3.a1. Vaststelling bestemmingsplan IKC Franse Gat-toelichting
Tekst van het document
Energieneutraal en circulair
Het gebouw wordt circulair gebouwd. Het IKC wordt zonder gasaansluiting gebouwd. De vraag is wat voor energievoorziening er getroffen gaat worden. Zonnepanelen zijn een mogelijkheid of welllicht een warmtewisselaar of -pomp. Een systeem met WarmteKoudeOpslag (WKO) uit de diepere grondlagen is hoogstwaarschijnlijk niet mogelijk, omdat de hele locatie in een bodembeschermingszone ligt. Dit geldt voor een groot deel van het Franse Gat. Nader onderzoek kan uitsluitsel geven over mogelijkheden voor energie. 4.2.5
Entrees
Het gebouw kan aan meerdere zijden entrees krijgen, behalve aan de Aard de Gelderstraat in verband met woningen aan de overzijde. In het ontwerp zal bepaald moeten worden waar de benodigde entrees liggen: van de twee scholen en van de kinderdagopvang. 4.2.6
Bergruimte, fietsenstalling en afvalinzameling
Als bergruimte voor speeltoestellen, overdekte fietsenstalling voor het personeel en afvalinzameling gewenst is, dan dient die inpandig (in het hoofdgebouw) gerealiseerd te worden. Er mogen geen vrijstaande bijgebouwen of aangebouwde lage uitbouwen komen. Deze zijn niet gewenst in verband met benodigde overzichtelijkheid en sociale veiligheid. Aan de Aard de Gelderstaat en Fabritiusstraat kunnen fietsenstallingen voor leerlingen gerealiseerd worden. 4.2.7
Schoolplein, groen en openbare ruimte
Het schoolplein is onderdeel van de openbare ruimte en is ook openbaar toegankelijk. De bestaande openbare ruimte wordt heringericht. Uitgangspunt hierbij is een circulaire inrichting met klimaatadaptieve maatregelen en inpassing van bestaand (waar mogelijk) en nieuw groen. Voor de bereik- en zichtbaarheid van het speelterrein vanuit het IKC zal bestaande beplanting moeten verdwijnen.
bestemmingsplan
31
bestemmingsplan IKC Franse Gat
4.2.8
Spelen
De scholen zullen het bestaande speelveld tussen Fabricius- en Rubenstraat gebruiken als buitenruimte. Herinrichting van deze ruimte en van de randen kan nodig zijn. Wellicht dat in overleg met het IKC onderdelen op het speelveld aangepast moeten/kunnen worden. Het speelveld blijft sowieso beschikbaar als openbare speelplek. Voor de kinderdagopvang moet de ligging van een speelplek nog worden bepaald. 4.2.9
Klimaatadaptatie
In het kader van klimaatadaptatie is het gewenst om te kijken naar maatregelen om (regen)wateroverlast tegen te gaan en hittestress te voorkomen. Het eerste kan bijvoorbeeld door een groen (sedum) dak aan te brengen met een vertraagde afvoer van water en op het terrein zo min mogelijk (gesloten) verharding toe te passen. Verder dient de inrichting van het verharde terrein zodanig te zijn dat bij extreme regen het regenwater geborgen wordt in een voorziening (al dan niet in combinatie met infiltratie) of zich tijdelijk verzamelt op een plek van het terrein waar het niet leidt tot schade. Hittestress is tegen te gaan door groen op en aan het gebouw, maar ook schaduw van (bestaande) bomen draagt bij aan het tegen gaan van hitte. 4.2.10 Groen Enkele bestaande bomen op het perceel zullen moeten wijken. Uitgangspunt voor overige groen is het handhaven van waardevolle bomen. De bomen aan de zijde van de Bruïnestraat blijven. Aan de zijde van het speelveld zal gekeken moeten worden naar een goede aansluiting tussen IKC en de speelruimte. Dat betekent dat er wellicht groen, met name onder begroeiing, gesnoeid of verwijderd moet worden. Het moet een sociale veilige speelplek zijn, tijdens en na schooltijd. Bestaande bomen zo veel als mogelijk inpassen. Compensatie van groen dat plaats maakt voor bebouwing, verharding etc. is noodzakelijk.
De groencompensatie gaat plaatsvinden binnen het plangebied. 4.2.11 Riolering Het IKC komt tussen bestaande straten. In die straten liggen kabels, leidingen en riolering. Nader onderzoek zal moeten aantonen wat er in de ondergrond ligt en wat de beperkingen zijn. De nieuwbouw mag boven het bestaande riool in de Fabritiusstraat worden gerealiseerd, maar er zullen voorzieningen getroffen moeten worden om het riool te beschermen. 4.2.12 Hekken Rondom het huidige gebouw staat nu een hoog hek. Uitgangspunt voor nieuwe scholen in Veenendaal, en dus ook voor het IKC, is dat er geen hoge hekken om de scholen staan. Als er behoefte is om het terrein af te bakenen kan dat met een (lage) haag. Deze kan voorzien zijn van een transparante draagconstructie of staaldraad.
4.3
Uitgangspunten verkeer en mobiliteit IKC
Omdat verkeer en mobiliteit een belangrijk aspect is voor deze ontwikkeling is hiervoor een aparte paragraaf opgenomen. Door Royal Haskoning is een notitie mobiliteitstoets uitgevoerd. Deze notitie is als Bijlage 7 bij toelichting gevoegd. Onderstaande toelichting is mede gebaseerd op deze notitie.
In het Integraal Huisvestingsplan (IHP) is de doelstelling opgenomen om basisscholen en kinderopvangen samen te voegen tot één Integraal Kind Centrum (IKC). Voor het Franse Gat wordt gezocht naar een locatie voor de realisatie van een IKC. Na een locatiestudie is ervoor gekozen om het nieuwe IKC te realiseren op de plek waar nu het Vereniging voor natuur- en milieueducatie (IVN) is gehuisvest. Het betreft de Karel Fabritiusstraat 3 te Veenendaal en ligt op ongeveer 250 meter van het wijkwinkelcentrum Franse Gat. In de Omgevingsvisie 2030 staat dat we woon schoolverplaatsingen met de auto ontmoedigen en streven naar auto luwe scholen. Verkeersveiligheid begint al in de kinderjaren: naarmate kinderen vaker met de fiets of te voet naar school gaan, leren zij beter omgaan met de
32
bestemmingsplan
bestemmingsplan IKC Franse Gat gevaren van het verkeer. Dit beleid is de basis voor de uitgangspunten voor de ontwikkeling van IKC’s in relatie tot mobiliteit. 4.3.1
Ontsluiting en parkeren
Het plangebied wordt ontsloten door de Karel Fabritiusstraat, Aart de Gelderstraat, Dr. Slotemaker de Bruïnestraat. Voor voetgangers is het mogelijk om vanuit alle windrichtingen het plangebied te berei-ken. Aan de Dr. Slotemaker de Bruïnestraat ligt van nature een lus om een groenstrook waar verkeer een rondje kan rijden. Deze aanwezige structuur maakt het mogelijk om dit in te richten als Kiss & Ride (K+R). Aan de Karel Fabritiusstraat en Adriaen van Ostadelaan liggen openbare parkeerplaatsen (p.p.). Omdat de kerk voornamelijk op zondagen bezocht wordt, kunnen deze p.p. de rest van de week door andere functies in de omgeving (lees: onderwijs) (dubbel) gebruikt worden. Voor het personeel liggen er p.p. aan de Adriaen van Ostadelaan ter hoogte van de Patrimoniumlaan. Om de verschillende verkeersstromen van elkaar te scheiden leent het zich om de fietsparkeervoorzieningen aan de Karel Fabritiusstraat en Aart de Gelderstraat te realiseren. Deze locatie is uitermate geschikt voor het IKC om de aanwezige infrastructuur (dubbel) te gebruiken. Hierdoor wordt er invulling gegeven aan de motie van de gemeenteraad.
