CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

3.a Bijlage 1a - Toelichting bestemmingsplan Zuivelspoor

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan ‘Zuivelspoor’20.183 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

Zuivelspoor, Veenendaal Gemeente Veenendaal TOELICHTING

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.0345.BPZuivelspoor-vg01

Datum:

25 maart 2024

Kenmerk Buro SRO:

Bouwbedrijf Kreeft B.V.

Opdrachtgever:

SR230286

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

2

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 INLEIDING .............................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding en doel............................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Vigerend(e) plan(nen) ......................................................................................................................................... 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

Hoofdstuk 2 BESTAANDE SITUATIE ........................................................................................................... 8 2.1 Ruimtelijke structuur........................................................................................................................................... 8 2.2 Functionele structuur .......................................................................................................................................... 9

Hoofdstuk 3 BELEIDSKADER ................................................................................................................... 10 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 10 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 12 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 17 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 19

Hoofdstuk 4 PLANBESCHRIJVING ............................................................................................................ 28 4.1 Bouwplan .......................................................................................................................................................... 28 4.2 Stedenbouw ...................................................................................................................................................... 28

Hoofdstuk 5 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN ................................................................................... 31 5.1 Bodem ............................................................................................................................................................... 31 5.2 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 33 5.3 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 36 5.4 Archeologie ....................................................................................................................................................... 39 5.5 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................. 41 5.6 Ecologie ............................................................................................................................................................. 43 5.7 Bedrijven- en milieuzonering ............................................................................................................................

46 5.8 Ontplofbare oorlogsresten ................................................................................................................................ 48 5.9 Geluid ................................................................................................................................................................ 51 5.10 Trillinghinder ................................................................................................................................................... 52 5.11 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................. 53 5.12 Mobiliteit ......................................................................................................................................................... 55 5.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling.......................................................................................................................... 59 5.14 Totaalbeeld aspecten ...................................................................................................................................... 61

Hoofdstuk 6 JURIDISCHE PLANOPZET..................................................................................................... 62 6.1 Inleiding ............................................................................................................................................................. 62 6.2 De indeling van de planregels ........................................................................................................................... 62 6.3 Bestemmingen .................................................................................................................................................. 64

Hoofdstuk 7 FINANCIEEL-ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .............................................................. 68 Hoofdstuk 8 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID .......................................................................... 69 8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro ............................................................................................................................... 69 8.2 Ontwerp ter inzage legging ............................................................................................................................... 69

3

4

Hoofdstuk 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de herbestemming van een gedeelte van het huidige bedrijventerrein aan de Zuivelstraat te Veenendaal. In de huidige situatie is hier verouderde bedrijfsbebouwing aanwezig. De ontwikkelaar van deze gronden is voornemens om de bedrijfslocatie geschikt te maken voor het bouwen van maximaal 58 woningen. De locatie kent in het vigerende bestemmingsplan "Woongebieden 2018" de bestemming ‘Bedrijf’. De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk binnen deze bestemming. Om de woningbouw juridisch-planologisch mogelijk te maken, wordt een procedure tot vaststelling van een nieuw bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening gevolgd. Met voorliggend bestemmingsplan wordt het plan voorzien van een ruimtelijk juridisch kader.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied voor het voorliggende plan omvat een aantal percelen rondom de Zuivelstraat in de gemeente Veenendaal. De locatie is tevens onderdeel van Stationskwartier D-Zuid. Het plangebied is gelegen ten zuidoosten van het station Veenendaal Centrum en ten zuiden van het winkelgebied van Veenendaal. Het plangebied maakt deel uit van de buurt Het Ambacht, een oud industriegebied dat getransformeerd wordt naar een woon-werkgebied. Ten slotte wordt het plangebied begrensd door de Parallelweg, Snipstraat en de Zuivelstraat. Het plangebied is kadastraal bekend onder de gemeente Veenendaal, sectie C, perceelsnummers 3422, 3423 en een deel van 3920. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van circa 6.300 m². Hieronder is de globale ligging en omlijning van het plangebied weergeven.

5

Globale ligging plangebied, omcirkeld in rood (Bron: Google Earth)

Globale omlijning van het plangebied, omlijnd in rood (Bron: Google Earth)

1.3 Vigerend(e) plan(nen) Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan "Woongebieden 2018". Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van Veenendaal op 20 september 2018. Hiernaast gelden voor het plangebied de parapluplannen "Parapluplan 2020" en "Parapluplan 2022" (vastgesteld op 25 juni 2020 en 20 april 2023). Onder het vigerende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Bedrijf' en kent het een maximale bouwhoogte van 12 meter. Op de gronden met de bestemming 'Bedrijf' zijn bedrijven en bedrijfsactiviteiten die genoemd staan in de milieucategorieën 1 en 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten toegestaan. Bedrijven met een hogere milieucategorie of specifieke bedrijven worden nader aangeduid op de kaart.

6

Voorts ligt het plangebied binnen een gebiedsaanduiding 'milieuzone grondwaterbeschermingsgebied'. Deze gronden zijn aangeduid ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater. Voor diverse werkzaamheden is een omgevingsvergunning benodigd. Hieronder is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weergegeven.

Uitsnede huidige bestemmingsplan 'Woongebieden 2018', plangebied omlijnd met rood (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

Het bouwen van woningen is strijdig met de vigerende bestemmingen. Daarom moeten de vigerende bestemmingsplannen (partieel) worden herzien ex artikel 3.1 Wro. Middels de voorliggende partiële herziening van het bestemmingsplan wordt de voorgenomen ontwikkeling planologisch mogelijk gemaakt.

1.4 Leeswijzer Het bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: • • • • • • •

In hoofdstuk 2 is de bestaande situatie beschreven; In hoofdstuk 3 volgt vervolgens een beschrijving van het beleidskader dat van toepassing is op het bestemmingsplan; In hoofdstuk 4 is het bouwplan beschreven evenals de parkeerbehoefte; In hoofdstuk 5 zijn hierna de relevante milieu- en omgevingsaspecten behandeld; Hoofdstuk 6 beschrijft het juridische deel van het plan; In hoofdstuk 7 komt de economische uitvoerbaarheid aan bod; In hoofdstuk 8 tenslotte zijn de resultaten uit overleg en inspraak besproken en behandeld.

