3.a Vaststelling bestemmingsplan Nieuweweg 220 tm 226 - Toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan
29
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226 belasting mag veroorzaken ten opzichte van de onverharde situatie.Om hieraan te voldoen hanteert het waterschap een compensatienorm van 60 mm. Het beleid is gebundeld in een uitgangspuntennotitie “Beleidskader bij stedelijke uitbreiding” (mei 2017) Daarnaast heeft het waterschap Vallei en Veluwe recentelijk het Blauwe Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 ontwikkeld wat het waterbeheerporgramma van de vier gebieden Noord Veluwe, Eemland, IJsselvallei en Gelderse Vallei bevat.Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico’s (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplichte deel. Gemeentelijk beleid Veenendaal Het Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP) beschrijft hoe de gemeente haar zorgtaken voor afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater uitvoert. De watertaken van de gemeente bestaan uit het inzamelen en afvoeren of verwerken van stedelijk afvalwater en hemelwater. Voor zover doelmatig neemt de gemeente maatregelen tegen grondwateroverlast en zorgt zij samen met het waterschap Vallei en Veluwe dat het stedelijk oppervlaktewater schoon, veilig en beleefbaar is. Bewoners en bedrijven hebben ook een taak. Zo moeten zij zelf voor de voorzieningen op hun perceel zorgen.
In sommige gebieden en situaties moeten zij ook het hemelwater bergen en verwerken of afvoeren, of zelf maatregelen nemen tegen grondwaterproblemen. In dit GRWP zijn speerpunten benoemd die de komende planperiode extra aandacht krijgen. Het meest omvangrijk is het scheiden van vuil water en schoon hemelwater, ook op particulier terrein. In een groot deel van Veenendaal ligt een gemengd rioolstelsel, waarbij het vuile en schone water door dezelfde buis wordt afgevoerd. De gemeente zet het vervangen van de gemengde rioolstelsels door gescheiden systemen voort. Het schone hemelwater wordt van de riolering afgekoppeld. Het helpt om wateroverlast tegen te gaan en de gemeente klimaatbestendig te maken. Daarnaast is het goed voor het milieu. 5.3.2
Toetsing bouwplan
Door SWECO is op 22 augustus 2022 een watertoets uitgevoerd en een bijbehorende waternotitie (51004275 (378501)) geschreven waarin het volgende wordt geconcludeerd: De ontwikkeling bij de Nieuweweg 222-226 leidt tot een afname van het verhard oppervlak. In de huidige situatie bestaat het overgrote deel van het plangebied, dat 1,3 ha groot is, uit verhard oppervlak. In het ontwerp zal 7.490 m² verhard oppervlak aanwezig zijn. De gemeente Veenendaal stelt de eis van 2 m³ waterberging per 100 m² verharding.Dit geldt voor de gehele verharding, dus niet alleen voor de toename van verhard oppervlak.Dit resulteert in een totale waterbergingseis van 149,8 m³. In het inrichtingsplan is ruimte gereserveerd voor de invulling hiervan. Via de exploitatieovereenkomt wordt realisatie van voldoende waterberging afgedwongen. De bodem bestaat uit een goeddoorlatende laag (fijn zand) waardoor infiltratie op eigen terrein mogelijk is. Er zijn voldoende mogelijkheden om het hemelwater van de ontwikkeling te verwerken. Hemelwater van de daken van het appartementencomplex in het noordelijke deel van hetplangebied kan direct afgevoerd worden op de watergang ten noorden van het plangebied. De overige verharde oppervlakken kunnen via een waterbergingsvoorziening afvoeren naar een HWA-riool dat aansluit op de bestaande HWA-riolering in de Nieuweweg of de watergang aan de noordzijde van het plangebied.
Voor het afvalwater leidt de ontwikkeling tot een toename van 5,52 m³ /uur. Deze hoeveelheid kan aangesloten worden op de bestaande DWA-riolering. 5.3.3
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van de beoogde ontwikkeling.
30
bestemmingsplan
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226
5.4
Externe veiligheid
Externe veiligheid is de kans om te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Beleid en regelgeving op dit gebied is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege: a. het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); b. het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, waterwegen en spoorwegen; c. het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Met betrekking tot risico's wordt onderscheid gemaakt in twee risicomaten: Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als het risico op een plaats buiten een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Binnen de wet- en regelgeving zijn aan deze definitie grens- en richtwaarden opgehangen ten aanzien van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
Het groepsrisico is gedefinieerd als cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. In wet- en regelgeving is aan het groepsrisico een oriënterende waarde toegekend als indicator voor de omvang van een ramp en een afwegingsproces gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, rampenbestrijding en resteffecten. 5.4.1
Wettelijk kader
De regelgeving voor inrichtingen met (over het algemeen) grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen is samengebracht in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit Besluit is aangegeven welke bedrijven bij het verlenen van een milieuvergunning of het nemen van een besluit op grond van de Wro nadere aandacht behoeven. De wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid biedt geen absolute veiligheid. Een kleine kans op een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen wordt geacht tot het normaal maatschappelijk risico te behoren. Getracht wordt om door middel van regelgeving de gevolgen zo veel als mogelijk is te beperken. De regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen is neergelegd in het “Besluit transportroutes externe veiligheid”. Deze wetgeving verankert het zogenaamde Basisnet en daarmee is de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen per 01-04-2015 vervallen. Externe veiligheid in relatie tot transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) dat op 01-01-2011 in werking is getreden. 5.4.2
Toetsing bouwplan
Inrichtingen Uit de risicoatlas (www.risicokaart.nl) blijkt dat er in de nabijheid van het plangebied geen inrichtingen zijn gelegen waarbij risico’s kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen.
bestemmingsplan
31
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226
Transport gevaarlijke stoffen over wegen, watergangen en spoorwegen Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A12, op circa 440 meter afstand van deze snelweg. Op deze weg kan een ongeval plaatsvinden waarbij toxische vloeistoffen vrijkomen die een toxische wolk kunnen veroorzaken. De effecten van een toxische wolk kunnen tot op een afstand van 880 meter dodelijk zijn.Omdat de ontwikkeling plaatsvindt op een afstand van meer dan 200 meter van de rijksweg kan echter worden volstaan met een beknopte verantwoording van het groepsrisico. Zie ook artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Hieronder wordt ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp alsmede de mogelijkheden tot zelfredzaamheid in het kader van de beknopte verantwoording van het groepsrisico. Bereikbaarheid plangebied Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid van het plangebied is hierbij van essentieel belang. Het plangebied is tweezijdig bereikbaar voor hulpdiensten. Bluswatervoorzieningen Daarnaast dient de brandweer snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater om een incident adequaat te kunnen bestrijden. Hieronder is de bestaande situatie weergegeven met de aanwezige bluswatervoorzieningen:
32
bestemmingsplan
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226
Blauwe sterretjes:brandkranen, capaciteit 3000 l/min Blauwe driehoeken: brandk ranen, capaciteit 1600 l/min Blauwe rondjes: brandkranen, capaciteit 1100 l/min Hieronder het schema waaraan de bluswatervoorziening moet voldoen, volgens de 'Handreiking Bluswater en Bereikbaarheid.'
