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
wmo:
zelfredzaamheid
Artikel 2.1.2 Melding ondersteuningsvraag 1. Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan door of namens een cliënt worden gemeld bij het college. Dit kan schriftelijk, digitaal, telefonisch of fysiek bij het college. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk of digitaal binnen 3 werkdagen na ontvangst en wijst de cliënt of diens vertegenwoordiger op de mogelijkheid om binnen 7 dagen na de melding een persoonlijk plan te overhandigen. 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo verstrekt het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. 4. Voor beschermd wonen geldt tevens dat het college direct na de melding een screening uitvoert naar de plaats waar de randvoorwaarden voor het meest kansrijke traject aanwezig zijn overeenkomstig het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Beschermd Wonen.
Integrale verordening SD 1 en 2
in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.
Artikel 2.1.2 Melding ondersteuningsvraag 1. Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan door of namens een cliënt worden gemeld bij het college. Dit kan schriftelijk, digitaal, telefonisch of fysiek bij het college. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk of digitaal binnen 3 werkdagen na ontvangst en wijst de cliënt of diens vertegenwoordiger op de mogelijkheid om binnen 7 dagen na de melding een persoonlijk plan te overhandigen. 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo verstrekt het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.
9
Lid 4 hoort niet in het meldingsartikel, omdat het hier namelijk niet om de wijze van melden of de afhandeling van een melding gaat, maar om de verdere uitvoering en toeleiding binnen beschermd wonen. De verplichting tot screening en de verwijzing naar het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Beschermd Wonen hebben betrekking op de beoordeling van de juiste plaats en randvoorwaarden voor een traject, en raken daarmee de fase ná de melding en worden uitgewerkt in de beleidsregels.
Was-Wordt tabel
Artikel 2.1.4 Vooronderzoek 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wmo, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 2. a. voor het gesprek verschaft de cliënt of diens vertegenwoordiger het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt of diens vertegenwoordiger redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, rekening houdend met de Algemene verordening gegevensbescherming; b. de cliënt beschikt over een identificatiedocument, als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Beschikt de cliënt niet over een geldig identificatiedocument dan kan deze lopende het onderzoek aangevraagd en overgelegd worden. 3. Als de cliënt voldoende bekend is bij het college, de in het eerste en tweede lid genoemde gegevens zijn bekend en er is geen wijziging in diens leefsituatie, kan het college met goedkeuring van de cliënt of diens vertegenwoordiger afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
Artikel 2.1.4 Informatie en identificatie 1. De client verstrekt het college de gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college nodig zijn voor het onderzoek en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.. 2. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 2.1.5, stelt het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.
Artikel 2.1.5 Het gesprek
Artikel 2.1.5 Onderzoek
1. Het college onderzoekt in een gesprek met de cliënt of diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met mantelzorger(s) en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de ondersteuningsbehoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. of het verzoek om ondersteuning betrekking heeft op zelfredzaamheid, participatie, opvang of beschermd wonen;
1. Het college onderzoekt in samenspraak met de cliënt of diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met mantelzorger(s) en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de ondersteuningsbehoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. of het verzoek om ondersteuning betrekking
10
De term ‘vooronderzoek’ staat in de wet maar is geen specifiek onderzoek maar een voorbereiding. De gemeente onderzoekt de identiteit van de client en kijkt wat er al over een client bekend is. Dit om dubbele uitvraag te voorkomen.
Dit artikel beschrijft het onderzoek. Dit onderzoek omvat meer dan alleen het gesprek met de client. Het omvat bijvoorbeeld ook het opvragen van medisch advies, dossieronderzoek of het spreken van hulpverleners.
Was-Wordt tabel c. de mogelijkheden voor de cliënt om op eigen kracht met gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociaal netwerk, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten, algemeen gebruikelijke voorzieningen of met algemene voorzieningen de zelfredzaamheid of de participatie te handhaven of te verbeteren, zodat de cliënt zo min mogelijk een beroep hoeft te doen op een maatwerkvoorziening; d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; e. de mogelijkheden om door middel van andere voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; f. de wijze waarop de zelfredzaamheid en participatie, al dan niet door middel van het verstrekken van een maatwerkvoorziening, kan worden versterkt; g. welke bijdragen in de kosten de cliënt, met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wmo, verschuldigd zal zijn; h. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt of diens vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van deze keuze. 2.
Als de cliënt of diens vertegenwoordiger een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het gesprek, bedoeld in het eerste lid. 3. Het college informeert de cliënt of diens vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en over de vervolgprocedure. 4. Als de ondersteuningsvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de Wmo, in goed overleg met de cliënt of diens vertegenwoordiger, afzien van een gesprek.
