CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Adviesrapport dierenwelzijn - Academie van de Stad - 30-06-2023

Raadscommissie 15 mei 2025, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Consultatie Beleidsvorming dierenwelzijn27.999 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

In deze nota wordt nog uitgegaan van de vigerende wetgeving, oftewel van het stelsel van de Wet natuurbescherming. In hoofdstukken 7 en 8 van deze wet wordt verder ingegaan op de regels in de Wet natuurbescherming. In relatie tot de hengelsport moet in dit verband nog de Visserijwet 1963 genoemd worden; de gemeente heeft een belangrijke rol in het verstrekken van visvergunningen op haar gronden. Zie hierover verder paragraaf 6.3.

Wet op de dierproeven Dierproeven zijn in principe verboden. Om dierproeven te mogen uitvoeren heeft een instelling (bijvoorbeeld universiteit of farmaceutisch bedrijf) een instellingsvergunning van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit nodig en de onderzoekers een projectvergunning van de Centrale Commissie Dierproeven (CCD). Aan welke eisen en voorwaarden de instellingen en onderzoekers nog meer moeten voldoen, staat beschreven in de Wet op de dierproeven (Wod) en in het bijbehorende Dierproevenbesluit. In deze wet is ook vastgelegd voor welke limitatieve doeleinden dierproeven wel of niet verricht mogen worden. Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

29

Gemeenten kunnen te maken krijgen met dierproeven in de zin dat zij bijvoorbeeld zo’n vergunde universiteit of farmaceutisch bedrijf binnen de gemeentegrenzen hebben. Daar kunnen vragen over zijn,

bijvoorbeeld

van

bezorgde

bewoners.

Kijkend

naar

de

hiervoor

beschreven

bevoegdhedenverdeling hebben gemeenten hier echter geen formele rol in toebedeeld gekregen.

Ruimtelijke ordening (Wro en Wabo) De gemeente is uiteraard verantwoordelijk voor een groot aantal lokale onderwerpen, inclusief het afgeven van vergunningen die daarmee samenhangen. Een aantal daarvan is direct relevant voor onderwerpen in deze nota. Bijvoorbeeld in relatie tot de vestiging en uitbreiding van veehouderijbedrijven en het realiseren van schuilstallen. Hier worden kort enkele van de belangrijkste regelingen beschreven. De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) regelt de inrichting van het land. Zowel de Rijksoverheid, provincies als gemeenten dienen hierover beleid op te stellen in een structuurvisie en verordening ruimte, die betrekking hebben op hun eigen grondgebied. De verdere uitvoering van deze visie geschiedt via bestemmingsplannen. Daarin staat concreet beschreven welke doeleinden zijn toegewezen aan de verschillende gebieden en wijken (zoals recreatie, landbouw of wonen) en wat daar onder welke voorwaarden mag gebeuren. Bijvoorbeeld in hoeverre uitbreiding van een veehouderijbedrijf is toegestaan (aantal dieren of anderszins). Dit kan ook relevant zijn voor het al dan niet mogen plaatsen van een schuilstal (lees: een bouwwerk) in het buitengebied. Ook de Wro zal opgaan in de Omgevingswet. Zodra dit het geval is, zullen de hier aangehaalde zaken voortaan daarin worden geregeld.

Hetzelfde geldt overigens voor de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) uit 2010, die de geïntegreerde omgevingsvergunning regelt, en in welk kader de gemeenten een (loket)functie hebben.

APV/evenementen Op grond van artikel 174 van de Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op ‘openbare samenkomsten en vermakelijkheden’. Dit raakt aan aspecten van openbare orde en veiligheid, waarvoor de gemeente verantwoordelijk is. Vaak wordt deze bevoegdheid nader uitgewerkt in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en stelt de gemeente in dit kader ook een evenementenbeleid op. Daarin is onder meer bepaald voor welke evenementen een evenementenvergunning nodig is. Hier ligt een link naar evenementen met de beoogde inzet van dieren, zie voor meer informatie Hoofdstuk 4.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

30

In meer algemene zin is de algemene regelgevende bevoegdheid van gemeenten van belang, zoals deze onder meer tot uitdrukking komt in de lokale APV. In de Model-APV van de VNG staan meerdere voorbeeldbepalingen over dieren, bijvoorbeeld het omgaan met ervaren overlast door gehouden dieren, en over gevaarlijke honden.

Bewaarplicht gevonden dieren Burgerlijk Wetboek In het kader van de gevonden-voorwerpenregeling in het Burgerlijk Wetboek heeft de gemeente een bewaarplicht voor de duur van veertien dagen met betrekking tot zwervend aangetroffen huisdieren met een vermoedelijke eigenaar (zie art. 5:8 lid 3 BW in het bijzonder). In dit overzicht met belangrijkste weten regelgeving in relatie tot dieren(welzijn) in de gemeente, mag dit zeker niet onvermeld blijven, ook omdat het de basis vormt van het particuliere dierenambulancevervoer en het opvang-/asielwerk van (huis)dieren in Nederland. Zie voor meer informatie Hoofdstuk 2 over dieren in nood.

Zelfregulering Het is bij dit alles goed om te beseffen, dat er nadrukkelijk méér van belang is dan wat er in de (belangrijkste) wetgeving precies wordt bepaald en voorgeschreven over de relatie tussen dieren(welzijn) en de gemeente. Bij de geschetste kaderwetgeving met ‘open normen’ en de ‘terugtredende (Rijks)overheid’ hoort ook, dat lagere overheden een eigen, passende rol voor zichzelf formuleren. Zoals uit deze nota blijkt, kan en mag een gemeente van alles doen wat dienstbaar is aan dierenwelzijn binnen de eigen gemeentegrenzen en -bevoegdheden. Dat kan dus ook zijn: het maken van passend beleid en (het stimuleren van) zelfregulering op allerlei diergerelateerde terreinen. Hoofdstuk 5 (Landbouwdieren) biedt hier goede voorbeelden van.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

31

3.3 Dieren In Nood Iedere burger is wettelijk verplicht om dieren in nood te helpen (artikel 1.4 van de Wet dieren – nog niet in werking – en art. 1.11 van de Wet natuurbescherming). Dit betekent dat handelingen die mogelijkerwijs schade kunnen toebrengen aan het dier achterwege moeten worden gelaten of, voor zo ver mogelijk, moeten worden voorkomen dan wel beperkt. Hoewel de Wet natuurbescherming voorschrijft dat in het wild levende dieren in principe met rust moeten worden gelaten, is er een uitzondering in geval van nood: ook dan is iedere burger verplicht om te helpen. Dit kan bijvoorbeeld door het dier naar een opvang te brengen of een dierenambulance te bellen.

3.3.1 De gemeente en dieren in nood Zwervende dieren Gemeenten hebben specifieke wettelijke verplichtingen als het gaat om de opvang van dieren die op straat zwerven, terwijl het vermoeden bestaat dat ze een eigenaar hebben (Burgerlijk Wetboek, Boek 5, artikel 8 lid 3). De gemeente moet deze dieren 14 dagen voor de vermeende eigenaar bewaren. Als die zich niet binnen 14 dagen meldt, bepaalt de burgemeester wat er met het dier gebeurt. Bij voorkeur draagt de burgemeester het eigendom van het dier over aan een dierenopvangcentrum dat het dier bij een nieuwe particuliere eigenaar plaatst.

Overvolle dierenopvang Behalve zwervende dieren, waarvoor de gemeente een wettelijke opvangplicht heeft, komen er ook veel gezelschapsdieren in het opvangcentrum terecht die niet per se onder deze opvangplicht vallen. Veel mensen brengen zelf hun dier naar het asiel, omdat ze het in een impuls hebben aangeschaft en niet goed weten hoe ze het dier moeten verzorgen of de kosten hebben onderschat. Daardoor zitten opvangcentra vaak (over)vol, vooral in de zomermaanden. Het is dan ook belangrijk dat de gemeente het lokale opvangwerk actief steunt. De gemeente moet samen met de dierenhulpketen naar manieren zoeken om te voorkomen dat de opvangen overvol raken door bijvoorbeeld voorlichting en preventie.

