3.a Bijlage 1a - Bestemmingsplan 't Goeie Spoor (toelichting + regels)
Tekst van het document
Toetsing bouwplan
Ter plaatse van (een deel van) het plangebied is in 2000 en 2007 respectievelijk door Oranjewoud en Movares bodemonderzoek verricht. In augustus 2019 heeft Hunneman Milieu Advies een actualiserend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen. Aanvullend op voornoemde bodemonderzoeken heeft Greenhouse Advies in december 2019 een memo bodemkwaliteit met saneringsplan opgesteld. Doel van deze memo is om op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken een nadere toelichting omtrent de bodemkwaliteit en de benodigde bodemsanering te geven. De memo is als Bijlage 3 opgenomen. Onderstaand is een samenvatting van de
28
bestemmingsplan
bestemmingsplan 't Goeie Spoor bodemkwaliteit, bodem en grondwater en aanbevelingen voor de beoogde bodemsanering met bijbehorende procedure en geraamde kosten opgenomen. Voor nadere info wordt verwezen naar de als bijlage opgenomen memo. Samenvatting bodemkwaliteit en bodem en grondwater In diverse boringen zijn zintuiglijk in de bovengrond sporen puin of zwakke bijmengingen met ballast waargenomen. Lokaal zijn resten metaal, glas en/of kolengruis waargenomen. Zintuiglijk zijn geen asbestverdachte materialen in of op de bodem aangetroffen. In bijlage 1 van de memo is de situering van de laatste geplaatste boringen weergegeven, inclusief de zones (deellocaties 1 t/m 4) waar niet toepasbare en/of sterk verontreinigde grond wordt aangetroffen. Overwegend zijn in de vaste bodem licht tot matig verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, PCB’s en/of minerale olie aangetoond. Ter hoogte van boring 11 en 12 (deellocatie 3) zijn sterk verhoogde gehalten aan zware metalen en/of PCB’s aangetoond vanaf maaiveld tot circa 2,0 m-mv. Deze boringen zijn gesitueerd binnen het in 2007 aangetoonde geval van ernstige bodemverontreiniging (voormalig terrein Heuvelman). Naar verwachting kunnen hier, heterogeen verspreid, meerdere spots met sterk verhoogde gehalten worden aangetroffen. Ter hoogte van boring 8 t/m 16 (deellocatie 2 en 3) is in de actuele contactzone 82 mg/kg d.s.
aan gewogen asbest aangetoond. Het aangetoonde gehalten overschrijdt de ½ interventiewaarde (50 mg/kg d.s.). Ter plaatse van deellocatie 4 is in het verleden sterk verontreinigde grond aangetroffen. Deze verontreiniging behoord tot het geval ‘Heuvelman’. Tijdens de actualisatie van 2019 is lokaal een sterk verhoogde gehalte aan koper aangetroffen. Echter zal deze deellocatie beschouwd worden als een ernstig geval van bodemverontreiniging. Ter plaatse van deellocatie 4 zullen alleen bomen gepland worden. Deellocatie 5 betreffende boring 17 t/m 25 en deellocatie 6 betreffende boring 8 en 9 uit het onderzoek van Hunnenman, betreft geen sterk verontreinigde grond. Echter wordt deze grond geclassificeerd als zijnde klasse industrie. Op basis van het actualisatieonderzoek en voorgaande bodemonderzoeken blijkt dat de locatie heterogeen (matig tot sterk) verontreinigd is. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan arseen en chroom aangetoond. De aangetoonde gehalten geven geen aanleiding tot nader onderzoek. Aanbevelingen ter voorbereiding op de bodemsanering Ter hoogte van boring 11 en 12 (deellocatie 3) is in de vaste bodem een sterke verontreiniging met zware metalen en/of PCB’s aangetoond. De aangetroffen verontreinigingen zijn niet ingekaderd zoals het rapport van Hunneman d.d. 2019 aangeeft.
Echter gezien de heterogene verontreinigingsbeeld adviseren wij de aangetroffen verontreinigingen niet aanvullend (verdere actualisatie) te onderzoeken. Tijdens de uitvoering van de bodemsanering zal middels ontgravingen en controlemonsters de (rest)verontreinigingen nader in beeld worden gebracht. Ter hoogte van boring 8 t/m 16 (deellocatie 2 en 3) wordt de ½ interventiewaarde voor asbest overschreden. Hier adviseert Greenhouse Advies om tijdens de uitvoering van de bodemsanering aanvullende controles uit te voeren op asbest, gericht op de daadwerkelijk zintuiglijke waarnemingen tijdens de graafwerkzaamheden. Bovenstaande zal nader uitgewerkt worden in een saneringsplan die voor de gehele herontwikkelingslocatie geldt. Beoogde bodemsanering en proceure Wet bodembescherming In bijlage 2 van de memo zijn de dwarsdoorsnedes van de beoogde herontwikkeling opgenomen. De locatie wordt ingericht als parkeerplaats met groen en wonen zonder tuin. Derhalve zal het
bestemmingsplan
29
bestemmingsplan 't Goeie Spoor saneringsplan bestaan uit een functiegerichte bodemsanering waarbij alleen ter plaatse van de noodzakelijk grondwerkzaamheden verontreinigde grond wordt verwijderd om vervolgens afgedekt te worden met een leeflaag (0,5 meter leeflaag extensief groen) en een duurzame afdeklaag (verhardingen en gebouwen). Getracht wordt om zoveel mogelijk verontreinigde grond te herschikken. Als dit niet mogelijk is, wordt de verontreinigde grond afgevoerd naar een erkende verwerker. Middels een saneringsplan conform de Wet bodembescherming (Wbb) zal de wijze van sanering geformaliseerd worden. Het saneringsplan zal omschrijven op welke wijze gesaneerd wordt om de locatie geschikt te maken voor het beoogde gebruik. In het saneringsplan zal tevens het aantreffen en saneren van extra onverwachte spots opgenomen worden. Het saneringsplan zal ter goedkeuring worden ingediend bij het bevoegd gezag Wbb, de RUD Utrecht (namens de provincie Utrecht). 5.1.3
Conclusie
De memo bodemkwaliteit en onderliggende bodemonderzoeken zijn beoordeeld door de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU). De ODRU adviseert het bodemonderzoek te accepteren als bewijsmiddel dat de bodem geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functie. Daarnaast adviseert de ODRU de initiatiefnemer een raming van de saneringskosten aan te leveren en de financiële haalbaarheid van de ontwikkeling hierop te toetsen. In het kader van onderhavige ontwikkeling zal een saneringsplan ter goedkeuring worden ingediend bij het bevoegd gezag Wbb, de RUD Utrecht (namens de provincie Utrecht). Na goedkeuring zullen de saneringswerkzaamheden worden uitgevoerd. De kosten van de bodemsanering zijn geraamd op ca. € 65.000,-. Gezien de omvang van onderhavig plan, vormen de saneringskosten geen belemmering voor de financiële haalbaarheid van het plan. Met inachtneming van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bodem' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.2
Waterhuishouding
5.2.1
Wettelijk kader
Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Vanuit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geldt de verplichting tot het doorlopen van het watertoetsproces bij een bestemmingsplanwijziging. Binnen dit proces wordt een afweging gemaakt van het waterbelang binnen de ruimtelijke planprocessen. Ruimtelijke wijzigingen kunnen een aandeel leveren in het bevorderen van de waterkwaliteit, maar mogen zeker niet leiden tot verslechtering van de waterkwaliteit. Deze verplichte watertoets geldt alleen voor ruimtelijke besluiten waar sprake is van belangrijke ruimtelijke ingrepen. Watertoets Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. Ruimtelijke plannen moeten voorzien zijn van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Het waterschap kijkt of in een plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. In het kader van onderhavige ontwikkeling is in december 2022 de digitale watertoets doorlopen. De watertoets is als Bijlage 4 opgenomen. Uit de watertoets blijkt dat voor dit plan de normale procedure van toepassing is.
