CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

3.a2. Vaststelling bestemmingsplan IKC Franse Gat-bijlagen

Gemeenteraad 23 juni 2022, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan IKC Franse Gat29.545 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

11

4. Verdeling van verantwoordelijkheden bij IKC (bestaande bouw en als nieuwbouw) Wanneer vanuit het IHP blijkt dat het ook mogelijk is om in een nieuwe voorziening een IKC-te ontwikkelen, komt een nauwe samenwerking tussen organisaties uit het veld en de gemeente kijken. Hiermee wordt gedoeld op de nieuwbouw en inhoudelijke ontwikkeling. Een nauwe samenwerking is natuurlijk ook nodig in bestaande bouw

4.1 ORGANISATIES UIT HET VELD Algemene verantwoordelijkheid De onderwijs- en kinderopvangorganisaties zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit, de richting, inrichting en organisatie van het onderwijs of de opvang. Deze verantwoordelijkheid geldt ook voor bijvoorbeeld bestuurlijke en/of institutionele keuzes met betrekking tot de eigen bestuursorganisatie en de vestigingen (samenwerking, fusies, sluiting, verplaatsing, verhuizing e.d.). Met inachtneming van de wettelijke verantwoordelijkheden zijn de organisaties verantwoordelijk voor de wijze waarop de inhoudelijke en organisatorische samenwerking onderling wordt vormgegeven ten behoeve van de IKCvorming. Het selecteren van partners onderwijs en opvang bij IKC-ontwikkeling De onderwijspartij is, of onderwijspartijen zijn, in de lead voor het vinden van een passende kinderdagopvang-partner. Belangrijk is dat de samenwerking plaatsvindt op basis van een gezamenlijke wens om de IKC-ambitie en het uitgangspunt van één doorgaande ontwikkeling- en leerlijn samen vorm te geven. Als er meerdere basisscholen in het IKC-pand gaan vestigen, bereiken

zij overeenstemming op de opvangorganisatie waarmee elke basisschool gaat samenwerken op de doorgaande ontwikkelings- en leerlijn (zie hoofdstuk 3.3.). Samenwerkingsovereenkomst De samenwerkingsovereenkomst vormt de juridische basis voor de samenwerking in een nieuwbouw IKC. De doorgaande ontwikkelings- en leerlijn vormt het primaire uitgangspunt voor Veenendaalse IKC-vorming. Deze dient voldoende uitgedacht te zijn, voordat de samenwerkingsovereenkomst kan worden getekend. Dit geldt voor de gemeente bij nieuwbouw als voorwaarde voor het bouwproces. Dit betekent dat van tevoren alle onderdelen om tot een IKC te komen goed zijn verkend en besloten. Overige partners: De primaire kernpartners van een IKC in Veenendaal zijn de basisschool/scholen en de organisaties voor kinderopvang: peuteropvang, kinderdagopvang en buitenschoolse opvang. Belangrijk in de IKC-conceptontwikkeling is ook de wijze waarop het IKC vorm en inhoud geeft aan passend onderwijs voor kinderen aan de boven- en onderkant, door het betrekken van bijvoorbeeld het (voortgezet) speciaal onderwijs en/of expertisecentra. Ook dient nagedacht te worden over partners die deel gaan nemen in een IKC die zorgen voor een verdieping van de ontwikkelings- en leerlijn.

4.2GEMEENTE Algemene verantwoordelijkheid De IKC-ontwikkeling moet ook bijdragen aan gemeentebrede doelstellingen met betrekking tot participatie, sociale cohesie, werkgelegenheidsbeleid, economische ontwikkeling, stedenbouwkundige ontwikkeling e.d. Dit betekent dat de gemeente tot op zekere hoogte een bestuurlijke regierol vervult en ook kaders en randvoorwaarden stelt m.b.t. de IKC’s. Het is immers

12

geen solitaire ontwikkeling, maar vindt plaats in de context van divers gemeentelijk beleid. Verantwoordelijkheid in IKC-ontwikkeling nieuwbouw: De gemeente streeft naar een regierol die recht doet aan gelijkwaardig partnerschap. De gemeente neemt de projectorganisatie op zich en richt daarbij de projectgroepen en stuurgroepen in. De rol van de gemeente Veenendaal ziet er verder als volgt uit: 1. inhoud: faciliteert de gemeente. De kernpartners stellen in samenspraak met het maatschappelijk veld één plan op van waaruit de IKC-vorming zou moeten worden ontwikkeld. De gemeente in de gaten dat de IKContwikkeling bijdraagt aan de gemeentebrede doelstellingen, zoals omschreven in paragraaf 2.3.; 2.

3.

proces: bewaakt de gemeente vanuit de regierol de zorgvuldigheid van het proces (zowel intern, als extern: binnen de gemeente en met de koppeling naar het veld). Bij het samenwerkingsproces kan de gemeente een stimulerende rol hebben zodat de gelijkwaardigheid tussen de verschillende partners gewaarborgd wordt; financiën: vervult de gemeente voor onderwijshuisvesting de rol van financier, vanuit haar wettelijke zorgplicht voor onderwijshuisvesting.