Kosten Als de oorspronkelijke eigenaar van het dier zich niet meldt of weigert de gemaakte kosten te betalen, is de gemeente voor de eerste 14 dagen financieel verantwoordelijk voor de opvang. De Dierenbescherming vindt echter dat de gemeente ook daarna de kosten zou moeten vergoeden van Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

32

de verzorging van het dier in de opvang, totdat er een nieuwe eigenaar is gevonden. Een manier om dit goed te regelen is via een overeenkomst met de dierenopvang. Meer informatie hierover vindt u in het Dienstverleningsoverzicht, dat de Dierenbescherming heeft opgesteld (zie paragraaf 3.2). Aanbeveling 2.1. Maak goede afspraken met dierenopvangcentra en ambulancediensten over de opvang en het vervoer van dieren en verstrek een kostendekkende vergoeding. Gebruik hiervoor bij voorkeur het dienstverleningsoverzicht van de Dierenbescherming.4

Opvang na huisontruiming Dieren komen niet alleen in de opvang terecht omdat zij op straat zijn gevonden. Een dier kan ook opvang nodig hebben als gevolg van een huisontruiming. In dat geval is de gemeente verplicht volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om achtergelaten ‘zaken’ maximaal 13 weken ‘op te slaan’. Als het na die tijd niet lukt om het dier weer terug te brengen naar de eigenaar, kan de gemeente het dier verkopen of het eigendom overdragen.

Opvang na gedwongen opname, arrestatie of huiselijk geweld Als mensen worden opgenomen of gearresteerd of er is sprake van huiselijk geweld, is opvang of herplaatsing van hun huisdieren van groot belang. Soms kunnen familie of kennissen van de eigenaar voor de dieren zorgen, maar dit is niet altijd het geval. Het komt helaas regelmatig voor dat in dergelijke situaties niets is geregeld voor de huisdieren. Dan kan een dierenopvang uitkomst bieden. Om de opvang of herplaatsing goed te regelen, is het van belang dat de betrokken hulpdiensten, zoals politie, sociale hulpdiensten en dierenopvangcentra hierover afspraken maken. De gemeente kan hierin een faciliterende rol spelen. Aanbeveling 2.2. Faciliteer het maken van afspraken tussen hulpdiensten en dierenopvangcentra over de opvang van huisdieren in geval van een (gedwongen) opname, arrestatie of huiselijk geweld.5

Opvang kleine huisdieren en exoten In sommige gemeenten verzorgen de opvangcentra voor honden en katten ook de opvang van andere huisdieren zoals schildpadden, konijnen en/of knaagdieren. Deze opvangcentra zijn in particuliere handen en vrijwilligers doen het meeste werk. Geld van de overheid krijgen zij meestal 4 5

Bijlage II: Ringenmodel, Dieren in nood, ring 2. Bijlage II: Ringenmodel, Dieren in nood, ring 2.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

33

niet; ze moeten het meestal hebben van donaties van sympathisanten. De Dierenbescherming ondersteunt het werk van diverse opvangcentra, onder meer met financiële bijdragen. De opvang en het vervoer van álle zwervend aangetroffen huisdieren, dus niet alleen honden en katten, is een wettelijke taak van de gemeente. Daarom vindt de Dierenbescherming dat de gemeente ook aan deze opvangcentra financiële steun moet bieden.

In het wild levende dieren Ook in het wild levende dieren kunnen in een noodsituatie verkeren. Ze kunnen bijvoorbeeld vastzitten in prikkeldraad, gewond raken in het verkeer of slachtoffer zijn van vergiftiging. De ‘bewaarplicht’ die gemeenten hebben voor gevonden huisdieren geldt niet voor wilde dieren, maar er is in algemene zin wel een zorgplicht voor in het wild levende dieren. Vanuit de eigen invulling van deze zorgplicht kan de gemeente een bijdrage leveren aan opvangcentra en vervoerders die deze dieren helpen. Ook kan zij burgers informeren over dit onderwerp. Aanbevelingen 2.3. Zorg voor financiële ondersteuning voor opvang en vervoer van in het wild levende dieren.6 2.4. Start een publiekscampagne zodat inwoners weten wat ze moeten doen als ze wilde dieren in nood aantreffen.7

Contracten met dierenopvangcentra en dierenambulances De Dierenbescherming bepleit dat gemeenten contracten afsluiten met opvangcentra en ambulances en niet werken met een subsidieconstructie. Zo kan zij goede en reële afspraken maken over de kosten van de opvang en is de kwaliteit en de continuïteit van de dierenopvang het beste te waarborgen. De dierenambulance verzorgt het vervoer van dieren in de regio. Om ervoor te zorgen dat de dierenambulance overal goed en snel kan komen, is het wenselijk dat de (grootstedelijke) gemeente een ontheffing verleent, zodat de dierenambulance ook op bus- en trambanen mag rijden. Aanbevelingen 2.5. Sluit een contract af met opvangcentra en ambulances voor de dierenhulp binnen de gemeente.

6 7

Bijlage II: Ringenmodel, Dieren in nood, ring 3. Bijlage II: Ringenmodel, Dieren in nood, ring 3.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

34

2.6. Verleen waar nodig een ontheffing aan de dierenambulance voor het medegebruik van busen trambanen en voorzie in de benodigde parkeervergunningen.

3.3.2 Rampenplan De gemeente is verantwoordelijk voor rampenbestrijding en moet daarvoor iedere vier jaar een plan opstellen volgens de Wet veiligheidsregio’s (art. 2). De brandweer moet bij rampen zorgen voor de veiligheid van mens én dier. Om ervoor te zorgen dat dieren professionele hulp krijgen is het belangrijk dat de gemeente in het rampenbestrijdingsplan maatregelen opneemt over dieren. Voor het redden van grote dieren, zoals paarden en koeien, is specifieke ervaring en kennis nodig. De brandweer kan hier tijdens oefeningen extra aandacht aan besteden. Aanbevelingen 2.7. Neem in het rampen(bestrijdings)plan een passage op over de hulp aan dieren.8 2.8. Maak afspraken met de veiligheidsregio en het crisisteam over dierennoodhulp.

Handreiking dierennoodhulp De Dierenbescherming heeft een dienstverleningsoverzicht ontwikkeld om de gemeente te helpen bij een professionele en efficiënte dierennoodhulp. Dit document biedt een volledig productenpakket, van melding tot herplaatsing of hereniging. Een uitgewerkte versie van het dienstverleningsoverzicht is verkrijgbaar bij de Dierenbescherming. Aanbevelingen 2.9.

Maak

bij

het

opstellen

van

beleid

rond

dierennoodhulp

gebruik

van

het

dienstverleningsoverzicht van de Dierenbescherming.

8

Bijlage II: Ringenmodel, Dieren in nood, ring 3.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

35

3.4 Gezelschapsdieren In Nederland leven miljoenen huis- en hobbydieren. De gemeente heeft hier direct mee te maken. Bijvoorbeeld binnen het sociale domein, bij huisuitzettingen, in het kader van armoede en in de openbare ruimte (inclusief ruimtelijke ordening) en vanuit de zorgplicht in het Burgerlijk Wetboek voor zwervend aangetroffen dieren. Maar ook binnen het vergunningenbeleid en in de toezichthoudende en handhavende taken van de gemeente vragen gezelschapsdieren om aandacht van de gemeente. Denk bijvoorbeeld aan de taken van de lokale politie en de inzet van gemeentelijke boa’s.

3.4.1 Huis- en hobbydieren Dieren hebben een positieve impact op de leefbaarheid van een stad of dorp en de zorg voor kwetsbare inwoners. Hoewel dieren voor een gemeente misschien niet altijd centraal staan, kan een gemeente met goed beleid bijdragen aan dierenwelzijn en een omgeving waarin dier en mens samen passen. Dat is wat mensen tegenwoordig verwachten. Het gaat dan niet alleen om dieren binnenshuis, maar ook om dieren in de wei en om het huis. Regels met betrekking tot gezelschapsdieren zijn vastgelegd in de Wet dieren. Het Besluit houders van dieren, een uitvoeringsbesluit bij deze wet, bevat algemene regels over het houden en de verzorging van dieren. Ook zijn hierin regels opgenomen over het bedrijfsmatig houden, fokken en verhandelen of verkopen van gezelschapsdieren. Zo mogen gezelschapsdieren bijvoorbeeld niet verkocht worden aan kinderen onder de 16 jaar en mogen dierenwinkels geen dieren in de etalage hebben (beiden om impulsaankopen tegen te gaan), en zijn er regels voor het maximale aantal nestjes dat een dier mag krijgen.