7

Hoofdstuk 2 BESTAANDE SITUATIE 2.1 Ruimtelijke structuur Het plangebied is centraal gelegen in de kern Veenendaal nabij het station Veenendaal Centrum. Het plangebied maakt deel uit van deelgebied D-Zuid van het Stationskwartier dat begrensd wordt door de Industrielaan, Kerkewijk, Parallelweg en Zuivelstraat. Het plangebied zelf wordt begrensd door de Parallelweg, Snipstraat en Zuivelstraat. Het Stationskwartier betrof oorspronkelijk een gemengd gebied waar wonen, bedrijven en scholen voorkwamen. Het plangebied wordt in het noorden begrensd door de wijk Engelenburg en de ontwikkeling aan de Industrielaan 10 die deel uitmaakt van deelgebied D-Zuid en reeds al in uitvoering is. Ten oosten van het plangebied is het Ambacht te vinden, een huidig bedrijventerrein binnen de bebouwde kom van Veenendaal. Ten zuiden van het plangebied is de spoorweg en de woonwijk het Franse Gat en ten westen is het station Veenendaal centrum te vinden. Eind 2011 is door de gemeenteraad van Veenendaal de 'Ruimtelijke en programmatische kaders deelgebied D-Zuid (Stationskwartier)' vastgesteld. Op basis hiervan is door Bouwbedrijf Kreeft B.V., gevraagd aan Weusten Liedenbaum architecten om een vervolgdocument op te stellen waarin de herontwikkelingsplannen verder uitgewerkt werden voor het gehele deelgebied.

Op basis van deze documenten is er gesprek gevoerd met de grondeigenaren, waaronder de eigenaren van het plangebied, over de mogelijke herontwikkeling van hun terrein. Op basis van dit gesprek is de beoogde ontwikkeling voortgekomen dat deel uitmaakt van het deelgebied D-Zuid. Zie de onderstaande afbeelding voor een impressie van de huidige situatie.

8

Huidige begrenzing van het beoogde plangebied (Bron: Google Earth)

Plangebied gezien vanaf de Zuivelstraat richting de Industrielaan (Bron: Google Maps)

2.2 Functionele structuur Met de herziening van het huidige bestemmingsplan wordt de bestemming ‘Bedrijf’ volledig verwijderd. De nieuwe toegevoegde bestemming ‘Wonen’ sluit goed aan bij de kenmerken van de omgeving. Het gehele omliggende gebied is door de gemeente aangewezen tot transformatiegebied van bedrijven naar wonen. In het plangebied is al een zeer groot gedeelte van deze transformatie gerealiseerd. Er zijn nog nauwelijks actieve bedrijven. Het plangebied ligt op loopafstand van het station Veenendaal Centrum. Het Centrum van Veenendaal ligt eveneens dichtbij. Deze herziening van het bestemmingsplan past binnen de beoogde transformatie voor dit gebied.

9

Hoofdstuk 3 BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid Hoofddoel van het nationale ruimtelijke beleid is om ruimte te scheppen voor verschillende ruimtevragende functies. Het beperkte oppervlak dat Nederland ter beschikking staat, maakt het nodig dit op een efficiënte en duurzame wijze te doen en niet alleen in kwantitatieve, maar ook in kwalitatieve zin. Bundeling van verstedelijking is een beleidsstrategie die het Rijk hanteert. Er wordt op deze manier optimaal gebruik gemaakt van de ruimte die in het bestaande bebouwde gebied aanwezig is. Onderhavige ontwikkeling betreft het bouwen van woningen in bestaand bebouwd gebied en past derhalve binnen de strategie. 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet is bedoeld. De NOVI heeft maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Onder deze prioriteiten hangen 21 nationale belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau overstijgen. Deze belangen hebben onder andere betrekking op het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit, zorgt dragen voor een woningvoorraad die aansluit op woonbehoeften, het beperken van klimaatverandering, et cetera. De verantwoordelijkheid van het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, waardoor inhoudelijke keuzes in veel gevallen ook het beste regionaal kunnen worden gemaakt. Met de NOVI wordt het proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Conclusie De aard en kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling maakt dat er, los van de ladder voor duurzame verstedelijking, geen raakvlak is met het Rijksbeleid.

10

In toelichting paragraaf 3.1.3 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' (Barro) bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit het nationaal ruimtelijk beleid en bevat nadere regels waar bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en nadien een aantal keer gewijzigd. In het Barro zijn veertien onderwerpen met bijzonder rijksbelang beschreven: Rijksvaarwegen; Project mainportontwikkeling Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie; Hoofdvaarwegen en landelijke spoorwegen; Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuurnetwerk Nederland; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden; en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Het rijk beëindigt de rol bij nationale landschappen, rijksbufferzones en het verstedelijkingsbeleid. In de structuurvisie worden de rijksdoelen en nationale belangen limitatief beschreven. Binnen het plangebied zijn geen onderdelen van het Barroaanwezig en hiermee behoeft het geen specifieke aandacht in het onderhavige plan. Conclusie Onderhavig plan valt niet binnen een van de projecten aangewezen in het Barro.

Vanuit het Barro worden dan ook geen specifieke randvoorwaarden gesteld aan het plan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Overheden dienen op grond van het Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard te motiveren. De Ladder voor duurzame verstedelijking is gewijzigd per 1 juli 2017. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Tevens wordt de mogelijkheid geboden in een om de toepassing van de Ladder door te schuiven naar het uitwerkings- of wijzigingsplan. De verwachting is dat de Ladder met deze wijziging beter hanteerbaar zal zijn, beter aansluit bij het geheel aan vereisten aan een toelichting bij bestemmingsplannen en tot minder onderzoekslasten zal leiden.

11

De Ladder als motiveergrond voor ruimtelijke plannen is aangescherpt, maar wordt lichter in het gebruik. Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, motiveren volgens de Ladder. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Conclusie Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien twaalf woningen is. Het beoogde plan voorziet de aanleg van maximaal 58 woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Het beoogde plan is hierdoor ladderplichtig, waardoor een onderbouwing nodig is rondom de behoefte naar een ontwikkeling van deze hoeveelheid. Behoefte naar woningen Vanuit diverse beleidsstukken blijkt dat de woningen binnen de behoefte aan extra woningen binnen de stedelijk gebied passen.

Er is namelijk nog een behoefte aan nieuwe woningen in Veenendaal in verschillende klassen. In de Omgevingsvisie Veenendaal wordt vermeld dat de gemeente Veenendaal op zoek is naar projecten waarmee er aangesloten wordt op de woningbehoefte van de inwoners en dat er voldoende sociale woningen vrij zijn. Hiernaast is volgens de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht nog een behoefte naar minstens 3.500 woningen. Dit zal door middel van inbreiding gerealiseerd moeten worden. Het Stationskwartier is door de gemeente Veenendaal aangewezen als inbreidingslocatie voor woningen. Met voorliggend bestemmingsplan worden maximaal 58 woningen, waaronder woningen in het sociale segment, in Stationskwartier D mogelijk gemaakt. Hiermee wordt voorzien in de behoefte naar nieuwe woningen op inbreidingslocaties in Veenendaal. Geacht wordt dat de ladder van duurzame verstedelijking succesvol is doorlopen en verder geen belemmering vormt voor het beoogde plan.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten van Utrecht de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. In de Omgevingsvisie worden de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vastgelegd tot 2050.