Waterschap Vallei en Veluwe Vanuit het waterschap Vallei en Veluwe zijn er ook een aantal gebiedsspecifieke aandachtspunten: Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden
30
bestemmingsplan
bestemmingsplan 't Goeie Spoor en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoonhouden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen.
In de keur van Waterschap Vallei en Veluwe is bepaald dat er geen watercompenserende maatregelen nodig zijn als sprake is van een toename van minder dan 0,15 ha (1500 m²) verharding binnen het stedelijk gebied. Het Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP) Het Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP) beschrijft hoe de gemeente haar zorgtaken voor afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater uitvoert. De watertaken van de gemeente bestaan uit het inzamelen en afvoeren of verwerken van stedelijk afvalwater en hemelwater. Voor zover doelmatig neemt de gemeente maatregelen tegen grondwateroverlast en zorgt zij samen met het waterschap Vallei en Veluwe dat het stedelijk oppervlaktewater schoon, veilig en beleefbaar is. Bewoners en bedrijven hebben ook een taak. Zo moeten zij zelf voor de voorzieningen op hun perceel zorgen. In sommige gebieden en situaties moeten zij ook het hemelwater bergen en verwerken of afvoeren, of zelf maatregelen nemen tegen grondwaterproblemen. In dit GRWP zijn speerpunten benoemd die de komende planperiode extra aandacht krijgen. Het meest omvangrijk is het scheiden van vuil water en schoon hemelwater, ook op particulier terrein. In een groot deel van Veenendaal ligt een gemengd rioolstelsel, waarbij het vuile en schone water door dezelfde buis wordt afgevoerd.
De gemeente zet het vervangen van de gemengde rioolstelsels door gescheiden systemen voort. Het schone hemelwater wordt van de riolering afgekoppeld. Het helpt om wateroverlast tegen te gaan en de gemeente klimaatbestendig te maken. Daarnaast is het goed voor het milieu. 5.2.2
Toetsing bouwplan
Het voorgenomen plan is momenteel nog niet zo ver uitgewerkt dat de te nemen maatregelen omtrent de waterhuishouding bekend zijn. In de definitieve planuitwerking wordt hier aandacht aan besteed en wordt nader uitgewerkt hoe hiermee wordt omgegaan. Het plan zal tegen die tijd voor beoordeling aan het waterschap worden voorgelegd. Milieuzone - boringsvrije zone Zoals eerder aangegeven in paragraaf 4.2.3 van deze toelichting, ligt het plangebied binnen de boringsvrije zone Veenendaal. De boringsvrije zone is een gebied rondom de grondwaterwinning Veenendaal. Deze grondwaterwinning is de bron van de drinkwatervoorziening voor o.a. de gemeente Veenendaal. In de boringsvrije zone beschermt een ondergrondse laag de onderliggende waterwinning. Om te voorkomen dat activiteiten (zoals het toepassen van bodemenergiesystemen) plaatsvinden die verontreiniging of lokale opwarming van het grondwater tot gevolg hebben, stelt de provincie Utrecht in haar Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht regels ter bescherming van de grondwaterkwaliteit voor de drinkwatervoorziening. Het betreft onder andere een verbod op boor-, grond- en funderingswerkzaamheden dieper dan 30 meter onder het maaiveld en het toepassen van
bestemmingsplan
31
bestemmingsplan 't Goeie Spoor bodemenergiesystemen. Onder voorwaarden zijn vrijstellingen op dit verbod mogelijk. Daarnaast geldt voor iedereen in de boringsvrije zone de bijzondere zorgplicht (art. 3.12 Interim Omgevingsvisie Provincie Utrecht). Dit houdt in dat activiteiten waarvan men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die tot nadelige gevolgen voor de bescherming van het grondwater kunnen leiden, moeten worden voorkomen of, voor zover het niet kan worden voorkomen, zoveel mogelijk moet worden beperkt of ongedaan worden gemaakt. Het verdient aanbeveling dat ontwikkelingen worden afgestemd met het waterwinbedrijf. De boringsvrije zone is als gebiedsaanduiding in de regels en op de verbeelding van onderhavig bestemmingsplan opgenomen. Bovenstaande restrictie is verwerkt in de regels. Hiermee is de boringsvrije zone in voldoende mate veiliggesteld. Het voorgenomen bouwplan leidt niet tot bodemroering dieper dan 30 meter - maaiveld. 5.2.3
Conclusie
Met inachtneming van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'water' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.3
Externe veiligheid
Externe veiligheid is de kans om te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Beleid en regelgeving op dit gebied is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege: a. het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); b. het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, waterwegen en spoorwegen; c. het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Met betrekking tot risico's wordt onderscheid gemaakt in twee risicomaten: Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als het risico op een plaats buiten een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Binnen de wet- en regelgeving zijn aan deze definitie grens- en richtwaarden opgehangen ten aanzien van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
Het groepsrisico is gedefinieerd als cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. In wet- en regelgeving is aan het groepsrisico een oriënterende waarde toegekend als indicator voor de omvang van een ramp en een afwegingsproces gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, rampenbestrijding en resteffecten. 5.3.1
Wettelijk kader
De regelgeving voor inrichtingen met (over het algemeen) grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen is samengebracht in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit Besluit is aangegeven welke bedrijven bij het verlenen van een milieuvergunning of het nemen van een besluit op grond van de Wro nadere aandacht behoeven. De wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid biedt geen absolute veiligheid. Een kleine kans op een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen wordt geacht tot het normaal maatschappelijk risico te behoren. Getracht wordt om door middel van regelgeving de gevolgen zo veel als mogelijk is te beperken. De regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen is neergelegd in het “Besluit transportroutes externe veiligheid”. Deze wetgeving verankert het zogenaamde Basisnet en daarmee is de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen per 01-04-2015 vervallen. Externe veiligheid in relatie tot transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) dat op 01-01-2011 in werking is getreden.