4.3.2
Onderzoek naar doorstroming, parkeren en verkeersveiligheid
De gemeente Veenendaal heeft aan Royal Haskoning DHV gevraagd om onderzoek te doen naar de verkeer aantrekkende werking van het IKC en de impact die dit heeft op parkeren en de doorstroming. Op het gebied van doorstroming wordt er geconcludeerd dat er geen problemen te verwachten zijn door de verkeer aantrekkende werking van het IKC. Eenzelfde conclusie wordt getrokken voor het parkeren, waarbij er voldoende parkeergelegenheid in de nabije omgeving is (tijdens de schouw was 30% tot 50% bezet). Uitgagnspunt is dat we een verkeersluwe school willen. Dit betekent dat we de auto niet gaan faciliteren. Aan de zijde van de Bruïnestraat vindt de ontsluiting voor de fietsers plaats. Daarnaast is onderzocht of er aanvullende maatregelen nodig zijn voor voetgangers en fietsers rond het IKC. Voetgangers en fietsers zijn gebaat bij lager autogebruik en gescheiden verkeersstromen, waardoor de kans op conflicten afneemt. Dit kan gerealiseerd worden door de fietsers via de Bruïnestraat te ontsluiten (met fietsparkeren) en het autoverkeer voor met name de kinderopvang via de Karel Fabritiusstraat te ontsluiten. Het bieden van de juiste faciliteiten voor wachtende ouders, fietsparkeerders en voetgangers kan ervoor
bestemmingsplan
33
bestemmingsplan IKC Franse Gat zorgen dat het autogebruik verminderd. Het aanwijzen en inrichten van een schoolzone met passend straatmeubilair zorgt voor herkenbaarheid en een hogere attentiewaarde. Hierdoor zijn weggebruikers voorzichtiger en dit komt ten goede aan de verkeersveiligheid in de schoolomgeving. 4.3.3
Mobiliteitsbeleid scholen
Het verplaatsingsgedrag van het personeel dat werkzaam is bij de scholen wordt door een groot aantal factoren bepaald: woonplaats, route tussen huis en werkplek, mogelijkheden om op de werklocatie te komen en P&O-beleid van de scholen. Om zoveel mogelijk werknemers met de fiets of het openbaar vervoer te laten reizen is het van belang dat het P&O beleid van de scholen voorziet in goede arbeidsvoorwaarden die verplaatsingen met de fiets en het openbaar vervoer stimuleert. Denk bijvoorbeeld aan een kostenvergoeding voor reizen met het openbaar vervoer, de aanschaf van een fiets, leasefiets regeling, en parkeren op afstand met de auto. Het is de verwachting dat de meeste werknemers in ook in Veenendaal en omgeving woonachtig is. Om een autoluwe en veilige schoolomgeving te realiseren is het van belang dat de meeste medewerkers met de fiets naar het werk komen. Hiervoor zullen voldoende fiets parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden, waarbij de fiets veilig en beschut geparkeerd kan worden. De gemeente zal hierover in gesprek gaan met de scholen en afspraken maken om het fietsen van en naar het IKC te stimuleren. 4.3.4
Fietsers
Fietsers kunnen via de A. de Gelderstraat en Fabritiusstraat naar het IKC komen. Aan die zijden kan een niet overdekte fietsenstalling worden gemaakt. Het idee is de bestaande parkeerplaatsen in de Fabritiusstraat te gebruiken voor fietsers door de week en in het weekend voor de kerk. Als een overdekte fietsenstalling gewenst is, dan dient die inpandig (in het hoofdgebouw) gerealiseerd te worden. Bij verdere uitwerking zal een plek moeten worden aangegeven voor opstellen van wachtende ouders met hun fietsen. 4.3.5
Voetgangers
Aan de zijde van de A. de Gelderstraat ontbreekt nu een voetpad aan de oostzijde. Voor goede en veilige looproutes zullen trottoirs aangelegd moeten worden. Bijvoorbeeld aan de westzijde van het speelveld. Daar is nu geen voetpad. Een nieuw pad kan achter de parkeerplaatsen liggen, daarbij zal naar een inpassing met groen gekeken worden. Bij verdere uitwerking zal gekeken moeten worden of maatregelen om het IKC veilig te bereiken nodig zijn, voor voetgangers, fietsers en auto’s. 4.3.6
Benodigde aanpassingen
Om de plannen te verwezenlijken zullen er een aantal aanpassingen aan de openbare ruimte gemaakt moeten worden. De grootste aanpassingen zullen aan de Karel Fabritiusstraat plaatsvinden. Op dit moment is deze straat een doorgaande route voor fietsers en wandelaars. Voor auto’s is de straat alleen te bereiken via de Adriaen van Ostadelaan en is doodlopend. Het doodlopende deel vormt straks de verbinding tussen het IKC en het groene park wat ernaast ligt. Dit deel leent zich uitstekend om als fietsparkeervoorziening te fungeren voor schoolgaande kinderen en personeel. Dit betekent dat de inrichting zal moeten veranderen van openbaar toegankelijk pad naar fietsparkeervoorziening en pleinfunctie tussen ingang IKC, het park en de fietsparkeervoorzieningen. Op de Aart de Gelderstraat staan woningen aan de westkant van de straat. Om ervoor te zorgen dat deze woningen geen last ondervinden van toenemend autoverkeer, kan het een optie zijn om een deel van deze straat af te sluiten voor inkomend gemotoriseerd verkeer gedurende de begin- en eindtijden van de schooldag. Dit zal in samenspraak met de IKC en bewoners moeten gebeuren. Een groot deel van de parkeerplaatsen aan de lus aan het Dr. Slotemaker de Bruïnestraat zal komen te vervallen. De parkeerplaatsen aan de Aart de Gelderstraat blijven behouden.
Door het realiseren van het IKC aan de Karel Fabritiusstraat zal het naar verwachting in dit deel van het Franse Gat drukker worden. Hierbij zal er gedacht moeten worden aan meer auto- en/of fietsverkeer over de Dr. Slotemaker de Bruïnestraat, Adriaen van Ostadelaan, Patrimoniumlaan, Klaas Katerstraat en Bergstraat. Naar verwachting zal deze toename niet tot problemen leiden. De benodigde aanpassingen zoals hierboven beschreven komen overeen met de conclusie en zijn in lijn met de aanbevelingen uit het onderzoek van Royal Haskoning DHV naar de doorstroming, parkeren en
34
bestemmingsplan
bestemmingsplan IKC Franse Gat verkeersveiligheid.
bestemmingsplan
35
bestemmingsplan IKC Franse Gat
Hoofdstuk 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
In dit hoofdstuk worden de relevante milieu- en omgevingsaspecten voor de ontwikkeling van de planlocatie beschreven. Het gaat hierbij om de aspecten natuur, water, archeologie, bodem, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Voor ieder aspect is een onderzoek of toets uitgevoerd.