Huisdieren Vaak weten mensen niet genoeg over huisdierbezit en hobbydieren en de wettelijke regels die hierbij gelden. Daarnaast is een gedeelte van de huisdieren exoot, wat een goede voorziening in de zorgbehoefte bemoeilijkt door afwijkend klimaat en inrichting van leefruimte. Dit kan leiden tot strafbare verwaarlozing, dumping of het afstaan van aangeschafte dieren. De gemeente kan inwoners helpen met goede informatievoorziening en voorlichting over veelvoorkomende problemen. Bijvoorbeeld hoe de lokale dierenopvang geregeld is, waar losloopgebieden zijn of wat te doen bij bijtincidenten. De Dierenbescherming helpt hier graag bij.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

36

Aanbevelingen 3.1. Zorg voor voorlichting over het houden van huisdieren om dierenleed te voorkomen.9

Hobbydieren Hobbydieren zijn landbouwdieren die in kleine aantallen en zonder commercieel doel worden gehouden zoals geiten, paarden, varkens en kippen. Nederland telt naar schatting vijftig- tot honderdduizend particulieren die hobbymatig landbouwdieren houden. Hiervoor gelden vaak andere (en meer) regels dan voor het houden van een regulier huisdier. Hobbydieren vallen namelijk op sommige punten onder de regels voor commercieel gehouden landbouwhuisdieren. Denk hierbij onder andere aan regels omtrent besmettelijke dierziekten, vervoer en huisvesting. Iemand die een hobbydier houdt, moet bijvoorbeeld bij het vermoeden van een besmettelijke dierziekte een dierenarts inschakelen. Die kan constateren of het eventueel gaat om een ziekte die moet worden gemeld bij de NVWA.

Schuilstallen De meeste hobbydieren zijn kuddedieren. Een weide met tenminste één soortgenoot is daarom meestal de beste plek voor hobbydieren, zowel uit het oogpunt van dierenwelzijn als gezondheid. Een weide alleen is echter niet voldoende. Wanneer het hard regent of de zon de hele dag op het weiland staat, moeten dieren ergens kunnen schuilen. Het Besluit houders van dieren verplicht huisdierbezitters dan ook tot het bieden van bescherming tegen slechte weersomstandigheden (art. 1.6). De gemeente moet vanwege haar bevoegdheden op het gebied van ruimtelijke ordening de aanleg van schuilgelegenheden en -stallen goed regelen, zowel binnen de bebouwde kom als in het buitengebied. De meeste gemeenten lijken dit overigens inmiddels op orde te hebben. Aanbevelingen 3.2. Geef op de gemeentelijke website voorlichting over regelgeving en het diervriendelijk houden van hobbydieren.10 3.3. Zorg dat hobbydierhouders een schuilgelegenheid/stallen kunnen bouwen.11

9

Bijlage II: Ringenmodel, Gezelschapsdieren, ring 2. Bijlage II: Ringenmodel, Dieren in nood, ring 3. 11 Bijlage II: Ringenmodel, Dieren in nood, ring 2. 10

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

37

3.4.2 Dierenwelzijn en sociaal beleid Sociale hulpverlening Sinds de veranderingen in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in 2015, komt de sociale hulpverlener vaker ‘achter de voordeur’. Zo vindt in veel gemeenten het ‘keukentafelgesprek’ plaats, dat vaak is uitbesteed aan sociale wijk- of buurtteams. De Dierenbescherming ervaart dat sociale hulpverleners een belangrijke rol kunnen spelen bij het signaleren van dierenwelzijnsproblemen. Dierenwelzijnsproblemen kunnen door veel verschillende oorzaken ontstaan. Denk hierbij aan het onthouden van medische zorg of voeding aan het huisdier door geldzorgen, of een gebrek aan aandacht en verzorging vanwege fysieke beperkingen of psychische aandoeningen van de eigenaar. De sociaal hulpverlener kan dit tijdig opmerken en actie ondernemen. De gemeente kan een faciliterende rol spelen door informatie en trainingen aan te bieden aan hulpverleners. Hulpverleners kunnen ook bij de Helpdesk Hulpverleners van de Dierenbescherming terecht voor advies en overleg. Aanbevelingen 3.4. Sociale hulpverleners informeren en faciliteren om te signaleren en te acteren bij verminderd dierenwelzijn.12

Minimabeleid Voor huisdierbezitters met een laag inkomen kunnen problemen ontstaan door bijvoorbeeld een onverwacht hoge rekening van de dierenarts. Veel gemeenten hebben speciaal beleid voor mensen die niet genoeg inkomen hebben om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Mensen met een laag inkomen kunnen dan bepaalde vergoedingen of kortingen krijgen. De Dierenbescherming vindt dat medische zorg aan huisdieren moet worden gezien als noodzaak in het minimabeleid en de Bijzondere Bijstand. Hier moeten dus vergoedingen voor beschikbaar zijn. De gemeente Amsterdam heeft bijvoorbeeld de ADAM-regeling (‘Amsterdamse Dierenhulp aan Minima’- regeling). Deze zorgt ervoor dat minima één keer per jaar gratis een dierenarts kunnen bezoeken. Als een medische behandeling noodzakelijk is, vergoedt de gemeente de helft van de kosten, op voorwaarde dat het dier gechipt is. Mocht dit nog niet het geval zijn, dan betaalt de gemeente dit ook. Ook voor de castratie van katten heeft de gemeente een vergoeding beschikbaar. De gemeente kan haar licht opsteken bij dergelijke best practices.

12

Bijlage II: Ringenmodel, Sociaal beleid, ring 3.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

38

Aanbevelingen 3.5. Zorg dat mensen met een laag inkomen goed voor hun huisdier kunnen zorgen. Stel vergoedingen voor medische kosten beschikbaar in het kader van het minimabeleid of de Bijzondere bijstand.13

Dierenbuddy Voor veel ouderen, chronisch zieken of mensen met een anderszins lichamelijke beperking, zijn huisdieren van groot belang voor hun kwaliteit van leven. Echter kunnen eigenaren soms niet meer goed voor hun huisdier zorgen. De vrijwilligers van Dierenbuddy ondersteunen deze mensen op het thuisadres bij de verzorging van hun huisdier. Dit kan ook in een zorginstelling zijn, als die huisdierbezit toestaat. Zo helpen de vrijwilligers om eenzaamheid te bestrijden én onbedoeld dierenleed te voorkomen. Het project Dierenbuddy van de Dierenbescherming is nu in dertien gemeenten actief. Ook andere gemeenten kunnen dit initiatief als pilotproject of structureel ondersteunen met een subsidie en het onder de aandacht brengen in de wijknetwerken en binnen het sociale domein. Aanbevelingen 3.6. Ondersteun het project Dierenbuddy door een financiële bijdrage en promotie binnen het sociale domein.14

3.4.3 Identificatie en registratie Identificatie Veel huisdieren hebben een goed thuis, waar zij de verzorging en aandacht krijgen die zij nodig hebben. Het komt echter regelmatig voor dat dieren ontsnappen, of gedumpt worden. Deze dieren – voornamelijk honden en katten, maar ook konijnen, knaagdieren, (mini)varkens, vogels en reptielen – komen dan bij een asiel of opvangcentrum terecht. De dierenopvang gaat in eerste instantie op zoek naar de eigenaar van deze dieren. Wanneer de eigenaar niet wordt gevonden of het dier niet meer wil verzorgen, wordt er een nieuwe eigenaar gezocht.

