CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

3.a2. Vaststelling bestemmingsplan IKC Franse Gat-bijlagen

Gemeenteraad 23 juni 2022, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan IKC Franse Gat29.545 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

11 (24)

Figuur 3.1 Openingen naar achterliggende, mogelijk als verblijfplaats geschikte, ruimtes voor vleermuizen en de aanwezige vleermuiskasten

Vleermuizen gebruiken, soortafhankelijk, tevens bomen met gaten en spleten als vaste rusten voortplantingsplaats. Enkele berken in de bomenrij in het doorsteekstraatje aan de achterzijde van de Adriaen van Ostadelaan, aan de oostzijde van het plangebied, beschikken over holtes die mogelijk geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Tussen jachtgebieden en verblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruik maken van lijnvormige structuren en elementen in het landschap, zoals bijvoorbeeld bomenlanen en rijen, houtwallen, gevelrijen en watergangen als vliegroute. Rondom het speelveld tussen de Karel Fabritiusstraat en de Petrus Paulus Rubensstraat staan enkele bomenrijen die een mogelijke functie hebben als vliegroute (figuur 3.2). Een essentiële functie van deze bomenrijen kan echter op voorhand worden uitgesloten, doordat in de directe omgeving meerdere lijnvormige elementen in de vorm van bomen- en gevelrijen aanwezig zijn, die dienst kunnen doen als vliegroute.

Figuur 3.2 Bomenrijen rondom het speelveld aan de noordzijde van het plangebied

Geschikt jachtbiotoop voor vleermuizen bestaat uit (half)hoge, insectenrijke (kruidenrijke) vegetatie. De groenstructuren binnen het plangebied bestaan voornamelijk uit de bomenrijen, de omringende tuinen van de woningen en het speelveld met hierin kortgemaaid gras. Hier foerageren mogelijk vleermuizen, echter zal het hier slechts om kleine aantallen gaan, omdat het voedselaanbod in en boven het plangebied naar

12 (24)

verwachting ontoereikend zal zijn voor, bijvoorbeeld, kraamkolonies. Op korte afstand ten zuidwesten van het plangebied is meer, en kwalitatief hoogwaardiger, jachtbiotoop aanwezig in de vorm van bosrijk gebied (Landgoed Prattenburg/Utrechtse Heuvelrug). Het is derhalve niet aannemelijk dat de groenstructuren binnen het plangebied essentieel zijn. Effectenanalyse Het IVN-gebouw binnen het plangebied beschikt over diverse openingen in de muur en onder het dak naar achterliggende ruimtes, welke mogelijk fungeren als verblijfplaats voor vleermuizen. Ook hangen aan de gevel van dit gebouw vleermuiskasten en beschikken enkele berken in de bomenrij aan het speelveld over holtes die mogelijk een functie kunnen hebben als verblijfplaats. Nader onderzoek naar de daadwerkelijke functionaliteit is dan ook noodzakelijk. Een essentiële functie van het plangebied als vliegroute of foerageergebied kan op voorhand worden uitgesloten. Het is op het moment van schrijven nog niet duidelijk of de bomen met hierin geschikte holtes of andere bomen in of rondom het plangebied gekapt dienen te worden; in het ruimtelijk kader wordt gesproken over het verwijderen van enkele bomen binnen het perceel. Welke dit zijn is onduidelijk. Het uitgangspunt bij de inrichting van het nieuwe IKC is dat waar mogelijk bestaand groen en waardevolle bomen blijven staan.