12

De provincie Utrecht zet in op een gezonde en veilige leefomgeving, aan de hand van zeven samenhangende beleidsthema's: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Stad en land gezond Klimaatbestendig & waterrobuust Duurzame energie Vitale steden & dorpen Duurzaam gezond & veilig bereikbaar Levend landschap erfgoed & cultuur Toekomstbestendige natuur & landbouw

De ambities en keuzes zijn gebiedsgericht samengevat per regio. De regio Foodvalley, waar Veenendaal onderdeel van is, ligt binnen de provincies Utrecht en Gelderland en bestaat uit acht gemeenten. Voor deze regio wordt een verstedelijkingsstrategie gegeven als regionale uitwerking van het beleid. Daaruit blijkt dat de woningbehoefte in Foodvalley het aanbod overtreft en ook de prognoses laten een groei zien. In de periode 2019 tot 2040 moeten er binnen het Utrechtse gedeelte van Foodvalley 7.000 tot 8.000 woningen worden gebouwd om tegemoet te komen aan de geprognotiseerde woningbehoefte. Hiervan zijn 3.500 woningen opgenomen in de bestaande plancapaciteit. Er moet dus nog ruimte voor 3.500 tot 4.500 extra woningen worden gezocht. In de gemeente Veenendaal is er op de korte termijn voldoende plancapaciteit om het grootste gedeelte van haar woningbouwopgave te realiseren. Dit gebeurt in Veenendaal-Oost en in de nabijheid van station Veenendaal-Centrum. Na circa 2030 bereikt de gemeente Veenendaal letterlijk de grenzen van haar groei. Voor de langere termijn is het noodzakelijk om in de regio op zoek te gaan naar nieuwe locaties voor integrale ontwikkeling van wonen en werken, bij voorkeur rondom knooppunten. De aanvullende behoefte aan werklocaties binnen het Utrechtse gedeelte van Foodvalley tot 2030 is 6 tot 9 hectare.

De inzet van de provincie is vooral gericht op herstructurering, verduurzaming en efficiënter ruimtegebruik van bestaande bedrijventerreinen. Bij ontwikkelingen in het landelijk gebied in de regio Foodvalley speelt onder meer het belang van de bodemdaling in het Binnenveld, het militair erfgoed van de Grebbelinie, (nieuwe) natuur en innovaties op het gebied van circulaire landbouw, voedselproductie en gezondheid. Conclusie Het beoogde plan heeft enkele raakvlakken met de omgevingsvisie zoals opgesteld door de provincie Utrecht. De relevante raakvlakken worden hieronder per kaart besproken.

13

Kaart 5 'Milieu en gezondheid' geeft aan dat de provincie wenst om in en rondom het plangebied groenblauwe structuren te stimuleren. De reden hiervoor is dat deze structuren de gezondheid van de omwonenden aantoonbaar verbeteren. De wens is om de beperkte ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten en om deze waar mogelijk multifunctioneel te benutten. Het stedenbouwkundig plan is getoetst aan de gemeentelijke kaders. In de anterieure overeenkomst zijn afspraken gemaakt over water(berging) en groen. Daarnaast zal voldaan worden aan het puntensysteem uit de Omgevingsvisie Veenendaal 2030 op dit gebied. Kaart 7 'Duurzaam en robuust bodem- en watersysteem' geeft aan dat het plangebied deel uitmaakt van het stroomgebied van de Rijn en van een drinkwater beschermingsgebied. De provincie stelt zich sterk op om grondwater verontreiniging als gevolg van menselijk handelen tegen te gaan. Het beoogde plan voorziet enkel de aanleg van een appartementengebouw en grondgebonden woningen, waardoor grootschalige verontreiniging als gevolg van het beoogde plan niet verwacht wordt. Kaart 8 'Klimaatbestendige en waterveilige leefomgeving' geeft aan dat het plangebied deel uitmaakt van het overstroombaar gebied. Binnen dit gebied werken gemeenten, waterbeheerders en de veiligheidsregio Utrecht samen om gevolgen van mogelijke overstromingen zo veel mogelijk te beperken.

Bij naslag van de klimaateffectatlas is de minimumkans voor overstroming binnen het plangebied eens per honderd jaar. Het beoogde plan ondervindt geen hinder op basis van dit punt. Kaart 11 'Vitale steden en dorpen' geeft aan dat het plangebied deel uitmaakt van het huidige stedelijk gebied. Hierbij is het basisprincipe voor verstedelijking vanuit de provincie dat er zo veel mogelijk gebouwd wordt binnen stedelijk gebied en bij knooppunten. Als dit niet mogelijk is wordt er binnen het stedelijk gebied in het algemeen gebouwd voordat er gekeken wordt om buiten de bestaande grenzen te bouwen. Het beoogde plan wordt binnenstedelijk in nabijheid van een bestaand knooppunt gerealiseerd. Het beoogde plan gaat derhalve mee in de wensen van de provincie. Geconcludeerd kan worden dat het beoogde plan in lijn is met de omgevingsvisie provincie Utrecht.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten van Utrecht de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht vastgesteld. In de omgevingsverordening staan de regels die nodig zijn om het beleid uit de Omgevingsvisie uit te voeren. In de verordening zijn alle regels voor de leefomgeving van circa 20 verordeningen samengebracht naar één verordening. De omgevingsverordening bevat een verstedelijkingsverbod voor landelijk gebied, tenzij in de verordening anders bepaald. Voor een omgevingsplan dat betrekking

14

heeft op locaties binnen stedelijk gebied, geeft de verordening instructieregels voor onder meer woningbouw. Woningbouw dient te passen in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma woningbouw en woningbouw mag niet leiden tot extra bodemdaling. Daarnaast worden er instructieregels gegeven voor een omgevingsplan dat betrekking heeft op bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel. Een omgevingsplan waarin nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien waarborgt dat de nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een toename van de knelpunten in de bereikbaarheid. Bij voorkeur leiden de nieuwe ontwikkelingen tot een afname van knelpunten in de bereikbaarheid. Tot slot bevat de omgevingsverordening specifieke instructieregels voor een Omgevingsplan betrekking heeft op een locatie binnen onder andere de Cultuurhistorische hoofdstructuur, Stiltegebied, Overstroombaar gebied, een boringsvrije zone, beschermd natuurgebied, of een geluidscontour van een provinciale weg. Conclusie Het beoogde plan heeft enkele raakvlakken met de omgevingsverordening zoals opgesteld door de provincie Utrecht. De relevante raakvlakken worden hieronder per kaart besproken. Kaart 3 'Watersysteem kaart 2' geeft aan dat het plangebied deel uitmaakt van het overstroombaar gebied. Daarbij wordt in artikel 2.10 gesteld dat er rekening gehouden moet worden met overstromingsrisico's.

Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks geldt dit ook voor individuele woningen en bedrijven. Het plangebied ligt binnendijks waardoor dit artikel voor onderhavig plan niet van toepassing is. Kaart 19 'Wonen, werken en recreëren kaart 2' geeft aan dat het plangebied deel uitmaakt van het bestaand stedelijk gebied. Hierbij is de verplichting volgens artikel 9.15 om de duurzame verstedelijkingsladder toe te passen. Hiernaast is er ook de verplichting om zo veel mogelijk te bouwen in bestaand stedelijk gebied in de nabijheid van knooppunten. In toelichting paragraaf 3.1.3 is er in gegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking waarbij de ladder succesvol is doorlopen. Hiernaast voorziet het beoogde plan van het bouwen in nabijheid van een bestaand knooppunt binnen de bebouwde kom. Geacht wordt dat dit punt geen belemmering vormt voor het beoogde plan. Geconcludeerd kan worden dat het beoogde plan in lijn is met de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht.

