3.a Bijlage 1a - Toelichting bestemmingsplan Zuivelspoor
Tekst van het document
Alle rijwoningen hebben een achtertuin en een eigen berging.
28
Het gebied met de vier blokken rijwoningen wordt aan de noordzijde geflankeerd door een appartementengebouw, aansluitend op de direct naastgelegen appartementen. Dit gebouw bakent het gebied af en is zowel op de Snipstraat (lange zijde) als de Zuivelstraat georiënteerd. De appartementen maken front naar deze straten en ook de balkons zijn aan deze zijde gesitueerd. De ontsluiting van de appartementen vindt plaats via een galerijontsluiting aan de afgeschermde binnenzijde van het gebouw. Deze appartementen krijgen een bergingsruimte onder het gebouw. Het parkeren vindt plaats op haakse parkeerplaatsen aan drie oost-west gerichte ruimten; de Snipstraat ten noorden van het gebied, een parkeerkoffer die aantakt op de Zuivelstraat en tussen het appartementengebouw en de rijwoningen ligt en een parkeerkoffertje dat aantakt op de Parallelweg helemaal ten zuiden van het gebied. Daarnaast vindt er parkeren plaats in de vorm van langsparkeren aan de Zuivelstraat. Varianten Binnen deze stedenbouwkundige hoofdopzet varieert de exacte indeling van het appartementengebouw. Hierbij wordt er gevarieerd met de hoeveelheid en grootte van appartementen waardoor er mogelijkheid is tot maatwerk op basis van de actuele woningvraag binnen Veenendaal. Voor vier van de vijf varianten zijn 19 rijwoningen mogelijk, daarnaast is er één variant waarbinnen 20 rijwoningen mogelijk zijn.
Afhankelijke van de gekozen variant zijn er in totaal maximaal 58 woningen mogelijk. Bouwhoogte De hoogte van de bebouwing past binnen de ruimtelijke structuur en de context van de betreffende locatie. Dit betekent dan ook dat er voor de verschillende bouwtypologieën verschillende maximale bouwhoogtes zijn bepaald. De grondgebonden woningen bestaan uit maximaal twee bouwlagen met een kap. Er worden maximale goot- en bouwhoogtes van 6,5 en 11 meter mogelijk gemaakt. Voor het appartementengebouw is er sprake van maximaal 5 bouwlagen aan de Zuivelstraat en gedeeltelijk 4 bouwlagen aan de Snipstraat. De maximale bouwhoogte varieert daarom tussen 16 meter aan de Zuivelstraat en 13 meter aan de Snipstraat . Bouwdiepte grondgebonden woningen In de gemeente Veenendaal wordt voor grondgebonden woningen een maximale bouwdiepte van 10 meter gehanteerd. In onderhavig plan wordt hiervan afgeweken door een woningdiepte van 10,5 meter mogelijk te maken. Met een nadere onderbouwing is dit met de gemeente afgestemd en akkoord bevonden. Hieronder wordt ingegaan op deze onderbouwing. •
Stedenbouw: Vanuit ruimtelijk oogpunt is bij rijwoningen van twee lagen met een kap de goothoogte het meest bepalend voor de ervaren hoogte van een woning. Deze verandert niet als een woning dieper wordt. Wanneer men
29
•
over de stoep loopt voor een dergelijke woning dan is de kap, en daarmee de maximale bouwhoogte, niet waarneembaar. De diepte van een woning is ter plaatse van de kopgevels te ervaren. Echter is het daarbij van belang om door een goede architectonische uitwerking deze gevels een aangename uitstraling te geven. Het is wenselijk om bij de woningen aan de Zuivelstaat dwarskappen in te zetten en deze naar voren te laten springen om zo tot een mooi stedenbouwkundig accent te komen. Hierbij is het de wens om dit als toevoeging van de basis bouwvlak in het bestemmingplan op te nemen waarmee de diepte 50 cm dieper wordt dan het standaard bouwvlak. Ontwikkeling: Naast beperkingen vanuit het bestemmingsplan zijn er voor ontwikkelaars voldoende beperkingen om niet ongebreideld diepe woningen te maken. In eerste instantie moet het tot een verkoopbaar en bruikbaar product leiden. Daarbij is een bredere woning over het algemeen een betere keuze. Ten tweede moet er voldaan worden aan vastgestelde maximale verkoopprijzen waardoor woningen ook niet oneindig diep zullen worden. Ten derde zal de woningen aan bouwregelgeving moeten voldoen zoals daglicht en minimale oppervlakken van gebruiksruimtes. En tenslotte is het gewenst dat de woningen aan redelijke eisen van welstand moeten voldoen. Waarmee de cirkel rond is want een mooi product is een beter verkoopbaar product.
Groen Het plan anticipeert door de oost-west verbindingen op een relatie naar de groene long bij een mogelijke herontwikkeling van het gebied ten westen van de locatie. De groenstructuren in het plangebied zijn daarom gesitueerd aan de haakse straten die aantakken op de Zuivelstraat. De groene ruimte tussen de twee blokken rijwoningen en het groen tussen het appartementengebouw en het gebied met rijwoningen. Daarnaast is er ruimte voor vergroening door toepassing van straatbomen in de Zuivelstraat zelf. Het beoogde plan is nog niet volledig vastgesteld waardoor er veranderingen aangebracht kunnen worden ter behoeve van een betere ruimtelijke inpassing van het voorliggende plan.
30
Hoofdstuk 5 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de relevante milieu- en omgevingsaspecten voor de ontwikkeling van de planlocatie beschreven. Het gaat hierbij om de aspecten natuur, water, archeologie, bodem, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Voor ieder aspect is een onderzoek of toets uitgevoerd.
5.1 Bodem Bij bodem wordt onderscheid gemaakt in de fysische en de chemische bodemkwaliteit. De fysische bodemkwaliteit heeft betrekking op de opbouw en samenstelling van de bodem. Denk hierbij aan draagkracht en in de bodem aanwezige voorwerpen, zoals archeologische vondsten.
5.1.1 Wettelijk kader Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Volgens het Bro zullen burgemeester en wethouders in verband met de uitvoerbaarheid van het plan onder meer een onderzoek verrichten naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op daarvoor geschikte gronden te worden gerealiseerd. Wet bodembescherming De Wet Bodembescherming bevat de voorwaarden die kunnen en worden verbonden aan het verrichten van handelingen in of op de bodem. Primair komt bescherming en sanering in de wet aan bod. De wet heeft betrekking op zowel landbodems als waterbodems. De Wet bodembescherming geeft aan wanneer er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en of er dan ook gesaneerd moet worden (saneringsnoodzaak). De hoeveelheid grond dan wel grondwater (beide in m³) en de mate van vervuiling, gemiddeld boven de interventiewaarde, zijn de criteria voor een geval van ernstige bodemverontreiniging. De interventiewaarde is de waarde, waarboven er mogelijk sprake is van humane, ecologische of verspreidingsrisico's. De urgentie van sanering wordt bepaald door de geplande projectontwikkeling. Voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging is er bij niet gewijzigd grondgebruik soms geen noodzaak tot saneren.