13

BIJLAGE 2: KOSTEN OPSTAL (PRIJSPEIL 1 JANUARI 2020) Onderwijshuisvesting

a IKC West

b CLV Gebouw A

1 IKC Franse Gat

2 IKC Dragonder-Noord

3 IKC Dragonder-Zuid

4 IKC Engelenburg

5 Joh. Calvijnschool

6 IKC Molenbrug

7 IKC Het Baken

8 IKC Oudeveen

9 IKC 't Hoorntje

10 Steenblokschool

11 Aan de Basis

12 De Ceder

13 IKC Dragonder-Oost

14 Rehobothschool

15 IKC Petenbos

16 Ichthus College

17 Rembrandt College

2.150 €

6420 €

2438,35 €

1513 €

3221 €

2119 €

2871 €

1421 €

2499 €

2186 €

679 €

1518 €

1523 €

1597 €

1626 €

2414 €

2458 €

9106 €

7300 €

Kindgerelateerd

4.024.193

Energieneutraal OWH

449 €

840.401 €

KDV

449

840.401

Sport

910

10.038.635

€

910 €

4.563.903

€

1.726.365 €

410 €

767.404 €

410

767.404

410 €

767.404 €

KDV

410

767.404

2.831.909

6.028.803

€

1.265 €

2.689.150 €

SWV KDV Welzijn Sport

150 410 250 455

280.758 767.404 467.929 1.173.059

410 €

767.404 €

KDV

410

767.404

410 €

767.404 €

KDV

410

767.404

KDV Welzijn

410 250

KDV Sport

410 455

KDV Sport

410 455

410 €

767.404 €

KDV

410

767.404

KDV Sport

410 455

KDV Sport

410 455

KDV Sport

410 455

410 €

767.404 €

KDV

410

767.404

KDV Sport

410 455

KDV Sport

410 455

Sport

1.365

Sport

1.365

3.966.170

5.373.702

2.659.879

€ € € €

€

€

660 €

4.677.423

€ €

865 €

4.091.575

€ €

865 €

1.270.990

2.841.006

€ €

€

865 €

2.850.420

€ €

865 €

2.988.422

€ €

865 €

3.042.515

4.519.075

€ €

€

865 €

4.601.562

€ €

865 €

15.207.020

€ €

1365 €

12.191.000

€

1365 € €

Totaal

640.313

€

€

7.295.185

1.350.000

€

€

13.115.000

1.790.277

-

1.726.365

KDV

€

Bovenwettelijke eisen OWH KGR

KGR

1.235.334 €

377.944 €

63.550 €

109.524 €

18.416 €

5.900.741

234.515 €

63.550 €

67.960 €

18.416 €

3.983.754

499.255 €

196.075 €

144.678 €

56.820 €

9.614.782

328.445 €

63.550 €

95.180 €

18.416 €

5.239.165

445.005 €

63.550 €

128.957 €

18.416 €

6.797.034

220.269 €

102.300 €

63.831 €

29.645 €

4.311.259

387.345 €

134.075 €

112.248 €

38.853 €

7.290.407

338.830 €

134.075 €

98.189 €

38.853 €

6.641.986

105.253 €

63.550 €

30.501 €

18.416 €

2.256.114

235.268 €

134.075 €

68.178 €

38.853 €

5.257.844

236.048 €

134.075 €

68.404 €

38.853 €

5.268.264

247.476 €

134.075 €

71.716 €

38.853 €

5.421.005

251.956 €

63.550 €

73.014 €

18.416 €

4.216.854

374.232 €

134.075 €

108.448 €

38.853 €

7.115.147

381.063 €

134.075 €

110.428 €

38.853 €

7.206.444

1.684.610 €

252.525 €

409.016 €

61.312 €

21.133.660

1.350.500 €

252.525 €

327.895 €

61.312 €

17.702.409

767.404 467.929

1.940.463 € 767.404 1.173.059

1.940.463 € 767.404 1.173.059

1.940.463 € 767.404 1.173.059

1.940.463 € 767.404 1.173.059

1.940.463 € 767.404 1.173.059

1.940.463 € 767.404 1.173.059

1.940.463 € 767.404 1.173.059

3.519.177 € 3.519.177

3.519.177 € 3.519.177

29

BIJLAGE 3: HUIDIGE BOEKWAARDEN (PRIJSPEIL 1 JANUARI 2020) Adres

Boekwaarde per 1-1-2020 Grond

a IKC West Appelvink 1 't Kofschip 6 Boerenzwaluw 19 Stormzwaluw 25

b CLV Gebouw A CLV (Gebouw A)

1 IKC Franse Gat Gerard Terborchstraat 21 Patrimoniumlaan 1 Dr. Colijnstraat 70 Karel Fabritiusstraat 3 Patrimoniumlaan 128

2 IKC Dragonder-Noord Ronde Erf 2 Ronde Erf 6

3 IKC Dragonder-Zuid Willem Barentszstraat 70 Tweespan 39 Zoete Inval 8 Zuiderkruis 740 Zuiderkruis 742 Zuiderkruis 744 Pollux 4

4 IKC Engelenburg De Bongerd 3 De Fuikenweide 1 De Sterke Arm 2A De Sterke Arm 4

5 Joh. Calvijnschool Geerseweg 2 Duivenwal-West 301

6 IKC Molenbrug Prins Willem-Alexanderpark 600 Prins Willem-Alexanderpark 602 Prins Willem-Alexanderpark 1 Prins Willem-Alexanderpark 317 Zonnebloemstraat 1 Molenstraat 2A

7 IKC Het Baken De Reede 71 't Kofschip 2 't Kofschip 4 De Reede 65

8 IKC Oudeveen Langelaar 22 Langelaar 24 Oudeveen 230-232 Componistensingel 26

9 IKC 't Hoorntje Vendelseweg 30

10 Steenblokschool Zoete Inval 10 Zoete Inval 10A

11 Aan de Basis Duivenwal-West 300 Duivenwal-West 301 Trommelaar 63

12 De Ceder Larikslaan 1A Boslaan 32A Larikslaan 1B

13 IKC Dragonder-Oost Ruiterijweg 1

14 Rehobothschool Koninginnelaan 46 Gouveneurslaan 18

15 IKC Petenbos Margaretha Turnorlaan 5 Margaretha Turnorlaan 7 Goudmos 1

16 Ichthus College Vondellaan 4

17 Rembrandt College Rembrandtlaan 1

Opstal

€

263.797 €

-

€ € € €

146.816 116.981

€ € € €

-

€

-

€

-

€

-

€

€

45.736 €

232.572

€ € € € €

5.881 36.010 3.845 -

€ € € € €

30.008 140.721 8.817 53.026 -

€

150.989 €

175.090

€ €

150.989 € €

175.090 -

€

242.114 €

1.161.998

€ € € € € € €

32.375 95.223 97.307 17.210 -

€ € € € € € €

592.671 19.574 549.753 -

€

52.494 €

202.328

€ € € €

21.366 17.251 13.877 -

€ € € €

202.328 -

€

25.213 €

1.942.551

€ €

9.279 € 15.934 €

275.920 1.666.631

€

76.398 €

374.565

€ € € € € €

22.674 36.310 17.414

€ € € € € €

234.035 123.815 16.715

€

432.479 €

510.457

€ € € €

270.702 117.477 44.300 -

€ € € €

222.009 288.448 -

€

382.865 €

550.119

€ € € €

29.718 222.612 130.535

€ € € €

92.929 457.190

€

68.712 €

90.414

€

68.712 €

90.414

€

159.607 €

658.863

€ €

134.275 € 25.332 €

658.863 -

€

132.332 €

1.851.838

€ € €

38.777 € 15.934 € 77.621 €

185.205 1.666.633 -

€

10.669 €

841.299

€ € €

10.669 € € €

841.299 -

€

735.450 €

2.396.671

€

735.450 €

2.396.671

€

29.936 €

1.591.656

€ €

10.226 € 19.710 €

1.591.656 -

€

753.179 €

2.362.698

€ € €

753.179 € € €

1.814.124 548.574

€

-

€

9.203.059

€

-

€

9.203.059

€

570.175 €

2.230.056

€

570.175 €

2.230.056

-

30

Aanvullend natuuronderzoek IKC Veenendaal Aanvullend, gericht veldonderzoek naar (kleine) marterachtigen, huismus, gierzwaluw en vleermuizen in het kader van de Wet natuurbescherming

Verantwoording Titel Projectnummer: Klant: Referentienummer Versie:

Aanvullend natuuronderzoek IKC Veenendaal 51002477 Gemeente Veenendaal NL21-648800269-8447 C2

Datum:

28-10-2021

Auteur E-mailadres

Layze Hoogland Layze.hoogland@sweco.nl

Gecontroleerd door: Paraaf gecontroleerd

Mark Grutters

Goedgekeurd door Paraaf goedgekeurd

Maarten Mouissie

Document referentie:

https://swecogroup.sharepoint.com/sites/nlpost_archive/secretariaat/nl21-6488002698447.docx

2/10

Inhoudsopgave

Verantwoording .................................................................................................................................................. 2 1 1.1 1.2

Inleiding ...................................................................................................................................................4 Aanleiding ................................................................................................................................................4 Doel ......................................................................................................................................................... 4

2 Onderzoeksmethodiek ............................................................................................................................ 5 2.1 Inleiding ...................................................................................................................................................5 2.2 Soortgerichte onderzoeken ..................................................................................................................... 5 2.2.1 (Kleine) marterachtigen ........................................................................................................................ 5 2.2.2 Huismus................................................................................................................................................5 2.2.3 Gierzwaluw ........................................................................................................................................... 6 2.2.4 Vleermuizen.......................................................................................................................................... 6 3 Resultaten en toetsing van effecten ........................................................................................................ 7 3.1 (Kleine marterachtigen) ...........................................................................................................................

