3.b Bijlage 1.2 Bestemmingsplan Schoolstraat 100 (toelichting)
Tekst van het document
5.2
Waterhuishouding
5.2.1
Wettelijk kader
Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Vanuit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geldt de verplichting tot het doorlopen van het watertoetsproces bij een bestemmingsplanwijziging. Binnen dit proces wordt een afweging gemaakt van het waterbelang binnen de ruimtelijke planprocessen. Ruimtelijke wijzigingen kunnen een aandeel leveren in het bevorderen van de waterkwaliteit, maar mogen zeker niet leiden tot verslechtering van de waterkwaliteit. Deze verplichte watertoets geldt alleen voor ruimtelijke besluiten waar sprake is van belangrijk ruimtelijke ingrepen. Waterschap Vallei en Veluwe Vanuit het waterschap Vallei en Veluwe zijn er ook een aantal gebiedsspecifieke aandachtspunten: Vasthouden - bergen - afvoeren
bestemmingsplan
27
bestemmingsplan Schoolstraat 100
Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt.
Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. In de keur van Waterschap Vallei en Veluwe is bepaald dat er geen watercompenserende maatregelen nodig zijn als sprake is van een toename van minder dan 0,15 ha (1500 m²) verharding binnen het stedelijk gebied. Het Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP) Het Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP) beschrijft hoe de gemeente haar zorgtaken voor afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater uitvoert. De watertaken van de gemeente bestaan uit het inzamelen en afvoeren of verwerken van stedelijk afvalwater en hemelwater. Voor zover doelmatig neemt de gemeente maatregelen tegen grondwateroverlast en zorgt zij samen met het waterschap Vallei en Veluwe dat het stedelijk oppervlaktewater schoon, veilig en beleefbaar is. Bewoners en bedrijven hebben ook een taak. Zo moeten zij zelf voor de voorzieningen op hun perceel zorgen. In sommige gebieden en situaties moeten zij ook het hemelwater bergen en verwerken of afvoeren, of zelf maatregelen nemen tegen grondwaterproblemen. In dit GRWP zijn speerpunten benoemd die de komende planperiode extra aandacht krijgen. Het meest omvangrijk is het scheiden van vuil water en schoon hemelwater, ook op particulier terrein.
In een groot deel van Veenendaal ligt een gemengd rioolstelsel, waarbij het vuile en schone water door dezelfde buis wordt afgevoerd. De gemeente zet het vervangen van de gemengde rioolstelsels door gescheiden systemen voort. Het schone hemelwater wordt van de riolering afgekoppeld. Het helpt om wateroverlast tegen te gaan en de gemeente klimaatbestendig te maken. Daarnaast is het goed voor het milieu. 5.2.2
Toetsing bouwplan
De gemiddelde grondwaterstand ligt volgens de meest nabijgelegen peilbuisdata op circa +5,5 m NAP. Bij een maaiveldhoogte van circa +6,9 á +7,0 m NAP ligt de grondwaterstand circa 1,5 meter beneden maaiveld. De grondwaterfluctuatie bedraagt circa 1 meter. Daarmee biedt de grondwaterstand voldoende ontwateringsdiepte. De ontwateringsdiepte biedt zelfs mogelijkheden voor ondergrondse waterberging in de vorm van kratten. De bodemopbouw bestaat tot circa 8 meter beneden maaiveld uit zand. De bodemopbouw wordt daarom ook geschikt geacht voor infiltratie. Eisen waterbeheerders Waterschap De voorgenomen ontwikkeling is per email voorgelegd en toelicht aan het waterschap. Het waterschap heeft aangegeven dat naar verwachting in de huidige situatie een gemengd rioolstelsel aanwezig is en dat afgekoppeld moet worden. Verder heeft het waterschap geen belangen en verwijst het waterschap
28
bestemmingsplan
bestemmingsplan Schoolstraat 100 naar de eisen die de gemeente stelt ten aanzien van klimaat adaptief bouwen. Gemeente Een watertoets is uitgevoerd en terug te vinden en deze heeft niet geleid tot belemmeringen voor de ontwikkeling . Bij nieuwe projecten stelt de gemeente de eis dat er een bergingscapaciteit van 25mm op eigen terrein wordt gerealiseerd. Dit kan door afkoppelen op eigen terrein en infiltratie, maar ook met een technische oplossing door een bergingskoffer. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak af. Naast de afname in verharding worden groene sedum daken toegepast waar een deel van de waterberging in kan worden geborgen. Op het maaiveld biedt het plangebied voldoende ruimte om de naast de waterberging op de sedumdaken waterberging te realiseren onder de parkeerplaatsen of bovengrondse waterberging in het groen. Juridische borging De bergingseis van de gemeente wordt als verplichting in de regels opgenomen. Deze is opgenomen in de eis om te voldoen aan het puntensysteem. Het hemelwater mag niet op de vuilwaterriolering worden aangesloten. Waterberging wordt niet apart op de plankaart aangeduid maar overal mogelijk gemaakt. 5.2.3
Conclusie
Vanuit het aspect water zijn geen belemmeringen voor de ontwikkeling.
5.3
Externe veiligheid
Externe veiligheid is de kans om te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Beleid en regelgeving op dit gebied is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege: a. het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); b. het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, waterwegen en spoorwegen; c. het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Met betrekking tot risico's wordt onderscheid gemaakt in twee risicomaten: Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als het risico op een plaats buiten een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Binnen de wet- en regelgeving zijn aan deze definitie grens- en richtwaarden opgehangen ten aanzien van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
Het groepsrisico is gedefinieerd als cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. In wet- en regelgeving is aan het groepsrisico een oriënterende waarde toegekend als indicator voor de omvang van een ramp en een afwegingsproces gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, rampenbestrijding en resteffecten.
5.3.1
Wettelijk kader
De regelgeving voor inrichtingen met (over het algemeen) grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen is samengebracht in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit Besluit is aangegeven welke bedrijven bij het verlenen van een milieuvergunning of het nemen van een besluit op grond van de Wro nadere aandacht behoeven. De wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid biedt geen absolute veiligheid. Een kleine kans op een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen wordt geacht tot het normaal maatschappelijk risico
bestemmingsplan
29
bestemmingsplan Schoolstraat 100 te behoren. Getracht wordt om door middel van regelgeving de gevolgen zo veel als mogelijk is te beperken. De regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen is neergelegd in het “Besluit transportroutes externe veiligheid”. Deze wetgeving verankert het zogenaamde Basisnet en daarmee is de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen per 01-04-2015 vervallen. Externe veiligheid in relatie tot transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) dat op 01-01-2011 in werking is getreden. 5.3.2
Toetsing bouwplan
Met het initiatief worden daarmee maximaal 128 nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd en neemt het aantal aanwezige personen toe. Op navolgende kaart zijn de risicovolle inrichtingen en transportassen zichtbaar.