Voorbeelden zijn voormalige stortplaatsen en kleine verontreinigingen in het diepere grondwater. De gevallen van ernstige bodemverontreinigingen zijn door de provincie Utrecht in beeld gebracht. In een aantal gevallen is in een beschikking Wet bodembescherming aangegeven wat er met een geval van ernstige
31
bodemverontreiniging moet gebeuren. Nadat er is gesaneerd, kunnen er restverontreinigingen aanwezig zijn. Soms zijn er gebruiksbeperkingen. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is te voorkomen dat de bodem (grond en grondwater) en het oppervlaktewater verontreinigd worden door het gebruik van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Daarnaast wordt gestreefd naar hergebruik van grondstoffen, zodat minder materiaal wordt gestort en minder nieuwe grondstoffen hoeven te worden gewonnen. In het besluit zijn regels opgenomen over kwaliteitsborging, bouwstoffen, grond en baggerspecie. Grondverzet kan plaatsvinden conform het Besluit Bodemkwaliteit. Daarnaast beschikt de Gemeente Veenendaal over een Nota bodembeheer waarin gebiedsspecifieke regels zijn opgenomen voor grondverzet binnen de gemeente en binnen het hierin vastgelegde regionale bodembeheergebied.
5.1.2 Toetsing bouwplan Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet er worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming (wbb). Ontwikkelingen kunnen gerealiseerd worden indien de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt zijn of geschikt zijn gemaakt voor het beoogde gebruik. Woningen zijn gevoelige bestemmingen in het kader van de Wet bodembescherming. Om na te gaan of de beoogde gronden geschikt zijn voor het beoogde plan is een verkennend bodemonderzoek nodig. Dit onderzoek is uitgevoerd door Vink Milieutechnisch Adviesbureau (d.d. 25 oktober 2023, P23M0085, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). In dit onderzoek wordt het onderstaande geconcludeerd. In het onderzoek wordt het plangebied in deellocaties verdeeld. Ten aanzien van bodemverontreiniging wordt het volgende geconcludeerd en geadviseerd: •
•
De verontreiniging aan de westzijde van de Zuivelstraat 12 – 16 dient te worden gesaneerd. Deze is tijdens het onderzoek niet onderzocht (was reeds voldoende onderzocht). Er is hier sprake van een heterogene (sterke) verontreiniging met zink en PAK (10 VROM) van 0,35 tot maximaal 1,5 m-mv met een geschatte omvang van 540 m³ vaste bodem. Hiervoor zal een saneringsplan opgesteld worden. Een verontreiniging met minerale olie onder het pand aanwezig dient voorafgaand aan de herontwikkeling te worden gesaneerd. Deze verontreiniging is tijdens onderliggend onderzoek niet onderzocht (was reeds voldoende onderzocht). Hiervoor zal een saneringsplan of BUS-melding opgesteld worden.
32
•
Ten aanzien van de spot met een sterke verhoging aan barium en matige verhogingen aan lood wordt door Vink geadviseerd om, als hier wordt ontgraven, de spot met sterke verontreiniging en de omliggende klasse industriegrond op basis van zintuiglijke waarnemingen te ontgraven en af te voeren. De klasse industriegrond is herkenbaar aan de bijmengingen met rode baksteen (en plaatselijk kolengruis). Bij noemenswaardige hoeveelheden kolengruis of rode bakstenen dient ermee rekening te worden gehouden dat deze mogelijk niet-toepasbaar is. Deze dient naar een erkende verwerker te worden afgevoerd. Hiervoor zal een plan van aanpak opgesteld worden.
De initiatiefnemer heeft in de uitwerking van het voorliggende plan rekening gehouden met de plaatselijke bodemverontreiniging. Daarnaast heeft de initiatiefnemer de risico’s van de benodigde bodemsanering zorgvuldig onderzocht. Er zijn voldoende kosten geraamd om de aanwezige bodemverontreiniging te saneren. De financiële haalbaarheid van het plan komt niet in gevaar door de plaatselijke bodemverontreiniging en daarbij de benodigde bodemsanering.
5.1.3 Conclusie Gezien het bovenstaande kan gesteld worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Hiernaast vormen de saneringswerkzaamheden geen financiële belemmering voor het voorliggende plan.
5.2 Waterhuishouding 5.2.1 Wettelijk kader Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Vanuit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geldt de verplichting tot het doorlopen van het watertoetsproces bij een bestemmingsplanwijziging. Binnen dit proces wordt een afweging gemaakt van het waterbelang binnen de ruimtelijke planprocessen. Ruimtelijke wijzigingen kunnen een aandeel leveren in het bevorderen van de waterkwaliteit, maar mogen zeker niet leiden tot verslechtering van de waterkwaliteit. Deze verplichte watertoets geldt alleen voor ruimtelijke besluiten waar sprake is van belangrijk ruimtelijke ingrepen. Waterschap Vallei en Veluwe Vanuit het waterschap Vallei en Veluwe zijn er ook een aantal gebiedsspecifieke aandachtspunten: •
Vasthouden - bergen - afvoeren
Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de
33
riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. •
Grondwaterneutraal bouwen
Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. •
Schoon houden - scheiden - schoon maken
Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. In de keur van Waterschap Vallei en Veluwe is bepaald dat er geen watercompenserende maatregelen nodig zijn als sprake is van een toename van minder dan 0,15 ha (1500 m²) verharding binnen het stedelijk gebied. Het Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP) Het Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP) beschrijft hoe de gemeente haar zorgtaken voor afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater uitvoert. De watertaken van de gemeente bestaan uit het inzamelen en afvoeren of verwerken van stedelijk afvalwater en hemelwater. Voor zover doelmatig neemt de gemeente maatregelen tegen grondwateroverlast en zorgt zij samen met het waterschap Vallei en Veluwe dat het stedelijk oppervlaktewater schoon, veilig en beleefbaar is. Bewoners en bedrijven hebben ook een taak. Zo moeten zij zelf voor de voorzieningen op hun perceel zorgen. In sommige gebieden en situaties moeten zij ook het hemelwater bergen en verwerken of afvoeren, of zelf maatregelen nemen tegen grondwaterproblemen.