13 14

Bijlage II: Ringenmodel, Sociaal beleid, ring 3. Bijlage II: Ringenmodel, Gezelschapsdieren, ring 3.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

39

Chipplicht voor honden Om eigenaren op te sporen, meer honden te herenigen met hun eigenaar en malafide hondenhandel te ontmoedigen, is het chippen van honden sinds 2013 verplicht. Daarnaast moeten hondenbezitters vanaf 2021 ook een hondenpaspoort hebben. Voorheen was dit alleen nodig bij reizen naar het buitenland. Van alle gevonden honden gaat uiteindelijk 72 procent terug naar de eigenaar. Bij katten is dat slechts 13 procent. Dit komt onder andere doordat het chippen van katten eerder niet verplicht was. De Dierenbescherming bepleit een nationale chipplicht voor katten om de problemen met zwerfkatten en verwilderde katten (zie paragraaf 7.2) aan te pakken en overvolle asielen te voorkomen. Eerder werd hierover een motie aangenomen in de Tweede Kamer waar sinds het begin van dit jaar invulling aan wordt gegeven.

‘Chip je kat’-acties Gemeenten kunnen belangrijke rol spelen door inwoners in te lichten over het belang van chippen en erop aandringen dat eigenaren dit bij hun kat laten doen. Elk jaar organiseren verschillende dierenorganisaties, dierenartsen en dierenspeciaalzaken chipacties. Na successen in onder andere Rotterdam zet de Dierenbescherming hier vanaf dit jaar zelf ook proactief op in met ‘chip je kat’-acties. Dit gebeurt in nauwe samenwerking en afstemming met de gemeente en betrokken dierenartsen. De Dierenbescherming faciliteert, de gemeente financiert en dierenartsen voeren het chippen uit. Aanbevelingen 3.7. Neem actief deel aan ‘chip je kat’-acties met financiering, publiekscommunicatie en afstemming met betrokken partijen.15

Registratie Het structureel verzamelen van gegevens over het aantal dieren en meldingen over overlast, verwaarlozing, mishandeling en dergelijke kan dierenleed in de toekomst helpen voorkomen. Daarmee is het mogelijk patronen en verbanden in aard en herkomst van bepaalde problemen te identificeren en vervolgens tot een gerichte aanpak te komen.

15

Bijlage II: Ringenmodel, Gezelschapsdieren, ring 4.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

40

Aanbevelingen 3.8. Zorg voor een goede registratie van meldingen met betrekking tot overlast, verwaarlozing en mishandeling van dieren.16

3.4.4 Hondenbeleid Voorzieningen zoals losloopgebieden Honden in de wijk kunnen zorgen voor sociale cohesie tussen bewoners, maar ook leiden tot onenigheid en irritaties over hondenpoep en geblaf. Eigenaren zijn altijd eindverantwoordelijk voor hun hond en het voorkomen van overlast, maar een duidelijk lokaal hondenbeleid is belangrijk om het welzijn van honden, eigenaren en andere buurtbewoners te borgen. In veel gemeenten geldt bijvoorbeeld al een algehele opruimplicht voor hondenpoep. Daarbij is het wel van belang dat er voldoende plekken zijn waar honden hun behoeften kunnen doen en hun energie kwijt kunnen raken. Dit kan in veel gemeenten in speciale losloopgebieden. Bij het bestemmen van een losloopgebied, dient rekening gehouden te worden met de veiligheid zoals de aanwezigheid van drukke wegen.

Voorlichting Voorlichting is belangrijk. Het draagt niet alleen bij aan een verbetering van het welzijn van honden, maar zorgt ook voor meer wederzijds begrip tussen hondeneigenaren en anderen. Bij voorkeur plaatst de gemeente informatie over het hondenbeleid goed zichtbaar op haar website. Van belang is ook dat de gemeente duidelijk aangeeft waar uitlaatstroken, losloopgebieden en speelweiden zijn. Ook via hondenscholen leren eigenaren om vertrouwd te raken en verantwoord om te gaan met hun hond, zoals Gehoorzame Huishond (GHH), een school van de Dierenbescherming. De gemeente kan dit soort hondenscholen actief onder de aandacht brengen, bijvoorbeeld als mensen hun hond aanmelden voor belasting. Aanbevelingen 3.9. Stel hondenbeleid op waarin het welzijn van de hond centraal staat. Heb daarbij onder andere aandacht voor voorzieningen voor honden.17

16 17

Bijlage II: Ringenmodel, Gezelschapsdieren, ring 2. Bijlage II: Ringenmodel, Gezelschapsdieren, ring 3.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

41

Hondenbelasting Gemeenten mogen hondenbelasting heffen op basis van de Gemeentewet, artikel 226. Hier is al jaren veel weerstand tegen, omdat velen dit discriminatie van hondenbezitters vinden. Het aantal gemeenten dat hondenbelasting heft neemt dan ook steeds verder af. Hoewel hondenbelasting geen doelbelasting is, kan de gemeente ervoor kiezen de inkomsten uit hondenbelasting (deels) te besteden aan voorzieningen voor honden of de praktische uitwerking van hondenbeleid. Dit is ook wat de Dierenbescherming bepleit. De gemeente kan bijvoorbeeld uitlaatplaatsen, losloopgebieden en speelweides creëren en afvalbakken plaatsen. Een alternatief is dat de gemeente geen hondenbelasting heft, maar iets terugvraagt van hondeneigenaren. Bijvoorbeeld dat zij altijd hondenpoep opruimen en zo zelf de verantwoordelijkheid nemen en bijdragen aan het schoonhouden van de openbare ruimte. De gemeente Ridderkerk heeft een dergelijk beleid. Aanbevelingen 3.10. Gebruik de inkomsten van de hondenbelasting om de openbare voorzieningen voor honden te verbeteren.

Bijtincidenten Helaas heeft elke gemeente weleens te maken met bijtincidenten. Een bijtincident kent verschillende oorzaken waaronder de mate van socialisatie. Socialisatie, het leren van de maatschappelijke spelregels, vindt plaats in de eerste levensfase van de hond. Het is van belang zorgvuldig met (bijna) bijtincidenten om te gaan. Zowel het slachtoffer, de hond als zijn eigenaar zijn hierbij gebaat. Daarom is het goed als de gemeente specifiek beleid opstelt ten aanzien van bijtincidenten. Dit start met een gedegen registratie van de incidenten en het opstellen van een protocol. In dit protocol staat wat hondeneigenaren en slachtoffers kunnen doen na een bijtincident. Zo kan een slachtoffer aangifte doen. De gemeente kan vervolgens bepalen wat er met de hond gebeurt. De Dierenbescherming pleit ervoor dat na een aangifte de hond pas in het uiterste geval in beslag wordt genomen. Mogelijk kan een aanlijn- en muilkorfgebod, eventueel gecombineerd met een cursus, al een oplossing bieden. Een onafhankelijke gedragstest kan uitsluitsel geven over de vraag of een dier een risico vormt voor de omgeving. Om het aantal bijtincidenten te beperken, pleit de Dierenbescherming voor een verantwoord preventiebeleid, waar goede voorlichting, welzijnsgerichte hondencursussen en goed fokbeleid onderdeel van uitmaken. De gemeente kan dit faciliteren.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

42

Aanbeveling 3.11. Registreer bijtincidenten en stel een protocol op dat wordt ingezet en gecommuniceerd in geval van een bijtincident.18 3.12. Zet in op het voorkomen van bijtincidenten door voorlichting over het houden van honden en het stimuleren van het volgen van hondencursussen en -trainingen samen met gespecialiseerde partijen.

3.4.5 Handhaving bij overlast of gevaar van dieren Handhaving van dierenwelzijn is in principe geen verantwoordelijkheid van de gemeente. De gemeente kan wel eisen stellen op het gebied van openbare orde en veiligheid die indirect hun weerslag hebben op het dierenwelzijn via de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Deze eisen kunnen worden vastgelegd in de vergunningverlening voor bijvoorbeeld een evenement waarbij dieren worden gebruikt (zie paragraaf 5.1). Bij overtreding van deze eisen kan de volgende keer de vergunning niet verstrekt worden. Het is daarnaast gebruikelijk om in de APV een verbod op overlast door dieren op te nemen, zoals kraaiende hanen of blaffende honden. Hierop kan zo nodig rechtstreeks worden gehandhaafd, zonder tussenkomst van vergunningen. Om de openbare orde te handhaven, kan de gemeente een gevaarlijk dier in beslag nemen, in samenspraak tussen burgemeester en politie. Dit kan opgenomen zijn in de APV, maar ook rechtstreeks op last van de burgemeester gebeuren (artikel 172 lid 3 Algemene wet bestuursrecht). De Wet aanpak woonoverlast, in de volksmond ook wel de ‘Aso-wet’ genoemd, biedt ook een mogelijkheid om op te treden. In het geval van langdurige overlast kan de burgemeester officiële waarschuwingen geven en gedragsverandering afdwingen, als bemiddeling met de buren niets heeft opgeleverd.