bestemmingsplan
33
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226
Uit dit schema is te lezen dat: Binnen 6 minuten een bluswatervoorziening moeten kunnen opbouwen van 1000l /min. Dit is realiseerbaar door gebruik te maken van dichtbij aanwezige brandkranen van 1600 of 1100 l/min Binnen 30 min een bluswatervoorziening kunnen opbouwen van 2000 l/min. Dit is realiseerbaar door gebruik te maken van de aanwezige brandkranen van 3000 l/min. Binnen 60 min een bluswatervoorziening kunnen opbouwen van 4000 l/min. Dit is realiseerbaar door gebruik te maken van een combinatie van de aanwezige brandkranen van 3000 en 1100 l/min. Met de reeds bestaande bluswatervoorzieningen nabij het plangebied wordt voldaan aan de 'Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2019'. De aanleg van een nieuwe voorziening is daarom niet noodzakelijk. Bovendien kan gebruik worden gemaakt van de openwater voorziening aan de Grote Beer die geschikt is om te gebruiken als bluswatervoorziening. Ook is hier nog een escape aanwezig door gebruik te maken van de openwater voorziening aan de Grote Beer aanwezig en deze is ook geschikt om te gebruiken als bluswatervoorziening. Zelfredzaamheid Omdat het om reguliere woningen gaat, zal de zelfredzaamheid van de toekomstige bewoners voldoende zijn om zichzelf, eventueel met hulp van gezinsleden, in geval van aan ramp in veiligheid te kunnen brengen.
Bij een toxische wolk is het advies om binnen te blijven en de woningen te voorzien van afsluitbare ventilatie. Het is daarom belangrijk om de toekomstige bewoners te informeren over eventuele risico’s en hoe te handelen bij een toxische wolk. Transport gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het plangebied ligt op meer dan 1km van de dichtstbij gelegen buisleiding ten behoeve van transport gevaarlijke stoffen. Het is daarom niet nodig de risico's met betrekking tot deze leiding te onderzoeken, nu dat reeds is gedaan voor de dichterbij gelegen transportroute gevaarlijke stoffen (A12). 5.4.3
Conclusie
Het vaststellen van dit bestemmingsplan is niet in strijd met het beleid en de regelgeving ten aanzien van externe veiligheid. Wel wordt geadviseerd toekomstige bewoners goed te informeren over eventuele risico's.
34
bestemmingsplan
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226
5.5
Archeologie
5.5.1
Wettelijk kader
In 1992 ondertekende Nederland het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed – kortweg ‘het Verdrag van Malta’ (of Valletta). Sindsdien is het uitgangspunt van het (rijks)beleid dat archeologische waarden volwaardig meetellen in beslissingen over de ruimtelijke inrichting van ons land. De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) heeft als doel bodemverstorende activiteiten beter te reguleren. Centraal daarbij staat de verplichting om archeologische waarden in bestemmingsplannen vast te leggen. Gemeenten zijn daarbij bevoegd gezag inzake de omgang met archeologische waarden. Binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid hebben zij de vrijheid naar eigen inzicht financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de zorg voor de archeologie binnen hun grondgebied. Het verdrag is in 2007 wettelijk verankerd in de herziene Monumentenwet 1988. Een deel hiervan is op 1 juli 2016 overgegaan naar de Erfgoedwet. Zowel archeologie als een deel van cultuurhistorie zijn namelijk sinds 1 juli 2016 verankerd in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. In juli 2015 nam de Tweede Kamer een amendement op de Omgevingswet aan, waarin gesteld wordt dat gemeente de archeologische dubbelbestemmingen beter moeten onderbouwen.
Daarbij is van belang dat de archeologische monumenten aantoonbaar moeten worden gemaakt. Het archeologisch erfgoed heeft hiermee een prominente plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde "veroorzakerprincipe". Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Gemeenten dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1 en 3.38 Wro altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat gemeenten het kader moeten stellen voor de archeologische monumentenzorg. Zij hebben dus een kerntaak in de uitvoering van de archeologische monumentenzorg en moeten bij ruimtelijke besluitvorming het archeologische belang afwegen tegen de andere belangen. In de afgelopen 8 jaar zijn diverse archeologische onderzoeken binnen de gemeente uitgevoerd en zijn er nieuwe bronnen beschikbaar die relevant zijn voor de archeologische verwachting.
Daarom is de archeologische beleidskaart uit 2010 geactualiseerd en heeft er een verfijning plaatsgevonden van het verwachtingenmodel. Dit heeft geresulteerd in een geactualiseerde archeologische beleidskaart die op 25 juni 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld. De beleidskaart is vervolgens juridisch vertaald in het bestemmingsplan 'Parapluplan 2020', welke eveneens is vastgesteld door de raad op 25 juni 2020. In het 'Parapluplan 2022' is de archeologische regeling verduidelijkt en versimpeld. De verbeelding is ongewijzigd gebleven met uitzondering van drie percelen waar de archeologische waarden zijn verlaagd nadat archeologisch onderzoek was uitgevoerd. Voor Nieuweweg 222 t/m 226 is de verbeelding niet gewijzigd. 5.5.2
Toetsing bouwplan
Hoge archeologische waarde In het 'Parapluplan 2020' en 'Parapluplan 2022' heeft de locatie Nieuweweg 220 t/m 226 de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - Hoog'. Dit houdt in dat wanneer er meer dan 1.000 m² wordt gebouwd op een diepte van meer dan 0,5 meter, er archeologisch onderzoek vereist is.
bestemmingsplan
35
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226
Uitsnede verbeelding ontwerp Parapluplan 2022 (gelijk aan Parapluplan 2020) Uitgevoerd archeologisch onderzoek Omdat er meer dan 1.000 m² aan bebouwing wordt gerealiseerd waarbij dieper wordt gegraven dan 0,5 meter, is op 12 juli 2021 door RAAP een archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek; verkennend booronderzoek) en een cultuurhistorische analyse uitgevoerd: RAAP rapport 5217 Plangebied Nieuweweg 222-226. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het plangebied geen archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Als bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS) Beoordeling ODRU De Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) heeft het RAAP rapport beoordeeld en constateert dat het onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en het vastgestelde Plan van Aanpak. De conclusies zijn helder en goed onderbouwd. Het rapport kan daarom worden goedgekeurd.