32
bestemmingsplan
bestemmingsplan 't Goeie Spoor
5.3.2
Toetsing bouwplan
In het kader van onderhavige ontwikkeling heeft Econsultancy in januari 2022 o.a. onderzoek naar externe veiligheid verricht. Doel van het onderzoek is om te bepalen of er in de nabije omgeving risicobronnen aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op het plangebied. Het onderzoek is als Bijlage 5 opgenomen. Onderstaand zijn de belangrijkste resultaten opgenomen. Voor het bouwplan zijn drie risicobronnen vastgesteld: buisleiding (1), transport (2) en inrichtingen (3 & 4). Deze zijn aangegeven op onderstaande uitsnede van de risicokaart.
Afbeelding 5.1: situering onderzoeksgebied Buisleiding Op circa 1,5 kilometer ten oosten van het plangebied is één buisleiding gelegen. In tabel 5.1 is een overzicht gegeven van de kenmerken van deze leiding.
Tabel 5.1: overzicht buisleiding Omdat het plan buiten de inventarisatieafstand van 95 meter is gelegen, is een kwantitatieve risicoanalyse niet noodzakelijk. Transport Ten oosten van het plangebied, circa 1,6 km, is de N233 De Klomp - Ochten gelegen. Via deze transportroute worden de gevaarlijke stoffen LF1, LF2, GF3 vervoerd. Op grond van het transport van deze gevaarlijke stoffen moet rekening gehouden worden met een invloedsgebied van 355 meter. Vanwege de ligging van het plangebied op relatief grote afstand tot de N233 is het niet noodzakelijk een kwantitatieve risicoanalyse uit te voeren. Ten zuiden van het plangebied is de spoorlijn Rhenen – De Haar gelegen. Deze spoorlijn is niet opgenomen in de risicokaart, omdat er geen gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Inrichtingen Op circa 1,1 km ten noordoosten is de inrichting Carbogen Amcis B.V. gelegen. Het betreft een
bestemmingsplan
33
bestemmingsplan 't Goeie Spoor inrichting die niet onder het Bevi valt, maar vanwege de opslag van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen boven een drempelwaarde vallen en dus op de risicokaart is vermeld. Op circa 1,4 km ten zuidoosten is de inrichting Gulf Tankstation gelegen. Het betreft een benzine-servicestation met LPG-vulpunt. De afstand tot de grens van het invloedsgebied bedraagt 150 meter. Het plangebied is op voldoende afstand van beide inrichtingen gelegen. Een nadere onderbouwing is daarom niet noodzakelijk. Elektromagnetische straling Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. Het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen is gebaseerd op het voorzorgprincipe. Bij het opstellen van een bestemmingsplan kan het daarom soms noodzakelijk zijn een bepaalde afstand vrij te houden tussen gevoelige bestemmingen en bovengrondse hoogspanningslijnen. De internationale norm is dat voorkomen moet worden dat burgers worden blootgesteld aan magneetvelden van meer dan 100 µTesla. Deze norm wordt in Nederland op maaiveldniveau nergens overschreden. In het Streekplan heeft de provincie Utrecht opgenomen dat binnen een zone van 30 meter aan beide zijden van de hoogspanningsleiding in principe niet gebouwd mag worden.
Aanvullend hierop adviseert het rijk, vanuit het voorzorgprincipe, om zoveel als mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen tot 15 jaar langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden van meer dan 0,4 µTesla. Bij vaststelling van het vigerend bestemmingsplan Stationssingel-Acacialaan (vastgesteld op 27 oktober 2016) heeft de gemeente in overleg met Stedin technische maatregelen doorgevoerd voor de versmalling van de magneetzone en veiligheidszone betreffende het traject Dodewaard – Veenendaal. Dit betekent dat het invloedsgebied van meer dan 0,4 µTesla van 80 meter naar circa 50 tot 55 meter wordt teruggedrongen. Voor het traject Veenendaal – Utrecht heeft de gemeente met Eneco afgesproken door ook technische maatregelen te treffen het invloedsgebied terug te brengen naar 60 meter. De dichtstbijzijnde relevante hoogspanningslijn met een spanning van 150 kV ligt op circa 140 meter afstand van het plan. Er is geen sprake van relevante magneetvelden ten gevolge van bovengrondse hoogspanningslijnen. De gemeente en Stedin zijn bezig met het ondergronds brengen van de hoogspanningskabels. Hiermee wordt de elektromagnetische straling ook onder de grond gebracht. Het invloedsgebied van meer dan 0,4 µTesla wordt daarmee sterk gereduceerd. Om deze ingreep mogelijk te maken is het bestemmingsplan "Ondergrondse hoogspanning" op 23 juni 2022 vastgesteld.
In de toelichting van dat bestemmingsplan staat aangegeven wat de invloedssfeer van 0,4 µTesla is. Die rijkt tot circa 10 meter ver op de hoogte waarop de ondergrondse kabels zijn gelegen. De invloedssfeer loopt vervolgens bolvormig om de kabels, waardoor het invloedsgebied op maaiveldniveau nog kleiner is. De afstand van de ontwikkeling tot het hart van de kabels is ongeveer 15 meter. De nieuwe bebouwing die mogelijk wordt gemaakt door dit bestemmingsplan ligt dan ook niet binnen het invloedsgebied van 0,4 µTesla. 5.3.3
Conclusie
Het plangebied ligt op ruime afstand van de risicobronnen. De afstand tot de meest nabijgelegen hoogspanningslijn bedraagt in de huidige situatie 140 meter waardoor er geen sprake is van relevante magneetvelden. De afstand van de ontwikkeling tot de geplande locatie van de ondergrondse hoogspanningskabels is eveneens voldoende. Er zijn geen nadere onderzoeken of berekeningen noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'externe veiligheid' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
34
bestemmingsplan
bestemmingsplan 't Goeie Spoor
5.4
Archeologie
5.4.1
Wettelijk kader
In 1992 ondertekende Nederland het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed – kortweg ‘het Verdrag van Malta’ (of Valletta). Sindsdien is het uitgangspunt van het (rijks)beleid dat archeologische waarden volwaardig meetellen in beslissingen over de ruimtelijke inrichting van ons land. De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) heeft als doel bodemverstorende activiteiten beter te reguleren. Centraal daarbij staat de verplichting om archeologische waarden in bestemmingsplannen vast te leggen. Gemeenten zijn daarbij bevoegd gezag inzake de omgang met archeologische waarden. Binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid hebben zij de vrijheid naar eigen inzicht financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de zorg voor de archeologie binnen hun grondgebied. Het verdrag is in 2007 wettelijk verankerd in de herziene Monumentenwet 1988. Een deel hiervan is op 1 juli 2016 overgegaan naar de Erfgoedwet. Zowel archeologie als een deel van cultuurhistorie zijn namelijk sinds 1 juli 2016 verankerd in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. In juli 2015 nam de Tweede Kamer een amendement op de Omgevingswet aan, waarin gesteld wordt dat gemeente de archeologische dubbelbestemmingen beter moeten onderbouwen.