Figuur 5.1 - Kadastrale kaart plangebied (bron: signaleringskaart) Direct ten zuiden is het bedrijf Carbogen Amcis gelegen. Bij dit bedrijf wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen. In de direct nabijheid zijn verder geen risicobronnen gelegen. Op grotere afstand is noordelijk een lpg-tankstation, een rijksweg aanwezig en ten oosten ligt een hogedruk aardgastransportleiding. De locatie ligt buiten het invloedsgebied van deze bronnen, alleen ten aanzien van de rijksweg ligt de locatie wel binnen het invloedsgebied van het vervoer van zeer giftige stoffen. Daarom moet de locatie beschouwd worden in relatie tot de vereisten van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes. De externe veiligheid van Carbogen Amcis BV Carbogen Amcis BV, ontwikkelt en produceert (bio)farmaceutische producten. Tot 2018 was dit een Brzo-bedrijf (een zware categorie risicobedrijf), waarbij de toenmalige 10-6-risicocontour binnen de perceelsgrens lag. In 2018 heeft het bedrijf een beperking aangebracht in de opgeslagen hoeveelheid gevaarlijke stoffen. Met de aanwezige hoeveelheden valt het bedrijf niet meer onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Op de huidige opslag zijn de vereisten van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling van toepassing. De aan deze van gevaarlijke stoffen opslag verbonden veiligheidsafstanden blijven binnen de perceelsgrens van Carbogen Amics.
Doordat er geen sprake meer is van het Brzo-bedrijf en het Bevi-niet van toepassing is, behoeft geen verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Maar, in de lijn van de verantwoordingsplicht is relevant dat de brandweer over een aanvalsplan beschikt en zelfredzaamheid van de bewoners op de nieuwbouwlocatie geoptimaliseerd wordt doordat de mechanische ventilatie handmatig afschakelbaar wordt uitgevoerd (dit is verplicht vanaf 1 juli 2022).
30
bestemmingsplan
bestemmingsplan Schoolstraat 100
Vervoer van zeer giftige stoffen over de rijksweg A12. Over de A12 worden verschillende gevaarlijke stoffen vervoerd. De invloedsgebieden van de meeste gevaarlijke stoffen reiken niet tot aan het nieuwbouwplan. Alleen het invloedsgebied van zeer giftige stoffen (stoffen die tevens zeer beperkt vervoerd worden), reikt over het plangebied. Ingevolge artikel 7 Besluit externe veiligheid transportroutes moet hierbij de bestrijdbaarheid van een incident bij de bron alsmede de zelfredzaamheid van de bewoners worden beschouwd. Ten aanzien van de bestrijdbaarheid wordt opgemerkt dat de veiligheidsregio over protocollen beschikt om een incident met deze stoffen te bestrijden. Ten aanzien van de zelfredzaamheid is relevant dat de mechanische ventilatie handmatig afschakelbaar wordt uitgevoerd, zodat een eventuele gifwolk niet geforceerd de woningen wordt ingezogen. 5.3.3
Conclusie
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid.
5.4
Archeologie
5.4.1
Wettelijk kader
In 1992 ondertekende Nederland het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed – kortweg ‘het Verdrag van Malta’ (of Valletta). Sindsdien is het uitgangspunt van het (rijks)beleid dat archeologische waarden volwaardig meetellen in beslissingen over de ruimtelijke inrichting van ons land. De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) heeft als doel bodemverstorende activiteiten beter te reguleren. Centraal daarbij staat de verplichting om archeologische waarden in bestemmingsplannen vast te leggen. Gemeenten zijn daarbij bevoegd gezag inzake de omgang met archeologische waarden. Binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid hebben zij de vrijheid naar eigen inzicht financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de zorg voor de archeologie binnen hun grondgebied. Het verdrag is in 2007 wettelijk verankerd in de herziene Monumentenwet 1988. Een deel hiervan is op 1 juli 2016 overgegaan naar de Erfgoedwet. Zowel archeologie als een deel van cultuurhistorie zijn namelijk sinds 1 juli 2016 verankerd in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. In juli 2015 nam de Tweede Kamer een amendement op de Omgevingswet aan, waarin gesteld wordt dat gemeente de archeologische dubbelbestemmingen beter moeten onderbouwen.
Daarbij is van belang dat de archeologische monumenten aantoonbaar moeten worden gemaakt. Het archeologisch erfgoed heeft hiermee een prominente plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde "veroorzakerprincipe". Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Gemeenten dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1 en 3.38 Wro altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat gemeenten het kader moeten stellen voor de archeologische monumentenzorg. Zij hebben dus een kerntaak in de uitvoering van de archeologische monumentenzorg en moeten bij ruimtelijke besluitvorming het archeologische belang afwegen tegen de andere belangen. In de afgelopen 8 jaar zijn diverse archeologische onderzoeken binnen de gemeente uitgevoerd en zijn er nieuwe bronnen beschikbaar die relevant zijn voor de archeologische verwachting.
Daarom is de archeologische beleidskaart uit 2010 geactualiseerd en heeft er een verfijning plaatsgevonden van het verwachtingenmodel. Dit heeft geresulteerd in een geactualiseerde archeologische beleidskaart die op 25 juni 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld. De beleidskaart is vervolgens juridisch vertaald in het
bestemmingsplan
31
bestemmingsplan Schoolstraat 100 bestemmingsplan 'Parapluplan 2020', welke eveneens is vastgesteld door de raad op 25 juni 2020.
5.4.2
Toetsing bouwplan
Het plangebied maakt deel uit van het bestemmingsplan Centrum (onherroepelijk 26-6-2014) en het Parapluplan 2022 (vastgesteld op 20-04-2023). Het overgrote deel van het plangebied kent een lage archeologische verwachting. Aan de randen van het plangebied zijn twee verschillende dubbelbestemmingen van toepassing: Waarde – Archeologie – Middelhoog in het oostelijke deel van het plangebied en Waarde – Archeologie – Hoog in het westelijke deel van het plangebied. Respectievelijk geldt hier dat bij graafwerkzaamheden met een omvang groter dan 5.000m2 en 1.000 m2 en dieper dan 0,5 m-mv archeologisch onderzoek verplicht is. Hierbij geldt dat de strengste oppervlaktegrens wordt aangehouden in het bepalen van de onderzoeksplicht.
Figuur 5.2: contouren dubbelbestemming Archeologie. Op basis van de contouren van de dubbelbestemmingen zijn de dubbelbestemmingszones beperkt tot het westelijke en het oostelijke deel van het plangebied (zie figuur 5.2). Deze dubbelbestemmingen zijn gebaseerd op de archeologische beleidskaart en de vrijstellingsgrenzen op deze kaart komen overeen met die in het bestemmingsplan. Onderhavig plangebied overschrijdt deze grenzen waardoor archeologisch onderzoek verplicht is. Daarom is een bureauonderzoek uitgevoerd (Bijlage 4). De verwachting voor het westelijke deel van het plangebied, op de (overgang naar de) stuwwal, is hoog; voor het oostelijke deel, op de vlakte met deels verspoelde dekzanden, is de verwachting middelhoog. Archeologische resten uit de prehistorie worden verwacht in de top van de dekzandafzettingen. Tevens kunnen in de top van het veen archeologische resten worden aangetroffen uit de bronstijd tot en met de nieuwe tijd. Dergelijke resten bevinden zich dan vermoedelijk direct onder maaiveld. Omdat in het plangebied een middelmatige tot hoge kans is op het aantreffen van archeologische resten, dient binnen deze delen van het plangebied een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase, uit te voeren. Dit vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek.