Bovendien kan op basis van het uitgevoerde onderzoek de archeologische verwacahting voor het paleolithicum-nieuwe tijd voor de top van het dekzand van het plangebied naar laag worden bijgesteld. Archeologische vindplaatsen worden niet verwacht, omdat de top van het dekzand niet intact is en er op basis van het bodemprofiel van uit mag worden gegaan dat het plangebied relatief laag en nat was. Er is geen vervolgonderzoek noodzakelijk voor verdere bepaling van de archeologische waarde van het terrein. Omdat geen archeologische vindplaatsen worden verwacht, is het opnemen van een archeologische dubbelbestemming in het nieuwe bestemming niet noodzakelijk. Hoewel voor het plangebied een lage archeologische verwachting geldt, kan nooit helemaal worden uitgesloten dat bij uitvoering van de werkzaamheden alsnog archeologische vondsten worden gedaan. Dergelijke (toevals)vondsten moeten op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de bevoegde overheid (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) worden gemeld. In de later te verlenen vergunning zal de volgende voorwaarde moeten worden opgenomen: 'Als bij uitvoering van de werkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan wordt vermoed dat het archeologische vondsten betreft, bent u het op grond van art. 5.10 van de Erfgoedwet verplicht om deze
36
bestemmingsplan
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226 te melden bij de bevoegde overheid. Om praktische redenen kunt u deze melding doen bij de gemeente. De melding dient vergezeld te gaan van een foto van de vondst en gegevens over de exacte locatie van de vondst.' Samenvattend is het advies van de ODRU om: 1. het rapport goed te keuren, 2. de archeologische dubbelbestemming van het perceel te verwijderen, en 3. de initiatiefnemer te wijzen op de wettelijke meldingplicht voor archeologische (toevals)vondsten. 5.5.3
Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van de beoogde ontwikkeling en op de verbeelding is daarom geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Bij de later te verlenen vergunning dient bovengenoemde bepaling over (toevals)vondsten als voorwaarde te worden opgenomen.
5.6
Cultuurhistorie
5.6.1
Wettelijk kader
In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. 5.6.2
Cultuurhistorische kenmerken
In 2018 is de cultuurhistorische waardenkaart door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit kenmerkenkaarten voor de disciplines landschap en gebouwde omgeving, uit waardenkaarten voor diezelfde aspecten, uit een viertal themakaarten en uit een integrale ensemblekaart, waarop de gebieden die staan die – samen met de sectorale landschappelijke en gebouwde kaarten – het palet aan cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Veenendaal laten zien. De thema’s waarop in het bijzonder ingezoomd is, zijn vervening, industrie, religie en militair erfgoed. Deze vier thema’s vormen een belangrijk deel van het ‘verhaal van Veenendaal’, waarvan in wisselende hoeveelheden ook nog relicten in het huidige Veenendaal – ondergronds, landschappelijk of gebouwd – terug te vinden zijn. 5.6.3
Toetsing bouwplan
Cultuurhistorische waardenk aart 2018 Uit de door RAAP in 2018 opgestelde cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat het plangebied lag in Gelders Veenendaal, in de voormalige gemeente Ede. Het lag in een Utrechts-Gelderse veenkolonie dat relatief laag gelegen was. Het plangebied ligt deels aan de Nieuweweg. Dit is de noordelijke uitvalsweg van Veenendaal. Deze weg werd in de vroege 19e eeuw als een bovenlokale weg ingericht en verhard, waarbij een deel ervan nieuw werd aangelegd. Plaatselijk vinden we nog ensembles van vroege bebouwing, onder meer de katholieke kerk met begraafplaats in het noorden. De kruising met de A12 is zo veranderd dat de historische context hier verdwenen is, maar toch is besloten de structuur als geheel op de kaart te zetten als integraal ensemble. Cultuurhistorisch onderzoek 2021 Initiatiefnemer heeft door RAAP (rapport 5217 d.d. 12 juli 2021) een cultuurhistorische analyse laten uitvoeren waarin het volgende wordt geconcludeerd. Het plangebied ligt aan een historisch lint dat een oude (middeleeuwse) oorsprong heeft. De Nieuweweg als geheel heeft daarmee een hoge cultuurhistorische waarde.
Het plangebied met daarin de twee grootschalige kantoorgebouwen ligt aan een 'verstoord' deel van deze Nieuweweg, die is ontstaan door de aanleg van de A12, de aanleg van een stelsel van rondwegen (inclusief de Grote Beer), de invulling van de restruimte tussen stad en snelweg met een bedrijventerrein, en een stedenbouwkundige visie uit de jaren tachtig waarin op deze locatie een markant gebouw moest komen. De bebouwing is de 'uitkomst' van deze ontwikkeling, die nog relatief recent is en waar op dit moment een lage/indifferente bestemmingsplan
37
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226 waardering aan toegekend kan worden. De huidige bebouwing in het plangebied heeft enige waarde als voorbeeld van kantoorbouw uit de jaren tachtig met toepassing van isolerende spiegelbeglazing. Van de architect zijn in het kader van dit onderzoek geen andere werken aangetroffen, over zijn oeuvre is niets bekend. Conform het vigerende beleid van de gemeente Veenendaal adviseert RAAP om het lintkarakter van de Nieuweweg te versterken. Daarbij geldt vanuit cultuurhistorie geredeneerd dat de historische eenheid van de Nieuweweg niet verder wordt verstoord en dat de bebouwing zich dient te voegen tot de waarden zoals hierboven beschreven. Voor de zijde van het perceel dat langs de Grote Beer ligt, zijn deze waarden niet van toepassing. Hier is bebouwing passend bij de in de jaren tachtig gerealiseerde stedelijke schaal gewenst. Bouwplan Dit bestemmingsplan maakt woningbouw langs de Nieuweweg mogelijk. De bestaande bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. De beoogde woningbouw aan de Nieuweweg is georienteerd op de Nieuweweg, waarbij de voorgevelrooilijn is gebaseerd op de bestaande bomenrij langs de Nieuweweg. De nieuwe ontwikkeling vormt hierdoor geen bedreiging voor het linkarakter van de Nieuweweg. 5.6.4
Conclusie
Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen om de voorgenomen ontwikkeling te realiseren.
