CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Zandheuvelweg3-gecomprimeerd

Gemeenteraad 13 oktober 2022, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Zandheuvelweg 318.932 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

bestemmingsplan

35

bestemmingsplan Zandheuvelweg3

5.1.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmeringen voor het bestemmingsplan. Onderzoek naar PFAS is in het onderzoek ten behoeve van dit bestemmingsplan niet meegenomen. Indien bij het graven ten behoeve van de nieuwbouw grond vrijkomt (afvoer/hergebruik) wordt geadviseerd om aanvullend een partijkeuring inclusief PFAS uit te voeren.

5.2

Waterhuishouding

5.2.1

Wettelijk kader

Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Vanuit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geldt de verplichting tot het doorlopen van het watertoetsproces bij een bestemmingsplanwijziging. Binnen dit proces wordt een afweging gemaakt van het waterbelang binnen de ruimtelijke planprocessen. Ruimtelijke wijzigingen kunnen een aandeel leveren in het bevorderen van de waterkwaliteit, maar mogen zeker niet leiden tot verslechtering van de waterkwaliteit. Deze verplichte watertoets geldt alleen voor ruimtelijke besluiten waar sprake is van belangrijk ruimtelijke ingrepen. Waterschap Vallei en Veluwe Vanuit het waterschap Vallei en Veluwe zijn er ook een aantal gebiedsspecifieke aandachtspunten: Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen.

Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. In de keur van Waterschap Vallei en Veluwe is bepaald dat er geen watercompenserende maatregelen nodig zijn als sprake is van een toename van minder dan 0,15 ha (1500 m²) verharding binnen het stedelijk gebied. Het Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP) Het Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP) beschrijft hoe de gemeente haar zorgtaken voor afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater uitvoert. De watertaken van de gemeente bestaan uit het inzamelen en afvoeren of verwerken van stedelijk afvalwater en hemelwater.

Voor zover doelmatig neemt de gemeente maatregelen tegen grondwateroverlast en zorgt zij samen met het waterschap Vallei en Veluwe dat het stedelijk oppervlaktewater schoon, veilig en beleefbaar is. Bewoners en bedrijven hebben ook een taak. Zo moeten zij zelf voor de voorzieningen op hun perceel zorgen. In sommige gebieden en situaties moeten zij ook het hemelwater bergen en verwerken of

36

bestemmingsplan

bestemmingsplan Zandheuvelweg3 afvoeren, of zelf maatregelen nemen tegen grondwaterproblemen. In dit GRWP zijn speerpunten benoemd die de komende planperiode extra aandacht krijgen. Het meest omvangrijk is het scheiden van vuil water en schoon hemelwater, ook op particulier terrein. In een groot deel van Veenendaal ligt een gemengd rioolstelsel, waarbij het vuile en schone water door dezelfde buis wordt afgevoerd. De gemeente zet het vervangen van de gemengde rioolstelsels door gescheiden systemen voort. Het schone hemelwater wordt van de riolering afgekoppeld. Het helpt om wateroverlast tegen te gaan en de gemeente klimaatbestendig te maken. Daarnaast is het goed voor het milieu. 5.2.2

Toetsing bouwplan

Het gaat om een verplaatsing van een woonperceel. Met de ontwikkeling van de nieuwe woning wordt er minder dan 1500 m2 nieuw verhard oppervlak gerealiseerd. Uit de digitale watertoets uitgevoerd op 22 april 2022, blijkt dat het plan geen belangen van het Waterschap raakt. Met de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling is en wordt rekening gehouden met de in de vorige paragraaf door het waterschap aangegeven uitgangspunten. In de exploitatieovereenkomst is met de initiatiefnemer afgesproken dat het hemelwater op eigen terrein verwerkt moet worden. 5.2.3

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmeringen voor het plan.

5.3

Externe veiligheid

Externe veiligheid is de kans om te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Beleid en regelgeving op dit gebied is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege: a. het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); b. het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, waterwegen en spoorwegen; c. het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Met betrekking tot risico's wordt onderscheid gemaakt in twee risicomaten: Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als het risico op een plaats buiten een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Binnen de wet- en regelgeving zijn aan deze definitie grens- en richtwaarden opgehangen ten aanzien van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.

Het groepsrisico is gedefinieerd als cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. In wet- en regelgeving is aan het groepsrisico een oriënterende waarde toegekend als indicator voor de omvang van een ramp en een afwegingsproces gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, rampenbestrijding en resteffecten.

5.3.1

Wettelijk kader

De regelgeving voor inrichtingen met (over het algemeen) grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen is samengebracht in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit Besluit is aangegeven welke bedrijven bij het verlenen van een milieuvergunning of het nemen van een besluit op grond van de Wro nadere aandacht behoeven. De wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid biedt geen absolute veiligheid. Een kleine kans op een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen wordt geacht tot het normaal maatschappelijk risico te behoren. Getracht wordt om door middel van regelgeving de gevolgen zo veel als mogelijk is te

bestemmingsplan

37

bestemmingsplan Zandheuvelweg3 beperken. De regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen is neergelegd in het “Besluit transportroutes externe veiligheid”. Deze wetgeving verankert het zogenaamde Basisnet en daarmee is de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen per 01-04-2015 vervallen. Externe veiligheid in relatie tot transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) dat op 01-01-2011 in werking is getreden.

5.3.2

Toetsing bouwplan

Getoetst is aan de volgende regelgeving: • Besluit externe veiligheid inrichtingen; • Besluit externe veiligheid buisleidingen; • Besluit externe veiligheid transportroutes; • Activiteitenbesluit (gedeeltelijk); • Vuurwerkbesluit (gedeeltelijk); • Wet vervoer gevaarlijke stoffen (gedeeltelijk); • Beleid ten aanzien van elektromagnetische straling. Gelet op de afstanden en beoogde ontwikkeling worden er geen belemmeringen verwacht en aanzien van externe veiligheid.

5.3.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor het plan.

5.4

Archeologie

5.4.1

Wettelijk kader

In 1992 ondertekende Nederland het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed – kortweg ‘het Verdrag van Malta’ (of Valletta). Sindsdien is het uitgangspunt van het (rijks)beleid dat archeologische waarden volwaardig meetellen in beslissingen over de ruimtelijke inrichting van ons land. De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) heeft als doel bodemverstorende activiteiten beter te reguleren. Centraal daarbij staat de verplichting om archeologische waarden in bestemmingsplannen vast te leggen. Gemeenten zijn daarbij bevoegd gezag inzake de omgang met archeologische waarden. Binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid hebben zij de vrijheid naar eigen inzicht financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de zorg voor de archeologie binnen hun grondgebied. Het verdrag is in 2007 wettelijk verankerd in de herziene Monumentenwet 1988. Een deel hiervan is op 1 juli 2016 overgegaan naar de Erfgoedwet. Zowel archeologie als een deel van cultuurhistorie zijn namelijk sinds 1 juli 2016 verankerd in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. In juli 2015 nam de Tweede Kamer een amendement op de Omgevingswet aan, waarin gesteld wordt dat gemeente de archeologische dubbelbestemmingen beter moeten onderbouwen.