15

3.2.3 Bodem- en waterprogramma 2022-2027 Het Bodem- en waterprogramma 2022-2027 is een uitwerking van ambities voor de bodem en het water uit de provinciale Omgevingsvisie. Het Bodem- en waterprogramma 2022-2027 is de opvolger van het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 (BWM-plan) welke liep tot 22 december 2021. In het programma wordt invulling gegeven aan het wettelijk verplichte Regionaal Waterprogramma en worden de ambities en het beleid uit de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht uitgewerkt. Het beleid in de Omgevingsvisie is opgehangen aan zeven samenhangende beleidsthema’s. Een van de beleidsthema’s is ‘klimaatbestendig en waterrobuust’. Het BWP geeft invulling aan dit thema. De ambities en uitgangspunten van de provincie ‘klimaatbestendig en waterrobuust’ zijn als volgt: •

•

• •

• •

uit

het

beleidsthema

Het bodem- en watersysteem (zowel grondwater als oppervlaktewater) dient blijvend robuust te zijn en kan veerkrachtiger omgaan met grote hoeveelheden neerslag en droogte De ondergrond en het bodem- en watersysteem dienen duurzaam te worden gebruikt, waarbij gebruik en functies van de ondergrond en het bodem- en watersysteem in samenhang met de bovengrondse opgaven worden bekeken, zodat de juiste functie op de juiste plek ligt. De duurzame energie die het bodem- en watersysteem levert op een veilige en verantwoorde manier zo optimaal mogelijk benutten. Een effectieve aanpak van nieuwe opkomende stoffen zoals medicijnresten, microplastics en PFAS, omdat deze stoffen een bedreiging kunnen vormen voor schoon en gezond oppervlaktewater en grondwater. Er dient altijd voldoende en schoon drinkwater te zijn, zelfs wanneer zich een extreme groei van de drinkwatervraag zou voordoen. Er dient voldaan te worden aan de doelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW-doelen).

De gemeente Veenendaal wordt in dit beleid aangeduid als stedelijk gebied waar opgaven gelden die vaak anders bezien zijn vanuit bodem- en waterperspectief dan in de andere gebieden. De huidige manier waarop steden en ook dorpen zijn ingericht, samen met onder meer de woningbouwopgave en de energietransitie, zorgen voor een toenemend probleem van wateroverlast, droogte- en hittestress en toenemende drukte in de ondergrond. Zowel bij ontwikkelingen in bestaand stedelijk gebied als bij uitbreidingslocaties is het van belang om voldoende waterberging te realiseren en wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te beperken. Ook valt de gemeente Veenendaal gezien de bijbehorende kaarten in een overstroombaar gebied. Dit betekent dat bij een eventuele doorbraak van de keringen Veenendaal te maken krijgt met overstromingen. De provincie draagt zorg voor het overstromingsgevaar en de overstromingsrisico's en neemt zowel

16

preventieve als reactieve maatregelen. Voor de gemeente Veenendaal zal dit betekenen dat bij ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden met het robuuster maken van het regionale watersysteem. De gemeente dient te voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen leiden tot meer risico op verslechtering van de kwaliteit van oppervlaktewater. Dit betekent dat bij functiewijzigingen de gemeente de taak heeft om te voorkomen dat de kwaliteit van het grond en drinkwater achteruit gaat. Conclusie Het beoogde plan voorziet in het herbestemmen van een huidig bedrijventerrein naar een woonbestemming. Hierbij is er sprake van het verlies van een mogelijk vervuilende bestemming binnen het grondwater beschermingsgebied. Het beoogde plan zorgt dus voor een verbetering van de huidige situatie, waardoor het bodemen waterprogramma van de provincie Utrecht geen belemmering vormt voor het beoogde plan. Er zal zo veel mogelijk aangesloten worden bij de ambities en uitgangspunten van de provincie.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regio FoodValley Tot 1 januari 2011 werd met de gemeenten Wageningen, Ede, Rhenen en Veenendaal samengewerkt in een verband onder de naam WERV. Dit samenwerkingsverband is per 1 januari 2011 opgegaan in een nieuwe samenwerkingsvorm onder de naam regio FoodValley, dit betreffen de vier WERV gemeenten aangevuld met de gemeenten Renswoude, Barneveld, Nijkerk en Scherpenzeel. In 2011 was FoodValley nog een abstract begrip met aan de verre horizon het beeld van een economisch krachtige, vitale en duurzame groene regio, waar het goed wonen, werken, leren en recreëren is. Anno nu is dat visioen geworden tot een nationaal én internationaal sterk beeld van Regio FoodValley, waarin Ondernemers, Onderwijs- en onderzoeksinstellingen en Overheid eensgezind optrekken. De drie O’s hebben de ambitie om met elkaar een economische topregio tot stand te brengen en uit te groeien tot hét agrofoodcentrum van Europa. Ze hebben daarvoor in 2015 de Strategische Agenda 2015-2019 vastgesteld, waarin het ideaalbeeld FoodValley regio 2025 is geformuleerd en afspraken zijn gemaakt over de inzet van de regionale partners.

De Strategische Agenda is vervolgens uitgewerkt in een Uitvoeringsprogramma, waarin projecten zijn benoemd die een bijdrage kunnen leveren aan de in de agenda geformuleerde en door de samenwerkingspartners omarmde opgaven: • Verbeteren kennisinteractie • Uitbouwen global pipelines • Vergroten innovatiekracht

17

• •

Branding en marketing Versterken fysiek en sociaal duurzame leefomgeving. Het Uitvoeringsprogramma Triple Helix Regio FoodValley is een dynamisch programma: afgeronde projecten worden afgevoerd en nieuwe projecten en initiatieven worden toegevoegd. De uitdaging voor Regio FoodValley en de daaraan deelnemende gemeenten ligt in het optimaliseren van het woon-, werk- en leefklimaat in deze regio. De gemeenten zijn daarvoor verantwoordelijk. Deze gezamenlijke opgave is in de regionale portefeuillehouders overleggen ‘Economie en Werkgelegenheid’ en ‘Ruimtelijke Ontwikkeling, Wonen en Mobiliteit’ uitgewerkt in werkprogramma’s. Daarbij wordt ook samengewerkt met maatschappelijke organisaties, die geen vaste plaats hebben in de triple helix stuurgroep. Conclusie Voorliggend bouwplan komt tegemoet aan de ambitie om extra woningen te bouwen die inspelen op de vraag. Ook wordt de oude bedrijfsbebouwing gesloopt en aardgasloze, energiezuinige bebouwing teruggebouwd. Er is geen sprake van verlies van natuur of landschap. De nieuwe situatie wordt groener dan de bestaande situatie. Aan de uitgangspunten uit de Strategische Agenda wordt derhalve tegemoet gekomen.