5.7
Ontplofbare oorlogsresten
Het is bekend dat in de gemeente Veenendaal tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen zijn geweest. Dit houdt in dat er op plaatsen mogelijk ontplofbare oorlogsresten (OO) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Uit de praktijk is gebleken dat circa 10% van de afgeworpen bommen niet is geëxplodeerd en in de bodem is achtergebleven als blindganger. De gemeente Veenendaal heeft in mei 2018 beleid ten aanzien van OO vastgesteld. Door het vaststellen van een gemeentelijk beleid wordt geborgd dat activiteiten met betrekking tot OO binnen de gemeente worden getoetst en daar waar nodig beheersmaatregelen kunnen worden genomen en/of voorgeschreven. Het beleid is tevens bedoeld om eenieder die van plan is grondroerende werkzaamheden binnen de gemeente uit te voeren, te verplichten de benodigde acties te ondernemen met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid en risico's van OO op de betreffende locatie. Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) OO wordt alleen uitgevoerd om het risico met betrekking tot OO weg te nemen, en daarmee een veilige werkomgeving en leefomgeving te creëren tijdens uit te voeren werkzaamheden of activiteiten. Dit is ook de reden dat de gemeente Veenendaal altijd ingelicht moet worden als er projectmatig bodemroerende activiteiten plaatsvinden binnen gebieden die als verdacht zijn aangemerkt.
Vanwege voortschrijdende inzichten in de gebeurtenissen tijdens de Tweede Oorlog heeft er in 2020 een update van de bodembelastingkaart conventionele explosieven plaatsgevonden. 5.7.1
Toetsing bouwplan
Zoals te zien is op onderstaande kaart, ligt het plangebied (zie zwarte pijl) buiten verdacht gebied. Een nader onderzoek is daarom niet vereist.
38
bestemmingsplan
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226
Overzicht verdachte gebieden en aandachtsgebied binnen het onderzoeksgebied Veenendaal uit onderzoek CE 2020. 5.7.2
Conclusie
Vanuit het aspect ontplofbare oorlogsresten zijn er geen belemmeringen om aan het plan mee te werken. Mochten er tijdens de werkzaamheden toch ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen, dan dient te worden gehandeld overeenkomstig het protocol 'Onverwacht aantreffen van CE'.
bestemmingsplan
39
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226
5.8
Ecologie
5.8.1
Wettelijk kader
Voor ecologie moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met soortbescherming gericht en met gebiedsbescherming. De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming zorgt voor een goede natuurbescherming van planten- en diersoorten, natura 2000-gebieden, en bossen. Sommige plant- en diersoorten worden beschermd omdat ze als kwetsbaar worden gekenmerkt. De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet, en de Flora- en Faunawet zijn vanaf 1 januari 2017 opgenomen in de Wet natuurbescherming. De provincie is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierin worden de soortbescherming en de gebiedsbescherming nader belicht omdat beide voor het bestemmingsplan van belang zijn. De regels die voorheen in de Boswet waren opgenomen zijn binnen het plangebied niet van toepassing omdat het gehele gebied binnen de bebouwde kom ligt. Een nadere beschrijving van dit deel van de wet is dan ook niet opgenomen. Soortbescherming Een belangrijk doel van de wet is het beschermen van alle soorten planten- en dieren die in het wild in Nederland voorkomen. De wet gebiedt dat alle in het wild levende dieren en planten in principe met rust worden gelaten, wat is vastgelegd in de algemene zorgplicht. In de regelgeving heeft de gunstige staat van in stand houding van soorten een prominentere plek gekregen.
De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Provincies hebben de mogelijkheid om voor bepaalde soorten aanvullende maatregelen vast te stellen. De provincie Utrecht heeft hiervoor al een lijst opgesteld met prioritaire soorten en aanvullende maartregelen per soort. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is van toepassing op natuurgebieden die door de overheid zijn aangewezen in het kader van de vogelrichtlijn en/of de habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn richt zich op de bescherming van natuurlijke habitats en leefgebieden van aangewezen planten- en dierensoorten. De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming van leefgebied van beschermde vogelsoorten. Belangrijk is dat ruimtelijke projecten niet zonder meer mogen worden gerealiseerd in beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Projecten die in de nabijheid van beschermde natuurgebieden (inclusief de Habitatrichtlijngebieden) worden geprojecteerd, dienen te worden getoetst op de mogelijke negatieve effecten die zij op deze gebieden kunnen hebben (externe werking). Indien een negatief effect vermoed wordt dan moet bij de Provincie een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd worden.
De Provincie zal naar aanleiding van de aanvraag een beschikking opstellen. De beschikking kan een verbod van het project betekenen of voorwaarden verbinden aan de uitvoer. De Wet natuurbescherming beschermt geen gebieden buiten de natura 2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland Naast de volgens de wet aangewezen gebieden kent Nederland het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). Het NNN is bedoeld voor het ontwikkelen van ecologische zones tussen verschillende natuurgebieden zodat populaties met elkaar in verbinding blijven en versnippering van natuur wordt tegen gegaan. Het is uiteraard niet wenselijk dat een ontwikkeling een verstorende werking heeft op de functie van deze verbindingszones. Deze zones zijn niet beschermd volgens de Wet natuurbescherming maar krijgen planologische bescherming doordat deze in bestemmingsplannen worden opgenomen. Projecten en bestemmingsplannen worden getoetst aan dit provinciale beleid.
40
bestemmingsplan
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226
5.8.2
Toetsing bouwplan
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is op 3 mei 2021 door Blom Ecologie B.V. een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Uit deze quickscan volgen onderstaande conclusies: 1. Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Vleermuizenonderzoek Het vereiste vleermuizenonderzoek is gerapporteerd in de 'Rapportage soortgericht onderzoek, vleermuizen – Nieuweweg 222-226, Veenendaal' d.d. 30 oktober 2021. Hieruit blijkt dat in de bebouwing in het plangebied een zomerverblijfplaats, een paarverblijf en een gecombineerd zomer- en paarverblijf van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. Beide paarverblijven worden tevens aangemerkt als solitair winterverblijf. De aanwezigheid van andere verblijfplaatsen of voor vleermuizen essentiele gebiedsfuncties kan op grond van dit onderzoek redelijkerwijs worden uitgesloten. Bij uitvoering van de werkzaamheden zullen drie verblijven vernietigd worden. Om het doden of verwonden van de hier verblijvende vleermuizen te voorkomen zijn voorzorgsmaatregelen noodzakelijk.