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
heeft op zelfredzaamheid, participatie, opvang of beschermd wonen; c. de mogelijkheden voor de cliënt om op eigen kracht met gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociaal netwerk, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten, algemeen gebruikelijke voorzieningen of met algemene voorzieningen de zelfredzaamheid of de participatie te handhaven of te verbeteren; d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; e. de mogelijkheden om door middel van andere voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; f. de wijze waarop de zelfredzaamheid en participatie, al dan niet door middel van het verstrekken van een maatwerkvoorziening, kan worden versterkt; g. welke bijdragen in de kosten de cliënt, met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wmo, verschuldigd zal zijn; h. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt of diens vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van deze keuze. 2.
Als de cliënt of diens vertegenwoordiger een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het gesprek, bedoeld in het eerste lid. 3. Het college informeert de cliënt of diens vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het
11
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
gesprek, diens rechten en plichten en over de vervolgprocedure. 4. Als de ondersteuningsvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de Wmo, in goed overleg met de cliënt of diens vertegenwoordiger, afzien van een gesprek. Artikel 2.1.6 Advisering Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien het college dit van belang acht voor de beoordeling van de ondersteuningsvraag. Het college betrekt de cliënt of diens vertegenwoordiger of mantelzorger bij de adviesaanvraag en informeert de cliënt of diens vertegenwoordiger over de uitkomsten daarvan.
Artikel 2.1.6 Advisering Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien het college dit van belang acht voor de beoordeling van de ondersteuningsvraag.
De slotzin kan vervallen omdat het onderzoek onafhankelijk wordt uitgevoerd door een adviesinstantie. Het betrekken door het college is in dit kader niet aan de orde. De oude formulering kan verwarring scheppen over rollen en verantwoordelijkheden.
Artikel 2.1.9 Aanvraag 1. Een aanvraag kan pas worden ingediend nadat het vooronderzoek, bedoeld in artikel 2.1.4 en het gesprek, bedoeld in artikel 2.1.5, hebben plaatsgehad, tenzij het vooronderzoek en het gesprek niet hebben plaatsgevonden binnen zes weken na melding. 2. Een cliënt of diens vertegenwoordiger kan schriftelijk een aanvraag om een maatwerkvoorziening indienen bij het college door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. 3. Het college neemt een besluit op de aanvraag binnen de in artikel 2.3.5, tweede lid, van de Wmo gestelde termijn.
Artikel 2.1.9 Aanvraag 1. Een aanvraag kan pas worden ingediend nadat het onderzoek, bedoeld in artikel 2.1.5, heeft plaatsgevonden, tenzij het onderzoek niet heeft plaatsgevonden binnen zes weken na melding. 2. Een cliënt of diens vertegenwoordiger kan schriftelijk een aanvraag om een maatwerkvoorziening indienen bij het college door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.
Er vindt geen inhoudelijk vooronderzoek plaats, wel onderzoek naar de identificatie (zie art 2.1.4). Lid 3 staat al in art. 2.3.2 lid 9 van de Wmo en kan daarom vervallen.
Artikel 2.1.10 Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:
Artikel 2.1.10 Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:
Wijziging vanaf lid 3. Apart artikel 2.1.10 om duidelijk onderscheid te maken tussen de algemene criteria en aanvullende voorwaarden en weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening.
a. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt
12
Was-Wordt tabel ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, of door gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen of andere voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten in artikel 2.1.4 en artikel 2.1.5 bedoelde vooronderzoek en gesprek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot een aanvaardbare mate van zelfredzaamheid of een aanvaardbare mate van participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven; en b. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere voorzieningen kan verminderen of wegnemen.
De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het door het college ingesteld onderzoek zoals verwoord in artikel 2.3.2 van de Wmo, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
a. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, of door gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen of andere voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten in artikel 2.1.5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot een aanvaardbare mate van zelfredzaamheid of een aanvaardbare mate van participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven; of b. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere voorzieningen kan verminderen of wegnemen.
De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het door het college ingesteld onderzoek zoals verwoord in artikel 2.3.2 van de Wmo, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 3. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.
13
Was-Wordt tabel 3. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie komt een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking indien:
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
4. Het college kan nadere regels stellen over de maatwerkvoorzieningen.
a. de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was; b. de noodzaak tot de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de ondersteuningsvraag deels of geheel opgelost had. c. niet reeds in de voorziening is voorzien, tenzij vooraf een schriftelijke toestemming door het college is gegeven of het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; d. de voorziening niet alleen een therapeutisch doel beoogd; of e. de voorziening geen, mogelijk, anti-revaliderende werking heeft. 4. Een maatwerkvoorziening ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt slechts verstrekt indien uit onderzoek blijkt dat vervanging noodzakelijk is en de maatwerkvoorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt. 5. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. 6. Het college kan nadere regels stellen over de maatwerkvoorzieningen. Artikel 2.1.10a Voorwaarden en weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening 1.