7 3.1.1 Resultaten en analyse .......................................................................................................................... 7 3.1.2 Effectbepaling ....................................................................................................................................... 7 3.2 Huismus ...................................................................................................................................................7 3.2.1 Resultaten en analyse .......................................................................................................................... 7 3.2.2 Effectbepaling ....................................................................................................................................... 7 3.3 Gierzwaluw ..............................................................................................................................................7 3.3.1 Resultaten ............................................................................................................................................ 7 3.3.2 Effectbepaling .......................................................................................................................................

8 3.4 Vleermuizen .............................................................................................................................................8 3.4.1 Resultaten en analyse .......................................................................................................................... 8 3.4.2 Effectbepaling ....................................................................................................................................... 8 3.5 Overige soorten ....................................................................................................................................... 9 Wettelijke maatregelen ...................................................................................................................................... 9 Bovenwettelijke maatregelen ............................................................................................................................. 9 4 Conclusie ...............................................................................................................................................10 Kansen voor biodiversiteit................................................................................................................................ 10

Sweco | Aanvullend natuuronderzoek IKC Veenendaal Projectnummer: 51002477 Datum: 28-10-2021

Versie: C2

Document referentie: https://swecogroup.sharepoint.com/sites/nl-post_archive/secretariaat/nl21-648800269-8447.docx

3/10

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

In het Integraal Huisvestingsplan (IHP) van de gemeente Veenendaal is de doelstelling opgenomen om basisscholen en kinderopvangen samen te voegen tot één Integraal Kind Centrum (IKC). Voor de wijk Franse Gat is het voornemen het nieuwe IKC te realiseren op de plek waar nu de Vereniging voor natuur- en milieueducatie (IVN) is gehuisvest (figuur 1.1.). Het bouwplan voor het IKC is strijdig met het geldende bestemmingsplan Woongebieden 2018. Om de realisatie van het IKC mogelijk te maken dient het bestemmingsplan te worden herzien. Sweco Nederland B.V. heeft ten behoeve van deze herziening in 2020 een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd, om te beoordelen of de bestemmingsplanwijziging mogelijk is in het kader van de natuurwetgeving1. Uit deze verkenning bleek dat er mogelijk beschermde soorten in het plangebied voor kunnen komen en/of dat het plangebied een functie voor beschermde soorten kan hebben.

Figuur 1.1

Ligging van het plangebied (rood omkaderd)

Om de effecten van de ontwikkeling op deze soorten te bepalen is nader soortgericht onderzoek uitgevoerd om te kijken of deze soorten en/of functies daadwerkelijk aanwezig zijn. Het gaat hierbij om de in tabel 1.1. beschreven soorten en (potentiële) functies van het plangebied. De resultaten van het onderzoek zijn verwerkt in voorliggende rapportage. Tabel 1.1

Overzicht onderzochte soort(groep)en en de potentiële functie van het plangebied voor deze soort(groep)en

Soort(groep)en

Potentiële functie van het plangebied

(Kleine) marterachtigen

Verblijfplaats en leefgebied

Huismus

Nestplaats

Gierzwaluw

Nestplaats

Vleermuizen

Verblijfplaats

1.2

Doel

Het doel van het aanvullend onderzoek is om te bepalen of het bestemmingsplan uitvoerbaar is binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. De inventarisaties brengen de aanwezigheid van en de functie van het plangebied voor beschermde diersoorten in beeld. Op basis hiervan worden de effecten van het voornemen bepaald. Tevens wordt inzicht gegeven of sprake is van een ontheffingsplicht in de uitvoeringsfase, alsmede of een eventuele ontheffing verleenbaar wordt geacht.

1

Sweco Nederland B.V., Verkennend natuuronderzoek IKC Franse Gat. D.d. 4 september 2020. Referentienummer SWNL0265628

Sweco | Aanvullend natuuronderzoek IKC Veenendaal Projectnummer: 51002477 Datum: 28-10-2021

Versie: C2

Document referentie: NL21-648800269-8447

4/10

2

Onderzoeksmethodiek

2.1

Inleiding

De inventarisaties naar beschermde soorten hebben plaatsgevonden in de periode april tot en met september 2021. In de volgende paragrafen worden per soort(groep) de methodiek en onderzoek momenten beschreven. Onderzoeken zijn door een ter zake kundig ecoloog2 van Sweco Nederland B.V. uitgevoerd conform de geldende richtlijnen en/of protocollen.

2.2

Soortgerichte onderzoeken

2.2.1

(Kleine) marterachtigen

Het onderzoek naar kleine marterachtigen is uitgevoerd conform de Handreiking Kleine Marters van provincie Noord-Brabant3. Deze stelt dat aangenomen kan worden dat er geen leefgebied voor marterachtigen aanwezig is, als er tijdens een onderzoeksinspanning van minimaal zes weken binnen de periode maart tot en met augustus, of in twaalf weken buiten deze periode, geen aanwezigheid kan worden aangetoond. Op basis van de grootte en inrichting van het plangebied is conform de handreiking de onderzoeksinspanning bepaald en is een drietal cameravallen in de vorm van ‘Struikrovers’ met hierin camera’s van het type Browning 2019 (Strike Force HD PRO X) geplaatst op de meest kansrijke locaties binnen het plangebied. Deze is, tevens conform de handreiking, geplaatst in de optimale periode van maart tot en met augustus en minimaal zes blijven liggen (tabel 2.1). Tabel 2.1

Plaatsing van de cameravallen ten behoeve van het aanvullend marteronderzoek

Datum

Doel(en)

30 april 2021

Plaatsing camera’s

24 juni 2021

Ophalen camera’s

Totale duur: 8 weken

2.2.2

Huismus

Onderzoek naar de aanwezigheid van huismussen in het plangebied is uitgevoerd conform het kennisdocument voor de soort4. Deze stelt dat aangenomen kan worden dat er geen nestplaatsen van huismussen aanwezig zijn als er tijdens twee gerichte veldbezoeken onder de juiste weersomstandigheden in de periode april tot en met half mei, of tijdens vier bezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni, geen aanwezigheid van broedende huismussen kan worden aangetoond. Op geschikte momenten is daarom specifiek gelet op broed- en territorium-indicerend gedrag. In tabel 2.2 zijn de inventarisatiemomenten en de weersomstandigheden tijdens het onderzoek weergegeven. Tabel 2.2