Het onderzoek behoort plaats te vinden conform de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en op basis van een Plan van Aanpak (PvA), dat voorafgaand aan het onderzoek ter goedkeuring aan de gemeente is voorgelegd. Deze dient te worden voorgelegd voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning. Dit vervolgonderzoek zal worden uitgevoerd bij de uitvoering van de plannen. De archeologische dubbelbestemming blijft daarmee gehandhaaft. 5.4.3
Conclusie
Er zijn geen belemmeringen voor de bestemmingswijziging van het perceel. De archeologische dubbelbestemming blijft gehandhaaft en het vervolgonderzoek zal worden uitgevoerd en getoetst bij de bouwaanvraag. Als bij uitvoering van de werkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan wordt vermoed dat het
32
bestemmingsplan
bestemmingsplan Schoolstraat 100 archeologische vondsten betreft, geldt op grond van art. 5.10 van de Erfgoedwet de plicht om deze te melden bij de gemeente.
5.5
Cultuurhistorie
5.5.1
Wettelijk kader
In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. 5.5.2
Cultuurhistorischekenmerken
In 2018 is de cultuurhistorische waardenkaart door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit kenmerkenkaarten voor de disciplines landschap en gebouwde omgeving, uit waardenkaarten voor diezelfde aspecten, uit een viertal themakaarten en uit een integrale ensemblekaart, waarop de gebieden die staan die – samen met de sectorale landschappelijke en gebouwde kaarten – het palet aan cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Veenendaal laten zien. De thema’s waarop in het bijzonder ingezoomd is, zijn vervening, industrie, religie en militair erfgoed. Deze vier thema’s vormen een belangrijk deel van het ‘verhaal van Veenendaal’, waarvan in wisselende hoeveelheden ook nog relicten in het huidige Veenendaal – ondergronds, landschappelijk of gebouwd – terug te vinden zijn. 5.5.3
Toetsing bouwplan
Het plangebied bevindt zich niet in een door de gemeente aangewezen integraal of stedenbouwkundig ensemble. Het plan verstoort zodoende geen cultuurhistorische waarden. Het plangebied ligt wel binnen de vrijwaringszone van een molenbiotoop. Deze gronden zijn mede bedoeld voor het beschermen van de functie van de in de nabijheid van dit gebied voorkomende molen als werktuig en van zijn waarde als beeldbepalend element. Omdat de plannen binnen deze molenbiotoop liggen is een windhinderonderzoek uitgevoerd (Bijlage 5). Het nieuwbouwplan bevindt zich in zuidoostelijke richting van de molen. Deze richting is niet de dominante windrichting. Dit beperkt negatieve gevolgen op de molenbiotoop. Op basis van een theoretische analyse is de invloed van de obstructie door het nieuwbouwplan op de wind en op basis daarvan de invloed van het aantal draaiuren van de molen. Uit het onderzoek blijkt dat door de ontwikkeling een afname plaats zal vinden in het potentieel aantal draaiuren van de molen van 136 draaiuren per jaar ten opzichte van de huidige bebouwing. Dit betekent een geringe afname van ongeveer 2% in het potentieel aantal draaiuren, ten opzichte van de huidige situatie. Als vervolgens gekeken wordt naar de afname van het potentieel aantal maaluren leidt dit tot een afname van 3 maaluren per jaar. Dit is een aanvaardbare afname.
In de raad van 16 december van 2021 is besloten maximaal 7 bouwlagen toe te staan binnen de molenbiotoop onder voorbehoud van een positieve toetsing windonderzoek. Dit onderzoek heeft inmiddels dus plaats gevonden en de beperkte afname aan maaluren weegt niet op tegen de woningbouwopgave die er op het moment ligt. Daarnaast vindt er reeds belemmering van de wind plaats door de aanwezige bomenrij langs de weg, deze heeft al invloed op het aantal draaiuren van de molen. Onderzocht is of door een aanpassing van de bomen wat de doen valt aan deze al aanwezige belemmering. Dit is echter geen mogelijkheid omdat dit de vitaliteit van de bomen niet ten goede komt. 5.5.4
Conclusie
Vanuit cultuurhistorie zijn er geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan
33
bestemmingsplan Schoolstraat 100
5.6
Ontplofbare oorlogsresten
Het is bekend dat in de gemeente Veenendaal tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen zijn geweest. Dit houdt in dat er op plaatsen mogelijk ontplofbare oorlogsresten (OO) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Uit de praktijk is gebleken dat circa 10% van de afgeworpen bommen niet is geëxplodeerd en in de bodem is achtergebleven als blindganger. De gemeente Veenendaal heeft in mei 2018 beleid ten aanzien van OO vastgesteld. Door het vaststellen van een gemeentelijk beleid wordt geborgd dat activiteiten met betrekking tot OO binnen de gemeente worden getoetst en daar waar nodig beheersmaatregelen kunnen worden genomen en/of voorgeschreven. Het beleid is tevens bedoeld om eenieder die van plan is grondroerende werkzaamheden binnen de gemeente uit te voeren, te verplichten de benodigde acties te ondernemen met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid en risico's van OO op de betreffende locatie. Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) OO wordt alleen uitgevoerd om het risico met betrekking tot OO weg te nemen, en daarmee een veilige werkomgeving en leefomgeving te creëren tijdens uit te voeren werkzaamheden of activiteiten. Dit is ook de reden dat de gemeente Veenendaal altijd ingelicht moet worden als er projectmatig bodemroerende activiteiten plaatsvinden binnen gebieden die als verdacht zijn aangemerkt.
Vanwege voortschrijdende inzichten in de gebeurtenissen tijdens de Tweede Oorlog heeft er in 2020 een update van de bodembelastingkaart conventionele explosieven plaatsgevonden.
5.6.1
Toetsing bouwplan
Er zijn binnen het plangebied geen oorlogshandelingen en/of bombardementen bekend. In het getoetste Vooronderzoek Conventionele Explosieven van gemeente Veenendaal (Bombs Away, rapportnummer RAP1715401_1003C1, 9 oktober 2020) is aangetoond dat er binnen het plangebied geen sprake is van verdachte (deel)gebieden voor wat betreft het mogelijk aantreffen van niet gesprongen conventionele explosieven. Werkzaamheden binnen het onverdachte plangebied zijn vrij van een verhoogd risicoprofiel en kunnen regulier uitgevoerd worden Hierbij geldt altijd het advies het protocol toevalvondsten in acht te nemen. 5.6.2
Conclusie
Het aspect van ontplofbare oorlogsresten is geen belemmering voor de realisatie van het voorgenomen plan.