De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt indien deze, gezien de beperking van de cliënt, naar het oordeel van het college veilig is voor de cliënt en zijn
14
Jurisprudentie die in de praktijk al werd toegepast is hier opgenomen in de verordening. Het geeft helderheid richting de cliënt. Met dit artikel maken we duidelijke
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
omgeving, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt. 2. Een maatwerkvoorziening ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt slechts verstrekt indien uit onderzoek blijkt dat vervanging noodzakelijk is en de maatwerkvoorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt. 3. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien: a. voor de problematiek die aanleiding geeft tot de noodzaak van ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; b. de cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen; c. de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en voor de datum van het besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak, passendheid en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; d. de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met zijn bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkeling daarvan; e.
de voorziening met name op therapeutische basis wordt aangevraagd of een therapeutisch doel dient; f. de aanspraak niet kan worden vastgesteld doordat de cliënt niet of onvoldoende voldoet aan de inlichtingen- en medewerkingsverplichting, waaronder het verstrekken van informatie over zijn leefsituatie
15
wanneer géén voorziening wordt verstrekt.
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
en de mogelijkheden van huisgenoten om gebruikelijke hulp te bieden. 4. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt indien deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding. Artikel 2.1.10b Gebruikelijke hulp 1. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onder b, van de Wmo, beoordeelt het college of er gebruikelijke hulp van huisgenoten als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo beschikbaar is,. 2. Het college maakt bij de beoordeling of van huisgenoten gebruikelijke hulp verwacht mag worden onderscheid tussen kortdurende en langdurige situaties. Van een kortdurende situatie is sprake als er uitzicht bestaat op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt. Een kortdurende situatie betreft ten hoogste een periode van zes maanden in één jaar. 3. In een kortdurende situatie valt een grotere inzet van huisgenoten binnen het begrip gebruikelijke hulp, zolang dat redelijk is en niet tot overbelasting leidt. 4. Bij de beoordeling of van huisgenoten gebruikelijke hulp verwacht mag worden, houdt het college indien daartoe aanleiding bestaat, rekening met: a. de samenstelling van de leefeenheid van de cliënt en diens huisgenoot of huisgenoten; b.
de aard van de relatie tussen de cliënt en diens huisgenoot of huisgenoten; c. de inhoudelijke aard, de omvang, de duur en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt; d. de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of huisgenoten;
16
Nieuw artikel. Naar aanleiding van jurisprudentie in het kader van de Jeugdwet heeft het landelijk adviesorgaan sociaal domein geadviseerd dit zowel voor de Jeugdwet als de Wmo in de verordening op te nemen.
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
e. de mate waarin en de wijze waarop de cliënt voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten; f. overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de cliënt hulp te bieden. Artikel 2.1.10b Weigeringsgronden voor een woonvoorziening Een woonvoorziening kan worden geweigerd: a. als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; b. als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; c. ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. d. als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; e. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; f.
als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; g. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden.
Artikel 2.1.10c Aanvullende voorwaarden en weigeringsgronden voor woonvoorzieningen 1. In aanvulling op de artikelen 2.1.10 en 2.1.10a kan een client in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening, indien sprake is van een aantoonbare beperking bij het normale gebruik van de noodzakelijke gebruiksruimten in de woning. 2. Een woonvoorziening kan worden geweigerd: a. als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; b. als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waarvoor de voorziening gevraagd wordt c. ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. d. als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; e. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid
17
Lid 1 stond voorheen in de nadere regels. We hebben het nu in de verordening opgenomen om meer helderheid te geven aan de cliënten.
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; f. als de cliënt is verhuisd, maar dit niet naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning is, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; g. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden. Artikel 2.1.10b aanvullende criteria voor een financiële tegemoetkoming als maatwerkvoorziening
Artikel 2.1 10k
Deze financiële tegemoetkoming zijn geen maatwerkvoorziening maar tegemoetkoming in de kosten. Dit artikel is verplaatst naar 2.1.16a
Artikel 2.1.10d Bezoekbaar of logeerbaar maken van een woning 1. Het college kan een woonvoorziening treffen voor het bezoekbaar of logeerbaar maken van één woning indien de cliënt verblijft in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg. a. Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt verstaan het realiseren van de mogelijkheid voor de cliënt om de woning van naasten te bezoeken door toegang te verschaffen tot ten minste de woonkamer en één toilet. b. Onder het logeerbaar maken van een woning wordt verstaan het realiseren van de mogelijkheid voor de cliënt om tijdelijk in de woning van naasten te verblijven door toegang te verschaffen tot ten minste een slaapkamer, een toilet en de woonkamer. 2. Een voorziening kan worden geweigerd indien de totale kosten voor de woonaanpassing meer bedragen dan:
Artikel stond in de nadere regels. Voorwaarden en criteria voor het verstrekken van voorzieningen zijn nu in de verordening opgenomen. Omdat dit artikel alleen van belang is voor mensen met een Wlzindicatie betreft het bezoekbaar/logeerbaar maken van de woning bovenwettelijk begunstigend beleid. (De gemeente is niet verplichting hierin te voorzien). Daarom zijn er maximale bedragen voor deze woonvoorzieningen bepaald. De hoogte van het bedrag voor het logeerbaar maken van een woning is gebaseerd op het kunnen verstrekken van een traplift.
