13. Bijlage 11 Bijlage 8 bij BP - Water
Tekst van het document
De maximale stijghoogteverlaging aan de onderzijde van de damwanden (WVP3) bedraagt circa 1,75 m (circa -4,0 m NAP). Deze maximale verlaging neemt af met toenemende afstand tot de bemaling. Het stationair berekende hydrologisch beïnvloedingsgebied voor WVP1, WVP2 en WVP3 (5 cm verlagingscontour) is gepresenteerd in figuur 5.3. WVP staat voor watervoerend pakket. Er zijn op deze locatie meerdere watervoerende pakketten welke gescheiden worden door slecht doorlatende lagen. Om voldoende verlaging van de grondwaterstand te kunnen realiseren is verlaging nodig van de stijghoogte (grondwaterstand watervoerend pakket) in meerdere watervoerende pakketten. Wanneer alleen water wordt onttrokken uit het 1e watervoerende pakket (WVP1) ontstaat er een groot drukverschil tussen WVP1 en WVP2 waardoor een opbarstrisico ontstaat. Dit betekent dat de scheidende laag tussen WVP1 en WVP2 kan opbarsten en water vanuit WVP2 naar WVP1 stroomt. Dit dient voorkomen te worden. Daarom wordt ook water uit WVP2 onttrokken. Om dezelfde reden is ook een onttrekking uit WVP3 nodig. Er is bepaald dat de stijghoogteverlaging in WVP3 circa 1,75 m dient te zijn. In paragraaf 5.4.1 wordt ingegaan op de effecten tijdens de aanlegfase en in paragraaf 5.4.2 wordt ingegaan op de effecten in de eindfase.
5.4.1 Aanlegfase Tijdens de aanlegfase is er sprake van een situatie waarbij damwanden worden geslagen en waarbij vervolgens met behulp van bemalingen een grote werkput gecreëerd moet worden zodat
35/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
de werkzaamheden voor de verdiepte ligging uitgevoerd kunnen worden. De damwanden rijken tot in WVP3 waardoor WVP1 en WVP2 worden afgesloten. De benodigde onttrekkingsdebieten om in den droge te kunnen ontgraven zijn met het grondwatermodel berekend (Modflow). De maximale verlaging bedraagt circa 5,2 m (0,5 m onder de putbodem). Op basis van de opbarstberekeningen is een stijghoogteverlaging van 3,95 m in het tweede watervoerende pakket en een stijghoogteverlaging van 1,75 m in het derde watervoerende pakket nodig. Het totale berekende bemalingsdebiet bedraagt circa 40 m³/uur (1.000 m³/dag). De maximale stijghoogteverlaging aan de onderzijde van de damwanden (WVP3) bedraagt circa 1,75 m (circa -4,0 m NAP). Deze maximale verlaging neemt af met toenemende afstand tot de bemaling. Wanneer de bemaling start zal de verlaging steeds verder zichtbaar worden totdat de verlaging van 1,75 m bereikt is. Dan ontstaat er een nieuwe stabiele situatie waarbij de grondwaterstanden stabiel zijn. Met het grondwatermodel is bepaald wat de effecten in deze situatie zijn; wat is het verschil in grondwaterstanden in de situatie met bemaling ten opzichte van de huidige situatie. Op kaart zijn de hydrologische beïnvloedingsgebieden weergegeven (Figuur 5.3). Hierbij is met een contour aangegeven binnen welke gebied er een stijghoogteverlaging van 5 cm of meer is.
Dit is gedaan voor de drie watervoerende pakketten welke beïnvloed worden door de benodigde bemalingen: WVP1, WVP2 en WVP3. De damwanden sluiten WVP1 en WVP2 af waardoor tijdens de bemaling het effect het grootst is in WVP3.
Figuur 5.3 Effecten damwanden en bemalingen in de aanlegfase (contouren met meer dan 5 cm stijghoogteverlaging)
36/73
Kenmerk
5.4.2
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Eindfase
In de eindfase is geen bemaling meer nodig. Dan is er enkel sprake van damwanden. Deze damwanden vormen een obstructie in de grondwaterstroming. De stromingsrichting van het grondwater is in zuidwestelijke richting. Daarom vindt opstuwing plaats aan de westzijde van de wand (zie figuur 5.4 voor WVP1 en figuur 5.5 voor WVP2). De verwachte opstuwing in het freatisch pakket is maximaal circa 16 cm en in het WVP maximaal circa 8 cm direct naast de damwand. Door deze beïnvloeding wordt gesteld dat de wanden aan de noordwestzijde in de directe nabijheid een effect op de omgeving hebben maar door de afstand (circa +50 m) tot bebouwing minimaal zal zijn. Aan de zuidoostzijde treedt een beperkte verlaging van de grondwaterstand. De verwachte verlaging in het freatisch pakket is maximaal circa 6 cm en in het WVP maximaal circa 3 cm direct naast de damwand. Door deze beperkte beïnvloeding wordt gesteld dat de wanden aan de zuidoostzijde een verwaarloosbaar effect op de omgeving hebben.
Figuur 5.4 Effecten van damwanden op stijghoogten in WVP1
37/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Figuur 5.5 Effecten van damwanden op stijghoogten in WVP2
Bovenstaande richt zich op de verdiepte ligging. Dit is de grootste ingreep in de ondergrond. Daarnaast zijn er enkele (fiets)tunnels welke verlengd moeten worden omdat de N233 breder wordt. Deze ingrepen zijn klein. Er is op deze locatie al sprake van een bestaande constructie. Voor de eindsituatie worden daarom nauwelijks effecten verwacht. Tijdens de aanleg is de benodigde bouwput veel kleiner dan bij de verdiepte ligging. Doordat ook de minder diep bemalen hoeft te worden, zijn de effecten veel kleiner. Conclusie effecten grondwaterstromingen Als variant binnen het MER is de aansluiting Groenpoort opgenomen. Er is geen effect van de aansluiting Groenpoort omdat hier geen sprake is van ondergrondse constructies. Dit verandert het oordeel dus niet. Alles bij elkaar gekomen komt het eindoordeel oor het criterium grondwater op negatief (- -). Dit komt omdat er (zeer lokaal) een grondwaterstandsverandering optreedt van meer dan 10 cm maar het gebied is beperkt. Het raakt wel aan kwetsbare functies. Er is gekeken naar kwetsbare functies in de omgeving waar de grondwaterstandsverlagingen mogelijk invloed op kunnen hebben. Hierbij is gekeken naar: • Woningen: Een grondwaterstand ondieper dan 70 cm beneden maaiveld in de wintersituatie wordt veelal als norm aangehouden voor risico’s op grondwateroverlast bij woningen, gebaseerd op de Leidraad bouw- en woonrijp maken.
Het daadwerkelijk ontstaan van grondwateroverlast hangt mede af van de hoogte van de bebouwing ten opzichte van de hoogte van het erf en de
38/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
bouwkundige staat van de woningen. Het effect op locaties met woningbouw is minder dan 10 cm (met uitzondering van het appartementencomplex; 14 cm). De grondwaterstanden liggen ongeveer 1,3 m onder maaiveld. Een verhoging van de grondwaterstand met 10 cm zal hier geen probleem zijn. •
Natuur: Ten zuiden van de verdiepte ligging is het Natura 2000-gebied Binnenveld gelegen. Hier is sprake van grondwaterafhankelijke natuur. Op basis van de effectberekening (zie figuur 3.3) worden er tijdens de aanlegfase in het ondiepe freatische grondwatersysteem geen grondwaterstandsverlagingen verwacht van meer dan 5 cm. Echter in het diepere grondwater worden wel grondwaterstandsverlagingen verwacht. Als gevolg hiervan kan er een kwelfluxvermindering naar het topsysteem plaatsvinden. Op basis van een weerstand van de eerste scheidende laag van 400 dagen, wordt een afname van de kweldruk tussen de freatische grondwaterwater en het diepere grondwater in het eerste watervoerend pakket berekend van 0,13 mm/dag. Uit de ecologische beoordeling van deze kwelvermindering is naar voren gekomen dat bij een dergelijke onttrekking negatieve effecten op het Binnenveld niet uit te sluiten zijn, vanwege deze kwelafname (zie achtergrondrapport natuur).