34
In dit GRWP zijn speerpunten benoemd die de komende planperiode extra aandacht krijgen. Het meest omvangrijk is het scheiden van vuil water en schoon hemelwater, ook op particulier terrein. In een groot deel van Veenendaal ligt een gemengd rioolstelsel, waarbij het vuile en schone water door dezelfde buis wordt afgevoerd. De gemeente zet het vervangen van de gemengde rioolstelsels door gescheiden systemen voort. Het schone hemelwater wordt van de riolering afgekoppeld. Het helpt om wateroverlast tegen te gaan en de gemeente klimaatbestendig te maken. Daarnaast is het goed voor het milieu.
5.2.2 Toetsing bouwplan Bij het voorliggende initiatief is er sprake van de herontwikkeling van gronden die volledig verhard zijn. In het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing is er reeds een digitale watertoets uitgevoerd (d.d. 28 september 2023). Hieronder worden de relevante wateraspecten beschouwd. Watercompensatie Het hoogheemraadschap van Vallei en Veluwe geeft aan dat bij een toename vanaf 1.500 m² aan verharding binnen de bebouwde kom dat deze gecompenseerd moet worden met nieuw oppervlaktewater. In de huidige situatie is het gehele plangebied verhard terwijl in de beoogde situatie er sprake is van vermindering van ongeveer 1.000 m² aan verharding. Geacht kan worden dat watercompensatie voor het beoogde plan achterwege kan blijven en geen belemmering vormt voor het beoogde plan. Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. Het plangebied valt, volgens de legger van het hoogheemraadschap, niet binnen een beschermingszone van een waterkering, zodat geen planologische bescherming nodig is in de vorm van een dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'.
Hemel- en vuilwater De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het hoogheemraadschap van Vallei en Veluwe over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn: • • •
de riolering wordt ontlast waardoor minder overstort van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken, waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.
35
Het hemelwater wordt afgekoppeld en afgevoerd door het te laten infiltreren in de bodem. Hierbij wordt hemelwater van de daken waar mogelijk opgevangen op eigen terrein en zo nodig in de openbare ruimte. Vuilwater zal aangesloten worden op het gemeentelijke riool waardoor het afgevoerd zal worden.
5.2.3 Conclusie Gezien het bovenstaande kan er geacht worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor het beoogde plan.
5.3 Externe veiligheid Externe veiligheid is de kans om te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Beleid en regelgeving op dit gebied is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege: a. het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); b. het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, waterwegen en spoorwegen; c. het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Met betrekking tot risico's wordt onderscheid gemaakt in twee risicomaten: Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als het risico op een plaats buiten een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Binnen de wet- en regelgeving zijn aan deze definitie grens- en richtwaarden opgehangen ten aanzien van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
Het groepsrisico is gedefinieerd als cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. In wet- en regelgeving is aan het groepsrisico een oriënterende waarde toegekend als indicator voor de omvang van een ramp en een afwegingsproces gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, rampenbestrijding en resteffecten.
36
5.3.1 Wettelijk kader De regelgeving voor inrichtingen met (over het algemeen) grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen is samengebracht in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit Besluit is aangegeven welke bedrijven bij het verlenen van een milieuvergunning of het nemen van een besluit op grond van de Wro nadere aandacht behoeven. De wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid biedt geen absolute veiligheid. Een kleine kans op een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen wordt geacht tot het normaal maatschappelijk risico te behoren. Getracht wordt om door middel van regelgeving de gevolgen zo veel als mogelijk is te beperken. De regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen is neergelegd in het “Besluit transportroutes externe veiligheid”. Deze wetgeving verankert het zogenaamde Basisnet en daarmee is de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen per 01-04-2015 vervallen. Externe veiligheid in relatie tot transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) dat op 01-01-2011 in werking is getreden.
5.3.2 Toetsing bouwplan Het beoogde plan voorziet de bouw van maximaal 58 woningen. Hierbij worden gevoelige bestemmingen toegevoegd in het plangebied. Om na te gaan of er risicovolle inrichtingen en/of transportroutes van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart externe veiligheid en het basisnet geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.
Uitsnede risicokaart externe veiligheid (Bron: Atlas Leefomgeving)
37
Transportroute gevaarlijke stoffen - weg, rail en water Het plangebied is gelegen op een afstand van minimaal 2,6 km van de A12 waarbij deze gebruikt wordt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het plangebied ligt buiten de PR-contour en andere aandachtsgebieden van de A12, waardoor het maatgevende scenario voor mogelijke rampen het scenario toxische gassen is. Gezien de afstand tot het plangebied ligt het groepsrisico zowel in de huidige als toekomstige situatie onder de oriëntatiewaarde. Het plan heeft een geringe invloed op de hoogte van het groepsrisico (toename <10%) en dient conform het Bevt beperkt verantwoord te worden. Maatgevend scenario toxische gassen Door een incident met een tank(wagen) waarin toxische stoffen vervoerd/bewaard worden, kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan in relevante gevallen door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario.
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Er worden geen specifieke functies voor minder zelfredzame personen gerealiseerd. Mogelijkheden tot voorbereiding en bestrijding van rampen Bij een incident met toxische stoffen op de A12 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de veiligheidsregio of bericht van NL-Alert is daarvoor voldoende. Risicocommunicatie naar de toekomstige bewoners/werknemers is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een koop-huurcontract of indiensttreding kunnen bewoners/werknemers op de externe veiligheidsrisico’s gewezen worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn.
De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Vluchtroutes De woningen in het plangebied zijn gemakkelijk te ontvluchten. Er bevinden zich wel doodlopende straten binnen de gevarenzone, maar de verwachting is
38
dat gevaar alsnog gemakkelijk te ontvluchten is via de Parallelweg of de Industrielaan. Hierdoor kunnen aanwezigen weg vluchten van het gevaar. Transportroute gevaarlijke stoffen - buisleidingen Het plangebied is gelegen op een afstand van minimaal 1,2 km van een aardgasleiding. Gezien de afstand tussen de leiding en het plangebied wordt er geacht dat de buisleiding geen belemmering vormt voor het beoogde plan. Gevaarlijke inrichtingen Op ongeveer 960 meter van het plangebied is een LPG-tankstation gelegen. Deze heeft een explosieaandachtsgebied van ongeveer 153 meter. Geacht wordt dat het plangebied op voldoende afstand ligt van de risicovolle inrichting en deze derhalve geen belemmering vormt. Bovengrondse hoogspanningslijn Op een afstand van ongeveer 230 meter van het plangebied is een bovengrondse hoogspanningslijn van 150 kV gevestigd. Bij raadpleging van het RIVM blijkt dat de rekenafstand waarbinnen vervolgberekeningen nodig zijn 85 meter is. Geacht wordt dat de kabels op voldoende afstand ligt om geen belemmering te vormen. Advies veiligheidsregio Op 18 januari 2024 heeft de Veiligheidsregio Utrecht advies (kenmerk:2024-000514) uitgebracht op onderhavig bestemmingsplan. Daarbij is aangegeven dat alle relevante zaken ten aanzien van externe veiligheid zijn meegenomen in het bestemmingsplan en er geen aanleiding is tot het nemen van eventuele maatregelen.