3.3.2 Blauwe Omgevingsvisie 2050 en Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Blauwe Omgevingsvisie 2050 Op 20 februari 2019 is door het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe de Blauwe Omgevingsvisie (BOVI 2050) vastgesteld. Met deze BOVI zet waterschap Vallei en Veluwe op nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. In de BOVI wordt gedacht vanuit drie waterprincipes: 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. 3. Partnerschap als watermerk. De visiekaart en waterprincipes werken door in de doelen van het nieuwe waterprogramma. Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe hebben het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) op 21 november 2021 vastgesteld. Het BOP is de tactische uitwerking van de Blauwe omgevingsvisie (BOVI2050). Met als overkoepelend thema ‘een waardevolle leefomgeving’, worden de maatschappelijke thema’s klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie en biodiversiteit, gekoppeld aan de drie waterprincipes en geïntegreerd in vier gebiedsprogramma’s. Veenendaal valt binnen het gebiedsprogramma Gelderse Vallei. In en rondom Veenendaal zijn de volgende doelen opgesteld:

18

•

•

• •

Op orde houden van de waterkeringen. Na realisatie van de Grebbedijk is het doel om met gebiedspartners na te denken over toekomstige functies en status van de Slaperdijk. Klimaatadaptatie maatregelen uitvoeren in bestaand stedelijk gebied door het bevorderen van een klimaatadaptieve inrichting van openbare- en particuliere terreinen. Energiewinning zoals thermische energie uit oppervlaktewater, wind en zon, gekoppeld aan de gemeentelijke Transitievisie Warmte. Verkennen principe klimaatmantels (bufferen van hemelwater) rond stedelijke kernen FoodValley.

Conclusie Het plangebied voorziet in een klimaatadaptieve inrichting in tegenstelling tot de huidige situatie. Het bouwplan is in lijn met de doelstellingen uit de Blauwe Omgevingsvisie en het Blauw Omgevingsprogramma.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Strategische Visie Veenendaal 2040 Op 26 oktober 2017 heeft de raad de Strategische Visie voor Veenendaal in 2040 vastgesteld. Hierin zijn de kernambities voor de toekomst van Veenendaal opgenomen. Veenendalers kiezen voor een versterking van de woonfunctie en richten hun blik naar de regio. Dat betekent dat de ambities zich primair richten op het versterken van de woon- en leefomgeving, met in het kielzog de arbeidsmarkt gericht op wonen en arbeidsintensieve bedrijvigheid. Dit is in lijn met de trend werken volgt wonen. Ook de blik naar buiten die de voorkeur heeft van de Veenendaalse gemeenschap is in lijn met een belangrijke trend: die van lokale gebondenheid naar regionale samenwerking. Algemene conclusie van de demografische ontwikkelingen is dat Veenendaal in de toekomst niet alleen maar de groei hoeft te accommoderen, maar zich ook kan toeleggen op het verbeteren van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Van kwantiteit naar kwaliteit! Deze kwaliteiten moeten een diverse bevolkingsgroep aanspreken. Veenendaal moet zich in de toekomst dus richten op kwaliteit in plaats van op kwantiteit. En –in lijn met de wensen van inwoners– moet Veenendaal zich bovenal concentreren op het verbeteren van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving.

Dat betekent dat Veenendaal moet zorgen dat het slim omgaat met de ruimte door intensivering van de woonbebouwing, herontwikkeling en functieverandering en voldoende aandacht blijft houden voor groen. Onderdeel van een aantrekkelijke woonomgeving is een goede bereikbaarheid van arbeidsplaatsen. Veenendaal richt zich daarom in de toekomst niet op ruimte-

19

intensieve en arbeidsextensieve bedrijvigheid, maar op arbeidsintensieve bedrijven. Kortom, de visie stelt vooral eisen aan de kwaliteit van nieuwe of herontwikkelingen en spreekt zich niet uit over kwantitatieve doelstellingen. Deze richting – Veenendaal als leefstad met een sterke, regionale binding – werken we uit aan de hand van vier thema’s. Juist binnen deze thema’s liggen de grootste maatschappelijke veranderingen. Per thema zijn de volgende kernambities geformuleerd: 1. Netwerksamenleving: “niet alleen, maar samen” met ruimte voor ieders eigen identiteit; 2. (Samen) leven: Veenendaal met excellent woonklimaat; 3. Digitale wereld: Veenendaal heeft een hoogwaardige duurzaam bedrijfsleven met arbeids- en kennisintensieve bedrijven en een bruisend multifunctioneel centrum; 4. Duurzaamheid: Veenendaal heeft in 2040 de transitie naar een duurzame gemeente afgerond.

Conclusie Het beoogde plan sluit aan bij het tweede thema van (samen) leven. Het beoogde plan draagt bij aan stadsvernieuwing binnen de bebouwde kom van Veenendaal door het slopen van oude bedrijfspanden en het aanleggen van nieuwe woningen in meerdere blokken en prijssegmenten. Als direct gevolg hiervan wordt het uitzicht voor de naastgelegen woningen verbeterd, komt er meer ruimte vrij voor groen en waterinfiltratie binnen het stedelijk gebied en komen inwoners uit verschillende economische strata naast elkaar te wonen waardoor er een divers gebied ontstaat. Geacht wordt dat het beoogde plan in lijn is met de Strategische Visie Veenendaal 2040.

3.4.2 Omgevingsvisie Veenendaal 2030 De raad van de gemeente Veenendaal heeft op 17 december 2020 de Omgevingsvisie Veenendaal 2030 'Veenendaal maakt plaats voor jou' vastgesteld. De Omgevingsvisie 2030 is een plan op hoofdlijnen dat alle strategische beleidsplannen vervangt die gaan over de fysieke leefomgeving, zoals het milieubeleidsplan, het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan en de structuurvisie. De inhoud van de Strategische Visie 2040, die de gemeenteraad in 2017 vaststelde, is de basis geweest voor de omgevingsvisie. De Omgevingsvisie zet in op een koerswijziging van kwantiteit naar kwaliteit: beter en slimmer inrichten van de leefomgeving met gebruik van innovatie, kennis en creativiteit. Bij ieder initiatief moeten afwegingen worden gemaakt. Voor Veenendaal staan hierbij de principes gezondheid, duurzaamheid en veiligheid voorop. Voor nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving wordt in de Omgevingsvisie 2030 het volgende afwegingskader gegeven:

20

1. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten een bijdrage leveren aan een Gezonde, Duurzame en Veilige leefomgeving. Elke nieuwe ontwikkeling is een kans om hier aan bij te dragen. Zo zal ook de gewenste groei van Veenendaal moeten bijdragen aan deze doelen. 2. We kiezen voor meervoudig boven enkelvoudig ruimtegebruik, zodat de beperkte ruimte optimaal wordt benut. 3. We voorkomen dat negatieve gevolgen van ontwikkelingen afgewenteld worden op de omgeving. We beoordelen ruimtelijke ontwikkelingen integraal en in relatie tot de omgeving. Daarnaast bevat de Omgevingsvisie 2030 specifieke opgaven en doelstellingen voor de thema's Gezond duurzaam en veilig, Bouwen en wonen, Groen natuur en water, Mobiliteit, Economie, Milieu, en er worden aanvullende opgaven en doelstellingen voor het centrum gegeven. Conclusie Het beoogde plan gaat mee in de omgevingsvisie van Veenendaal waarbij er voornamelijk raakvlak is met hoofdstuk 5 'Bouwen en wonen' en de zeven opgaven voor nieuwbouw projecten. Deze opgaven zijn als volgt:

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Omschakeling naar duurzame energie en circulair bouwen; Realiseren van meer groen; Het woningaanbod in Veenendaal sluit aan bij de inwonersbehoefte; Langer zelfstandig wonen in de eigen woning of wijk; Ruimte bieden aan cultuur en voldoende voorzieningen; Verdichten en transformatie binnen de gemeentegrenzen; Behouden en versterken van ruimtelijke karakteristieken, cultuurhistorie en archeologie.

Het beoogde plan gaat mee in de opgave rondom het verduurzamen van Veenendaal, het realiseren van meer groen, het aansluiten bij de woningbehoefte van de inwoners, de verdichting en transformatie binnen de gemeente en het rekening houden met de ruimtelijke karakteristieken, cultuurhistorie en archeologie. Het beoogde plan maakt nieuwe grondgebonden woningen mogelijk waarbij er de wens is dat deze minstens energieneutraal of energieleverend worden uitgevoerd. Hierop wordt verder op ingegaan in toelichting paragraaf 3.4.6. In de huidige situatie is er binnen het plangebied een enkele boom en een paar struiken aanwezig die er ongekapt bijstaan. Het voorliggende plan voorziet de toevoeging van groenstroken met beplanting, bomen, tuinen en hagen. Hierdoor wordt het verloren groen meer dan gecompenseerd binnen het plangebied waardoor er sprake is van een verbetering ten opzichte van de huidige situatie.

21

Hiernaast maakt het beoogde plan nieuwe woningen mogelijk op korte afstand van het centrum en van het openbaar vervoer. Hierbij is er ruimte om invulling te geven aan de exacte verdeling van sociale en overige woningen waardoor er aansluiting mogelijk is tussen het plan en de huidige woningbehoefte binnen Veenendaal. Een kwalitatief divers aanbod aan woningen trekt ook diverse kopers en huurders aan, waardoor de kans op homogenisering van het plangebied afneemt en de sociale cohesie toeneemt. Het beoogde plan voorziet ook in het transformeren van een bestaand bedrijventerrein naar woningen waardoor er beter gebruik kan worden gemaakt van de beperkte ruimte die er beschikbaar is binnen Veenendaal. Hiernaast maakt het plan een mix van grondgebonden en gestapelde woningen mogelijk waardoor het voorgenoemde divers woningaanbod mogelijk wordt gemaakt. Hiernaast is er ook op te merken dat het plangebied is gelegen op een cultuurhistorisch relevant terrein, namelijk op het terrein van de vroegere melkfabriek 'Verniez'. Dit wordt verder besproken in de toelichting paragraaf 5.5.3 waaruit blijkt dat er geen hinder ontstaat voor de cultuurhistorische elementen.

Hiernaast is er ook kleiner raakvlak met andere hoofdstukken, zoals het bundelen van woningen in de buurt van bestaand openbaar vervoer waardoor de mobiliteit van de toekomstige bewoners, voornamelijk deze in het sociale segment, ten goede komt. Hiernaast is worden er mogelijkheden geschept voor het verbeteren van de stedelijke biodiversiteit door middel van het nieuwe groen, waardoor het groen ook een meerwaarde krijgt. Ten slotte is in de omgevingsvisie een puntensysteem voor nieuwe ontwikkelingen aangenomen, deze wordt verder besproken in toelichting paragraaf 3.4.3. Geacht wordt dat het beoogde plan in lijn is met de Omgevingsvisie Veenendaal 2030.

3.4.3 Puntensysteem Omgevingsvisie Veenendaal Op 17 december 2021 is de Omgevingsvisie Veenendaal vastgesteld. In de Omgevingsvisie wordt een gezond, duurzaam en veilig Veenendaal nagestreefd. De visie bevat ambities en doelen om dit te bereiken. In het Puntensysteem Omgevingsvisie Veenendaal dat als beleidsregel is vastgesteld door het college, worden de ambities concreet gemaakt. De volgende thema's uit de omgevingsvisie zijn opgenomen: • • • • • •

Gezonde en groene leefomgeving; Bewegen, ontmoeten, sporten en spelen (BOSS); Energietransitie en duurzaam bouwen; Natuurinclusief bouwen; Klimaatadaptatie; en Veiligheid en leefbaarheid.

22

Voor elk thema uit de Omgevingsvisie zijn maatregelen opgesomd waarmee wordt bijgedragen aan deze verschillende thema's. Aan deze maatregelen zijn punten gekoppeld. Een ontwikkelaar moet straks een minimale score per thema en een minimale score voor het totaal behalen. Op deze manier laten we de ambities uit de omgevingsvisie terugkomen in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het puntensysteem is toegespitst op de realisatie van woningen. Het fungeert daarmee als kader voor de beoordeling of een ontwikkeling voldoende bijdraagt aan een gezonde, duurzame en veilige leefomgeving. Het puntensysteem wordt toegepast bij ontwikkelingen waarvoor een herziening, wijziging, uitwerking of afwijking van het bestemmingsplan nodig is. Het wordt alleen toegepast bij nieuwbouw van woningen en dus niet toegepast bij transformatie van bestaande bebouwing. In het bestemmingsplan wordt middels een dynamische verwijzing in de regels opgenomen dat de ontwikkeling moet voldoen aan het puntensysteem. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de eis om te voldoen aan het puntensysteem opgenomen in het omgevingsplan of in een omgevingsvergunning. Conclusie Het voornemen is dat ten tijde van vaststelling van onderhavig bestemmingpslan inzichtelijk gemaakt wordt hoe zal worden voldaan aan de eisen zoals uitgewerkt in het puntensysteem van de gemeente Veenendaal.

Geacht wordt dat deze geen belemmering vormen voor het beoogde plan.