Met het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden worden lid 1, 2 en 4 van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming overtreden. De benodigde ontheffing is op 23 december 2021 aangevraagd en op 22 maart 2022 verleend. Nadat het bevoegd gezag (RUD Utrecht) ontheffing verleend heeft, dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. Hierin worden de periode waarin en wijze waarop de mitigerende maatregelen uitgevoerd dienen te worden concreet uitgewerkt. Ook wordt hierin aangegeven op welke momenten in het werkproces begeleiding door een deskundig ecoloog noodzakelijk is. Wanneer het werkprotocol een eis is uit een ontheffing, worden ook de voorwaarden uit die ontheffing uitgeschreven. Door op deze wijze te werken worden negatieve effecten op de gewone dwergvleermuizen, als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, zo veel als mogelijk voorkomen. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden en de toekomstige inrichting van het plangebied wordt geadviseerd rekening te houden met vleermuizen en andere gebouw bewonende soorten zoals huismus en gierzwaluw. Dit vindt plaats op vrijwillige basis en draagt bij aan de algemene bescherming van deze soorten; er is geen wettelijke noodzaak tot het toepassen van deze aanbevelingen.
De volgende maatregelen worden aanbevolen: Bij toepassing van tijdelijke bouwplaats verlichting en permanent verlichting in de nieuwe situatie, gebruik maken van objectgerichte verlichting. Op deze wijze wordt uitstraling van licht naar de omgeving voorkomen en blijft het maximaal donker rondom het plangebied. Waar mogelijk behouden of ontwikkelen van groenstructuren in en om het plangebied. Door in de toekomstige situatie te zorgen voor perken en andere onverharde delen van het terrein (gazon, border etc.) en waar mogelijk bomen of struiken aan te planten ontstaan kansen voor meer biodiversiteit en zo aantrekkelijke omstandigheden voor foeragerende vleermuizen.• Het realiseren van broed- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende soorten zoals huismus,gierzwaluw en vleermuizen. De positie van het gebouw en voorgenomen ontwikkeling lenen zich uitstekend voor het aanbrengen van in de nieuwbouw geintegreerde verblijfplaatsen voor bovengenoemde soorten die als gevolg van de hedendaagse efficiente woningbouw moeilijk aan broed- en verblijfplaatsen kunnen komen. Op deze manier kan de lokale populatie op een duurzame manier worden ondersteund. Meer informatie is te vinden op de website 'checklist groen bouwen'• (https://www.vogelbescherming.nl/actueel/bericht/checklist-groen-bouwenmaakt-elk-ontwerp-vogel-e n-vleermuisvriendelijk).
Bij uitvoering van werkzaamheden is te allen tijde en voor alle soortgroepen de algemene zorgplicht van toepassing (Wnb, artikel 1.11). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen van ruimtelijk inrichting en ontwikkeling (en bestendig beheer en onderhoud) voor flora en fauna zoveel als mogelijk
bestemmingsplan
41
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226 voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden algemeen beschermde soorten als bosmuis, egel of gewone pad worden aangetroffen, zij de ruimte en tijd moeten krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren voorzichtig verplaatst worden naar een naastgelegen locatie waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden. 2. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland of de Groene Contour. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of 'nee, tenzij'-toets is niet noodzakelijk. Er dient een AERIUS calculatie uitgevoerd te worden om de effecten omtrent stikstofdepositie inzichtelijk te maken. Stikfstofdepositie Op 2 maart 2023 heeft Kubiek Ruimtelijke Plannen een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (project K21160). Uit de berekeningen blijkt dat er door de gewenste ontwikkeling geen strijdigheden ontstaan met de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied. Er vindt geen stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. 3.
Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De realisatie van 170 appartementen en 14 rijtjeswoningen aan de Nieuweweg 222-226 te Veenendaal is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodem bewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).
Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. Beoordeling ODRU De Omgevingsdienst regio Utrecht heeft in haar adviezen van 10 juni 2022, 18 oktober 2022 en 22 maart 2023 het volgende geconcludeerd. 1. De QuickScan Wet natuurbescherming is goed opgesteld. In het ecologisch onderzoek is zowel aandacht besteed aan gebiedsbescherming als aan soortbescherming. Beide onderdelen zijn voldoende behandeld en er is geen reden om de getrokken conclusies te bestrijden. 2. De Rapportage Soortgericht Onderzoek vleermuizen is voldoende, voor zover te controleren. Het
42
bestemmingsplan
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226 rapport van het vleermuisonderzoek is goed opgesteld. De bezoeken zijn voldoende gespreid in de tijd afgelegd en de bezoektijden voldoen aan tijd van de dag en lengte. Het weer op de gegeven data was voldoende om een goed onderzoek uit te kunnen voeren. 3. Op 24 maart 2022 heeft de provincie Utrecht ontheffing verleend op grond van de Wet natuurbescherming voor de gewone dwergvleermuis van 15 april 2022 t/m 15 april 2024. 4. De beoogde ontwikkeling is mogelijk zonder stikstofdepositie, uitgaande van de aangeleverde uitgangspunten. Intern salderen is niet noodzakelijk, maar lijkt op basis van de planologische mogelijkheden wel mogelijk. Dit betekent dat er een ruime marge is. Want salderen is niet noodzakelijk voor de realisatie, maar eventueel wel mogelijk als de stikstofuitstoot hoger zou zijn dan begroot. De uitstoot per paar is lager dan de kerngetallen die hiervoor staan. Een deel van de oorzaak ligt in het gegeven dat uitvoering is verspreid over twee jaren. Gelet hierop wijkt dit minder af van de kerngetallen. Belangrijk is wel dat de realisatie plaatsvindt overeenkomstig de uitgangspunten die zijn gehanteerd voor de AERIUS-berekeningen. Zo dient gebruik te worden gemaakt van mobiele werktuigen die minimaal voldoen aan Stageklasse IV.
Het werken overeenkomstig de uitgangspunten uit de berekeningen dient als voorwaarde in de later te verlenen omgevingsvergunning te worden opgenomen. 5. De bestemmingsplanprocedure kan worden voortgezet. De onderbouwing ten aanzien van ecologie is compleet. Uit het bovenstaande blijkt dat de onderbouwing voldoende ecologische informatie bevat om de bestemmingsplan procedure voort te kunnen zetten. 5.8.3
Conclusie
Gelet op bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. In de te verlenen omgevingsvergunning dient een voorwaarde te worden opgenomen over het werken overeenkomstig de uitgangspunten uit de AERIUS-berekeningen.
5.9
Geluid
5.9.1
Wettelijk kader
Tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh) is een koppeling gelegd. Dat blijkt uit art. 76 en 76a van de Wgh. Dit betekent dat de geluidssituatie binnen het plangebied moet voldoen aan de voorwaarden uit de Wgh. Als nadere invulling van deze voorwaarden heeft de gemeente Veenendaal de beleidsregel hogere waarden Wgh opgesteld. In het kader van de Wet geluidhinder liggen er zones rond wegen en spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen. Wegen op een woonerf of met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen zone. Binnen een zone moet voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, onderzoek worden gedaan naar de geluidbelasting. Binnen de geluidszone geldt een voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting ter plaatse van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. Hierbij geldt een afzonderlijke toetsing per weg, spoorweg of industrieterrein. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde moet worden onderzocht of geluid reducerende maatregelen getroffen kunnen worden, waarbij de volgorde bron- overdracht- en ontvangermaatregelen de voorkeur geniet. Beleidsregel hogere waarden Pas als blijkt dat niet aan de voorkeurswaarde kan worden voldaan, kan het college van burgemeester en wethouders een hogere waarde verlenen (ontheffing van de voorkeurswaarde). Hierbij geldt wel een maximale ontheffingswaarde.