5.1
Bodem
Bij bodem wordt onderscheid gemaakt in de fysische en de chemische bodemkwaliteit. De fysische bodemkwaliteit heeft betrekking op de opbouw en samenstelling van de bodem. Denk hierbij aan draagkracht en in de bodem aanwezige voorwerpen, zoals archeologische vondsten.
5.1.1
Besluit ruimtelijke ordening (Bro)
Volgens het Bro zullen burgemeester en wethouders in verband met de uitvoerbaarheid van het plan onder meer een onderzoek verrichten naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op daarvoor geschikte gronden te worden gerealiseerd.
5.1.2
Wet bodembescherming
De Wet Bodembescherming bevat de voorwaarden die kunnen en worden verbonden aan het verrichten van handelingen in of op de bodem. Primair komt bescherming en sanering in de wet aan bod. De wet heeft betrekking op zowel landbodems als waterbodems. De Wet bodembescherming geeft aan wanneer er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en of er dan ook gesaneerd moet worden (saneringsnoodzaak). De hoeveelheid grond dan wel grondwater (beide in m³) en de mate van vervuiling, gemiddeld boven de interventiewaarde, zijn de criteria voor een geval van ernstige bodemverontreiniging. De interventiewaarde is de waarde, waarboven er mogelijk sprake is van humane, ecologische of verspreidingsrisico's. De urgentie van sanering wordt bepaald door de geplande projectontwikkeling. Voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging is er bij niet gewijzigd grondgebruik soms geen noodzaak tot saneren. Voorbeelden zijn voormalige stortplaatsen en kleine verontreinigingen in het diepere grondwater. De gevallen van ernstige bodemverontreinigingen zijn door de Gemeente Veenendaal in beeld gebracht. In een aantal gevallen is in een beschikking Wet bodembescherming aangegeven wat er met een geval van ernstige bodemverontreiniging moet gebeuren. Nadat er is gesaneerd, kunnen er restverontreinigingen aanwezig zijn. Soms zijn er gebruiksbeperkingen. 5.1.3
Besluit bodemkwaliteit
Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is te voorkomen dat de bodem (grond en grondwater) en het oppervlaktewater verontreinigd worden door het gebruik van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Daarnaast wordt gestreefd naar hergebruik van grondstoffen, zodat minder materiaal wordt gestort en minder nieuwe grondstoffen hoeven te worden gewonnen. In het besluit zijn regels opgenomen over kwaliteitsborging, bouwstoffen, grond en baggerspecie. Grondverzet kan plaatsvinden conform het Besluit Bodemkwaliteit.
36
bestemmingsplan
bestemmingsplan IKC Franse Gat
5.1.4
Bodemonderzoek
Aanleiding voor het uitvoeren van het verkennend bodemonderzoek is de voorgenomen herinrichting van de locatie en uitgifte voor gebruik als een Integraal Kind Centrum (IKC) met de bestemming Maatschappelijk. In verband hiermee is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) noodzakelijk. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie. Op basis van de onderzoeksresultaten moet worden vastgesteld of de gewenste vorm van bodemgebruik, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, mogelijk is en zo niet, welke vervolgacties noodzakelijk zijn. Het verkennend bodemonderzoek geeft inzicht in de algemene bodemkwaliteit. Het onderzoek is niet bedoeld om de exacte aard en omvang van een eventuele verontreiniging aan te geven. Voor het verkennend bodemonderzoek is gebruik gemaakt van de volgende onderzoeksnormen: NEN 5725:2017 nl – bodem – Landbodem – strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek; NEN 5740:2009+A1:2016 nl – Bodem -Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond; NEN 5707+C2:2017 nl – Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond. Voor de inhoud van de het onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 9 Bodemonderzoek.
5.1.4.1 Vooronderzoek Uit de verzamelde informatie zijn de onderstaande conclusies getrokken over de te verwachten bodemkwaliteit. De locatie is gelegen binnen de wijk Franse Gat in Veenendaal waarvan bekend is dat delen in het verleden zijn opgehoogd met afval. De bebouwing is afkomstig uit 1962 en op basis hiervan is de locatie verdacht op asbest. Op de locatie was een ondergrondse tank aanwezig welke is gereinigd en afgevuld, maar hier is geen verdere documentatie van beschikbaar. Ook ligt binnen de locatie een vermoedelijk gedempte sloot, al is deze niet teruggevonden op de doorgenomen historische kaarten. Op basis van de bodemkwaliteitskaart wordt verwacht dat de bodemkwaliteit voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse Wonen. Van Veenendaal is echter bekend dat de bodemkwaliteit zeer heterogeen is. Bij bodemonderzoek op een nabijgelegen locatie zijn diverse lichte verontreinigingen aangetoond. Op de locatie zelf is voor zover bekend nooit bodemonderzoek uitgevoerd. Bij het historisch onderzoek zijn ten aanzien van PFAS geen potentiele risico-activiteiten geconstateerd. 5.1.4.2 Onderzoeksresultaten Tijdens de uitvoering van het veldwerk zijn in één boring (B02) bijmengingen waargenomen. Deze bestonden uit baksteen en glas. Er is geen directe bron bekend van deze bijmengingen op basis van het vooronderzoek, maar mogelijk zijn deze afkomstig van werkzaamheden aan de bebouwing.
In de overige boringen zijn geen bijzonderheden waargenomen, ook niet bij de locatie van de voormalige ondergrondse tank. Er is ook geen asbestverdacht materiaal waargenomen. De mogelijke bijmengingen met afval en de mogelijke slootdemping uit het vooronderzoek zijn niet aangetroffen. De door de omgevingsdienst aangeleverde ligging van een vermoedelijke gedempte sloot is hiermee niet bevestigd. Dit komt overeen met de waarnemingen op de doorgenomen historische kaarten. De resultaten van de analyses komen overeen met de zintuiglijke waarnemingen. Alleen in het grondmonster van boring B02 zijn gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden, maar dit betreffen slechts zeer licht verhoogde gehalten. Waarschijnlijk zijn de licht verhoogde gehalten aan PCB, zink en lood gerelateerd aan de bijmengingen, gezien deze niet zijn aangetoond in de zintuiglijk schone mengmonsters. In het grondwater zijn alleen licht verhoogde gehalten aan barium aangetoond. Barium komt op veel plekken in Nederland in natuurlijk verhoogde gehalten voor in het grondwater en waarschijnlijk betreft het
bestemmingsplan
37
bestemmingsplan IKC Franse Gat ook hier een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde. In de geanalyseerde monsters is geen asbest aangetoond. 5.1.5
Conclusie
De hypothese van een verdachte locatie voor het gehele terrein is gezien de aangetoonde licht verhoogde gehalten strikt genomen bevestigd. Gezien het maximaal licht verhoogde gehalten betreft wordt aanvullend bodemonderzoek niet zinvol geacht. De resultaten van het verrichte bodemonderzoek vormen geen belemmering voor het geplande gebruik. De hypothese van een verdachte locatie voor de voormalige ondergrondse tank is niet bevestigd. Er zijn geen olie-waterreacties waargenomen en er is in zowel grond als grondwater geen minerale olie aangetoond. De vermoedelijke gedempte sloot, waarvan de mogelijke locatie is aangeleverd door de omgevingsdienst maar niet uit de beoordeling van historisch kaartmateriaal naar voren is gekomen, is niet aangetroffen. De hypothese van een verdachte locatie is niet bevestigd. Er zijn geen asbestverdachte materialen of bijmengingen waargenomen en er is geen asbest aangetoond in de geanalyseerde mengmonsters. Op basis van de hiervoor genoemd conclusies wordt de locatie vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het geplande gebruik.