18
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
a.
€ 2.800,- voor het bezoekbaar maken van een woning; b. € 5.600,- voor het logeerbaar maken van een woning. Artikel 2.1.10e Aanvullende voorwaarden vervoersvoorziening 1. In aanvulling op de artikelen 2.1.10 en 2.1.10a kan een client in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van collectief vraagafhankelijk vervoer indien hij door zijn beperkingen niet of onvoldoende gebruik kan maken van het openbaar vervoer. 2. Het college hanteert hierbij een maximum van 2.500 kilometer per kalenderjaar. 3. De medische begeleider, waar de cliënt naar het oordeel van het college bij het vervoer op is aangewezen, reist gratis mee. De sociaal begeleider, waar de cliënt naar het oordeel van het college bij het vervoer op is aangewezen, reist mee op de kortingspas collectief vraagafhankelijk vervoer van de cliënt. 4. In aanvulling op het eerste lid kan een cliënt in aanmerking komen voor een individuele vervoersvoorziening, indien deze langdurig noodzakelijk is en het collectief vervoer niet toereikend is 5. Bij de beoordeling van de vervoersbehoefte in het kader van maatschappelijke participatie wordt uitsluitend rekening gehouden met verplaatsingen binnen de woon- en leefomgeving, niet zijnde woon-werkverkeer, vervoer naar dagbesteding of vervoer in het kader van school of opleiding. 6.
Voor een individuele vervoersvoorziening geldt dat de cliënt in staat moet zijn de voorziening veilig te gebruiken en dat er een stallingsmogelijkheid beschikbaar is of gerealiseerd kan worden.
19
Voorwaarden stonden in de nadere regels. Voorwaarden en criteria voor het verstrekken van maatwerkvoorzieningen zijn nu in de verordening opgenomen. Lid 6 is nieuw toegevoegd om de veiligheid van het gebruik van de voorziening te waarborgen.
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
Artikel 2.1.10f Aanvullende voorwaarden begeleiding individueel 1. In aanvulling op de artikelen 2.1.10 en 2.1.10a kan een cliënt in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding individueel indien de cliënt door beperkingen niet in staat is zonder ondersteuning zijn zelfredzaamheid of participatie te behouden of te vergroten. Dit kan zich voordoen bij de volgende ondersteuningsbehoeften: a. het aanleren, behouden of herstellen van praktische vaardigheden; b. het aanbrengen van structuur of het voeren van regie over het dagelijks leven; c. het vergroten of behouden van de zelfredzaamheid; d. het vergroten of behouden van maatschappelijke participatie en het voorkomen van sociaal isolement. 2. Het college maakt bij de toekenning van begeleiding individueel onderscheid naar de mate van complexiteit en regieverlies van de situatie van de cliënt: a. Regulier: indien de problematiek niet dermate complex is dat een hoge graad van deskundigheid nodig is in de omgang met de cliënt of om escalaties te voorkomen; b. Specialistisch: indien sprake is van complexe of onvoorspelbare situaties die
20
Voorwaarden stonden in de nadere regels. Voorwaarden en criteria voor het verstrekken van maatwerkvoorzieningen zijn nu in de verordening opgenomen.
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
specifieke deskundigheid vereisen; Casusregie: indien sprake is van meervoudige problematiek waarbij coördinatie tussen meerdere betrokken partijen noodzakelijk is; d. Specialistisch persoonsgericht maatwerk: indien sprake is van zeer complexe problematiek in combinatie met veiligheidsvraagstukken of maatschappelijke onrust, die een hoog niveau van deskundigheid en intensieve begeleiding vraagt. Een persoonsgerichte aanpak is noodzakelijk. c.
Artikel 2.1.10g Aanvullende voorwaarden dagbesteding 1. In aanvulling op de artikelen 2.1.10 en 2.1.10a kan een cliënt in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van dagbesteding indien de cliënt door beperkingen ondersteuning nodig heeft bij één of meer van de volgende ondersteuningsbehoeften: a. het verkrijgen of behouden van een passende en zinvolle daginvulling en dagstructuur; b. het vergroten of behouden van de zelfredzaamheid; c. het onderhouden of aangaan van sociale contacten; d. het ontlasten van mantelzorgers. 2. Dagbesteding betreft groepsgerichte begeleiding, uitgevoerd door een professional. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar doelstelling: a. Dagbesteding langer thuis: gericht op het behouden van structuur, stabiliteit en vaardigheden; b. Dagbesteding perspectief: gericht op het ontwikkelen van vaardigheden en het vergroten van maatschappelijke participatie, waaronder indien van toepassing toeleiding naar werk of opleiding.