5.3.3 Conclusie Gezien het bovenstaande wordt er geacht dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het beoogde plan.
5.4 Archeologie 5.4.1 Wettelijk kader In 1992 ondertekende Nederland het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed – kortweg ‘het Verdrag van Malta’ (of Valletta). Sindsdien is het uitgangspunt van het (rijks)beleid dat archeologische waarden volwaardig meetellen in beslissingen over de ruimtelijke inrichting van ons land. De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) heeft als doel bodemverstorende activiteiten beter te reguleren. Centraal daarbij staat de verplichting om archeologische waarden in bestemmingsplannen vast te leggen. Gemeenten zijn daarbij bevoegd gezag inzake de omgang met archeologische waarden. Binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid hebben zij de vrijheid
39
naar eigen inzicht financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de zorg voor de archeologie binnen hun grondgebied. Het verdrag is in 2007 wettelijk verankerd in de herziene Monumentenwet 1988. Een deel hiervan is op 1 juli 2016 overgegaan naar de Erfgoedwet. Zowel archeologie als een deel van cultuurhistorie zijn namelijk sinds 1 juli 2016 verankerd in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. In juli 2015 nam de Tweede Kamer een amendement op de Omgevingswet aan, waarin gesteld wordt dat gemeente de archeologische dubbelbestemmingen beter moeten onderbouwen. Daarbij is van belang dat de archeologische monumenten aantoonbaar moeten worden gemaakt. Het archeologisch erfgoed heeft hiermee een prominente plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde "veroorzakerprincipe". Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden.
Gemeenten dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1 en 3.38 Wro altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat gemeenten het kader moeten stellen voor de archeologische monumentenzorg. Zij hebben dus een kerntaak in de uitvoering van de archeologische monumentenzorg en moeten bij ruimtelijke besluitvorming het archeologische belang afwegen tegen de andere belangen. In de afgelopen 8 jaar zijn diverse archeologische onderzoeken binnen de gemeente uitgevoerd en zijn er nieuwe bronnen beschikbaar die relevant zijn voor de archeologische verwachting. Daarom is de archeologische beleidskaart uit 2010 geactualiseerd en heeft er een verfijning plaatsgevonden van het verwachtingenmodel. Dit heeft geresulteerd in een geactualiseerde archeologische beleidskaart die op 25 juni 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld. De beleidskaart is vervolgens juridisch vertaald in het bestemmingsplan 'Parapluplan 2020', welke eveneens is vastgesteld door de raad op 25 juni 2020. Enkel bleek dat de regels in het bestemmingsplan onvoldoende waren, waarna het bestemmingsplan 'Parapluplan 2022' is opgesteld en vastgesteld door de raad op 20 april 2023.
5.4.2 Toetsing bouwplan De gemeente Veenendaal heeft een archeologische verwachtingskaart opgesteld voor de stad Veenendaal op 22 januari 2010 en laten actualiseren op 15 oktober 2018. Hierbij is de verwachtingswaarde voor archeologische resten binnen het
40
plangebied aangeduid als 'laag', waarbij een archeologisch onderzoek enkel nodig is indien het beoogde plan plichtig is aan een volledige m.e.r. rapportage. Het beoogde plan is niet plichtig aan een volledige m.e.r. rapportage, waardoor onderzoek niet noodzakelijk is. In alle gevallen blijft onverminderd de meldingsplicht van archeologische toevalsvondsten conform de Erfgoedwet (artikel 5.10 en 5.11) van kracht. Concreet betekent dit dat indien bij het graafwerk onverhoopt toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, hiervan melding gemaakt dient te worden.
5.4.3 Conclusie Geacht wordt dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor het beoogde plan.
5.5 Cultuurhistorie 5.5.1 Wettelijk kader In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
5.5.2 Cultuurhistorische kenmerken In 2018 is de cultuurhistorische waardenkaart door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit kenmerkenkaarten voor de disciplines landschap en gebouwde omgeving, uit waardenkaarten voor diezelfde aspecten, uit een viertal themakaarten en uit een integrale ensemblekaart, waarop de gebieden die staan die – samen met de sectorale landschappelijke en gebouwde kaarten – het palet aan cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Veenendaal laten zien. De thema’s waarop in het bijzonder ingezoomd is, zijn vervening, industrie, religie en militair erfgoed. Deze vier thema’s vormen een belangrijk deel van het ‘verhaal van Veenendaal’, waarvan in wisselende hoeveelheden ook nog relicten in het huidige Veenendaal – ondergronds, landschappelijk of gebouwd – terug te vinden zijn.
5.5.3 Toetsing bouwplan De gemeente Veenendaal heeft door het Monument Advies Bureau (MAB) en RAAP een cultuurhistorische waardenkaart van de stad Veenendaal opgesteld. Uit raadpleeging van deze kaart blijkt dat er vroeger cultuurhistorische waarden
41
aanwezig waren binnen het plangebied, namelijk een oud veengebied en de melkfabriek 'Verniez'. De melkfabriek 'Verniez' was aanwezig binnen het plangebied ten minsten van 1930 tot en met 1970 wanneer deze failliet verklaard werd en de fabriek werd gesloten. Voor de tijd dat de fabriek actief was werden vele melkproducten, waaronder melkpoeder, vla, yoghurt en meer geproduceerd. Na raadpleging van de BAG gegevens van de aanwezige panden is er gebleken dat het originele pand niet meer aanwezig is binnen het plangebied. Hiernaast zijn er geen overblijfselen van de melkfabriek te vinden op straatniveau, waardoor er geacht wordt dat de fabriek compleet gesloopt is en instandhouding van mogelijke restanten niet meer mogelijk is.
Foto van melkfabriek 'Verniez', auteur onbekend (Bron: Veenendaalopdekaart.nl)
Hiernaast zijn er in de huidige situatie geen sporen te bekennen die kunnen duiden op enige cultuurhistorische waarden, de naam 'Zuivelstraat' is tot zoverre het enige restant dat er bekend is binnen het plangebied dat verwijst naar de historische melkfabriek. Na raadpleging van de BAG gegevens van de woningen aan de Parallelweg 3, 4 6 en 7 is er bleken dat deze woningen oud genoeg zijn om mogelijk verband te hebben gehad met de melkfabriek. Het voorliggende plan zal geen afbreuk doen van deze woningen omdat de huidige bebouwing geen verbinding heeft met de bovengenoemde woningen.