Voordat een hogere waarde vast wordt gesteld, dienen bron- en overdrachtsmaatregelen afgewogen te worden. In deze beleidsregel worden randvoorwaarden genoemd voor het toestaan van hogere geluidsbelastingen dan de voorkeurswaarde. De voorwaarden zijn geformuleerd als eis of als inspanningsverplichting. Indien niet aan de inspanningsverplichting kan worden voldaan dient de initiatiefnemer te motiveren waarom dit niet kan of waarom voor een alternatieve oplossing is gekozen. 5.9.2
Toetsing bouwplan
Akoestisch onderzoek
bestemmingsplan
43
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226
Op 22 december 2022 heeft Royal Haskoning DHV de rapportage van het uitgevoerde akoestisch onderzoek 'Nieuwbouwplan Nieuweweg 222-226 Veenendaal' (BH1172-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001 versie definitief/2.1) ingediend. In dit onderzoek is onderzocht of bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder en de voorwaarden uit het geluidbeleid van de gemeente Veenendaal. Toetsing aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder De nieuwbouw bevindt zich conform de Wet geluidhinder binnen de geluidzone van de A12, Nieuweweg, Grote Beer en Rondweg-West. Ten gevolge van al deze bronnen wordt bij meerdere woningen de voorkeurswaarde overschreden. Er wordt wel voldaan aan de ten hoogste toelaatbare waarde. Maatregelen zijn onderzocht. Uit het onderzoek naar maatregelen is gebleken dat de toepassing van een geluidreducerend wegdek op de Nieuweweg en Grote Beer stuit op bezwaren van technische aard. Afschermende voorzieningen zijn niet wenselijk vanuit stedenbouwkundig oogpunt. Het treffen van geluidbeperkende maatregelen voor de A12 en de Rondweg-West zijn niet onderzocht: de maatgevende geluidbronnen zijn de Nieuweweg en de Grote Beer. Maatregelen aan de A12 en de Rondweg-West zorgen niet voor een significante vermindering van de cumulatieve geluidbelastingen.
In onderstaande tabel is samengevat voor hoeveel woningen per geluidbron een hogere waarde dient te worden vastgesteld. De vast te stellen hogere waarden zijn opgenomen in de tabellen van hoofdstuk 4 en bijlage 3.
Toetsing aan het geluidbeleid van de gemeente Veenendaal Gebleken is dat het bouwplan niet aan de eisen en inspanningsverplichtingen van het geluidbeleid van de gemeente Veenendaal voldoet. Met het toepassen van bijvoorbeeld afsluitbare loggia’s kan veelal een reductie van 15 dB behaald worden. Hiermee kan voldaan worden aan de voorkeurswaarde op de eigenlijke gevel (de thermische schil). De gemeente accepteert loggia’s als maatregel om een geluidluwe gevel te creëren. Het advies aan het bevoegd gezag is om in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting op te nemen dat er aan het gebouw maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting op deze gevels te verlagen om hiermee bij elke woning een geluidluwe gevel te realiseren. Bij de uitwerking van het plan zal dan op basis van de definitieve vormgeving van het gebouw moeten worden aangetoond dat kan worden voldaan aan deze verplichting. Beoordeling cumulatief geluidniveau Er is sprake van een cumulatieve geluidbelasting die hoger is dan 60 dB en als slecht tot zeer slecht wordt beoordeeld. De meeste woningen in het plan hebben echter een geluidluwe gevel, waar de cumulatieve geluidbelasting als goed tot redelijk wordt beoordeeld.
Als ervoor wordt gekozen om de hoog belaste gevels te voorzien van loggia’s, kan de cumulatieve geluidbelasting op die gevels worden verlaagd en het akoestisch klimaat ook aan die zijde worden verbeterd. Beoordeling Omgevingsdienst regio Utrecht In haar advies van 27 december 2022 heeft de ODRU geconcludeerd dat kan worden ingestemd met bovengenoemde rapportage. Dit onder voorwaarde dat de uitgangspunten en vereiste maatregelen worden geborgd in het bestemmingsplan. De uitgangspunten zijn geborgd door het bouwvlak strak om de booegde bebouwing te leggen, de naastgelegen gronden de groenbestemming te geven en de maximale bouwhoogtes overeen te laten komen met de in het rapport genoemde bouwhoogtes. Uit het onderzoek is gebleken dat de appartementen zonder (bouwkundige) maatregelen niet zonder meer voldoen aan het gemeentelijk geluidbeleid. Het gaat daarbij vooral over de aanwezigheid van een geluidluwe gevel en buitenruimte. Deze (bouwkundige) maatregelen worden afgedwongen middels een
44
bestemmingsplan
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226 voorwaardelijke verplichting die in dit bestemmingsplan is opgenomen. Bovendien moet het plan voldoen aan het voor het plan vast te stellen besluit hogere waarden. Besluit hogere waarden Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat vanwege meerdere wegen de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde. Hiervan kan (gemotiveerd) ontheffing worden verleend door het vaststellen van hogere waarden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. In het onderzoek is voldoende gemotiveerd dat er geen (bron- en overdrachts)maatregelen mogelijk zijn. De ODRU is gemandateerd om de hogere waarden vast te stellen. De procedure hiervoor loopt gelijktijdig met de planprocedure. . Gemeentelijk geluidbeleid Met de in de planregels opgenomen voorschriften voldoet het plan aan de eisen en inspanningsverplichtingen die vanuit de beleidsregel hogere waarden worden gesteld. 5.9.3
Conclusie
Gelet op bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect geen belemmering vormt voor de uitvoering van de plannen.