Bovenstaande richt zich op de directe impact van de veranderingen van de grondwaterstanden op de functies. Er zijn mogelijk ook andere afgeleide effecten. Te denken valt aan het effect van grondwaterstandsveranderingen op zettingen, bomen en openbaar groen. Bij de verdere uitwerking van het plan adviseren wij verdergaand bodemonderzoek zodat de lokale bodemopbouw beter in beeld is. Daarmee kunnen de effecten van het definitieve ontwerp en de gekozen uitvoeringsmethode nauwkeuriger in beeld gebracht worden. Dit zal dan ook uit kunnen wijzen of er afgeleide effecten zijn. Op dit moment worden er geen negatieve effecten verwacht: • Zettingen: In de eindsituatie ligt de grondwatertand in de directe omgeving van de verdiepte ligging iets hoger. Dit leidt niet tot zettingen. Zettingen treden op bij een verlaging van de grondwaterstand en het droogvallen van het veen. In de tijdelijke fase is er lokaal wel sprake van een verdrogend effect. In een later stadium, met het definitieve ontwerp en uitvoeringsmethode, moet bepaald worden of hier effecten op gaan treden. Dit kan voorkomen worden door bijvoorbeeld het toepassen van retourbemaling. Daarmee worden •
effecten op de omgeving verminderd. Bomen en openbaar groen: Hier ontstaan problemen als het opeens veel natter wordt of als het verdroogt. In de eindsituatie is de grondwaterstand in de directe omgeving van het plangebied gemiddeld genomen enkele centimeters hoger dan in de huidige situatie. Gezien de natuurlijke variatie en schommelingen in de grondwaterstanden en het feit dat hier geen sprake is van waterafhankelijke natuur, zijn hier geen zichtbare effecten van te verwachten. In de tijdelijke fase is er zeer lokaal sprake van verdroging. De waterstanden dalen in de naastgelegen wijk. In een later stadium, met het definitieve ontwerp en uitvoeringsmethode, moet bepaald worden of hier effecten op gaan treden. Wanneer hier effecten verwacht worden, gaat het om de tijdelijke situatie en kan dit ondervangen worden door water te geven.
39/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
De effecten op de grondwaterstromingen hebben ook een relatie met grondwaterkwaliteit. Door veranderende grondwaterstromen kunnen verontreinigingen in het grondwater zich anders gaan gedragen. In de omgeving zijn enkele verontreinigingen bekend (zie figuur 5.6). Hierin zijn 6 locaties te onderscheiden: A. Voormalige stortplaats Ketelweg-Wageningselaan B. Gedempte sloten Veenendaal C. Dragonderweg D. Gilbert van Schoonbekestraat 1-3 E. Benedeneind 1a F. Oever Valleikanaal depot 3 Voor de eindsituatie worden hier geen effecten verwacht, omdat het beïnvloedingsgebied dan zeer klein is. Er treden dan geen effecten op bij de locaties A tot en met F. In de tijdelijke situatie zijn er mogelijk wel effecten te verwachten, met name in de diepere lagen. Om dit te kunnen beoordelen is het belangrijk om te weten hoe groot de daadwerkelijke effecten zijn. Er is nu uitgegaan van een worstcase met een open bemaling. Wanneer in een later stadium, met een definitief ontwerp en een uitvoeringsmethode, meer inzicht is in de lokale bodemopbouw en er meer gedetailleerd inzicht is in de gewijzigde grondwaterstroming, kan bepaald worden of er effecten te verwachten zijn op de verspreiding van deze verontreinigingen. Dit is ook mede afhankelijk van de aard en omvang van de verontreinigingen.
40/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Figuur 5.6 Overzicht van grondwaterverontreinigingen in de omgeving van de verdiepte ligging (aangeleverd door Provincie Utrecht)
Mitigerende maatregelen De effecten in de aanlegfase reiken het verst. Op basis van indicatieve bemalingsberekeningen met spanningsbemaling komt het waterbezwaar uit op circa 1.000 m3/dag. Op basis van het waterbezwaar, de bodemopbouw en de ontgravingsdiepte en vooral ook de mogelijk negatieve effecten op kwelafhankelijke natuur in het Binnenveld wordt geadviseerd om alternatieven te bedenken voor de uitvoer, om de effecten op de omgeving zoveel als mogelijk te beperken. Alternatieven kunnen zijn: • • •
Retourbemaling Toepassen onderwaterbeton Toepassing van onderafdichtingen (waterglas injecties)
• Andere bouwmethoden Door het toepassen van andere bouwmethoden voor de verdiepte ligging (zoals onderwaterbeton) en/of het toepassen van bewezen maatregelen (zoals retourbemaling en onderafdichtingen) kunnen effecten op het Natura2000-gebied het Binnenveld voorkomen dan wel gemitigeerd worden.
41/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Voor de bemaling is een vergunning nodig. Bij de vergunningaanvraag dient een bemalingsadvies opgesteld te worden ter onderbouwing van de gekozen uitvoeringsmethode. Het is aan bevoegd gezag om te beoordelen of een beperkt effect acceptabel is. Het is dan ook op voorhand niet te stellen dat de mitigerende maatregelen tot een neutraal (0) effect leiden of tot een licht negatief (-) effect. Bevoegd gezag zal beoordelen wat acceptabel is.
42/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
6 Uitwerking mitigerende maatregelen Uit de effectbeoordeling blijkt dat er voor het criterium oppervlaktewatersysteem mitigerende maatregelen nodig zijn. Het gaat hierbij om het herstellen van het watersysteem wanneer watergangen geraakt worden door het plan en om het compenseren van toename verharding. In dit hoofdstuk wordt erop ingegaan hoe deze maatregelen in het plan opgenomen zijn. Er spelen twee effecten die moeten worden gemitigeerd: • Het wegontwerp raakt het watersysteem en het watersysteem dient herstelt te worden • Er is sprake van toename verharding. Dit leidt tot versnelde afvoer van hemelwater en verminderende infiltratie. Hiervoor geldt een watercompensatie-opgave; ook wel wateropgave genoemd De mitigerende maatregelen voor deze twee effecten worden hieronder beschreven.
6.1
Herstel watersysteem
Er vervallen geen hoofdwatergangen in het watersysteem. Wanneer verbindingen in het watersysteem geraakt worden, worden deze herstelt. Van zuid naar noord gaat het om de volgende effecten en maatregelen: • Ten zuidoosten van de rotonde bij De Smalle Zijde vervalt een C-watergang. Deze watergang •
is niet cruciaal in het functioneren van het watersysteem. Hier zijn geen maatregelen nodig Aan de westzijde van de rotonde bij De Smalle Zijde loopt een A-watergang. Deze watergang wordt aangepast en daarmee wordt ook de duiker aangepast. Hiermee wordt de verbinding in
•
het watersysteem herstelt en kan het watersysteem goed blijven functioneren Noordelijker op het tracé liggen twee fietstunnels: ter hoogte van de Engelaanhof en bij de Spitbergenweg. Bij de nadere uitwerking zal bepaald worden of en hoe de duikerverbindingen hier aangepast moeten worden. Dit gebeurt conform de legger en Keur van het waterschap
6.2
Wateropgave
De wateropgave bestaat uit twee componenten: • Bestaand water wat gedempt wordt moet voor 100 % terug komen in het plan • Toename verharding moet gecompenseerd worden. Wanneer dit gebeurt in de vorm van open water hanteert het waterschap als uitgangspunt dat 10 % van de oppervlakte moet worden gereserveerd voor open water. Daarnaast moet er rekening worden gehouden met het feit dat er ruimte nodig is om wateren te kunnen onderhouden. De compensatie kan ook in de vorm van een wadi worden opgenomen in het ontwerp. In dat geval dient de wadi een opvangcapaciteit te hebben voor een bui van 60 mm Om de wateropgave in beeld te brengen is de huidige situatie vergeleken met de toekomstige situatie 4. Hierbij is gekeken wat er verandert aan oppervlakken water en verharding. In bijlage 2 zijn kaarten opgenomen waarin de huidige situatie naast het ontwerp (toekomstige situatie) is
Voor de huidige situatie is gebruik gemaakt van de BGT. Deze is gebruik om de huidige oppervlakken te bepalen. Voor het ontwerp is gebruik gemaakt van het ontwerp van Provincie Utrecht aangeleverd op d.d. 23 februari 2021.