Stank- en geluidsoverlast kan dan de aanleiding zijn voor de gemeente om effectief in te grijpen in situaties waarbij het welzijn van huisdieren in het geding is. Aanbevelingen 3.13. Gebruik de mogelijkheden binnen de Wet aanpak woonoverlast om op basis van stank- en geluidsoverlast in te grijpen als het welzijn van huisdieren in gevaar is.19

18 19

Bijlage II: Ringenmodel, Gezelschapsdieren, ring 3. Bijlage II: Ringenmodel, Sociaal beleid, ring 2.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

43

3.5. Vermaak met dieren Onder ‘dieren ter vermaak’ verstaan we enerzijds dieren in dierentuinen en kinderboerderijen. Anderzijds vallen hier dieren onder die gebruikt worden voor evenementen van tijdelijke aard zoals bij kunst, reclame, promotieactiviteiten, circussen, volksvermaak en tentoonstellingen.

3.5.1 Evenementen De Dierenbescherming is tegen het gebruik van dieren voor evenementen, omdat het in strijd is met de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier en het degradeert tot spelobject. Het geeft volwassenen en kinderen bovendien een slecht voorbeeld van de omgang met dieren. Voor educatieve activiteiten kan een uitzondering worden gemaakt, mits de integriteit, gezondheid en het welzijn van de dieren behouden blijven. Volgens de Wet dieren kunnen evenementen met dieren niet zomaar worden gehouden. Zo is het verboden om dieren als prijs, beloning of gift uit te reiken (artikel 2.13) en dierengevechten te organiseren (artikel 2.14). Dit komt boven op de algemene regels rondom dierenmishandeling, waarbij het verboden is om dieren onnodig pijn te doen of hun gezondheid of welzijn aan te tasten (artikel 2.1).

Vergunningen Vrijwel alle gemeenten hebben in hun APV een vergunningsplicht voor evenementen opgenomen. De gemeente kan een evenement met dieren verbieden met als motief de openbare orde en veiligheid. De Dierenbescherming pleit ervoor dat de gemeente bij het verlenen van vergunningen een voorkeursbeleid hanteert voor evenementen waar geen dieren bij betrokken zijn. De gemeente kan dit in de eerste plaats vastleggen in het evenementenbeleid waarop zij haar vergunningverlening baseert. Maar ook verankering in de APV of een aparte beleidsnota voor dierenwelzijn is mogelijk. De gemeente kan daarin regels opnemen over het aantal toegestane evenementen met dieren en de verhouding tussen evenementen met en zonder dieren. Aanbevelingen 4.1. Hanteer een voorkeursbeleid voor evenementen zonder dieren.20

20

Bijlage II: Ringenmodel, Vermaak met dieren, ring 2.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

44

Circussen Op grond van de Wet dieren is het verboden om bepaalde wilde zoogdieren in een circus of een ander optreden te gebruiken. Dit is geen totaalverbod: huisdieren, paarden, kamelen en diverse andere soorten zijn vooralsnog wel toegestaan. De Dierenbescherming vindt dat dieren geen plek hebben in het circus en bepleit dat gemeenten de voorkeur geven aan circussen zonder dieren. Aanbevelingen 4.2. Hanteer een voorkeursbeleid voor circussen zonder dieren.

Levende kerststallen Bij levende kerststallen is er meestal sprake van een provisorisch, zeer beperkt onderkomen. Door de tijdelijke huisvesting raken de behoeften van de dieren in gedrang. Ze kunnen zich bijvoorbeeld niet op natuurlijke wijze gedragen en raken gestrest door muziek, drukte en lawaai. Daarnaast voldoen kerststallen vaak niet aan veiligheidsnormen, waaronder die voor brandveiligheid. Het risico op brand is groot door de aanwezigheid van stro en hooi, met mogelijk gruwelijke gevolgen voor mensen en dieren. Kerststallen krijgen de dieren vaak aangeleverd door dierenverhuurbedrijven, die soms geen professionele begeleiding hebben of het dier vaker verhuren dan het aankan. De Dierenbescherming pleit ervoor dat gemeenten kiezen voor alternatieve kerststallen zonder levende dieren. Wanneer de gemeente toch een kerststal met levende dieren toestaat, moeten er strenge voorwaarden gelden voor de huisvesting en verzorging van de dieren. Dit om het dierenwelzijn te borgen. Aanbevelingen 4.3. Sta alleen kerststallen zonder levende dieren toe. Indien het gebruik van dieren toch wordt toegestaan, dan alleen onder strenge voorwaarden voor huisvesting en verzorging.

3.5.2 Overig vermaak met dieren Jaarlijks worden tal van evenementen, zoals kermissen of braderieën, ‘opgeleukt’ met dieren. Voorbeelden hiervan zijn kamelen- en struisvogelraces, roofvogelshows, paardenmarkten en ponyritjes voor kinderen. Bij huwelijken laat men soms sierduiven los, die vaak hun weg niet terugvinden, onderweg gewond raken of totaal uitgeput ergens aankomen. Al deze vormen van vermaak met dieren hebben ernstige gevolgen voor het dierenwelzijn. Vergunningen voor dit soort evenementen zouden dan ook niet verleend mogen worden.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

45

Gemeenten kunnen via de APV wel specifieke aanvullende voorwaarden stellen aan evenementen als roofvogelshows en paardenmarkten. Helaas heeft de gemeente op dit moment niet rechtstreeks een bevoegdheid op grond van ‘dierenwelzijn’. Dergelijke aanvullende regels zullen dus meer indirect beargumenteerd moeten worden op grond van openbare orde (overlastbeperking), veiligheid of volksgezondheid. Ook kan de gemeente evenementen met dieren uitsluiten van subsidies. Aanbevelingen 4.4. Maak de organisatie van evenementen met dieren, zoals levende kerststallen, struisvogelraces, roofvogelshows en paardenmarkten lastiger door via de APV aanvullende voorwaarden te stellen.

Paardenmarkten Specifiek op het gebied van paardenmarkten heeft de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) een aangescherpt protocol beschreven, bedoeld als handvat voor de gemeenten. Aanbevelingen 4.5. Gebruik bij het afgeven van een vergunning voor een paardenmarkt het door de Raad van Dierenaangelegenheden aangescherpte protocol voor paardenmarkten.21

Koplopersrol gemeente Hoewel de mogelijkheden om evenementen te verbieden op grond van ‘dierenwelzijn’ beperkt zijn, weten verschillende gemeenten op dit vlak een koplopersrol te vervullen. Zij proberen zelf zaken te regelen op gebieden waar nationale regelgeving achter- of uitblijft. Zo werkte de gemeente Amsterdam aan een aanpassing in haar gemeentelijke Marktverordening, waarbij de verkoop van levende kreeften en krabben en bont op de 34 markten in de stad zou worden verboden. Het is echter niet gelukt om dit verbod in te stellen. De Dierenbescherming vond dit een sympathiek initiatief van de gemeente Amsterdam en steunde het dan ook van harte. Ondanks dat het niet is gelukt om het verbod in te stellen, roept de Dierenbescherming andere gemeenten op om dit voorbeeld te volgen.