3.4.4 Woonvisie 2022-2025 Op 23 juni 2022 heeft de raad van Veenendaal de Woonvisie 2022-2025 vastgesteld. Onder de nieuwe Woningwet is het vanaf 1 januari 2022 weer verplicht dat gemeenten een Woonvisie opstellen. De Woonvisie 2022-2025 zal in deze de Woonvisie 2014-2019 vervangen die eerst werd aangehouden door de verwachte intreding van de Omgevingswet in 2022. In de Woonvisie is als centrale visie op wonen in Veenendaal aangemerkt: “De Woonvisie is richtinggevend en normstellend voor de ontwikkeling van de woningvoorraad en nieuwbouw van woningen in onze gemeente. Zo blijft het prettig wonen in Veenendaal voor iedereen. Veenendaal is een aantrekkelijke woongemeente. We streven naar behoud van de huidige aantrekkelijkheid, ook onder de groeiende en veranderende woningbehoefte in de komende jaren. We spannen ons nu maximaal in om voor de lange termijn te sturen op de gewenste kwantiteit en kwaliteit. Keuzes van nu zijn namelijk van groot belang voor de toekomst. Een verkeerde keuze nu, kan groot effect hebben op de lange termijn. Van goede keuzes zullen we daarentegen nog lang profijt hebben. Vanzelfsprekend passen we nieuwbouw altijd met zorg en aandacht voor de omgeving in.” Op grond van de Woonvisie richt de gemeente Veenendaal zich in de uitvoering op 6 speerpunten:

23

1. Goed wonen voor iedereen: omgaan met de groei die Veenendaal door maakt en aandacht houden voor verschillende en bijzondere doelgroepen; 2. Bestaande woningvoorraad: bewustwording rondom verduurzaming van de particuliere woningvoorraad en het aanpassen van bestaande woningen op de afnemende mobiliteit van oudere huishoudens; 3. Betaalbaarheid en beschikbaarheid: inzetten op het hebben van voldoende betaalbare sociale woningen, zowel koop als huur; 4. Aantrekkelijke nieuwbouw: inzetten op complementaire nieuwbouw om daarmee de doorstroming in de woningmarkt te bevorderen; 5. Vitale wijken: inzetten op een aantrekkelijk woon- en leefklimaat in elke wijk; 6. Wonen met zorg: de lokale opgave naar woon(zorg)voorziening in kaart brengen en aanpakken. Conclusie Het bestemmingsplan aan de Zuivelstraat valt binnen het herontwikkelingsgebied Stationskwartier Noord deelgebied D-Zuid, een bestaand herontwikkelingsgebied op korte afstand van het centrum van Veenendaal. Het voorliggende plan voorziet de aanleg van maximaal 58 diverse woningen waardoor er ruimte is voor verschillende doelgroepen die een woning zoeken, sociale woning of niet. Door de toevoeging van deze woningen wordt dan ook de doorstroming van de woningmarkt bevorderd waarmee de woningmarkt in Veenendaal gezonder wordt.

Ten slotte worden de nieuwe woningen en directe omgeving groen uitgevoerd waardoor er sprake zal zijn van een verbetering van de directe woon- en leefomgeving, zowel voor de toekomstige bewoners zelf en de aanwonenden. De kaders voor het gehele Stationskwartier zijn in 2011 door de raad van de gemeente Veenendaal vastgesteld. Hierin is een percentage van 30% sociaal woningbouw opgenomen, waar dit project dan ook aan vast houdt. Het woningbouwprogramma voor het Zuivelspoor bestaat voor tenminste 30% uit de categorie sociale woningen, waarvan 2/3 sociale huurwoningen en 1/3 sociale koopwoningen. De Woonvisie 2022 is later door de raad vastgesteld. De kaders uit de Woonvisie zijn om die reden niet meegenomen in deze ontwikkeling en ook niet opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.

3.4.5 Groenbeleid Groenstructuurplan De raad van de gemeente Veenendaal heeft op 29 januari 2004 het Groenstructuurplan vastgesteld. Het doel van het groenstructuurplan is als volgt te formuleren: 1. De samenhang van het groen met de landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische patronen versterken; 2. met het groen de herkenbaarheid en identiteit van de openbare ruimte vergroten;

24

3. de gewenste groenstructuur formuleren en realiseren volgens de opgestelde visie; 4. groen bij nieuwe ontwikkelingen als bouwsteen en leidend principe gebruiken; 5. accenten in het groen aanbrengen overeenkomstig de plaats en het niveau. Er wordt een onderscheid gemaakt naar groen op twee niveaus: de hoofdgroenstructuur en het groen binnen wijken. Ten aanzien van de hoofdgroenstructuur is het doel de identiteit en de kwaliteit van de afzonderlijke elementen te vergoten, waarbij de aanwezige of gewenste samenhang (structuur) tussen de verschillende elementen en patronen als kader geldt. De hoofdgroenstructuur bestaat uit de volgende onderdelen: de Grift, de oude linten, pleinen, parken, begraafplaatsen en sportparken, de binnenring, de Rondweg, 't Goeie Spoor / Industrielaan / Wageningselaan, de snelweg A12, de spoorlijnen en de entrees. Spelregels groencompensatie Groencompensatie vormt een onderdeel van het totale groenbeleid en heeft als doel dat bij nieuwe ontwikkelingen zorgvuldig wordt omgegaan met bestaande groene structuren. Doordat er praktisch toepasbare spelregels voor groencompensatie zijn vastgesteld, kunnen de gevolgen voor het groen bij nieuwe ontwikkelingen overzichtelijk worden gehouden. Hieronder volgt een opsomming van de uitgangspunten voor groencompensatie: • Groencompensatie is een onderwerp dat met name voor het stedelijk gebied van belang is.

Voor het buitengebied bestaan diverse regeling die behoud en versterking van groen als doel hebben en daarmee garanderen (Rode en groene contour in provinciaal Structuurplan, Landschapsontwikkelingsplan, bestemmingsplan Buitengebied etc.); • Groencompensatie is maatwerk; • Niet alleen denken in m2 (kwantiteit), maar ook type, volume, kwaliteit en vervangingswaarde van groen meenemen in de beoordeling; • Behoud van belangrijke groenstructuren en karakteristieken per wijk of buurt. In het groenstructuurplan is de hoofdgroenstructuur voor Veenendaal als geheel opgenomen. Naast deze hoofdstructuur moet ook ingezoomd worden op het groen op wijk- of buurtniveau. In sommige wijken is de groenstructuur gekoppeld aan de stedenbouwkundige opzet. Het gaat erom deze karakteristieken te behouden of te versterken, ook bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Voorbeelden zijn brede grasbermen, bermen met hagen of bodembedekkers, bomen in een straat, etc. • Recht doen aan verschillende functies van groen in een wijk of buurt. Hierbij gaat het om aspecten als bereikbaarheid, gebruikswaarde (bijv. speelplek), visuele en ruimtelijke beleving, cultuurhistorische en architectonische kwaliteit en ecologische waarden. Ook de waarde voor milieu aspecten en het onderhoudsniveau en vitaliteit spelen hierbij een rol.

25

Conclusie In de bestaande situatie is vrijwel het gehele perceel verhard en is er geen groen aanwezig, met uitzondering van enkele bomen langs de Zuivelstraat. Er wordt met het beoogde plan nieuw openbaar groen aangelegd en voornamelijk bij de parkeerplaatsen nieuwe bomen geplant. In het kader van het concept inrichtingsplan zal worden uitgewerkt hoe er wordt omgegaan met het groen binnen het plangebied. In dit kader zal afstemming met de gemeente plaatsvinden. Geacht wordt dat het beoogde plan in overeenstemming is met het gemeentelijk groenbeleid.