Inventarisatiemomenten en weersomstandigheden aanvullend huismusonderzoek

Datum

Dagdeel

Tijdstip

Doel(en)

Weersomstandigheden

30 april 2021

Ochtend

08:30 – 9:30

Nestplaats

7°C, regenachtig, geheel bewolkt, 2 Bft

7 mei 2021

Middag

11:30 – 12:30

Nestplaats

9°C, droog, zwaar bewolkt, 3 Bft

14 mei 2021

Ochtend

09:00 – 10:00

Nestplaats

8°C, droog, zwaar bewolkt, 2 Bft

2

Een ecologische deskundige (ter zake kundige) is iemand die ecologisch advies geeft of werkzaamheden begeleidt op het gebied van habitats en soorten. Hij of zij heeft schriftelijk aantoonbare ervaring en specifieke ecologische kennis. De ecologische deskundige heeft voldoende kennis en jarenlange ervaring om ecologisch onderzoek te kunnen doen. Hij of zij 1) (her)kent de functionaliteit van leefgebieden van beschermde soorten, 2) heeft kennis van de algemeen erkende onderzoeksmethoden, 3) kan ecologische werkprotocollen uitwerken en 4) kan specifieke maatregelen begeleiden. 3 Zoogdiervereniging i.o.v. provincie Noord-Brabant, 2017, Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. 4 Kennisdocument ’Huismus’. BIJ12. Versie 1.0, juli 2017. Sweco | Aanvullend natuuronderzoek IKC Veenendaal Projectnummer: 51002477 Datum: 28-10-2021

Versie: C2

Document referentie: NL21-648800269-8447

5/10

2.2.3

Gierzwaluw

Het onderzoek naar de aanwezigheid van gierzwaluwen is uitgevoerd conform het kennisdocument5, welke stelt dat afwezigheid van gierzwaluw voldoende aannemelijk is gemaakt wanneer tijdens drie gerichte veldbezoeken in de periode van 15 mei tot en met 15 juli geen waarnemingen zijn verricht die duiden op de aanwezigheid van een nest. Hiervan moet één inventarisatieronde plaatsvinden tussen 20 juni en 7 juli, de periode dat er jongen in het nest aanwezig zijn. Het plangebied is op drie avonden, onder de juiste omstandigheden, gecontroleerd op de aanwezigheid van de gierzwaluw. Hierbij is specifiek gelet op laag- en invliegende dieren en geluiden van jonge dieren op het nest in de latere nestfase. In tabel 2.3 zijn de inventarisatiemomenten en de weersomstandigheden tijdens het aanvullend onderzoek naar gierzwaluwen weergegeven. Tabel 2.3

Inventarisatiemomenten en weersomstandigheden aanvullend gierzwaluwonderzoek

Datum

Dagdeel

Tijdstip

Doel(en)

Weersomstandigheden

24 juni 2021

Avond

20:00 – 22:30

Nestplaats

19°C, droog, zwaar bewolkt, 2 Bft

5 juli 2021

Avond

20:00 – 22:30

Nestplaats

20°C, droog, geheel bewolkt, 3 Bft

16 juli 2021

Avond

19:50 – 22:20

Nestplaats

21°C, droog, geheel bewolkt, 3 Bft

2.2.4

Vleermuizen

Het onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd conform het vigerende vleermuisprotocol 2021. Op basis van de potentie van het plangebied voor vleermuizen en de te verwachten soorten, is conform het vleermuisprotocol de onderzoeksinspanning bepaald. Er zijn, onder de juiste weersomstandigheden, vijf bezoeken uitgevoerd. Het onderzoek is zodanig uitgevoerd dat functie van het plangebied voor alle mogelijk aanwezige soorten in beeld gebracht kan worden. Hiervoor is een heterodyne batdetector, voorzien van time expansion (Pettersson M500). Voor een nadere analyse van geluidsopnames is gebruik gemaakt van de meest recente versie van de software BatExplorer. In tabel 2.4 zijn de inventarisatiemomenten en de weersomstandigheden tijdens het aanvullend onderzoek weergegeven. Tabel 2.4

Inventarisatiemomenten en weersomstandigheden aanvullend vleermuisonderzoek

Datum

Dagdeel

Tijdstip

Doel(en)

Weersomstandigheden

2 juni 2021

Ochtend

03:25 – 05:25

Zomer- en kraamverblijven

20°C, droog, zwaar bewolkt, 2 Bft

24 juni 2021

Avond

22:00 – 00:00

Zomer- en kraamverblijven

15°C, droog, licht bewolkt, 2 Bft

16 juli 2021

Avond

21:50 – 23:50

Zomer- en kraamverblijven

15°C, droog, zwaar bewolkt, 1 Bft

9 sept 2021

Avond

21:15 – 23:15

Zomer- en paarverblijven

21°C, droog, zwaar bewolkt, 1 Bft

28 sept 2021

Avond

23:05 – 01:05

Zomer- en paarverblijven

13°C, droog, zwaar bewolkt, 3 Bft

5

Kennisdocument ’Gierzwaluw’. BIJ12. Versie 1.0, juli 2017

Sweco | Aanvullend natuuronderzoek IKC Veenendaal Projectnummer: 51002477 Datum: 28-10-2021

Versie: C2

Document referentie: NL21-648800269-8447

6/10

3

Resultaten en toetsing van effecten

3.1

(Kleine marterachtigen)

3.1.1

Resultaten en analyse

Er is tijdens de onderzoeksperiode van acht weken geen (kleine) marterachtige op camera vastgelegd. Gelet op de onderzoeksperiode en -inspanning, het ontbreken van waarnemingen en het ontbreken van overige sporen in het plangebied kan worden aangenomen dat het plangebied geen essentiële functie heeft als leefgebied voor soorten van deze soortgroep.

3.1.2

Effectbepaling

Conform de richtlijnen uit de handreiking is met de uitgevoerde inventarisatie in voldoende mate aangetoond dat het plangebied geen deel uitmaakt van het functioneel leefgebied van kleine marterachtigen. Effecten zijn dan ook uit te sluiten. Met de voorgenomen ontwikkeling worden wat betreft kleine marterachtigen geen verbodsbepalingen vanuit de Wet natuurbescherming (gedeelte soortenbescherming) overtreden en er is geen noodzaak tot een ontheffing.

3.2

Huismus

3.2.1

Resultaten en analyse

Tijdens de inventarisaties gericht op huismus zijn geen nestplaatsen of dieren die territoriaal- of nestindicerend gedrag vertoonden waargenomen in het plangebied. Tijdens de inventarisaties zijn wel huismussen ter plaatse waargenomen in de hogere beplanting aan de zuidoostzijde van het IVNgebouw. Deze huismussen vlogen naar de overzijde van de Doctor Slotenmaker de Bruinestraat, waar zij vermoedelijk hun nestplaats hebben. Het is aannemelijk dat het groen binnen het IVN-pand voor een deel onderdeel is van het leefgebied van deze huismussen. Huismussen gebruiken dergelijke struiken, hagen en bomen om te schuilen, te slapen, als voedselbron en voor sociaal contact. Het functionele leefgebied van de huismussen binnen het Franse Gat bestaat echter hoofdzakelijk uit het openbaar groen en tuinen van woningen in de omgeving. Dit blijft behouden, waardoor er kan worden gesteld dat er voldoende alternatief leefgebied aanwezig is en er met betrekking tot het plangebied geen sprake is van essentieel leefgebied.