5.5.4 Conclusie Geacht wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het beoogde plan.
42
5.6 Ecologie 5.6.1 Wettelijk kader Voor ecologie moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met soortbescherming gericht en met gebiedsbescherming. De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming zorgt voor een goede natuurbescherming van planten- en diersoorten, natura 2000-gebieden, en bossen. Sommige plant- en diersoorten worden beschermd omdat ze als kwetsbaar worden gekenmerkt. De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet, en de Flora- en Faunawet zijn vanaf 1 januari 2017 opgenomen in de Wet natuurbescherming. De provincie is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierin worden de soortbescherming en de gebiedsbescherming nader belicht omdat beide voor het bestemmingsplan van belang zijn. De regels die voorheen in de Boswet waren opgenomen zijn binnen het plangebied niet van toepassing omdat het gehele gebied binnen de bebouwde kom ligt. Een nadere beschrijving van dit deel van de wet is dan ook niet opgenomen. Soortbescherming Een belangrijk doel van de wet is het beschermen van alle soorten planten- en dieren die in het wild in Nederland voorkomen. De wet gebiedt dat alle in het wild levende dieren en planten in principe met rust worden gelaten, wat is vastgelegd in de algemene zorgplicht.
In de regelgeving heeft de gunstige staat van in stand houding van soorten een prominentere plek gekregen. De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen: • •
Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Provincies hebben de mogelijkheid om voor bepaalde soorten aanvullende maatregelen vast te stellen. De provincie Utrecht heeft hiervoor al een lijst opgesteld met prioritaire soorten en aanvullende maartregelen per soort. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is van toepassing op natuurgebieden die door de overheid zijn aangewezen in het kader van de vogelrichtlijn en/of de habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn richt zich op de bescherming van natuurlijke habitats en leefgebieden van aangewezen planten- en dierensoorten. De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming van leefgebied van beschermde vogelsoorten. Belangrijk is dat ruimtelijke projecten niet zonder meer mogen worden gerealiseerd in beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Projecten die in de nabijheid van beschermde natuurgebieden (inclusief de Habitatrichtlijngebieden) worden
43
geprojecteerd, dienen te worden getoetst op de mogelijke negatieve effecten die zij op deze gebieden kunnen hebben (externe werking). Indien een negatief effect vermoed wordt dan moet bij de Provincie een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd worden. De Provincie zal naar aanleiding van de aanvraag een beschikking opstellen. De beschikking kan een verbod van het project betekenen of voorwaarden verbinden aan de uitvoer. De Wet natuurbescherming beschermt geen gebieden buiten de natura 2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland Naast de volgens de wet aangewezen gebieden kent Nederland het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). Het NNN is bedoeld voor het ontwikkelen van ecologische zones tussen verschillende natuurgebieden zodat populaties met elkaar in verbinding blijven en versnippering van natuur wordt tegen gegaan. Het is uiteraard niet wenselijk dat een ontwikkeling een verstorende werking heeft op de functie van deze verbindingszones. Deze zones zijn niet beschermd volgens de Wet natuurbescherming maar krijgen planologische bescherming doordat deze in bestemmingsplannen worden opgenomen. Projecten en bestemmingsplannen worden getoetst aan dit provinciale beleid.
5.6.2 Toetsing bouwplan Het beoogde plan heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming). beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Derhalve geldt de wettelijke verplichting om onderzoek uit te voeren. Deze is uitgevoerd door DGR (d.d. 18 november 2021, 21251, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Uit deze quickscan volgen de onderstaande conclusies. Gebiedsbescherming De planlocatie ligt buiten Natura 2000-gebieden en buiten het Utrechts Natuurnetwerk. Het beoogde plangebied ligt op ongeveer 1,2 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Binnenveld'. Voor effecten op Natura 2000-gebieden (trillingen, geluid, optische verstoring, etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden voldoende is om effecten uit te kunnen sluiten. Hierbij geldt wel de uitzondering dat effecten als gevolg van stikstofdepositie niet uitgesloten zijn, waardoor er hieronder een AERIUS berekening is opgenomen. Omdat het plangebied buiten het UNN ligt, zijn daarop geen negatieve effecten voorzien. Stikstofdepositie In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten kunnen optreden in Natura 2000-gebieden.
Zo dient aangetoond te worden dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Er zijn voor dit project AERIUS-berekeningen uitgevoerd voor de aanlegfase en de gebruiksfase (Buro SRO, d.d. 28 november 2023, zie bijlagen bij
44
toelichting bijlage 3). Uit de berekeningen blijkt dat er zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten groter dan 0,00 mol/ha/jr zijn. Soortenbescherming Er kan worden aangenomen dat er geen beschermde flora aanwezig is in het plangebied. Er kan niet worden uitgesloten dat in het plangebied vaste verblijfplaatsen van vleermuizen voorkomen. Er is geen sprake van vaste verblijfplaatsen van overige beschermde zoogdiersoorten zonder vrijstelling in de onderzochte panden. Toch kunnen verblijfplaatsen van Steenmarter niet geheel worden uitgesloten. De industrieloodsen zijn ongeschikt voor jaarrond beschermde nesten voor zowel Huismus als Gierzwaluw. Voor roofvogels, reptielen, amfibieën, vissen, insecten en andere ongewervelden zijn verblijfplaatsen of essentieel leefgebied uitgesloten. Hierdoor is voor onderhavige locatie nader onderzoek naar de Gewone, Ruige, Kleine dwergvleermuis, Laatvlieger, Gewone grootoorvleermuis nodig om te bepalen of de gebouwen verblijfplaatsen bevatten van deze soorten en welke functies (zomer-, winter-, paar-, kraamverblijf) deze gebouwen daarvoor vervullen. Onderzoek naar Steenmarter is noodzakelijk, tenzij volgens een goedgekeurde gedragscode gewerkt zal worden. Op dit vervolgonderzoek wordt hieronder ingegaan.
Aanvullend onderzoek Huismus, Giezwaluw en Vleermuizen Om na te gaan of de bovengenoemde soorten inderdaad gebruik maken van het plangebied is er een vervolgonderzoek soortenbescherming uitgevoerd (Veldbiologische Werken, d.d. 20 oktober 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Dit onderzoek is voor het gehele Deelgebied D Zuid uitgevoerd. Er zal in de toelichting van dit bestemmingsplan daarom alleen ingegaan worden op de voor onderhavig bestemmingsplan relevante uitkomsten. Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied niet gebruikt wordt door Huismussen, Ringmussen en Gierzwaluwen waardoor er voor deze soorten geen sprake is van mogelijk strijdig handelen met de Wet natuurbescherming. Een ontheffing Wet natuurbescherming is voor deze soorten niet aan de orde voor Huismussen en Gierzwaluw.Wel zijn er zomerverblijfplaatsen van de Gewone dwergvleermuis en vliegroutes van passerende Gewone dwergvleermuizen aangetroffen binnen het plangebied. Van andere vleermuissoorten werden geen verblijfsplaatsen of ander functioneel gebruik van het plangebied vastgesteld. Met onderhavig plan worden ingrepen beoogd waarbij de verblijfplaatsen van Gewone dwergvleermuis worden vernietigd, waardoor er een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd moet worden. Op basis van vergelijkbare cases ligt het in de lijn der verwachting dat een ontheffing verkregen kan worden.
5.6.3 Conclusie Voor het aspect ecologie dient er een ontheffing voor de wet Natuurbescherming te worden aangevraagd in verband met de sloop van meerdere verblijfplaatsen van de Gewone dwergvleermuis. Het ligt in de lijn der verwachting dat deze ontheffing
45
verleend wordt. Derhalve vormt het aspect ecologie geen belemmering voor het voorliggende plan.
5.7 Bedrijven- en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. De basis hiervoor vormt de Wet milieubeheer. In de VNG handreiking 'bedrijven en milieuzonering' 2009 zijn de aan te houden afstanden opgenomen. Hieraan wordt het plan dan ook getoetst. Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) dienen binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen.
5.7.1 Toetsing bouwplan Het beoogde plan betreft de realisatie van woningen, waardoor er een gevoelige functie wordt toegevoegd aan de toekomstige situatie. Om te toetsen of het plan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening is het initiatief getoetst aan de VNGpublicatie 'Bedrijven en Milieuzonering'. De VNG-publicatie stelt dat een gebied gezien kan worden als 'gemengd gebied' indien er sprake is van een matige tot sterke functiemenging. Het plangebied is gelegen nabij een spoorweg en de wegen Industrielaan en Kerkewijk. De directe omgeving van de woningen bestaat uit woningen, horeca en bedrijven. Derhalve is sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Om die reden kan de richtafstand, met uitzondering van het aspect gevaar, met één afstandsstap worden verminderd. Aan de hand van het geldende bestemmingsplan is er in kaart gebracht welke bedrijfsactiviteiten aanwezig zijn in de omgeving van de beoogde woningen. In onderstaande tabel is inzichtelijk gemaakt of er voldaan wordt aan de richtafstanden.
46
Naam activiteit
Adres
Milieucategorie (maximaal toegestaan)
SBI code 2008
Minimale richtafstand tot plangebied (gemengd gebied)
Centrum voor Mondprothetiek
Parallelweg 1, 3903 BA Veenendaal
1
8621, 8622, 8623
0m
45 m
2
85521
10 m
20 m
2
561
10 m
33 m
2
473-3
10 m
100 m
1
451, 452, 454
0m
0m
2
n.v.t.
10 meter
11 meter
2
n.v.t.
10 meter
11 meter
2
n.v.t.
10 meter
11 meter
Dansschool Wim en Karina Ruitenbeek Snackbar Engelenburg
Van
Esso Express
Peter's Service
Carclean
Bedrijfsfunctie
Bedrijfsfunctie
Bedrijfsfunctie
Parallelweg 10, 3903 BA Veenendaal Zuivelstraat 26, 3903 AE Veenendaal Industrielaan 1A, 3903 AA Veenendaal
Parallelweg 9, 3903 BA Veenendaal Parallelweg 6, 3903 BA Veenendaal Parallelweg 5, 3903 BA Veenendaal Parallelweg 6a, 3903 BA Veenendaal
Werkelijke afstand tot woning
Alle bestaande bedrijven liggen op voldoende afstand om te kunnen voldoen aan de richtafstand zoals beschreven in de VNG-publicatie. Desondanks is er nog onderzoek uitgevoerd naar mogelijk geluidshinder als gevolg van de dansschool aan de parallelweg 10. Dansschool Ruitenbeek Parallelweg 10 Door Peutz is een onderzoek uitgevoerd naar het geluid in de geprojecteerde woonomgeving ten gevolge van Dansschool Ruitenbeek in het kader van de wijziging van het bestemmingsplan (d.d. 25 februari 2022, O16639-4-RA, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Hieruit blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) vanwege de directe hinder van de dansschool ten hoogste 46 dB(A) bedraagt in zowel de dag- als avondperiode (inclusief 10 dB muziektoeslag). Hiermee wordt de grenswaarde van 45 dB(A) uit de VNG-publicatie en het Activiteitenbesluit, geldend in de avondperiode, met ten hoogste 1 dB(A) overschreden. In de dagperiode wordt voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A). De representatieve bedrijfssituatie is niet van toepassing op de nachtperiode (na
47
23.00 uur), waardoor in die periode zonder meer wordt voldaan aan de grenswaarde van 40 dB(A). Voorts blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) vanwege de indirecte hinder (verkeersaantrekkende werking) van de dansschool ten hoogste 46 dB(A)-etmaalwaarde bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A)-etmaalwaarde uit de VROM-circulaire. Teneinde in de avondperiode te voldoen, zijn mogelijke maatregelen omschreven in paragraaf 6.3 van het rapport. In genoemde paragraaf zijn tevens mogelijke maatregelen omschreven in het geval ook in de nachtperiode voldaan dient te worden tijdens de niet-representatieve bedrijfsvoering. De Omgevingsdienst regio Utrecht heeft het onderzoek akkoord bevonden en heeft geadviseerd de geluidisolatie van één of meerdere nooddeuren te verbeteren, waarna voldaan kan worden aan de richt- en grenswaarden. In overleg met de dansschool worden de voorgestelde maatregelen uit het rapport uitgevoerd door Bouwbedrijf Kreeft B.V.
5.7.2 Conclusie Geacht wordt dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor het beoogde plan.
5.8 Ontplofbare oorlogsresten 5.8.1 Achtergrond Het is bekend dat in de gemeente Veenendaal tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen zijn geweest. Dit houdt in dat er op plaatsen mogelijk ontplofbare oorlogsresten (OO) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Uit de praktijk is gebleken dat circa 10% van de afgeworpen bommen niet is geëxplodeerd en in de bodem is achtergebleven als blindganger. De gemeente Veenendaal heeft in mei 2018 beleid ten aanzien van OO vastgesteld. Door het vaststellen van een gemeentelijk beleid wordt geborgd dat activiteiten met betrekking tot OO binnen de gemeente worden getoetst en daar waar nodig beheersmaatregelen kunnen worden genomen en/of voorgeschreven. Het beleid is tevens bedoeld om eenieder die van plan is grondroerende werkzaamheden binnen de gemeente uit te voeren, te verplichten de benodigde acties te ondernemen met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid en risico's van OO op de betreffende locatie. Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) OO wordt alleen uitgevoerd om het risico met betrekking tot OO weg te nemen, en daarmee een veilige werkomgeving en leefomgeving te creëren tijdens uit te voeren werkzaamheden of activiteiten. Dit is ook de reden dat de gemeente Veenendaal altijd ingelicht moet worden als er
48
projectmatig bodemroerende activiteiten plaatsvinden binnen gebieden die als verdacht zijn aangemerkt. Vanwege voortschrijdende inzichten in de gebeurtenissen tijdens de Tweede Oorlog heeft er in 2020 een update van de bodembelastingkaart conventionele explosieven plaatsgevonden.
5.8.2 Toetsing bouwplan Op de onderstaande kaart is het plangebied globaal omcirkeld (rood). Hieruit blijkt dat het plangebied geen deel uitmaakt van een verdacht gebied, waardoor nader onderzoek achterwege kan blijven.
49
Kaart ontplofbare oorlogsresten binnen Veenendaal
5.8.3 Conclusie Vanuit het aspect ontplofbare oorlogsresten zijn er geen belemmeringen om aan het plan mee te werken. Mochten er tijdens de werkzaamheden toch ontplofbare
50
oorlogsresten worden aangetroffen, dan dient te worden gehandeld overeenkomstig het protocol 'Onverwacht aantreffen van CE'.
5.9 Geluid 5.9.1 Wettelijk kader Tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh) is een koppeling gelegd. Dat blijkt uit art. 76 en 76a van de Wgh. Dit betekent dat de geluidssituatie binnen het plangebied moet voldoen aan de voorwaarden uit de Wgh. Als nadere invulling van deze voorwaarden heeft de gemeente Veenendaal de beleidsregel hogere waarden Wgh opgesteld. In het kader van de Wet geluidhinder liggen er zones rond wegen en spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen. Wegen op een woonerf of met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen zone. Binnen een zone moet voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, onderzoek worden gedaan naar de geluidbelasting. Binnen de geluidszone geldt een voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting ter plaatse van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. Hierbij geldt een afzonderlijke toetsing per weg, spoorweg of industrieterrein. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde moet worden onderzocht of geluid reducerende maatregelen getroffen kunnen worden, waarbij de volgorde bron- overdracht- en ontvangermaatregelen de voorkeur geniet. Beleidsregel hogere waarden Pas als blijkt dat niet aan de voorkeurswaarde kan worden voldaan kan het college van Burgemeester en Wethouders een hogere waarde verlenen (ontheffing van de voorkeurswaarde).
Hierbij geldt wel een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde vast te stellen dienen bron- en overdrachtsmaatregelen afgewogen te worden. In deze beleidsregel worden randvoorwaarden genoemd voor het toestaan van hogere geluidsbelastingen dan de voorkeurswaarde. De voorwaarden zijn geformuleerd als eis of als inspanningsverplichting. Indien niet aan de inspanningsverplichting kan worden voldaan dient de initiatiefnemer te motiveren waarom dit niet kan of waarom voor een alternatieve oplossing is gekozen.
5.9.2 Toetsing bouwplan Woningen zijn geluidsgevoelig in de zin van de Wet geluidhinder (Wgh). De locatie aan de Zuivelstraat ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Kerkewijk, de Industrielaan, 't Goeie Spoor en de Spoorlaan (50 km/u deel). Omdat het beoogde plan nieuwe woningen mogelijk maakt, is er een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai door Peutz uitgevoerd (Peutz, d.d. 25 februari 2022, O 16639-4-RA, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Dit
51
onderzoek gaat in op het gehele stationskwartier D Zuid zoals toendertijd het uitgangspunt was. In paragraaf 3.1 van het onderzoek worden de verschillende deelgebieden uiteengezet. Onderhavig bestemmingsplan betreft uitsluitend het deelgebied 'Plan Murry Grey'. Derhalve zijn ook enkel de onderzoeksresultaten voor het deelgebied 'Murry Grey' relevant voor dit bestemmingsplan. Wegverkeerslawaai In het onderzoek worden de resultaten voor de woningen en appartementen 'Plan Murry Grey' weergegeven. Uit het onderzoek is gebleken dat de hoogste verwachte gevelbelasting voor de woningen van het beoogde plan 43 dB bedraagt en 47 dB voor appartementen. Hierbij blijft de gevelbelasting onder de voorkeurswaarde van 48 dB en hoeven er geen verdere maatregelen voor dit aspect uitgevoerd te worden. Spoorweglawaai Uit het onderzoek is gebleken dat de hoogste verwachte gevelbelasting voor het beoogde plan 53 dB bedraagt voor de woningen en 43 dB voor appartementen. Hierbij wordt de voorkeursgrenswaarde van 55 dB bij de woningen en de appartementen niet overschreden en zijn verder geen maatregelen noodzakelijk.
5.9.3 Conclusie Geacht wordt dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
5.10 Trillinghinder 5.10.1 Wettelijk kader Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan, kan het belangrijk zijn om rekening te houden met trillingsbronnen en de mogelijke overlast daarvan in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6 onder d van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel staat een verwijzing naar artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht. Hierin is geregeld dat het gemeentebestuur bij haar besluitvorming de nodige kennis over de belangrijke feiten en de af te wegen belangen vergaart. Hoewel er geen wettelijke normen bestaan voor trillinghinder, dient het aspect trillingen in het kader van de goede ruimtelijke ordening en de zorgvuldige voorbereiding van besluiten wel te worden afgenomen als er een trillingsbron in de omgeving aanwezig is. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen (Rijksoverheid, 2019). Hierin wordt geadviseerd om in ieder geval bij bestemmingsplannen die woningen binnen 250 meter van een spoorweg mogelijk maken, te beoordelen in hoeverre klachten, bodemopbouw en/of het treinbeeld aanleiding geven voor het doen van nader onderzoek.