Dierentuinen Nederland kent 58 dierentuinen en -parken. Deze hebben allen een dierentuinvergunning gekregen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) op grond van het Besluit houders van dieren. RVO voert ook de bestuursrechtelijke handhaving uit voor de regelgeving rondom het tentoonstellen van levende wilde dieren. De gemeente heeft daar geen rol in, maar kan wel voorwaarden stellen aan eventuele financiële ondersteuning van de dierentuin, zoals een subsidie of een gift. Zo moet 21

Bijlage II: Ringenmodel, Vermaak met dieren, ring 3.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

46

een dierentuin een informatief en educatief programma samenstellen over de tentoongestelde diersoorten en hun natuurlijke habitat (Besluit houders van dieren, artikel 4.10). De Dierenbescherming vindt dat zo’n educatief programma interactief en modern moet zijn vormgegeven. De gemeente kan dit als voorwaarde stellen bij eventuele financiële ondersteuning. Aanbevelingen 4.6. Stel een informatief en educatief programma als voorwaarde bij financiële steun aan een dierentuin.22

3.5.3 Kinderboerderijen Er zijn in Nederland een kleine 600 kinderboerderijen, met naar schatting tussen de 25 en 30 miljoen bezoekers per jaar23. Ze hebben een recreatieve en educatieve functie en brengen hun bezoekers in aanraking met gezelschapsdieren en landbouwhuisdieren, de natuur, hun omgeving en elkaar. De Dierenbescherming is voorstander van het bestaan van kinderboerderijen, stadsboerderijen en hertenkampen, mits het welzijn van de aanwezige dieren leidend is voor de inrichting en het educatieve gebruik. Het in contact brengen van kinderen en volwassenen met dieren is dan ook belangrijk voor het leren omgaan met en het denken over dieren. Een goed ingerichte kinderboerderij kan namelijk worden benut voor educatie en als voorbeeld fungeren voor het houden van huisdieren. Denk aan de omvang en inrichting van een knaagdierenverblijf en de sociale behoeften van een dier waarmee huisdierbezitters rekening moeten houden.

Dierenwelzijnsproblemen Het is van belang dat de gezondheid, het welzijn en de integriteit van de dieren in een kinderboerderij niet worden aangetast. Op kinderboerderijen, stadsboerderijen of hertenkampen kunnen zich gemakkelijk dierenwelzijnsproblemen voordoen, door de belangen van het dier ondergeschikt te maken aan die van de mens. Het gaat hierbij onder andere om huisvesting, verzorging, toezicht, hygiëne, fokbeleid en de vraag of het dier geschikt is om op een kinderboerderij te houden. De verzorging van de dieren moet dan ook in handen zijn van een gediplomeerd en vakbekwaam medewerker, die ook toezicht houdt op het contact tussen mensen en dieren. Afspraken hierover staan in een protocol. Door goede voorlichting, begeleiding en toezicht, kan de omgang met de dieren op een diervriendelijke manier verlopen.

22 23

Bijlage II: Ringenmodel, Vermaak met dieren, ring 3. http://www.kinderboerderijen.nl

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

47

Uitsluitend huis- en hobbydieren Niet iedere diersoort is geschikt om op een kinderboerderij te houden. Exotische en wilde (niet gedomesticeerde) dieren horen hier bijvoorbeeld niet thuis. De Dierenbescherming vindt dat alleen de bekende huis- en hobbydieren, zoals cavia’s, konijnen, pony’s, varkens, kippen en ganzen op kinderboerderijen mogen worden gehouden. De dieren moeten een geschikt karakter hebben en gewend zijn aan het contact met mensen, anders levert dit te veel angst en stress op voor de dieren. Het is onacceptabel om door middel van fokkerij (selectie) of ingrepen de dieren geschikt te maken voor het gebruik op een kinderboerderij.

Afspraken Omdat er veel komt kijken bij het verantwoord runnen van een kinderboerderij, dient de gemeente het oprichten en beheren van een kinderboerderij slechts onder bepaalde voorwaarden toe te staan. Los van de formele voorwaarden in de betreffende vergunning, kunnen er nog aanvullende afspraken worden gemaakt in het kader van een subsidierelatie. Ook kan de gemeente een overeenkomst sluiten met de exploitant met aanvullende afspraken. In 2010 heeft de Dierenbescherming samen met de Vereniging Medewerkers Kinderboerderijen (inmiddels opgegaan in de SKBN) een intentieverklaring ontwikkeld om dierenwelzijn op kinderboerderijen te waarborgen en verbeteren. In deze intentieverklaring staan uitgangspunten over onder andere huisvesting, verzorging en fokbeleid. Aanbevelingen 4.7. Sta het oprichten en beheren van een kinder- of stadsboerderij of hertenkamp slechts onder bepaalde voorwaarden toe, waaronder het uitsluitende gebruik van bekende hobbydieren. Zie erop toe dat het welzijn, de gezondheid en de lichamelijke integriteit van de dieren zijn gewaarborgd.24 4.8. Maak bij voorkeur gebruik van de intentieverklaring voor dierenwelzijn op kinderboerderijen als basis voor de eigen afspraken met partijen.25

24 25

Bijlage II: Ringenmodel, Vermaak met dieren, ring 2. Bijlage II: Ringenmodel, Vermaak met dieren, ring 4.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

48

3.6 Landbouwhuisdieren De Nederlandse veehouderij heeft een enorme omvang. Jaarlijks gaat het om meer dan 450 miljoen dieren. Vissen in aquacultuur zijn daarbij nog niet meegerekend. Het grootste deel van deze dieren leeft in de intensieve veehouderij. Vanuit economisch perspectief bezien is de Nederlandse intensieve veehouderij zeer succesvol. De sector heeft echter ook onbedoelde negatieve bijeffecten. Bijvoorbeeld als het gaat om de impact op milieu, natuur en landschap, volksgezondheid, de inkomens van veehouders, maar ook op het welzijn van dieren. Denk bij effecten op dierenwelzijn onder meer aan lichamelijke tekorten als gevolg van bijvoorbeeld eenzijdig fokken en voeden, het couperen van staarten en gezondheidsinterventies vanwege hoge ziektedruk. Andere effecten zijn bijvoorbeeld een grote mate van stress door ongeschikte leefruimte en –omstandigheden, het niet kunnen voldoen aan natuurlijke behoeften en lange en stressvolle transport- en slachtprocessen. Om te komen tot een veehouderij die goed is voor mens, milieu en dier heeft de Dierenbescherming het Deltaplan Veehouderij (2020) geschreven. Dit plan kent vier oplossingsrichtingen, ofwel transitiepaden, die gezamenlijk bijdragen aan de beoogde transitie. Dit zijn: 1. Diervriendelijke veehouderij als onderdeel van totale verduurzaming; 2. Van verspillende carnivoren naar waarderende omnivoren; 3.

Samenwerking in korte vaste ketens; 4. Kwaliteitsproductie voor een zelfvoorzienende regio. Voor meer achtergrondinformatie en nieuws over de verduurzaming van de veehouderij, hoe de Dierenbescherming dit ziet en zelf aanpakt, en ter inspiratie voor gemeenten om meer werk te maken van verduurzaming, verwijst de Dierenbescherming naar de website van het Deltaplan Veehouderij van de Dierenbescherming26.

3.6.1 De gemeente en veehouderij De Dierenbescherming is van mening dat gemeenten een actieve rol kunnen en moeten vervullen op het vlak van veehouderij. Veel voor de verduurzaming van veehouderijrelevante aspecten spelen zich namelijk af op lokaal niveau. Denk bijvoorbeeld aan vergunningverlening en lokale afzet. Gemeenten zijn daarmee een essentiële schakel in de transitie naar een toekomstbestendige veehouderij. Het is hierbij van belang dat het beleid van de gemeente aansluit bij het beleid van de EU, het Rijk en de 26

www.deltaplanveehouderij.nl Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

49

provincies. In 2021 heeft de gemeente Apeldoorn in kaart gebracht welke rol een gemeente kan spelen in de aanpak van de uitdagingen in de veehouderij en welke instrumenten daarvoor beschikbaar zijn. Deze instrumenten zijn zowel direct gericht op de veehouder als op de keten. Hierbij is onderscheid gemaakt in veehouders die willen stoppen en veehouders die willen blijven. Wanneer een gemeente veehouderijbedrijven binnen haar grenzen heeft, kan zij zich richten op de ondersteuning van de blijvers bij verdere verduurzaming van hun veehouderijbedrijf en op de ondersteuning van de stoppers bij het afbouwen en beëindigen van hun veehouderijbedrijf. Daarnaast richt de gemeente zich actief op de keten. Bijvoorbeeld door zelf het goede voorbeeld te geven in het eigen consumptiegedrag, in gesprek te gaan met lokale schakels uit de keten, en door het creëren van een afzetmarkt voor eerlijke producten. De ambitie om de veehouderij binnen de gemeentegrenzen te verduurzamen en de manier waarop dit gerealiseerd wordt, dient vastgelegd te worden in gemeentelijk beleid. Aanbevelingen 5.1. Draag actief bij aan de transitie richting een toekomstbestendige veehouderij en sluit daarbij aan bij het beleid van de EU, het Rijk en de provincies.27 5.2. Leg ambities met betrekking tot verduurzamen van de veehouderij binnen gemeentegrenzen vast in beleid.28

3.6.2 Integrale aanpak Hoewel het lastig en tijdrovend blijkt om problemen op te lossen die door de jaren heen zijn ontstaan, kunnen en moeten gemeenten met veehouderijen binnen hun grenzen hieraan een belangrijke bijdrage leveren. Het oplossen van deze vraagstukken – op het gebied van milieu, dierenwelzijn, volksgezondheid en de sociaaleconomische positie van de boer – vraagt echter om een integrale aanpak. Is dit niet het geval en richt de aandacht zich bijvoorbeeld alleen op het stikstofprobleem, dan is het risico dat dit ten koste gaat van de aandacht voor andere duurzaamheidsthema’s, zoals het dierenwelzijn of het inkomen van de boer. Dit komt het imago van de

veehouderij niet ten goede en bovendien zullen ten behoeve van de andere

duurzaamheidsthema’s extra acties nodig zijn, waarmee extra tijd en geld gemoeid is.

27 28

Bijlage II: Ringenmodel, Landbouwhuisdieren, ring 3. Bijlage II: Ringenmodel, Landbouwhuisdieren, ring 2.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

50

Bovendien biedt een integrale aanpak van de verschillende thema’s juist kansen om op meerdere terreinen tegelijkertijd voortgang te boeken. Denk hierbij aan het effect van specifieke verbeteringen van het dierenwelzijn op risico’s voor de volksgezondheid. Aanbevelingen 5.3. Pak vraagstukken in de veehouderij - op het gebied van milieu, dierenwelzijn, volksgezondheid en de sociaaleconomische positie van de boer – zo veel mogelijk integraal aan.

3.6.3 Beleid gericht op de veehouder Voor de transitie naar een duurzamere en diervriendelijkere veehouderij is het enerzijds belangrijk het beleid te richten op krimp van de veestapel en anderzijds op het verbeteren van de kwaliteit van de blijvende veehouderij. Allereerst is het daarbij van belang dat de gemeente zich hiervoor richt tot de veehouders zelf. Dit kan door veehouders te stimuleren om te stoppen en hen hierbij te faciliteren. Denk hierbij aan het aanstellen van een relatiemanager of gebiedsmakelaar, het inperken van het bestemmingsplan en de milieuruimte, het uitkopen van veehouderijbedrijven, het creëren van ruimte voor functieverandering en het coördineren van vrijwillige kavelruil. Voor veehouders die blijven is het van belang dat zij ondersteund worden in hun transitie naar een duurzamere en diervriendelijkere manier van werken. Het is belangrijk dat hierbij sprake is van een integrale aanpak, waarbij win-win situaties ontstaan en het aantrekkelijk wordt voor een veehouder om te veranderen. Ook hier faciliteert de gemeente bijvoorbeeld door het aanstellen van een relatiemanager of gebiedsmakelaar en ook door het toestaan van nevenactiviteiten als extra bron van inkomsten, het bieden van leernetwerken en ondersteuning met kennis en advies, het zorgen voor lokale afzetmogelijkheden en het maken van afspraken over uitgifte van grond met natuurterreinbeheerders.

Aanbevelingen 5.4. Begeleid veehouders die willen stoppen en faciliteer hen hierbij.29 5.5. Ondersteun veehouders die blijven bij de omschakeling naar een duurzamere en diervriendelijkere manier van veehouderijbedrijven.30

29 30

Bijlage II: Ringenmodel, Landbouwhuisdieren, ring 3. Bijlage II: Ringenmodel, Landbouwhuisdieren, ring 4.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

51

3.6.4 Beleid gericht op de keten De echte verandering in de veehouderij moet uit de markt komen en meer specifiek: uit de keten ‘van boer tot bord’. Belangrijk uitgangspunt daarbij is dat de markt geen natuurverschijnsel is dat ons overkomt: alle betrokkenen en ook de gemeente kunnen de markt met hun doen en laten beïnvloeden. De gemeente treedt op dit vlak dan ook actief op en kan daarbij verschillende instrumenten inzetten. In sommige gevallen is het zinvol om samen te werken met andere partijen zoals de provincie. Bijvoorbeeld als het gaat om de reconstructie van een gebied met veel veehouderijbedrijven. De gemeente gaat in gesprek met verschillende spelers in de keten van binnen en buiten de gemeente zoals veevoederfabrieken, slachterijen en supermarkten. Om de afzet voor duurzame en diervriendelijke producten te vergroten voert de gemeente een actieve lobby voor het goedkoper maken van duurzamer geproduceerde producten, of juist het duurder maken van niet-duurzaam geproduceerde producten. In dit licht is het van belang dat de vraag naar duurzaam voedsel toeneemt en het besef dat consumptie van minder en betere dierlijke eiwitten daarin een belangrijke rol speelt. Voorlichting en educatie vanuit de gemeente kunnen hierbij helpen.

Daarbij dient de gemeente zelf een voorbeeldfunctie te vervullen en een duurzaam en diervriendelijk inkoopbeleid te hanteren met betrekking tot onder meer eigen kantine en het organiseren van recepties. Aanbevelingen 5.6. Zet waar mogelijk in op het vergroten van de afzet van duurzaam en diervriendelijk geproduceerde producten. 5.7. Hanteer vanuit een voorbeeldfunctie een inkoopbeleid dat uitsluitend gericht is op duurzaam en diervriendelijk geproduceerde producten.31

31

Bijlage II: Ringenmodel, Landbouwhuisdieren, ring 4.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

52

3.7 In het wild levende dieren Dit hoofdstuk beschrijft de wijze waarop gemeenten een bijdrage kunnen leveren aan het welzijn van in het wild levende dieren. Daarbij komen verschillende onderwerpen aan de orde. Allereerst wordt ingegaan op het thema ‘jacht, beheer en schadebestrijding’. Een tweede onderwerp is de problematiek rond verwilderde katten en de bijdrage die een gemeente kan leveren aan de aanpak hiervan. Hengelsport en de rol van de gemeente is het derde thema. Een vierde en laatste onderwerp betreft de relatie tussen het welzijn van in het wild levende dieren en ruimtelijke ingrepen waarvoor de gemeente binnen de grenzen van haar grondgebied in belangrijke mate verantwoordelijk is.

3.7.1 Jacht, beheer en schadebestrijding De wetgeving met betrekking tot in het wild levende dieren maakt een onderscheid tussen jacht enerzijds en beheer en schadebestrijding anderzijds. In deze paragraaf is voor ditzelfde onderscheid gekozen.

Jacht Onder jacht wordt volgens de Wet Natuurbescherming verstaan: het bemachtigen, opzettelijk doden of met het oog daarop opsporen van wild, of een poging daartoe doen, zonder enige onderbouwing van schade of (verkeers)veiligheid.

Wetgeving De Wet natuurbescherming merkt vijf diersoorten aan als vrij bejaagbaar: haas, fazant, wilde eend, konijn en houtduif. Tijdens de periode van openstelling van de jacht is het toegestaan op deze soorten te jagen. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit stelt de openingstijden van het jachtseizoen jaarlijks per diersoort vast. Buiten deze periodes geldt voor deze soorten, net als voor niet-wildsoorten, vaak een regime van beheer en schadebestrijding. De Wet natuurbescherming beschrijft wie mag jagen en met welke middelen dit is toegestaan. Het ‘genot van de jacht’ is gekoppeld aan het bezit of gebruik van de grond. Het is ook mogelijk dat de eigenaar of de grondgebruiker het ‘genot van de jacht’ verhuurt aan anderen. Zolang een pachter of grondgebruiker toestemming verleent, kan de gemeente ‘het genot van de jacht’ op gemeentegronden verhuren.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

53

Visie Dierenbescherming De Dierenbescherming is tegen de jacht. De in Nederland in het wild levende dieren hebben te maken met veel menselijke verstoring van hun leefomgeving. Deze leefomgeving is sterk ingekrompen door intensieve landbouw, steden en infrastructuur. Ook gebieden met een natuurbestemming zijn vaak doorsneden met wegen terwijl er veelal ook bebouwing aanwezig is. Het is daarom van belang om in het wild levende dieren zo veel mogelijk met rust te laten om hun welzijn zo goed mogelijk te waarborgen. Zij moeten de kans krijgen om in vrijheid te leven en te sterven. Jacht is niet nodig om mensen van voedsel te voorzien. Bovendien veroorzaakt jacht onrust onder de bejaagde soort én andere diersoorten, onder andere omdat dieren niet altijd direct gedood zijn. Jacht op ouderdieren kan ertoe leiden dat jongen zonder ouders een langzame dood sterven. Vanuit het oogpunt van dierenwelzijn brengt jacht veel negatieve gevolgen met zich mee. De soorten ‘konijn’ en ‘haas’ staan sinds 2021 op de Rode Lijst van beschermde diersoorten. Ook met de stand van de fazant en de wilde eend gaat het niet goed. De vogelgriep, die steeds endemischere vormen lijkt aan te nemen, vormt voor deze vogels een extra bedreiging. Dit alles verhoudt zich erg slecht met de mogelijkheid om puur voor recreatie en benutting te jagen.

De Dierenbescherming bepleit actief dat de huidige jachtlijst met vijf soorten wordt teruggebracht naar ‘nul’ vrij bejaagbare soorten. Dit betekent: afschaffing van de (benuttings)jacht.

Rol van de gemeente Gemeenten zijn vaak in het bezit van verschillende gronden, zoals agrarisch land of landgoederen. Het komt regelmatig voor dat gemeenten deze gronden verhuren voor de jacht. Vaak gebeurt dit omdat gemeenten denken dat het bestrijden van schade anders niet mogelijk is. Er zijn echter voldoende alternatieven om via diervriendelijke maatregelen gewasschade tegen te gaan. Bovendien bestaat er een wettelijk afwegingskader waardoor het doden van dieren ten behoeve van schadebestrijding mogelijk is, zonder daarbij gebruik te maken van de jacht. Dit maakt het toestaan en toepassen van de traditionele jacht op gemeentegronden overbodig. De jacht dient geen algemeen belang en brengt onnodig dierenleed met zich mee. Er is daarom voor een gemeente geen enkele reden om de jacht op gemeentegronden toe te staan. Aanbevelingen 6.1. Sta jacht op gemeentegronden niet toe.32

32

Bijlage II: Ringenmodel, Wilde dieren, ring 2.

Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

54

Beheer en schadebestrijding Ten aanzien van de grootte van de populatie van bepaalde diersoorten kan het oordeel zijn dat de populatiegrootte kan leiden tot overlast. Er kan dan besloten worden tot het verkleinen van de populatie door middel van de zogeheten beheerjacht. Bij sommige beheersoorten wil men de stand terugbrengen naar nul. Dit geldt meestal voor de zogeheten ‘exoten’; diersoorten die van oorsprong niet in Nederland voorkomen. Daarnaast vindt het doden van dieren ook plaats in het kader van schadebestrijding. Wanneer bijvoorbeeld ganzen veel schade veroorzaken aan landbouwgewassen, dan mogen er soms – bij gebrek aan alternatieve oplossingen – ganzen worden afgeschoten. Schadebestrijding door middel van doding wordt vaak uitgevoerd door jagers, die daarvoor in het bezit moeten zijn van een geldige jachtakte.

Wetgeving In principe genieten alle in het wild levende dieren enige basisbescherming op grond van de algemene zorgplicht van artikel 1.11 lid 1 van de Wet natuurbescherming, en de regels over dierenmishandeling (inclusief de plicht om hulpbehoevende dieren te helpen) in artikel 2.1 van de Wet dieren. Een groot aantal (inheemse) diersoorten valt daarnaast onder een van de drie verschillende (hoofd)beschermingsregimes in de Wet natuurbescherming. Daaruit volgen specifieke beschermingsregels, die kunnen variëren van een ‘lichter’ beschermingsregime tot ‘zware’ bescherming. Dit laatste met name voor inheemse vogels en bepaalde, vanuit internationaal perspectief gezien bedreigde soorten; zie ook hierna.

Ontheffingen, vrijstellingen en opdrachten Ten behoeve van beheer en schadebestrijding kan van de wettelijk geldende bescherming worden afgeweken als bepaalde belangen in gevaar zijn. De gronden waarop en de precieze voorwaarden waaronder dit afwijken is toegestaan, staan eveneens in de Wet natuurbescherming. Voorbeelden van mogelijke uitzonderingsgronden zijn de verkeers- en vliegveiligheid, volksgezondheid of het voorkomen van schade aan gewassen, of schade aan flora- en fauna. Wie in dergelijke situaties onder meer verstorings-, vangst- en dodingshandelingen mag uitvoeren en of daarvoor een ontheffing nodig is, hangt af van de soort en in welke provincie de overlast speelt. Ontheffingsaanvragen lopen meestal via de provincie. Daarnaast kan in plaats van een ontheffing meer generiek een zogeheten vrijstelling (landelijk of provinciaal) of een overheidsopdracht tot bestrijding worden gegeven. De Dierenbescherming is tegen het gebruik van laatstgenoemde instrumenten omdat deze maatwerk en secure afweging van maatregelen belemmeren. Er dient dan ook zoveel mogelijk gewerkt te worden met afgewogen, individuele ontheffingen. Liz Peerdeman & Christel Vermeulen

Adviesrapport Dierenwelzijn

55

Voor soorten die niet onder een van de drie beschermingsregimes (1: vogels, 2: soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn, en 3: nationaal beschermde soorten) vallen of via een ministeriële of provinciale aanwijzing zijn vrijgesteld, is geen ontheffing nodig. Wel gelden er in alle gevallen regels voor de inzet van verboden en toegestane vangst- en dodende middelen en zijn de vrijstellingen gekoppeld aan voorwaarden. Deze regels en voorwaarden zijn terug te vinden in de Wet natuurbescherming, het daaronder liggende Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming en (als uitvloeisel daarvan) in landelijke- en provinciale verordeningen en beleidsregels.

Loketfunctie gemeenten In het hele stelsel van wet- en regelgeving rond beheer en schadebestrijding heeft de gemeente slechts een beperkte (formele) rol. Wel is de gemeente relevant met oog op de loketfunctie in het kader van de Wabo. Via deze loketfunctie hebben burgers en bedrijven toegang tot de overheid, met name in relatie tot gecombineerde aanvragen voor (omgevings)vergunningen. Hier kunnen ook ‘fauna’-aspecten een rol spelen.

Gebruik van gif Bij het gebruik van gif als bestrijdingsmiddel is het overigens verplicht in de Wet gewasbescherming en biociden (Wgb) na te gaan of dit is toegestaan. In alle gevallen – muizen en ratten zijn hierop geen uitzondering – gelden de algemene zorgplichtbepalingen uit de Wet natuurbescherming en de Wet dieren, en de regels over dierenmishandeling. Daarmee is het veroorzaken van onnodig dierenleed nooit toegestaan. Het doden van muizen en ratten gebeurt door particulieren en deels door dierplaagbeheerders. Vaak gebruikt men gif. De Dierenbescherming is tegen het gebruik van muizen- of rattengif omdat dit zeer veel leed bij het te doden dier veroorzaakt en het gif daarnaast ook niet doelsoorten vergiftigt zoals roofvogels.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15435183/1