Geadviseerd wordt om, wanneer hierover duidelijkheid is, een aanvullende controle uit te voeren gericht op holtes voor vleermuizen. Ondanks dat een essentiële functie van het speelveld als foerageergebied en de bomenrijen als vliegroute is uitgesloten, wordt in het kader van de biodiversiteit geadviseerd zo min mogelijk bomen te vellen. 3.3.3 Overige zoogdieren Actueel en potentieel voorkomende soorten Binnen de invloedsfeer van de voorgenomen ingreep zijn geen bestaande waarnemingen bekend van overige zoogdieren die beschermd zijn conform de Wet natuurbescherming (categorie Habitatrichtlijn soorten art. 3.5 en Andere soorten art. 3.10). Van het landgoed Prattenburg (Utrechtse Heuvelrug), buiten de invloedsfeer van het plangebied maar in goede verbinding hiermee, zijn waarnemingen bekend van wezel, bunzing en hermelijn (Andere soorten art. 3.10 Wnb). Het plangebied is beoordeeld op typische elementen die kunnen duiden op de aanwezigheid van rust- en verblijfplaatsen, evenals geschikt leefgebied, voor beschermde (niet vrijgestelde) soorten van de soortgroep overige zoogdieren. Rondom het speelveld tussen de Karel Fabritiusstraat en de Petrus Paulus Rubensstraat is geen geschikt habitat aanwezig voor beschermde, niet-vrijgestelde zoogdieren.

Rondom het IVN-gebouw zijn echter verschillende elementen aanwezig die kunnen fungeren als schuil-, rust- of verblijfplaatsen voor zowel vrijgestelde als niet-vrijgestelde zoogdieren. Het gaat hierbij met name om de aanwezige rommel- en overhoekjes en takkenrillen (figuur 3.3), welke door hun ’rommelige’ karakter het plangebied zeer geschikt maakt voor kleine marterachtigen (steenmarter, bunzing, wezel, hermelijn).

13 (24)

Figuur 3.3 Voor overige zoogdieren geschikte elementen binnen het plangebied

In de tuin van het IVN is tevens een kleine vijver met hierin geschikt prooi voor de marterachtigen in de vorm van kikkers aanwezig. Het is tevens zeer aannemelijk dat het plangebied tevens ruimschoots prooiaanbod in de vorm van muizen bied. Effectenanalyse Door de aanwezigheid van geschikt biotoop alsmede geschikt prooiaanbod, en doordat het plangebied in verbinding staat met bestaand geschikt leefgebied op korte afstand van het plangebied, kan een functie van het plangebied als leefgebied voor kleine marterachtigen niet op voorhand worden uitgesloten. Het uitvoeren van nader onderzoek naar deze soortgroep is derhalve noodzakelijk. Binnen het plangebied zijn ook algemene, beschermde soorten te verwachten zoals, egel, bruine kikker en verschillende soorten muizen. Deze zijn echter vrijgesteld van ontheffingsplicht bij ruimtelijke ingrepen. Voor deze soorten geldt echter wel de algemene zorgplicht (artikel 1.11 (lid 1 & 2) Wnb). 3.3.4 Vogels Actueel en potentieel voorkomende soorten Uit bestaande gegevens komen diverse waarnemingen naar voren van vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (categorie 1 t/m 4). We treffen in de omgeving onder andere waarnemingen aan van de buizerd, roek, gierzwaluw en huismus (Vogelrichtlijnsoorten art. 3.1 Wnb). Roeken foerageren voornamelijk op vochtige door (melk)vee begraasde en/of bemeste graslanden en op (net bewerkt) akkerland.

Het plangebied betreft bebouwing en een achtergelegen speelveld. Het plangebied voldoet derhalve niet aan de habitateisen van roek. De bestaande waarnemingen betreffen nestbouw door roeken en zijn afkomstig uit het buitengebied ten zuidwesten van Veenendaal. Eveneens komen de waarnemingen van buizerd uit het halfopen landschap in het zuidwesten van het plangebied. Binnen het

14 (24)

plangebied en in de directe omgeving hiervan zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen van deze soorten. Wel biedt het plangebied en de directe omgeving uitermate geschikte nestgelegenheid voor huismus en gierzwaluw. De waarnemingen van deze soorten in de NDFF zijn dan ook talrijk. Uit het eerder uitgevoerde natuuronderzoek in het Franse Gat blijkt dat van zowel huismus als gierzwaluw in de naastgelegen bebouwing nesten zijn vastgesteld (figuur 3.4).