5.10
Bedrijven- en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Der basis hiervoor vormt de Wet milieubeheer. In de VNG handreiking 'bedrijven en milieuzonering' 2009 zijn de aan te houden afstanden opgenomen. Hieraan wordt het plan dan ook getoetst. Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) dienen binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. 5.10.1 Toetsing bouwplan Effect plangebied op omgeving In de bestaande situatie zijn er bedrijven gevestigd op de planlocatie. De geldende bedrijfsbestemming staat bedrijven tot en met milieucategorie 2 toe. In de nieuwe situatie verdwijnt de bedrijvigheid en komen er uitsluitend woonfuncties voor terug, waarvoor geen minimale afstanden gelden voor wat betreft geur, stof, geluid en gevaar. Effecten omliggende bedrijven op plangebied De beoogde woningen komen in woongebied te liggen aan de Nieuweweg en nabij de Grote Beer. Aan de andere kant van de Grote Beer ligt het bedrijventerrein De Compagnie. De dichtstbijgelegen bedrijven liggen aan de Plesmanstraat 62. In het bestemmingsplan 'Noorderwerk' hebben deze bedrijven de bedrijfsbestemming waar bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 zijn toegstaan.
bestemmingsplan
45
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226
Uitsnede luchtfoto met daaroverheen de verbeelding van de geldende bestemmingsplannen (rode X is plangebied) Volgens de richtafstandentabel van de VNG publicatie Bedrijven en Milieuzonering geldt voor bedrijven in milieucategorie 3.1 dat de richtafstand tot een rustige woonwijk 50 meter bedraagt. Voor gemengd gebied bedraagt die afstand 30 meter.
46
bestemmingsplan
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226
Deel van tabel richtafstanden VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering Zoals uit onderstaand screenshot van de luchtfoto met bovenliggende bestemmingsplankaart blijkt, bedraagt de kortste afstand van de grens van de nieuwe woonbestemming tot de grens van de bedrijfbestemming meer dan 50 meter (57 meter). Gelet hierop is het aannemelijk dat de bewoners van het nieuwe bouwplan geen nadelige gevolgen van omliggende bedrijven zullen ondervinden.
bestemmingsplan
47
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226
5.10.2 Conclusie Het plan voldoet aan de richtafstanden die de VNG stelt met betrekking tot bedrijven en mileuzonering. Dit aspect vormt dan ook geen belemmreing voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.11
Luchtkwaliteit
5.11.1 Wettelijk kader Voor luchtkwaliteit zijn de luchtkwaliteitseisen (hoofdstuk 5.2) van de Wet milieubeheer van kracht. Hierin is vastgelegd dat onder meer ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. Deze Wet is nader uitgewerkt in Besluiten en Regelingen, waarvan het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate (NIBM), het Besluit gevoelige bestemmingen en de Regeling beoordeling de belangrijkste zijn. Daarnaast is ook het beginsel van een goede en duurzame ruimtelijke ordening van belang. Niet in betekenende mate (NIBM) Alleen projecten die ‘in betekenende mate’ bijdragen aan de concentraties luchtvervuiling worden getoetst aan de grenswaarden. Er dient te worden onderzocht of een project ‘in betekenende’ mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Het Besluit NIBM bepaalt dat een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtvervuiling als deze minder dan 3% van de grenswaarde, ofwel 1,2 microgram per m³. De Regeling NIBM is hier een nadere uitwerking van. Hierin is bepaald dat woningbouwprojecten tot 1.500 woningen en kantoren tot 100.000 m² zijn vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof.
48
bestemmingsplan
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226
Besluit gevoelige bestemmingen Kinderen, ouderen en zieken zijn gevoeliger voor luchtvervuiling en worden daarom extra beschermd. Op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen gelden voor gevoelige bestemmingen nabij wegen zwaardere beperkingen. Zo mogen binnen 300 meter van rijkswegen en 50 meter vanaf provinciale wegen geen bestemmingen voor langdurig verblijf als kinderdagverblijven, scholen of verzorgingstehuizen worden gebouwd, als de wettelijke grenswaarden worden overschreden. Het Besluit verplicht overheden om onderzoek uit te voeren naar de concentraties stikstofdioxide en fijn stof. Voor gemeentelijke wegen geldt een zwaardere motiveringsplicht. Concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof De Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) heeft de concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof voor het jaar 2015 en 2025 berekenend met het rekenmodel GeoMilieu. De wettellijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde ligt op 40 microgram per m³. De uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 microgram per m³ wordt overschreden wanneer de concentraties gemideld op jaarbais boven de 60 microgram per m³ uitkomen. 5.11.2 Toetsing bouwplan NIBM Dit bestemmingsplan maakt de bouw van 199 woningen mogelijk.
Dit aantal ligt ruim onder de grens van 1.500 woningen als genoemd in de Regeling NIBM, wat betekent dat dit project is vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. Besluit gevoelige bestemmingen Verder zijn de woningen niet specifiek bedoeld voor kwetsbare groepen, zoals kinderen, ouderen of zieken en is een extra bescherming en dus beperking daarom niet van toepassing. Goed woon- en leefklimaat Naast de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren woningen voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Hiervoor is gebruik gemaakt van de luchtkwaliteitkaarten uit het Geoloket. Daaruit blijkt dat de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof bij lange na niet overschreden worden (zie navolgende tabel). Soort stof
Concentratie 2018
Concentratie 2030
Wettelijke grenswaarde
Stikstofdioxide (NO2)
18-22 µg/m³
12-14 µg/m³
40 µg/m³
Fijn stof (PM10)
20-21 µg/m³
17-18 µg/m³
40 µg/m³
Zeer fijn stof (PM2,5)
12,5-13 µg/m³
10-11 µg/m³
25 µg/m³
Er wordt (op basis van metingen uit 2018) net niet voldaan aan de advieswaarden van de GGD en de WGH van 20 µg/m³ voor fijn stof en stikstofdioxide en 10 µg/m³ voor zeer fijn stof, maar door de afnemende concentratie van (zeer) fijn stof en stikstofdioxide kan aangenomen worden dat daar binnen enkele jaren wel aan voldaan wordt. 5.11.3 Conclusie Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. Daarnaast is gebleken dat er in het kader van de luchtkwaliteit sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied.
bestemmingsplan
49
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226
5.12
Mobiliteit
5.12.1 Wettelijk kader Op 26 november 2020 heeft de raad de Notitie parkeernormen Veenendaal 2020 vastgesteld. De parkeernormen zijn hiermee herzien. In het vastgestelde beleid worden flexibelere parkeernormen toegepast, waardoor er meer maatwerk mogelijk is bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in Veenendaal. Hierbij wordt meer rekening gehouden met het bestaande stedelijk gebied en met de mogelijkheden om met andere vervoerswijzen te reizen naast de personenauto. Ook worden er fietsparkeernormen geïntroduceerd om de positie van Veenendaal als fietsstad verder te versterken. Tot slot kunnen initiatiefnemers van grote ruimtelijke ontwikkelingen met behulp van een mobiliteitsplan gemotiveerd een reductie op de parkeernormen verdienen door andere vormen van mobiliteit aan te bieden en gebruik te maken van de kwaliteiten die aanwezig zijn in de nabije omgeving van het plangebied. Naast een parkeerbalans is een verkeersonderzoek noodzakelijk bij ruimtelijke ontwikkelingen die tot gevolg hebben dat het aantal verkeersbewegingen toeneemt. 5.12.2 Toetsing bouwplan Verkeersonderzoek | ontsluiting plangebied Als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure is er een mobiliteitsanalyse uitgevoerd door Royal Haskoning DHV op 12 februari 2021 (kenmerk BH1172TPNT2002131733). In de analyse zijn meerdere ontsluitingsscenario's onderzocht.