5.1.6
Boringsvrije zone
Het plangebied ligt in de boringsvrije zone van het Vitens waterwingebied Veenendaal. De boringsvrije zone is een gebied rondom de grondwaterwinning Veenendaal. Deze grondwaterwinning is de bron van de drinkwatervoorziening voor o.a. de gemeente Veenendaal. In de boringsvrije zone beschermt een ondergrondse laag de onderliggende waterwinning. Om te voorkomen dat activiteiten (zoals het toepassen van bodemenergiesystemen) plaatsvinden die verontreiniging of lokale opwarming van het grondwater tot gevolg hebben, stelt de provincie Utrecht in haar Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht regels ter bescherming van de grondwaterkwaliteit voor de drinkwatervoorziening. Het betreft onder andere een verbod op boor-, grond- en funderingswerkzaamheden dieper dan 30 meter onder het maaiveld en het toepassen van bodemenergiesystemen. Onder voorwaarden zijn vrijstellingen op dit verbod mogelijk. Daarnaast geldt voor iedereen in het grondwaterbeschermingsgebied de bijzondere zorgplicht (art. 3.12 Interim Omgevingsvisie Provincie Utrecht). Dit houdt in dat verontreiniging van het grondwater moet worden voorkomen of, voor zover het niet kan worden voorkomen, zoveel mogelijk moet worden beperkt of ongedaan gemaakt. Het verdient aanbeveling dat ontwikkelingen worden afgestemd met het waterwinbedrijf.
5.2
Waterhuishouding
5.2.1
Wettelijk kader
Vanuit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geldt de verplichting tot het doorlopen van het watertoetsproces bij een bestemmingsplanwijziging. Binnen dit proces wordt een afweging gemaakt van het waterbelang binnen de ruimtelijke planprocessen. Ruimtelijke wijzigingen kunnen een aandeel leveren in het bevorderen van de waterkwaliteit, maar mogen zeker niet leiden tot verslechtering van de waterkwaliteit. Deze verplichte watertoets geldt alleen voor ruimtelijke besluiten waar sprake is van belangrijk ruimtelijke ingrepen. Daarnaast zijn er vanuit het waterschap een aantal gebiedsspecifieke aandachtspunten. Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het
38
bestemmingsplan
bestemmingsplan IKC Franse Gat waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. In de keur van Waterschap Vallei en Veluwe is bepaald dat er geen watercompenserende maatregelen nodig zijn als sprake is van een toename van minder dan 0,15 ha (1500 m²) verharding binnen het stedelijk gebied.
5.2.2
Toetsing bouwplan
In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A-watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat het plan geen essentiële waterbelangen raakt. Het waterschap heeft daarom een positief wateradvies gegeven, zie Bijlage 14 Watertoets.
5.2.3
Conclusie
Er zijn geen knelpunten voor de beoogde ontwikkeling op het gebied van waterhuishouding.
5.3
Externe veiligheid
Externe veiligheid is de kans om te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Beleid en regelgeving op dit gebied is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege: a. het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); b. het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, waterwegen en spoorwegen; c. het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Met betrekking tot risico's wordt onderscheid gemaakt in twee risicomaten: Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als het risico op een plaats buiten een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Binnen de wet- en regelgeving zijn aan deze definitie grens- en richtwaarden opgehangen ten aanzien van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
Het groepsrisico is gedefinieerd als cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. In wet- en regelgeving is aan het groepsrisico een oriënterende waarde toegekend als indicator voor de omvang van een ramp en een afwegingsproces gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, rampenbestrijding en resteffecten.
bestemmingsplan
39
bestemmingsplan IKC Franse Gat
5.3.1
Wettelijk kader
De regelgeving voor inrichtingen met (over het algemeen) grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen is samengebracht in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit Besluit is aangegeven welke bedrijven bij het verlenen van een milieuvergunning of het nemen van een besluit op grond van de Wro nadere aandacht behoeven. De wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid biedt geen absolute veiligheid. Een kleine kans op een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen wordt geacht tot het normaal maatschappelijk risico te behoren. Getracht wordt om door middel van regelgeving de gevolgen zo veel als mogelijk is te beperken. De regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen is neergelegd in het “Besluit transportroutes externe veiligheid”. Deze wetgeving verankert het zogenaamde Basisnet en daarmee is de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen per 01-04-2015 vervallen. Externe veiligheid in relatie tot transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) dat op 01-01-2011 in werking is getreden. 5.3.2
Toetsing bouwplan
Er bevinden zich geen relevante risicobronnen in de (directe) nabijheid van het perceel. Tevens bevinden er zich geen hoogspanningsmasten in of nabij het plangebied. Er zijn dus geen belemmeringen te verwachten ten aanzien van externe veiligheid. 5.3.3
Conclusie
Er zijn geen belemmeringen voor de ontwikkeling vanuit het aspect externe veiligheid.
5.4
Archeologie
5.4.1
Europees beleid
5.4.1.1 Verdrag van Malta Het verdrag van Malta is in 1992 door de Europese cultuurministers ondertekend. Het verdrag is opgesteld met als doel het Europees archeologische erfgoed te beschermen. Landen die het verdrag hebben ondertekend, zijn verplicht een aantal wettelijke en feitelijke voorzieningen te treffen om het archeologisch erfgoed te beschermen. Nederland heeft dit langs vier sporen gedaan: Behoud en bescherming van het archeologisch erfgoed op de plek waar het in de bodem ligt (in situ). Als behoud niet mogelijk is, moet de mogelijkheid er zijn om de archeologische waarden op te graven; Het tijdig betrekken van het archeologisch erfgoed in het ruimtelijke ontwikkelingsproces. Hiertoe behoren het tijdig uitvoeren van onderzoek, het ontzien van archeologische vindplaatsen en het ontwerpen van archeologievriendelijke bouw- en funderingstechnieken; De verstoorder betaalt. De noodzakelijke archeologische (voor)onderzoeken worden betaald door de initiatiefnemer van (bouw)werkzaamheden; Gemeenten en provincies krijgen een belangrijke rol in het proces van besluitvorming rond archeologisch erfgoed in hun ruimtelijke plannen en vergunningen.