21
Voorwaarden stonden in de nadere regels. Voorwaarden en criteria voor het verstrekken van maatwerkvoorzieningen zijn nu in de verordening opgenomen.
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
3. Onder dagbesteding wordt tevens verstaan het noodzakelijke vervoer van en naar de dagbestedingslocatie voor zover dit nodig is om van de voorziening gebruik te kunnen maken. Artikel 2.1.10h Aanvullende voorwaarden kortdurend verblijf 1.
In aanvulling op de artikelen 2.1.10 en 2.10a kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van kortdurend verblijf verlenen indien: a. dit noodzakelijk is om de mantelzorger tijdelijk te ontlasten en daarmee overbelasting te voorkomen; en b. de cliënt aangewezen is op permanent toezicht of begeleiding in de nabijheid, 2. Kortdurend verblijf omvat altijd ten minste een etmaal inclusief overnachting in een instelling of andere geschikte locatie waar toezicht aanwezig is. 3. Het kortdurend verblijf bevat niet de benodigde geneeskundige zorg of behandeling die onder de Zorgverzekeringwet of de Wet langdurige zorg valt. Artikel 2.1.10i Aanvullende voorwaarden hulp bij het huishouden 1. In aanvulling op de artikelen 2.1.10 en 2.1.10a kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van hulp bij het huishouden verlenen indien de cliënt door een beperking de ruimten die noodzakelijk zijn voor het normale gebruik van de woning niet schoon en leefbaar kan houden, en dit niet kan oplossen met behulp van het eigen netwerk of andere voorzieningen. 2. Hulp bij het huishouden is gericht op: a. het uitvoeren en overnemen van huishoudelijke taken of het samen met de cliënt organiseren en uitvoeren daarvan;
22
Voorwaarden stonden in de nadere regels. Voorwaarden en criteria voor het verstrekken van maatwerkvoorzieningen zijn nu in de verordening opgenomen.
Voorwaarden stonden in de nadere regels. Voorwaarden en criteria voor het verstrekken van maatwerkvoorzieningen zijn nu in de verordening opgenomen.
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
b. de beschikking hebben over schone kleding en textiel; c. het aanleren van vaardigheden die bijdragen aan het zelfstandig uitvoeren van huishoudelijke taken.
Artikel 2.1.10c aanvullende criteria beschermd wonen, beschermd thuis, safehouse en tijdelijk verblijf 1.Met in achtneming van artikel 2.1.10 verleent het college de maatwerkvoorziening beschermd wonen als: a.de cliënt is aangewezen op een beschermende woonomgeving, gelet op complexe psychische of psychosociale problematiek; b.de cliënt - indien aan de orde - een intramurale behandeling voor zijn psychiatrische aandoening heeft afgerond; en c.de cliënt (op termijn) een herstel/ontwikkeltraject accepteert dat met inachtneming van zijn mogelijkheden gericht is op het realiseren van een situatie waarin hij in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2.Een beschermende woonomgeving gaat gepaard met noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een instelling waar toezicht en aangewezen ondersteuning wordt geboden. Hiertoe is personeel 24 uur per dag fysiek aanwezig op de locatie van de instelling. 3.
Met in achtneming van artikel 2.1.10 verleent het college de maatwerkvoorziening beschermd thuis als: a.de cliënt is aangewezen op bescherming en toezicht in de nabijheid gelet op complexe psychische of psychosociale problematiek; b.de cliënt zelfstandig of in een geclusterde woonvorm kan wonen; c.de cliënt zelfstandig een hulpvraag kan stellen en zo mogelijk kan uitstellen, maar wel de zekerheid nodig heeft dat begeleiding oproepbaar en indien nodig beschikbaar is; en d.de cliënt (op termijn) een herstel/ontwikkeltraject accepteert dat met inachtneming van zijn mogelijkheden gericht is op het realiseren van een situatie waarin hij in staat wordt gesteld zich
Artikel 2.1.10 j Aanvullende voorwaarden beschermd wonen beschermd thuis, safehouse en tijdelijk verblijf 1. In aanvulling op de artikelen 2.1.10 en 2.1.10a, verleent het college de maatwerkvoorziening beschermd wonen als: a. de cliënt is aangewezen op een beschermende woonomgeving, gelet op complexe psychische of psychosociale problematiek; b. de cliënt ,indien aan de orde, een intramurale behandeling voor zijn psychiatrische aandoening heeft afgerond; en c. de cliënt (op termijn) een herstel- of ontwikkeltraject accepteert dat met inachtneming van zijn mogelijkheden gericht is op het realiseren van een situatie waarin hij in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2. Een beschermende woonomgeving gaat gepaard met noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een instelling waar toezicht en aangewezen ondersteuning wordt geboden. Hiertoe is personeel 24 uur per dag fysiek aanwezig op de locatie van de instelling. 3. In aanvulling op de artikelen 2.1.10 en 2.1.10a verleent het college de maatwerkvoorziening beschermd thuis als: a. de cliënt is aangewezen op bescherming en toezicht in de nabijheid gelet op complexe psychische of psychosociale problematiek; b. de cliënt zelfstandig of in een geclusterde woonvorm kan wonen; c. de cliënt zelfstandig een ondersteuningsvraag kan
23
Was-Wordt tabel zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 4.Met in achtneming van artikel 2.1.10 verleent het college de maatwerkvoorzieningen safehouse of tijdelijk verblijf als de cliënt door een (dreigende) terugval in het ziekteproces, waar verslavingsproblematiek, psychiatrische of gedragsproblematiek onderdeel van uitmaakt, (tijdelijk) is aangewezen op ondersteuning in een beschermde setting.