Daarbij is van belang dat de archeologische monumenten aantoonbaar moeten worden gemaakt. Het archeologisch erfgoed heeft hiermee een prominente plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde "veroorzakerprincipe". Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Gemeenten dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1 en 3.38 Wro altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat gemeenten het kader moeten stellen voor de archeologische monumentenzorg. Zij hebben dus een kerntaak in de uitvoering van de archeologische monumentenzorg en moeten bij ruimtelijke besluitvorming het archeologische belang afwegen tegen de andere belangen. In de afgelopen 8 jaar zijn diverse archeologische onderzoeken binnen de gemeente uitgevoerd en zijn er nieuwe bronnen beschikbaar die relevant zijn voor de archeologische verwachting.
Daarom is de archeologische beleidskaart uit 2010 geactualiseerd en heeft er een verfijning plaatsgevonden van het verwachtingenmodel. Dit heeft geresulteerd in een geactualiseerde archeologische beleidskaart die op 25 juni 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld. De beleidskaart is vervolgens juridisch vertaald in het bestemmingsplan 'Parapluplan 2020', welke eveneens is vastgesteld door de raad op 25 juni 2020. 5.4.2
Toetsing bouwplan
In het vigerende bestemmingsplan 'Woongebieden 2018' en het 'Parapluplan 2020', waarin de meest recente archeologische beleidskaarten in zijn opgenomen, heeft de locatie geen archeologische waarde toegekend gekregen. Archeologisch onderzoek is daarom niet nodig. 5.4.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect 'archeologie' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.5
Cultuurhistorie
bestemmingsplan
35
bestemmingsplan 't Goeie Spoor
5.5.1
Wettelijk kader
In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. 5.5.2
Cultuurhistorische kenmerken
In 2018 is de cultuurhistorische waardenkaart door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit kenmerkenkaarten voor de disciplines landschap en gebouwde omgeving, uit waardenkaarten voor diezelfde aspecten, uit een viertal themakaarten en uit een integrale ensemblekaart, waarop de gebieden die staan die – samen met de sectorale landschappelijke en gebouwde kaarten – het palet aan cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Veenendaal laten zien. De thema’s waarop in het bijzonder ingezoomd is, zijn vervening, industrie, religie en militair erfgoed. Deze vier thema’s vormen een belangrijk deel van het ‘verhaal van Veenendaal’, waarvan in wisselende hoeveelheden ook nog relicten in het huidige Veenendaal – ondergronds, landschappelijk of gebouwd – terug te vinden zijn. 5.5.3
Toetsing bouwplan
Onderhavig plangebied is niet gelegen in belangrijk cultuurhistorisch waardevol gebied. Ook heeft de locatie geen belangrijke cultuurhistorische kenmerken. Daarnaast is de bebouwing op het terrein ook niet aangewezen als monument of cultuurhistorisch waardevol. 5.5.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect 'cultuurhistorie' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.6
Ontplofbare oorlogsresten
Het is bekend dat in de gemeente Veenendaal tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen zijn geweest. Dit houdt in dat er op plaatsen mogelijk ontplofbare oorlogsresten (OO) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Uit de praktijk is gebleken dat circa 10% van de afgeworpen bommen niet is geëxplodeerd en in de bodem is achtergebleven als blindganger. De gemeente Veenendaal heeft in mei 2018 beleid ten aanzien van OO vastgesteld. Door het vaststellen van een gemeentelijk beleid wordt geborgd dat activiteiten met betrekking tot OO binnen de gemeente worden getoetst en daar waar nodig beheersmaatregelen kunnen worden genomen en/of voorgeschreven. Het beleid is tevens bedoeld om eenieder die van plan is grondroerende werkzaamheden binnen de gemeente uit te voeren, te verplichten de benodigde acties te ondernemen met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid en risico's van OO op de betreffende locatie. Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) OO wordt alleen uitgevoerd om het risico met betrekking tot OO weg te nemen, en daarmee een veilige werkomgeving en leefomgeving te creëren tijdens uit te voeren werkzaamheden of activiteiten. Dit is ook de reden dat de gemeente Veenendaal altijd ingelicht moet worden als er projectmatig bodemroerende activiteiten plaatsvinden binnen gebieden die als verdacht zijn aangemerkt.
Vanwege voortschrijdende inzichten in de gebeurtenissen tijdens de Tweede Oorlog heeft er in 2020 een update van de bodembelastingkaart conventionele explosieven plaatsgevonden. 5.6.1
Toetsing bouwplan
Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) OO wordt alleen uitgevoerd om het risico met betrekking tot OO weg te nemen, en daarmee een veilige werkomgeving en leefomgeving te creëren tijdens uit te voeren werkzaamheden of activiteiten. Dit is ook de reden dat de gemeente Veenendaal altijd ingelicht moet worden als er projectmatig bodemroerende activiteiten plaatsvinden binnen gebieden die als verdacht zijn aangemerkt. Vanwege voortschrijdende inzichten in de gebeurtenissen tijdens de Tweede Oorlog heeft er in 2020 een
36
bestemmingsplan
bestemmingsplan 't Goeie Spoor update van de bodembelastingkaart conventionele explosieven plaatsgevonden. De kaart is hieronder opgenomen.
Afbeelding 5.2: overzicht verdachte gebieden en aandachtsgebieden
bestemmingsplan
37
bestemmingsplan 't Goeie Spoor
Het plangebied ligt centraal binnen het onderzoeksgebied van Veenendaal. Duidelijk is dat het plangebied niet binnen een aandachtsgebied of verdacht gebied ligt. Onderzoek naar OO is derhalve niet benodigd. 5.6.2
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect 'ontplofbare oorlogsresten' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.7
Ecologie
5.7.1
Wettelijk kader
Voor ecologie moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met soortbescherming gericht en met gebiedsbescherming. De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming zorgt voor een goede natuurbescherming van planten- en diersoorten, natura 2000-gebieden, en bossen. Sommige plant- en diersoorten worden beschermd omdat ze als kwetsbaar worden gekenmerkt. De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet, en de Flora- en Faunawet zijn vanaf 1 januari 2017 opgenomen in de Wet natuurbescherming. De provincie is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierin worden de soortbescherming en de gebiedsbescherming nader belicht omdat beide voor het bestemmingsplan van belang zijn. De regels die voorheen in de Boswet waren opgenomen zijn binnen het plangebied niet van toepassing omdat het gehele gebied binnen de bebouwde kom ligt. Een nadere beschrijving van dit deel van de wet is dan ook niet opgenomen. Soortbescherming Een belangrijk doel van de wet is het beschermen van alle soorten planten- en dieren die in het wild in Nederland voorkomen. De wet gebiedt dat alle in het wild levende dieren en planten in principe met rust worden gelaten, wat is vastgelegd in de algemene zorgplicht. In de regelgeving heeft de gunstige staat van in stand houding van soorten een prominentere plek gekregen.
De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Provincies hebben de mogelijkheid om voor bepaalde soorten aanvullende maatregelen vast te stellen. De provincie Utrecht heeft hiervoor al een lijst opgesteld met prioritaire soorten en aanvullende maartregelen per soort. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is van toepassing op natuurgebieden die door de overheid zijn aangewezen in het kader van de vogelrichtlijn en/of de habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn richt zich op de bescherming van natuurlijke habitats en leefgebieden van aangewezen planten- en dierensoorten. De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming van leefgebied van beschermde vogelsoorten.