40
bestemmingsplan
bestemmingsplan IKC Franse Gat
5.4.2
Nationaal beleid
5.4.2.1 Erfgoedwet 2016 Het verdrag van Malta is op 1 september 2007 geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving, door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg. Als gevolg hiervan is de Monumentenwet 1988 gewijzigd. Ingevolge de gewijzigde Monumentenwet 1988 moet de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening rekening houden met de in de grond aanwezige dan wel de te verwachten archeologische waarden. Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg voor een aanlegactiviteit of een bouwactiviteit een omgevingsvergunning verplicht worden gesteld. In de wet is opgenomen dat de bepalingen voor activiteiten ten dienste van de omgevingsvergunning, afwijken van het bestemmingsplan of slopen van een bouwwerk niet van toepassing zijn op projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m² Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden en vervangt daarmee de Monumentenwet 1988. In de Erfgoedwet worden zes wetten en regelingen gebundeld tot één wet op het gebied van cultureel erfgoed. Deze wet is niet gericht op de bescherming van vermoedelijk archeologische waarden, maar wel op de bescherming van monumenten, vindplaatsen en de vondsten. Uiteindelijk worden onderdelen die de fysieke leefomgeving betreffen, ondergebracht in de Omgevingswet (nog in ontwikkeling).
Vanaf het moment van invoering van de Erfgoedwet tot het moment van invoering van de Omgevingswet zijn deze onderdelen ondergebracht in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet, de monumentenverordening van de gemeente en dit bestemmingsplan beschrijven vervolgens de procedure. Deze wet heeft geen specifieke invloed in het bepalen van de archeologische verwachtingswaarden van de gronden binnen de gemeente. 5.4.3
Gemeentelijk beleid
5.4.3.1 Archeologisch beleid Op 30 september 2010 heeft de gemeenteraad het gemeentelijk beleid voor archeologie vastgesteld. Destijds is voor de onderbouwing van het beleid onderzoek gedaan naar cultuurhistorische kenmerken en archeologische waarden in Veenendaal. Dit onderzoek resulteerde in een aantal kaarten met daarop de archeologische waarden, verwachtingen en benodigde maatregelen weergegeven. Inmiddels is het archeologisch beleid toe aan actualisatie. Zo hebben de eerder genoemde kaarten inmiddels een update gehad. In de afgelopen 8 jaar zijn diverse archeologische onderzoeken binnen de gemeente uitgevoerd en zijn er nieuwe bronnen beschikbaar die relevant zijn voor de archeologische verwachting. Daarom is de archeologische beleidskaart uit 2010 geactualiseerd en heeft er een verfijning plaatsgevonden van het verwachtingenmodel. Dit is gebaseerd op: Nieuwe vindplaatsgegevens; Gerapporteerde resultaten van uitgevoerd archeologisch onderzoek; Een actualisatie van de historische nederzettingslocaties en de historische kern van Veenendaal; Een nieuwe kartering van de landschappelijke opbouw; Verwerking van aanvullende gegevens over bodemverstoring; Niet eerder meegenomen verwachting t.a.v. WOII en waterbodems. De herziene kaart verschilt op een aantal punten flink van de kaart uit 2010.
In feite is het landschap opnieuw gekarteerd, gebruikmakend van gedetailleerde gegevens en recent beschikbaar gekomen bronnen (als het Actueel Hoogtebestand Nederland: AHN). Het resultaat is een wetenschappelijk beter herleidbaar en toetsbaar product. Het gebied met een hoge verwachting rondom de “oude kern” is op basis van de gegevens over historische nederzettingslocaties ruimer dan op de bestaande verwachtingenkaart uit 2010. Ook zijn verspreid liggende oude woonplaatsen met attentiezone in beeld gebracht die verband houden met de stichting van Veenendaal en de daarop volgende veenontginning. Daarnaast zijn gegevens beschikbaar over de Tweede Wereldoorlog waarbij het gaat om kazematten, tankversperringen, loopgraven, wapenopstellingen etc. Voor wat betreft de overige verwachtingscategorieën zijn er kleine verschuivingen ten opzichte van de huidige kaart. Dit is het gevolg van de verfijning en de meer gedetailleerde gegevens. Op basis van de in 2010 opgestelde beleidskaart en de geactualiseerde verwachtingskaart is in
bestemmingsplan
41
bestemmingsplan IKC Franse Gat samenspraak tussen RAAP, de gemeente en de archeologisch adviseur van de gemeente besloten de volgende categorieën te onderscheiden: AWV categorie 1: Gebieden met een zeer hoge archeologische verwachting Dit betreft de middeleeuwse kern van Veenendaal en historische (bewonings)locaties en locaties met militair erfgoed (uitgezonderd de anti-tankgracht). Streven naar behoud in huidige staat; inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 100 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm onder het maaiveld; AWV categorie 2: Gebieden met een hoge archeologische verwachting Naast gebieden waaraan op basis van de archelandschappelijke kartering een hoge verwachting is toegekend is aan deze categorie ook de zone met anti-tankgracht uit WOII toegekend.
Streven naar behoud in huidige staat; inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 1.000 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 50 cm onder het maaiveld; AWV categorie 3: Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting Streven naar behoud in huidige staat; inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 5.000 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 50 cm onder het maaiveld; AWV categorie 4: Gebieden met een lage archeologische verwachting Archeologisch onderzoek is alleen nodig bij MER-plichtige projecten; AWV categorie 5: Water met een archeologische relevantie Streven naar behoud in huidige staat indien archeologische resten aanwezig zijn; inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep in de waterbodem groter is dan 100 m²; AWV categorie 6: Gebieden zonder archeologische verwachting Er is geen archeologisch onderzoek nodig aangezien onderzoek reeds is uitgevoerd waarna het terrein is vrijgegeven, dan wel dat de ondergrond verstoord is tot onder het archeologisch relevante niveau; Attentiegebied: Gebieden met een specifieke verwachting voor resten uit de Tweede Wereldoorlog Aan deze gebieden is geen vrijstellingsbeleid gekoppeld.
De gebieden worden dan ook omlijnd weergegeven op de beleidskaart, zodat het beleid van de onderliggende (landschappelijke) verwachting geldt.
42
bestemmingsplan
bestemmingsplan IKC Franse Gat
Figuur 2 Archeologische beleidskaart 2019 5.4.4
Toetsing bouwplan
Het plangebied is gelegeven in het gebied met de waarde middelhoog. Inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 5.000 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 50 cm onder het maaiveld. Er is geen sprake van een ingreep groter dan 5.000m². 5.4.5
Conclusie
Er zijn geen belemmeringen voor de ontwikkeling vanuit het aspect archeologie.
bestemmingsplan
43
bestemmingsplan IKC Franse Gat
5.5
Cultuurhistorie
5.5.1
Wettelijk kader
In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
5.5.2
Cultuurhistorischekenmerken
In 2018 is de cultuurhistorische waardenkaart door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit kenmerkenkaarten voor de disciplines landschap en gebouwde omgeving, uit waardenkaarten voor diezelfde aspecten, uit een viertal themakaarten en uit een integrale ensemblekaart, waarop de gebieden die staan die – samen met de sectorale landschappelijke en gebouwde kaarten – het palet aan cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Veenendaal laten zien. De thema’s waarop in het bijzonder ingezoomd is, zijn vervening, industrie, religie en militair erfgoed. Deze vier thema’s vormen een belangrijk deel van het ‘verhaal van Veenendaal’, waarvan in wisselende hoeveelheden ook nog relicten in het huidige Veenendaal – ondergronds, landschappelijk of gebouwd – terug te vinden zijn. 5.5.3
Toetsing bouwplan
Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart zijn 37 geselecteerde (steden)bouwkundige ensembles aangewezen. Deze ensembles zijn karakteristieke gebieden, die representatief zijn voor de belangrijke momenten in de stedenbouwkundige en ruimtelijke ontwikkeling van Veenendaal. In de ensembles bevinden zich rijks- of gemeentelijke monumenten en/of in de waardenkaart opgenomen overige karakteristieke bebouwing.Het gebied rond Doctor Colijnstraat valt binnen 1 van deze ensembles (Doctor Colijnstraat(16)). Doctor Colijnstraat (16) Kleine buurt binnen de grotere wederopbouwwijk Het Franse Gat, bestaande uit een zone met enkele wijkvoorzieningen in het groen, te weten twee markante vroeg naoorlogse kerken, de RK Sint-Salvatorkerk uit 1954 en de Sionkerk uit 1964, en twee schoolgebouwen, Patrimoniumlaan 128 (1954) en Gerard Terborchstraat 21 (1964). Kerken en scholen liggen aan een groot plantsoen aan de Adriaen van Ostadelaan. De groenaanleg gecombineerd met wijkvoorzieningen is door de structuur en de invulling zeer kenmerkend voor de wederopbouwperiode. De bebouwing op het perceel zelf is niet aangewezen als monument of als cultuurhistorisch waardevol. 5.5.4
Conclusie
Aangezien de bebouwing en inrichting van het perceel niet als monument of al cultuurhistorisch waardevol zijn aangewezen, vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering.
5.6
Conventionele explosieven
Het is bekend dat in de gemeente Veenendaal tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen zijn geweest. Dit houdt in dat er op plaatsen mogelijk conventionele explosieven in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Uit de praktijk is gebleken dat circa 10% van de afgeworpen bommen niet is geëxplodeerd en in de bodem is achtergebleven als blindganger. De gemeente Veenendaal heeft in mei 2018 beleid ten aanzien van conventionele explosieven vastgesteld. Door het vaststellen van een gemeentelijk beleid wordt geborgd dat activiteiten met betrekking tot CE binnen de gemeente worden getoetst en daar waar nodig beheersmaatregelen kunnen worden genomen en/of voorgeschreven. Het beleid is tevens bedoeld om eenieder die van plan is grondroerende werkzaamheden binnen de gemeente uit te voeren, te verplichten de benodigde acties te ondernemen met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid en risico's van CE op de betreffende locatie.
44
bestemmingsplan
bestemmingsplan IKC Franse Gat
Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) CE wordt alleen uitgevoerd om het risico met betrekking tot CE weg te nemen, en daarmee een veilige werkomgeving en leefomgeving te creëren tijdens uit te voeren werkzaamheden of activiteiten. Dit is ook de reden dat de gemeente Veenendaal altijd ingelicht moet worden als er projectmatig bodemroerende activiteiten plaatsvinden binnen gebieden die als verdacht zijn aangemerkt. Voor het gehele grondgebied van de gemeente Veenendaal is een vooronderzoek uitgevoerd waarbij de kans op aanweizigheid van CE is bepaald. Dit heeft geresulteerd in een CE bodembelastigkaart. Deze kaart laat een tweedimensionele afbakening zien van de primair "verdachte" gebieden, naar de situatie ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Onverdacht houdt niet in dat er in het betreffende gebied geen CE achtergebleven kan zijn, maar dat dit niet kan worden aangetoond aan de hand van historisch feitenmateriaal. Daarom werkt de gemeente Veenendaal binnen alle onverdachte gebieden conform het protocol "Toevalsvondst". Hierin is aangegeven op welke wijze dient te worden omgegaan met het aantreffen van een (vermoedelijk) CE. 5.6.1
Toetsing bouwplan
Uit de CE bodembelastingkaart komt naar voren dat het plangebied geen deel uitmaakt van een op CE verdacht gebied. 5.6.2
Conclusie
Het aspect conventionele explosieven zorgt niet voor belemmeringen ten aanzien van het realiseren van het plan.
5.7
Ecologie
5.7.1
Wettelijk kader
Voor ecologie moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met soortbescherming gericht en met gebiedsbescherming. De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming zorgt voor een goede natuurbescherming van planten- en diersoorten, natura 2000-gebieden, en bossen. Sommige plant- en diersoorten worden beschermd omdat ze als kwetsbaar worden gekenmerkt. De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet, en de Flora- en Faunawet zijn vanaf 1 januari 2017 opgenomen in de Wet natuurbescherming. De provincie is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierin worden de soortbescherming en de gebiedsbescherming nader belicht omdat beide voor het bestemmingsplan van belang zijn. De regels die voorheen in de Boswet waren opgenomen zijn binnen het plangebied niet van toepassing omdat het gehele gebied binnen de bebouwde kom ligt. Een nadere beschrijving van dit deel van de wet is dan ook niet opgenomen. Soortbescherming Een belangrijk doel van de wet is het beschermen van alle soorten planten- en dieren die in het wild in Nederland voorkomen. De wet gebiedt dat alle in het wild levende dieren en planten in principe met rust worden gelaten, wat is vastgelegd in de algemene zorgplicht. In de regelgeving heeft de gunstige staat van in stand houding van soorten een prominentere plek gekregen.
De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Provincies hebben de mogelijkheid om voor bepaalde soorten aanvullende maatregelen vast te stellen. De provincie Utrecht heeft hiervoor al een lijst opgesteld met prioritaire soorten en aanvullende maartregelen per soort. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is van toepassing op natuurgebieden die door de overheid zijn aangewezen in het kader van de vogelrichtlijn en/of de habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn richt zich op de bescherming van natuurlijke habitats en leefgebieden van aangewezen planten- en dierensoorten. De Vogelrichtlijn bestemmingsplan
45
bestemmingsplan IKC Franse Gat richt zich op de bescherming van leefgebied van beschermde vogelsoorten. Belangrijk is dat ruimtelijke projecten niet zonder meer mogen worden gerealiseerd in beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Projecten die in de nabijheid van beschermde natuurgebieden (inclusief de Habitatrichtlijngebieden) worden geprojecteerd, dienen te worden getoetst op de mogelijke negatieve effecten die zij op deze gebieden kunnen hebben (externe werking). Indien een negatief effect vermoed wordt dan moet bij de Provincie een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd worden. De Provincie zal naar aanleiding van de aanvraag een beschikking opstellen. De beschikking kan een verbod van het project betekenen of voorwaarden verbinden aan de uitvoer. De Wet natuurbescherming beschermt geen gebieden buiten de natura 2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland Naast de volgens de wet aangewezen gebieden kent Nederland het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). Het NNN is bedoeld voor het ontwikkelen van ecologische zones tussen verschillende natuurgebieden zodat populaties met elkaar in verbinding blijven en versnippering van natuur wordt tegen gegaan. Het is uiteraard niet wenselijk dat een ontwikkeling een verstorende werking heeft op de functie van deze verbindingszones.
Deze zones zijn niet beschermd volgens de Wet natuurbescherming maar krijgen planologische bescherming doordat deze in bestemmingsplannen worden opgenomen. Projecten en bestemmingsplannen worden getoetst aan dit provinciale beleid.
5.7.2
Toetsing bouwplan
Door Sweco is een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 6. In het onderzoek is zowel aandacht besteed aan gebiedsbescherming als aan soortbescherming. Beide onderdelen zijn voldoende behandeld en de conclusies uit het rapport kloppen. Uit het verkennend onderzoek blijkt dat nadere onderzoeken noodzakelijk zijn. Hierbij gaat het om onderstaande soorten: kleine marterachtigen; Vleermuizen; Huismus; Gierzwaluw. Deze vervolgonderzoeken worden in de periode mei t/m september 2021 uitgevoerd. De conclusies worden verwerkt in het ontwerp bestemmingsplan. 5.7.3
Vervolgonderzoek
Op basis van het verkennend natuuronderzoek heeft Sweco in de periode mei 2021 t/m oktober 2021 vervolg onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 5. Op basis van de uitgevoerde soortgerichte onderzoeken is gebleken dat het plangebied geen(essentiële) functie heeft voor (kleine) marterachtigen, gierzwaluwen en huismus. Ook vormen deplangebieden geen essentieel leefgebied voor huismussen uit de omgeving. Er zijn derhalve geenbelemmeringen vanuit de Wet natuurbescherming voor wat betreft deze soorten en het aanvragenvan ontheffingen voor deze soorten is niet noodzakelijk. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan komt voor wat betreft deze soorten niet in het geding. Echter is middels het vleermuisonderzoek de aanwezigheid van een zomer- en paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis vastgesteld. Met de sloop van het IVN-pand wordt deze verblijfplaatsaangetast. De gewone dwergvleermuis is een Habitatrichtlijnsoort en daarmee beschermd op grond van artikel 3.5. Met het aantasten van vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van de gewonedwergvleermuis worden verbodsbepalingen zoals genoemd in artikel 3.5, lid 2 en 4 overtreden. Hiervoor is ontheffing noodzakelijk.
De aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied staatde uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan echter niet in de weg; de aan te vragen ontheffing opgrond van de Wet natuurbescherming wordt op voorhand verleenbaar geacht. Het verlies van een zomer- en paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis is relatief makkelijk te compenseren zonder dat de lokale staat van instandhouding in het geding komt.
46
bestemmingsplan
bestemmingsplan IKC Franse Gat
In aanvulling op het bovenstaande geldt er krachtens artikel 1.11 (Wnb) de algemene Zorgplicht. Deze stelt dat eenieder medeverantwoordelijk gesteld wordt voor de zorg en bescherming van alle in het wild voorkomende flora en fauna. Men dient hierdoor geen handelingen uit te voeren die opzettelijk soorten kunnen verwonden of doden. Speciale aandacht met betrekking tot de Zorgplicht wordt gevraagd voor de egel en de in de vijver voorkomende amfibieën: Binnen het plangebied is de aanwezigheid van egel vastgesteld. De tuin van het IVN maakt zeerwaarschijnlijk deel uit van zijn leefgebied en mogelijk heeft de egel hier zijn verblijfplaats. Ondanks dat dit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, adviseren wij de maatregelen zoals beschreven in paragraaf 3.5.1 uit te voeren omdat het landelijk zeer slecht gesteld is met de egel; De vijver in de tuin van het IVN is van goede kwaliteit. Tijdens de zomerperiode is zeer veel voortplantingsactiviteit waargenomen van bruine kikker en groene kikker. Het is ook zeer aannemelijk dat de vijver wordt gebruikt als voortplantingswater voor kleine watersalamander. Ondanks dat dit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan adviseren wij, in het kader van de Zorgplicht, de vijver te ruimen buiten de kwetsbare periode van deze amfibieën.
Tijdens de uitvoering moet tevens rekening gehouden worden met het broedseizoen van vogels. In de opgaande beplanting en in de bebouwing kunnen vogels gaan broeden. Alle broedende vogels zijn beschermd op grond van de Wet natuurbescherming en in gebruik zijnde nesten mogen niet aangetast worden. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot augustus. Afhankelijk van de aanwezige soorten en lokale meteorologische omstandigheden, kan deze periode eerder of later beginnen en eindigen. Werkzaamheden die in gebruik zijnde nesten kunnen verstoren of aantastenmogen niet plaatsvinden. Indien werkzaamheden niet tot na het broedseizoen kunnen wachtenkunnen voor aanvang van het broedseizoen de mogelijke nestplaatsen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt worden. 5.7.4
Conclusie
Het aspect ecologie staat de realisatie van het IKC niet in de weg. De aan te vragen ontheffing opgrond van de Wet natuurbescherming wordt op voorhand verleenbaar geacht. Deze procedure dient afzonderlijk doorlopen te worden.
5.8
Aerius berekening
Voor de herziening van het bestemmingsplan zijn de effecten van het plan op de stikstofdepositie beoordeeld. Het gewijzigde plan geeft geen toename van de stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Hiermee zijn significante effecten op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten ten gevolge van stikstofdepositie uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie is daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Er zal tijdens de realisatiefase wel moeten worden voldaan aan de randvoorwaarden met betrekking tot de totale emissie (NO X en NH 3 ) van het in te zetten materieel zoals opgenomen in de hier beschreven uitgangspunten voor wat betreft de emissienormen en inzet in uren. Het onderzoek en aerius berekeningen zijn terug te lezen in Bijlage 11, Bijlage 12 en Bijlage 13.
5.9
Geluid
5.9.1
Wettelijk kader
Tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh) is een koppeling gelegd. Dat blijkt uit art. 76 en 76a van de Wgh. Dit betekent dat de geluidssituatie binnen het plangebied moet voldoen aan de voorwaarden uit de Wgh. Als nadere invulling van deze voorwaarden heeft de gemeente Veenendaal de beleidsregel hogere waarden Wgh opgesteld. In het kader van de Wet geluidhinder liggen er zones rond wegen en spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen. Wegen op een woonerf of met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen zone. Binnen een zone moet voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, onderzoek worden gedaan naar de geluidbelasting. Binnen de geluidszone geldt een
bestemmingsplan
47
bestemmingsplan IKC Franse Gat voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting ter plaatse van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. Hierbij geldt een afzonderlijke toetsing per weg, spoorweg of industrieterrein. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde moet worden onderzocht of geluid reducerende maatregelen getroffen kunnen worden, waarbij de volgorde bron- overdracht- en ontvangermaatregelen de voorkeur geniet. Beleidsregel hogere waarden Pas als blijkt dat niet aan de voorkeurswaarde kan worden voldaan kan het college van Burgemeester en Wethouders een hogere waarde verlenen (ontheffing van de voorkeurswaarde). Hierbij geldt wel een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde vast te stellen dienen bron- en overdrachtsmaatregelen afgewogen te worden. In deze beleidsregel worden randvoorwaarden genoemd voor het toestaan van hogere geluidsbelastingen dan de voorkeurswaarde. De voorwaarden zijn geformuleerd als eis of als inspanningsverplichting. Indien niet aan de inspanningsverplichting kan worden voldaan dient de initiatiefnemer te motiveren waarom dit niet kan of waarom voor een alternatieve oplossing is gekozen. 5.9.2
Toetsing bouwplan
Sweco Nederland B.V. heft een akoestischonderzoek uitgevoerd voor de nieuwbouw IKC. Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidzone van de Rondweg West. De geluidsbelasting op de gevels van de nieuwbouw veroorzaakt door wegverkeer is in dit rapport inzichtelijk gemaakt. 5.9.2.1 Nieuwbouw De geluidsbelasting ten gevolge van verkeer over de Rondweg West overschrijdt op degevels van het IKC de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van L den 48 dB niet. De hoogstberekende waarde is L den 35 dB ten gevolge van de Rondweg West. Deze waarde isinclusief correctie art. 3.4 uit het RMG 2012. Aanvullend onderzoek naar bron- en/of overdrachtsmaatregelen is daarom niet nodig. De geluidsbelasting ten gevolge van verkeer op de wegen waarvoor een wettelijke rijsnelheid geldt van 30 km/uur bedraagt op de gevels van de nieuwbouw ten hoogste54 dB. Deze waarde is exclusief correctie art. 3.4 uit het RMG 2012. Volgens de Wet geluidhinder blijven deze wegen buiten de beoordeling. De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 55 dB. Deze waarde is exclusie correctie art. 3.4 uit het RMG 2012. Vanwege de eis in artikel 3.2 van het Bouwbesluit is de karakteristieke geluidwering vooreen uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied minimaal 20 dB. Daarom zijn geluidsniveaus op de gevel van (33+20=) 53 dB of lager te accepteren zonder extrabouwkundige voorzieningen.
Dit betekent dat voor de verblijfsgebieden gelegen aan de gevel aan de ventweg van de Doctor Slotermaker de Bruïnestraat dient te worden aangetoond, dat een binnenniveau van 33 dB niet wordt overschreden. 5.9.3
Conclusie
Er hoeft geen hogere grenswaarde procedure te worden doorlopen. Het apect geluid is geen belemmering bij de uitvoerbaarheid van het plan.
5.10
Luchtkwaliteit
5.10.1 Wettelijk kader Voor luchtkwaliteit zijn de luchtkwaliteitseisen (hoofdstuk 5.2) van de Wet milieubeheer van kracht. Hierin is vastgelegd dat onder meer ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. Deze Wet is nader uitgewerkt in Besluiten en Regelingen, waarvan het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate (nibm), het Besluit gevoelige bestemmingen en de Regeling beoordeling de belangrijkste zijn. Daarnaast is ook het beginsel van een goede en duurzame ruimtelijke ordening van belang. Niet in betekenende mate (nibm) Alleen projecten die ‘in betekenende mate’ bijdragen aan de concentraties luchtvervuiling worden
48
bestemmingsplan
bestemmingsplan IKC Franse Gat getoetst aan de grenswaarden. Er dient te worden onderzocht of een project ‘in betekenende’ mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Het Besluit nibm bepaalt dat een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtvervuiling als deze minder dan 3% van de grenswaarde, ofwel 1,2 microgram per m3. De Regeling nibm is hier een nadere uitwerking van. Hierin is bepaald dat woningbouwprojecten tot 1.500 woningen en kantoren tot 100.000 m 2 zijn vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. Besluit gevoelige bestemmingen Kinderen, ouderen en zieken zijn gevoeliger voor luchtvervuiling en worden daarom extra beschermd. Op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen gelden voor gevoelige bestemmingen nabij wegen zwaardere beperkingen. Zo mogen binnen 300 meter van rijkswegen en 50 meter vanaf provinciale wegen geen bestemmingen voor langdurig verblijf als kinderdagverblijven, scholen of verzorgingstehuizen worden gebouwd, als de wettelijke grenswaarden worden overschreden. Het Besluit verplicht overheden om onderzoek uit te voeren naar de concentraties stikstofdioxide en fijn stof. Voor gemeentelijke wegen geldt een zwaardere motiveringsplicht. 5.10.2 Toetsing bouwplan De concentraties van stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof voldoen aan de wettelijke normen.
De huidige en toekomstige concentraties stikstofdioxide (NO 2 ), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) voldoen aan de Nederlandse normen. Hieronder is een tabel weergegeven met de huidige en toekomstige concentraties (afkomstig van de website van de ODRU).
De WHO heeft advieswaarden gepubliceerd voor de concentraties PM10 en PM2,5 waarboven schadelijke effecten op de gezondheid optreden. De GGD sluit zich aan bij deze waarden. De toekomstige concentraties van PM10 en PM2,5 voldoen nagenoeg aan deze advieswaarden. Dit is weergegeven in onderstaande tabel.
Omdat een school en kinderopvang een gevoelige bestemming is volgens het Besluit gevoelige bestemmingen, moet gekeken worden of de locatie binnen de onderzoekszone van een rijksweg of provinciale weg ligt. Wanneer de locatie binnen een onderzoekszone ligt, is een luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk. De toekomstige locatie van het IKC ligt niet binnen de onderzoekszone van een weg (binnen 50 meter van een provinciale weg en/of 300 meter van een rijksweg). Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk.
5.10.3 Conclusie Het huidige project is een dusdanig kleinschalig project dat het niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk.
bestemmingsplan
49
bestemmingsplan IKC Franse Gat
5.11
(vormvrije) M.e.r.-beoordeling
De voorgenomen ontwikkeling maakt de bouw van integraal kindcentrum binnen de bebouwde kom mogelijk. Dat betekent, dat het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt, zoals dat is bedoeld in categorie D.11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Deze activiteit betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Een stedelijk project valt onder een m.e.r.-beoordelingsplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Aangezien deze drempelwaarden niet worden overschreden geeft het Besluit milieueffectrapportage aanleiding om een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieueffecten. Op grond van artikel 2 lid 5 van het Besluit milieueffectrapportage moet het voornemen worden getoetst aan de criteria van Bijlage III van de Europese m.e.r. richtlijn. De beoordeling of het noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen is geheel afhankelijk van het feit of de specifieke omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen kunnen leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen.
Dit worden de 'bijzondere omstandigheden' genoemd. Om te beoordelen of een MER moet worden opgesteld, bekijkt het bevoegd gezag of er sprake is van bijzondere omstandigheden. De bijzondere omstandigheden kunnen betrekking hebben op: de kenmerken van de activiteit; de plaats waar de activiteit plaatsvindt; de samenhang met andere activiteiten ter plaatse (cumulatie); de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben. Kenmerken van de activiteit Het plan omvat de bouw van een integraal kindcentrum mogelijk en blijft daarmee ver onder de vorenstaande genoemde drempelwaarden. Gelet op de bestaande planologische gebruiksmogelijkheden kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling niet gepaard gaat met een grote toename aan verkeersintensiteiten en daarmee gepaard gaande milieubelasting ten opzichte van de referentiesituatie. De effecten van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van onder andere de aspecten "bodem", "water" en "flora en fauna" zijn onderzocht en worden aanvaardbaar geacht. Plaats waar de activiteit plaatsvindt (ligging ten opzichte van gevoelige gebieden) Het plangebied ligt in de bebouwde kom met daaromheen woningen, wegen en een kerk.