52
5.10.2 Toetsing bouwplan Het voorliggende bestemmingsplan maakt woningbouw op circa 40 meter afstand van het spoor mogelijk. Daarom is door Peutz een onderzoek uitgevoerd naar mogelijke hinder als gevolg van trillingen van de nabijgelegen spoorweg (Peutz, d.d. 4 augustus 2021, O 16639-2 RA, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Dit onderzoek gaat in op het gehele stationskwartier D Zuid zoals toendertijd het uitgangspunt was. In paragraaf 3.1 van het onderzoek worden de verschillende deelgebieden uiteengezet. Onderhavig bestemmingsplan betreft uitsluitend het deelgebied 'Plan Murry Grey'. De woningen in onderhavig plan liggen op een grotere afstand van het spoor dan de meetlocaties. Uit het onderzoek is gebleken dat bij goed gedimensioneerde funderingen er voldaan wordt aan de richtwaarde voor trillingen uit SBR-richtlijn B. Dit zal naar verwachting ook het geval zijn voor de woningen in het plangebied. Wel wordt er aangeraden om de constructie met behulp van een Eindige Elementen Methode door te rekenen op eigenfrequenties van de vloeren en op dempend vermogen van de fundatie om in de woningen eventuele hinder uit te sluiten. In het kader van de omgevingsvergunning zal indien noodzakelijk een aanvullende berekening uitgevoerd worden. In de planregels is ten aanzien van het aspect trilling een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
5.10.3 Conclusie Geacht wordt dat er geen sprake zal zijn van trillinghinder van de nabijgelegen spoorweg en het aspect trilling geen belemmering zal vormen voor de beoogde ontwikkeling.
5.11 Luchtkwaliteit 5.11.1 Wettelijk kader Voor luchtkwaliteit zijn de luchtkwaliteitseisen (hoofdstuk 5.2) van de Wet milieubeheer van kracht. Hierin is vastgelegd dat onder meer ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. Deze Wet is nader uitgewerkt in Besluiten en Regelingen, waarvan het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate (nibm), het Besluit gevoelige bestemmingen en de Regeling beoordeling de belangrijkste zijn. Daarnaast is ook het beginsel van een goede en duurzame ruimtelijke ordening van belang. Niet in betekenende mate (nibm) Alleen projecten die ‘in betekenende mate’ bijdragen aan de concentraties luchtvervuiling worden getoetst aan de grenswaarden. Er dient te worden onderzocht of een project ‘in betekenende’ mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Het Besluit nibm bepaalt dat een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtvervuiling als deze minder dan 3% van de grenswaarde,
53
ofwel 1,2 microgram per m³. De Regeling nibm is hier een nadere uitwerking van. Hierin is bepaald dat woningbouwprojecten tot 1.500 woningen en kantoren tot 100.000 m² zijn vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. Besluit gevoelige bestemmingen Kinderen, ouderen en zieken zijn gevoeliger voor luchtvervuiling en worden daarom extra beschermd. Op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen gelden voor gevoelige bestemmingen nabij wegen zwaardere beperkingen. Zo mogen binnen 300 meter van rijkswegen en 50 meter vanaf provinciale wegen geen bestemmingen voor langdurig verblijf als kinderdagverblijven, scholen of verzorgingstehuizen worden gebouwd, als de wettelijke grenswaarden worden overschreden. Het Besluit verplicht overheden om onderzoek uit te voeren naar de concentraties stikstofdioxide en fijn stof. Voor gemeentelijke wegen geldt een zwaardere motiveringsplicht. Concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof De Omgevingsdienst heeft de concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof voor het jaar 2015 en 2025 berekenend met het rekenmodel GeoMilieu. De wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde ligt op 40 microgram per m³. De uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 microgram per m³ wordt overschreden wanneer de concentraties gemiddeld op jaarbasis boven de 60 microgram per m³ uitkomen.
5.11.2 Toetsing bouwplan Voor de voorgenomen ontwikkeling worden maximaal 20 grondgebonden woningen en maximaal 38 appartementen gebouwd. Hierbij zal er een toename van verkeersbewegingen zijn van circa 278,8 mvt/e. Met gebruikmaking van de NIBM rekentool is bepaald of het plan aan te merken is als 'niet-in-betekende-mate'. Uit de berekening blijkt dat het project aan te merken is als een zogenaamd NIBM project. De ontwikkeling draagt 'niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging waardoor het niet hoeft te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Op de onderstaande afbeelding is het resultaat van de NIBM rekentool weergeven.
54
Naast de beoordeling om het project aan te merken als een NIBM-project dient ook beschouwd te worden of de huidige luchtkwaliteit de beoogde functies toelaat. Hiervoor is met behulp van de Atlas Leefomgeving gekeken naar de huidige concentraties van fijnstof en stikstofdioxide. Uit raadpleging blijkt dat de concentratie van fijnstof en stikstofdioxide 17,4 µg/m³ PM10, 10,1 µg/m³ PM2,5 en 13,2 µg/m³ NO2.
5.11.3 Conclusie Geacht wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het beoogde plan.
5.12 Mobiliteit 5.12.1 Wettelijk kader Op 25 mei 2023 heeft de raad de Notitie parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023 vastgesteld. De parkeernormen zijn hiermee herzien. In het vastgestelde beleid worden flexibelere parkeernormen toegepast, waardoor er meer maatwerk mogelijk is bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in Veenendaal. Hierbij wordt meer rekening gehouden met het bestaande stedelijk gebied en met de mogelijkheden om met andere vervoerswijzen te reizen naast de personenauto. Ook worden er fietsparkeernormen geïntroduceerd om de positie van Veenendaal als fietsstad verder te versterken. Tot slot kunnen initiatiefnemers van grote ruimtelijke ontwikkelingen met behulp van een mobiliteitsplan gemotiveerd een reductie op de parkeernormen verdienen door andere vormen van mobiliteit aan te bieden en gebruik te maken van de kwaliteiten die aanwezig zijn in de nabije omgeving van het plangebied.
55
5.12.2 Toetsing bouwplan Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Hiernaast kan het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
Parkeren De ‘Notitie parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023’ van de gemeente Veenendaal hanteert verschillende zones waarop de parkeernorm is gebaseerd. Het beoogde plangebied maakt deel uit van zone 1, waardoor er relatief gezien een lage parkeernorm is ten opzichte van de rest van Veenendaal. Het beoogde programma voor deze ontwikkelilng betreft 38 sociale huur appartementen en 20 rijwoningen. Omdat met onderhavig bestemmingsplan meerdere programma's mogelijk worden gemaakt wordt ook de maximale parkeerbehoefte inzichtelijk gemaakt. Als worstcase scenario is uitgegaan van 38 kleine appartementen in de middenhuur en 20 rijwoningen. Dit is de maximale parkeerbehoefte. De parkeerbehoefte van het beoogde programma en het worstcase scenario zijn in de onderstaande tabellen uitgewerkt. Functie Appartement huur) Rijwoning Totaal
Aantal wooneenheden (sociale
Parkeernorm wooneenheid 0,5
38 20 58
0,8
per
Totale parkeerbehoefte 19,0 16,0 35,0
Parkeerbehoefte beoogde programma
Afgerond komt de parkeerbehoefte van het beoogde programma neer op 35 parkeerplaatsen. Het beoogde plan voorziet in de aanleg van 41 parkeerplaatsen,