Belangrijk is dat ruimtelijke projecten niet zonder meer mogen worden gerealiseerd in beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Projecten die in de nabijheid van beschermde natuurgebieden (inclusief de Habitatrichtlijngebieden) worden geprojecteerd, dienen te worden getoetst op de mogelijke negatieve effecten die zij op deze gebieden kunnen hebben (externe werking). Indien een negatief effect vermoed wordt dan moet bij de Provincie een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd worden. De Provincie zal naar aanleiding van de aanvraag een beschikking opstellen. De beschikking kan een verbod van het project betekenen of voorwaarden verbinden aan de uitvoer. De Wet natuurbescherming beschermt geen gebieden buiten de natura 2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland Naast de volgens de wet aangewezen gebieden kent Nederland het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). Het NNN is bedoeld voor het ontwikkelen van ecologische zones tussen verschillende
38
bestemmingsplan
bestemmingsplan 't Goeie Spoor natuurgebieden zodat populaties met elkaar in verbinding blijven en versnippering van natuur wordt tegengegaan. Het is uiteraard niet wenselijk dat een ontwikkeling een verstorende werking heeft op de functie van deze verbindingszones. Deze zones zijn niet beschermd volgens de Wet natuurbescherming maar krijgen planologische bescherming doordat deze in bestemmingsplannen worden opgenomen. Projecten en bestemmingsplannen worden getoetst aan dit provinciale beleid. 5.7.2
Toetsing bouwplan
In het kader van de Wnb heeft Gras Advies in februari 2022 een quickscan flora en fauna opgesteld. Doel van de quickscan is om te bepalen of de beoogde ontwikkeling een significant effect heeft op flora en/of fauna en duidelijkheid verschaffen in eventuele noodzakelijke vervolgstappen. Het onderzoek is als Bijlage 6 opgenomen. Onderstaand zijn de relevante onderzoeksresultaten opgenomen. Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied is niet gelegen in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Binnenveld op ca. 1,6 km afstand. Het projectgebied maakt ook geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde gebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland ligt ten zuidwesten van het projectgebied met de kortste afstand op ca. 750 m. Gezien de aard van de ingrepen, de afstand tot het Natura 2000-gebied en Natuurnetwerk Nederland-gebieden en de scheiding hiervan door de bebouwde kom van Veenendaal, is een direct negatief effect van de voorgenomen ruimtelijke ingrepen op de in deze beschermde gebieden aanwezige, beschermde soorten niet aannemelijk. Een substantieel negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op de stikstofemissie en daarmee op Natura 2000-gebieden is niet op voorhand uit te sluiten en is daarom nader onderzocht middels een AERIUS berekening.
AERIUS-berekening stikstofdepositie Om de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te kunnen bepalen, is voor de aanlegfase en de gebruiksfase een AERIUS-berekening benodigd. Momenteel wordt er gewerkt aan een actualisatie van de AERIUS Calculator en AERIUS Monitor. De verwachting is dat deze op 26 januari worden geactualiseerd naar versie 2022. Daarin worden ook de gevolgen van het 'Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijnen vanwege aanwezige waarden' meegenomen. Gezien de status van onderhavig plan, is besloten op deze geactualiseerde versie te wachten. In ieder geval dient voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan vast te staan of de voorgenomen ontwikkeling al dan geen significant effect heeft op Natura 2000-gebieden. In het kader van onderhavig plan heeft Gras Advies in februari 2022 een stikstofberekening gemaakt voor de toekomstige gebruiksfase. De stikstofrapportage is als Bijlage 7 opgenomen. Uit de berekening blijkt dat het toekomstig gebruik geen depositiewaarden hoger dan 0,00 mol/ha/jr in Natura 2000-gebieden genereert. De aanlegfase is niet berekend omdat deze destijds conform de Wet stikstofreductie en natuurverbetering een vrijstelling voor de aanlegfase (bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten) gold. Voorgaande geeft een inzage in de verwachte depositie van de gebruiksfase.
Zoals gezegd zal de aanlegfase en toekomstige gebruiksfase voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan met een actuele AERIUS-Calculator worden berekend. Beschermde soorten Vleermuizen Het projectgebied heeft geen bomen met holtes of scheuren die geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Het projectgebied is wel geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Gezien de geringe omvang van het projectgebied en de ruime aanwezigheid van foerageergebied in de nabije omgeving is een functie van het terrein als essentieel foerageergebied niet aannemelijk. De bomenrij langs de weg in het zuidoostelijke deel van het projectgebied vormt een robuuste lijnvormige structuur die mogelijk als vliegroute door vleermuizen gebruikt wordt. Gelet op de aanwezigheid van voldoende alternatieve vliegroutes in de directe omgeving is het niet aannemelijk dat de bomen in het projectgebied een essentiële vliegroute vormen. Vogels
bestemmingsplan
39
bestemmingsplan 't Goeie Spoor
Het projectgebied is (onderdeel van) een leefgebied voor diverse zangvogels. Het is aannemelijk dat zangvogels de bosschages in het projectgebied gebruiken als broedlocatie. Ook zijn er twee verlaten nesten aangetroffen binnen het projectgebied, mogelijk van kraai en houtduif. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk, onder voorwaarde dat er buiten het broedseizoen om gewerkt wordt, of eventuele nesten in de bosschages tijdens het broedseizoen niet verstoord worden. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli, afhankelijk van de weersomstandigheden. Eerdere en latere broedgevallen zijn ook beschermd conform de Wnb. Zorgplicht De aannemer behoudt te allen tijde zijn of haar zorgplicht: ‘’De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. In praktijk betekent dit het a) voorkomen, b) beperken en c) ongedaan maken van schadelijke handelingen voor de natuur. Advies / aanbevelingen Geadviseerd wordt de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen om. Het broedseizoen is globaal aan te geven tussen 15 maart en 15 juli, afhankelijk van de weersomstandigheden. Maar ook eerdere en latere broedgevallen zijn beschermd conform de Wet natuurbescherming.