3.2.2

Effectbepaling

Conform de richtlijnen uit het kennisdocument is met de uitgevoerde inventarisaties in voldoende mate aangetoond er geen jaarrond beschermde nesten van huismussen aanwezig zijn in het plangebied. De beplanting aan de zuidoostzijde van het IVN-gebouw is mogelijk onderdeel van het leefgebied van huismussen uit de omgeving. Aangezien er echter volop uitwijkmogelijkheden zijn in de directe omgeving, zijn deze struiken en hagen niet essentieel voor behoud van de functionaliteit van nestlocaties in de buurt. Met de voorgenomen ontwikkeling worden wat betreft huismus geen verbodsbepalingen vanuit de Wet natuurbescherming overtreden en er is geen noodzaak tot een ontheffing.

3.3

Gierzwaluw

3.3.1

Resultaten

Er zijn tijdens de inventarisaties gericht op gierzwaluwen geen invliegende dieren waargenomen in het plangebied. Er vlogen wel foeragerende dieren in de omgeving. Gierzwaluwen zijn echter met betrekking tot hun foerageergebied niet gebonden aan de nestplaats. Zij foerageren namelijk tot op zeer grote hoogte en soms wel tientallen kilometers afstand van hun nestplaats. Van een functie van het plangebied als leefgebied voor gierzwaluw is derhalve geen sprake.

Sweco | Aanvullend natuuronderzoek IKC Veenendaal Projectnummer: 51002477 Datum: 28-10-2021

Versie: C2

Document referentie: NL21-648800269-8447

7/10

3.3.2

Effectbepaling

Conform de richtlijnen uit het kennisdocument is met de uitgevoerde inventarisaties in voldoende mate aangetoond er geen jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw aanwezig zijn in het plangebied; effecten zijn dan ook uitgesloten. Met de voorgenomen ontwikkeling worden wat betreft deze soorten geen verbodsbepalingen vanuit de Wet natuurbescherming overtreden en er is geen noodzaak tot een ontheffing.

3.4

Vleermuizen

3.4.1

Resultaten en analyse

Tijdens de inventarisaties zijn twee vleermuissoorten waargenomen; de gewone dwergvleermuis en de rosse vleermuis. Tijdens de kraamperiode foerageerde de gewone dwergvleermuis in beperkte aantallen (maximaal drie) en beperkte mate rondom de opgaande beplanting binnen het plangebied. De meest foerageeractiviteit van de gewone dwergvleermuis vond plaats aan de oostzijde van het IVN-pand, waar vleermuizen op insecten boven de kruidentuin jaagden. De soort foerageerde tevens boven het achtergelegen speeltuintje en maakte afwisselend gebruik van de tuin van het IVN-pand en dit speeltuintje om te foerageren. Een enkele rosse vleermuis is tijdens de ochtendronde, aan het einde van de ronde, passerend waargenomen. Het individu vloog vanuit het zuidwesten (Utrechtse Heuvelrug) richting het noordoosten, vermoedelijk naar zijn verblijfplaats binnen de woonkern van Veenendaal en vertoonde daarbij verder geen binding met het pand en de groenstructuren in het plangebied. Er is in de kraamperiode één in- of uitvliegende gewone dwergvleermuis waargenomen binnen het plangebied. Deze vloog rond zonsondergang uit aan de oostzijde van het pand (figuur 3.1). Omdat het slechts één uitvliegend exemplaar was, betreft dit zeer aannemelijk een mannetje in een zomerverblijfplaats.

Figuur 3.1

Waarneming van uitvliegende gewone dwergvleermuis aan de oostzijde van het IVN-pand

In de paarperiode is op beide avonden een baltsende gewone dwergvleermuis waargenomen. De mannetjes van de gewone dwergvleermuis maken baltsvluchten in de omgeving van hun paarverblijfplaats om vrouwtjes te lokken. Verder zijn er geen roepende mannetjes vanuit de bebouwing of bomen waargenomen, of in-/uitvliegende dieren. Echter, omdat er één zomerverblijfplaats is vastgesteld van één mannetje en er tijdens de paarperiode baltsactiviteit is waargenomen van één mannetje rondom het gebouw kan worden aangenomen dat het vastgestelde zomerverblijf ook functioneert als paarverblijfplaats.

3.4.2

Effectbepaling

Uit het uitgevoerde vleermuisonderzoek blijkt dat het IVN-pand een functie heeft als zomer- en paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis. Met de sloop van het IVN-pand wordt deze voortplantings- en rustplaats aangetast. Dit is een overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb. De gewone dwergvleermuis is namelijk een Habitatrichtlijnsoort en daarmee strikt beschermd op grond van artikel 3.5 Wnb.

Sweco | Aanvullend natuuronderzoek IKC Veenendaal Projectnummer: 51002477 Datum: 28-10-2021

Versie: C2

Document referentie: NL21-648800269-8447

8/10

Met het aantasten van vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van de gewone dwergvleermuis worden verbodsbepalingen zoals genoemd in artikel 3.5, lid 2 en 4 overtreden. Hiervoor is ontheffing noodzakelijk. Deze ontheffingsplicht vormt een belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

3.5

Overige soorten

De camera’s die zijn geplaatst ten behoeve van het onderzoek naar (kleine) marterachtigen hebben meerdere malen een foeragerende egel vastgelegd. Gezien de frequentie en duur dat deze binnen het plangebied aanwezig was, kan worden aangenomen dat het plangebied deel uit maakt van zijn leefgebied. De soort komt veelvuldig voor in binnenstedelijk gebied, waarbij (aaneengeschakelde) tuinen en stadsplantsoenen zijn leefgebied vormen. De dikke strooisellaag, bosjes en de verschillende takkenrillen binnen het plangebied zijn uitermate geschikt voor egel en vormen waarschijnlijk zijn leefgebied. Egels en hun leefgebieden zijn beschermd conform de Wet natuurbescherming (art. 3.10), maar zijn vrijgesteld van ontheffingsplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen. De aanwezigheid van de egel binnen het plangebied vormt dus geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Wettelijke maatregelen Ondanks dat de aanwezigheid van de egel geen belemmering vormt voor het plan, geldt er krachtens artikel 1.11 (Wnb) de algehele zorgplicht. Deze stelt dat eenieder medeverantwoordelijk gesteld wordt voor de zorg en bescherming van alle in het wild voorkomende flora en fauna. Men dient hierdoor geen handelingen uit te voeren die opzettelijk soorten kunnen verwonden of doden. Er dient derhalve rekening te worden gehouden met de egel ten tijden van de sloop van het IVN gebouw. In de praktijk betekend dit dat de sloop van het IVN gebouw enkel buiten de kwetsbare periode van de egel mag plaatsvinden.