4
43/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
gezet. In onderstaande tabel (tabel 6.1) is een overzicht opgenomen van de wijzigingen in oppervlakken. In de tabel is het overzicht uitgesplitst per peilgebied. Tabel 6.1 Verschil oppervlakken: huidige situatie en ontwerp (toekomstige situatie) Verschil
Verschil
Verschil
Verschil
Peilgebied
Verharding (m )
onverhard (m )
wadi (m )
water (m2)
GPG_1322
+6.418
-8.525
0
+2.100
2
2
2
GPG_1446
+653
-619
0
0
GPG_1399
+1.533
-1.661
0
+124
GPG_1309
+4.985
-5.371
0
+368
GPG_1754
+1.136
-1.008
0
-63
GPG_1186
+13.119
-13.371
+1.793
-932
TOTAAL
+27.845
-30.555
+1.793
+1.596
Bovenstaande tabel geeft niet meteen inzicht in de wateropgave. Het geeft aan hoe de oppervlakken veranderen. Onderstaand overzicht (tabel 6.2) geeft aan hoeveel toename verharding er is, en wat de wateropgave is. Vervolgens is gekeken of er voldoende water in het ontwerp zit. Tabel 6.2 Wateropgave en de invulling hiervan in het ontwerp Toename
Wateropgave (m2)
Extra
Tekort/teveel
verharding in
wateroppervlak in
water (m2)
Peilgebied
ontwerp (m2)
ontwerp (m2)
GPG_1322
+6.418
+642
+2.100
+1.458
GPG_1446
+653
+65
0
-65
GPG_1399
+1.533
+153
+124
-29
GPG_1309
+4.985
+499
+368
-130
GPG_1754
+1.136
+114
-63
-177
GPG_1186
+13.119
61.312
-932
-2.244
TOTAAL
+27.845
+2.785
+1.597
-1.187
Door de toename verharding in het totale project is er 2.785 m2 extra water nodig. In het ontwerp is 1.597 m2 extra water opgenomen. Dit is een tekort van 1.187 m2. Dit betekent dat er een toename verharding van 11.870 m2 is waarvoor geen watercompensatie in de vorm van wateroppervlak plaatsvindt. In peilgebied GPG_1186 zijn wadi’s opgenomen met een totaal oppervlak van 1.793 m2. Hier kan water in opgevangen worden. Voor wadi’s geldt dat deze een capaciteit moeten hebben om een bui van 60 mm op te vangen. Voor 11.870 m2 is dan een bergingscapaciteit van 712 m3 nodig. Met een oppervlak van 1.793 m2 betekent dit een (gemiddelde) diepte van de wadi’s van 40 cm. Hiermee is voor het totale project de wateropgave ingevuld. De voorkeursvolgorde vanuit beleid geeft aan dat de wateropgave bij voorkeur in het betreffende peilgebied wordt ingevuld. Wanneer dit niet mogelijk is, kan gekeken worden of het in
44/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
naastgelegen peilgebieden ingevuld kan worden. De verdeling van het wateroppervlak over de verschillende peilgebieden is niet gelijk aan de verdeling van de toename verharding over de verschillende peilgebieden. Dit betekent dat in sommige peilgebieden te weinig water is opgenomen terwijl in andere peilgebieden te veel water in het ontwerp zit. Voor het totale gebied is invulling gegeven aan de wateropgave.
45/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Deel 2: N233 Rijnbrug Rhenen 7 Onderzoeksmethodiek Wijze van beoordeling op hoofdlijnen De manier waarop de effecten worden bepaald, verschilt per criterium. Soms kan een effect kwantitatief worden bepaald (bijvoorbeeld ‘10 m2’ of ‘4 gebouwen’), soms is alleen een kwalitatieve benadering mogelijk. De beoordeling van effecten vindt plaats door de effecten te scoren volgens een systeem van plussen en minnen. Hiervoor worden eerst de effecten in klassen ingedeeld door het bepalen van klassengrenzen. Daarbij is rekening gehouden met de verwachte reikwijdte van de onderzoeksresultaten en de mate van het effect. Elke klasse wordt gekoppeld aan een kwalitatieve score met plussen en minnen. Door het inzichtelijk maken van klassengrenzen is altijd navolgbaar welke beoordeling is toegepast bij een bepaalde mate van het effect. Voor de vertaling naar kwalitatieve scores is in dit onderzoek gebruik gemaakt van de volgende 5-puntsschaal (zoals dat ook gebeurt bij de andere milieuthema's in de andere achtergrondrapporten): Tabel 7.1 5-Puntsschaal ten behoeve van de effectbeoordeling Waardering effecten
Omschrijving ++
Zeer positief effect
+
(Licht) positief effect
0
Niet of nauwelijks effect / neutraal
-
(Licht) negatief effect
--
Zeer negatief effect
De effecten zijn voor alle criteria bepaald zonder rekening te houden met eventuele mitigerende maatregelen. Uitzondering hierop zijn de maatregelen die standaard worden toegepast bij de realisatie van wegen/infrastructuur en een mitigerend effect hebben. Deze maatregelen maken onderdeel uit van de voorgenomen activiteit. Op basis van de gepresenteerde effecten worden mogelijke mitigerende maatregelen beschreven om de negatieve effecten te voorkomen of te beperken. De volgende vijf criteria zijn meegenomen en worden hieronder toegelicht: 1. 2. 3.
Aanpassing waterhuishouding Beïnvloeding oppervlaktewaterkwaliteit Beïnvloeding grondwaterkwaliteit
4. 5.
Beïnvloeding grondwaterstanden door bemalingen in de aanlegfase Waterveiligheid
46/73
Kenmerk
7.1
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Criterium Aanpassing waterhuishouding
7.1.1 Te verwachten effect en methode van onderzoek Bij dit criterium wordt gekeken naar de mate waarin de plannen leiden tot doorsnijdingen van het huidige oppervlaktewatersysteem en de waterberging. Als gevolg van de aanpassingen aan de weg worden een aantal watergangen gedempt. Dit vermindert de waterafvoer en vergroot de kans op wateroverlast. Daarnaast worden sommige watergangen doorsneden door de weg. Ook hierdoor wordt de waterafvoer gereduceerd. De klassengrenzen voor de effecten op afvoer en doorsnijding van het watersysteem zijn weergegeven in tabel 3.2. Om dit te beoordelen wordt het ontwerp over een kaart gelegd met watergangen. Hiermee worden dempingen en doorsnijdingen in beeld gebracht. Voor waterberging wordt gekeken naar de toename van het verharde oppervlak. Een toename leidt tot minder berging van water in onverhard gebied en daarmee tot een snellere afvoer van water. Dit vergroot de kans op wateroverlast. Daarnaast is er sprake van een vermindering van de hoeveelheid infiltrerend regenwater en daarmee een kleinere grondwateraanvulling. Deze reductie in grondwateraanvulling veroorzaakt een kleinere grondwaterberging. Het oppervlakte verharding is een maat voor de classificering van deze effecten op de waterberging (tabel 3.2). Om dit te beoordelen wordt het oppervlak verharding binnen het plangebied in de huidige en toekomstige situatie naast elkaar gelegd.
De beoordeling voor de beïnvloeding van de waterhuishouding is gebaseerd op verschillende aspecten van de waterhuishuiding. Het eindoordeel is dan ook een weergave van het effect op de totale waterhuishouding 7.1.2 Wijze van beoordeling Voor het criterium Aanpassing waterhuishouding wordt het onderzoek uitgevoerd met de volgende beoordelingsschaal: Tabel 7.2 Toelichting waardering effecten Aanpassing waterhuishouding Beïnvloeding waterhuishouding Waardering
Toelichting
++
Niet van toepassing
+
Niet van toepassing
0
Nieuwe N233 raakt geen watergangen en toename verharding is niet aan de orde
-
N233 raakt lokale watergangen en leidt tot beperkte toename verharding
--
N233 raakt hoofdwatergangen en leidt tot grote toename verharding
47/73
Kenmerk
7.2
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Criterium Beïnvloeding oppervlaktewaterkwaliteit
7.2.1 Te verwachten effect en methode van onderzoek De oppervlaktewaterkwaliteit van watergangen rond de weg wordt door verontreinigende stoffen negatief beïnvloed. De oorzaak omvat onder andere het regenwater dat op wegen valt en verontreinigd raakt met olie, rubber (PAK), zware metalen en vetresten. Daarnaast komt verontreinigd water door verwaaiing van opspattend regenwater in bermen en aanliggende watergangen terecht. De beoordeling vindt kwalitatief plaats, op basis van expert judgement. De klassengrenzen voor oppervlaktewaterkwaliteit zijn weergegeven in tabel 3.3. 7.2.2
Wijze van beoordeling
Voor het criterium Beïnvloeding oppervlaktewaterkwaliteit wordt het onderzoek uitgevoerd met de volgende beoordelingsschaal: Tabel 7.3 Toelichting waardering effecten Beïnvloeding oppervlaktewaterkwaliteit Beïnvloeding oppervlaktewaterkwaliteit Waardering
Toelichting
++
Niet van toepassing
+
Niet van toepassing
0
Er treedt geen verandering op in de beïnvloeding van de oppervlaktewaterkwaliteit
7.3
-
Er treedt een lichte verslechtering op van de oppervlaktewaterkwaliteit
--
Er treedt een verslechtering op de van oppervlaktewaterkwaliteit
Criterium Beïnvloeding grondwaterkwaliteit
7.3.1 Te verwachten effect en methode van onderzoek Het plan wordt beoordeeld op een mogelijke verslechtering van de grondwaterkwaliteit. Dit kan ontstaan doordat bij lozing en afstromend wegwater verontreinigingen via de bodem in het grondwater terecht kunnen komen, en er kan sprake zijn van verwaaiing. Dit wordt beide gezien als negatieve beïnvloeding. Daarnaast kan een incident leiden tot verontreiniging van de bodem, met als gevolg dat het een bedreiging vormt voor de grondwaterkwaliteit. De beoordeling vindt kwalitatief plaats, op basis van expert judgement. De klassengrenzen voor grondwaterkwaliteit zijn weergegeven in tabel 7.4. 7.3.2 Wijze van beoordeling Voor het criterium Beïnvloeding grondwaterkwaliteit wordt het onderzoek uitgevoerd met de volgende beoordelingsschaal:
48/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Tabel 7.4 Toelichting waardering effecten Beïnvloeding grondwaterkwaliteit Beïnvloeding grondwaterkwaliteit Waardering
Toelichting
++
Niet van toepassing
+
Niet van toepassing
0
De grondwaterkwaliteit wordt niet beïnvloed
-
De grondwaterkwaliteit verslechtert in beperkte mate maar die leidt niet tot
--
De grondwaterkwaliteit verslechtert lokaal en leidt mogelijk lokaal tot
problemen problemen
7.4
Criterium Beïnvloeding grondwaterstand door bemalingen in de aanlegfase
7.4.1 Te verwachten effect en methode van onderzoek Bemalingen zijn nodig bij de aanleg van ondergrondse constructies. Bij een bemaling wordt grondwater onttrokken. Dit kan (lokaal) voor grondwaterstandsdalingen zorgen. Binnen het project van de verbreding van de Rijnbrug zijn geen ondergrondse constructies. Alles wordt op of boven maaiveld aangelegd. Daarmee worden er geen effecten van bemalingen verwacht. De klassengrenzen voor grondwaterkwaliteit zijn weergegeven in tabel 7.4. 7.4.2
Wijze van beoordeling
Voor het criterium Beïnvloeding grondwaterstand wordt het onderzoek uitgevoerd met de volgende beoordelingsschaal: Tabel 7.5 Toelichting waardering effecten Beïnvloeding grondwaterstand Beïnvloeding grondwaterstand
7.5
Waardering
Toelichting
++
Niet van toepassing
+
Niet van toepassing
0
Geen effecten nop de grondwaterstand
-
Grondwaterstandsdaling tot 10 cm
--
Grondwaterstandsdaling van meer dan 10 cm
Criterium Effecten waterveiligheid
7.5.1 Te verwachten effect en methode van onderzoek De N233 kruist bij de Rijnbrug de waterkering aan de zuidzijde van de Neder-Rijn. De waterkering ligt in het grondlichaam van de brug. Wanneer het grondlichaam groter wordt, is dit positief voor de waterkering. Wanneer het grondlichaam kleiner wordt, is dit negatief voor de waterkering en levert dit mogelijk problemen voor de waterveiligheid. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar de huidige waterkering, maar ook naar de toekomstvastheid van de waterkering. Hiervoor hanteren de waterschappen het concept van profiel van vrije ruimte.
49/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Rond de kering ligt een profiel van vrije ruimte. Deze ruimte dient vrij gehouden te worden voor constructies omdat deze ruimte mogelijk nodig is voor toekomstige dijkversterkingen. Dit is in feite een ruimtereservering voor een toekomstige (versterkte) waterkering. 7.5.2 Wijze van beoordeling Voor het criterium Effecten waterveiligheid wordt het onderzoek uitgevoerd met de volgende beoordelingsschaal: Tabel 7.6 Toelichting waardering effecten waterveiligheid Effecten waterveiligheid
7.6
Waardering
Toelichting
++
De waterveiligheid wordt sterk verbetert
+
De waterveiligheid wordt in beperkte mate verbetert
0
Er zijn geen effecten op de waterveiligheid
-
De waterveiligheid wordt in beperkte mate verslechterd
--
De waterveiligheid wordt sterk verslechterd
Criterium Rivierkundige effecten
7.6.1 Te verwachten effect en methode van onderzoek Er treden rivierkundige effecten op wanneer er werkzaamheden worden uitgevoerd in de uiterwaarden. Veranderingen in de uiterwaarden of het stroombed van de rivier kunnen leiden tot extra opstuwing en/of erosie. De Rijnbrug over de Neder-Rijn betreft geen werkzaamheden in de uiterwaarden of het stroombed. De huidige pijlers blijven staan, en daar bovenop komen de nieuwe brugdelen. Doordat er geen werkzaamheden in de uiterwaarden plaatsvinden, is het criterium van rivierkundige effecten niet aan de orde. 7.6.2 Wijze van beoordeling Het criterium Rivierkunde wordt niet verder meegenomen in deze effectstudie.
50/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
8 Referentiesituatie Dit hoofdstuk beschrijft de referentiesituatie ten aanzien van water voor het MER. Om de effecten op het thema water te beoordelen, zijn de verschillende alternatieven voor de uitbreiding van brug bij Rhenen vergeleken met de referentiesituatie. De referentiesituatie is de situatie in het plan- en studiegebied die in 2030 ontstaat als wordt verondersteld dat andere projecten in het gebied, waarover al een besluit is genomen, zijn uitgevoerd. De referentiesituatie is de situatie zonder de uitbreiding van de brug bij Rhenen. De referentiesituatie is per beoordelingscriterium beschreven.
8.1
Criterium Oppervlaktewatersysteem
Het oppervlaktewatersysteem in het gebied van de verbreding van de Rijnbrug en de bijbehorende verbreding van de N233 tussen Rhenen en Kesteren bestaat uit 2 delen die doorsneden worden door de Neder-Rijn. Ten noorden van de Neder-Rijn ligt het beheergebied van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR). In en nabij het plangebied is hier geen oppervlaktewater aanwezig. Ten zuiden van de Neder-Rijn ligt het beheergebied van Waterschap Rivierenland. Hier is wel oppervlaktewater aanwezig in en rondom het plangebied. Het oppervlaktewater wordt in zuidwestelijke richting afgevoerd door enkele grotere watergangen. Deze voeren af naar de Oude Rijn. De Oude Rijn stroomt ten zuiden van het plangebied en kruist de N233 ter hoogte van Kesteren, bij de aansluiting met de N320. De Oude Rijn voert in westelijke richting af. In het plangebied ligt één kruising van een watergang met de N233; de Leigraaf kruist hier onder de N233 door. Ten noorden hiervan zijn bermsloten langs de N233 aanwezig. Ten zuiden van de Leigraaf zijn ook watergangen langs de N233 aanwezig. Aan de westzijde is dit een hoofdwatergang. Het plangebied ligt in twee peilgebieden. Het oostelijke en zuidelijke deel valt binnen het peilgebied NDB085. Hier geldt een winterpeil van +6,05 m NAP en een zomerpeil van +6,25 m NAP.
Het noordelijke deel ten westen van de N233 valt binnen peilgebied NDB089 met een winterpeil van +5,6 m NAP en een zomerpeil van +5,8 m NAP. In figuur 8.1 is het watersysteem weergegeven met watergangen en kunstwerken.
51/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Figuur 8.1 Watersysteem langs N233 tussen Rijnbrug en Kesteren (waterschap Rivierenland).
De Rijnbrug is de brug over de Neder-Rijn. De Neder-Rijn is in beheer bij Rijkswaterstaat. De Neder-Rijn is een tak van de Rijn en ligt tussen Angeren en Wijk bij Duurstede. De Neder-Rijn heeft een uiterwaardengebied als overloopgebied bij hoge afvoeren. Aan de zuidzijde is een waterkering aanwezig (zie paragraaf 8.5). Aan de noordzijde is geen waterkering aanwezig. De natuurlijk aanwezige hoge ligging van het maaiveld heeft hier een waterkerende functie. Langs de Neder-Rijn is een zone als overstroombaar gebied aangewezen.
52/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Figuur 8.2 Overstroombaar gebied langs de Neder-Rijn, zoals vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening van Provincie Utrecht
8.2
Criterium Oppervlaktewaterkwaliteit
Het belangrijkste beleidsdossier voor oppervlaktewaterkwaliteit is de KRW. In de KRW is een groot deel van het oppervlaktewater aangewezen als waterlichaam. Een waterlichaam is een ‘onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een overgangswater of een strook kustwater’. In en nabij het plangebied zijn twee KRW-waterlichamen aanwezig: de Nederrijn/Lek en de Oude Rijn (zie figuur 8.3).
53/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Figuur 8.3 KRW-waterlichamen in en nabij het plangebied
De Oude Rijn ligt ten zuiden van het plangebied. Het doorkruist het knooppunt bij Kesteren. Het is een stilstaand tot langzaamstromend kanaal, met een natuurvriendelijke inrichting. Het waterlichaam wordt gevoed door inlaatwater uit de Rijn, kwelwater (uit rivier en Utrechtse heuvelrug) en overtollig neerslagwater. De stromingsrichting staat niet vast en kan gedurende het jaar veranderen. De algehele ecologische toestand is beoordeeld als ontoereikend. Dit komt doordat het kwaliteitselement ‘overige waterflora’ als ontoereikend is beoordeeld. De prognose voor 2027 is positief en stelt een goede algehele ecologische toestand. De algehele chemische toestand voldoet niet aan de normen, vanwege de ubiquitaire stoffen. Dat zijn stoffen die niet meer geloosd worden, maar die door nalevering uit bijvoorbeeld het sediment nog lange tijd in het water kunnen worden aangetroffen. De prognose voor 2027 is dat de algehele chemische toestand nog niet voldoet aan de normen. Dit geldt in het bijzonder voor de stoffen kwik en tributyltin. De Nederrijn/Lek wordt overbrugd door de Rijnbrug. Het is een langzaamstromende rivier met een sterk veranderend karakter door regulering van de waterbeweging. De rivier heeft aangetakte en geïsoleerde uiterwaarden. De bodem van de rivier bestaat uit grind en kleibanken.
De regulering van de waterbeweging zorgt ervoor dat er een onnatuurlijk waterpeil wordt gecreëerd wat het leefgebied van de flora en fauna beïnvloed. Dit is terug te zien in de biologische toestand van de Nederrijn/Lek. De biologische toestand is (2018-2021) ontoereikend tot matig, maar het toekomstbeeld voor 2027 is goed. De prognose voor de algehele ecologische toestand in 2027 is gesteld op matig, vanwege de specifiek verontreinigde stoffen die niet voldoen
54/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
aan de normen. De algehele chemische toestand voldoet niet aan de normen en volgens de prognose voor 2027 vindt er geen vooruitgang plaats.
8.3
Criterium Grondwaterkwaliteit
Het plangebied behoort tot grondwaterlichaam (GWL) Zand Rijn-West en Deklaag Rijn-West. GWL Zand Rijn-West is een zandig infiltratiegebied, gevoed door neerslag. Het zoete grondwater kan tot grote diepte reiken (op plaatsen meer dan 200 m). Dit GWL is een belangrijk infiltratiegebied dat voor een groot deel ook het GWL Deklaag Rijn-West voedt. In het GWL Deklaag Rijn-West treedt overwegend kwel op in diepe polders en in drainerende waterlopen langs de stuwwallen.
Figuur 8.4 Grondwaterlichaam plangebied Rijnbrug
In de grondwaterlichamen zijn grondwatermonsters genomen. Deze monsters zijn getoetst aan de Europese milieukwaliteitseisen voor water voor verontreinigende stoffen (drempelwaarden). Het percentage van de monsters dat de normen overschrijdt is weergegeven in tabel 8.1 om inzicht te verkrijgen in de grondwaterkwaliteit. Rheden behoort tot het grondwaterlichaam Zand Rijn-West. Dit is relatief schoon water. Het diepe grondwater komt van de stuwwallen en heeft een lange verblijftijd in de ondergrond. Ten zuiden van de Rijnbrug ligt het grondwaterlichaam Deklaag RijnWest. Hier zijn de nitraatwaarden lager, maar is meer fosfaat en chloride aanwezig.
55/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Tabel 8.1 Percentage drempelwaarde overschrijdingen van KRW meetfilters per stof per grondwaterlichaam. Blauw gekleurde getallen >1,5x gemiddelde concentraties op alle dieptes GWL
NAAM GWL
n
CI
Ptot
As
Ni
Cd
Pb
NO3
NLGW0005
Zand Rijn-West
22
0%
0%
0%
9%
14%
0.0%
14%
NLGW0012
Deklaag Rijn-West
49
12%
10%
16%
0%
0%
0.0%
0%
Figuur 8.5 Infiltratiegebied Utrechtse Heuvelrug
8.4
Criterium Grondwaterstanden en – stroming
De bodem bestaat voornamelijk uit zand. Aan de Noordkant van de Rijnbrug Rhenen is aan het oppervlak een laag gestuwde afzetting aanwezig; de teen van de Utrechtse Heuvelrug. De gestuwde zetting neemt in de breedte toe (richting Grebbeberg). Ten zuiden van de Rijnbrug Rhenen is aan het oppervlak een zandlaag (formatie van Kreftenheye) aanwezig. Ter hoogte van het viaduct (Marsdijk), in de richting van de kruising met de N320, komt er een holocene afzetting aan het oppervlak. In de ondergrond zijn twee scheidende lagen aanwezig (formatie van Waalre en formatie van Maassluis). Figuur 8.6 geeft de bodemopbouw in het plangebied.
56/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Figuur 8.6 Bodemopbouw plangebied Rijnbrug Rhenen
Figuur 8.7 geeft de isohypsen in het gebied rond de Rijnbrug. Hierin is te zien dat het grondwater in zuidelijke richting stroomt. Vanuit de noordkant bekeken heeft de rivier een drainerende werking. Voor de zuidzijde heeft de rivier een infiltrerende werking. Dit heeft te maken met het maaiveldverloop en de grondwaterstanden. Aan de noordzijde van de Rijnbrug ligt het maaiveld hoog, en het grondwater ligt diep onder het maaiveld. Er is sprake van wegzijging.
57/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Figuur 8.7 Isohypsen plangebied Rijnbrug Rhenen 1e WVP (grondwatertools.nl)
8.5
Criterium Waterveiligheid
Waterkeringen beschermen tegen overstromingen. De waterveiligheid wordt vooral bepaald door de kwaliteit en betrouwbaarheid van de waterkeringen. De Rijnbrug gaat over de waterkering aan de zuidzijde van de Neder-Rijn. Deze waterkering is planologisch vastgelegd als een waterstaatswerk (de kering zelf) en beschermingszones. Binnen deze zones zijn toekomstige ontwikkelingen aan voorwaarden verbonden om de waterveiligheid te kunnen handhaven. De zoneringen zijn weergegeven in figuur 8.8. Aan de noordzijde van de Neder-Rijn is geen waterkering aanwezig. Hier is sprake van een natuurlijke verhoging in het landschap en daarmee een natuurlijke barrière tegen overstromingen.
58/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Figuur 8.8 Waterkering Lekdijk met zonering aan de zuidzijde van de Rijnbrug
De waterkering is niet alleen een kaart maar er hoort ook een dwarsprofiel bij welke is vastgelegd in de legger van Waterschap Rivierenland. Hierin is vastlegt welke ruimtelijk profiel de waterkering (minimaal) moet hebben. De waterkering heeft, zoals deze is vastgelegd in de legger ter hoogte van de Rijnbrug, een hoogte van circa +11,29 m NAP (zie figuur 8.9).
Figuur 8.9 Uitsnede van het dwarsprofiel van de legger waterkeringen. Doorsnede is direct ten westen van de Rijnbrug (dwarsprofiel RB080+050 m)
59/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
9 Effectbeoordeling In dit hoofdstuk worden de milieueffecten van de verschillende varianten voor de relevante beoordelingscriteria voor het thema Water gepresenteerd. Tabel 9.1 Overzichtstabel effectbeoordeling N233 Oppervlaktewatersysteem
--
Oppervlaktewaterkwaliteit
0
Grondwaterkwaliteit
0
Grondwaterstanden en - stroming
0
Waterveiligheid
0
9.1
Criterium Oppervlaktewatersysteem
Het oppervlaktewatersysteem kan op twee manieren beïnvloed worden door het project: waterstructuur en waterberging. Beide aspecten worden hieronder besproken. Waterstructuur Aan de noordzijde van de Rijnbrug is in de huidige situatie geen oppervlaktewater aanwezig. Daar is dan ook geen sprake van beïnvloeding van de waterstructuur. De Rijnbrug over de Neder-Rijn heeft geen invloed op het watersysteem omdat de huidige pijlers gehandhaafd blijven. Alleen de bovenbouw van de brug en het wegdek worden aangepast. Ten zuiden van de Rijnbrug worden wel bestaande watergangen geraakt. Ten zuiden van de kruising met de Hogeweg wordt een watergang aan de oostzijde van de N233 geraakt. Door de verbreding van de weg komt deze watergang nu onder de berm terecht. In het ontwerp wordt deze watergang in oostelijke richting verlegd. Daarmee wordt de waterstructuur opgeschoven en de waterverbinding hersteld. Ten zuiden van de kruising met de Leigraaf is zowel aan de westzijde als aan de oostzijde van de N233 sprake van een watergang die onder dor het nieuwe ontwerp komt te vervallen en verder naar buiten toe (verder van de weg af) verlegd wordt. Dit is zichtbaar in figuur 9.1. Duikerverbindingen in deze verlegde watergangen dienen herstelt te worden. In de praktijk betekent dit dat er nieuwe duikers gelegd moeten worden.
60/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Figuur 9.1 Uitsnede van zuidelijk deel van het plangebied met het huidige watersysteem (legger Waterschap Rivierenland)
Bij de kruising van de Leigraaf met de N233 gaat het water met een duiker onder de N233 door. Door het verbreden van de weg wordt het grondlichaam waar de weg op ligt breder. Dit leidt ertoe dat de duiker verlengd moet worden om in de nieuwe situatie de Leigraaf onder de N233 te kunnen verbinden. Waterberging Het plan omvat een toename aan verharding. Dit is een negatief effect op het criterium oppervlaktewatersysteem. Het watersysteem functioneert op basis van verschillende peilgebieden. Per peilgebied is gekeken naar de toename verharding. In het plangebied is niet overal sprake van peilgebieden. Voor het bepalen van de waterberging is het gebied verdeeld in 4 gebieden (van noord naar zuid; zie figuur 9.2): • HDSR Het noordelijke deel ten noorden van de Rijnbrug. Dit valt binnen het beheergebied van •
HDSR. Rijnbrug De Rijnbrug zelf. Hier wordt het hemelwater opgevangen en wordt het afgevoerd naar de uiterwaarden. Dit is hemelwater wat anders ook op de rivier of in de uiterwaarden terecht
61/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
gekomen zou zijn. De toename verharding leidt hier niet tot versnelde afvoer. Dit gebied is
•
dan ook niet meegenomen bij het bepalen van de wateropgave. Er is wel inzichtelijk gemaakt hoe groot de toename verharding is. 89
•
Dit is peilgebied NDB089. Dit is een peilgebied binnen het beheergebied van Waterschap Rivierenland. 85 Dit is peilgebied NDB085. Dit is een peilgebied binnen het beheergebied van Waterschap Rivierenland.
Figuur 9.2 (Peil)gebieden in plangebied Rijnbrug
Onderstaande tabel (tabel 9.2) geeft een overzicht van de wateropgave van het plan. De wateropgave bestaat uit twee componenten: • Bestaand water moet voor 100 % terug komen in het plan •
Toename verharding moet gecompenseerd worden. Hiervoor moet binnen het beheergebied van Waterschap Rivierenland 436 m3 water worden aangelegd per hectare toename verharding. In het watersysteem mag een peilstijging van 30 cm voorkomen. Dit betekent dat voor een volume van 436 m3 water een wateroppervlak van 1.453 m2 nodig is. Daarnaast
62/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
moet er rekening worden gehouden met het feit dat er ruimte nodig is om wateren te kunnen onderhouden. Voor het deel van het plangebied binnen het beheergebied van HDSR geldt dat toename verharding moet worden gecompenseerd met 15 % open water of een voorziening voor 45 mm. Aangezien binnen het plangebied geen open water aanwezig is binnen het beheergebied van HDSR, is het niet mogelijk hier de wateropgave in open water te realiseren. Het kan nergens op een watersysteem aangesloten worden. Het alternatief is het realiseren van een bergingsvoorziening. Deze dient een bergingsvolume te hebben van: oppervlak toename verharding * 45 mm. Om de wateropgave te bepalen is per peilgebied in beeld gebracht: (1) Hoeveel water er nu in het plan aanwezig is (2) Hoeveel toename verharding er is (verschil huidige en toekomstige situatie) (3) Op basis daarvan is bepaald wat de wateropgave ten gevolge van de toename verharding is: Voor Waterschap Rivierenland: 1.453 m2 water per ha toename verharding Voor HDSR 15 % open water voor oppervlak toename verharding, of een voorziening voor 45 mm
-
(4) De totale wateropgave in het ontwerp: huidig water (1) + wateropgave toename verharding (3). Het oppervlak water geeft dus niet alleen het nieuw te realiseren water, maar het totale benodigde wateroppervlak in het gebied Tabel 9.2 Overzicht van de benodigde waterberging (wateropgave). Peilgebied
Huidig water (m2)
Toename
Wateropgave tgv
Totaal water
verharding (m2)
toename
benodigd (m2)
verharding (m2) HDSR
Rijnbrug
316
316
Of voorziening met
Of voorziening met
0
2.106
inhoud 95 m3
inhoud 95 m3
n.v.t.
7.402
n.v.t.
n.v.t.
89
0
198
29
29
85
5.259
7.679
1.116
6.375
17.385
1.460
6.720
TOTAAL
Effect op watersysteem Er zijn watergangen die worden geraakt door het plan en er is sprake van een toename verharding van ruim 17.000 m2. In de huidige situatie is er ruim 45.000 m2 verharding in het plangebied aanwezig. Een toename van 17.000 m2 is dan ook een aanzienlijke toename. Dit betekent in totaal dat het criterium oppervlaktewatersysteem als sterk negatief (- -) beoordeeld is. Mitigerende maatregelen Vanuit het beleid van voornamelijk het waterschap geleden eisen voor het hertellen van het watersysteem. Wanneer watergangen geraakt worden door het plan, moeten deze worden
63/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
hersteld. Dit kan bijvoorbeeld door de watergang te verplaatsen zodat deze niet meer geraakt wordt. Daarnaast geleden ook eisen voor het aanleggen van extra open water of waterberging bij het realiseren van een toename aan verhard oppervlak. Hiermee wordt het negatieve effect op waterberging gemitigeerd. Door de beleidsuitgangspunten zal het beoordelingscriterium oppervlaktewatersysteem uiteindelijk als neutraal (0) beoordeeld worden. Tabel 9.3 Overzichtstabel effectbeoordeling, inclusief mitigatie N233 Oppervlaktewatersysteem
9.2
0
Criterium Oppervlaktewaterkwaliteit
Regenwater dat op wegen valt, raakt verontreinigd met olie, rubber (PAK), vetresten en ander grof en fijn stof door wegdek-, banden- en andere soorten slijtage. Dit water stroomt naar de berm af en daarnaast vindt verwaaiing van opspattend regenwater plaats naar aanliggende watergangen. Als het verontreinigde water direct in een watergang terecht komt, wordt de waterkwaliteit van het aanliggende oppervlaktewatersysteem negatief beïnvloed. Als voorkeursopbouw (kader afstromend wegwater) zal gebruik gemaakt worden van berminfiltratie, waarbij regenwater afstroomt in de berm en ter plaatse het verontreinigd regenwater infiltreert in de bodem. Hierbij is een verkanting van de weg naar de buitenberm vereist. Er wordt rekening gehouden met een berm van 5 m om voldoende bergend en zuiverend vermogen te hebben en verwaaiing naar het oppervlaktewater te minimaliseren. Daarnaast ontstaat hierdoor ruimte voor een onderhoudspad langs de watergang. Binnen het plangebied ligt het oppervlaktewater altijd meer dan 5 m vanuit de N233, ook bij de op- en afritten. Op de locaties waar sprake is van een verbreding van de weg kan sprake zijn van een negatief effect wanneer het wegwater direct in het oppervlaktewater terecht komt. Dit kan voorkomen worden door directe lozing van regenwater op het oppervlaktewater te voorkomen door gebruik te maken van berminfiltratie.
Het wegwater van de Rijnbrug wordt opgevangen met een buizenstelsel en afgevoerd naar de uiterwaarden. Hier infiltreert het in de ondergrond. Met het nieuwe brugdek zal ook het buizenstelsel vervangen moeten worden zodat dit past bij de nieuwe situatie. Het principe van afvoer naar de uiterwaarden blijft gelijk aan de huidige situatie. Concluderend, de oppervlaktewaterkwaliteit wordt niet beïnvloed door het project. Er vinden geen duidelijke wijzigingen plaats in de belasting van het oppervlaktewatersysteem. Er is daarnaast ook geen KRW-waterlichaam wat beïnvloed wordt door het project. Dit betekent dat het criterium oppervlaktewaterkwaliteit als neutraal (0) beoordeeld is. Mitigerende maatregelen Het criterium oppervlaktewaterkwaliteit is als neutraal beoordeeld. Er zijn geen mitigerende maatregelen nodig.
64/73
Kenmerk
9.3
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Criterium Grondwaterkwaliteit
Bij lozing van afstromend wegwater in de bodem kunnen verontreinigingen in het grondwater terecht komen, en er kan sprake zijn van verwaaiing. Dit wordt beide gezien als negatieve beïnvloeding. Daarnaast kan een incident leiden tot verontreiniging van de bodem. Verzinkt wegmeubilair kan leiden tot puntverontreiniging in de bodem. Op dit moment is er echter ook meubilair, waardoor de verbreding van de weg niet leidt tot extra verontreiniging door verzinkt wegmeubilair. Het van de weg afstromende regenwater en de in de nabijheid van de weg neervallende waterdruppels als gevolg van verwaaiing komen op de bodem terecht en infiltreren in de bodem. De bodem heeft hier een zuiverende werking voordat het bij het grondwater komt. Onderzoek van Rijkswaterstaat heeft aangetoond dat de bodem langs de weg de verontreinigingen opvangt. Daar worden met name in de bovenste laag en direct langs de weg parameters boven de streefwaarde of interventiewaarde voorkomen. Uit metingen van de grondwaterkwaliteit blijkt dat op de onderzochte locaties nergens streefwaarden worden overschreden (CIW, 20021). De verkeersintensiteit neemt toen, maar uit onderzoek blijft dat de verkeersintensiteit weinig invloed heeft op de verontreiniging (CIW, 2002 5 en Van Duijnhoven et al., 2013 6). Dit leidt dus niet tot een verslechtering van de grondwaterkwaliteit.
Er is een convenant ‘Geactualiseerde leidraad afkoppelen Utrechtse heuvelrug 7‘. Dit is van toepassing op het gebied ten noorden van de Rijnbrug. Gezien de kwetsbaarheid van de grondwatervoorraad in de Utrechtse Heuvelrug, vraagt het gebied om locatiespecifiek beleid voor infiltratie. De convenant geeft hier invulling aan en is een samenwerking tussen provincie, Vitens, waterschappen en gemeenten. Hieruit blijkt dat op de Utrechtse Heuvelrug goede kansen zijn voor infiltratie, maar met name voor bestrijdingsmiddelen en strooizout is er een reële kans op verontreiniging van het grondwatersysteem. De gemeenten zijn veelal overgestapt op een nat strooiregime, dit vermindert de kans op uitspoelen van het strooizout naar het grondwater. Tevens geven de gemeenten aan geen gebruik te maken van chemische bestrijdingsmiddelen. De partijen hebben aan beslisschema vastgesteld om te bepalen of infiltratie wenselijk is of dat het een risico vormt. Dit is bepaald op basis van het type oppervlak (kans) en de gevolgen voor het grondwater (gevolg). Een provinciale weg valt in de categorie ‘beperkt verontreinigd’ en het projectgebied valt buiten een grondwaterbeschermingsgebied. Daarmee valt het conform de leidraad voor afkoppelen op de Utrechtse Heuvelrug in de categorie ‘ja, afkoppelen’. Dit betekent dat er geen risico’s worden voorzien.
Algemeen kan gesteld worden dat er geen sprake is van verslechtering van de grondwaterkwaliteit. Weliswaar zal er bij verbreding meer regenwater afstromen, maar door
CIW, 2002, Afstromend Wegwater, Commissie Integraal Waterbeheer Van Duijnhoven, N., Klein, J., Den Hamer, D., 2013, Update verontreinigingsbeeld afstromend wegwater, Deltaresrapport 1208038-000-ZWS-0003 7 Wareco, 2015, Geactualiseerde leidraad afkoppelen Utrechtse Heuvelrug. 5 6
65/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
berminfiltratie wordt regenwater gecontroleerd geïnfiltreerd en worden verontreinigingen in de bovenlaag van de berm vastgelegd. Concluderend, de grondwaterkwaliteit wordt niet beïnvloed door het project. De bodem vangt de eventuele verontreinigingen af voordat dit bij het grondwater komt. Dit betekent dat het criterium grondwaterkwaliteit als neutraal (0) beoordeeld is. Mitigerende maatregelen Het criterium grondwaterkwaliteit is als neutraal beoordeeld. Er zijn geen mitigerende maatregelen nodig.
9.4
Criterium Grondwaterstanden en -stroming
Bij de verbreding van de Rijnburg en de N233 tussen Rhenen en Kesteren is geen sprake van werkzaamheden in de ondergrond. De huidige situatie op maaiveld wordt aangepast en de weg wordt verbreed. Dit leidt niet tot effecten op de grondwaterstanden en de stroming van het grondwater. Ten zuiden van de Rijnbrug ligt de N233 verhoogd in het landschap. Het grondlichaam waarop de weg ligt wordt verbreed om ruimte te bieden aan de verbrede N233. Deze verbreding van het huidige grondlichaam heeft geen invloed op de grondwaterstanden of de stroming van het grondwater. Concluderend, de grondwaterstanden en -stroming wordt niet beïnvloed door het project. Er vinden geen wijzigingen plaats die de grondwaterstanden en – stroming beïnvloeden. Dit betekent dat het criterium grondwaterstanden en -stroming als neutraal (0) beoordeeld is. Mitigerende maatregelen Het criterium grondwaterstanden en -stroming is als neutraal beoordeeld. Er zijn geen mitigerende maatregelen nodig.
9.5
Criterium Waterveiligheid
De N233 kruist de waterkering. De waterkering heeft hier een hoogte van +11,29 m NAP (conform de legger). De weg kruist de kering op een hoogte van bijna 18 m. Dit betekent dat de weg hoog over de waterkering gaat. Er vinden geen werkzaamheden plaats in de waterkering. Het belang van de waterveiligheid is hiermee niet in het geding. Concluderend, de waterveiligheid wordt niet beïnvloed door het project. Er vinden geen wijzigingen plaats die de waterveiligheid beïnvloeden. Dit betekent dat het criterium waterveiligheid als neutraal (0) beoordeeld is. Mitigerende maatregelen Het criterium waterveiligheid is als neutraal beoordeeld. Er zijn geen mitigerende maatregelen nodig.
66/73
Kenmerk
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
10 Uitwerking mitigerende maatregelen Uit de effectbeoordeling blijkt dat er voor het criterium oppervlaktewatersysteem mitigerende maatregelen nodig zijn. Het gaat hierbij om het herstellen van het watersysteem wanneer watergangen geraakt worden door het plan en om het compenseren van toename verharding. In dit hoofdstuk wordt erop ingegaan hoe deze maatregelen in het plan opgenomen zijn. Het plangebied valt binnen het beheersgebied van twee waterschappen. Deze twee gebieden worden separaat besproken.
10.1
Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR)
Binnen het beheersgebied van HDSR worden geen bestaande watergangen geraakt door het plan. Er is dan ook geen noodzaak tot het herstellen van het watersysteem. In het gebied is sprake van een toename verharding en dit leidt tot een wateropgave. De wateropgave binnen het gebied van HDSR is 95 m3 (zie paragraaf 9.1). De benodigde waterberging van 95 m3 kan gezocht worden in wadi’s of greppels. Als daar de ruimte niet voor is kan gedacht worden aan een infiltratieriool of -kratten. Dergelijke zaken kunnen onder de verhardingen van bijvoorbeeld het fietspad worden aangebracht. Ook kan gedacht worden aan het (gecontroleerd) infiltreren van het water in de bermen. Nog beter zou zijn om de afwatering vanaf het wegdek in de berm te doen lopen zodat het kan infiltreren. Binnen het ontwerp kan hier rekening mee worden gehouden bijvoorbeeld door openingen in bandenlijnen. De uitwerking van de infiltratie binnen het plangebied wordt in een volgende fase uitwerkt wanneer het ontwerp in meer detail ingevuld wordt.
10.2
Waterschap Rivierenland
Binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland worden door het verbreden van het wegprofiel watergangen langs de N233 geraakt. Deze zijn in het ontwerp naar buiten toe opgeschoven. Daarnaast is watercompensatie opgenomen in het ontwerp. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten aangehouden: • Te dempen watergangen zijn 1 op 1 gecompenseerd, in m2 op zomerpeil • Toename verharding moet gecompenseerd worden. Hiervoor is binnen het peilgebied 436 m3 water opgenomen per 10.000 m2 toename verharding. In het watersysteem mag een peilstijging van 0,30 m t.o.v. zomerpeil voorkomen. Dit betekent dat voor een watervolume van 436 m3 een wateroppervlak van 1.453 m2 nodig is
•
A-watergangen hebben een talud van minimaal 1:2, een bodembreedte van minimaal 0,50 m en een bodemdiepte van minimaal 0,50 m onder zomerpeil B-watergangen hebben een talud van minimaal 1:2, een bodembreedte van minimaal 0,70 m
•
en een bodemdiepte van minimaal 1,00 m onder zomerpeil. Watergangen maken onderdeel uit van watersysteem en wateren af in A watergang C-watergangen hebben een talud van minimaal 1:2, een bodembreedte van minimaal 0,50 m
•
en een bodemdiepte van minimaal 0,50 m onder zomerpeil. Watergang hoeft geen onderdeel uit te maken van watersysteem (zaksloot)
67/73
Kenmerk
•
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Compensatie vindt bij voorkeur plaats in A en / of B watergangen. Compensatie in C watergang mag mits deze in volledig eigendom is van de provincie Gelderland
In paragraaf 8.1 staat uitgewerkt hoe groot de wateropgave is. Voor het gebied van Waterschap Rivierenland gaat het om een opgave van 1.145 m2 water ten gevolge van de toename verharding. Daarnaast wordt er 910 m2 water gedempt. Voor de watertoets is in tabel 10.1 een vergelijking van oppervlakken gemaakt om aan te tonen dat er geen afname van de waterberging ontstaat. Er is een opgave voor 2.055 m2 nieuw wateroppervlak in het ontwerp. Binnen het ontwerp is 3.783 m2 nieuw wateroppervlak opgenomen. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de compensatieopgave. In bijlage 3 is een kaart opgenomen van het watersysteem. Hierop is aangegeven welke watergangen gedempt worden en waar nieuwe watergangen komen te liggen. Tabel 10.1 Overzicht van de watercompensatie. Oppervlak op zomerpeil (+6,25 m NAP) Te dempen watergangen
910 m2
Compensatie t.b.v. toename verharding
1.145 m2
Benodigde watercompensatie - totaal
2.055 m2
Nieuwe watergangen A watergang
870 m2
B watergang
1.225 m2
C watergang
1.688 m2
Totaal
3.783 m2
68/73
Kenmerk
Bijlage 1
R007-1271416LVR-V04-kzo-NL
Notitie Grondwatermodellering
69/73
Notitie Contactpersoon
Pieter-Jan van der Sluis
Tweede lezer
Alex van der Tuin
Datum
30 juni 2020
Kenmerk
N002-1271416SPJ-V03-mdg-NL
Grondwater effecten verdiepte ligging N233 1 Inleiding Tauw heeft in opdracht van provincie Utrecht een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd naar de effecten op het grondwater in de omgeving van Veenendaal voor het conceptontwerp van het verdiept aanleggen van de N233 bij de kruising Prins Clauslaan. De provincie gaat de N233 verbreden en de kruising met de Prins Clauslaan wordt in de toekomstige situatie een ongelijkvloerse kruising voor het doorgaande verkeer. De N233 gaat dan onder de Prins Clauslaan door. In de huidige situatie is de kruising een rotonde. De situering van het kruispunt is opgenomen in figuur 1.1 (zie bijlage 1 voor het ontwerp) en een beeld van het kruispunt in figuur 1.2. In dit onderzoek worden de effecten van het conceptontwerp van de verdiepte ligging op het grondwater beschouwd en dient als input voor het opstellen van de MER. Met behulp van een grondwatermodel worden de huidige situatie, de nieuwe situatie (conceptontwerp) en de situatie ten tijde van aanleg bepaald.
Figuur 1.1 Situering tracé en locatie kruising met verdiepte ligging
Kenmerk
N002-1271416SPJ-V03-mdg-NL
Figuur 1.2 Tracé N233 met ongelijkvloerse kruising Prins Clauslaan (verdiepte ligging) en mogelijke aansluiting Groenpoort
De ondergrondse delen worden in een permanente grond- en waterkerende constructie aangelegd. Er is nog geen vastgesteld schetsontwerp en de diepte van de verdiepte ligging is daarmee nog niet helemaal zeker. Op basis van vergelijkbare onderdoorgangen wordt ingeschat dat het diepste punt op ongeveer 6 m -mv zal zijn. In deze notitie worden de effecten van de damwanden op de omgeving beschouwd. Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: • Bodemopbouw en geohydrologie • • •
Uitgangspunten berekeningen Beschouwing effecten Conclusies en aanbevelingen
2/15
Kenmerk
N002-1271416SPJ-V03-mdg-NL
Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de volgende bronnen: • Ontwerptekeningen verdiepte ligging N233 en fietstunnel (N233-17.001-VO-SIT_70KM_v0.2K01, N233-17.001-VO-SIT_70KM_v0.2-K02 en N233-17.001-VO-SIT_70KM_v0.2-K03), zie ook bijlage 1 Gegevens uit DINOloket en REGIS-II, v 2.2 (TNO, 2020)
•
2 Geohydrologische situatie De geohydrologische situatie is op basis van door provincie Utrecht aangeleverde informatie vastgesteld, aangevuld met extern geraadpleegde bronnen. De geohydrologische situatie geeft inzicht in de bodemopbouw en waterhuishouding, om op deze manier vast te kunnen stellen wat de effecten van de verdiepte ligging is. Tevens wordt op basis van het hoofdstuk bepaald welk onttrekkingsdebiet is te verwachten, indien het werk uitgevoerd gaat worden door middel van een open ontgraving en bemaling. Op basis hiervan zijn de parameters en de benodigde grondwaterstandsverlagingen bepaald waarmee in hoofdstuk 3 de effectenstudie naar de verdiepte ligging wordt uitgevoerd. Om de effecten te bepalen is gebruik gemaakt van een grondwatermodel (GMS Modflow, Aquaveo, 2020).
2.1
Bodemopbouw
In tabel 2.1 is de geohydrologische bodemopbouw ter plaatse van de bemalingslocatie schematisch weergegeven. Deze bodemopbouw is gebaseerd op gegevens afkomstig uit het landelijk geohydrologisch model REGIS-II van TNO en boringen en sonderingen uit het DINOloket van TNO (bijlage 2). Tabel 2.1 Schematisatie geohydrologische bodemopbouw Bovenkant
Onderkant
laag
laag
(m NAP)
(m NAP)
+6,5
+4,5**
+4,5
-1,4
Samenstelling
Veen*
Zand, fijn tot
Formatie
Geohydrologische
khorizontaal
kverticaal
eenheid
(m/dag)
(m/dag)
F. v
Scheidende
0,01
0,05
Echteld
laag/Deklaag**
F. v Boxtel
Eerste watervoerend
20
10
0,01
0,005
20
10
0,01
0,005
20
10
zeer grof, zwak
pakket
tot sterk grindig -1,4
-3,4
Veen
F. v Boxtel
Eerste scheidende laag
-3,4
-5,1
Zand, matig fijn
F. v Boxtel
Tweede
tot grof, zwak
en Eem
watervoerend pakket
F. v Eem
Tweede scheidende
siltig -5,1
-8,1
Klei
laag -8,1
-17
Zand, fijn tot
F. v Eem
Derde watervoerend
matig grof, zwak
en
pakket
siltig
Drenthe
3/15
Kenmerk
N002-1271416SPJ-V03-mdg-NL
Bovenkant
Onderkant
laag
laag
(m NAP)
(m NAP)
-17
-21
Samenstelling
Klei
Formatie
Geohydrologische
khorizontaal
kverticaal
eenheid
(m/dag)
(m/dag)
F. v
Derde scheidende
0,001
0,001
Drenthe
laag
20
10
75
50
-
-
(Uitdam) -21
-24
Zand, grof
-24
-68
Zand, grof
-68
-71
Klei