CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Integraal Beleidskader SD 2020-2023 'Sterker door verbinding'

Beeldvormende avond 10 mei 2022, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Informatie / naslagwerk deelsessies21.591 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

• We voeren een quickscan uit (zie www.inclusionlab.nl/ aan-de-slag/) om de aandachtspunten voor de Lokale Inclusie agenda te bepalen.

16

Inhoud

1. Inleiding

2. Achtergrondinformatie

Voetnoten

3. Begripsbepalingen

4. Naar vermogen actief

Bijlagen 1 t/m 4

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

5 Uitgangspunt 2 - Ondersteuning is gericht op het stimuleren van de eigen kracht van inwoners en hun netwerk 5.1 Welke beweging hebben we voor ogen

5.2 Maatschappelijk doel 02 - Verder versterken opvoed- en opgroeiklimaat

Centraal staat hier preventie en vroegsignalering. Daarmee willen we de Veenendaler in zijn kracht zetten of houden: “Help mij mezelf te helpen”. De wijkteams en sociale basis zijn zodanig ingericht dat Veenendalers zo veel mogelijk zelf hun vraagstukken op kunnen lossen. Uitgangspunt Model Veenendaal

Maatschappelijke doelen Visie sociaal domein

Beoogde effecten

2. Ondersteuning is gericht op het stimuleren van de eigen kracht van inwoners en hun netwerk

2. Verder versterken opvoed- en opgroeiklimaat

5. Jeugdigen groeien gezond en veilig op; we stimuleren en ondersteunen ouders om te zorgen voor een gezonde ontwikkeling van kinderen en een veilig opgroei- en opvoedklimaat

3. Inwoners willen meer voor en met elkaar doen

6. De betrokkenheid van Veenendalers bij hun leefomgeving en daarmee het omzien naar elkaar is vergroot 7. De inzet van vrijwilligers en het sociale netwerk is onderdeel van het normale leven 8. Mantelzorgers blijven actief met passende ondersteuning om overbelasting te voorkomen 9. Versterken van de sociale basis

4. Vroeger signaleren en handelen en dit dicht bij de inwoner organiseren

10. Preventie draagt bij aan een gezondere leefstijl 11. Vroegtijdige interventies bij opvoed-, financiële, woon- en/of psychosociale gezondheidsvraagstukken, om zo problematische vraagstukken (en dus maatwerkvoorzieningen) te voorkomen 12. De ondersteuning is gericht op een duurzaam effect

5. Meer mensen vinden een plek op de arbeidsmarkt

13. Behouden en uitbreiden van werkgelegenheid in Veenendaal 14. Er is sprake van een doorlopende lijn arbeidsparticipatie in samenwerking met onze partners 15. De samenwerking tussen onderwijs en arbeidsmarkt is versterkt

Iedere jeugdige heeft recht op een veilige, gezonde en liefdevolle opvoeding23. Ouders hebben hierin de centrale rol. Waar nodig bieden we ouders ondersteuning om deze rol zo optimaal mogelijk te kunnen vervullen. De welzijnsorganisaties en het CJG stimuleren een gezonde ontwikkeling van kinderen en een veilig opvoed- en opgroeiklimaat, samen met de jeugdigen, ouders, vrijwilligers en professionals. Door het opvoed- en opgroeiklimaat verder te versterken, verwachten we dat er minder vraag naar maatwerkvoorzieningen jeugdhulp zal komen en er afschalingsmogelijkheden vanuit maatwerkvoorzieningen ontstaan. Jeugdigen die opgroeien in armoede24 lopen een groter risico op problemen in hun ontwikkeling25. Armoede kan leiden tot schuldenproblematiek en (financiële) stress bij ouders. Hiervan hebben hun kinderen vaak last. Armoede leidt echter niet altijd tot problemen in de ontwikkeling van jeugdigen, zeker niet als deze armoede tijdelijk is. Soms kunnen ouders redelijk goed met een beperkt budget omgaan en tonen zij veel veerkracht, waardoor er weinig negatieve gevolgen voor hun kinderen zijn. Deze veerkracht willen we aanspreken en versterken, zodat we ernstige gevolgen van armoede bij jeugdigen kunnen voorkomen26. Om de spiraal van erfelijke armoede 27 te doorbreken, zoeken we naar de oorzaak van de armoede en realiseren we een integrale aanpak met alle betrokken partners.

In bijlage 13 is een Mindmap opgenomen waarin te zien is hoeveel

17

Inhoud

1. Inleiding

2. Achtergrondinformatie

Voetnoten

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

werkvelden betrokken zijn bij de aanpak van kinderarmoede. 5.2.1 Jeugdigen groeien gezond en veilig op; we stimuleren en ondersteunen ouders om te zorgen voor een gezonde ontwikkeling van kinderen en een veilig opgroei-en opvoedklimaat. Uitgangspunt bij jeugdhulp is ouders in hun opvoedkracht (terug) zetten of versterken waar nodig. Opvoeden is een complexe taak, zeker in een snel veranderende samenleving. Er worden in onze samenleving hoge eisen gesteld aan de ontwikkeling van jeugdigen. Het is voor ouders en jeugdigen een hele opgave om daaraan te voldoen. Niet zelden leidt dit bij ouders tot het (vaak onterechte) gevoel dat zij tekortkomen in hun opvoedvaardigheden. Daar waar een jeugdige zich niet ontwikkelt volgens de ‘verwachte ideale lijn’, zijn deze opvoedvaardigheden extra belangrijk. Soms vraagt dit daadwerkelijk om extra vaardigheden van ouders, bovenop de ‘standaard’ opvoedvaardigheden. Bij een vraag om hulp bij opgroeien en opvoeden kijken we daarom eerst in hoeverre de opvoedvaardigheden binnen het gezin en het opgroeiklimaat in en om het gezin versterkt kunnen worden met behulp van een aanbod in de sociale basis, aangevuld met een hoogwaardig aanbod vanuit het CJG. Aanvullend hierop kunnen we, als dat nodig is, individueel maatwerk (jeugdhulp) inzetten ter ondersteuning van de jeugdige.

We denken bijvoorbeeld aan het volgende: •   Het CJG versterkt de sociale basis door kennisoverdracht. Dit levert een bijdrage aan het verminderen van jeugdhulpvragen bij het CJG. • Faciliteren van scheidende ouders om dit ingrijpende proces zo goed mogelijk te doorlopen, waarbij we hen begeleiden in hun opvoedkracht vanuit het belang van

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

hun kind(eren). • We leveren een bijdrage aan het doorbreken van de spiraal van erfelijke armoede door o.a.:  Het vaststellen van een Kindpakket dat aansluit bij de behoefte van kinderen die opgroeien in een gezin met armoede gericht op het doorbreken van erfelijke armoede. De voorwaarden van deze regelingen zijn opgenomen in de Verordening Kindpakket. De wijzigingen ten opzichte van het huidige Kindpakket staan in bijlage 11. • Een aanbod van financiële educatie en voorlichting op scholen, in samenwerking met schulddienstverlening, Welzijn en CJG. We volgen de effecten door te kijken naar: • Verandering in het soort hulpvragen bij het CJG. • Monitoren voor welke vergoedingen voor kinderen het maatwerkbudget wordt ingezet ten behoeve van het voorkomen van nadelige gevolgen van armoede. Dat kan mogelijk leiden tot het aanpassen van de verordening Kindpakket.

5.3 Maatschappelijk doel 03 - Inwoners willen meer voor en met elkaar doen We bieden ruimte aan ontmoeten en bewonersinitiatieven stimuleren we actief. De welzijnsorganisatie faciliteert hierbij waar nodig. We hebben aandacht voor onder andere sport en bewegen in de wijk en het onderhoud van groenvoorzieningen. Ook stimuleren we Veenendalers om hun sociale netwerk meer te benutten bij het vinden van werk. Met preventieve (groeps-)activiteiten in de wijk, dicht bij de inwoner, vergroten we de zelfredzaamheid van kwetsbare inwoners. De gemeente neemt in deze ontwikkeling nadrukkelijk een faciliterende rol. Daarbij geven we ruimte aan Veenendalers om zelf invulling

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

te kunnen geven aan deze ontwikkeling. Tegelijkertijd bieden we duidelijke kaders die aangeven wat we van Veenendalers verwachten en wanneer de gemeente ondersteuning kan bieden. Dit vraagt om een flexibele en klantgerichte gemeente die, vanuit vertrouwen, verantwoordelijkheden en taken uit handen geeft aan haar inwoners. 5.3.1 De betrokkenheid van Veenendalers bij hun leefomgeving en daarmee het omzien naar elkaar is vergroot. Elkaar kennen en samen activiteiten ondernemen draagt bij aan sociale cohesie. Als mensen in beweging zijn (er op uitgaan, vrijwilligerswerk doen of gezamenlijke activiteiten ondernemen) komen zij in contact met elkaar. Dit vergroot de betrokkenheid bij elkaar, versterkt het omzien naar elkaar en daarmee het gevoel van (sociale) veiligheid. Samen met inwoners en organisaties werken we aan het samenhorigheids- en veiligheidsgevoel van inwoners in hun buurt te verhogen. We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • We stimuleren en ondersteunen waar nodig bewonersinitiatieven die bijdragen aan de sociale cohesie in de wijk, zoals sport en bewegen. We volgen de effecten door te kijken naar: • We onderzoeken de mogelijkheden om de ervaren cohesie van Veenendalers in wijken of buurten te meten om zo veranderingen hierin zichtbaar te kunnen maken. 5.3.2 De inzet van vrijwilligers en het sociale netwerk is onderdeel van het normale leven.

In de wijkaanpak richten we ons op het betrekken van inwoners bij het schoon, heel, veilig en leefbaar houden van de leefomgeving, mede om de sociale cohesie te bevorderen.

18

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

We vragen Veenendalers zelf bij te dragen aan de leefbaarheid van hun woonomgeving en stimuleren burgerinitiatief. Niet meer de vraag ‘wie lost dit voor mij op’ maar ‘wat kunnen wij en u daaraan bijdragen’? Binnen de sociale basis willen we de betrokkenheid bij elkaar verder bevorderen, onder andere door gebruik te maken van het brede aanbod aan voorzieningen in de sociale basis en actieve vrijwilligers. De professionals van de welzijnsorganisatie zorgen voor preventieve en collectieve voorzieningen om zo de vraag naar maatwerkvoorzieningen te verminderen en de uitstroommogelijkheden te vergroten. Samenwerking met sportvoorzieningen is belangrijk om een bijdrage te leveren aan de gezondheid van Veenendalers. In het gemeentelijk sportbeleid is speciale aandacht voor bewegingsmogelijkheden voor jeugdigen met een beperking. We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • Verder werken aan de realisatie van een IKC/wijkcentrum in iedere wijk, als hiertoe besloten wordt bij de herijking van het Integraal HuisvestingsPlan (IHP). Inwoners kunnen hier onder andere terecht om elkaar te ontmoeten en voor lichte ondersteuning bij het versterken van hun zelfredzaamheid. • Een sportaanbod dat toegankelijk is voor iedereen, ongeacht fysieke, verstandelijke en/of financiële belemmeringen. Een overzicht van de (sport) regelingen voor minima is opgenomen in bijlage 11.

We volgen de effecten door te kijken naar: • We onderzoeken de mogelijkheden om de ervaren betrokkenheid van Veenendalers op elkaar te meten. Dit ligt in het verlengde van de te volgen effecten van § 5.3.1. 5.3.3 Mantelzorgers blijven actief met passende ondersteuning om overbelasting te voorkomen. Mantelzorgers bieden belangrijke ondersteuning aan onze inwoners. Deze ondersteuning vinden zijzelf belangrijk voor hun naasten, maar ook de Veenendalers die mantelzorg

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

‘OPINIEPIJLERS’ Over het algemeen vragen deze inwoners hun buren wel om hulp, maar dat is dan vooral gericht op een boodschapje, vuilcontainers aan de weg zetten, uitwisseling van sleutels, hond uit laten, maar niet voor structurele hulp. Wederkerigheid speelt hier een belangrijke rol; inwoners vinden het niet prettig dat ze niets terug kunnen doen en willen buren niet tot last zijn. Deze inwoners zoeken sneller ondersteuning bij hun familie. ontvangen hebben hiervoor grote waardering. Ondersteuning van iemand die dichtbij staat is belangrijk voor mensen en biedt hen een veilig en vertrouwd gevoel. Bovendien is het voor mensen die ondersteuning nodig hebben vaak makkelijker dit te vragen aan partner of kind dan aan een buurtgenoot. Voor de ondersteuning aan mantelzorgers is het belangrijk om dit onderscheid te erkennen. Ook als gemeente hebben wij grote waardering voor onze mantelzorgers. De komende jaren leggen we meer focus op jonge mantelzorgers en mogelijkheden voor respijtzorg. We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • We ondersteunen lotgenotencontacten door middel van bijvoorbeeld lotgenotengroepen en een mantelzorgcafé. • Training voor (overbelaste) mantelzorgers voor het versterken van de draagkracht, zodat zij hun mantelzorgtaken kunnen volhouden. We volgen de effecten door te kijken naar:

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

• Het aanbod aan lotgenotengroepen in de sociale basis. • Cliënttevredenheidsonderzoek bij mantelzorgers. We streven naar de ontwikkeling van een breed cliënttevredenheidsonderzoek sociaal domein in Veenendaal, waarbij mantelzorg een thema zal zijn. 5.3.4 Versterken van de sociale basis Onder sociale basis verstaan we het volgende: het geheel van organisaties, bedrijven, religieuze instellingen, diensten, voorzieningen en betrekkingen die het mogelijk maken dat mensen in sociale verbanden (buurten, groepen, netwerken, gezinnen) een bijdrage kunnen leveren aan de maatschappelijke doelen van de gemeente Veenendaal. Het is onze overtuiging dat wanneer we deze sociale verbanden, organisaties en activiteiten in Veenendaal versterken dit de vraag naar (individuele) maatwerkvoorzieningen vermindert. In de taken en verantwoordelijkheden die we bij de welzijnsorganisatie neerleggen zal dit versterken een belangrijke opdracht worden. Daarnaast gaan we actief op zoek naar nieuwe verbindingen die nodig en mogelijk zijn om in te spelen op de vragen van inwoners. Hierbij zoeken we naar meer algemene en collectieve voorzieningen. Waarbij wij onder andere denken aan: • Investeren in het onderhouden van de netwerken in een wijk/buurt door de welzijnsorganisatie met als doel dat beter en sneller verbindingen kunnen worden gelegd.

• Ontwikkelen naar nieuwe algemene voorzieningen op basis van signalen die bij de verschillende loketten binnenkomen (en nu als maatwerkvoorziening wordt geïndiceerd). We volgen de effecten door te kijken naar: • Het verloop van maatwerkvoorzieningen. • Nieuw ontwikkelde algemene voorzieningen.

19

Inhoud

1. Inleiding

2. Achtergrondinformatie

Voetnoten

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

5.4 Maatschappelijk doel 04 - Vroeger signaleren en handelen en dit dicht bij de inwoner organiseren Door vroeg en tijdig eventuele opvoed-, opgroei-, financiële en/of gezondheidsvragen te signaleren en een adequate ondersteuningsstructuur dicht bij de inwoner te realiseren, verwachten we een afname van het aantal vragen naar individuele maatwerkvoorzieningen. 5.4.1 Preventie draagt bij aan een gezondere levensstijl Gezond leven begint met een gezonde leefstijl. Goede voeding, niet te veel alcohol, niet roken, voldoende bewegen, weinig stress: het zijn basisprincipes die bijdragen aan ieders gezondheid. Primair is dit natuurlijk de verantwoordelijkheid van inwoners zelf. Maar als gemeente kunnen we wel veel doen op het gebied van voorlichting en het inrichten van een gezonde leefomgeving. Vanuit de omgevingsvisie streven we naar een leefomgeving waar de druk op gezondheid zo laag mogelijk is en die uitnodigt tot gezond gedrag. De inrichting van de openbare ruimte heeft invloed op het gedrag en de leefstijl van mensen. We richten ons nadrukkelijk ook op inwoners met een lager inkomen. Zij hebben meer gezondheidsklachten en een lagere levensverwachting. Armoede en financiële problemen kunnen een serieuze aanslag op de gezondheid betekenen. Dat is zeker het geval als de financiële problemen langere tijd aanhouden.

Ook omgekeerd is er een verband, want een slechtere gezondheid kan leiden tot een lager inkomen en bijvoorbeeld ook tot hogere kosten voor medicijnen en zorg. We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • Activiteiten organiseren vanuit het GIDS-plan (Gezond In De Stad), gericht op voeding en beweging. We kiezen voor een gebiedsgerichte aanpak; passende activiteiten in de gebieden waar het nodig is.

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

• Sportactiviteiten voor minima binnen de Gecombineerde Leefstijl Interventie (GLI). Dit is sinds 2019 onderdeel van de basisverzekering van Menzis. We volgen de effecten door te kijken naar: • De ontwikkelingen in de ‘GGD gezondheidsmonitor jeugdigen’ en de ‘GGD gezondheidsmonitor volwassenen en ouderen’. Deze moeten zich bewegen naar positievere cijfers. Daarbij maken we een vergelijking met regionale en/of landelijke ontwikkelingen in gezondheid. 5.4.2 Vroegtijdige interventies bij opvoed-, financiële, woon- en/of psychosociale gezondheidsvraagstukken, om zo problematische vraagstukken (en dus maatwerkvoorzieningen) te voorkomen Vroegtijdige interventies helpen te voorkomen dat eenvoudige vragen uitgroeien tot complexe vraagstukken. Op plekken waar Veenendalers elkaar vaak treffen kunnen we eerder vragen van inwoners signaleren. Zo gaan alle kinderen naar school en gaan veel Veenendalers naar een sportvereniging, religieuze instellingen en dergelijke. We willen deze organisaties de juiste instrumenten en handvatten bieden om zo vroeg mogelijk signalen op te vangen, zodat we eerder kunnen ondersteunen waar nodig. Daarnaast is de gemeente vanaf 2021 wettelijk verplicht Veenendalers met achterstanden bij energiemaatschappijen, watermaatschappijen en woningbouwverenigingen te benaderen met een aanbod voor schuldhulpverlening.

We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • Voorlichting aan scholen over de manier waarop zij signalen van onder andere armoede, verslaving en gezinsproblemen kunnen herkennen, zodat we tijdig kunnen ingrijpen. • Ontwikkelen van een methode “vroeg erop af”: een methode om de achterstanden bij

energiemaatschappijen, watermaatschappijen en woningbouwverenigingen te bundelen, waardoor huishoudens met risicovolle schulden gesignaleerd worden en zij benaderd kunnen worden met inzet van deze methode. • Jongerenwerk versterken. • B ehoud van de wijkfunctionaris zorg en veiligheid. We volgen de effecten door te kijken naar: • Het totaalbedrag aan schulden en het aantal schuldeisers dat Veenendalers hebben als ze zich bij het schuldhulpverlening melden. Hierin zien we een daling (streven is 10%). • Door het koppelen van achterstandslijsten kunnen we zien of het aantal huishoudens met risicovolle schulden daalt. • Afname van jeugdhulp bij gecontracteeerde jeugdhulpaanbieders, te monitoren via het dashboard jeugdhulp.

20

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

‘ZORGAANBIEDER’ De levensloop van een mens gaat niet rechtlijnig, maar kent kronkels en hobbels. Vanuit beschikbare voorzieningen, wordt veelal wel rechtlijnig gedacht. Dit beter laten aansluiten bij het kronkelende leven is wenselijk, evenals een waakvlamfunctie. 5.4.3 De ondersteuning is gericht op een duurzaam effect Ondersteuning vanuit de gemeente is tijdelijk en gericht op uitstroom voor langere termijn. We willen ervoor zorgen dat Veenendalers het weer zelf kunnen en ondersteuning van de gemeente niet meer nodig hebben. Dit betekent dat we altijd kijken wat voor de betrokken inwoner passend is. Voor mensen met een chronische beperking of ziekte zorgen we voor structurele ondersteuning zonder onnodige bureaucratische controles. We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • O m Veenendalers met achterstanden bij de zorgverzekering toegang te geven tot de collectieve zorgverzekering, bieden we de mogelijkheid om de ziektekostenpremie in te houden van de uitkering. • Het beschikbaar stellen van saneringskredieten (via Kredietbank Nederland) voor het overnemen van kleine schulden waardoor een Veenendaler nog maar één schuldeiser heeft. • Schuldhulpverlening, inclusief bewindvoerders, in huis halen wanneer dit financieel of kwalitatief beter blijkt. • Ruimte geven aan uitvoeringsteams om te werken met ‘vrije’ budgetten als verwacht wordt dat een ‘alternatieve

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

inzet’ leidt tot een beter ondersteuningsaanbod of een even goed, maar goedkoper ondersteuningsaanbod. • Het aantal vroegtijdig uitvallers bij schuldhulpverlening is met 10% gedaald en krijgen een passend nazorgtraject. We volgen de effecten door te kijken naar: • Het aantal saneringskredieten die worden afgenomen en of deze effectief zijn (effectief: mensen zijn drie jaar schuldenvrij). • B esteding van ‘vrije’ budgetten monitoren. • Het aantal klanten dat uitvalt en het aantal klanten dat na uitval alsnog in een schuldhulpverleningstraject komt monitoren. • Het monitoren van het aantal inwoners met een achterstand bij de zorgverzekering en de hoogte van de achterstand.

5.5 Maatschappelijk doel 05 – Meer mensen vinden een plek op de arbeidsmarkt Als Veenendalers niet zelf in staat zijn om werk te vinden, kunnen zij gebruik maken van preventieve en algemene voorzieningen zoals bijvoorbeeld sollicitatietraining met vrije inloop. Veenendalers met een bijstandsuitkering ondersteunen we bij voorkeur met dezelfde algemene voorzieningen (zo licht mogelijk). Zo nodig bieden we (individuele) re-integratie - en participatievoorzieningen aan, zoals werkervaringsplekken, vrijwilligerswerk of trajecten gericht op het vergroten van competenties. Ook het vragen van een tegenprestatie behoort tot de mogelijkheden. Hoe en welke ondersteuning we bieden wordt vooral bepaald door de kansen op betaald werk van de betrokken Veenendaler en zijn persoonlijke situatie. Veenendalers met een arbeidsbeperking kunnen extra ondersteuning krijgen in de vorm van bijvoorbeeld beschut werk of loonkostensubsidie. Het is belangrijk dat iedere Veenendaler naar vermogen meedoet en dat daarmee zijn

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

positie in de samenleving sterker wordt. Om onze inwoners een kans te kunnen geven mee te doen in de samenleving is het van belang dat we lokaal en regionaal intensief samenwerken met werkgevers, onderwijs, IW4 en het Werkgeversservicepunt. 5.5.1 Behouden en uitbreiden van werkgelegenheid in Veenendaal Veenendaal als aantrekkelijke gemeente voor ondernemen is in brede zin gericht op het behoud en de groei van werkgelegenheid. In de regio werken we in de Strategische Arbeidsmarkt Tafel (STAM), samen met onderwijs en werkgevers, aan een goed functionerende arbeidsmarkt. Samen met de Triple Helix FoodValley (economische samenwerking) kijken we naar economische bewegingen in relatie tot (gewenste) ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Eén van de knelpunten is dat er voor veel beroepen een tekort is aan voldoende gekwalificeerd personeel. Tegelijkertijd zijn er nog steeds mensen die een kwetsbare positie hebben op de arbeidsmarkt. We werken in de STAM met vier hoofdthema’s aan de arbeidsmarkt in de regio: • We kijken vooruit; het benutten van beschikbare cijfers en onderzoeken om trends en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt te kunnen duiden. • Een leven lang leren; onderwijs dat aansluit bij de behoefte van werkgevers en aan de flexibiliteit, wendbaarheid en brede inzetbaarheid van personeel.

• Toptalent kiest voor de regio; voor een goed functionerende arbeidsmarkt is het van belang dat we toptalent binden aan de regio of naar de regio halen zodat we innovatief en concurrerend blijven. • Elk talent telt; dit is gekoppeld aan de doelstelling van het Regionaal Werkbedrijf en gericht op kansen voor inwoners met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt, waaronder mensen met een arbeidsbeperking.

21

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • Samen met IW4 en het Werkgevers Servicepunt regio FoodValley (WSP) de kracht van werkgevers versterken zodat zij steeds meer in staat zijn om ruimte te creëren en te behouden voor inwoners met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt. Dus niet alleen mensen aan het werk krijgen, maar vooral mensen aan het werk houden en tijdelijke terugval opvangen. We volgen de effecten door te kijken naar: • We gebruiken beschikbare cijfers en onderzoeken voor het signaleren van trends en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. 5.5.2 Er is sprake van een doorlopende lijn arbeidsparticipatie in samenwerking met onze partners We creëren meer samenhang in mogelijkheden voor arbeidsparticipatie voor inwoners die (nog) niet betaald kunnen werken, maar wel kunnen meedoen in de samenleving. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om beschut werk vanuit de Participatiewet, het realiseren van werkervaringsplekken, werk voor inwoners met een arbeidsbeperking (doelgroepenregister) en het aanbod van arbeidsmatige dagbesteding. Deze maatwerkvoorzieningen zijn vanuit verschillende wetten vormgegeven en worden op verschillende manieren gefinancierd. Er is hiervoor nog geen samenhang in de toegang en te weinig samenwerking in de uitvoering.

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

toegankelijke voorzieningen waardoor behoefte aan maatwerkvoorzieningen afneemt. We volgen de effecten door te kijken naar: • Hoeveel Veenendalers vanuit de arbeidsmatige dagbesteding een overgang maken naar beschut werk of werk (ondersteund door loonkostensubsidie). 5.5.3 De samenwerking tussen arbeidsmarkt en onderwijs is versterkt Om de komende vier jaar goed in te kunnen springen op de veranderingen in de economie en de samenleving is het van belang dat we vanuit werk en participatie samenwerken met onder meer het onderwijs en ondernemers. Inspanningen richten zich bijvoorbeeld op: • Afstemming over waar de ‘markt’ behoefte aan heeft, zodat we hierbij aansluitende opleidingen mogelijk maken. • Samen met het onderwijsveld en de ondernemers bieden van stageplekken. We volgen de effecten door te kijken naar: • We meten of het aantal stageplekken bij ondernemers toeneemt vanaf 2020.

We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • Het stroomlijnen van de toegang voor arbeidsparticipatie in het project “Uniforme toegang”28. • Het bevorderen van samenwerking tussen IW4 en aanbieders van arbeidsmatige dagbesteding. • Het versterken van de sociale basis voor arbeidsparticipatie. We willen meer algemeen

22

Inhoud

1. Inleiding

2. Achtergrondinformatie

Voetnoten

3. Begripsbepalingen

4. Naar vermogen actief

Bijlagen 1 t/m 4

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

6 Uitgangspunt 3 - Waar nodig bieden we ondersteuning aan inwoners; licht en algemeen als mogelijk en complex en gespecialiseerd als het moet 6.1 De beweging die we voor ogen hebben We gaan uit van het ‘normale leven’ waarbij inwoners zelfstandig en met hulp van hun omgeving functioneren en ondersteuning kunnen organiseren. Bij een ondersteuningsvraag kijken we breed en zijn we kritisch. We zetten díe ondersteuning in die nodig is: zo licht mogelijk, maar direct intensief waar nodig. De versterking van de sociale cohesie en het aanbod in de sociale basis zal niet in alle gevallen voldoende zijn om ondersteuning op maat te bieden aan inwoners. Voor

wie een maatwerkvoorziening nodig heeft, willen we dit snel en goed regelen. Hiervoor realiseert de gemeente een uniforme toegang en regie op casusniveau voor complexe vraagstukken. Waar veiligheid in het geding is, zetten we het Interventieteam in (volwassenen) en/ of Samen Veilig Midden Nederland (jeugdigen). Om de benodigde ondersteuning dicht bij huis te organiseren en afschalingsmogelijkheden te vergroten, werken de welzijnsorganisatie, de toegang en onze aanbieders nauw samen.

Uitgangspunt Model Veenendaal

Maatschappelijke doelen Visie sociaal domein

Beoogde effecten

3. Waar nodig bieden we ondersteuning aan inwoners; licht en algemeen als mogelijk en complex en gespecialiseerd als het moet

6. Ondersteuning meer op maat voor wie dat nodig heeft

16. Het aantal casussen waarbij de huisarts het CJG inschakelt is met ongeveer 10% toegenomen ten opzichte van 2020 17. Ten opzichte van 2018 wordt ongeveer 10% minder ambulante jeugdhulp verleend door jeugdhulpaanbieders 18. Ten opzichte van 2018 is het aantal jeugdigen in instellingsverblijf met ongeveer 10% gedaald 19. Het aantal meerderjarigen dat begeleiding ontvangt waar behandeling passender is, is afgenomen 20.Het aantal voortijdig schoolverlaters en thuiszitters is afgenomen

6.2 Maatschappelijk doel 06 - Ondersteuning meer op maat voor wie dat nodig heeft Ondersteuning op maat betekent dat we passende ondersteuning bieden. Om te bepalen wat passend is, bekijken we de ondersteuningsvraag van de Veenendaler vanuit alle leefgebieden. De ondersteuning die we bieden sluit aan bij de financiële situatie van de inwoner. Op de Veenendaler met voldoende financiële mogelijkheden doen wij een dringend beroep om ondersteuning zelf te organiseren. Daarmee zoeken we de grenzen van de wet op, om zo de mogelijkheden te benutten om ondersteuning te kunnen blijven bieden aan Veenendalers die dat echt nodig hebben. Iemand die jarenlang zelf hulp in de huishouding regelde en voldoende inkomsten heeft, kan deze ondersteuningsvorm ook zelf blijven betalen en hoeft hiervoor geen beroep te doen op de Wmo. Het is dan geen gemeentelijke taak om de kosten van deze schoonmaakhulp over te nemen. 6.2.1 Het aantal casussen waarbij de huisarts het CJG inschakelt is met ongeveer 10% toegenomen ten opzichte van 2020 De samenwerking met huisartsen versterken we verder, zodat voor alle jeugdigen waarvoor dat nodig is, een integrale afweging gemaakt kan worden van de benodigde

23

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

aanvullende ondersteuning in het gezin en voor de jeugdige. Dit moet ertoe leiden dat meer ouders ondersteuning krijgen bij de opvoeding van het CJG en minder kinderen een rechtstreekse verwijzing naar de specialistische jeugdGGZ. Als huisartsen willen verwijzen, staat hierbij de hulpvraag op zich niet ter discussie; we willen stimuleren dat zij samen met het CJG bekijken wat het meest passende ondersteuningsaanbod is. Het verwachte effect hiervan is minder instroom naar de specialistische GGZ. We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • O nderzoek naar de mogelijkheid voor een koppeling met het zorgsysteem van huisartsen, zodat digitale samenwerking vorm kan krijgen (zoals ook met psychiatrie en ziekenhuizen). • Een (fysieke) werkplek van het CJG in huisartspraktijken. • Verdere investering in de relatie met huisartsen door het voeren van gesprekken en een wijkgerichte aanpak. We volgen de effecten door te kijken naar: • Het aantal casussen waarvoor huisartsen het CJG inschakelen wordt geregistreerd bij het CJG als verwijzende partij. In 2020 maken we hiervan een nulmeting. 6.2.2 Ten opzichte van 2018 wordt ongeveer 10%minder ambulante jeugdhulp verleend door jeugdhulpaanbieders In de jeugdhulp stijgt het aantal ambulante hulptrajecten bij jeugdhulpaanbieders steeds verder. Deze ontwikkeling buigen we om.

We zetten in eerste instantie in op stabilisatie van het aantal jeugdigen, gevolgd door inzet op daling. We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • M eer generalistische basis jeugd-GGZ en minder specialistische jeugd-GGZ.

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

• Optimaliseren, verstevigen en zo nodig uitbreiden van het CJG voor het vergroten van de mogelijkheden om (goedkoper) ambulante jeugdhulp uit te voeren, opdat de balans in regie- en uitvoeringstaken van het CJG wordt hersteld 29. • Afbouwen van BSO+ maatwerkvoorzieningen en waar nodig opbouwen van een nieuwe begeleidingsvorm binnen de reguliere BSO. We volgen de effecten door te kijken naar: • Het aantal jeugdigen met ambulante jeugdhulp (perceel ambulant) per jaar, zoals vastgelegd in het dashboard jeugdhulp. In 2018 ontvingen 1603 jeugdigen ambulante jeugdhulp van een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. 6.2.3 Ten opzichte van 2018 is het aantal jeugdigen met in instellingsverblijf30 met ongeveer 10% gedaald Uitgangspunt is dat kinderen zoveel mogelijk thuis, in de eigen omgeving opgroeien. Veenendaal heeft relatief weinig jeugdigen in instellingsverblijf ten opzichte van het landelijk en regionaal gemiddelde. Het aantal jeugdigen in pleegzorg is in vergelijking hoog. Een sterke daling van het aantal jeugdigen in instellingsverblijf lijkt daarom niet reëel. Het belang ervan is wel groot, in de eerste plaats voor de jeugdige zelf, maar ook vanwege de hoge kosten die gepaard gaan met instellingsverblijf. Daarom blijven we eraan werken deze vorm van jeugdhulp verder terug te dringen en alternatieve opvangmogelijkheden te versterken.

We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • Versterken van de pleegzorg om te voorkomen dat lopende pleegzorgtrajecten door breakdown leiden tot zwaardere (residentiële) jeugdhulp. We onderzoeken de

24

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

mogelijkheden om pleeggezinnen extra te ondersteunen, bijvoorbeeld door het oprichten van een Platform pleegzorg. • Actieve regie van het CJG op afschalingsmogelijkheden bij jeugdigen die residentieel geplaatst zijn. • M eer aandacht voor het opvangen van crisis en voorkomen van instellingsverblijf na crisisverblijf. • M eer alternatieve vormen voor huisvesting / kamertraining van jeugdigen realiseren. We volgen de effecten door te kijken naar: • Het aantal jeugdigen in instellingsverblijf per jaar, zoals vastgelegd in het dashboard jeugdhulp. In 2018 verbleven 54 jeugdige Veenendalers in instellingsverblijf, waarvan 11 in crisis-verblijf. 6.2.4 Het aantal meerderjarigen dat begeleiding ontvangt waar behandeling passender is, is afgenomen De wachtlijsten voor behandeling van volwassenen nemen toe, met name in de GGZ. Inwoners moeten hierdoor wachten op behandeling. Deze Veenendalers komen met een ondersteuningsvraag bij de gemeente (Wmo). Om hen te ondersteunen, wordt regelmatig Wmo-begeleiding geboden als alternatieve ondersteuningsvorm, feitelijk is dit echter niet de oplossing van hun probleem. Door deze alternatieve ondersteuning zien sommige inwoners vervolgens af van behandeling; de noodzaak om behandeling te ondergaan is er niet meer, ze redden zich. Hierdoor ontvangen deze inwoners (te) lang Wmoondersteuning.

De druk op de Wmo-uitgaven neemt toe, terwijl de ondersteuningsvraag niet duurzaam wordt aangepakt en dus niet passend is. We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • B ij de toekenning van Wmo-begeleiding meegeven van de

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

voorwaarde binnen welke termijn de behandeling moet zijn gestart. Als dit niet het geval is, beëindigen we de maatwerkvoorziening. • B espreken van het probleem met de zorgverzekeraar (verantwoordelijk voor bekostiging van de GGZbehandeling) en gezamenlijk zoeken naar oplossingen. We volgen de effecten door te kijken naar: • We onderzoeken de mogelijkheid om toekenningen met deze termijnvoorwaarde te kunnen registreren en daarbij het aantal maatwerkvoorzieningen dat op basis van deze voorwaarde wordt beëindigd te kunnen meten.

‘BASISSCHOOLDIRECTEUR’ Wij hebben vrij veel kinderen in pleeggezinnen en adoptiegezinnen. In de ontwikkeling van het kind leidt dit niet zelden tot (soms complexe) vraagstukken in de opvoeding, onder andere door hechting. School en jeugdhulp kunnen elkaar versterken en samen het gezin ondersteunen.

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

van jongeren naar arbeid werkt de gemeente samen met de scholen en de uitvoering van de Participatiewet. Binnen de lokaal educatieve agenda (LEA) is één van de thema’s “Geen kind zit thuis of valt uit”. We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • Realiseren van een doorlopende leer- en ontwikkellijn voor elk kind (thema binnen de LEA). • Inzet van verschillende projecten vanuit het VSV-programma, het project ‘Overstag’ 31 is in Veenendaal gevestigd. • A fstemmen van de gemeentelijke uitvoeringsplannen met de LEA. We volgen de effecten door te kijken naar: • Jaarlijks vaststellen wat het percentage voortijdig schoolverlaters is.

6.2.5 Het aantal voortijdig schoolverlaters en thuiszitters is afgenomen Voor passend onderwijs zijn regionale uitgangspunten vastgesteld, onder andere gericht op samenwerking bij thuiszitters, voortijdig schoolverlaters (VSV) en onderwijshuisvesting. Daarnaast is er sprake van grijze gebieden in relatie tot de Jeugdwet. Hiervoor werken we aan een afwegingskader op basis waarvan we snel en efficiënt passende ondersteuning aan jeugdigen kunnen bieden. Voor het voorkomen van schooluitval en uitstroom

25

Inhoud

1. Inleiding

2. Achtergrondinformatie

Voetnoten

3. Begripsbepalingen

4. Naar vermogen actief

Bijlagen 1 t/m 4

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

7 Uitgangspunt 4 - Voor ondersteuning aan inwoners op meerdere leefgebieden boeken we winst door verbinding 7.1 De beweging die we voor ogen hebben Als de ondersteuningsvraag van de Veenendaler meerdere domeinen betreft, is het belangrijk daartussen verbinding te leggen zodat de oplossing beter aansluit bij de inwoner. We organiseren dit in Veenendaal door bij de toegang vragen te stellen over alle leefgebieden van de inwoner. Zo krijgen we direct in beeld of snelle en enkelvoudige ondersteuning mogelijk is of dat er sprake is van een meer complexe, domeinoverstijgende vraag waar een integraal ondersteuningsaanbod voor nodig is. De inschatting van de juiste ondersteuning bij de vraag maken we op basis van een goed en empathisch gesprek met de inwoner waarin duidelijk wordt gemaakt wat wij van de Veenendaler zelf verwachten en wat de Veenendaler van ons kan verwachten.

7.2 Maatschappelijk doel 07 - Toegang voor de inwoner verder versimpelen We hanteren bij elke vraag van de Veenendaler het ‘geenverkeerde-deur’-principe. De eerste toegang waar een inwoner zich meldt, is automatisch de ‘juiste’ toegang: inwoners worden altijd te woord gestaan en ontvangen een adequaat antwoord op hun vraag of een warme verwijzing. Geen kastje-muur, handelingsverlegenheid of discussies over verantwoordelijkheden. Deze aanpak vraagt kennis bij alle partijen van de mogelijkheden voor ondersteuning bij de diverse domein-professionals in Veenendaal. 7.2.1 In 2021 is sprake van een uniforme werkwijze van de eerste uitvraag bij alle loketten sociaal domein Bij de toegangen Wmo, E&W, CJG en schuldhulpverlening hebben de intakers straks basiskennis van alle domeinen

Uitgangspunt Model Veenendaal

Maatschappelijke doelen Visie sociaal domein

Beoogde effecten

4. Voor ondersteuning aan inwoners op meerdere leefgebieden boeken we winst door verbinding

7. Toegang voor de inwoner verder versimpelen

21. In 2021 is sprake van een uniforme werkwijze van de eerste uitvraag bij alle loketten sociaal domein

8. Verbinding versterken als dit een positief effect heeft op de kwaliteit, financiën en/of organisatie

22.In 2023 is een integrale werkwijze sociaal domein binnen de gemeente en tussen gemeentelijke partijen en externe partijen gerealiseerd

en werken zij vanuit dezelfde kernwaarden. Zij zijn geen generalisten maar wel goede signaleerders. Eenvoudige vragen beantwoorden zij zelf, zoveel als mogelijk gestandaardiseerd. Hebben zij geen passend antwoord dan zorgen zij voor een warme overdracht naar een interne of externe collega- professional waardoor geen enkele Veenendaler bij een verkeerde deur terecht komt. Als sprake is van meervoudige complexe problematiek, bespreken zij dit gezamenlijk. Daaruit kan voortkomen dat regie op casusniveau nodig is, dan wordt een vast contactpersoon aangesteld in overleg met de betreffende Veenendaler(s). We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • Vormgeven van een grondige eerste intake (hoogwaardig). • In de loop van 2020 is de digitale sociale kaart ontwikkeld tot een digitale hulpwijzer (“Veenendaal sociaal”), zodat inwoners eenvoudig ondersteuning binnen de sociale basis kunnen vinden. • Eén gemeentelijk contactpersoon voor de Veenendaler bij ondersteuning op meerdere domeinen. We volgen de effecten door te kijken naar: • Cliëntervaringsonderzoeken; dit is een onderdeel van het te ontwikkelen “brede cliëntervaringsonderzoek sociaal domein”. • Ontwikkelen van lokale mogelijkheden voor monitoring bij multi-problematiek binnen een huishouden.

26

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

7.3 Maatschappelijk doel 8 - Verbinding versterken als dit een positief effect heeft op de kwaliteit, financiën en/of organisatie Verbinding versterken is een wens en noodzaak die alle partijen binnen en rondom het sociaal domein erkennen. Inwoners, scholen, zorgaanbieders, welzijnswerk, vrijwilligerswerk: alle partijen benoemen deze verbinding en samenwerking als essentiële voorwaarden om efficiënter en effectiever inwoners de ondersteuning te kunnen bieden die zij nodig hebben.

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

• Helder geformuleerde afspraken (casusgericht) over de rollen, taken en verantwoordelijkheden van de verschillende partijen. • Heldere en eenduidige vastlegging van afspraken in contracten met aanbieders. We volgen de effecten door te kijken naar: • Procesregisseurs die de realisatie van afspraken met partners op casusniveau volgen en zo nodig met de gemeentelijk accounthouder de samenwerking heroverwegen.

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

‘BASISSCHOOLDIRECTEUREN’ Realiseer samenhang in de organisatie rondom het opgroeiende kind. Haal schotten eruit en realiseer integraal denken en uitvoeren in de praktijk. Het leven bestaat niet uit schotjes. Kijk ook buiten het sociaal domein naar mogelijkheden voor meer integraal werken. Werk vanuit ‘de bedoeling’.

7.3.1 In 2023 is een integrale werkwijze sociaal domein binnen de gemeente en tussen gemeentelijke partijen en externe partijen gerealiseerd De gemeente draagt zorg voor een interne integrale werkwijze binnen het sociaal domein bij domeinoverstijgende ondersteuningsvragen. Hierbij horen ook de vraagstukken die spelen bij de leeftijdsovergang van 18- naar 18+. Van externe partijen verwachten we dat zij een integraal ondersteuningsaanbod realiseren in afstemming met de gemeentelijke toegang. Een integrale werkwijze vraagt om blijvende aandacht binnen de gemeenten en bij de diverse aanbieders, en vrijwilligersorganisaties, constante training (waar mogelijk gezamenlijk) en het zorgdragen voor regelmatige ontmoeting van vrijwilligers en professionals, zodat zij elkaar en elkaars werk (leren) kennen. Het vraagt ook om duidelijkheid naar onze samenwerkingspartijen: als de integrale werkwijze van de gemeente niet past bij de aanbieder/(vrijwiligers-) organisatie, nemen wij afscheid. We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • Een training integraal werken voor de uitvoerende medewerkers/professionals inclusief houding en het gedrag dat hierbij hoort.

27

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen

4. Naar vermogen actief

Bijlagen 1 t/m 4

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

8 Uitgangspunt 5 - We voeren regie op de resultaten van ondersteuning 8.1 De beweging die we voor ogen hebben Om het belang van de eigen rol van inwoners en de kracht van de samenleving te versterken, kiezen we als gemeente bij voorkeur voor een faciliterende rol. Deze faciliterende rol past bij een samenleving die voldoende eigen verantwoordelijkheid neemt. Dit is de omslag die we voor ogen hebben met de transformatie van het sociaal domein. Dit betekent voor de gemeente dat we in eerste instantie een stimulerende rol aannemen om van daaruit te komen tot een faciliterende rol. Om de driehoek van organisatie, kwaliteit en financiën in balans te brengen, is het belangrijk dat de gemeente de regie

rond de transformatie stevig in handen heeft. Hierbij gaat het om regie op de ondersteuning aan inwoners, het zicht op de uitvoering en uitgaven door aanbieders en de samenhang in het aanbod tussen sociale basis en maatwerkvoorzieningen, in het bijzonder bij complexe hulpvragen. Wanneer meer stimulatie, doorzettingsmacht of scherpere gemeentelijke beleidskaders nodig zijn, passen we dan ook direct, bewust en onderbouwd onze rol aan. We stemmen deze rol steeds af op wat in de concrete situatie gevraagd en gewenst is, met als uitgangspunt de beweging zoals geformuleerd in de “Visie sociaal domein” en gevisualiseerd in “Model Veenendaal 2020”.

Uitgangspunt Model Veenendaal

Maatschappelijke doelen Visie sociaal domein

Beoogde effecten

5. We voeren regie op de resultaten van ondersteuning

9. De gemeente neemt bij voorkeur een faciliterende rol aan om de eigen rol van inwoners en de kracht van de samenleving te stimuleren

23.De deskundigheidsbevordering tussen uitvoerende partijen in het sociaal domein is gefaciliteerd 24.Ten opzichte van 2019 is er een daling van ongeveer 10% van het aantal maatwerkvoorzieningen 25.Er zijn innovatieve ondersteuningsmogelijkheden samen met de uitvoerende partijen

10. We willen meer sturen op kwaliteit en effectiviteit van aangeboden ondersteuning. Beleidssturing en monitoring op de volle breedte van het sociale domein ondersteunt dit

26.In 2021 is de sturing op aanbieders vergroot 27. Financiële kaders vormen geen belemmering voor integraal werken 28.Onrechtmatig gebruik van ondersteuning in het sociaal domein voorkomen we of sporen het op en pakken het aan 29.Eind 2023 is een integraal dashboard sociaal domein beschikbaar, waarbij integrale monitoring tot op buurtniveau mogelijk is

8.2 Maatschappelijk doel 9 - De gemeente neemt bij voorkeur een faciliterende rol aan om de eigen rol van inwoners en de kracht van de samenleving te stimuleren. We vragen een (pro-)actieve houding van Veenendalers. Uit het onderzoek van Opiniepijlers blijkt dat deze grondhouding niet vanzelfsprekend aanwezig is bij de Veenendaalse inwoners. Veenendalers verwachten een richtinggevende rol van de gemeente. Om een faciliterende rol te kunnen innemen, is het noodzakelijk dat we eerst investeren in een verandering in de houding en verwachtingen van onze inwoners; we willen dat zij zelf verantwoordelijkheid nemen om ondersteuning te organiseren. Natuurlijk mag de Veenendaler ook iets van de gemeente verwachten: wie een maatwerkvoorziening nodig heeft, moet erop kunnen rekenen dat dit snel en goed wordt geregeld. 8.2.1 De deskundigheidsbevordering tussen uitvoerende partijen in het sociaal domein is gefaciliteerd We vragen uitvoerende partijen nadrukkelijk te investeren in de manier waarop het sociaal domein in Veenendaal is georganiseerd en hun eigen rol daarin. Maar samenwerken is makkelijker gezegd dan gedaan en kost tijd. Professionals moeten elkaar leren kennen, begrijpen en elkaars meerwaarde erkennen. Uit verschillende onderzoeken32 komt naar voren dat samenwerking vooral ontstaat als professionals elkaar in levenden lijve ontmoeten. Open

28

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

en eerlijke communicatie is een belangrijke factor naast vaardigheden en houdingsaspecten van professionals om samenwerking succesvol te maken. Ook het erkennen van ieders eigen belangen is hiervan onderdeel. Dit kan ook betekenen dat we mogelijk afscheid nemen van aanbieders waarmee deze samenwerking onvoldoende tot stand komt. Bij de deskundigheidsbevordering besteden we ook aandacht aan het bevorderen van deskundigheid rondom dementie en psychische problematiek. Een vrijwilliger van de Zonnebloem komt bij ouderen met (beginnende) dementie. Wat zijn belangrijke aandachtspunten bij dementie en hoe help je deze mensen het beste? We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • Stimuleren van de samenwerking tussen vrijwilligersorganisaties, de welzijnsorganisatie en de gemeente door middel van een overlegplatform. • O rganiseren van een jaarlijkse bijeenkomst voor uitvoerende partijen waar informatie wordt uitgewisseld over onder andere dementie, psychische beperkingen en verslaving. • D eskundigheidsbevordering bieden waaraan gemeentelijke uitvoeringspartijen en aanbieders samen deel kunnen nemen (eventueel met een bijdrage van aanbieders). • Voorlichtingen/trainingen aan ouders en/of kinderen in het schoolgebouw maar niet gegeven door school.

Hierbij maak je gebruik van het bestaande netwerk op school zonder scholen extra te belasten We volgen de effecten door te kijken naar: • O ntwikkelen van een structurele uitvraag, sociaal domein breed, bij uitvoerende partijen naar de tevredenheid over de samenwerking.

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

8.2.2 Ten opzichte van 2019 is r een daling van ongeveer 10% van het aantal maatwerkvoorzieningen Als het Veenendalers even tegen zit, kunnen zij voor (extra) ondersteuning terecht bij de sociale basis en het welzijnswerk en de gemeentelijke toegang. Met name voor lichtere vormen van ondersteuning is laagdrempeligheid essentieel, zodat de inwoner vanuit eigen verantwoordelijkheid passende ondersteuning kan vinden en organiseren. Een stevige sociale basis voor de verdere beweging van zware naar lichtere zorg is hiervoor noodzakelijk, dit is wat wordt beoogd met “Model Veenendaal 2020”.

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

• Vergroten van de bekendheid over ondersteuningsmogelijkheden in de sociale basis, bijvoorbeeld door Veenendalers actief te informeren over de digitale hulpwijzer met een campagne. • Afspraken over samenwerking met de sociale basis / het welzijnswerk in de overeenkomsten met aanbieders. • Ontwikkelen van onlineschulddienstverlening voor inwoners en hulpverleners

‘DIRECTEUR KINDEROPVANG’ Er is sterk behoefte aan korte lijnen vanuit kinderopvang met welzijn en toegang met een vast contactpersoon. Er moeten korte lijnen zijn voor preventie en vroegsignalering. Stabiliteit is belangrijk; kies voor een vast telefoonnummer en e-mailadres dat niet verandert als er sprake is van personeelswisseling.

De toegang van de gemeente verwijst dan ook niet enkel naar maatwerkvoorzieningen, maar begint bij de mogelijkheden voor ondersteuning in de sociale basis (met behulp van de digitale hulpwijzer “Veenendaal sociaal” en het welzijnswerk). Omdat Veenendalers met deze verschuiving steeds beter zelf weten waar zij terecht kunnen met hun ondersteuningsvragen, leidt dit uiteindelijk tot een daling van het aantal inwoners dat een maatwerkvoorziening aanvraagt. Als het aanbod binnen de sociale basis onvoldoende antwoord biedt op de hulpvraag, kan een maatwerk-voorziening worden toegekend vanuit de toegang. De verbinding met mogelijkheden voor ondersteuning vanuit de sociale basis moet hierbij zoveel mogelijk gerealiseerd of in stand gehouden worden. Dit betekent dat wij van gecontracteerde aanbieders vragen nauw samen te werken met het welzijnswerk voor aansluiting op de sociale basis.

We volgen de effecten door te kijken naar: • Het meten van het aantal verwijzingen vanuit de toegang naar de sociale basis (nog te ontwikkelen!). • Het meten van het aantal verwijzingen vanuit de toegang naar maatwerkvoorzieningen. • Monitoren van het aantal Veenendalers dat zich meldt bij de uniforme toegang.

We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • Opdracht aan en stimulering van de toegangen/ loketten Wmo, E&W, CJG en schulphulpverlening om ook onderling nauw samen te werken met de welzijnsorganisatie en voorzieningen in de sociale basis.

8.2.3 Er zijn innovatieve ondersteuningsmogelijkheden samen met de uitvoerende partijen De transformatie in het sociaal domein is alleen mogelijk als we ook de (al jaren bestaande) vormen van ondersteuning durven los te laten. We gaan innovatieve

29

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

ondersteuningsmogelijkheden benutten en durven hiermee te experimenteren om uit te vinden wat leidt tot betere resultaten. Dit vraagt om inhoudelijke én financiële ruimte voor de uitvoering van ondersteuning.

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

We volgen de effecten door te kijken naar: • We registreren de inzet van innovatieve ondersteuningsmogelijkheden en volgen de effecten. Hiervoor moet één registratiesysteem ontwikkeld worden voor de inzet vanuit de verschillende domeinen en de domeinoverstijgende inzet.

8.3 Maatschappelijk doel 10 - We willen meer sturen op kwaliteit en effectiviteit van aangeboden ondersteuning. Beleidssturing en monitoring op de volle breedte van het sociale domein ondersteunt dit

We volgen de effecten door te kijken naar: • Actieve houding bij partners om gezamenlijk de transformatie vorm te geven, ook als dit nadelig is voor hun organisatie. • Verlaging van de uitgaven voor maatwerkvoorzieningen.

We werken aan het verder normaliseren van zorg en ondersteuning. We stimuleren aanbieders om af te schalen waar mogelijk en op te schalen waar nodig. Hiervoor is het van belang dat we één inkoopstrategie voor het sociaal domein hebben. 8.3.1 In 2021 is de sturing op aanbieders vergroot We werken aan een situatie waarin gemeente, zorgaanbieders, andere partners en aanbieders meer gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor de gewenste transformatie. Daarom zorgen we ervoor dat de contracten deze beweging stimuleren. We werken alleen samen met aanbieders die onze transformatieopgave ondersteunen.

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

We benutten de dialoog met onze aanbieders om gezamenlijk tot een optimale invulling van afspraken te komen. We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • Een bekostigingsmodel met prikkels voor aanbieders om te transformeren en te innoveren. • Een zakelijk partnerschap met een aantal lokale en/of grote aanbieders. Met hen maken we afspraken over de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het realiseren van transformatiedoelen, de samenwerking met de sociale basis, het terugdringen van de uitgaven en mogelijkheden voor pilots gericht op resultaatgerichte financiering. • We zetten in op het versterken van het contract- en accountmanagement waardoor we lokaal en regionaal met aanbieders op inhoud de juiste gesprekken voeren over het realiseren van de transformatie, de contractafspraken en waarmee we werken aan het verstevigen van de relatie.

We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • O nderzoeken of we ondersteuning die we nu individueel aanbieden, ook collectief via de sociale basis kunnen aanbieden. • Experimenten en pilots uitvoeren met moderne technologie33.

7. Winst door verbinding

8.3.2 Financiële kaders vormen geen belemmering voor integraal werken Veenendalers die we met een integrale benadering voorzien van passende ondersteuning, mogen geen last hebben van financiële kaders. Daarom moet het mogelijk zijn om de financiën in het sociaal domein geheel of gedeeltelijk te ontschotten. Belangrijk daarbij is goed te beargumenteren hoe ontschotting bijdraagt aan kwaliteit, financiën en organisatie. We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • Instellen van een integraal budget voor regie op casusniveau

30

Inhoud

1. Inleiding

2. Achtergrondinformatie

Voetnoten

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

• (Gedeeltelijke) ontschotting van budgetten in het sociaal domein

We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • Het opstellen van een handhavingsplan sociaal domein

We volgen de effecten door te kijken naar: • D oor inzet van het integraal budget voor regie op casusniveau, wordt opschaling voorkomen. Onderzocht moet worden of dit via registratie meetbaar te maken is. • Evaringen van de uitvoering en cliënten over werkwijze en resultaten van de financiële ontschotting.

We volgen de effecten door te kijken naar: • Er wordt uitvoering gegeven aan handhavingsplan sociaal domein. 35

‘OPINIEPIJLERS’ Er zijn maar weinig inwoners die bijvoorbeeld jeugdhulp noemen als één van de oorzaken van het tekort, het gaat vaker over zaken waarvan inwoners denken dat het oorzaken zijn van het tekort, zoals gebrekkige controle en misbruik van voorzieningen.

8.3.3 Onrechtmatig gebruik van ondersteuning in het sociaal domein voorkomen we of sporen het op en pakken het aan Daarbij hanteren we een handhavingsaanpak waarin het samenspel tussen preventie (voorkomen) en repressie (bestraffen) centraal staat. We streven daarbij tevens naar een geïntegreerde handhavingsaanpak, al is dit niet volledig mogelijk omdat de wetten op sommige punten uiteenlopen34. Daarbij liggen ook de risico’s op fraude anders; binnen de Participatiewet ligt dit risico bij inwoners, binnen de Wmo en Jeugdwet voornamelijk bij aanbieders. Rekening houdend met deze verschillen werken we aan een zo integraal mogelijke handhavingsaanpak voor het sociaal domein.

8.3.4 Eind 2023 is een integraal dashboard sociaal domein beschikbaar, waarbij integrale monitoring tot op buurtniveau mogelijk is We werken de komende jaren verder aan datagedreven werken en we baseren ons beleid daarmee in toenemende mate op beschikbare gegevens in combinatie met de ervaringen van uitvoerders, inwoners en kwalitatief onderzoek. Voor het realiseren van integraal beleid en passende ondersteuning is het daarbij van belang dat integrale data beschikbaar komt tot op buurtniveau. De interne projectgroep ‘informatiearchitectuur sociaal domein’ werkt aan de verbetering van de informatievoorziening en inzet van ICT middelen voor een betere ondersteuning van de inhoudelijke opgave binnen het sociaal domein. Daarbij onderscheidt zij de volgende vijf aandachtspunten: a Het bieden van overzicht over ontwikkelingen en effecten van beleid. b Uitvoeren van beleidsanalyses t.b.v. trends, voorspellingen en optimalisaties. c Vergroten van grip op de kosten en het totale financiële beheer. d Ondersteuning voor (operationele) procesoptimalisatie en feedback aan uitvoerende medewerkers. e Procesverbetering en beheersing van het uitvoeringsproces (financieel beheer, administratieve vastlegging beslissingen/beschikkingen, beheer en administratie).

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

9. Randvoorwaarden

8. Regie

Bijlagen 13

Waarbij wij onder andere denken aan • Onderzoeken van de mogelijkheden voor koppelingen tussen de dashboards van de verschillende domeinen. • Ontwikkeling van nieuwe toepassingen waar nodig in samenspraak met gebruikers, beleidsmedewerkers en bestuurders. • Voor de ontwikkeling van het datagedreven sturing ten behoeve van dit beleidskader, wordt samen met de projectgroep en ICT-afdeling bepaalt wat nodig is en hoe dit zo optimaal mogelijk gerealiseerd kan worden. Dit moet gerealiseerd worden met behapbare brokken; klein starten. • Verbetering van de koppeling van financiële en beleidsmatige informatie. We volgen de effecten door te kijken naar: • Toename van meetbare inspanningen in de uitvoeringsplannen.

31

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

9 Datagedreven sturing, randvoorwaarden en financiële kaders Voor het realiseren van de beoogde effecten in dit IBK geldt een aantal randvoorwaarden. De ontwikkelingen voor datagedreven sturing zijn een belangrijk aandachtspunt om steeds meer cijfers over het sociaal domein te vergaren en te kunnen duiden, in het bijzonder bij integrale vraagstukken. Tot slot geven we een overzicht van de financiële kaders sociaal domein, zoals vastgesteld door de gemeenteraad. 9.1 Datagedreven sturing Om ontwikkelingen in het sociaal domein beter te leren begrijpen en effectief en efficiënt in te kunnen spelen op deze ontwikkelingen, is het van belang dat we data genereren die ons hierbij helpt. Met behulp van deze data wordt het mogelijk om datagedreven te werken en sturen binnen het sociaal domein. Daarbij vullen tellen en vertellen elkaar aan. Om dit mogelijk te maken is de interne ‘projectgroep informatiearchitectuur sociaal domein’ opgericht. In § 8.3.4 is een beoogd effect opgenomen voor de deze beleidsperiode. De ontwikkeling van monitoringsinformatie zal in de eerste plaats gericht moeten zijn op de te realiseren doelen en resultaten zoals opgenomen in dit integraal beleidskader en voor de inspanningen die hiervoor worden opgenomen in de op te stellen uitvoeringsplannen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11492055/1