Artikel 2.1.10a Aanvullende criteria voor een financiële tegemoetkoming als maatwerkvoorziening 1. In aanvulling op het gestelde in artikel 2.1.10 komt een cliënt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming voor de kosten van: a. de aanschaf, aanpassing en het onderhoud van een sportvoorziening als uit het in artikel 2.1.4 bedoelde onderzoek blijkt dat de cliënt ondersteuning nodig heeft voor sporten in het kader van zelfredzaamheid en participatie, waarbij geldt dat: i. de gebruiksduur van de sportvoorziening minimaal drie jaar is en bij technische keuring moet blijken dat deze technisch niet meer functioneel is; en ii. de hoogte van de financiële tegemoetkoming voor een sportvoorziening maximaal € 3.000,bedraagt.
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
stellen en zo mogelijk kan uitstellen, maar wel de zekerheid nodig heeft dat begeleiding oproepbaar en indien nodig beschikbaar is; en d. de cliënt (op termijn) een herstel- of ontwikkeltraject accepteert dat met inachtneming van zijn mogelijkheden gericht is op het realiseren van een situatie waarin hij in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 4. In aanvulling op de artikelen 2.1.10 en 2.1.10a verleent het college de maatwerkvoorzieningen safehouse of tijdelijk verblijf als de cliënt door een terugval of dreigende terugval in het ziekteproces, waar verslavingsproblematiek, psychiatrische of gedragsproblematiek onderdeel van uitmaakt, (tijdelijk) is aangewezen op ondersteuning in een beschermde setting. 5. Artikel 2.1.10k Aanvullende criteria voor een financiële tegemoetkoming 1. In aanvulling op het gestelde in de artikelen 2.1.10 en 2.1.10a komt een cliënt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming voor de kosten van: a. de aanschaf, aanpassing en het onderhoud van een sportvoorziening als uit het in artikel 2.1.4 bedoelde onderzoek blijkt dat de cliënt ondersteuning nodig heeft voor sporten in het kader van zelfredzaamheid en participatie, waarbij geldt dat: i. de gebruiksduur van de sportvoorziening minimaal drie jaar is en bij technische keuring moet blijken dat deze technisch niet meer functioneel is; en ii.
de hoogte van de financiële tegemoetkoming voor een sportvoorziening maximaal € 3.000,- bedraagt.
24
De bestaande regeling voor een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de (eigen) auto of rolstoeltaxi vervalt. Deze regeling wordt in de praktijk al langere tijd niet meer toegepast en sluit niet meer aan bij de huidige uitvoeringspraktijk. Met het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) en de mogelijkheid om onder voorwaarden vervoersvoorzieningen via een pgb in te zetten, zijn er voldoende passende alternatieven beschikbaar. Omdat de Wmo reeds voorziet in vervoersvoorzieningen via maatwerk (zoals CVV en pgb), is er geen wettelijke noodzaak om daarnaast een financiële
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
b. een verhuizing en herinrichting als uit het in artikel 2.1.4. bedoelde onderzoek blijkt dat verhuizing naar een aangepaste of eenvoudig aan te passen woning, gelet op de beperkingen van de cliënt, een goedkoopst passende bijdrage levert aan zijn zelfredzaamheid en participatie, waarbij geldt dat de hoogte van de financiële tegemoetkoming maximaal € 3.250,- bedraagt. c. gebruik van een (eigen) auto of van een (rolstoel) taxi, waarbij geldt dat de hoogte van de financiële tegemoetkoming maximaal € 540,- per jaar bedraagt. 2. Het college kan in afwijking van het bepaalde in lid 1 een hogere financiële tegemoetkoming toekennen indien de in lid 1 opgenomen bedragen zo ver afstaan van de werkelijke kosten van de compenserende maatregel, dat de financiële tegemoetkoming geen passende bijdrage meer levert aan het verminderen of wegnemen van de gevolgen van de beperkingen.
een verhuizing en herinrichting als uit het in artikel 2.1.4. bedoelde onderzoek blijkt dat verhuizing naar een aangepaste of eenvoudig aan te passen woning, gelet op de beperkingen van de cliënt, een goedkoopst passende bijdrage levert aan zijn zelfredzaamheid en participatie, waarbij geldt dat de hoogte van de financiële tegemoetkoming maximaal € 3.250,- bedraagt. 2. Het college kan in afwijking van het eerste lid een hogere financiële tegemoetkoming toekennen indien de in het eerste lid opgenomen bedragen zo ver afstaan van de werkelijke kosten van de compenserende maatregel, dat de financiële tegemoetkoming geen passende bijdrage meer levert aan het verminderen of wegnemen van de gevolgen van de beperkingen.
tegemoetkoming voor eigen vervoer te handhaven.
Artikel 2.1.11 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt opgenomen of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en of de voorziening in eigendom of in bruikleen wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in aanvulling op lid 1 in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke voorziening wordt verstrekt en wat de beoogde doelen daarvan zijn; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en c.of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.
2.1.11 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt opgenomen of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en of de voorziening in eigendom of in bruikleen wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in aanvulling op het eerste lid in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke voorziening wordt verstrekt en wat de beoogde doelen daarvan zijn; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en c. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in aanvulling op het eerste lid in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
In lijn met artikel 2.1.17 lid 4 is lid 4 in artikel 2.1.11 toegevoegd.
3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in aanvulling op lid 1 in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
b.
25
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
a. voor welk doel het pgb moet worden aangewend; b. welke (kwaliteits-)eisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; en g. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.
a. voor welk doel het pgb moet worden aangewend; b. welke (kwaliteits-)eisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; en g. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening. 4. De client meldt zich, binnen zes maanden na de beschikkingsdatum bij de aanbieder van de maatwerkvoorziening of gebruikt het pgb binnen zes maanden voor het resultaat waarvoor het is verstrekt.
Artikel 2.1.10d Voorschrift bruikleen
Artikel 2.1.11a Voorschrift bruikleen 1. Indien het college een voorziening in bruikleen verstrekt wordt daaraan het voorschrift verbonden dat de cliënt:. a. de voorziening zorgvuldig gebruik; en; b. de bruikleenovereenkomst ondertekent en zich houdt aan de daarin opgenomen verplichitngen.
We hebben dit artikel aangepast door te vermelden dat het tekenen van de bruikleenovereenkomst een verplichting is, zodat we er consequenties aan kunnen verbinden als de client zich niet houdt aan de bruikleenovereenkomst.
Artikel 2.1.12a Onderscheid professionele en nietprofessionele zorgverlener
Het onderscheid tussen professionele en niet-professionele zorgverleners was opgenomen in de definities (2.1.1). Het is een
1. Indien het college een voorziening in bruikleen verstrekt wordt daaraan het voorschrift verbonden dat de cliënt de voorziening zorgvuldig gebruikt. 2. Als bruikleengever de voorziening inneemt omdat de cliënt de voorziening niet zorgvuldig gebruikt, onderzoekt het college de mogelijkheid om de voorziening op een andere wijze te verstrekken. 3. Mocht de voorziening niet op een ander wijze zijn te verstrekken dan kan het college het besluit tot het verstrekken van de voorziening intrekken.
1. Bij het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget maakt het college
26
Was-Wordt tabel
CONCEPT
onderscheid tussen professionele en nietprofessionele zorg. Van professionele zorg is sprake indien de ondersteuning wordt verleend door personen die: a. werkzaam zijn bij een instelling die ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), beschikken over een passende kwalificatie of diploma dat aansluit bij de aard van de ondersteuning, en niet behoren tot het sociaal netwerk van de cliënt; of b. werkzaam zijn als zelfstandige zonder personeel (zzp’er), ingeschreven staan in het Handelsregister, beschikken over een passende kwalificatie of diploma dat aansluit bij de aard van de ondersteuning, en niet behoren tot het sociaal netwerk van de cliënt. Voor professionele zorg gelden de kwaliteitseisen zoals opgenomen in artikel 2.1.23a. Van niet-professionele zorg is sprake indien: a. de ondersteuning wordt geboden door personen die niet voldoen aan de criteria genoemd in het tweede lid; of b. de ondersteuning wordt geboden door personen die wel voldoen aan de criteria genoemd in het tweede lid, maar behoren tot het sociaal netwerk van de cliënt. Voor niet-professionele zorg gelden de kwaliteitseisen zoals opgenomen in artikel 2.1.23.
belangrijk onderscheid voor de tariefstelling en kwaliteitseisen;
Artikel 2.1.13 Regels voor een pgb 1. De cliënt of diens vertegenwoordiger dient een budgetplan in waarin in ieder geval is opgenomen: a. welke voorziening met het pgb wordt ingekocht en bij welke uitvoerder;
We maken transparant welke eisen we stellen aan het verstrekken van een pgb. We maken duidelijk welke eisen we stellen aan de vertegenwoordiger. Dit ter
2.