Bovenwettelijke maatregelen Daarnaast is het zo dat de populatieaantallen en staat van instandhouding van de egel sinds enige jaren een (sterk) negatieve trend vertonen. Wij adviseren daarom om, in het kader van de zorgplicht en gelet op de kwetsbaarheid van de soort, in het ontwerp van het IKC bovenwettelijke maatregelen op te nemen die ervoor zorgen dat de soort ter plaatse het leefgebied kan behouden. Deze maatregelen kunnen bestaan uit bijvoorbeeld; · Het zo lang mogelijk behouden van beschutte overhoekjes met blad en takkenrillen (tenminste tot aan de sloop van het IVN-gebouw) en deze na realisatie van het IKC terug te brengen; · De reeds aanwezige takkenrillen met zorgvuldigheid en buiten de kwetsbare periode van de egel te verwijderen en eventueel elders te plaatsen; · Faunavoorzieningen te plaatsen binnen het IKC, of in de directe omgeving, in de vorm van bijvoorbeeld zogenoemde ‘egelhuisjes’. Wereldwijd staat de biodiversiteit sterk onder druk. Het treffen van bovenstaande maatregelen is niet enkel ten behoeve van de egel, maar is bevorderlijk voor de algehele biodiversiteit in de directe omgeving.

Sweco | Aanvullend natuuronderzoek IKC Veenendaal Projectnummer: 51002477 Datum: 28-10-2021

Versie: C2

Document referentie: NL21-648800269-8447

9/10

4

Conclusie

Op basis van de uitgevoerde soortgerichte onderzoeken is gebleken dat het plangebied geen (essentiële) functie heeft voor (kleine) marterachtigen, gierzwaluwen en huismus. Ook vormen de plangebieden geen essentieel leefgebied voor huismussen uit de omgeving. Er zijn derhalve geen belemmeringen vanuit de Wet natuurbescherming voor wat betreft deze soorten en het aanvragen van ontheffingen voor deze soorten is niet noodzakelijk. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan komt voor wat betreft deze soorten niet in het geding. Echter is middels het vleermuisonderzoek de aanwezigheid van een zomer- en paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis vastgesteld. Met de sloop van het IVN-pand wordt deze verblijfplaats aangetast. De gewone dwergvleermuis is een Habitatrichtlijnsoort en daarmee beschermd op grond van artikel 3.5. Met het aantasten van vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van de gewone dwergvleermuis worden verbodsbepalingen zoals genoemd in artikel 3.5, lid 2 en 4 overtreden. Hiervoor is ontheffing noodzakelijk. De aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan echter niet in de weg; de aan te vragen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming wordt op voorhand verleenbaar geacht.

Het verlies van een zomer- en paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis is relatief makkelijk te compenseren zonder dat de lokale staat van instandhouding in het geding komt. In aanvulling op het bovenstaande geldt er krachtens artikel 1.11 (Wnb) de algemene Zorgplicht. Deze stelt dat eenieder medeverantwoordelijk gesteld wordt voor de zorg en bescherming van alle in het wild voorkomende flora en fauna. Men dient hierdoor geen handelingen uit te voeren die opzettelijk soorten kunnen verwonden of doden. Speciale aandacht met betrekking tot de Zorgplicht wordt gevraagd voor de egel en de in de vijver voorkomende amfibieën: · Binnen het plangebied is de aanwezigheid van egel vastgesteld. De tuin van het IVN maakt zeer waarschijnlijk deel uit van zijn leefgebied en mogelijk heeft de egel hier zijn verblijfplaats. Ondanks dat dit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, adviseren wij de maatregelen zoals beschreven in paragraaf 3.5.1 uit te voeren omdat het landelijk zeer slecht gesteld is met de egel; · De vijver in de tuin van het IVN is van goede kwaliteit. Tijdens de zomerperiode is zeer veel voortplantingsactiviteit waargenomen van bruine kikker en groene kikker. Het is ook zeer aannemelijk dat de vijver wordt gebruikt als voortplantingswater voor kleine watersalamander.

Ondanks dat dit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan adviseren wij, in het kader van de Zorgplicht, de vijver te ruimen buiten de kwetsbare periode van deze amfibieën. Tijdens de uitvoering moet tevens rekening gehouden worden met het broedseizoen van vogels. In de opgaande beplanting en in de bebouwing kunnen vogels gaan broeden. Alle broedende vogels zijn beschermd op grond van de Wet natuurbescherming en in gebruik zijnde nesten mogen niet aangetast worden. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot augustus. Afhankelijk van de aanwezige soorten en lokale meteorologische omstandigheden, kan deze periode eerder of later beginnen en eindigen. Werkzaamheden die in gebruik zijnde nesten kunnen verstoren of aantasten mogen niet plaatsvinden. Indien werkzaamheden niet tot na het broedseizoen kunnen wachten kunnen voor aanvang van het broedseizoen de mogelijke nestplaatsen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt worden.

Kansen voor biodiversiteit De natuurwaarden in het plangebied, met name bij het IVN-gebouw, zijn erg hoog. Geadviseerd wordt om in te spelen op huidige natuurwaarden en de elementen die op dit moment aanwezig zijn, binnen het plangebied maar ook in de directe omgeving. Uit bestaande gegevens blijkt de talrijke aanwezigheid van huismus, gierzwaluw en vleermuizen in de omgeving van het plangebied. Het is relatief eenvoudig om natuurinclusief te bouwen met het oog op deze soort(groep)en door, bijvoorbeeld, nestkasten in de spouw te metselen. Dit heeft ook meerwaarde voor de (natuur)educatie van de kinderen van het toekomstige IKC. Ook het eventueel terugbrengen van de takkenrillen, het insectenhotel en de kikkerpoel zoals die nu aanwezig zijn bij het IVN gebouw, of het aanleggen van een insectenvriendelijke bloementuin, zullen van grote meerwaarde zijn hierop. Er zijn vele mogelijkheden voor het inpassen van natuurvriendelijke en biodiversiteit-verhogende elementen bij het ontwerp van nieuwe bebouwing. Wij denken graag mee over de oplossing die het beste past.