Daarbij is van belang dat de archeologische monumenten aantoonbaar moeten worden gemaakt. Het archeologisch erfgoed heeft hiermee een prominente plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde "veroorzakerprincipe". Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige

38

bestemmingsplan

bestemmingsplan Zandheuvelweg3 archeologische waarden. Gemeenten dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1 en 3.38 Wro altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat gemeenten het kader moeten stellen voor de archeologische monumentenzorg. Zij hebben dus een kerntaak in de uitvoering van de archeologische monumentenzorg en moeten bij ruimtelijke besluitvorming het archeologische belang afwegen tegen de andere belangen. In de afgelopen 8 jaar zijn diverse archeologische onderzoeken binnen de gemeente uitgevoerd en zijn er nieuwe bronnen beschikbaar die relevant zijn voor de archeologische verwachting. Daarom is de archeologische beleidskaart uit 2010 geactualiseerd en heeft er een verfijning plaatsgevonden van het verwachtingenmodel. Dit heeft geresulteerd in een geactualiseerde archeologische beleidskaart die op 25 juni 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld. De beleidskaart is vervolgens juridisch vertaald in het bestemmingsplan 'Parapluplan 2020', welke eveneens is vastgesteld door de raad op 25 juni 2020.

5.4.2

Toetsing bouwplan

Binnen het plangebied zijn op een paar plekken op basis van het Parapluplan 2020 de acheologische verwachting Hoog en Middelhoog. Voor de verwachting Hoog geldt een onderzoeksplicht voor ingrepen in de bodem die groter zijn dan 1.000 m2 en dieper gaan dan 50 cm. Voor Middelhoog geldt een onderzoeksplicht voor ingrepen in de bodem die groter zijn dan 5000 m2 en dieper gaan dan 50 cm. Het bouwvlak waar de woning is gesitueerd ligt niet binnen deze gebieden. De gebieden met verwachtingswaarden hebben op basis van het vorige bestemmingsplan de bestemmingen Agrarisch met waarden en Bos en behouden voor het grootste gedeelte deze bestemmingen. Een klein deel van de tuin van de woonbestemming valt binnen de verwachtingswaarde Middelhoog. Hier is echter ook geen grootschalige bebouwing mogelijk. Voor de gebieden met verwachtingswaarden zijn geen bodemingrepen gepland groter dan 1000 m2 respectievelijk 5000 m2 en dieper dan 50 cm. Er is dan ook geen archeologie onderzoek noodzakelijk. De beide archeologische verwachtingen zijn als dubbelbestemming in onderhavig bestemmingsplan opgenomen. 5.4.3

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er kan echter niet worden uitgesloten dat bij uitvoering van de werkzaamheden archeologische vondsten worden gedaan. Voor dergelijke (toevals)vondsten geldt de wettelijke meldplicht als genoemd in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Dit houdt in dat als bij uitvoering van de werkzaamheden wordt vermoed dat er sprake is van een archeologische vondst, dit moet worden gemeld bij de bevoegde overheid (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

5.5

Cultuurhistorie

5.5.1

Wettelijk kader

De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Bij de inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingswet zal de afweging van cultuurhistorie een rol krijgen in het nieuwe Omgevingsplan. In dit Omgevingsplan zullen vele aspecten geregeld kunnen worden waarvoor nu nog afzonderlijke instrumenten bestaan. Volgens het nu nog geldende Besluit ruimtelijke ordening (Bro artikel 3.6.1) is de gemeente verplicht om in de toelichting van het bestemmingsplan (Omgevingsplan) een gemotiveerde beschrijving op te nemen van de wijze waarop rekening gehouden is met de aanwezige cultuurhistorische waarden (gebouwd erfgoed, archeologie en cultuurlandschap). Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Dit betekent dat de gemeente een analyse moet maken van de cultuurhistorische waarden in een gebied en daar conclusies aan verbindt die in een bestemmingsplan

bestemmingsplan

39

bestemmingsplan Zandheuvelweg3 (Omgevingsplan) verankerd worden. 5.5.2

Cultuurhistorische kenmerken

In 2018 is de cultuurhistorische waardenkaart door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit kenmerkenkaarten voor de disciplines landschap en gebouwde omgeving, uit waardenkaarten voor diezelfde aspecten, uit een viertal themakaarten en uit een integrale ensemblekaart, waarop de gebieden die staan die – samen met de sectorale landschappelijke en gebouwde kaarten – het palet aan cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Veenendaal laten zien. De thema’s waarop in het bijzonder ingezoomd is, zijn vervening, industrie, religie en militair erfgoed. Deze vier thema’s vormen een belangrijk deel van het ‘verhaal van Veenendaal’, waarvan in wisselende hoeveelheden ook nog relicten in het huidige Veenendaal – ondergronds, landschappelijk of gebouwd – terug te vinden zijn. De belangrijke delen van de cultuurhistorische waardenkaart zijn opgenomen in de beleidsnota Erfgoed, "van historische waardering naar beleid".

5.5.3

Toetsing bouwplan

In de Provinciale Verordening is het gebied rond de Zandheuvelweg opgenomen binnen de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. Het gebied is aangeduid als agrarisch cultuurlandschap en archeologisch waardevolle zone. Zie onderstaande afbeelding.

Op de Cultuurhistorische waardenkaart van Veenendaal is het gebied ten zuiden van de Dijkstraat hoog gewaardeerd, vanwege de herkenbaarheid van de landschappelijke structuur. Daarnaast is het gebied aangeduid als integraal ensemble. De integrale ensembles vertegenwoordigen een combinatie van de historisch landschappelijke structuur, stedenbouwkundige ensembles en historische bouwkunst. Deze integrale ensembles weerspiegelen de belangrijkste herkenbare structuren binnen Veenendaal.

40

bestemmingsplan

bestemmingsplan Zandheuvelweg3

Zuidelijk van het ensemble van de Dijkstraat bevindt zich rond de Zandheuvelweg een deel van het landgoed Prattenburg. Het gaat om uitlopers van het bosgebied van de Heuvelrug, die als lijnvormige houtwallen de langgerekte agrarische gronden omlijsten. Hierdoor is de karakteristieke verkaveling nog goed herkenbaar. In deze houtwallen ligt een aantal wandelpaden die de bebouwde kom van Veenendaal verbinden met het bosgebied van Prattenburg. Er staan nog enkele fraaie boerderijen, waarbij ook de achterliggende strokenverkaveling nog gaaf bewaard is gebleven. Het ensemble loopt verder door in de gemeente Rhenen en is dus onderdeel van een groter geheel. De landgoedkern van Prattenburg ligt immers op Rhenens grondgebied. Het ensemble is onderdeel van het buitengebied. De cultuurhistorische waarden zijn sterk verbonden met de landschappelijke opbouw van het gebied.