De aannemer behoudt te allen tijde zijn of haar zorgplicht: ‘’De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, als mede voor hun directe leefomgeving. In praktijk betekent dit het a.) voorkomen, b.) beperken en c.) ongedaan maken van schadelijke handelingen voor de natuur.” 5.7.3
Conclusie
Uit de quickscan blijkt er slechts één restrictie naar voren te komen. Het is aannemelijk dat zangvogels de bosschages in het projectgebied gebruiken als broedlocatie. Verstoring van broedvogels kan voorkomen worden door de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien dat niet mogelijk is, kan verstoring voorkomen worden door de bosschages niet te beschadigen tijden het broedseizoen. Voor wat betreft stikstof dient de aanlegfase en toekomstige gebruiksfase op een later moment, maar in ieder geval voor de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan, met een actuele AERIUS-Calculator te worden berekend. Zoals reeds in eerdere paragrafen van deze toelichting is aangegeven, is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen pas wordt verleend op het moment dat uit een gemeentelijke beoordeling volgt dat het plan voldoet aan het Puntensysteem Omgevingsvisie Veenendaal. Natuurinclusief bouwen maakt onderdeel uit van het puntensysteem. Het voorgenomen plan is momenteel nog niet zo ver uitgewerkt dat de te nemen maatregelen ten aanzien van natuurinclusief bouwen bekend zijn. Om te borgen dat bij het definitieve ontwerp wordt voldaan aan de voorwaarden van het puntensysteem is voornoemde voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Met inachtneming van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'ecologie' geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
5.8
Geluid
5.8.1
Wettelijk kader
Wet geluidhinder Tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh) is een koppeling gelegd. Dat blijkt uit art. 76 en 76a van de Wgh. Dit betekent dat de geluidssituatie binnen het plangebied moet voldoen aan de voorwaarden uit de Wgh. Als nadere invulling van deze voorwaarden heeft de gemeente Veenendaal de beleidsregel hogere waarden Wgh opgesteld. In het kader van de Wet geluidhinder liggen er zones rond wegen en spoorlijnen en gezoneerde
40
bestemmingsplan
bestemmingsplan 't Goeie Spoor industrieterreinen. Wegen op een woonerf of met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen zone. Binnen een zone moet voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, onderzoek worden gedaan naar de geluidbelasting. Binnen de geluidszone geldt een voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting ter plaatse van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. Hierbij geldt een afzonderlijke toetsing per weg, spoorweg of industrieterrein. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde moet worden onderzocht of geluid reducerende maatregelen getroffen kunnen worden, waarbij de volgorde bron- overdracht- en ontvangermaatregelen de voorkeur geniet. Beleidsregel hogere waarden Pas als blijkt dat niet aan de voorkeurswaarde kan worden voldaan kan het college van Burgemeester en Wethouders een hogere waarde verlenen (ontheffing van de voorkeurswaarde). Hierbij geldt wel een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde vast te stellen dienen bron- en overdrachtsmaatregelen afgewogen te worden. In deze beleidsregel worden randvoorwaarden genoemd voor het toestaan van hogere geluidsbelastingen dan de voorkeurswaarde. De voorwaarden zijn geformuleerd als eis of als inspanningsverplichting.
Indien niet aan de inspanningsverplichting kan worden voldaan dient de initiatiefnemer te motiveren waarom dit niet kan of waarom voor een alternatieve oplossing is gekozen. Gemeentelijk geluidsbeleid De gemeente zet zich in voor een goede leefbaarheid, ook op locaties met hoge geluidsniveaus. Hiertoe heeft de gemeente naast het toetsingskader van de Wet geluidhinder ook specifiek geluidbeleid opgesteld. De leefbaarheid wordt bewerkstelligd door middel van eisen en voorwaarden voor het verlenen van hogere waarden. De volgende voorwaarden zijn geformuleerd als eis: De geluidsgevoelige bestemming heeft ten minste één gevel met een lager (luw) geluidsniveau. Het geluidsniveau op deze gevel is niet hoger dan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting voor elk van te onderscheiden geluidsbronnen. Er dient onderzoek gedaan te worden naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidsbronnen (cumulatie). Een geluidsgevoelige bestemming mag maximaal 2 dove gevels bezitten. Bij de aanwezigheid van balkons/loggia’s etc. dient onder de balkons weerbestendige geluidsabsorptie te worden geplaatst ter voorkoming van ongewenste reflecties op de gevels. De volgende voorwaarden zijn inspanningsverplichtingen: De geluidsgevoelige bestemming heeft per etage minimaal één verblijfsruimte aan de zijde van de geluidsluwe gevel.
Indien de geluidsgevoelige bestemming beschikt over één of meer buitenruimte, dan is er minimaal één gelegen aan de geluidsluwe zijde. Indien dit niet mogelijk is dan dient het geluidsniveau op de gevel niet meer dan 5 dB hoger te zijn dan bij de geluidsluwe gevel. De gemeente verleent voor binnenstedelijke situaties geen hogere waarden hoger dan de voorkeurswaarde plus 10 dB. De aanwezigheid van dove gevels dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. Voor grotere (uitbreidings)locaties met minimaal 100 nieuwe woningen waarbij binnen het bestemmingsplan de behoefte aan flexibiliteit groot is, mag per type geluidsbron maximaal 15% van de nieuw te bouwen woningen een geluidsniveau hebben dat hoger is dan de voorkeurswaarde. 5.8.2
Toetsing bouwplan
In het kader van onderhavige ontwikkeling heeft Econsultancy in april 2022 onderzoek naar weg- en railverkeerslawaai verricht. Doel van dit onderzoek is om de geluidsbelasting ten gevolge van weg- en railverkeer op de beoogde woningen inzichtelijk te maken en te toetsen aan het relevante beleid. Het onderzoek is als Bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen. Daarna is, naar aanleiding van een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan, het geluidsonderzoek aangevuld, zoals te zien in de memo, opgesteld door Econsultancy, d.d. 30 mei 2024, en bijgevoegd als Bijlage 9 bij deze toelichting. Geluidsbelasting op de beoogde woningen Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat als gevolg van de spoorweg en het wegverkeer de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt overschreden. De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen
bestemmingsplan
41
bestemmingsplan 't Goeie Spoor bedraagt ten hoogste 62 dB als gevolg van de spoorweg en ten hoogste 60 dB als gevolg van ’t Goeie Spoor. De maximaal te ontheffen waarde van 68 dB voor railverkeer en 63 dB voor wegverkeer worden niet overschreden. Voor de spoorweg en ’t Goeie Spoor is een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Bestaande woningen Uitgaande van het beoordelingskader wordt de akoestische situatie ter plaatse van de bestaande woningen aan de Stationssingel voornamelijk als ‘matig’ beoordeeld. Plaatselijk neemt de cumulatieve geluidsbelasting met afgerond 1 dB toe. In de huidige situatie en de toekomstige situatie bedraagt de cumulatieve geluidsbelasting ten hoogste 59 dB en is niet of nauwelijks waarneembaar. Geconcludeerd wordt dat met het voorgenomen plan geen onevenredige nadelige geluidseffecten op zullen treden bij de bestaande woningen aan de Stationssingel en dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De berekende geluidsbelastingen van de toekomstige en huidige situatie zijn in bijlage 6 van het onderzoek weergegeven. Rembrandt College Er is onderzocht of er weerkaatsing van het railverkeer ontstaat door de geplande nieuwbouw. In sommige gevallen kan dit zorgen voor een dubbele geluidsbelasting op een gevoelig object. Dit kan zorgen voor onacceptabele geluidshinder.