Figuur 3.4 Eerder vastgestelde nestlocaties van huismus (links) en gierzwaluw (rechts) in de omgeving van het plangebied (rood omcirkeld)

Het speelveld in het noorden van het plangebied biedt geen geschikte nestgelegenheid voor deze soorten, aangezien hier geen bebouwing aanwezig is. Het IVN-gebouw daarentegen biedt voor beide soorten nestgelegenheid. Huismussen maken hun nest doorgaans onder dakpannen. Gierzwaluwen kunnen hier ook hun nest hebben, maar kunnen zich ook onder nokpannen of achter boei- of windborden bevinden. Daarnaast heeft het IVN enkele kunstmatige nestgelegenheden aangebracht voor deze soorten, in de vorm van gierzwaluwdakpannen en nestkasten. Onder de nokpan van het gebouw zijn tevens sporen (uitwerpselen) aangetroffen van gierzwaluwen (figuur 3.5). Een functie van het IVN-gebouw als nestlocatie voor zowel huismus als gierzwaluw kan derhalve niet worden uitgesloten.

15 (24)

. Figuur 3.5 V.l.n.r.: gierzwaluw-dakpan, sporen van gierzwaluw bij de opening naar het (mogelijke) nest en een nestkast voor huismus

Gierzwaluwen zijn voor hun foerageergebied niet afhankelijk van hun nestlocatie, omdat zij op grote hoogte en verre afstand jagen op insecten. Huismus is echter meer gebonden aan zijn nestlocatie en blijft vaak op minder dan 500 meter afstand. Binnen deze afstand moeten een aantal elementen aanwezig zijn, wil het leefgebied voor huismuis goed functioneren. Deze elementen betreffen, onder andere, groenblijvende struiken als dekking (ook dichtbij de nestlocatie) en zanderige plekken, welke aanwezig zijn in het speelveld. Het speelveld kan derhalve een functie hebben als leefgebied voor huismus en essentieel zijn voor het functioneren van nesten in de omgeving. De bomen in de omgeving van het plangebied zijn tevens gecontroleerd op vogelnesten. Door de aanwezigheid van zichtbelemmerend blad aan de boom, kan echter geen uitsluitsel worden gegeven over de aan- of afwezigheid van kleine nesten. Wanneer er kap van bomen voornemens is, en duidelijk is welke bomen geveld zullen worden, dient een aanvullende controle uitgevoerd te worden in de winter wanneer nesten het beste zichtbaar zijn. Effectenanalyse Er zijn jaarrond beschermde nesten van vogels (gierzwaluw en huismus) aangetroffen in de directe omgeving van het plangebied. Aanwezigheid van nesten van gierzwaluw is vastgesteld binnen het plangebied.

Het plangebied maakt tevens mogelijk deel uit van het functioneel leefgebied van soorten met een jaarrond beschermde nestplaats (huismus). Het uitvoeren van aanvullend onderzoek is derhalve noodzakelijk. Men dient tijdens de uitvoeringsfase tevens rekening te houden met de aanwezigheid van algemeen voorkomende broedvogels tijdens het broedseizoen, met name in de te kappen bomen. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot augustus. Echter, afhankelijk van de lokale meteorologische omstandigheden, kan deze periode eerder of later beginnen en eindigen. Van belang is dat in gebruik zijnde nesten niet aangetast worden en broedende vogels niet opzettelijk verstoord worden. Aanbevolen wordt om de werkzaamheden dan ook buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien tijdens het broedseizoen gewerkt wordt, dient men te voorkomen dat broedvogels zich gaan vestigen in het plangebied om verstoring van nesten te voorkomen.

16 (24)

3.3.5 Reptielen en amfibieën Actueel en potentieel voorkomende soorten Binnen de invloedsfeer van de voorgenomen ingreep zijn geen bestaande waarnemingen bekend van amfibieën en reptielen die beschermd zijn conform de Wet natuurbescherming, Habitatrichtlijn soorten art. 3.5. Wel is een bestaande waarneming bekend van ringslang (Andere soorten art. 3.10 Wnb). Deze waarneming van ringslang is gedaan op een afstand van slechts enkele tientallen meters van het plangebied en is tevens zeer recent gedaan. Van deze soort is bekend dat hij zich (vrij ver) binnen de stad kan bevinden. De ligging van het plangebied op relatief korte afstand van geschikt habitat in de Utrechtse Heuvelrug, en de goede verbinding hiertussen, maakt dat ringslang zich vrij gemakkelijk binnen het plangebied kan begeven. De natuurvriendelijke elementen rondom het IVN gebouw bieden voldoende schuilmogelijkheden en tevens is er voldoende prooiaanbod in de vorm van kleine zoogdieren en amfibieën aanwezig. Het laatste vormt het hoofdvoedsel voor een volwassen ringslang. De in het plangebied aanwezige takkenrillen kunnen tevens fungeren als overwinteringsplaats. Het speelveld is door het ontbreken van een rijke kruiden- en strooisellaag en structuur in de bodem ongeschikt om te fungeren als leefgebied en landbiotoop voor beschermde reptielen en amfibieën.

In de tuin van het IVN-gebouw is echter een vijver aanwezig, welke geschikt is voor algemeen voorkomende amfibiënsoorten (bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander). De aanwezigheid van (juveniele) bruine kikker is dan ook vastgesteld in de vijver. De gehele tuin van het IVN is door het verruigde karakter geschikt als landbiotoop voor deze soorten.

Figuur 3.6 Aanwezige, voor amfibieën geschikte, vijver in de IVN tuin

Effectenanalyse Vanwege de aanwezigheid van geschikt biotoop en een goed prooiaanbod, in combinatie de aanwezigheid van bestaand geschikt leefgebied op korte afstand van het plangebied, is het voorkomen van ringslang in het plangebied niet direct op voorhand uit te sluiten. Het plangebied is echter te veel geïsoleerd en niet voldoende groot en robuust om een populatie ringslangen te kunnen handhaven; mogelijk aanwezige exemplaren in het plangebied zullen naar alle waarschijnlijkheid enkel zwervende dieren betreffen. Omdat het leefgebied geen deel uit maakt van essentieel leefgebied zullen geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden. Desondanks moet met de realisatie van het nieuwe IKC rekening worden gehouden met het onverhoopt aanwezig zijn van ringslang in de tuin van het IVN. Ook is het niet geheel uit te sluiten dat de takkenrillen door ringslang gebruikt worden als rust-of overwinteringsplaats. Daarom

17 (24)

wordt vanuit de zorgplicht geadviseerd om werkzaamheden buiten de kwetsbare periode van ringslang uit te voeren. 3.3.6 Ongewervelden Actueel en potentieel voorkomende soorten Binnen de invloedsfeer van de voorgenomen ingreep zijn geen bestaande waarnemingen bekend van ongewervelden die beschermd zijn conform de Wet natuurbescherming (categorie Habitatrichtlijn soorten art. 3.5 en Andere soorten art. 3.10 Wnb). Beschermde soorten ongewervelden zijn doorgaans zeldzame soorten met zeer specifieke habitateisen en een gering verspreidingsgebied. Gelet op de aard, ligging en inrichting van het plangebied, is het ongeschikt als essentieel leefgebied voor beschermde ongewervelden. Effectenanalyse Het voorkomen van beschermde ongewervelden binnen het plangebied is op voorhand uitgesloten op basis van bestaande verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikt biotoop. Nader onderzoek naar beschermde ongewervelden is niet noodzakelijk. Wel is in de tuin van het IVN-gebouw een insectenhotel aanwezig, welke mogelijk bewoond is door (wellicht kwetsbare) insecten. Het wordt in het kader van de zorgplicht en biodiversiteit aangeraden voorzichtig om te gaan met het hotel en deze liever te verplaatsen dan in geheel te verwijderen.

3.3.7 Vissen Actueel en potentieel voorkomende soorten Binnen de invloedsfeer van de voorgenomen ingreep zijn geen bestaande waarnemingen bekend van beschermde vissen conform de Wet natuurbescherming (categorie Habitatrichtlijn soorten art. 3.5 en Andere soorten art. 3.10 Wnb). De voorgenomen ingreep betreft de sloop van een viertal woningen. Er zijn geen waterlichamen aanwezig binnen de invloedsfeer van deze ingreep die geschikt biotoop vormen voor beschermde vissen. De werkzaamheden hebben verder geen externe werking op nabij gelegen wateren. Nader onderzoek naar beschermde vissen is derhalve niet noodzakelijk. Effectenanalyse Negatieve effecten op beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten doordat de voorgenomen ingreep geen raakvlak heeft met deze soortgroep. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. 3.3.8 Invasieve exoten Tijdens het oriënterend veldbezoek is de beginnende groeiplaats vastgesteld van Japanse duizendknoop (Fallopia japonica). Het betreft een groeiplaats in het plantsoen aan de Slotemaker de Bruïnestraat, op de zuidwestelijke hoek van het IVN-gebouw (figuur 3.7). De Japanse duizendknoop wordt tot de meest invasieve exoten gerekend; is de plant eenmaal gevestigd, dan is hij zeer moeilijk weer te verwijderen.

Deze groeiplaats is mogelijk tot stand gekomen vanuit een zeer grote Japanse duizendknoop in één van de achtertuinen aan de Adriaen van Ostadelaan.

18 (24)

v

Figuur 3.7 Groeiplaatsen Japanse duizendknoop, waarvan de vermoedelijke brandhaard in een privétuin.

19 (24)

4

Provinciaal natuurbeleid

4.1 Toetsingskader Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd, bestaat uit: · Provinciaal beleid: ° Natuurnetwerk Nederland (NNN); ° Gebieden buiten het NNN, zoals Natte Natuurparels of rustgebieden. Het Natuurnetwerk Nederland is op provinciaal niveau uitgewerkt tot het provinciale natuurnetwerk met kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden, beheergebieden en robuuste ecologische verbindingszones. De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. Het NNN voor provincie Utrecht is vastgelegd in Artikel 2.4 van de PRV2 (Provinciale Ruimtelijke Verordening). In de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (PRS) staat het beleid voor de bescherming van gebieden buiten het NNN, zoals leefgebieden van de weidevogels en de waterparels. De afweging voor ingrepen in het NNN gaat volgens het “nee, tenzij-principe”. In onderstaand schema (figuur 4.1) is dit stapsgewijs weergegeven. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNNgebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd.

Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNN-gebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. In de provincie Utrecht is toetsing van effecten door externe werking op het NNN niet van toepassing. Een “nee, tenzij-toets” behoeft alleen te worden doorlopen indien er sprake is van een RO-procedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het plangebied.

Figuur 4.1 Het ’nee, tenzij’-principe van het compensatiebeginsel.

4.2 Inventarisatie Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN of binnen overige, door de provincie Utrecht aangewezen, beschermde gebieden. Deze gebieden liggen wel in de 2

Provincie Utrecht. Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 Provincie Utrecht (Herijking 2016). Vastgesteld door Provinciale Staten van Utrecht in de vergadering van 12 december 2016. d.d. 19 januari 2017. Referentienummer: 81A2D63B.

20 (24)

omgeving van het plangebied. Op een afstand van circa 500 meter liggen gebieden die zijn aangewezen als Groene contour en Oude boskernen (zie figuur 4.2).

Figuur 4.2 Ligging van het plangebied (rood omkaderd) en opzichte van (links) het NNN (groen gearceerd) en (rechts) de groente contour (donker groen), oude boskern/groeiplaats (licht blauw) en natuurparel (licht groen)

4.3 Analyse van de mogelijke effecten Het plangebied bevindt zich niet binnen de begrenzing van het NNN. In provincie Utrecht zijn effecten vanuit externe werking op (gebieden buiten) het NNN tevens niet van toepassing. Er zijn met betrekking tot het NNN derhalve geen belemmeringen vanuit provinciaal natuurbeleid aan de orde en het nemen van nadere vervolgstappen is niet noodzakelijk. 4.4 Conclusie Er zijn met betrekking tot het NNN geen belemmeringen vanuit provinciaal natuurbeleid aan de orde en het nemen van nadere vervolgstappen is niet noodzakelijk.

21 (24)

5

Conclusies

5.1 Natura 2000 De beoogde ontwikkeling resulteert niet in een oppervlakteverlies van Natura 2000gebieden, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging, verdroging, verstoring door verlichting, verstoring door mechanische effecten. Mogelijk veroorzaakt de inzet van materieel een toename in stikstofdepositie in eerdergenoemde N2000-gebieden in de aanlegfase en een verhoging van het aantal verkeersbewegingen een toename in de gebruiksfase. Om de hoeveelheid en verspreiding van de stikstofdepositie te bepalen, dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Hieruit kan naar voren komen dat het uitvoeren van een projectspecifieke beoordeling noodzakelijk is. 5.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming biedt mogelijk belemmeringen voor de haalbaarheid van het nieuwe bestemmingsplan ten behoeve van het IKC. Er zijn soorten te verwachten binnen (de invloedssfeer van) het plangebied die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en die mogelijkerwijs negatief beïnvloed worden. Dit betreft de volgende beschermde soorten en/of functies van het plangebied: Kleine marterachtigen Het plangebied heeft mogelijk een functie als leefgebied voor kleine marterachtigen (beschermingsregime Andere soorten artikel 3.10 Wnb). Met name de takkenrillen in de tuin van het IVN gebouw zijn hierbij mogelijk essentieel.

Omdat bij de realisatie deze takkenrillen verwijderd zullen worden, achten wij nader onderzoek naar de daadwerkelijke functionaliteit noodzakelijk. Houdt hierbij rekening met een onderzoeksperiode van zes weken in de periode maart tot en met augustus of van twaalf weken buiten deze periode. Vogels Het IVN-gebouw heeft mogelijk een functie als nestplaats van huismus en gierzwaluw. Het speelveld heeft daarbij mogelijk een functie als leefgebied voor huismus. Nestplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Omdat bij de realisatie van het IKC sloop van het IVN-gebouw aan de orde is, dient de daadwerkelijke functionaliteit van het IVN-gebouw nader te worden onderzocht. Onderzoek naar huismus en gierzwaluw vinden respectievelijk plaats in de periode begin mei tot half juni en half mei tot half juli. Vleermuizen Het IVN-gebouw heeft mogelijk een functie als verblijfplaats voor vleermuizen. Evenals bij vogels dient de daadwerkelijk functionaliteit van het gebouw te worden onderzocht voordat sloopwerkzaamheden kunnen aanvangen. Houdt hierbij rekening met een tweetal onderzoeksperiodes gericht op verblijfplaatsen, namelijk: zomer/kraamverblijfplaats (half mei tot half juli) en paarverblijfplaats (half augustus tot half oktober).

Overig Naast bepalingen voor specifiek aangewezen soorten geldt krachtens artikel 1.11 (lid 1 & 2) van de Wet natuurbescherming, de algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten alsmede voor hun directe leefomgeving. Via deze wet wordt eenieder medeverantwoordelijk gesteld voor de zorg en bescherming van flora en fauna. Men dient hierdoor geen handelingen uit te voeren die opzettelijk soorten kunnen verwonden of doden. Voor het IKC wordt nadrukkelijk ook aandacht gevraagd voor egel en ringslang.

22 (24)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11525545/1