Sweco | Aanvullend natuuronderzoek IKC Veenendaal Projectnummer: 51002477 Datum: 28-10-2021

Versie: C2

Document referentie: NL21-648800269-8447

10/10

Rapport Projectnummer: 374848 Referentienummer: SWNL0265628 Datum: 04-09-2020

Verkennend natuuronderzoek IKC Franse Gat Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur

Definitief

Opdrachtgever: Gemeente Veenendaal

Sweco Zernikestraat 17 5612 HZ Eindhoven Postbus 1265 5602 BG Eindhoven

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Gebiedsadvies Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Layze Hoogland Junior adviseur Ecologie M +31 6 51 83 80 92

Verantwoording Titel

Verkennend natuuronderzoek IKC Franse Gat

Subtitel

Oriënterend natuuronderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur

Projectnummer

374848

Referentienummer

SWNL0265628

Revisie

D01

Datum

04-09-2020

Auteur

Layze Hoogland

E-mailadres

layze.hoogland@sweco.nl

Gecontroleerd door

Mark Grutters

Paraaf gecontroleerd

Goedgekeurd door

Maarten Mouissie

Paraaf goedgekeurd

2 (24)

Inhoudsopgave 1

Inleiding .................................................................................................................. 4

1.1

Aanleiding ................................................................................................................ 4

1.2

Kader van het onderzoek ........................................................................................ 4

1.3

Ligging en beschrijving plangebied ......................................................................... 4

2

Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden ................................................ 6

2.1

Toetsingskader ........................................................................................................ 6

2.2

Inventarisatie ........................................................................................................... 6

2.3

Analyse van de mogelijke effecten .......................................................................... 7

2.4

Conclusie ................................................................................................................. 8

3

Wet natuurbescherming: soortenbescherming ................................................. 9

3.1

Toetsingskader ........................................................................................................ 9

3.2

Methode ................................................................................................................. 10

3.3

Resultaten en effectbeoordeling ............................................................................ 11

3.3.1

Planten ................................................................................................................................ 11

3.3.2

Vleermuizen ........................................................................................................................ 11

3.3.3

Overige zoogdieren .............................................................................................................13

3.3.4

Vogels .................................................................................................................................14

3.3.5

Reptielen en amfibieën .......................................................................................................17

3.3.6

Ongewervelden ...................................................................................................................18

3.3.7

Vissen .................................................................................................................................18

3.3.8

Invasieve exoten .................................................................................................................18

4

Provinciaal natuurbeleid ..................................................................................... 20

4.1

Toetsingskader ...................................................................................................... 20

4.2

Inventarisatie ......................................................................................................... 20

4.3

Analyse van de mogelijke effecten ........................................................................ 21

4.4

Conclusie ............................................................................................................... 21

5

Conclusies............................................................................................................ 22

5.1

Natura 2000 ........................................................................................................... 22

5.2

Soortenbescherming ............................................................................................. 22

5.3

Provinciaal natuurbeleid ........................................................................................ 23

5.4

Kansen voor biodiversiteit ..................................................................................... 23

5.5

Aanpak Japanse duizendknoop ............................................................................ 23

3 (24)

1

Inleiding

1.1 Aanleiding In het Integraal Huisvestingsplan (IHP) van de gemeente Veenendaal is de doelstelling opgenomen om basisscholen en kinderopvangen samen te voegen tot één Integraal Kind Centrum (IKC). Voor de wijk Franse Gat wordt het nieuwe IKC gerealiseerd op de plek waar nu het Vereniging voor natuur- en milieueducatie (IVN) is gehuisvest. Het bouwplan is strijdig met het geldende bestemmingsplan Woongebieden 2018. Om de realisatie van het IKC mogelijk te maken dient het bestemmingsplan te worden herzien. Sweco Nederland B.V. is gevraagd een verkennend natuuronderzoek uit te voeren om te beoordelen of het bestemmingsplan haalbaar is in het kader van de natuurwetgeving. Aanvullend zijn vrijblijvende adviezen opgenomen ten behoeve van het versterken van de biodiversiteit en de aanpak van binnen het plangebied aanwezige invasieve exoten. 1.2 Kader van het onderzoek We toetsen de voorgenomen werkzaamheden aan de wet- en regelgeving voor natuur binnen de volgende kaders: · Wet natuurbescherming: o Natura 2000-gebieden o Soorten · Provinciaal beleid. o Natuurnetwerk Nederland (NNN) en eventueel door provinciaal beleid beschermde gebieden buiten het NNN. Het verkennend onderzoek is er op gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het plangebied.

Dit betreft toetsing van effecten op beschermde Natura 2000-gebieden en beschermde soorten onder de Wet natuurbescherming. Daarnaast is getoetst op effecten die een raakvlak hebben met het natuurbeleidskader van de provincie Utrecht. In de voorliggende rapportage worden ook de mogelijke vervolgstappen besproken in relatie tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en eventueel te volgen procedures. 1.3 Ligging en beschrijving plangebied Het plangebied betreft de huidige locatie van het IVN Veenendaal, aan de Karel Fabritiusstraat 3, in de wijk ‘Franse Gat’, te Veenendaal, provincie Utrecht. Omdat het IVN in het teken staat van natuureducatie zijn op en rondom het gebouw verschillende biodiversiteits-verhogende elementen aangebracht, zoals rommel-/overhoekjes, takkenrillen, vleermuiskasten, een insectenhotel en nestkasten. Achter het IVN ligt een speelveld, omringd met verschillende bomenrijen. In de directe omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woonhuizen aanwezig en een kerkgebouw. Een globale impressie en de ligging van het plangebied zijn weergegeven in figuur 1.1 en 1.2.

4 (24)

Figuur 1.1 Globale impressie plangebied

Figuur 1.2 Ligging van het plangebied (rood omkaderd)

5 (24)

2

Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden

2.1 Toetsingskader Bescherming van Natura 2000-gebieden vindt plaats op grond van de Wet natuurbescherming. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- respectievelijk verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken, kent de Wet natuurbescherming (Wnb) een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb) en een vergunningsplicht voor projecten en andere handelingen die (significant) negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding zijn.

Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het plan of een vergunning voor het project worden verleend, indien de ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project nodig is omwille van een dwingende reden van groot openbaar belang, er geen alternatief mag zijn met minder grote effecten op Natura 2000 en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. In de navolgende paragrafen is beoordeeld of er effecten optreden op beschermde natuurwaarden binnen Natura 2000-gebieden en zo ja, wat de benodigde vervolgstappen zijn. 2.2 Inventarisatie Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de Natura 2000gebieden kaart van PDOK, beschikbaar via het Nationaal Georegister. Hieruit blijkt dat het Natura 2000-gebied ‘Binnenveld’ het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is. Het bevindt zich op circa 2,1 kilometer van het plangebied (zie figuur 2.1). Alle Natura 2000gebieden binnen een afstand van 10 kilometer van het plangebied zijn weergegeven in tabel 2.1. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand en zijn gelet op deze aanzienlijke afstand in de voorliggende toetsing buiten beschouwing gelaten, omdat effecten niet tot deze afstand zullen reiken.