Uit het onderzoek blijkt echter dat daar in dit geval geen sprake van is. Hoewel de geluidsbelasting op de gevel van het Rembrandtcollege met 1dB toeneemt, is dit dermate weinig dat dit niet waarneembaar is. Er is om die reden geen sprake van een onevenredige toename van geluidhinder op het Rembrandtcollege door realisatie van dit project. De geluidhinder van het wegverkeerslawaai neemt zelfs met 2dB af ten opzichte van de huidige situatie. Door de afschermende werking van het nieuw te bouwen pand is er wat dat betreft sprake van een (licht) verbeterde akoestische situatie. Toets gemeentelijk geluidsbeleid De geluidsbelastingen zijn voor weg- en railverkeer niet hoger dan de maximaal te ontheffen waarde. Er hoeven derhalve geen dove gevels toegepast te worden. Verder kent het plan al een aantal geluidsluwe gevels. Voor deze appartementen zijn geen extra maatregelen nodig. Voor de overige woningen zijn maatregelen noodzakelijk om een geluidluwe gevel te realiseren. 5.8.3
Maatregelenafweging
Maatregelen spoor De geluidsbelasting als gevolg van de spoorweg kan met maximaal 3 dB worden gereduceerd door het toepassen van raildempers. Gezien de berekende geluidsbelastingen als gevolg van het spoor is een reductie van minstens 7 dB nodig om aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting te voldoen. Het treffen van bronmaatregelen wordt daarom in dit kader niet doelmatig geacht. Het plaatsen van een geluidsscherm tussen het spoor het appartementengebouw kan een effectief middel zijn om het geluid in de woonomgeving terug te dringen. Gezien de ligging van het appartementencomplex op een geluid belaste locatie en de hoogte van de geplande bebouwing zal een hoog en lang geluidscherm nodig zijn om voldoende afscherming te bieden. Het realiseren van een dergelijk scherm zal het uitzicht van de bewoners belemmeren wat niet wenselijk wordt geacht. De kosten voor de overdrachtsmaatregelen staan in dit geval niet in verhouding met de te behalen reductie. Maatregelen wegverkeer ’t Goeie Spoor maakt onderdeel uit van de hoofdwegenstructuur. Het beperken van de rijsnelheid of de verkeersintensiteiten van deze weg is onder andere vanuit verkeerskundig oogpunt geen reële maatregelen. Het terugdringen van de snelheid of verkeersintensiteit kan leiden tot een andere routekeuze met het gevolg dat elders een toename van het verkeer plaatsvindt en daarmee de mogelijke toename van hinder.
Het terugdringen van de snelheid of verkeersintensiteit is niet realistisch. Afstandsvergroting is in onderhavige situatie niet mogelijk, gezien de beperkte ruimte tussen het spoor en ’t Goeie Spoor. ’t Goeie Spoor beschikt over standaard asfaltverharding (AC 8 of AC 11). Met een stiller wegdektype (zoals SMA-NL5) kan een reductie van slechts 1 dB behaald worden. Het vervangen van de bestaande
42
bestemmingsplan
bestemmingsplan 't Goeie Spoor verharding en de beperkte te behalen reductie wordt niet doelmatig geacht. Andere stillere wegdektypes is in een binnenstedelijk gebied vanwege het optrekkend en afremmend verkeer nabij de kruisingen niet wenselijk. Maatregelen appartementencomplex Onderstaande afbeelding geeft een impressie van het appartementengebouw. Het definitieve ontwerp wordt nog nader bepaald. Aan de zijde van het spoor is de galerij gelegen en is in onderstaande afbeelding globaal met geel omkaderd. Alle appartementen aan deze zijde beschikken over een buitenruimte. De buitenruimten en de verkeersruimte vormen één geheel. Om aan het gemeentelijk beleid te voldoen moeten de gevelelementen (in gesloten toestand) voldoende geluidwerend zijn. Het toepassen van akoestisch glas is noodzakelijk zodat de geluidsbelasting op de achterliggende gevels wordt teruggebracht tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Ook voor de koppen van het appartementencomplex, aangegeven met rood, zijn voorzieningen nodig om voor de woningen een geluidluwe gevel te realiseren, hiervoor is een balkon-beglazing/afsluitbare loggia noodzakelijk. Bij de aanwezigheid van een balkon/loggia dient onder de balkons/loggia’s weerbestendige geluidsabsorptie te worden geplaatst ter voorkoming van ongewenste reflecties op de gevels.
Bij voorkeur ligt tenminste één verblijfsruimte aan de geluidluwe gevel, maar is geen eis volgens het gemeentelijk beleid. Voor een buitenruimte geldt dat er sprake moet zijn van een sterk geventileerde buitenruimte (3 l/s/m2) die qua luchtkwaliteit gelijkwaardig moet zijn aan de buitenlucht. Eventuele ventilatieopeningen kunnen worden voorzien van een bouwkundige suskast. In het kader van de omgevingsvergunning voor de bouw wordt het plan verder gedetailleerd.
Afbeelding 5.3: impressie appartementencomplex Verder wordt, gezien de hoogte van de geluidsbelastingen, geadviseerd om de appartementen te voorzien van een WTW-ventilatiesysteem, oftewel mechanische luchttoevoer en luchtafvoer. Middels een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels dient te worden aangetoond dat het binnenniveau conform het Bouwbesluit 2012 wordt gewaarborgd. Doordat zowel de Wet geluidhinder als het gemeentelijk beleid niet voorzien in cumulatie van verschillende bronsoorten voor de bepaling van de binnenwaarde dienen de effecten van beide bronsoorten separaat inzichtelijk te worden gemaakt. De maatgevende voorzieningen dienen uiteindelijk te worden gerealiseerd. Cumulatieve geluidsbelasting In het kader van een goede ruimtelijke ordening en volgens het gemeentelijk beleid is inzicht in de gecumuleerde geluidsbelasting noodzakelijk. De cumulatieve geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 65 dB (excl. aftrek). Voor de beoordeling van de geluidbelasting wordt gebruik gemaakt van de classificering van de kwaliteit van de akoestische omgeving in een milieukwaliteitsmaat volgens de
bestemmingsplan
43
bestemmingsplan 't Goeie Spoor ‘methode Miedema’. Hierin wordt de geluidbelasting geclassificeerd en beoordeeld op basis van klasse met een bandbreedte van 5 dB. De situatie wordt als ‘goed’ tot ‘tamelijk slecht’ beoordeeld. Aanvraag hogere waarden Voor de appartementen met een overschrijding dient ten gevolge van de overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de spoorweg en ’t Goeie Spoor een hogere waarde bij het college van B&W te worden aangevraagd. In bijlage 8 van het akoestisch onderzoek zijn de geluidsbelastingen als gevolg de spoorweg en ’t Goeie Spoor op een kaart weergegeven. De gemeente kan hierbij de volgende kenmerken van het plan in overweging nemen: de berekende geluidsbelastingen zijn lager dan de maximaal te ontheffen waarde van 68 dB voor railverkeer en 63 dB voor wegverkeer; bron- en overdrachtsmaatregelen zijn niet doelmatig of stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard; woningen vullen een open plaats op tussen aanwezige bebouwing; woningen zijn/worden gesitueerd in de omgeving van een station of knooppunt van openbaar vervoer; in de definitieve indeling van het plan moet rekening gehouden worden met de aanwezigheid van tenminste één geluidluwe gevel; middels een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels wordt het binneniveau (conform Bouwbesluit 2012) gewaarborgd. 5.8.4
Conclusie
Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Voor de toekomstige appartementen waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld, dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) conform het Bouwbesluit 2012 te worden gegarandeerd. Een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels is noodzakelijk. Verder zijn maatregelen nodig zodat elke woning over een geluidluwe gevel beschikt. Slechts enkele woningen voldoen zonder maatregelen aan het beleid. Met de maatregelen zoals beschreven in paragraaf 6.1 van het akoestisch onderzoek kan worden voldaan aan het gemeentelijk beleid. Het voorgenomen plan is momenteel nog niet zo ver uitgewerkt dat de te nemen maatregelen bekend zijn. Om te borgen dat bij het definitieve ontwerp wordt voldaan aan de relevante akoestische voorwaarden, is dit door middel van een voorwaardelijke verplichting geborgd in de regels van onderhavig bestemmingsplan. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.9
Bedrijven- en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Der basis hiervoor vormt de Wet milieubeheer. In de VNG handreiking (hierna handreiking) 'bedrijven en milieuzonering' 2009 zijn de aan te houden afstanden opgenomen. Hieraan wordt het plan dan ook getoetst. Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) dienen binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. 5.9.1
Toetsing bouwplan
In het kader van onderhavige ontwikkeling heeft Econsultancy in januari 2022 o.a. onderzoek naar bedrijven en milieuzonering verricht. Doel van het onderzoek is om te bepalen of er in de nabije omgeving bedrijvigheid aanwezig is met een effect op het plangebied en omgekeerd of de beoogde ontwikkeling bestaande bedrijven belemmeren in hun bedrijfsvoering of een eventuele toekomstige uitbreiding. Het onderzoek is als Bijlage 5 opgenomen. Onderstaand zijn de belangrijkste resultaten opgenomen. Bepaling gebiedstype Het plangebied ligt in een gemengd gebied. De in de nabijheid van het plan gesitueerde gronden zijn bestemd voor dienstverlening, bedrijven, horeca, maatschappelijk en wonen. Teven ligt er op ongeveer 45 meter van het plan de spoorlijn Rhenen - De Haar.