Het ontsluitingsscenario met alleen een aansluiting op de Nieuweweg, zoals nu opgenomen in dit bestemmingsplan, is als beste beoordeeld.
De realisatie van een doorgaande verbinding tussen de Nieuweweg en Dagpauwooglaan wordt afgeraden. Hierdoor gaat er meer verkeer door de Dagpauwooglaan rijden en ontstaat een sluiproute tussen de Grote Beer en Nieuweweg. Dit veroorzaakt mogelijk klachten van de omwonenden van de Dagpauwooglaan. Ditzelfde geldt voor het scenario om de ontwikkeling alleen via de Dagpauwooglaan te ontsluiten. Dit scenario functioneert, maar is minder logisch dan een ontsluiting via de Nieuweweg. Een groot voordeel van deze ontwikkeling voor de verkeersveiligheid is dat de noordelijke aansluitingen op de Nieuweweg, die er in de huidige situatie zijn, verdwijnen. Om het fietsgebruik te stimuleren, is het ook mogelijk om alleen voor langzaam verkeer (fietsers en voetgangers) een verbinding te maken tussen de ontwikkeling en de Dagpauwooglaan. Wandelen kan gestimuleerd worden door een verbinding te realiseren tussen de ontwikkeling en het park tussen de Grote Beer en Dagpauwooglaan. Deze twee adviezen zijn opgevolgd en opgenomen in het inrichtingsplan. De conclusie van de analyse is dat op basis van de resultaten van de mobiliteitsanalyse de ontwikkeling gerealiseerd kan worden. Parkeerbalans Het plangebied ligt in zone 4 als genoemd in de 'Notitie parkeernormen Veenendaal 2020'. De volgende normen gelden binnen deze zone:
50
bestemmingsplan
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226
Het woningbouwplan omvat: 155 appartementen van 60 m² of kleiner, 30 appartementen groter dan 60 m², en 14 rijwoningen groter dan 60 m². Totaal 199 woningen type woning
parkeernor m (zone 4)
vereist aantal p.p.
waarvan aandeel bezoekers (0,3)
155 app < 60 m²
0,8
124 p.p.
46,5 = 47 p.p.
30 app > 60 m²
1,4*
42 p.p.
9 p.p.
14 rijwoningen
1,4
19,6 p.p. (20)
4,2 = 5 p.p.
186
61
Totaal
*omdat het woningbouwprogramma nog niet bekend is, wordt uitgegaan van de hoogste norm. Het autoparkeren ten behoeve van de 199 te realiseren woningen is deels voorzien op het middenterrein (maaiveld). Hier komen twee parkeerterreinen met respectievelijk 13 en 31 parkeerplaatsen (totaal 44 parkeerplaatsen). Daarnaast wordt een half verdiepte parkeergarage, deels onder het woongebouw en deels onder een groen verblijfsgebied, aangelegd met een capaciteit van 154 parkeerplaatsen. Totaal worden er in het plangebied 198 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt ruimschoots aan de vereiste parkeernorm voldaan. Fietspark eren In de plannen is ruimte gereserveerd voor fietsparkeren. De rijwoningen krijgen een eigen berging, de appartementen krijgen een gezamenlijke berging op de begane grond of in de kelder. 5.12.3 Conclusie Het aspect mobiliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. In het planregels is de verplichting opgenomen dat ieder bouwplan aan het dan geldende parkeerbeleid moet voldoen.
5.13
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Op grond van artikel 7.2, lid 1 Wet milieubeheer (Wm) worden in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) de activiteiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu of activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In de bijlage van het Besluit m.e.r., onderdeel D, zijn de besluiten opgenomen ten aanzien waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. De procedure als bedoeld in artikel 7.16 t/m 7.19 Wm is van toepassing hierop.
bestemmingsplan
51
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226
Onderdeel D kent meerdere kolommen. Voor elke activiteit die genoemd wordt in onderdeel D, moet worden beoordeeld of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject is een van de genoemde activiteiten in kolom 1 van onderdeel D. Het project aan de Nieuweweg blijft echter onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 (2.000 woningen of meer). Als de activiteiten boven de drempelwaarde vallen, is de m.e.r.-beoordeling niet vormvrij. In dit geval betreft het minder dan 2.000 woningen en valt het project onder de drempelwaarde uit kolom 2 en mag de m.e.r.-beoordeling daarom vormvrij uitgevoerd worden. Deze motivering dient qua inhoud aan te sluiten bij de m.e.r.-beoordeling, maar heeft geen vormvereisten. Wel vindt deze beoordeling doorgaans plaats in de vorm van een aanmeldnotitie. 5.13.1 Toetsing bouwplan Op 2 maart 2023 heeft Kubiek Ruimtelijke Plannen in dit kader de aanmeldnotitie m.e.r. 'Nieuweweg 222-226 Veenendaal' opgesteld (projectnummer K21160 d.d. 2-3-2023). In dit rapport wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en de omgeving zal hebben. Er zijn geen essentiele milieueffecten die door middel van een milieueffectrapportage nader onderzocht moeten worden.
Voor de verschillende milieueffecten is op basis van de beschikbare onderzoeken beoordeeld of er sprake is van potentiele effecten. Een m.e.r. procedure is daarom niet noodzakelijk. Dit is bevestigd in de adviezen van de Omgevingsdienst regio Utrecht d.d. 28 februari 2023 en 22 maart 2023. 5.13.2 Conclusie Het project heeft geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu of de omgeving en dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.14
Totaalbeeld aspecten
Uit alle gevoerde onderzoeken komt naar voren dat het bestemmingsplan niet op onacceptabele gevolgen of belemmeringen stuit voor de directe omgeving.
52
bestemmingsplan
bestemmingsplan Nieuweweg 220-226
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE PLANOPZET
Inleiding
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat verbeelding en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding Zoals reeds eerder gesteld is de verbeelding gerelateerd aan de regels (en vice versa) en heeft tevens de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Sommige bestemmingen hebben een nadere aanduiding. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Verder kunnen er binnen een bestemming verklaringen zijn aangegeven. Deze hebben juridisch gezien geen enkele betekenis en zijn uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken.