CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Integraal Beleidskader SD 2020-2023 'Sterker door verbinding'

Beeldvormende avond 10 mei 2022, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Informatie / naslagwerk deelsessies21.591 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Sterker door verbinding Integraal beleidskader sociaal domein 2020-2023 November 2019

1

Inhoud

1. Inleiding

2. Achtergrondinformatie

Voetnoten

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

Inhoud 1 2

Inleiding 1.1 Terugblik: de transitie en de Visie sociaal domein 1.2 Totstandkoming van het integraal beleidskader sociaal domein 1.3 Leeswijzer

3

Achtergrondinformatie 2.1 Wettelijke kaders 2.2 Regionale samenwerking 2.3 Acties raadsprogramma 2.4 Terugblik 2.5 Programma sociaal domein 2.6 Aanpalende gemeentelijke beleidsterreinen

6 6 7 7 8 9 9

3

Begripsbepaling normaliseren, integraal en passende ondersteuning 3.1 Normaliseren 3.2 Integraal 3.3 Passende ondersteuning 3.4 Betekenis voor de praktijk

4

Uitgangspunt 1 - Iedereen is naar vermogen maatschappelijk actief 4.1 Welke beweging hebben we voor ogen 4.2 Maatschappelijk doel 01 Een inclusievere samenleving

4 4 5

11 11 11 12 13

14 14 14

5

Uitgangspunt 2 - Ondersteuning is gericht op het stimuleren van de eigen kracht van inwoners en hun netwerk 5.1 Welke beweging hebben we voor ogen 5.2 Maatschappelijk doel 02 - Verder versterken opvoed- en opgroeiklimaat 5.3 Maatschappelijk doel 03 - Inwoners willen meer voor en met elkaar doen 5.4 Maatschappelijk doel 04 - Vroeger signaleren en handelen en dit dicht bij de inwoner organiseren 5.5 Maatschappelijk doel 05 – Meer mensen vinden een plek op de arbeidsmarkt

17 17 17 18

20 21

6

Uitgangspunt 3 - Waar nodig bieden we ondersteuning aan inwoners; licht en algemeen als mogelijk en complex en gespecialiseerd als het moet 23 6.1 De beweging die we voor ogen hebben 23 6.2 Maatschappelijk doel 06 - Ondersteuning meer op maat voor wie dat nodig heeft 23

7

Uitgangspunt 4 - Voor ondersteuning aan inwoners op meerdere leefgebieden boeken we winst door verbinding 7.1 De beweging die we voor ogen hebben 7.2 Maatschappelijk doel 07 - Toegang voor de inwoner verder versimpelen

26 26 26

7.3 Maatschappelijk doel 08 - Verbinding versterken als dit een positief effect heeft op de kwaliteit, financiën en/of organisatie

8

Uitgangspunt 5 - We voeren regie op de resultaten van ondersteuning 8.1 De beweging die we voor ogen hebben 8.2 Maatschappelijk doel 9 - De gemeente neemt bij voorkeur een faciliterende rol aan om de eigen rol van inwoners en de kracht van de samenleving te stimuleren. 8.3 Maatschappelijk doel 10 - We willen meer sturen op kwaliteit en effectiviteit van aangeboden ondersteuning

9

Datagedreven sturing, randvoorwaarden en financiële kaders 9.1 Datagedreven sturing 9.2 Randvoorwaarden voor de uitvoering van het IBK 9.3 Financiële kaders voor de komende jaren Voetnoten Bijlage 1 t/m 4 Bijlage 5 t/m 8 Bijlage 9 t/m 12 Bijlage 13

27

28 28

28

30

32 32 32 35 36 38 39 40 41

2

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

Inleiding Het integraal beleidskader sociaal domein (IBK) geeft voor de periode 2020 tot en met 2023 sturing aan de ontwikkelingen binnen het sociaal domein. Dit beleidskader omvat het beleid van de beleidsplannen Jeugd, Wmo, Minima en Schulddienstverlening. Op 31 december 2019 lopen de beleidsplannen jeugd, Wmo en minima af, het beleidsplan schulddienstverlening verloopt eind 2022. Het IBK is het gezamenlijke integrale vervolg op deze vier beleidsplannen. De focus in het sociaal domein ligt de komende vier jaar op: Het normaliseren van het leven met als uitgangspunt eigenaarschap en eigen verantwoordelijkheid We hechten veel waarde aan eigenaarschap en eigen verantwoordelijkheid. Dit uitgangspunt draagt bij aan het normaliseren van ‘hobbels in het leven’: niet alles wat afwijkt van het gemiddelde vraagt direct om professionele hulp of ondersteuning. Als gemeente strijken we niet alle hobbels glad voor onze inwoners. Versterken van de sociale basis Deze inzet richt zicht op het verminderen van de noodzaak voor inzet van maatwerkvoorzieningen en

Veenendalers te helpen bij het overwinnen van ‘de hobbels in het leven’. Realiseren van een uniforme toegang en integrale aanpak waar nodig We organiseren de juiste expertise aan de voorkant om snel en goed de juiste indicatie te stellen en complexe vraagstukken snel te signaleren. Als ondersteuning nodig is, bieden we die zo vroeg, zo licht en zo thuisnabij als mogelijk, maar direct intensief waar nodig. Versterken van de samenwerking met externe partners De komende vier jaar versterken wij de samenwerking met partners die de gemeentelijke visie, doelen en beoogde effecten in dit IBK onderschrijven. Uit de houding, werkwijze en het nakomen van gezamenlijke afspraken blijkt of wij als partners een goede match zijn. Indien een partner niet mee kan of wil bewegen met de richting die wij voor ogen hebben, nemen we afscheid van elkaar. Versterken van de mogelijkheden voor datagedreven sturing De interne projectgroep ‘Informatiearchitectuur sociaal domein’ werkt aan deze ontwikkeling. Het vergroten van de mogelijkheden en rol van data voor sturing in het sociaal domein is noodzakelijk, maar het verhaal hierbij mag niet vergeten worden. Een combinatie van betrouwbare cijfers met daarbij het achterliggende verhaal en kwalitatief onderzoek, levert

de juiste argumenten voor Veenendalers, bestuurders, ambtenaren en aanbieders om beleid uit te voeren of aan te passen. De data-ontwikkelingen worden mede gebruikt voor de doorontwikkeling van de digitale effectmonitor.1 Balans tussen kwaliteit, organisatie en financiën We willen het sociale gezicht van Veenendaal behouden: Een maatwerkvoorziening wordt snel, goed en adequaat georganiseerd voor die Veenendalers voor wie bepaald is dat zij een maatwerkvoorziening nodig hebben. Wij doen expliciet een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van onze inwoners bij het bepalen van de noodzaak, duur en zwaarte voor de maatwerkvoorziening. Dat betekent dat wij duidelijk zijn over wederzijdse verwachtingen en over de plek waar Veenendalers terecht kunnen met hun ondersteuningsvraag als een maatwerkvoorziening niet de passende ondersteuningsvorm is. Dit draagt er aan bij dat de financiën beheersbaar worden in het sociaal domein en houdt ons stelsel ‘waarbij de meest kwetsbare Veenendaler ondersteuning van de gemeente mag verwachten’ overeind.

3

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

1.1 Terugblik: de transitie en de Visie sociaal domein De eerste jaren na de decentralisatie (1 januari 2015) is in Veenendaal hard gewerkt om de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo goed lokaal te implementeren (transitieperiode). De afgelopen jaren zijn verbindingen gelegd tussen de domeinen die we de komende jaren versterken. Hieraan is ook al richting gegeven in eerder door de raad vastgestelde documenten: Model Veenendaal (2012) en de “Visie sociaal domein. De kracht van de samenleving” (2017), verder “Visie sociaal domein”. In Model Veenendaal staan de strategische doelen en uitgangspunten geformuleerd, deze zijn overgenomen in de Visie sociaal domein en vormen het uitgangspunt van dit IBK (hoofdstukken 4 tot en met 8). 1.1.1 Uitgangspunten van de Visie sociaal domein 1. Iedereen is naar vermogen maatschappelijk actief. 2. Ondersteuning is gericht op het stimuleren van de eigen kracht van inwoners en hun netwerk. 3. Waar nodig bieden we ondersteuning aan inwoners. 4. Voor ondersteuning aan inwoners op meerdere leefgebieden boeken we winst door verbinding. 5. We voeren regie op de resultaten van ondersteuning. 1.1.2 Model Veenendaal 2020 Op basis van Model Veenendaal (2012) en de Visie sociaal domein is Model Veenendaal 2020 ontwikkeld.

Model Veenendaal 2020 beoogt versterking van de beweging van zware naar lichte(re) ondersteuning om zo bij te dragen aan de balans in organisatie, kwaliteit en financiën in het sociaal domein. In bijlage 2 is een schematische weergave en visual opgenomen, deze illustreren het model. De ambitie van Model Veenendaal 2020 is het stimuleren en bevorderen van deelname van Veenendalers aan de samenleving binnen de eigen mogelijkheden. We hechten daarbij veel belang aan

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

het dragen van eigen verantwoordelijkheid en normaliseren: niet alles wat afwijkt van het gemiddelde vraagt direct om professionele hulp of ondersteuning.

1.2 Totstandkoming van het integraal beleidskader sociaal domein Een centraal uitgangspunt van het IBK is dat beleid gevoed wordt door de mensen in de praktijk en dat het IBK hen helpt om de uitvoering van hun werk te verbeteren: het biedt handvatten aan medewerkers (en samenwerkingspartners) om domeinoverstijgend te kunnen (samen)werken. Hiervoor is een intensief consultatietraject met inwoners en een participatietraject met interne en externe partners ingezet. 1.2.1 Consultatie- en participatietraject Voor het schrijven van dit integraal beleidskader is van buiten naar binnen gewerkt. Er is op meerdere momenten informatie opgehaald bij Veenendalers, diverse organisaties en scholen. Daarnaast is input opgehaald bij gemeentelijke medewerkers die betrokken zijn bij het sociaal domein, zowel beleid als uitvoering. - Eind mei heeft op meerdere plekken in Veenendaal de Discussiebus gestaan. Veenendalers konden daar in gesprek gaan over het sociaal domein. Daarnaast zijn inwoners op andere plekken opgezocht. Dit heeft geresulteerd in meer dan 500 persoonlijke gesprekken en een eindrapportage (bijlage 3) - Van mei tot en met juli 2019 is meerdere keren informatie opgehaald bij het onderwijsveld, zowel bij de lokale scholen als de samenwerkingsverbanden passend onderwijs.

Wat vinden zij belangrijk om terug te laten komen in het IBK en hoe zorgen we voor aansluiting op elkaars verantwoordelijkheden voor jeugdigen? - Op 24 juni 2019 is een brede participatiemiddag

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

georganiseerd waarvoor vele stakeholders zijn uitgenodigd, onder meer gemeentemedewerkers, zorgaanbieders, vrijwilligersorganisaties, adviesraden, raadsleden en scholen. Zij gingen met elkaar in gesprek over de thema’s passende ondersteuning, toegankelijkheid, inkoop, model Veenendaal 2020 en de opgehaalde input vanuit de Discussiebus. - Op 1 juli 2019 is een informerende bijeenkomst georganiseerd voor afgevaardigden van alle adviesraden2. Doel was samen het gesprek te voeren over de gewenste ontwikkelrichting van het sociaal domein, voorafgaand aan de formele adviesfase over dit IBK. - De afgelopen maanden is meerdere malen met de uitvoeringsteams, beleidsteams en het programmateam sociaal domein gesproken over de inhoudelijke thema’s van het integraal beleidskader. Er is met name gesproken over de uitvoerbaarheid van de bewegingen die we in gang willen zetten. De waardevolle informatie die al deze bijeenkomsten hebben opgeleverd, hebben we gebruikt voor het definiëren van begrippen en het formuleren van beoogde effecten en inspanningen die hiervoor nodig zijn.

4

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

1.2.2 Wat willen we bereiken in de komende jaren De uitgangspunten en maatschappelijke doelen uit de Visie sociaal domein worden in dit IBK verder geconcretiseerd in de vorm van beoogde effecten. De beoogde effecten voor de komende beleidsperiode 2020-2023 worden vastgesteld door de gemeenteraad. Niet alle beoogde effecten in dit IBK zijn SMART3 geformuleerd, dit heeft meerdere redenen: a) Het beoogd effect wordt via de inspanningen in de uitvoeringsplannen meer SMART gemaakt. b) Er zijn nog geen data beschikbaar voor meting van het beoogd effect, dit wordt zo spoedig mogelijk ontwikkeld in deze beleidsperiode. c) In het sociaal domein is niet alles meetbaar te maken, omdat we niet alles weten van onze inwoners of van effecten van maatschappelijke ontwikkelingen. Het sociaal domein gaat daarom ook niet alleen om tellen, maar ook om vertellen. We leggen in dat geval een inhoudelijke verantwoording af over het beoogde effect. In bijlage 4 is het totaaloverzicht van de uitgangspunten, maatschappelijke doelen en beoogde effecten opgenomen. Om goed en flexibel uitvoering te kunnen geven aan de beoogde effecten, worden uitvoeringsplannen opgesteld. Deze worden jaarlijks beoordeeld op relevantie voor het volgende jaar (peilstokmoment). We gaan dynamisch om met deze plannen en ontwikkelen ze met Veenendalers, medewerkers in de uitvoering en belangrijke stakeholders.

Leveren onze inspanningen de verwachte en gewenste resultaten, dan zetten we ze voort. Doen ze dat niet of zijn ze afgerond, dan kiezen we voor nieuwe inspanningen om het beoogde effect (verder) te realiseren. In dit IBK zijn voorbeeld-inspanningen opgenomen, de definitieve

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

inspanningen komen in de uitvoeringsplannen te staan. De uitvoeringsplannen worden door het college vastgesteld. Bij ieder beoogd effect is opgenomen op welke wijze we de effecten willen volgen. De komende jaren worden ICT- toepassingen binnen de organisatie hierop ingericht. Dit wordt meegenomen in de ontwikkeling van de uitvoeringsplannen en komt tot uitdrukking in de digitale effectmonitor. Met de digitale effectmonitor volgen we continu of we op de goede weg zijn en sturen bij waar nodig.

1.3 Leeswijzer In het volgende hoofdstuk is achtergrondinformatie opgenomen die van belang is voor het IBK. De relevante wetten en regionale afspraken worden kort toegelicht. Daarnaast is aandacht voor de evaluaties van de verschillende beleidsplannen en de aanpalende beleidsterreinen van het sociaal domein. In hoofdstuk 3 worden de drie belangrijkste begrippen voor het sociaal domein gedefinieerd: normaliseren, integraal en passende ondersteuning. Deze begrippen geven handen en voeten aan de ontwikkelingen die we beogen en vormen de kern voor de keuze van de beoogde effecten in dit IBK voor de beleidsperiode 2020-2023. In de hoofstukken 4 tot en met 8 zijn deze beoogde effecten opgenomen. De hoofdstukken volgen de opbouw van de digitale effectmonitor; de uitgangspunten uit de “Visie sociaal domein” vormen de hoofstukken, de maatschappelijke doelen de paragrafen hierbinnen. Hoofstuk 9 sluit af met een korte schets van de inzet op datagedreven sturing, een overzicht van randvoorwaarden om de beoogde effecten in dit IBK vorm te kunnen geven en de beschikbaar gestelde middelen door de gemeenteraad voor het sociaal domein.

5

Inhoud

1. Inleiding

2. Achtergrondinformatie

Voetnoten

3. Begripsbepalingen

4. Naar vermogen actief

Bijlagen 1 t/m 4

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

7. Winst door verbinding

9. Randvoorwaarden

8. Regie

Bijlagen 9 t/m 12

Bijlagen 13

2 Achtergrondinformatie In dit hoofdstuk komen de volgende onderwerpen kort aan bod. Het geeft de context, samenhang en complexiteit van het speelveld in het sociaal domein weer. - Wettelijke kaders - Regionale samenwerking - Acties raadsprogramma - Terugblik op de afgelopen jaren - Programma sociaal domein - Aanpalende gemeentelijke beleidsterreinen

De bedoeling van de vier wetten ligt dicht bij elkaar (Stimulansz, ‘De omgekeerde toets.nl’): Wet

Wmo

Jeugdwet

Participatiewet

Wgs

Basis

Meedoen aan het maatschappelijk leven

Gezond en veilig opgroeien

Bestaansminimum

Ondersteuning bij financiële zelfredzaamheid

Complementair

Van inwoners wordt verwacht dat zij zelf zoveel mogelijk oplossen en organiseren

Jeugdigen en hun ouders zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor gezond en veilig opgroeien

Overheid vult aan op middelen die zelf verworven kunnen worden

Inwoners moeten in de eerste plaats zelf hun financiën regelen

Bevorderen zelfredzaamheid

Zo lang mogelijk in eigen leefomgeving

Regie over eigen leven

Bij voorkeur door betaald werk, anders vrijwilligerswerk of tegenprestatie

Regie over eigen financiën

2.1 Wettelijke kaders De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), Jeugdwet, Participatiewet en Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) vormen de basis van dit beleidskader sociaal domein. De lokale vertaling van de wetten ligt vast in de Visie sociaal domein, dit IBK en de gemeentelijke verordeningen en beleidsregels Een overzicht van de gemeentelijke verordeningen en beleidsregels is opgenomen in bijlage 5. 2.1.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is erop gericht inwoners met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen te ondersteunen met als doel hun zelfredzaamheid en deelname aan het maatschappelijk leven in stand te houden en waar nodig en mogelijk

te verbeteren. De achterliggende ambitie is inwoners de mogelijkheid te bieden zo lang mogelijk thuis, in de eigen leefomgeving te blijven wonen, ook als er een beperking is of ontstaat. We gunnen het iedereen mee te doen in de samenleving binnen de eigen mogelijkheden. De ondersteuning aan mantelzorgers en vrijwilligers valt ook onder deze wet. Zij hebben een belangrijke functie in de ondersteuning van kwetsbare inwoners. 2.1.2 Jeugdwet De jeugdhulp is sinds 2015 de verantwoordelijkheid van gemeenten. Deze verantwoordelijkheid betekent dat de gemeente bijdraagt aan een gezond en veilig opvoedklimaat voor jeugdigen en hun ouders.

Het gemeentelijk beleid richt zich hiervoor tenminste op: • Preventie en vroegsignalering. • Het bevorderen van de opvoedvaardigheden van ouders en sociale omgeving. • Het versterken van het probleemoplossend vermogen van jeugdigen, hun ouders en sociale omgeving. • Laagdrempelig, herkenbaar en tijdig bieden van de juiste hulp op maat. • Effectieve en efficiënte samenwerking rond gezinnen realiseren. • Het bevorderen van de veiligheid van jeugdigen en bestrijden van kindermishandeling.

6

Inhoud

1. Inleiding

2. Achtergrondinformatie

Voetnoten

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

2.1.3 Participatiewet Naast een financieel vangnet is de Participatiewet vooral bedoeld om zoveel mogelijk mensen, met en zonder arbeidsbeperking, weer aan de arbeidsmarkt en het maatschappelijk leven deel te laten nemen. Het wettelijk principe is: werk gaat voor inkomen. • Ondersteuning bij arbeidsinschakeling en re-integratie voor mensen die hierbij ondersteuning nodig hebben (ook mensen zonder uitkering en werk en mensen met een arbeidsbeperking) door middel van begeleiding, scholing, loonkostensubsidie en het aanbieden van werk in een beschutte omgeving. • Inkomensondersteuning (bijstand, IOAW, IOAZ en Bbz, bijzondere bijstand, individuele inkomensen studietoeslag). 2.1.4 Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is niet eerder expliciet genoemd als onderdeel van het sociaal domein. De aanpak van financiële problemen en de schuldhulpverlening zijn reeds meegenomen in Model Veenendaal 2020 en onderdeel van de opdrachten voor de ontwikkeling van de Uniforme toegang en de opdracht Welzijn. Op grond van artikel 2 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) stelt de gemeenteraad een plan vast dat richting geeft aan de integrale schuldhulpverlening aan de inwoners van haar gemeente.

Het plan bevat de visie en hoofdlijnen van het door de gemeente te voeren beleid met betrekking tot integrale schuldhulpverlening en het voorkomen dat inwoners verplichtingen aangaan die ze niet kunnen nakomen. 2.1.5 Aanpalende wetgeving Naast deze vier wetten hebben we ook oog voor de verbinding met aanpalende wetgeving zoals

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

VN-verdragen 4, de Gemeentewet, de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), de Wet inburgering (2021), de Wet verplichte GGz (2020), de Wet publieke gezondheid, de Wet langdurige zorg, de Zorgverzekeringswet en de Wet passend onderwijs5. Voor de laatste vier wetten zijn andere uitvoeringspartijen dan de gemeente (mede) verantwoordelijk.

7. Winst door verbinding

8. Regie

Bijlagen 9 t/m 12

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

Onderdeel uit het sociaal domein

Samenwerkende gemeenten

Participatiewet (IW4)

Rhenen en Renswoude

Arbeidsmarktregio

FoodValley8

Jeugdhulp: inkoop, contractmanagement, facturatie en regionale inzet op transformatie9

Jeugdhulpregio FoodValley10

Jeugdhulp: veiligheid (SVMN)11

Gemeenten provincie Utrecht

7

Wmo immaterieel

Renswoude

Wet

Verantwoordelijke partij voor uitvoering

Beschermd wonen en maatschappelijke opvang

Centrumgemeente Amersfoort

Wet publieke gezondheid (Wpg)

Gemeente i.s.m. GGD (VRU – Veiligheidsregio Utrecht)

Wmo hulpmiddelen en medische advisering

Rhenen en Renswoude

Wet langdurige zorg (Wlz)

Zorgkantoren

Wmo collectief vraagafhankelijk vervoer

FoodValley

Zorgverzekeringswet (Zvw)

Ziektekostenverzekeraars

Aanpak personen met verward gedrag

Rhenen en Renswoude

Wet passend onderwijs

Samenwerkingsverbanden passend onderwijs (SWV’s). Wet passend onderwijs en Jeugdwet betreft spiegelwetgeving6

Veiligheidsregio (veiligheidshuis)

Rhenen, Renswoude, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede

2.2 Regionale samenwerking

2.3 Acties raadsprogramma

Om de gemeentelijke taken uit te voeren werken we regionaal samen. De samenstelling van deze regionale samenwerking kent grote diversiteit. De komende jaren bekijken we, vooral ook bij de inkoopstrategie, wat een passende regionale samenwerking is voor Veenendaal. Passend bij de lokale infrastructuur, de schaalgrootte van Veenendaal en de lokale sturing op inhoud en processen. Hieronder een overzicht waar en met wie we op dit moment regionaal samenwerken. Deze samenwerking behouden we als het meerwaarde heeft en daar waar andere samenwerkingen beter passen of lokale inzet voldoende mogelijkheden biedt, nemen we afscheid van huidige samenwerkingsrelaties.

In het raadsprogramma “Iedereen doet mee 2018-2022” zijn afspraken gemaakt over wat er in Veenendaal belangrijk is als het gaat om het sociaal domein. Hierin zijn acties benoemd: • Indien haalbaar organiseren wij het werk nog efficiënter. • Wij werken de integrale visie sociaal domein verder uit. • Wij brengen meer samenhang aan en uniformiteit in de manier van werken. b) Het organiseren van een uniforme toegang tot individuele ondersteuning is voor ons een belangrijk speerpunt. • Wij monitoren effecten en resultaten op basis van frequente adequate rapportages waardoor de gemeente en haar partners beter zicht krijgen op het realiseren van de doelstellingen.

7

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen

4. Naar vermogen actief

Bijlagen 1 t/m 4

• Wij beëindigen activiteiten die niet of nauwelijks een bijdrage leveren aan het verwezenlijken van de doelstellingen. • Wij sturen bij op basis van praktijkervaringen, knelpunten, concrete casuïstiek en veranderwensen. • Wij geven vorm aan de doorontwikkeling van beleid en van een efficiënte en effectieve organisatie van uitvoering op basis van best practices van anderen en eigen ervaringen. • Onze ambitie is het bevorderen van een datagedreven sturing, waarbij de menselijke maat leidend is. Om deze ambitie te kunnen realiseren, zullen investeringen nodig zijn in het opbouwen en uitbouwen van kennis- en informatiesystemen. • We ontschotten de budgetten van de drie domeinen. • De gemeente bestrijdt zorgfraude. • De verwachte afname van vrijwilligers en de verwachte toename van de belasting van de mantelzorgers heeft de aandacht. • Wij zetten in op het voorkomen van problematische schulden en het doorbreken van de vicieuze cirkel. Betreffende huishoudens wordt passende schulddienstverlening geboden. • Wij brengen de (on)mogelijkheden van een soepele kwijtschelding of het overnemen van schulden in kaart, evenals de voor-en nadelen van het in dienst nemen van bewindvoerders. • In het kader van het armoedebeleid zetten wij in op bestrijding van kinderarmoede in Veenendaal.

• Wij geven specifiek aandacht aan de armoedeval, zowel het voorkomen hiervan bij inwoners die weer aan het werk gaan, als bij mensen die van inkomen wijzigen, bijvoorbeeld pensioengerechtigd worden, dan wel van een werkloosheidsuitkering op de Participatiewet over gaan. • Wij hebben aandacht voor het feit dat niet iedere inwoner met de toenemende digitalisering mee kan komen.

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

• Wij willen bijdragen aan een inclusieve arbeidsmarkt waar zo veel mogelijk mensen zo regulier mogelijk werken. • Wij werken er aan dat statushouders als nieuwe inwoners snel minder afhankelijk worden van overheidsvoorzieningen. • Waar dat nodig is en om scheidslijnen in de samenleving te voorkomen spannen wij ons extra in door het leveren van een maatwerkvoorziening. Deze acties komen terug in de geformuleerde beoogde effecten (hoofdstuk 4 tot en met 8). Zij voeden de begripsbepalingen in hoofdstuk 3.

2.4 Terugblik Als we terug kijken naar het geformuleerde beleid voor Wmo, Jeugd en minima concluderen we dat beoogde effecten vaak moeilijk of niet meetbaar zijn. Wel duidelijk is welke inspanningen hiervoor zijn verricht en daarbij kan verteld worden hoe deze inspanningen hebben bijgedragen. 2.4.1 Jeugd In 2019 hebben we de beoogde effecten van het jeugdbeleidsplan 2016-2019 ‘De kracht van onze jeugd’ opnieuw geëvalueerd. Het CJG is in de afgelopen vier jaar flink gegroeid en breed bekend onder Veenendalers. De tevredenheid bij ouders en jongeren over de inzet en hulp van het CJG is goed. Op dit moment wordt ruim 40% van de ambulante hulptrajecten uitgevoerd door het CJG. Daarmee ontvangen veel ouders en jeugdigen hulp in de eigen omgeving (thuis of in de wijk). Het CJG heeft daarbij een werkwijze geborgd waarin de mogelijkheden van het netwerk van het gezin wordt meegenomen bij de beoordeling van benodigde hulp. Hiermee is een goede basis voor hulp bij opgroei- en opvoedvragen aan Veenendalers neergezet. Naast de hulp aan inwoners, heeft het CJG gewerkt aan samenwerking met onder andere huisartsen en scholen. Iedere huisarts en iedere

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

school in Veenendaal heeft een vast contactpersoon bij het CJG. De samenwerking met deze partijen, evenals met de jeugdhulpaanbieders vraagt blijvende aandacht en verdere ontwikkeling. Bij de verblijfsvormen valt op (in relatie tot zowel landelijke als regionale cijfers) dat Veenendaal relatief weinig jeugdigen in instellingsverblijf heeft en veel in pleegzorg. Veenendaal heeft vrij veel kinderen met een ondertoezichtstelling van de rechter. Het is de afgelopen beleidsperiode niet gelukt om dit te verlagen. Een belangrijke factor hierin vormen de vechtscheidingen. De keuzevrijheid voor ouders en jeugdigen in het huidige aanbod van jeugdhulpaanbieders is groot: er zijn bijna 300 jeugdhulpaanbieders gecontracteerd. De vraag speelt hoe we dit aantal aanbieders goed kunnen regisseren en keuzevrijheid voor Veenendalers zo optimaal mogelijk kunnen behouden. We beschikken nog onvoldoende over informatie over het realiseren van gestelde doelen, reden van beëindiging van jeugdhulp en vermindering. De ontwikkeling van monitoringinformatie vraagt om verdere aandacht. 2.4.2 Wmo De afgelopen jaren zijn meerdere pilots uitgevoerd om de transformatie vorm te geven. De komende jaren zal dit nog veel aandacht en inspanning vragen. De pilot “Coördinatie van zorg” heeft onder meer opgeleverd dat zorgpartners nu de opdracht krijgen casusregie te voeren.

Regievoering houdt de komende jaren nadrukkelijk onze aandacht. Met de doorontwikkeling van het interventieteam en het project gericht op zorg voor personen met verward gedrag hebben we een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het stabiliseren van de problemen die zich voordoen bij inwoners met complexe problemen. Nieuwe maatregelen en regelingen, zoals verlaging van de eigen bijdrage, de uitbreiding van de collectieve ziektekostenverzekering,

8

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

de compensatieregelingen voor chronisch zieken en het klanttarief schoonmaakondersteuning, zorgen ervoor dat er voor inwoners geen financiële belemmeringen zijn om ondersteuning aan te vragen. De komende jaren hebben we geen financiële middelen om hier op dezelfde manier invulling aan te blijven geven. Aan de hand van de wijkambities zijn prioriteiten per wijk gesteld en het fonds maatschappelijke initiatieven is ingezet om initiatieven van inwoners te ondersteunen. Veens heeft in opdracht van de gemeente bereikt dat meer inwoners bij hun buurt zijn betrokken. Vrijwilligers en mantelzorgers zijn beter ondersteund. Voor de ondersteuning van mantelzorgers is vooral respijtzorg een aandachtspunt de komende jaren. Hierbij gaat het om zorg aan de hulpvrager, met als doel de mantelzorger(s) tijdelijk te ontlasten en vrijaf te geven. De afgelopen jaren hebben we de toegankelijkheid van openbare gebouwen en ruimtes in kaart gebracht met een nulmeting. Op basis daarvan hebben we een aantal gebouwen aangepast. Ook is een website ontwikkeld waardoor inwoners weten welke gebouwen toegankelijk zijn. De klanttevredenheid onder inwoners die gebruik maken van de Wmo maatwerkvoorzieningen is hoog met een rapportcijfer van 7,5. 2.4.3 Minimabeleid Met onze minimaregelingen bereiken we veel inwoners.

Dankzij dit minimabeleid kunnen meer inwoners volwaardig deelnemen aan de samenleving, dat vergroot hun zelfredzaamheid. De regelingen geven hen iets meer ruimte in hun budget en dat zorgt voor minder stress. Bij kinderen is dit effect groter dan bij volwassenen. Bij volwassenen is de armoedeval een risico: zodra zij betaald werk krijgen, gaan ze er, door het wegvallen van het recht op gemeentelijke en landelijke regelingen, bruto veel op vooruit, maar netto aanzienlijk minder. Uit de evaluatie

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

blijkt ook dat het minimabeleid te veel het karakter heeft van symptoombestrijding en maar zeer beperkt bijdraagt aan het doorbreken van de spiraal van (erfelijke) armoede. Vanuit literatuur is bekend dat maatwerk het meest effectief is voor het doorbreken van de spiraal van (erfelijke) armoede omdat de behoefte per persoon anders kan zijn. In bijlage 11 zijn de voorgestelde wijzigingen in de minimaregelingen opgenomen.

• Regie op casusniveau • Klantreizen • Effectmonitoring • Inkoopstrategie In bijlage 9 is een toelichting opgenomen bij deze projecten. De ontwikkelingen zijn in dit IBK meegenomen als beoogd effect of als inspanning bij een beoogd effect.

2.4.4 Schulddienstverlening Op 26 oktober 2017 heeft de raad het Beleidsplan Schulddienstverlening en preventie 2018-2022 vastgesteld. Hierin zijn de kaders aangegeven voor de uitvoering van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) en meer op preventie gerichte taken zoals vroegsignalering en nazorg. Een belangrijk speerpunt in het beleidsplan is dat we inwoners willen bereiken voordat schulden problematisch worden. We willen de keten van preventie sluiten zodat inwoners van Veenendaal financieel zelfredzaam kunnen zijn. Het grootste deel van de vastgestelde doelstellingen is in dit beleidskader verwerkt. In bijlage 8 zijn de voorgestelde wijzigingen op het lopende beleidsplan schulddienstverlening en preventie opgenomen.

2.6 Aanpalende gemeentelijke beleidsterreinen

2.5 Programma sociaal domein Binnen het Programma sociaal domein wordt uitvoering gegeven aan diverse opdrachten voor realisatie van de transformatie en de beoogde effecten uit de Visie sociaal domein en van Model Veenendaal 2020. Het gaat om de volgende projecten: • Cultuur en gedrag • Wijkgerichte aanpak • Versterken sociale basis en opdracht welzijn • Uniforme toegang

Verschillende beleidsterreinen leveren een bijdrage aan het realiseren van de maatschappelijke doelen uit de visie sociaal domein en acties in het raadsprogramma. 2.6.1 Gezondheid Het lokale gezondheidsbeleid (vastgesteld in 2018) kent de volgende vijf speerpunten: 1. Goede basisinfrastructuur: voor een goede verbinding in de wijk is samenwerking nodig tussen alle betrokkenen in de lichamelijke, geestelijke en langdurige zorg. Ook inwonersinitiatieven, vrijwilligersaanbod en sport- en beweegaanbod horen hierbij. 2. Leefstijl jong en oud: gezond leven begint met een gezonde leefstijl. 3. Geestelijke gezondheid en eenzaamheid. 4. Verslavingsvormen onder jongeren. Naast alcohol is er ook aandacht voor drugs, lachgas en verslaving gerelateerd aan gamen en social media. 5. Vaccinatiegraad behouden. 2.6.2 Onderwijs Er zijn raakvlakken tussen het integraal beleid sociaal domein en het onderwijs waarop de gemeente en het onderwijsveld met elkaar (moeten) samenwerken. Voor volwassenen op het gebied van laaggeletterdheid.

9

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

Daarnaast is sprake van spiegelwetgeving en een daarmee gepaard gaande wettelijk verplichte samenwerking vanuit de Jeugdwet en de Wet passend onderwijs. Verbindingen met het gemeentelijk jeugdbeleid en het onderwijsveld betreffen in ieder geval: • De lokaal educatieve agenda (LEA); • Het passend onderwijs met het OOGO (Op Overeenstemming Gericht Overleg); • Leerplicht en RMC (Regionale Meld- en Coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten); • Onderwijsachterstanden; • Integrale kindcentra (IKC); • Samenwerking bij de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt.

aan het realiseren van inclusieve vormen van kinderopvang en buitenschoolse opvang om het gebruik van BSO-plus terug te dringen.

In bijlage 10 is een nadere toelichting opgenomen.

2.6.5 Cultuur “Verder versterken van de aandacht voor cultuureducatie en talentontwikkeling voor kinderen en jongeren”, is als doel opgenomen in de ‘Cultuurvisie Veenendaal 2018 2021: ‘De krachten bundelen - naar een duurzaam cultureel klimaat’. Deze inzet draagt bij aan het eerste uitgangspunt van de Visie sociaal domein “iedereen is naar vermogen maatschappelijk actief”.

‘DIRECTEUR KINDEROPVANG’ IKC-ontwikkelingen leiden tot meer samenwerking door praktische zaken met elkaar te regelen.

2.6.3 Kinderopvang Kinderopvang is een belangrijke plaats voor het vroeg signaleren van opgroei- en opvoedproblemen. Maar minstens zo belangrijk is hier de mogelijkheid voor de bijdrage aan normalisering en preventie. Zo wordt binnen een aantal kinderopvangvoorzieningen invulling gegeven aan voorschoolse educatie12. Daarnaast is er sinds 2019 nadrukkelijk aandacht voor ‘passende opvang’. In de afgelopen jaren is het gebruik van de zogenaamde ‘BSOplus maatwerkvoorziening’ vanuit jeugdhulpgelden sterk toegenomen. Samen met de BSO-voorzieningen werken we

2.6.4 Sport en bewegen Sport heeft een preventieve functie en stimuleert naast de sociale ook de emotionele en fysieke ontwikkeling. Om gezond op te groeien, is beweging door jeugdigen essentieel. Het uitgangspunt van het beleidsplan Sport is dat sport voor iedereen bereikbaar is. Sportactiviteiten bevorderen de gezondheid en sociale samenhang en dragen bij aan het vroegtijdig signaleren van problemen. Daarbij tonen sportaanbieders zich maatschappelijk betrokken.

2.6.6 Veiligheid De gemeenteraad heeft een integraal veiligheidsplan vastgesteld. Hierin is veel aandacht voor ondermijning, drugs en verslaving. Het veiligheidsplan heeft deels overlap met het sociaal domein. In het interventieteam is bijvoorbeeld aandacht voor inwoners met complexe vraagstukken die een ‘dreigend’ gevaar zijn voor zichzelf en/of hun omgeving. Met preventieve activiteiten en het versterken van (integrale) regie op casusniveau bij de uitvoerende teams sociaal domein, verwachten we het interventieteam minder in te hoeven inzetten.

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

2.6.7 Economie Economie legt de focus op het zo goed mogelijk faciliteren van ondernemers en ondernemerschap binnen de gemeente Veenendaal. Hierbij valt te denken aan betrokkenheid bij huisvesting van bedrijven en kantoren, samenwerkingsverbanden in de regio FoodValley, aantrekken van nieuwe bedrijvigheid en (goed opgeleid) personeel. Daarnaast betekent dit ook gemeentelijk beleid ontwikkelen ter ondersteuning van gebieden zoals de bedrijventerreinen, het (winkel)centrum en buurtwinkelcentra. Een sterke economische positie draagt bij aan de werkgelegenheid in Veenendaal. 2.6.8 Handhaving Er gaat veel geld om in het sociaal domein. We willen ervoor zorgen dat iedereen de ondersteuning krijgt die is afgesproken en dat misbruik wordt voorkomen. Daarom neemt controle en handhaving een belangrijke plaats in binnen de uitvoering van het sociaal domein.In het rapport van Opiniepijlers komen de woorden fraude en misbruik regelmatig voor. Veenendalers vrezen dat fraude en misbruik een negatief effect hebben op de beschikbare budgetten in het sociaal domein. Met handhaving in het gehele sociaal domein dragen we bij aan maatschappelijk draagvlak voor de gerichte ondersteuning die nodig is. 2.6.9 Overig De samenhang met andere gemeentelijke beleidsterreinen beperkt zich niet persé tot bovenstaande aanpalende beleidsterreinen.

Waar winst door verbinding kan worden gemaakt, zoeken wij de samenwerking op.

10

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen

4. Naar vermogen actief

Bijlagen 1 t/m 4

5. Eigen kracht en netwerk

Bijlagen 5 t/m 8

6. Ondersteuning

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

3 Begripsbepaling normaliseren, integraal en passende ondersteuning Een belangrijk argument van het rijk om in 2015 de verantwoordelijkheid voor de immateriële ondersteuning vanuit Wmo, de jeugdhulp en de participatie van inwoners over te dragen naar de gemeenten, was de mogelijkheid om deze ondersteuning op gemeentelijk niveau meer integraal vorm te geven. Gemeenten zijn beter in staat om de nodige en noodzakelijke ondersteuning dicht bij de inwoner te organiseren en dit als samenhangend pakket (integraal) te bieden, zo is de gedachte. Vanuit de Wmo en de Jeugdwet is de gemeente verantwoordelijk voor het bieden van passende ondersteuning en passende jeugdhulp. Maar de termen integraal en passend worden niet nader toegelicht in de wetten. Het is aan de gemeente om hieraan invulling te geven. Met de uitgangspunten uit de Visie sociaal domein is nog niet bepaald wanneer de gemeente verantwoordelijk is voor ondersteuning aan haar inwoners en hoe die ondersteuning wordt vorm gegeven. Waar begint en eindigt de verantwoordelijkheid van de inwoner en waar begint en eindigt de verantwoordelijkheid van de gemeente? En in hoeverre kunnen we de ondersteuning integraal aanbieden?

3.1 Normaliseren

volgende stap de benodigde maatwerkvoorziening zo We willen dat Veenendalers naar vermogen participeren goed, snel en adequaat mogelijk te bieden, waarbij de (deelnemen aan de samenleving). Daarbij hechten we veel ondersteuning mede gericht is op het terugpakken van waarde aan eigen verantwoordelijkheid en normaliseren. eigen verantwoordelijkheid door de Veenendaler waar Mensen zijn zelf verantwoordelijk voor hun leven, hobbels mogelijk; terug naar ‘normaal’. Hierbij regelen we dat het (hoogte- en dieptepunten) horen daarbij. Normaliseren wil op- en afschalen van ondersteuningsmogelijkheden op zeggen dat we accepteren dat ieder mens uniek is; anders alle niveaus snel en eenvoudig kan plaatsvinden. is normaal. Niet alles wat afwijkt van het gemiddelde vraagt direct om professionele hulp of ondersteuning. Wat mag en kan je verwachten van elkaar? Ook als je ‘anders’ bent, is er een plaats voor je binnen Passende ondersteuning reguliere en algemene voorzieningen. Werken vanuit dit principe, betekent dat iedere ondersteuningsvraag individueel maatwerk betreft (passende ondersteuning). Deze ‘ondersteuning op maat’ sluit aan bij de prioriteiten, resultaat help! ik red het niet waarden en normen van de individuele Veenendaler of eigen kracht alleen erk er zijn geen het gezin.

‘Normaal’ is niet voor iedereen hetzelfde, dit sociaal netw vrijwilligers? f tensie en nu? waarnodig in moeten we (weer leren) accepteren. Dit betekent dat ik wil geen an deren belast g vin ge om en het belangrijk is dat de Veenendalers zelf een plan opin eigen leef wat kan de ge meente regelen? betaalbaar stellen waaruit blijkt dat zij het zelf niet redden en wat zij denken nodig te hebben. Bij een ogenschijnlijk zelfde vraag van twee Veenendalers kan de uiteindelijke ondersteuning geheel anders zijn, afhankelijk van de individuele behoeften of het individueel anders zijn. Als de Veenendaler niet (geheel) in staat is om zelf een plan op te stellen, kan hulp geboden worden vanuit het sociaal netwerk van de inwoner, de sociale basis, de welzijnsorganisatie en de toegangsloketten. Ook de onafhankelijk cliëntondersteuner kan hierbij helpen. Op basis van het plan is een mogelijk

11

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

3.2 Integraal Het adagium is: enkelvoudig waar dat kan, integraal waar het moet. Met integraal werken streven we ernaar dat alle betrokken professionals (in- en extern) vanuit hun eigen expertise goed (samenwerken) en samenhang realiseren in het aanbod aan een Veens huishouden. Bij de toegang kijken we naar de vraag van de inwoner en vragen we zo nodig door over meerdere levensgebieden13. Zo kunnen we bepalen welke ondersteuning nodig is en of hierbij een bredere, integrale aanpak nodig en mogelijk is. We werken (zo nodig) met één (ondersteunings)plan voor een inwoner/huishouden. Als er vraagstukken zijn op meerdere leefgebieden dan vraagt dit om een levensgerichte en persoonsgerichte aanpak. Er kunnen meerdere professionals betrokken zijn en in contact staan met de inwoner of het huishouden. Maar ook dan hebben zij altijd één vast aanspreekpunt. 3.2.1 Uniforme werkwijze Integraal werken is niet hetzelfde als een uniforme werkwijze. Met een uniforme werkwijze streven we ernaar dat het voor de Veenendaler niet uitmaakt met welke gespecialiseerde professional hij bij de toegang te maken krijgt. De professionals werken vanuit eenzelfde basishouding en gemeenschappelijke uitgangspunten. De vraag van de Veenendaler wordt bezien vanuit zijn leefwereld, waarbij passende ondersteuning kan worden geboden vanuit verschillende domeinen.

Een uniforme werkwijze ondersteunt daarmee de mogelijkheden voor integraal werken. In het project “Uniforme toegang” wordt de uniforme werkwijze vorm gegeven. Hierbij worden de volgende basisprincipes meegenomen: 1. Wat iemand zelf kan, moet hij ook zelf doen. Aan de inwoner wordt expliciet gevraagd om

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

concreet aan te geven waarom het zelf niet lukt om de ondersteuningsvraag op te pakken en wat hij denkt nodig te hebben (een eigen plan). Als een inwoner aangeeft ergens ‘recht’ op te hebben, is dat geen basis om gemeentelijke ondersteuning te ontvangen. 2. Bij de intake (het eerste gesprek) is er een goede, zorgvuldige en empathische uitvraag. Dit betekent dat de toegangsmedewerker de tijd neemt en dat er een gelijkwaardig gesprek plaatsvindt met de Veenendaler over het mogelijke antwoord op de vraag en het vervolg, dit mede op basis van stress-sensitieve dienstverlening14. 3. Ondersteuning is erop gericht dat deze tijdelijk is en zoveel als mogelijk wordt ingezet op het toegroeien naar of bevorderen van zelfredzaamheid. 4. We kiezen voor de vorm van ondersteuning die naar verwachting een langdurig effect heeft. Als de gemeentelijke ondersteuning geen oplossing biedt of niet voldoende is om naar een bepaald resultaat toe te werken, kan dit een reden zijn om een maatwerkvoorziening te weigeren en/of te beëindigen. 5. Als een alternatief een betere of goedkopere oplossing biedt, of meer garantie op uitstroom voor lange tijd, dan kiezen we dan kiezen we daar vanzelfsprekend voor. 6. De basis is op orde (werk/dagbesteding, inkomen, onderkomen, netwerk, geen schulden) of is het eerste resultaat dat behaald wordt als basisvoorwaarde voor het slagen van andere ondersteuning.

7. Een inwoner kan altijd kosteloos gebruik maken van een onafhankelijk cliëntondersteuner (wettelijk vastgelegd). Deze denkt mee met de inwoner over wat passende ondersteuning is en kijkt daarbij breed naar de mogelijkheden, zowel binnen het sociaal netwerk als daarbuiten. Hij kan de inwoner ook helpen een plan op te stellen. De cliëntondersteuner is onafhankelijk van de gemeentelijke toegang en zorgaanbieders. Veenendalers

7. Winst door verbinding

8. Regie

Bijlagen 9 t/m 12

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

worden altijd op deze mogelijkheid gewezen. De basisprincipes voor de uniforme werkwijze en de te ontwikkelen integrale verordening sociaal domein vormen het uitgangspunt voor het “afwegingskader passende ondersteuning” dat met de uitvoering in het sociaal domein wordt uitgewerkt.

3.3 Passende ondersteuning Passende ondersteuning heeft voor de Veenendaler een duurzaam effect voor deelname aan de maatschappij. Dit betekent dat passende ondersteuning ertoe leidt dat de Veenendaler zo goed en zo lang mogelijk zonder of met beperkte blijvende ondersteuning kan meedoen aan het maatschappelijk leven. De eigen verantwoordelijkheid en mogelijkheden van de inwoner en zijn omgeving zijn bepalend voor de mate en soort van ondersteuning die aanvullend op het eigen vermogen nodig is. Daarbij benoemen we expliciet dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor alle ondersteuning die een Veenendaler nodig heeft. Als passende ondersteuning buiten de mogelijkheden/taken

12

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

van de gemeente ligt, heeft dat het primaat. Soms is dat niet duidelijk, dan zijn nadere afspraken noodzakelijk. We onderscheiden de volgende uitgangspunten voor passende ondersteuning die vanuit de gemeente wordt geboden: 1. E igen kracht en sociaal netwerk: de basis voor wat passend is. 2. Ondersteuning bieden we zo vroeg, zo licht en zo thuisnabij15 mogelijk, maar direct intensief waar nodig. 3. Alle ondersteuningsvormen zijn resultaatgericht en duurzaam. Met behulp van het afwegingskader (zie § 3.2.1) worden onder andere eigen kracht en identiteit van de Veenendaler en de kwaliteit en prijs van de ondersteuning afgewogen om te bepalen wat passende zorg is. 3.3.1 Eigen kracht en sociaal netwerk: de basis voor wat passend is Wat iemand zelf of samen met zijn sociaal netwerk kan, moet hij ook zelf doen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van algemene voorzieningen in de sociale basis. Inkomen is een basisbehoefte, maar hoeveel inkomen vinden wij noodzakelijk en wanneer is financiële ondersteuning vanuit de gemeente noodzakelijk? De definitie die het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) voor armoede hanteert is: “Mensen zijn arm wanneer ze gedurende langere tijd niet de middelen hebben om te kunnen beschikken over de goederen en voorzieningen die in hun samenleving als minimaal noodzakelijk gelden”16.

Het SCP heeft doorgerekend wat deze definitie concreet betekent in relatie tot de bijstandsuitkering die voldoende zou moeten zijn voor het ‘basisbehoeftenbudget’. Het basisbehoeftenbudget omvat de minimale uitgaven van een zelfstandig huishouden aan onvermijdbare, basale zaken als voedsel, kleding, verzekeringen, persoonlijke verzorging en wonen. De bijstandsuitkering is net voldoende om deze kosten te kunnen betalen. Het niet-veel-maar-toereikendbudget is iets ruimer (ongeveer 110% van de bijstand). Dat

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

houdt ook rekening met de minimale kosten van ontspanning en sociale participatie. Deze zaken zijn niet strikt noodzakelijk, maar voor een inclusievere samenleving en verhoging van de zelfredzaamheid wel wenselijk. Het beste middel om uit de armoede te komen is werk. Om dit te promoten en de armoedeval zo veel mogelijk te voorkomen bieden we vergoedingen aanvullend op het inkomen. Iemand met een inkomen op 100% van de bijstand ontvangt een hogere vergoeding dan iemand die werkt met een inkomen op 120% van de bijstand. In bijlage 11 is een overzicht van de mogelijke vergoedingen opgenomen. Voor passende ondersteuning vanuit de Wmo en Jeugdwet maken we gebruik van het “protocol gebruikelijke zorg” van het CIZ 17 en de Factsheet “Zorg voor kinderen met een intensieve zorgvraag” (bijlage 12). Deze documenten bieden handvatten om te bepalen of een ondersteuningsvraag onder gebruikelijke ondersteuning valt (eigen verantwoordelijkheid) of dat deze de eigen verantwoordelijkheid overstijgt.

3.3.2 Zo vroeg, licht en thuisnabij mogelijk, maar direct intensief waar nodig Als de inwoner het niet (helemaal) zelf kan, ook niet samen met zijn omgeving, bieden we ondersteuning in de volgende volgorde, afhankelijk van de complexiteit: a. Een sterk ondersteunend aanbod dat toegankelijk en voorliggend is, geboden vanuit onder andere de sociale basis, zorgverzekeringswet, Wet langdurige zorg (Wlz) en Wet kinderopvang. b. Een collectief aanbod. Ondersteuning vanuit een collectief aanbod gaat voor op een individueel aanbod. c. Ondersteuning op maat. Bij ondersteuning aan inwoners is altijd sprake van “op maat”; we kijken wat er passend is bij de betreffende situatie. Als voor de (aanvullende) ondersteuning een beschikking nodig is, spreken we van een “maatwerkvoorziening”.

7. Winst door verbinding

8. Regie

Bijlagen 9 t/m 12

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

3.3.3 Resultaatgericht en duurzaam Aan een maatwerkvoorziening is een resultaat gekoppeld dat is beschreven in een persoonlijk ondersteuningsplan. Een inwoner maakt een eigen plan voor de ondersteuningsbehoefte die hij/zij heeft: “Help mij mezelf te helpen”. Samen met de toegangsmedewerker wordt bezien hoe dit plan concreet invulling kan krijgen. Door de inwoner zelf een plan te laten maken, kan aangesloten worden op diens prioriteiten en wensen. De ondersteuning is gericht op gezond en veilig opgroeien, meedoen naar vermogen en/ of het bevorderen van zelfstandigheid. Het streven is dat de maatwerkvoorziening uiteindelijk niet meer nodig is; tijdelijkheid is het uitgangspunt waar mogelijk. We kiezen voor de vorm van ondersteuning die naar verwachting een langdurig effect heeft. Het is niet altijd de taak van de gemeente om passende ondersteuning te bieden. Als de gemeentelijke ondersteuning geen oplossing biedt of niet voldoende is om naar een bepaald resultaat toe te werken, kan dit een reden zijn om een maatwerkvoorziening te weigeren en/of te beëindigen en te kijken naar passende ondersteuning buiten de gemeente. Daar waar dit vanuit veiligheidsoogpunt geen optie is kunnen we dwang- en drangmiddelen inzetten en overgaan naar een verplicht kader. Waar structurele ondersteuning noodzakelijk is, beperken we de bureaucratische handelingen.

3.4 Betekenis voor de praktijk In de volgende hoofdstukken wordt de richting uitgewerkt in beoogde effecten en voorbeelden van mogelijke inspanningen. Deze voorbeelden worden genoemd om scherpte aan te brengen of meer inzicht te bieden in de richting. De daadwerkelijke inspanningen komen terug in de jaarlijkse uitvoeringsplannen.

13

Inhoud

1. Inleiding

2. Achtergrondinformatie

Voetnoten

3. Begripsbepalingen

4. Naar vermogen actief

Bijlagen 1 t/m 4

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

7. Winst door verbinding

8. Regie

Bijlagen 9 t/m 12

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

4 Uitgangspunt 1 - Iedereen is naar vermogen maatschappelijk actief De beweging naar ‘normaliseren’ staat hier centraal. Het accent bij dit uitgangspunt ligt op eigenaarschap en eigen verantwoordelijkheid. Niet alles wat afwijkt van het gemiddelde vraagt direct om professionele aandacht of ondersteuning. We strijken niet alle hobbels in het leven glad voor onze inwoners.

Beoogde effecten Uitgangspunt Model Veenendaal

Maatschappelijke doelen Visie sociaal domein

Beoogde effecten

1. Iedereen is naar vermogen maatschappelijk actief

1. Een inclusievere samenleving

1. Veenendalers nemen verantwoordelijkheid voor eigen zelfredzaamheid en eigen kwetsbaarheid, passend bij de levensfase 2. Veenendalers wonen zo lang mogelijk thuis 3. Het aantal laaggeletterde inwoners daalt 4. Veenendalers nemen meer deel aan de samenleving

4.2 Maatschappelijk doel 01 Een inclusievere samenleving

Zoals je hoopt dat het leven gaat

Zoals het leven gaat

Om bovenstaande beweging te realiseren stimuleren we Veenendalers om verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen zelfredzaamheid en kwetsbaarheid. Dit betekent dat we altijd de vraag stellen: ‘Wat kan u zelf doen’? Mensen kunnen meer zelf dan ze soms denken, zo nodig met een steuntje in de rug. We delen steeds meer de verantwoordelijkheid voor de samenleving. We stellen dan ook actief de vraag aan de Veenendalers die een maatwerkvoorziening ontvangen: “U krijgt dit van de samenleving, wat kunt u terugdoen voor de samenleving?” Daarbij worden de individuele mogelijkheden besproken en in acht genomen. Bij het stimuleren van het nemen van eigen verantwoor-delijkheid hoort ook dat we inwoners

stimuleren langer thuis te blijven wonen. Hiervoor zijn ze aangewezen op het eigen sociaal netwerk, buurtbewoners en voorzieningen en ondersteuning in de eigen woonomgeving. Dit stelt eisen aan de ondersteuning die we thuis bieden, aan de bereikbaarheid van voorzieningen en aan goed toegankelijk en bereikbaar openbaar vervoer. Een inclusieve samenleving 18 vraagt om plekken waar mensen zich veilig en welkom voelen, waar ze de ruimte krijgen om binnen hun eigen mogelijkheden mee te doen en waar mensen respectvol met elkaar omgaan. Het vraagt om extra aandacht voor kwetsbare inwoners, want mensen die deelnemen aan het maatschappelijk leven voelen zich beter en gezonder.

14

Inhoud

1. Inleiding

2. Achtergrondinformatie

Voetnoten

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

4.2.1 Veenendalers nemen verantwoordelijkheid voor eigen zelfredzaamheid en eigen kwetsbaarheid, passend bij de levensfase. Inwoners zijn in iedere levensfase zelf verantwoordelijk voor het invullen en vormgeven van hun eigen leven. Dit betekent bijvoorbeeld dat we van hen verwachten dat ze zich voorbereiden op de komst van een kind met een geschikt huis, een kinderwagen en dergelijke. Het betekent ook dat we naarmate we ouder worden een passende woning als thuis hebben en vervoersmiddelen die ons helpen in het dagelijks leven. Een ieder draagt daarin eigen verantwoordelijkheid. Daar waar de Veenendaler dit niet zelf kan, heeft de gemeente mogelijkheden voor aanvullende ondersteuning. We vragen de inwoner een eigen ondersteuningsplan op te stellen. We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • B ij een ondersteuningsvraag stelt een Veenendaler eerst een eigen plan op en geeft daarin aan welke ondersteuning nodig is en waarom en wat hij zelf al heeft gedaan. Dit wordt standaard aan de Veenendaler gevraagd bij de toegang voor een maatwerkvoorziening. We volgen de effecten door te kijken naar: • Het percentage inwoners dat via de toegang en de digitale hulpwijzer passende ondersteuning vindt in de sociale basis. • Het aantal klachten dat wordt ingediend. 4.2.2 Veenendalers wonen zo lang mogelijk thuis.

We willen dat alle Veenendalers, ook kwetsbare Veenendalers, zo lang mogelijk zelfstandig thuis wonen. De inwoner is hiervoor in de eerste plaats zelf verantwoordelijk. Dat houdt in dat de inwoner er zelf voor zorgt dat zijn woning aansluit bij de persoonlijke behoefte

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

per levensfase. Om dit te faciliteren werkt de gemeente aan levensloopbestendige woonwijken met woningen en voorzieningen die geschikt zijn voor een brede doelgroep. Bij de ontwikkeling van de openbare ruimte werken we aan mogelijkheden voor bewegen en ontmoeten. Met een stevige preventieve aanpak voorkomen we dat Veenendalers instromen in vormen van instellingsverblijf of beschermd wonen, we richten ons tevens op het vroegtijdig signaleren van dreigende schulden, verslaving, huiselijk geweld en kindermishandeling. We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • Vanuit beschermd wonen werken we toe naar beschermd thuis. Inwoners met een complexe ondersteuningsvraag krijgen thuis passende ondersteuning op alle levensgebieden. • Alle nieuwe woningen zijn levensloopbesteding volgens de gemeentelijke definitie die in 2020 in werking treedt. We volgen de effecten door te kijken naar: • Het aantal inwoners dat woont in een vorm van beschermd wonen. • Bindende afspraken met projectontwikkelaars over levensloopbestendige woningen. Eind 2022 hebben alle projectontwikkelaars waarmee we samenwerken deze afspraken ondertekend. 4.2.3 Het aantal laaggeletterde inwoners daalt. Beheersen en begrijpen van de Nederlandse taal bevordert de zelfredzaamheid.

Mensen die laaggeletterd zijn, kunnen wel een beetje lezen en schrijven (in hun moedertaal), maar beheersen deze vaardigheden onvoldoende om zelfredzaam te zijn in de Nederlandse maatschappij. Volwassenen die het eindniveau VMBO of niveau MBO 2/3 20 niet halen, behoren tot de groep laaggeletterden. De invoering van

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

‘PARTICIPATIEDAG VAN 24 JUNI’ Niet alles hoeft gratis, ook voor niethulpbehoevenden is niet alles gratis. de nieuwe Wet Inburgering op 1 januari 2021 vergroot de rol van de gemeente bij ondersteuning naar taalles en werk. We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • De aandacht voor de combinatie werk en taal zetten we voort. Werk is een belangrijke motor om de taal te leren en te verbeteren. • Vanuit het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid19 bevorderen we gelijke onderwijskansen voor kinderen met een gelijk onderwijspotentieel. • Vanuit de Wet educatie en beroepsonderwijs pakken we, met formele en non-formele educatie 21, laaggeletterdheid aan door middel van onder andere het Taalhuis. We volgen de effecten door te kijken naar: • Samen met taalaanbieders de taalontwikkeling van

15

Inhoud

1. Inleiding Voetnoten

2. Achtergrondinformatie

3. Begripsbepalingen Bijlagen 1 t/m 4

statushouders en inburgeraars monitoren vanaf het ingaan van de nieuwe Wet inburgering. • O p basis van landelijke inschattingen over het percentage laaggeletterden monitoren we het bereik van deze doelgroep in Veenendaal.

‘INWONER’ Luister eens meer naar vrijwilligersorganisaties, inclusief de kerk. Zij krijgen dagelijks hulpvragen van mensen die er niet meer uitkomen, maar niet gehoord worden bij officiële instanties. 4.2.4 Veenendalers nemen meer deel aan de samenleving. Inwoners die actief zijn binnen de Veenendaalse samenleving, voelen zich meer verbonden met de wijk, buurt en gemeente. Dit bevordert de sociale cohesie. Inwoners met een baan of dagbesteding voelen zich verantwoordelijk en nodig. Deelname aan het maatschappelijk leven is voor elke Veenendaler belangrijk. Bij de gemeente bekende kwetsbare Veenendalers ondersteunen we hierbij. Samenwerking tussen de wijkteams, sociale basis en toegang is hierbij van groot belang. We denken bijvoorbeeld aan het volgende: • We stimuleren wederkerigheid bij het verstrekken van ondersteuning. Hierbij hebben we oog voor de samenhang met de verplichte tegenprestatie naar vermogen vanuit de Participatiewet. • We bieden binnen de minima-regeling een vergoeding voor deelname aan sport en maatschappelijke activiteiten voor volwassenen: een vrij keuzebudget dat online te

4. Naar vermogen actief

5. Eigen kracht en netwerk

6. Ondersteuning

Bijlagen 5 t/m 8

7. Winst door verbinding

Bijlagen 9 t/m 12

8. Regie

9. Randvoorwaarden Bijlagen 13

boeken is bij lokale (sport)organisaties. • We stimuleren ondernemers om hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen, onder andere op het gebied van armoedebestrijding, het tegengaan van eenzaamheid en het realiseren van werk voor Veenendalers met een arbeidsbeperking. • Het opstellen van een Lokale inclusie agenda 22 in 2020 en 2021: Met deze agenda werken we aan een Veenendaal waar iedereen, met en zonder beperking, zich welkom voelt. Toegankelijkheid staat in deze agenda centraal. Het is een agenda met groeimogelijkheden en ambitie. Zo wordt Veenendaal ieder jaar toegankelijker en inclusiever. De agenda overstijgt het sociaal domein en sluit aan op de ‘Omgevingsvisie Veenendaal’ en de wijkgerichte aanpak. Het vereist een integrale inzet van de gemeentelijke organisatie en de Veenendaalse samenleving. We volgen de effecten door te kijken naar: • Actief aanbiedersbeheer bij het minimabeleid met als doelstelling dat alle relevante ondernemers in Veenendaal zijn aangesloten als aanbieder van minimaregelingen. Daarnaast ambiëren we elk jaar een verhoging van 25% van het aantal aanbieders dat eigen kortingsacties aanbiedt. Minimaregelingen kunnen alleen online geboekt worden. Om de keuzevrijheid zo groot mogelijk te houden, is het van belang dat zoveel mogelijk ondernemers zijn aangesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11492055/1