Tabel 2.1 Afstanden van omliggende Natura 2000-gebieden tot het plangebied

Natura 2000-gebied Binnenveld Rijntakken Veluwe

Afstand tot plangebied 2,1 4,7 9,3

6 (24)

Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied (rood gearceerd)

2.3 Analyse van de mogelijke effecten Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden en maakt geen deel uit van het leefgebied voor kwalificerende Habitat- en/of Vogelrichtlijnsoorten van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten waarvoor de nabijgelegen gebieden zijn aangewezen, hebben tevens geen ecologische relatie met het plangebied. Van een (indirect) oppervlakteverlies of versnippering van leefgebied van kwalificerende soorten in of buiten Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Directe effecten ten gevolge van de werkzaamheden, zoals verdroging, vernatting, optische-, lichten geluidsverstoring, reiken tot enkele honderden meters ver. Deze kunnen derhalve, vanwege de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden en vanwege de tussengelegen bebouwing, op voorhand worden uitgesloten. Bij de realisatie van het IKC wordt in de aanlegfase zeer waarschijnlijk gebruik gemaakt van verschillend materieel dat gepaard gaat met stikstofemissie, zoals sloop- & graafmaterieel en vrachtwagens. Deze emissie kan zich vrij gemakkelijk over grote afstanden verspreiden

7 (24)

en als stikstofdepositie in het Binnenveld negatieve effecten veroorzaken in de vorm van verzuring en vermesting. In dit Natura 2000-gebied zijn enkele stikstofgevoelige habitattypen aanwezig, namelijk blauwgraslanden en overgangs- en trilvenen. Ook kunnen stikstofgevoelige kwalificerende leefgebieden van soorten aanwezig zijn. Het Natura 2000gebied ’Rijntakken’ betreft een groot gebied, waarvan slechts een klein deel mogelijk beïnvloed wordt door de werkzaamheden. Hetzelfde geldt voor de Veluwe. Binnen het Natura 2000-gebied ’Rijntakken’ liggen de stikstofgevoelige glanshaverhooilanden het meest nabij het plangebied. Binnen de Veluwe zijn dit droge heides. Het realiseren van het IKC betreft een relatief kleinschalige, tijdelijke ingreep welke naar verwachting, mede door de grote afstand tot het gebied en het tussenliggende stedelijke gebied, geen significante negatieve effecten als gevolg van een toename in stikstofdepositie in de Veluwe zal veroorzaken. Deze verwachting dient echter gestaafd te worden door een AERIUS-berekening om hier zekerheid over te verkrijgen. De afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in het Binnenveld en de Rijntakken is echter kleiner. Hierdoor kan er naast een toename van stikstofdepositie in de aanlegfase tevens een toename zijn in de gebruiksfase.

Zo kan er na de realisatie van het IKC mogelijk een toename in verkeersbewegingen zijn ten opzichte van de huidige situatie, doordat ouders hun kinderen halen en brengen. Een nadere beschouwing in de vorm van een stikstofdepositieberekening is derhalve noodzakelijk. 2.4 Conclusie Gelet op de afstand van het plangebied tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, zijn directe effecten zoals verdroging, vernatting, optische verstoring, licht- en geluidsverstoring op voorhand uitgesloten. Hierdoor is er geen noodzaak tot een nadere beschouwing op deze effecten. Gelet op de afstand tussen de het Natura 2000-gebied ’Veluwe’ en het plangebied en de beperkte omvang van de werkzaamheden bij uitvoering van de plannen is er zeer waarschijnlijk geen sprake van een toename in stikstofdepositie met effecten in de vorm van verzuring en vermesting als gevolg. Het is echter noodzakelijk een AERIUS-berekening uit te voeren om hierover zekerheid te verkrijgen. De afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden ’Binnenveld’ en ’Rijntakken’ is aanzienlijk kleiner. Voor deze gebieden kunnen negatieve effecten in de vorm van verzuring en vermesting als gevolg van een toename in stikstofdepositie, in zowel de aanleg- als gebruiksfase, niet op voorhand worden uitgesloten. Om deze reden dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd.

8 (24)

3

Wet natuurbescherming: soortenbescherming

3.1 Toetsingskader In de Wet natuurbescherming (Wnb) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. Hierbij worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): · lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; · lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; · lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; · lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; · lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.): · lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; · lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; · lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; · lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; · lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.): · lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: ° onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; ° onderdeel b.

de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of ° onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Voor Andere soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat

9 (24)

exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet Natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de nieuwe wet geldt een ontheffingsplicht. Een ontheffing kan alleen worden verleend indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is mogelijk om ten aanzien van Andere soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wnb, mits de voorgenomen activiteit als zodanig in de gedragscode is beschreven. Er is dan geen ontheffing nodig. Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht.

Deze zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna: Zorgplicht (artikel 1.11) · lid 1) Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. · lid 2) De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: ° onderdeel a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, ° onderdeel b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of ° onderdeel c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. · lid 3) Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. 3.2 Methode De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het plangebied. Hierbij maken we onderscheid tussen het bronnenonderzoek en een verkennend veldbezoek. Op basis hiervan volgt een habitatgeschiktheidsbeoordeling.

Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en omgeving. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt: · Landelijke (digitale) verspreidingsatlassen (waaronder de NDFF); · Regionale verspreidingsatlassen; · Eerder uitgevoerde natuuronderzoeken in het Franse Gat1.

1 Sweco Nederland B.V. Natuuronderzoek Franse Gat te Veenendaal d.d. 30-04-2019.

Referentienummer: SWNL02433019.

10 (24)

Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van het plangebied voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaats gevonden op 24 augustus 2020 door Layze Hoogland, een deskundig ecoloog van Sweco. 3.3 Resultaten en effectbeoordeling 3.3.1 Planten Actueel en potentieel voorkomende soorten Uit bestaande gegevens ontbreken waarnemingen van planten die beschermd zijn conform de Wet natuurbescherming binnen en in de omgeving van het plangebied. Wel zijn enkele soorten van de rode lijst bekend. Het gaat hierbij om korenbloem en rapunzelklokje. Beschermde planten betreffen veelal (zeer) zeldzame soorten die doorgaans specifieke habitateisen aan hun groeiplaats stellen, doorgaans gekenmerkt door een gering verspreidingsgebied. In de groenstructuren binnen het plangebied zijn algemene soorten aangetroffen die typerend zijn voor stadstuinen met algemene voedselrijke bodems. Tevens is het plangebied gelegen in de woonkern Veenendaal waarbij het grenst aan verharde/ bestraatte percelen. Gezien de ligging, de afwezigheid van geschikt biotoop en het ontbreken van bekende verspreidingsgegevens, wordt aanwezigheid van beschermde flora uitgesloten.

Effectenanalyse We kunnen het voorkomen van beschermde flora op voorhand uitsluiten. Dit op basis van bekende verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikte groeiplaatsen binnen het plangebied. 3.3.2 Vleermuizen Actueel en potentieel voorkomende soorten Uit bestaande gegevens (NDFF) blijkt de aanwezigheid van gewone dwergvleermuis en laatvlieger in de omgeving van het plangebied. Onder de Wet natuurbescherming zijn alle vleermuissoorten beschermd conform bijlage IV van de Habitatrichtlijn (artikel 3.5 Wnb). Uit het eerder uitgevoerde natuuronderzoek blijkt tevens het voorkomen van ruige dwergvleermuis in het Franse Gat. Soorten als gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn gebouwbewonende soorten die verblijfplaatsen kunnen hebben in o.a. spouwmuren, onder dakpannen, of op zolders mits deze over geschikt microklimaat beschikken. Het IVN-gebouw beschikt over meerdere van dit soort geschikte elementen (figuur 3.1). Daarnaast hangt aan één van de gevels van het gebouw een tweetal vleermuiskasten. Een functie van de bebouwing in het plangebied als verblijfplaats kan op voorhand niet worden uitgesloten. Tevens dient de functie van de vleermuiskasten te worden onderzocht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11525545/1