Situatie 1925 (bron Topotijdreis)

bestemmingsplan

41

bestemmingsplan Zandheuvelweg3

Situatie 1945 (bron Topotijdreis)

Situatie 1975 (bron Topotijdreis) Het bouwplan betreft een verplaatsing van een woning binnen het landschappelijk raamwerk. Het historisch coulisselandschap dat nog herkenbaar is blijft behouden. Hoewel de woning meer zichtbaar in het open landschap komt te liggen, is er wel sprake van een concentratie van bebouwing doordat de woning aansluit bij de woonbebouwing van de Zandheuvelweg en een boomstructuur wordt aangebracht die de oude kavelstructuur van smalle stroken versterkt. Zoals de situatie in 1925 en 1945. Op de kaart uit 1975 is te zien dat er meer verspreide bebouwing aanwezig was, bijvoorbeeld bij Zandheuvelweg 7. Het bouwplan sluit hierop aan. De woning wordt nu gebouwd, waar eerder agrarische bebouwing aanwezig was. Er zijn in de loop van de tijd op meerdere plekken kavels achter elkaar geplaatst in dit gebied.

5.5.4

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het plan.

42

bestemmingsplan

bestemmingsplan Zandheuvelweg3

5.6

Ontplofbare oorlogsresten

Het is bekend dat in de gemeente Veenendaal tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen zijn geweest. Dit houdt in dat er op plaatsen mogelijk ontplofbare oorlogsresten (OO) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Uit de praktijk is gebleken dat circa 10% van de afgeworpen bommen niet is geëxplodeerd en in de bodem is achtergebleven als blindganger. De gemeente Veenendaal heeft in mei 2018 beleid ten aanzien van OO vastgesteld. Door het vaststellen van een gemeentelijk beleid wordt geborgd dat activiteiten met betrekking tot OO binnen de gemeente worden getoetst en daar waar nodig beheersmaatregelen kunnen worden genomen en/of voorgeschreven. Het beleid is tevens bedoeld om eenieder die van plan is grondroerende werkzaamheden binnen de gemeente uit te voeren, te verplichten de benodigde acties te ondernemen met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid en risico's van OO op de betreffende locatie. Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) OO wordt alleen uitgevoerd om het risico met betrekking tot OO weg te nemen, en daarmee een veilige werkomgeving en leefomgeving te creëren tijdens uit te voeren werkzaamheden of activiteiten. Dit is ook de reden dat de gemeente Veenendaal altijd ingelicht moet worden als er projectmatig bodemroerende activiteiten plaatsvinden binnen gebieden die als verdacht zijn aangemerkt.

Vanwege voortschrijdende inzichten in de gebeurtenissen tijdens de Tweede Oorlog heeft er in 2020 een update van de bodembelastingkaart conventionele explosieven plaatsgevonden.

bestemmingsplan

43

bestemmingsplan Zandheuvelweg3

Afbeelding overzicht verdachte gebieden uit het Vooronderzoek Conventionele Explosieven Gemeente Veenendaal, door Expload Explosieven Adviseurs, kenmerk RAP1715401_1003D1, d.d. 9 oktober 2020

44

bestemmingsplan

bestemmingsplan Zandheuvelweg3

5.6.1

Toetsing bouwplan

De locatie als onverdacht te beschouwen op de aanwezigheid van Niet Gesprongen Conventionele Explosieven (NGCE) in de bodem. Er zijn binnen het plangebied geen oorlogshandelingen en/of bombardementen bekend. In het getoetste vooronderzoek, inclusief de CE bodembelastingkaart, is aangetoond dat er binnen het plangebied geen sprake is van verdachte (deel)gebieden. Graafwerkzaamheden in de bodem van het plangebied kunnen regulier worden uitgevoerd. 5.6.2

Conclusie

Vanuit het aspect ontplofbare oorlogsresten zijn er geen belemmeringen om aan het plan mee te werken. Kanttekening Ook binnen onverdacht gebied geldt dat het nooit volledig kan worden uitgesloten dat er onverwachts een NGCE wordt aangetroffen tijdens werkzaamheden, denk aan een afzwaaier. Bij het aantreffen van zo’n toevalsvondst, moet het werk direct worden stilgelegd en moeten de volgende acties worden ondernomen: • Het explosief niet beroeren; • De werkzaamheden ter plaatse onmiddellijk te staken; • Omstanders uit de omgeving van het explosief houden; • De plaatselijke politie van de vondst op de hoogte stellen; • Instructies van aanwezige deskundigen strikt op te volgen; • Indien nodig en op aanwijzing van aanwezige deskundigen extra beschermende maatregelen uitvoeren voor in de omgeving aanwezige personen of levende have.

5.7

Ecologie

5.7.1

Wettelijk kader

Voor ecologie moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met soortbescherming en met gebiedsbescherming. De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming zorgt voor een goede natuurbescherming van planten- en diersoorten, natura 2000-gebieden en bossen. Sommige plant- en diersoorten worden beschermd omdat ze als kwetsbaar worden gekenmerkt. De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet, en de Flora- en Faunawet zijn vanaf 1 januari 2017 opgenomen in de Wet natuurbescherming. De provincie is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierna worden de soortbescherming, gebiedsbescherming en bescherming houtopstanden nader belicht omdat ze voor het bestemmingsplan van belang zijn. Soortbescherming Een belangrijk doel van de wet is het beschermen van alle soorten planten- en dieren die in het wild in Nederland voorkomen. De wet gebiedt dat alle in het wild levende dieren en planten in principe met rust worden gelaten, wat is vastgelegd in de algemene zorgplicht. In de regelgeving heeft de gunstige staat van in stand houding van soorten een prominentere plek gekregen. De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Provincies hebben de mogelijkheid om voor bepaalde soorten aanvullende maatregelen vast te stellen. De provincie Utrecht heeft hiervoor al een lijst opgesteld met prioritaire soorten en aanvullende maartregelen per soort. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is van toepassing op natuurgebieden die door de overheid zijn aangewezen in

bestemmingsplan

45

bestemmingsplan Zandheuvelweg3 het kader van de vogelrichtlijn en/of de habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn richt zich op de bescherming van natuurlijke habitats en leefgebieden van aangewezen planten- en dierensoorten. De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming van leefgebied van beschermde vogelsoorten. Belangrijk is dat ruimtelijke projecten niet zonder meer mogen worden gerealiseerd in beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Projecten die in de nabijheid van beschermde natuurgebieden (inclusief de Habitatrichtlijngebieden) worden geprojecteerd, dienen te worden getoetst op de mogelijke negatieve effecten die zij op deze gebieden kunnen hebben (externe werking). Indien een negatief effect vermoed wordt dan moet bij de Provincie een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd worden. De Provincie zal naar aanleiding van de aanvraag een beschikking opstellen. De beschikking kan een verbod van het project betekenen of voorwaarden verbinden aan de uitvoer. De Wet natuurbescherming beschermt geen gebieden buiten de natura 2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland Naast de volgens de wet aangewezen gebieden kent Nederland het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS).

Het NNN is bedoeld voor het ontwikkelen van ecologische zones tussen verschillende natuurgebieden zodat populaties met elkaar in verbinding blijven en versnippering van natuur wordt tegen gegaan. Het is uiteraard niet wenselijk dat een ontwikkeling een verstorende werking heeft op de functie van deze verbindingszones. Deze zones zijn niet beschermd volgens de Wet natuurbescherming maar krijgen planologische bescherming doordat deze in bestemmingsplannen worden opgenomen. Projecten en bestemmingsplannen worden getoetst aan dit provinciale beleid. Bescherming houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m 2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. 5.7.2

Toetsing bouwplan

Samenvatting van het ecologisch onderzoek: Soortenbescherming De planlocatie vervult mogelijk een functie voor de amsalamander, maar de beoogde ontwikkeling leidt niet tot een negatieve invloed op de soort. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Een gedeelte van de planlocatie valt binnen het Natuurnetwerk Nederland, maar hier worden geen ontwikkelingen uitgevoerd. Het voormalige woonperceel grenst aan het Natuurnetwerk Nederland. Op het voormalige woonperceel is alle bebouwing gesloopt en wordt bos aangeplant. Ook op een gedeelte van het naastgelegen perceel wordt bos aangeplant. Hiermee wordt het bestaande bos dat deel uit maakt van het Natuurnetwerk Nederland versterkt. Tevens behoort een gedeelte van de planlocatie tot de Groene Contour. De initiatiefnemer is in overeenstemming gekomen met gemeente en provincie over de ontwikkeling in de Groene Contour. Binnen de Groene contour wordt een bos aangelegd en een extra bomenrij langs het woonperceel en verder richting het zuiden geplant.

Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie, is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening is niet noodzakelijk. Houtopstanden

46

bestemmingsplan

bestemmingsplan Zandheuvelweg3

In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is derhalve niet van toepassing. Zoals hierboven aangegeven grenst het voormalige woonperceel aan het bos dat deel uitmaakt van het NNN. Alle bebouwing op het perceel is gesloopt en op het perceel wordt bos aangeplant. Ook op een gedeelte van het naastgelegen perceel wordt bos aangeplant. Hiermee wordt het bestaande bos versterkt. Daarnaast wordt een extra bomenrij langs het woonperceel en verder richting zuiden geplant. 5.7.3

Conclusie

De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. De gewone of ruige dwergvleermuis was op basis van eerdere ecologische rapporten nog niet geheel uitgesloten. Bij de sloop van de voormalige woonbebouwing zijn echter geen verblijfplaatsen aan getroffen. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Zie voor de te treffen maatregelen bijlage 4 Ecologierapport

5.8

Geluid

5.8.1

Wettelijk kader

Tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh) is een koppeling gelegd. Dat blijkt uit art. 76 en 76a van de Wgh. Dit betekent dat de geluidssituatie binnen het plangebied moet voldoen aan de voorwaarden uit de Wgh. Als nadere invulling van deze voorwaarden heeft de gemeente Veenendaal de beleidsregel hogere waarden Wgh opgesteld. In het kader van de Wet geluidhinder liggen er zones rond wegen en spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen. Wegen op een woonerf of met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen zone. Binnen een zone moet voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, onderzoek worden gedaan naar de geluidbelasting. Binnen de geluidszone geldt een voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting ter plaatse van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. Hierbij geldt een afzonderlijke toetsing per weg, spoorweg of industrieterrein. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde moet worden onderzocht of geluid reducerende maatregelen getroffen kunnen worden, waarbij de volgorde bron- overdracht- en ontvangermaatregelen de voorkeur geniet. Beleidsregel hogere waarden Pas als blijkt dat niet aan de voorkeurswaarde kan worden voldaan kan het college van Burgemeester en Wethouders een hogere waarde verlenen (ontheffing van de voorkeurswaarde). Hierbij geldt wel een maximale ontheffingswaarde.

Voordat een hogere waarde vast te stellen dienen bron- en overdrachtsmaatregelen afgewogen te worden. In deze beleidsregel worden randvoorwaarden genoemd voor het toestaan van hogere geluidsbelastingen dan de voorkeurswaarde. De voorwaarden zijn geformuleerd als eis of als inspanningsverplichting. Indien niet aan de inspanningsverplichting kan worden voldaan dient de initiatiefnemer te motiveren waarom dit niet kan of waarom voor een alternatieve oplossing is gekozen. 5.8.2

Toetsing bouwplan

Het plan ligt niet binnen een geluidzone van een weg, spoorweg of geluidgezoneerd industrieterrein. Bij het wijzigen van een bestemmingsplan naar wonen (of andere geluidgevoelige bestemming) en bouwen van woningen is toetsing aan de Wet geluidhinder verplicht. Het plangebied ligt echter niet in de geluidzone van een weg, spoorweg of industrieterrein. Een akoestisch onderzoek is daarmee formeel niet noodzakelijk. Op basis van een goede ruimtelijke ordening is gekeken naar de geluidbelasting voor wegverkeer op basis van het Geoportaal van de Omgevingsdienst Utrecht. Hieruit blijkt dat de geluidbelasting minder is dan 38 dB. Hiermee is voldoende aannemelijk dat sprake is van een goed woon en leefklimaat. Verdere

bestemmingsplan

47

bestemmingsplan Zandheuvelweg3 akoestische afweging is niet meer aan de orde.

Afbeelding Gecumuleerde geluidsbelasting veroorzaakt door wegverkeerslawaai inclusief aftrek art.110 Wgh (Geoportaal ODRU) is nieuwe locatie woonperceel 5.8.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmeringen voor het plan.

5.9

Bedrijven- en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. De basis hiervoor vormt de Wet milieubeheer. In de VNG handreiking 'bedrijven en milieuzonering' 2009 zijn de aan te houden afstanden opgenomen. Hieraan wordt het plan dan ook getoetst. Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) dienen binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. 5.9.1

Toetsing bouwplan

Er zijn geen nabijgelegen bedrijfsfuncties die in haar (toekomstige) ontwikkelingen wordt beperkt: Planlocatie is gelegen in het buitengebied. De omgeving kan voor de VNG richtafstanden worden getypeerd als ‘rustig buitengebied’. Er is geen functie bedrijven aanwezig op korte afstand van planlocatie. Daarmee is de realisatie van gewenste ontwikkeling niet beperkend voor omliggende bedrijven, en is er ook geen sprake van een nadelig effect op een aangenaam woon- en leefklimaat op planlocatie, veroorzaakt door een nabijgelegen functie bedrijf. Bestemming ten oosten van planlocatie is niet belemmerend voor en door gewenste ontwikkeling: Ten oosten van planlocatie ligt Landgoed Prattenburg, met onder andere de bestemming wonen ten behoeve van een drietal woningen. De realisatie van een woning op planlocatie heeft geen nadelige invloed op het aangename woon- en leefklimaat op het landgoed. De aanwezigheid van het landgoed met bestemming ‘wonen’ heeft tegelijkertijd geen nadelig effect op een aangenaam woon- en leefklimaat op planlocatie. Nabijgelegen bestemming wonen ten noorden van planlocatie is niet beperkend voor en door gewenste ontwikkeling: Ten noorden van planlocatie, ligt de bestemming wonen. Binnen deze bestemming zijn beroepsmatige activiteiten in of bij de woning toegestaan.

Hieronder vallen kleinschalige activiteiten die bij de bestemming wonen passen, zoals administratief of juridisch beroep aan huis. Deze vallen onder 48

bestemmingsplan

bestemmingsplan Zandheuvelweg3 milieucategorie 1 en hebben een richtafstand van 10 meter. Hier wordt aan voldaan. Daarmee is realisatie van gewenste ontwikkeling niet beperkend voor nabijgelegen bestemming wonen. Tevens heeft de realisatie van een woning op planlocatie geen nadelig effect op het aangename woon- en leefklimaat van de ten noorden aanwezige woonbestemming. Ook omgekeerd zal deze reeds aanwezige functie wonen geen nadelig effect hebben op een aangenaam woon- en leefklimaat op planlocatie. 5.9.2

Conclusie

Het aspect Bedrijven- en milieuzonering vormt geen belemmeringen voor het plan.

5.10

Luchtkwaliteit

5.10.1 Wettelijk kader Voor luchtkwaliteit zijn de luchtkwaliteitseisen (hoofdstuk 5.2) van de Wet milieubeheer van kracht. Hierin is vastgelegd dat onder meer ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. Deze Wet is nader uitgewerkt in Besluiten en Regelingen, waarvan het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate (nibm), het Besluit gevoelige bestemmingen en de Regeling beoordeling de belangrijkste zijn. Daarnaast is ook het beginsel van een goede en duurzame ruimtelijke ordening van belang. Niet in betekenende mate (nibm) Alleen projecten die ‘in betekenende mate’ bijdragen aan de concentraties luchtvervuiling worden getoetst aan de grenswaarden. Er dient te worden onderzocht of een project ‘in betekenende’ mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Het Besluit nibm bepaalt dat een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtvervuiling als deze minder is dan 3% van de grenswaarde, ofwel 1,2 microgram per m3. De Regeling nibm is hier een nadere uitwerking van. Hierin is bepaald dat woningbouwprojecten tot 1.500 woningen en kantoren tot 100.000 m 2 zijn vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. Besluit gevoelige bestemmingen Kinderen, ouderen en zieken zijn gevoeliger voor luchtvervuiling en worden daarom extra beschermd.

Op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen gelden voor gevoelige bestemmingen nabij wegen zwaardere beperkingen. Zo mogen binnen 300 meter van rijkswegen en 50 meter vanaf provinciale wegen geen bestemmingen voor langdurig verblijf als kinderdagverblijven, scholen of verzorgingstehuizen worden gebouwd, als de wettelijke grenswaarden worden overschreden. Het Besluit verplicht overheden om onderzoek uit te voeren naar de concentraties stikstofdioxide en fijn stof. Voor gemeentelijke wegen geldt een zwaardere motiveringsplicht. Concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof De Omgevingsdienst heeft de concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof voor het jaar 2015 en 2025 berekenend met het rekenmodel GeoMilieu. De wettellijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde ligt op 40 microgram per m3. De uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 microgram per m3 wordt overschreden wanneer de concentraties gemideld op jaarbasis boven de 60 microgram per m3 uitkomen.

5.10.2 Toetsing bouwplan De concentraties van stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof voldoen aan de wettelijke normen: De huidige en toekomstige concentraties stikstofdioxide (NO 2 ), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) voldoen aan de Nederlandse normen. Hieronder is een tabel weergegeven met de huidige en toekomstige concentraties (afkomstig van de website van de ODRU).

bestemmingsplan

49

bestemmingsplan Zandheuvelweg3

De toekomstige concentraties van fijn stof en zeer fijn stof voldoen aan de WHO advieswaarden: De WHO heeft advieswaarden gepubliceerd voor de concentraties PM10 en PM2,5 waarboven schadelijke effecten op de gezondheid optreden. De GGD sluit zich aan bij deze waarden. De toekomstige concentraties van PM10 voldoen aan deze advieswaarden. Voor PM2,5 worden de advieswaarden benaderd. Dit is weergegeven in onderstaande tabel.

Er wordt voldaan aan de eisen uit de Wet luchtkwaliteit. Het huidige project is een dusdanig kleinschalig project dat het niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk. 5.10.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmeringen voor het plan.

5.11

Mobiliteit

5.11.1 Wettelijk kader Op 26 november 2020 heeft de raad de Notitie parkeernormen Veenendaal 2020 vastgesteld. De parkeernormen zijn hiermee herzien. In het vastgestelde beleid worden flexibelere parkeernormen toegepast, waardoor er meer maatwerk mogelijk is bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in Veenendaal. Hierbij wordt meer rekening gehouden met het bestaande stedelijk gebied en met de mogelijkheden om met andere vervoerswijzen te reizen naast de personenauto. Ook worden er fietsparkeernormen geïntroduceerd om de positie van Veenendaal als fietsstad verder te versterken. Tot slot kunnen initiatiefnemers van grote ruimtelijke ontwikkelingen met behulp van een mobiliteitsplan gemotiveerd een reductie op de parkeernormen verdienen door andere vormen van mobiliteit aan te bieden en gebruik te maken van de kwaliteiten die aanwezig zijn in de nabije omgeving van het plangebied. 5.11.2 Toetsing bouwplan De nieuwe woning valt binnen zone 4 van de Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020. Hier geldt een parkeernorm van 1,6 voor een vrijstaande woning. Minimaal twee parkeerplaatsen van de in de notitie genoemde minimale maatvoering dienen op eigen terrein te worden gerealiseerd. Het plan voorziet hierin. Zowel in dit bestemmingsplan als in de exploitatieovereenkomst zijn afspraken gemaakt omtrent aanleg en instandhouding van deze parkeerplaatsen.

50

bestemmingsplan

bestemmingsplan Zandheuvelweg3

Overzicht zones notitie parkeernormen Veenendaal Op eigen terrein wordt tevens overeenkomstig de notitie een berging gerealiseerd ten behoeve van het fietsparkeren. De ontsluiting verloopt aan de oostkant van het nieuwe woonperceel. Voor de ontsluiting wordt gebruik gemaakt van de bestaande ontsluiting naar het voormalige perceel Zandheuvelweg 3. Ten hoogte van het nieuwe woonperceel wordt een nieuw pad in westelijke richting naar het nieuwe woonperceel aangelegd. Het gaat om het verplaatsen van een voormalig woonperceel en wordt geen extra woning aan het gebied toegevoegd. De bouw van de woning op het nieuwe woonperceel heeft dan ook geen gevolgen voor de verkeersbelasting op de Zandheuvelweg.. 5.11.3 Conclusie De aspecten parkeren en verkeer vormen geen belemmering voor het plan.

5.12

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r) in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de procedure voor de vormvrije m.e.r.- beoordeling. Voor een aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, zal door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie opgesteld moeten worden. Na het indienen van de aanmeldnotitie dient het bevoegd binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. Vervolgens moet de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is vereist als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en de besluiten (kolom 4) die daaraan zijn gekoppeld, in gevallen waarin de omvang van activiteiten onder de drempelwaarden (kolom 2 van de D-lijst) liggen.

5.12.1 Toetsing bouwplan De beoogde ontwikkeling betreft geen ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (D11.2).

bestemmingsplan

51

bestemmingsplan Zandheuvelweg3

Het voornemen bestaat om een woning met bijgebouwen te verplaatsen naar een ander perceel. De bebouwing op het huidige perceel zal worden gesloopt en hier komt bos voor terug. Uit de aanvraag volgt dat de beoogde nieuwe situatie bestaat uit woonperceel met daarop een woning en bijgebouw(en). Hierbij is geen sprake van een significante uitbreiding van het bestaand bebouwd oppervlak. Onder deze omstandigheden is er geen sprake van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in categorie D11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. In dit verband wordt ook verwezen naar jurisprudentie van de ABRvS van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879). In rechtsoverweging 6.2 overweegt de Afdeling ten aanzien van de ontwikkeling van onder meer twee eengezinswoningen dat dit, gelet op het beperkte ruimtebeslag van de voorziene bebouwing en de beperkte bebouwing op het perceel niet behoeft te worden aangemerkt als ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. Mede gelet op de beoordelingscriteria die de Afdeling in acht neemt kan ook ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling worden aangenomen dat categorie D11.2 niet van toepassing is. Dit betekent dat er geen (vormvrije) m.e.r.-beoordeling verplicht is. Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling zijn significante gevolgen op de Natura 2000-gebieden uit te sluiten (zie ook paragraaf 5.7 Ecologie onder Gebiedsbescherming).

Er hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. 5.12.2 Conclusie Er is geen sprake van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit.

5.13

Totaalbeeld aspecten

Uit alle gevoerde onderzoeken komt naar voren dat het bestemmingsplan niet op onacceptabele gevolgen of belemmeringen stuit voor de directe omgeving.

52

bestemmingsplan

bestemmingsplan Zandheuvelweg3

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE PLANOPZET

Inleiding

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat verbeelding en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding Zoals reeds eerder gesteld is de verbeelding gerelateerd aan de regels (en vice versa) en heeft tevens de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Verder kunnen er binnen een bestemming verklaringen zijn aangegeven. Deze hebben juridisch gezien geen enkele betekenis en zijn uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken.

Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken. Toelichting De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter geen rechtsreeks burgers bindende werking.

6.2

De indeling van de planregels

Het gemeentelijk beleid is vertaald in de planregels. Het deelplan bevat normatieve regels, die bindend zijn voor zowel de overheid als de burger. Daarbij is geprobeerd een flexibel stelsel van regels te ontwikkelen zonder daarbij tekort te doen aan eisen van rechtszekerheid. Gekozen is daarom om het aantal bestemmingen op de verbeelding te beperken tot datgene wat noodzakelijk wordt geacht. Het is voor beide partijen van groot belang, dat de verbeelding en de planregels duidelijke informatie verschaffen. Door het aantal bestemmingen met een minimum te beperken wordt de leesbaarheid en duidelijkheid van zowel de verbeelding als de planregels vergroot. Een leesbaar en duidelijk plan zorgt bovendien voor een plan dat handhaafbaar is. De indeling van de planregels is als volgt: 6.2.1

Inleidende regels (hoofdstuk 1)

Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige planregels goed te kunnen hanteren: begrippen: bevat in het plan gebruikte begrippen die uitleg behoeven; wijze van meten: bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlaktes, percentages, hoogtes, dieptes, breedtes en dergelijke. Hieronder valt tevens de wijze van peilbepaling.

bestemmingsplan

53

bestemmingsplan Zandheuvelweg3

6.2.2

Bestemmingsregels (hoofdstuk 2)

Binnen dit plan komen de volgende bestemmingen voor: Agrarisch met waarden Bos Wonen

AW B W

Dubbelbestemmingen Waarde Waarde - Archeologie - Hoog Waarde - Archeologie - Middelhoog

WR-A2 WR-A3

In paragraaf 6.3 Bestemmingen wordt er per bestemming aangegeven wat de gebruiksmogelijkheden en de bouwmogelijkheden zijn. Indien bestemmingsspecifieke flexibiliteitsregels aan de orde zijn worden deze per artikel opgenomen. Algemene flexibiliteitsregels zijn in hoofdstuk 3 van de regels opgenomen. 6.2.3

Algemene regels (hoofdstuk 3)

Hoofdstuk 3 bestaat achtereenvolgens uit de volgende artikelen: Anti-dubbeltelregel; Algemene bouwregels; Algemene gebruiksregels; Algemene afwijkingsregels; Algemene wijzigingsregels; Overige regels (Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden). 6.2.4

Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4)

In hoofdstuk 4 van de regels is het overgangrecht geformuleerd. De formulering is conform de tekst als in het Bro omschreven. Zonder vergunning opgerichte, dus illegale, bouwwerken vallen niet onder het overgangsrecht. Indien de bouwwerken door wetgeving inmiddels vergunningvrij kunnen worden opgericht, worden deze niet als illegaal beschouwd. In de slotregel wordt genoemd hoe het plan kan worden aangehaald.

6.3

Bestemmingen

De bestemmingen bestaan uit een opsomming van omschrijvingen die aangeven hoe een bepaalde plek gebruikt mag worden en wat er op een bepaalde plek gebouwd mag worden. Dit wordt respectievelijk opgesomd in de bestemmingsomschrijving en de bouwregels. Daarnaast gelden er voor sommige bestemmingen aanvullende specifieke gebruiksregels (bijvoorbeeld verboden) en mogelijkheden tot afwijken van de gebruiks- en bouwregels. Voor een enkele bestemming geldt een wijzigingsbevoegdheid waarmee het college bevoegd is om bestemmingen, onder voorwaarden, te wijzigen. Hieronder wordt de voor dit plan geldende bestemming toegelicht. Er wordt aangegeven wat de gebruiksen bouwmogelijkheden zijn. Agrarisch met waarden De voor 'Agrarische met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: - bedrijfsmatige en hobbymatige agrarische activiteiten; - instandhouding en ontwikkeling van watergangen, sloten, poelen en andere waterpartijen; 54

bestemmingsplan

bestemmingsplan Zandheuvelweg3

- instandhouding en ontwikkeling van landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden, waaronder hier in ieder geval zijn begrepen: karakteristiek verkavelingspatroon, coulissenlandschap en landschapswaarden. - (half)verharde en onverharde paden en wegen; - extensief recreatief medegebruik. Bouwmogelijkheden Op deze gronden zijn alleen toegestaan erf- of perceelsafscheidingen van maximaal 1 meter. Afwijkingsmogelijkheden Met een afwijkingsbevoegdheid is het mogelijk onder voorwaarden een schuilstal te bouwen. Eén van de voorwaarden is dat het te bebouwen perceel een oppervlakte heeft van minimaal 5.000 m2. De schuilstal mag maximaal 30 m2 groot zijn, overkappingen tellen mee met de maximale oppervlakte. Specifiek e gebruiksregels Het volgende gebruik is in ieder geval in strijd met de bestemming: - het gebruik van gronden en bouwwerken voor de uitoefening van een seksinrichting en/of - het gebruik van gronden voor: 1. 2. 3. 4.

(boog)kassen; de opslag van hooirollen; paardenbakken; teeltondersteunde voorzieningen.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Voor bepaalde werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist. Deze zijn opgenomen in artikel 13 Overige regelsOmgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Wijzigingsbevoegdheid naar natuurontwikkeling Daarnaast is nog een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de gronden onder voorwaarden te wijzigen naar de bestemmingen Bos, Natuur en/of Water. Bos De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor: - het duurzame behoud, herstel en ontwikkelen van bos en houtwallen; - extensief recreatief medegebruik, voor zover de landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast; - halfverharde en onverharde paden; - instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende danwel daaraan eigen landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden; - instandhouding van aldaar voorkomende watergangen, sloten, poelen en andere waterpartijen. Bouwmogelijkheden Er zijn geen bouwmogelijkheden. Het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, is niet toegestaan. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Voor bepaalde werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist.

Deze zijn opgenomen in artikel 13 Overige regelsOmgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Wonen

bestemmingsplan

55

bestemmingsplan Zandheuvelweg3

De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor; - het wonen in een vrijstaande woning; - een beroep aan huis of bedrijf aan huis, onder de voorwaarden genoemd in het betreffende artikel. Eén van de voorwaarden is dat niet meer dan 30 %, met een maximum van 45 m2, van de oppervlakte van de bebouwing voor de activiteit gebruikt mag worden; - parkeer en stallingsvoorzieningen; - nutsvoorzieningen; - ter plaatse van de aanduiding "tuin" uitsluitend voor tuin; - tuinen; - erven; - paden. Bouwmogelijkheden Er mag maximaal één woning worden gebouwd binnen de bestemming Wonen. De woning, het hoofdgebouw, moet binnen het bouwvlak worden gebouwd. Met een goothoogte van maximaal 3,5 m en een bouwhoogte van 8 m. De dakhelling van de woning mag niet minder dan 20° en niet meer dan 60° bedragen. De maximale inhoudsmaat van de woning is 800 m3. Dit is inclusief de aangebouwde bijbehorende bouwwerken. De bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en/of de aanduiding "erf" worden gebouwd. De grond met de aanduiding "tuin" blijft vrij van bijbehorende bouwwerken. De maximale goot- en bouwhoogte van aangebouwde bouwwerken binnen het bouwvlak bedraagt respectievelijke 3,5 en 8 meter. Buiten het bouwvlak bedraagt de goot- en bouwhoogte respectievelijk 3,1 en 5 meter. Bij de woning mag maximaal 50 m2 aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden gebouwd.

De goothoogte is maximaal 3,1 m en de bouwhoogte maximaal 5 m. De bouwwerken geen gebouw zijnde moeten eveneens ten dienste staan van de bestemming. De maximale bouwhoogte van erf- en tereinafscheidingen mag maximaal 2 meter bedragen, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel en ter plaatse van de aanduiding "tuin" waar de maximale bouwhoogte 1 meter bedraagt. Overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen maximaal 3 meter bedragen. Specifiek e gebruiksregels In dit artikel is specifiek strijdig gebruik aangegeven, zoals het verbod van het bewonen van een woning door meer dan 1 zelfstandig huishouden. Daarnaast wordt aangegeven waarneer er sprake mag zijn van een aan huis gebonden beroep of bedrijf aan huis. Afwijkingsmogelijkheden Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken ten behoeve van het aanbieden van kortdurend recreatief verblijf in vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor maximaal 50 m2 en in totaal 3 slaapkamers. Daarnaast zijn de in het artikel genoemde voorwaarden van toepassing. Voorwaardelijke verplichtingen Er zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen met betrekking tot: - het slopen van de bebouwing op het perceel Zandheuvelweg 3. Dit is een voorwaarde voor het verplaatsen van het woonperceel en is gekoppeld aan de omgevingsvergunning voor het bouwen van de

56

bestemmingsplan

bestemmingsplan Zandheuvelweg3 gebouwen op de nieuwe locatie. - het parkeren en, - de aanleg en duurzame instandhouding van beplanting, bomen, houtwal en/of poel, bos en halfverhard pad conform het inrichtingsplan. Ook dit is een voorwaarde voor het verplaatsen van het woonperceel en is gekoppeld aan de omgevingsvergunning voor het bouwen van de gebouwen op de nieuwe locatie. Waarde - Archeologie - Hoog en Waarde - Archeologie - Middelhoog De voor 'Waarde - Archeologie - Hoog en Middelhoog' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, de bescherming van en onderzoek naar de in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden. Bij strijd tussen de belangen prevaleren de archeologische bestemmingen. Bouwmogelijkheden Binnen de dubbelbestemming Waarde - Archeologie- Hoog mag uitsluitend worden gebouwd: a. gebouwen en bouwwerken met een oppervlakte van maximaal 1000 m², ongeacht hoe diep er gegraven of onderheid wordt; b. gebouwen en bouwwerken waarbij niet dieper wordt gebouwd dan 0,5 meter onder peil en die kunnen worden geplaatst zonder heipalen, ongeacht de oppervlakte van de bebouwing; c. vervangende gebouwen of bouwwerken waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en waarbij uitsluitend de bestaande fundering wordt benut.

Binnen de dubbelbestemming Waarde - Archeologie - Middelhoog mag uitsluitend worden gebouwd: a. gebouwen en bouwwerken met een oppervlakte van maximaal 5000 m², ongeacht hoe diep er gegraven of onderheid wordt; b. gebouwen en bouwwerken waarbij niet dieper wordt gebouwd dan 0,5 meter onder peil en die kunnen worden geplaatst zonder heipalen, ongeacht de oppervlakte van de bebouwing; c. vervangende gebouwen of bouwwerken waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en waarbij uitsluitend de bestaande fundering wordt benut. Afwijkingsmogelijkheden Burgemeester en wethouders hebben de bevoegdheid onder voorwaarden van de maten genoemd onder "Bouwmogelijkheden" af te wijken. Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan zodanig te wijzigen dat: a. b. c. d.

het bestemmingsvlak naar ligging wordt verschoven; het bestemmingsvlak naar omvang wordt vergroot of verkleind; het bestemmingsvlak van de verbeelding wordt verwijderd; aan (een deel van) het bestemmingsvlak een andere archeologische verwachtingswaarde wordt toegekend.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Voor bepaalde werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist zoals bijvoorbeeld het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen.

bestemmingsplan

57

bestemmingsplan Zandheuvelweg3

Hoofdstuk 7

FINANCIEEL-ECONOM ISCHE UIT VOERBAARHEID

Op basis van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) jo. artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening is voor deze ontwikkeling een exploitatieplan verplicht. Op basis van het exploitatieplan kunnen (plan)kosten worden verhaald. Een exploitatieplan hoeft niet opgesteld te worden als het kostenverhaal ‘anderszins verzekerd’ is (artikel 6:17 Wro), door middel van bijvoorbeeld anterieure overeenkomsten of als de gemeente eigenaar is van de gronden. In dit geval zijn met de aanvrager een overeenkomsten gesloten, een anterieure overeenkomst en een wijziging hiervan en zijn de kosten dus anderzins verzekerd. In de overeenkomsten zijn afspraken gemaakt over de ontwikkeling van de locatie en de te ontvangen of te betalen exploitatiebijdrage. Uit de overeenkomsten blijkt dat het verhaal van de kosten, inclusief mogelijke planschade, zullen worden gedragen door de aanvrager. Zodoende is de economische uitvoerbaarheid niet in het geding. Ook de saneringskosten van de bodem worden gedragen door de aanvrager en zijn in die mate dat de economische uitvoerbaarheid niet in het geding is.

58

bestemmingsplan

bestemmingsplan Zandheuvelweg3

Hoofdstuk 8

M AAT SCHAPPELIJKE UIT VOERBAARHEID

Het gemeentelijke beleid is er op gericht om in de voorbereiding op de bestemmingsplanprocedure een participatietraject te volgen. Om in het voortraject inspraak te kunnen hebben worden belanghebbenden uitgenodigd om te participeren in de totstandkoming van het bestemmingsplan. Dit vervangt de ter inzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan. Met de burgerparticipatie wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van de ontwikkeling en te reageren op de inhoud. Door de initiatiefnemers is op 31 augustus 2021 een bijeenkomst gehouden. (Toekomstige) omwonenden zijn tijdens de bijeenkomst over het woningbouwplan geïnformeerd en gepolst. De aanwezigen waren allemaal positief over het woningbouwplan. Vragen zijn gesteld over de planning en wat de bestemming van het weiland achter de woning zal worden. De planning is toegelicht en aangegeven is dat een deel van het weiland tuin zal worden. Zie verder het verslag van de initiatiefnemer opgenomen in bijlage 5 Verslag participatie 31 augustus 2021. Voor twee omwonenden die niet bij de bijeenkomst konden zijn, heeft op 21 september 2021 een tweede participatiebijeenkomst plaatsgevonden. De beoogde nieuwe plek voor de woning was aanvankelijk tussen Zandheuvelweg 5 en 7. Door de omwonenden is kort samengevat aangegeven dat de nieuwe woning met deze situering in hun zichtlijn komt te staan.

Ze verliezen hun vrije uitzicht. Toen zij hun woning kochten is aangegeven dat er geen nieuwe huizen op deze plek zouden komen. Door de gemeente is tijdens de bijeenkomst aangegeven dat zij willen onderzoeken of het mogelijk is de woning op een andere plek te situeren waarmee aan de bezwaren tegemoet wordt gekomen. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in situering van de woning achter Zandheuvelweg 7. Zie verder het verslag van de initiatiefnemer opgenomen in bijlage 6 Verslag 21 september 2021.

8.1

Ontwerp ter inzage legging

Het ontwerpbestemmingsplan is op 15 juni 2022 gepubliceerd in het 'Gemeenteblad'. Aansluitend heeft het ontwerpbestemmingsplan met ingang van 16 juni 2022 gedurende zes weken (dus tot en met 27 juli 2022) ter inzage gelegen in het gemeentehuis bij het Omgevingsloket. Verder kon het ontwerpbestemmingsplan via de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl worden ingezien.Tegen het ontwerpbestemmingsplan zijn geen zienswijzen ingediend. Het plan is tevens toegezonden aan de gebruikelijke overlegpartners van de gemeente. De provincie Utrecht en Veiligheidsregio Utrecht hebben adviezen ingediend over het plan. De provincie Utrecht ziet het als een positieve ontwikkeling en in lijn met hun beleid dat door verplaatsing van het woonperceel het vrijgekomen deel ingericht zal worden als bos. Dit sluit aan bij het daaraan grenzende Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens geeft de provincie aan dat de inpassing van de woning uitgebreid met de gemeente is besproken en ze positief staan tegenover de ontwikkeling. Wel heeft de provincie Utrecht aandacht gevraagd voor de clustering van de bebouwing, het is belangrijk dat het hele cluster aansluiting zoekt bij de bebouwing van Zandheuvelweg 7. En er is aandacht gevraagd voor de ontsluiting van de woning. Zie bijlage 7 Brief provincie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11842983/1