3.4.6 Duurzaamheidsbeleid De wettelijke eisen voor energiezuinigheid van het Bouwbesluit hebben betrekking op thermische isolatie, de Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) en milieuprestatie (MPG). Aanvullend heeft de gemeente Veenendaal beleid opgesteld voor duurzaamheid in het programmaplan "Energieneutraal Veenendaal 2050" (30 maart 2017). De gemeente geeft uitwerking aan de volgende ambities en doelstellingen: •

•

•

Veenendaal is energieneutraal in 2050: streven naar energie neutrale woningen en wijken. Het streven is naar energieneutraliteit (Nul Op de Meter). Deze woningen moeten energieneutraal zijn en niet afhankelijk van gas. Veenendaal is energieneutraal in 2050: stimuleren schonere voertuigen. Voor de inrichting van de openbare ruimte moet rekening gehouden worden dat bewoners een elektrische auto hebben en willen opladen. Veenendaal is voorbereid op klimaatverandering: ontwikkelingen worden minimaal waterneutraal uitgevoerd, groen wordt strategisch ingezet voor hemelwaterafvoer en koeling in de stad.

De gemeente vindt het daarbij belangrijk dat bij nieuwe ontwikkelingen de volgende onderwerpen aan de orde komen bij het thema duurzaam bouwen: • • • • • •

Toepassen van een prestatie-instrument voor duurzaam bouwen; Mogelijkheden om het dak te benutten voor warmte-opslag, waterberging, het bufferen van fijnstof of energiewinning; Natuurvriendelijke maatregelen aan of rond het gebouw; Geen koper, lood of zink gebruiken voor de hemelwaterafvoer; Toepassen van duurzaam hout; Energiezuinige terrein- en gebouwverlichting.

Conclusie De woningen zullen voldoen aan de geldende duurzaamheidseisen. Dit betekent dat de woningen in iedergeval gasloos en BENG zullen worden. Het een en ander is vastgelegd in de anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente. De exacte uitwerking hiervan wordt in het formulier behorende bij het Puntensysteem

26

Omgevingsvisie Veenendaal weergegeven. Derhalve kan gesteld worden dat voldaan wordt aan het geldende duurzaamheidsbeleid.

3.4.7 Welstandsnota 2017 Het welstandsbeleid van de gemeente Veenendaal is opgesteld vanuit de overtuiging dat het belang van een aantrekkelijke gebouwde omgeving behartigd dient te worden. Door het ontwikkelen van beleidsregels voor de welstandsadvisering zet de gemeente haar visie op het ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de rol van de welstandszorg daarin uiteen. Deze welstandsnota vormt het toetsingskader voor zowel de reguliere vergunningsplichtige bouwwerken als voor de zogeheten veel voorkomende kleine bouwwerken die vergunningsplichtig zijn. Gekozen is welstandsvrij bouwen mogelijk te maken in een nieuw te ontwikkelen woongebied en op bestaande bedrijventerreinen. In het kader van deze welstandsnota is vooral de relatie tussen bestemmingsplan en welstandscriteria van belang. Het bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken voor zover dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening. Datgene dat door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, kan niet door welstandscriteria worden tegengehouden. De architectonische vormgeving van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt exclusief door de welstandsnota geregeld. Welstandscriteria kunnen waar nodig de ruimte die het bestemmingsplan biedt dus invullen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit.

Het welstandsadvies kan zich dan richten op de gekozen invulling binnen het bestemmingsplan. In een situatie waarin een bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, maar het bestemmingsplan eveneens ruimte biedt voor alternatieven, kan een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen stedenbouwkundige of architectonische oplossing te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving van het betreffende gebied. Uiteraard moet in zo'n geval de welstandsnota daartoe de argumentatie leveren. Conclusie Voor deze ontwikkeling zijn Ruimtelijke Programmatische kaders vastgesteld in 2011 voor het Stationskwartier, waarbij ingezoomd wordt op deelgebied D-Zuid, waar Zuivelstraat onderdeel van uitmaakt. In deze kaders is een beeldkwaliteitparagraaf opgenomen. De onderhavige ontwikkeling moet voor de aanvraag van de omgevingsvergunning door de welstandscomissie worden getoetst en akkoord worden bevonden.

27

Hoofdstuk 4 PLANBESCHRIJVING 4.1 Bouwplan De initiatiefnemer is voornemens om het huidige bedrijventerrein aan de Zuivelstraat te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw in de nabijheid van het centrum van Veenendaal. Het bouwplan omvat vier blokken rijwoningen en één appartementengebouw. Hierbij is er besloten om meerdere varianten van hetzelfde plan voor te leggen. De keuze voor een variant is nog niet gemaakt en zal op een later moment gemaakt worden. Derhalve worden met dit plan alle vijf de varianten mogelijk gemaakt. De stedenbouwkundige opzet van de vijf varianten is echter hetzelfde; de varianten verschillen op bouwplanniveau slechts wat betreft de exacte vorm van het appartementengebouw en in één blok het aantal rijwoningen. De volgende paragraaf beschrijft daarom ten eerste die stedenbouwkundige hoofdopzet en licht vervolgens de varianten ten aanzien van het appartementengebouw toe.

4.2 Stedenbouw Algemeen Het plangebied wordt als een sluitstuk van de buurt ingepast. De bebouwingshoogte wordt middels de gekozen typologieën trapsgewijs verlaagd zodat er aansluiting is tussen de verschillende bouwhoogtes rondom het plangebied. Om aansluiting te zoeken bij toekomstige ontwikkelingen wordt de Snipstraat doorgetrokken waardoor er bij toekomstige herontwikkelingen van het westelijke perceel mogelijkheden zijn om verkeer (deels) te ontsluiten via de Snipstraat. Hiernaast wordt er een voet- en fietsverbindingen tussen Zuivelstraat en de achterliggende parallelweg gerealiseerd. Hoofdopzet Het plan gaat uit van een appartementengebouw op de hoek van Zuivelstraat en Snipstraat en een gebied met vier blokken rijwoningen ten zuiden daarvan. Twee van de blokken rijwoningen liggen aan de Zuivelstraat en zijn hier met de voorzijde op georiënteerd. Het zuidelijke blok betreft 6 woningen en het noordelijke blok afhankelijk van de variant 5 of 6 rijwoningen. Tussen deze twee blokken door leidt een doorsteekje naar een kleine autovrije groene ruimte waaraan twee kleinere blokken met ieder 4 rijwoningen liggen. Deze twee blokken worden ontsloten vanaf de Parallelweg. Door deze bebouwingsconfiguratie hebben alle rijwoningen een duidelijke binding met de openbare ruimte en is er steeds sprake van voorkanten die uitkijken op andere voorkanten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14070975/1