5.7
Ecologie
5.7.1
Wettelijk kader
Voor ecologie moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met soortbescherming gericht en met gebiedsbescherming. De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming zorgt voor een goede natuurbescherming van planten- en diersoorten, natura 2000-gebieden, en bossen. Sommige plant- en diersoorten worden beschermd omdat ze als kwetsbaar worden gekenmerkt. De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet, en de Flora- en Faunawet zijn vanaf 1 januari 2017 opgenomen in de Wet natuurbescherming. De provincie is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierin worden de soortbescherming en de gebiedsbescherming nader belicht omdat beide voor het bestemmingsplan van belang zijn. De regels die voorheen in de Boswet waren opgenomen zijn binnen het plangebied niet van toepassing omdat het gehele gebied binnen de bebouwde kom ligt. Een nadere beschrijving van dit deel van de wet is dan ook niet opgenomen. Soortbescherming Een belangrijk doel van de wet is het beschermen van alle soorten planten- en dieren die in het wild in
34
bestemmingsplan
bestemmingsplan Schoolstraat 100 Nederland voorkomen. De wet gebiedt dat alle in het wild levende dieren en planten in principe met rust worden gelaten, wat is vastgelegd in de algemene zorgplicht. In de regelgeving heeft de gunstige staat van in stand houding van soorten een prominentere plek gekregen. De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Provincies hebben de mogelijkheid om voor bepaalde soorten aanvullende maatregelen vast te stellen. De provincie Utrecht heeft hiervoor al een lijst opgesteld met prioritaire soorten en aanvullende maartregelen per soort. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is van toepassing op natuurgebieden die door de overheid zijn aangewezen in het kader van de vogelrichtlijn en/of de habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn richt zich op de bescherming van natuurlijke habitats en leefgebieden van aangewezen planten- en dierensoorten. De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming van leefgebied van beschermde vogelsoorten. Belangrijk is dat ruimtelijke projecten niet zonder meer mogen worden gerealiseerd in beschermde natuurgebieden (Natura 2000).
Projecten die in de nabijheid van beschermde natuurgebieden (inclusief de Habitatrichtlijngebieden) worden geprojecteerd, dienen te worden getoetst op de mogelijke negatieve effecten die zij op deze gebieden kunnen hebben (externe werking). Indien een negatief effect vermoed wordt dan moet bij de Provincie een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd worden. De Provincie zal naar aanleiding van de aanvraag een beschikking opstellen. De beschikking kan een verbod van het project betekenen of voorwaarden verbinden aan de uitvoer. De Wet natuurbescherming beschermt geen gebieden buiten de natura 2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland Naast de volgens de wet aangewezen gebieden kent Nederland het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). Het NNN is bedoeld voor het ontwikkelen van ecologische zones tussen verschillende natuurgebieden zodat populaties met elkaar in verbinding blijven en versnippering van natuur wordt tegen gegaan. Het is uiteraard niet wenselijk dat een ontwikkeling een verstorende werking heeft op de functie van deze verbindingszones. Deze zones zijn niet beschermd volgens de Wet natuurbescherming maar krijgen planologische bescherming doordat deze in bestemmingsplannen worden opgenomen. Projecten en bestemmingsplannen worden getoetst aan dit provinciale beleid.
5.7.2
Toetsing bouwplan
Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland, Groene contour of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland en Groene contour, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland en Groene contour geen externe werking kent. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan op basis van een recentelijk uitgevoerde stikstofberekening uitgesloten worden (zieBijlage 6, 7 & 8 ). Alle uitgangswaarden die zijn gehanteerd voor de berekening vallen binnen het te verwachten patroon. Hierbij is in de gebruiksfase getoetst op verkeersbewegingen en eventuele uitstoot van de geplande activiteit. In de realisatiefase is vooral beoordeeld of het aantal ingevoerde werktuigen en werkuren reëel lijkt voor de uitvoering van dit plan. Deze berekening is voldoende voor de onderbouwing van dit plan. Soortenbescherming Uit het terreinbezoek is gebleken dat het plangebied een potentieel geschikt biotoop biedt voor algemene vogelsoorten (Bijlage 9). Om deze reden is er enkel op deze soortgroep een potentieel effect aan de orde. Overige beschermde soorten zijn uitgesloten en ondervinden geen effect van het voornemen.
bestemmingsplan
35
bestemmingsplan Schoolstraat 100
Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.1). Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door eventuele kapwerkzaamheden niet uit te voeren in de broedtijd (circa maart tot en met juli). Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wet Natuurbescherming aan de orde. Zo kunnen in het plangebied nesten gebouwd worden door (algemeen voorkomende) soorten met name in opgaande vegetatie). Indien nesten aanwezig zijn mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het plangebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient vooraf aan de werkzaamheden het plangebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een erkend ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied dan worden locatiespecifieke maatregelen voorgesteld en/of wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is.
5.7.3
Conclusie
Vanuit het aspect ecologie zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen. Uit het bovenstaande blijkt dat de onderbouwing voldoende ecologische informatie bevat om de bestemmingsplan procedure voort te kunnen zetten en een omgevingsvergunning te verlenen
5.8
Geluid
5.8.1
Wettelijk kader
Tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh) is een koppeling gelegd. Dat blijkt uit art. 76 en 76a van de Wgh. Dit betekent dat de geluidssituatie binnen het plangebied moet voldoen aan de voorwaarden uit de Wgh. Als nadere invulling van deze voorwaarden heeft de gemeente Veenendaal de beleidsregel hogere waarden Wgh opgesteld. In het kader van de Wet geluidhinder liggen er zones rond wegen en spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen. Wegen op een woonerf of met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen zone. Binnen een zone moet voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, onderzoek worden gedaan naar de geluidbelasting. Binnen de geluidszone geldt een voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting ter plaatse van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. Hierbij geldt een afzonderlijke toetsing per weg, spoorweg of industrieterrein. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde moet worden onderzocht of geluid reducerende maatregelen getroffen kunnen worden, waarbij de volgorde bron- overdracht- en ontvangermaatregelen de voorkeur geniet. Beleidsregel hogere waarden Pas als blijkt dat niet aan de voorkeurswaarde kan worden voldaan kan het college van Burgemeester en Wethouders een hogere waarde verlenen (ontheffing van de voorkeurswaarde). Hierbij geldt wel een maximale ontheffingswaarde.
Voordat een hogere waarde vast te stellen dienen bron- en overdrachtsmaatregelen afgewogen te worden. In deze beleidsregel worden randvoorwaarden genoemd voor het toestaan van hogere geluidsbelastingen dan de voorkeurswaarde. De voorwaarden zijn geformuleerd als eis of als inspanningsverplichting. Indien niet aan de inspanningsverplichting kan worden voldaan dient de initiatiefnemer te motiveren waarom dit niet kan of waarom voor een alternatieve oplossing is gekozen. 5.8.2
Toetsing bouwplan
Voor het bouwplan is een wegverkeerslawaai en een industrielawaaionderzoek uitgevoerd. Deze is terug te vinden in Bijlage 11.
36
bestemmingsplan
bestemmingsplan Schoolstraat 100
Gezoneerde wegen Uit de rekenresultaten blijkt dat op de gevels van de nieuw te bouwen woningen, de geluidbelasting ten gevolge van de Bevrijdingslaan ten hoogste 56 dB (inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh) bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hiermee overschreden, echter blijft de geluidbelasting onder de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB. Op de gehele noordgevel en de meest noordelijk gelegen punten op de west- en oostzijde is sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Gezien de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, dient te worden onderzocht of er maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn. Niet gezoneerde wegen De overige wegen in het plangebied (Nieuweweg en Prins Bernhardlaan) zijn 30 km/uur wegen en dus niet gezoneerd. Uit de resultaten blijkt dat de vastgestelde geluidbelasting valt binnen de marges die uit de Wet geluidhinder volgen. De geluidbelasting van ten hoogste 39 dB inclusief aftrek ten gevolge van de Nieuweweg en 42 dB als gevolg van Prins Bernhardlaan, is lager dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB inclusief aftrek). Hogere waarden Uit de maatregelenoverweging blijkt dat bron- en overdrachtsmaatregelen hoofdzakelijk stuiten op bezwaren van financiële, technische, verkeerskundige en stedenbouwkundige aard.
Onder voorwaarden (ingevolge het gemeentelijk geluidbeleid) is het mogelijk om hogere waarden vast te stellen: Woningen dienen altijd een geluidluwe zijde te hebben. De geluidbelasting op de geluidluwe zijde mag niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB als gevolg van wegverkeerslawaai en 50 dB(A) als gevolg van industrielawaai. Elke woning bevat ten minste 1 verblijfsruimte aan de geluidluwe zijde. Indien een woning beschikt over één of meer buitenruimten, dan is er minimaal één gelegen aan de geluidluwe zijde. De gemeente verleent voor binnenstedelijke situaties geen hogere waarden hoger dan voorkeurswaarde plus 10 dB. Een gedeelte van het nieuwbouwplan kan niet aan de gestelde voorwaarden ingevolge het gemeentelijk geluidbeleid voldoen. Hierdoor zijn de volgende maatregelen nodig: De plafonds van de balkons van appartementen O en P dienen absorberend uitgevoerd te worden. Ter plaatse van de appartementen T dient door maatregelen (afschermende voorzieningen, loggia etc.) een reductie op de zuidgevel te worden bewerkstelligd, waardoor deze als geluidluw kan worden gekenmerkt. Uit het onderzoek blijkt dat niet alle woningen zonder maatregelen beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte.
Hierom worden de volgende bepalingen opgenomen in de regels:" • De woningen dienen te beschikken over ten minste één gevel waar het geluid vanwege afzonderlijke wegen (incl. 30 km/uur-wegen) niet hoger is dan 48 dB en waar het geluid vanwege industrielawaai niet hoger is dan 50 dB(A). • Indien de woningen beschikken over een buitenruimte, is in deze buitenruimte het geluid vanwege afzonderlijke wegen (incl. 30 km/uur-wegen) bij voorkeur niet hoger dan 48 dB, maar zeker niet hoger dan 53 dB. Het geluid vanwege industrielawaai in deze buitenruimte is bij voorkeur niet hoger is dan 50 dB(A), maar zeker niet hoger dan 55 dB(A) Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat vanwege de Bevrijdingslaan de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde. Hiervan kan ontheffing worden verleend door het vaststellen van hogere waarden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. In het onderzoek is voldoende gemotiveerd dat er geen (bron- en overdrachts)maatregelen mogelijk zijn. Wij zijn gemandateerd om de hogere waarden vast te stellen. De procedure hiervoor loopt gelijktijdig met de planprocedure De toekomstige situatie is op een correcte wijze in het rekenmodel opgenomen en hiermee zijn de rekenresultaten akkoord. Er is correct getoetst aan de Wet geluidhinder.
bestemmingsplan
37
bestemmingsplan Schoolstraat 100
5.8.3
Conclusie
In het plan worden de adviezen uit het akoestisch onderzoek overgenomen, er worden bepalingen opgenomen in de regels van het bestemmingsplan en er zal een hogere waardenbesluit genomen worden. Er zijn dan geen verdere belemmeringen voor het planvoornemen.
5.9
Bedrijven- en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Der basis hiervoor vormt de Wet milieubeheer. In de VNG handreiking 'bedrijven en milieuzonering' 2009 zijn de aan te houden afstanden opgenomen. Hieraan wordt het plan dan ook getoetst. Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) dienen binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen.
5.9.1
Toetsing bouwplan
Het aspect milieuzonering is gemotiveerd door Antea (Bijlage 10). Er is rond het plangebied sprake van een menging van verschillende functies. Ten westen van het plangebied liggen gronden met een maatschappelijke bestemming. Hier is Harmonie in Hulp en Zorg gevestigd. Ten noorden van het plangebied, aan de overzijde van de Bevrijdingslaan zijn woningen aanwezig. Direct ten oosten van het plangebied hebben de gronden een bestemming die perifere detailhandel mogelijk maakt en waar Tapijtcentrum Nederland – Veenendaal en Laminaat Pro zijn gevestigd. Naast deze detailhandel geldt een woonbestemming. Ten zuiden hebben de gronden een Bedrijfsbestemming, waar bedrijven zijn toegestaan in milieucategorie 4.2 en 3.1. Hier bevinden zich Carbogen Amcis B.V en V.O.F.J. van de Weerd. Verder hebben de gronden een gemengde bestemming, een centrumbestemming en ook wonen. Het plangebied en zijn omgeving is op grond van de verscheidenheid aan functies te typeren als een gemengd gebied. Op het terrein ten zuiden van de woningbouwlocatie bevindt zich Carbogen AMCIS B.V. (hierna: Carbogen). Het betreft een farmaceutisch bedrijf dat hier vitamine D, cholesterol en afgeleide stoffen hiervan produceert. Dit bedrijf kan worden beschouwd als een ‘farmaceutische grondstoffenfabriek met een productiecapaciteit van minder dan 1.000 ton/jaar’.
Het beoogde appartementencomplex valt binnen de richtafstanden voor geur, geluid en externe veiligheid van dit bedrijf. Ten behoeve van het vaststellen van de daadwerkelijke geurbelasting van Carbogen is een notitie over het geuraspect opgesteld ). Volgens deze notitie zijn ter plaatse van de inrichting van Carbogen twee potentiële geurbronnen aanwezig: de opslagtanks en het verzepingsproces. Om geurhinder te voorkomen worden geurbestrijdingsmaatregelen toegepast. Volgens de notitie is geen sprake van emissie van geur uit het bedrijf Carbogen, ongewone voorvallen daargelaten. Dit wordt onderbouwd door middel van de vigerende revisievergunning. Het verzepingsproces vindt volledig afgesloten plaats, waardoor geuremissie hiervan niet te verwachten is. Over de opslagtanks wordt vermeld dat deze zijn voorzien van actief koolfilters Binnen de richtafstand van het bedrijf zijn reeds meerdere geurgevoelige bestemmingen (o.a. woningen en kantoren) in de omgeving gelegen, die zich op nog kortere afstand van het bedrijf bevinden. Het bedrijf wordt daarom niet in zijn mogelijkheden beperkt.In de milieuprocedure van de revisievergunning van Carbogen is het aspect geur reeds afgewogen in relatie tot de omliggende woningen. In de vergunning is opgenomen dat géén geuronderzoek behoeft te worden uitgevoerd.
Ook voldoen de genomen maatregelen volgens de vergunning aan de “Beste Beschikbare Technieken” uit de BREF Open overslag bulkchemie.Met toepassing van deze technieken kan een aanvaardbaar hinderniveau in acht worden genomen. Het geuraspect vormt hiermee geen belemmering voor de omliggende woningen. Omdat destijds is afgewogen dat het geuraspect geen belemmering vormt voor omliggende woningen, zal dit ook gelden voor de ontwikkeling aan de Schoolstraat 100. Het geuraspect vormt geen belemmering voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. Voor het totaalbeeld van de milieuzonering is m.b.t. geluid een nader onderzoek uitgevoerd. Dit gedeelte is terug te vinden in Bijlage 11.
38
bestemmingsplan
bestemmingsplan Schoolstraat 100
Uit de resultaten blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de nieuwbouw in zowel de avond- als nachtperiode voldoet aan de grenswaarden van respectievelijk 48 dB(A) en 46 dB(A) conform de vigerende vergunningvoorschriften van Carbogen. Uit de resultaten blijkt tevens dat de grenswaarde van 52 dB(A) in de dagperiode ter plaatse van appartementen K4, L3 en L4 wordt overschreden. De grenswaarde uit de vigerende vergunning voor wat betreft maximale geluidniveaus voor de dag-, avond- en nachtperiode is respectievelijk 70, 65 en 60 dB(A). Uit de resultaten blijkt dat deze grenswaarde alleen ter plaatse van de zuidgevel van appartement R wordt overschreden. Aangezien deze gevel ‘doof’ wordt uitgevoerd hoeft het maximaal geluidniveau op deze gevel niet beoordeeld te worden. Derhalve worden de grenswaarden voor maximale geluidniveaus op het nieuwbouwplan gerespecteerd. Uit het model blijkt dat de overschrijding op het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode wordt veroorzaakt door twee bronnen van het gebouw ‘VSA’: De afvoer zuurkasten – VSA; en de koelunit (bepalende bron is Compressoren). De benodigde reductie kan worden behaald door het reduceren van bron 1a met 5 dB en het reduceren van bron 3 met 2 dB.
Voor bron 3 is het ook mogelijk om in plaats van de bron 2 dB te reduceren, het bestaande scherm rondom de bron met 50 centimeter op te hogen. In samenspraak met Carbogen zorgen Wilma Wonen en Carbogen er voor dat bovenstaande maatregelen zullen worden doorgevoerd. Eveneens wordt als voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen dat voor het verlenen van de vergunning er voor wordt gezorgd wordt dat de geluidsbelasting op de gevel veroorzaakt door Carbogen niet de geluidsseisen overschreidt zoals gesteld in de vergunning van Carbogen. Hiermee worden de afspraken die gemaakt worden tussen Wilma Wonen en Carbogen Amcis B.V. vastgelegd. Zodat ook de realisatie van de uitbreiding van Carbogen Amcis B.V geborgd is. 5.9.2
Conclusie
Het aspect milieuzonering is voldoende geborgd voor de uitvoering van het planvoornemen. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het woon- en leefklimaat. Voor het aspect geluid is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen.
5.10
Luchtkwaliteit
5.10.1 Wettelijk kader Voor luchtkwaliteit zijn de luchtkwaliteitseisen (hoofdstuk 5.2) van de Wet milieubeheer van kracht. Hierin is vastgelegd dat onder meer ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. Deze Wet is nader uitgewerkt in Besluiten en Regelingen, waarvan het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate (nibm), het Besluit gevoelige bestemmingen en de Regeling beoordeling de belangrijkste zijn. Daarnaast is ook het beginsel van een goede en duurzame ruimtelijke ordening van belang. Niet in betekenende mate (nibm) Alleen projecten die ‘in betekenende mate’ bijdragen aan de concentraties luchtvervuiling worden getoetst aan de grenswaarden. Er dient te worden onderzocht of een project ‘in betekenende’ mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Het Besluit nibm bepaalt dat een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtvervuiling als deze minder dan 3% van de grenswaarde, ofwel 1,2 microgram per m3. De Regeling nibm is hier een nadere uitwerking van. Hierin is bepaald dat woningbouwprojecten tot 1.500 woningen en kantoren tot 100.000 m 2 zijn vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. Besluit gevoelige bestemmingen Kinderen, ouderen en zieken zijn gevoeliger voor luchtvervuiling en worden daarom extra beschermd.
Op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen gelden voor gevoelige bestemmingen nabij wegen zwaardere beperkingen. Zo mogen binnen 300 meter van rijkswegen en 50 meter vanaf provinciale wegen geen bestemmingen voor langdurig verblijf als kinderdagverblijven, scholen of verzorgingstehuizen
bestemmingsplan
39
bestemmingsplan Schoolstraat 100 worden gebouwd, als de wettelijke grenswaarden worden overschreden. Het Besluit verplicht overheden om onderzoek uit te voeren naar de concentraties stikstofdioxide en fijn stof. Voor gemeentelijke wegen geldt een zwaardere motiveringsplicht. Concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof De Omgevingsdienst heeft de concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof voor het jaar 2015 en 2025 berekenend met het rekenmodel GeoMilieu. De wettellijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde ligt op 40 microgram per m3. De uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 microgram per m3 wordt overschreden wanneer de concentraties gemideld op jaarbasis boven de 60 microgram per m3 uitkomen. 5.10.2 Toetsing bouwplan Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening is gekeken naar de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (zowel PM10 als PM2,5) ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling. Om een goed beeld te krijgen van deze concentraties is gebruik gemaakt van de resultaten uit de NSL Monitoringstool (2021). Met de Monitoringstool wordt de luchtkwaliteit jaarlijks in beeld gebracht langs de drukste wegen in Nederland, zowel voor het gepasseerde jaar als voor de toekomst.
De Monitoringstool wordt jaarlijks geactualiseerd op basis van de generieke invoergegevens van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de verkeersgegevens voor de rijkswegen en de wegen in beheer van provincies en gemeenten. De (maximale) concentraties in de directe omgeving van de voorgenomen ontwikkeling zijn in onderstaande afbeelding in beeld gebracht voor de meest kritische stoffen in Nederland: NO2, PM10 en PM2,5.
[Tabel: jaargemiddelde concentraties NO2, PM10, PM2,5 in µg/m3] Locaties (meetpunt)
Kritische stoffen
Hoogste punt 2020
Maatgevende jaargemiddelde waarde
Nieuweweg
Stikstofdioxide NO2
14,8
40
Fijn stof PM10
17,1
40
Fijn stof PM2,5
9,6
25
Stikstofdioxide NO2
15,7
40
Fijn stof PM10
15,7
40
Fijn stof PM2,5
9,6
25
Stikstofdioxide NO2
16,6
40
Bevrijdingslaan
Prins Bernhardlaan
40
bestemmingsplan
bestemmingsplan Schoolstraat 100
Fijn stof PM10
17,4
40
Fijn stof PM2,5
9,7
25
Op basis van de resultaten uit de NSL Monitoringstool kan worden geconcludeerd dat de concentraties in de directe omgeving van de locatie onder de maatgevende grenswaarden voor deze stoffen liggen. Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.
5.10.3 Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
5.11
Mobiliteit
5.11.1 Wettelijk kader Op 26 november 2020 heeft de raad de Notitie parkeernormen Veenendaal 2020 vastgesteld. Deze zijn herzien in een herziene versie in de raadsvergadering van 25 mei 2023. In het vastgestelde beleid worden flexibelere parkeernormen toegepast, waardoor er meer maatwerk mogelijk is bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in Veenendaal. Hierbij wordt meer rekening gehouden met het bestaande stedelijk gebied en met de mogelijkheden om met andere vervoerswijzen te reizen naast de personenauto. Ook worden er fietsparkeernormen geïntroduceerd om de positie van Veenendaal als fietsstad verder te versterken. Tot slot kunnen initiatiefnemers van grote ruimtelijke ontwikkelingen met behulp van een mobiliteitsplan gemotiveerd een reductie op de parkeernormen verdienen door andere vormen van mobiliteit aan te bieden en gebruik te maken van de kwaliteiten die aanwezig zijn in de nabije omgeving van het plangebied. 5.11.2 Toetsing bouwplan Door Antea is een parkeerbalans opgesteld op basis van het planvoornemen en de Notitie parkeernormen Veenendaal 2020 (Bijlage 13). De totale parkeerbehoefte van de ontwikkeling bedraagt in beginsel 69 parkeerplaatsen. Het is mogelijk om hier onder voorwaarden een reductie toe te passen. De mogelijk te behalen reductie bedraagt hier 16,7% en dit houdt in dat 11,4 parkeerplaatsen van de parkeereis gereduceerd zou mogen worden.
Hiermee komt de parkeerbehoefte uit op 56,9 parkeerplaatsen. In het bouwplan zijn 63 parkeerplaatsen opgenomen, waarvan 19 omwille van commerciële afwegingen worden toegewezen aan specifieke woningen. Deze 19 parkeerplaatsen tellen daardoor slechts mee voor 0,9 parkeerplaats. Dit houdt in dat de 63 aanwezige parkeerplaatsen in de praktijk tellen als 61,1 parkeerplaatsen bij een maximale parkeerbehoefte van 56,9 parkeerplaatsen. De ontwikkeling voorziet daarmee in voldoende parkeergelegenheid, Hiermee voldoet het aspect parkeren aan de Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023 en er worden geen problemen verwacht omtrent parkeren. Er zijn geen knelpunten te verwachten op het gebied van parkeren. In Bijlage 12 is de verkeersituatie gemotiveerd. De huidige verkeersgeneratie bedraagt maximaal 282 motorvoertuigbewegingen per werkdag. De toekomstige verkeersgeneratie bedraagt maximaal 698 motorvoertuigbewegingen per werkdag. Dit is een toename van 416 motorvoertuigbewegingen per werkdag. De reductie van de parkeernormen leidt ertoe dat naar verwachting ook de verkeersgeneratie zal afnemen. Het is echter niet met zekerheid te zeggen wat de reductie van de verkeersgeneratie is, waardoor we in dit onderzoek uitgaan van de maximale verkeersgeneratie. De aansluiting van de ontwikkellocatie op de Prins Bernardlaan voldoet in huidige inrichting aan de CROW-richtlijnen.
Deze hoeft in de toekomstige situatie niet worden aangepast.
bestemmingsplan
41
bestemmingsplan Schoolstraat 100
Langzaam verkeer kan via de Nieuweweg en de Prins Bernhardlaan worden afgewikkeld. Met name op de Prins Bernhardlaan draagt de toenemende intensiteit bij aan een grotere kans op conflicten tussen fietsverkeer en gemotoriseerd verkeer. Het is daarnaast ook mogelijk om vanaf het plangebied direct te ontsluiten op het voet- / fietspad aan de Bevrijdingslaan. Hierdoor zijn voor het langzame verkeer voldoende ontsluitingsmogelijkheden vanaf het plangebied. Vanuit het oogpunt van veiligheid is het belangrijk dat een gebied goed bereikbaar is in geval van calamiteiten. Dit houdt in dat bewoners een vluchtroute wordt geboden en dat hulpdiensten de locatie kunnen bereiken. De ontwikkeling beschikt over twee verbindingen waar hulpdiensten gebruik van kunnen maken. Conform de Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023 dient een fietsparkeervoorziening voor bewoners te worden gerealiseerd, waarbij er een keuze is tussen een berging (van 5 m2) per appartement of een gezamenlijke fietsenstalling die in 2,5 fietsparkeerplaatsen per appartement voorziet. Dit is verwerkt in het bouwplan. De voorgestelde fietsparkeeroplossing voor bewoners voldoet aan de Notitie Parkeernormen. Voor bezoekers zullen 4 a 5 fietsopstelplaatsen per hoofdentree worden gerealiseerd.
Dit aspect, en de waarborging van het deelmobiliteitssysteem, zal tijdens de omgevingsvergunningsaanvraag worden getoetst aan de Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023. Op basis van de huidige informatie voldoet het plan aan de parkeernorm. 5.11.3 Conclusie Vanuit het aspect parkeren en verkeer zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling.
5.12
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
In juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r) in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de procedure voor de vormvrije m.e.r.- beoordeling. Voor een aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, zal door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie opgesteld moeten worden. Na het indienen van de aanmeldnotitie dient het bevoegd binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. Vervolgens moet de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is vereist als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en de besluiten (kolom 4) die daaraan zijn gekoppeld, in gevallen waarin de omvang van activiteiten onder de drempelwaarden (kolom 2 van de D-lijst) liggen.
5.12.1 Toetsing bouwplan Het plan met maximaal 128 woningen komt voor op de D-lijst, maar blijft onder de drempelwaarden, derhalve is een vormvrije m.e.r.- beoordeling benodigd voor het plan. Deze is uitgevoerd door Antea (Bijlage 14). 5.12.2 Conclusie In de aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn de verwachte milieueffecten als gevolg van de realisatie van de ontwikkelingen beschreven, op basis waarvan het bevoegd gezag het m.e.r.-beoordelingsbesluit kan nemen . Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen sprake is van bijzonder omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot gevolgen voor het milieu ter plaatse. Er is dan ook geen aanleiding om een m.e.r.-procedure te voeren. Daarbij dienen de mitigerende maatregelen waarvan in de m.e.r.-beoordelingsconclusie is uitgegaan ter voorkoming van negatieve milieueffecten in acht genomen te worden • Er is sprake van geluidsbelasting die de geldende waarden overschrijdt. Carbogen en initiatiefnemer maken privaatrechtelijk afspraken over de te treffen maatregelen om deze geluidsbelasting te reduceren tot de maximaal geldende geluidswaarden. Op basis van deze afspraken wordt Carbogen niet belemmerd in haar bedrijfsvoering en kan een goed woon- en leefklimaat worden gerealiseerd. • Er dient rekening gehouden te worden met mogelijk aanwezig broedvogels.
42
bestemmingsplan
bestemmingsplan Schoolstraat 100
• Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek met betrekking tot archeologische verwachtingswaarden in het plangebied Op basis van de aanmeldingsnotitie kan en zal een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden waarbij de beschreven mitigerende maatregelen worden geborgd.
5.13
Totaalbeeld aspecten
Uit alle gevoerde onderzoeken komt naar voren dat het bestemmingsplan niet op onacceptabele gevolgen of belemmeringen stuit voor de directe omgeving.
bestemmingsplan
43
bestemmingsplan Schoolstraat 100
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE PLANOPZET
Inleiding
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat verbeelding en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding Zoals reeds eerder gesteld is de verbeelding gerelateerd aan de regels (en vice versa) en heeft tevens de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Verder kunnen er binnen een bestemming verklaringen zijn aangegeven. Deze hebben juridisch gezien geen enkele betekenis en zijn uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken.
Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken. Toelichting De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter geen rechtsreeks burgers bindende werking.
6.2
De indeling van de planregels
Het gemeentelijk beleid is vertaald in de planregels. Het deelplan bevat normatieve regels, die bindend zijn voor zowel de overheid als de burger. Daarbij is geprobeerd een flexibel stelsel van regels te ontwikkelen zonder daarbij tekort te doen aan eisen van rechtszekerheid. Gekozen is daarom om het aantal bestemmingen op de verbeelding te beperken tot datgene wat noodzakelijk wordt geacht. Het is voor beide partijen van groot belang, dat de verbeelding en de planregels duidelijke informatie verschaffen. Door het aantal bestemmingen met een minimum te beperken wordt de leesbaarheid en duidelijkheid van zowel de verbeelding als de planregels vergroot. Een leesbaar en duidelijk plan zorgt bovendien voor een plan dat handhaafbaar is. De indeling van de planregels is als volgt: 6.2.1
Inleidende regels (hoofdstuk1)
Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige planregels goed te kunnen hanteren: begrippen: bevat in het plan gebruikte begrippen die uitleg behoeven; wijze van meten: bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlaktes, percentages, hoogtes, dieptes, breedtes en dergelijke. Hieronder valt tevens de wijze van peilbepaling.
44
bestemmingsplan
bestemmingsplan Schoolstraat 100
6.2.2
Bestemmingsregels (hoofdstuk2)
Binnen dit plan komen de volgende bestemmingen voor: Groen Verkeer Wonen
G V W
Dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie - Hoog Waarde - Archeologie - Middelhoog
WR-A2 WR-A3
Gebiedsaanduidingen vrijwaringszone - molenbiotoop
In paragraaf 6.3 wordt er per bestemming aangegeven wat de gebruiksmogelijkheden en de bouwmogelijkheden zijn. Indien bestemmingsspecifieke flexibiliteitsregels aan de orde zijn worden deze per artikel opgenomen. Algemene flexibiliteitsregels zijn in hoofdstuk 3 opgenomen. 6.2.3
Algemene regels (hoofdstuk3)
Hoofdstuk 3 bestaat achtereenvolgens uit de volgende artikelen: Anti-dubbeltelregel: Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Verwezenlijking in de naaste toekomst Algemene procedureregels Overige regels 6.2.4
Overgangs- en slotregels (hoofdstuk4)
In hoofdstuk 4 van de regels is het overgangrecht geformuleerd. De formulering is conform de tekst als in het Bro omschreven. Zonder vergunning opgerichte, dus illegale, bouwwerken vallen niet onder het overgangsrecht. Indien de bouwwerken door wetgeving inmiddels vergunningvrij kunnen worden opgericht, worden deze niet als illegaal beschouwd. In de slotregel wordt genoemd hoe het plan kan worden aangehaald.
6.3
Bestemmingen
De bestemmingen bestaan uit een opsomming van omschrijvingen die aangeven hoe een bepaalde plek gebruikt mag worden en wat er op een bepaalde plek gebouwd mag worden. Dit wordt respectievelijk opgesomd in de bestemmingsomschrijving en de bouwregels. Hieronder wordt de voor dit plan geldende bestemming toegelicht. Er wordt aangegeven wat de gebruiksen bouwmogelijkheden zijn. Groen - G Gebruiksmogelijkheden
bestemmingsplan
45
bestemmingsplan Schoolstraat 100
De voor 'Groen - G' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, watervoorzieningen, voetpaden, beeldende kunst, en speelvoorzieningen. Fietspaden en parkeerplaatsen vallen onder de bestemming Verkeer en vallen niet onder de bestemming Groen. Dit type groen bevat perken, water, plantsoenen, en overige groenvoorzieningen. Speelvoorzieningen, hondenuitlaatvoorzieningen, en beeldende kunst worden ook mogelijk geacht binnen de bestemming. Additionele voorzieningen: gedacht kan worden aan plantenbakken, fonteinen, bankjes, prullenbakken, verlichting. Bouwmogelijkheden Op de gronden mogen in principe alleen gebouwen van algemeen nut en overige bouwwerken gebouwd worden. Uitsluitend ter plaatse van een bouwvlak mogen gebouwen, niet zijnde de gebouwen van algemeen nut, met een maximum bouwhoogte van 5 meter gebouwd worden. Afwijken ten behoeve van wegreconstructies Voor het gebruiken van gronden voor niet-ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied zoals voor wegreconstructies is het mogelijk om binnen de groenbestemming flexibiliteit toe te staan.Het kan bijvoorbeeld gaan om het toevoegen van een aantal parkeerplaatsen in een groenstrook, het verleggen van trottoirs of het aanbrengen van groenvoorzieningen. Op deze manier wordt de groenbestemming beschermd, maar is er voor het college een mogelijkheid om wegreconstructies doorgang te laten vinden.