3. 4.
5.
Artikel 2.1.13 Regels voor een pgb 1. De cliënt of diens vertegenwoordiger dient een budgetplan in waarin in ieder geval is opgenomen: a. waar de cliënt zijn ondersteuning zal inkopen; b. op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan zijn participatie en zelfredzaamheid
Integrale verordening SD 1 en 2
27
Was-Wordt tabel
CONCEPT
c.
hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; d. welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, de cliënt van het budget wil betrekken; en e. indien van toepassing, welke van deze maatregelen de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. 2. Indien de cliënt ondersteuning wenst te betrekken van een persoon uit het sociaal netwerk: a. wordt door de cliënt of diens vertegenwoordiger gemotiveerd aangegeven dat dit tot een gelijkwaardig of beter resultaat leidt dan bij de inzet van een dienst in natura; b. kan het college via een onafhankelijke en daartoe deskundige derde laten toetsen of deze persoon verantwoorde ondersteuning kan leveren. 3. Bij voorzieningen, als bedoeld in artikel 2.1.12 lid 2 onder a, is de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt gelijk aan de afschrijvingstermijn van de vergelijkbare in natura verstrekte voorzieningen. 4. Het college kan nadere regels stellen over de voorschriften die worden verbonden aan het pgb
2. 3.
4. 5.
Integrale verordening SD 1 en 2
b. de motivatie om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen c. hoe de cliënt zelf of met hulp van een vertegenwoordiger of iemand uit het sociale netwerk, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze zal uitvoeren; d. hoe de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en op welke wijze wordt vastgesteld dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt; e. de kosten van de voorziening, uitgedrukt in eenheden en tarief. Indien met het pgb begeleiding of dagbesteding wordt ingekocht, wordt tevens een ondersteuningsplan toegevoegd. Indien de cliënt ondersteuning wenst in te kopen bij een persoon uit het sociale netwerk, motiveert de cliënt of diens vertegenwoordiger dat deze ondersteuning ten minste een gelijkwaardig resultaat oplevert als ondersteuning door een professionele aanbieder. Het college kan, indien nodig, laten toetsen of de persoon, bedoeld in het derde lid, verantwoorde ondersteuning kan leveren. Indien de cliënt gebruikmaakt van een vertegenwoordiger bij het beheer van het pgb, geldt dat: a. de vertegenwoordiger niet tevens de zorgverlener mag zijn; b. de vertegenwoordiger geen directe familiaire of zakelijke relatie mag hebben met de zorgverlener of met de organisatie waar de zorg wordt ingekocht; c.
de vertegenwoordiger in staat moet zijn de belangen van de cliënt onafhankelijk te behartigen en het pgb op verantwoorde wijze te beheren.
28
bescherming van de client, zodat deze verzekerd is van de juiste ondersteuning en dat pgb goed wordt beheerd. Verduidelijking voorwaarden; meer grip op rechtmatige besteding.
Was-Wordt tabel
CONCEPT
Integrale verordening SD 1 en 2
6 Het persoonsgebonden budget mag in ieder geval niet worden besteed aan: a. b. c. d. e.
Artikel 2.1.14 Hoogte pgb 1. De hoogte van een pgb, met uitzondering van een pgb voor beschermd wonen, wordt: a. vastgesteld aan de hand van een door de cliënt of diens vertegenwoordiger opgesteld budgetplan, bedoeld in artikel 2.1.13 lid 1; b. berekend op basis van een prijs of tarief: i. waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten of andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van een professionele dienstverlener te betrekken; ii. waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten en het gestelde onder iv en v; iii. waarmee indien van toepassing, het pgb toereikend is om diensten of andere maatregelen van een niet-professionele dienstverlener of persoon die behoort tot het sociale netwerk te betrekken,
kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; kosten voor het voeren van een pgbadministratie; kosten voor ondersteuning bij het aanvragen of beheren van een pgb; kosten voor een feestdagenuitkering of een eenmalige uitkering; kosten voor het aanvragen van een VOG
7 pgb bevat geen vrij-besteedbaar bedrag Artikel 2.1.14 Hoogte pgb 1. De hoogte van een pgb, wordt: a. vastgesteld aan de hand van een door de cliënt of diens vertegenwoordiger opgesteld budgetplan als bedoeld in artikel 2.1.13 eerste lid; b. berekend op basis van een prijs of tarief: i. waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten of andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van een professionele zorgverlener te betrekken; ii. waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten en het gestelde onder iv, v en vi; iii. waarmee indien van toepassing, het pgb toereikend is om diensten of andere maatregelen van een niet-professionele zorgverlener of persoon die behoort tot het sociale netwerk te betrekken, rekening houdend met het onder vii en vii gestelde tarief, iv. voor een hulpmiddel, woningaanpassing of aanpassing van de eigen auto: op maximaal 100% van de kostprijs van de goedkoopste