44
bestemmingsplan
bestemmingsplan 't Goeie Spoor
Toets plangebied aan richtafstanden Voor gemengd gebied worden in de handreiking per milieucategorie richtafstanden gesteld zoals weergegeven in onderstaande tabel.
Tabel 5.1: richtafstanden per milieucategorie Rembrandt College en Kinderopvang Luna De in onderstaande afbeelding met bruin aangegeven gronden zijn bestemd als ‘maatschappelijk’. Het betreft een middelbare school en een kinderopvang, waarbij een richtafstand geldt van 10 meter. Binnen het bestemmingsplan zijn geen andere functieaanduidingen opgenomen. Het plangebied is buiten deze afstand gelegen.
Afbeelding 5.4: Rembrandt College (links) en Kinderopvang Luna (rechts) Bedrijventerrein (ten westen van Kastanjelaan) Het bedrijventerrein ten noorden van het plangebied heeft een bedrijvenbestemming (zie afbeelding 5.5). Binnen de contouren van de bedrijfsbestemming mag een bedrijf zich vestigen tot en met de maximale milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter. Het plangebied valt buiten deze afstand. Op het perceel 't Goeie Spoor 10 ligt bovendien de aanduiding 'Nutsbedrijf'. Dit houdt in dat een nutsbedrijf op deze locatie is toegestaan. De bedrijfscategorie van het nutsbedrijfs is niet nader gedefinieerd, maar wordt wel gelimiteerd door het Besluit activiteiten leefomgeving. Dat stelt regels voor zogenaamde 'grote lawaaimakers', ofwel bedrijven die een geluidsproductie hebben behorende bij een bedrijfscategorie 4.2 of hoger. Dat type bedrijf kan zich enkel vestigen op specifieke bedrijventerreinen. Een nutsbedrijf met een stroomverdeling van 200MVA wordt aangemerkt als bedrijfscategorie 4.2 en moet zich dus vestigen op een dergelijk bedrijventerrein. Dat houdt in dat een nutsbedrijf van maximaal bedrijfscategorie 3.2 zich hier kan vestigen. De richtafstand behorende bij deze bedrijfscategorie is 100
bestemmingsplan
45
bestemmingsplan 't Goeie Spoor meter. Aangezien de locatie in gemengd gebied is gelegen kan een richtafstand van 50 meter worden aangehouden. De nieuwbouw ligt op een afstand van ongeveer 58 meter tot de grens van het bouwvlak op het perceel 't Goeie Spoor 10. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand en ondervindt de woningbouw geen milieuhinder van de bedrijfsbestemming op 't Goeie Spoor 10. Andersom wordt het nutsbedrijf niet belemmerd in de uitbreidingsmogelijkheden door de woningbouw die mogelijk wordt gemaakt middels dit bestemmingsplan.
Afbeelding 5.5: bedrijventerrein (ten westen van Kastanjelaan) 5.9.2
Conclusie
Uit voorgaande toets is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling geen ruimtelijke beperkingen voor bedrijven zal opleveren. De toegestane bedrijvigheden in de omgeving hebben op grond van de richtafstanden geen overlap met het plangebied. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.10
Luchtkwaliteit
5.10.1 Wettelijk kader Voor luchtkwaliteit zijn de luchtkwaliteitseisen (hoofdstuk 5.2) van de Wet milieubeheer van kracht. Hierin is vastgelegd dat onder meer ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. Deze Wet is nader uitgewerkt in Besluiten en Regelingen, waarvan het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate (nibm), het Besluit gevoelige bestemmingen en de Regeling beoordeling de belangrijkste zijn. Daarnaast is ook het beginsel van een goede en duurzame ruimtelijke ordening van belang. Niet in betekenende mate (nibm)
46
bestemmingsplan
bestemmingsplan 't Goeie Spoor
Alleen projecten die ‘in betekenende mate’ bijdragen aan de concentraties luchtvervuiling worden getoetst aan de grenswaarden. Er dient te worden onderzocht of een project ‘in betekenende’ mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Het Besluit nibm bepaalt dat een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtvervuiling als deze minder dan 3% van de grenswaarde, ofwel 1,2 microgram per m3. De Regeling nibm is hier een nadere uitwerking van. Hierin is bepaald dat woningbouwprojecten tot 1.500 woningen en kantoren tot 100.000 m 2 zijn vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. Besluit gevoelige bestemmingen Kinderen, ouderen en zieken zijn gevoeliger voor luchtvervuiling en worden daarom extra beschermd. Op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen gelden voor gevoelige bestemmingen nabij wegen zwaardere beperkingen. Zo mogen binnen 300 meter van rijkswegen en 50 meter vanaf provinciale wegen geen bestemmingen voor langdurig verblijf als kinderdagverblijven, scholen of verzorgingstehuizen worden gebouwd, als de wettelijke grenswaarden worden overschreden. Het Besluit verplicht overheden om onderzoek uit te voeren naar de concentraties stikstofdioxide en fijn stof. Voor gemeentelijke wegen geldt een zwaardere motiveringsplicht.