CConstaterende datVeendam
Koppel je AI →
Document · PDF

instemmingsbesluit-winningsplan-nedmag-2018-2023 geredigeerd

Gemeenteraad 24 april 2023, gemeente VeendamBij agendapunt: motie28.079 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

SodM beschrijft ten aanzien van de nieuwe putten dat de eerste fase van winning geschiedt in kleinere cavernes op grotere afstand van elkaar, die weliswaar leidt tot open ruimtes in de ondergrond, maar die in een tweede fase weer zo veel mogelijk dichtvloeien. Daarmee wordt het risico van onverwachte bodemdaling kleiner. Nedmag geeft aan dat herinjectie van pekel in het TR-cluster leidt tot een extra bodemdaling in het kerngebied van ongeveer 1 cm. De herinjectie van onverzadigde pekel in het TR-cluster tijdens de opstartfase van de cavernes VE-5, VE-6, VE-7 en VE-8 leidt tot een zeer kleine bijdrage aan de totale bodemdaling. De nieuwe activiteiten bij putten VE-5, VE-6, VE-7 en VE-8 bevinden zich op voldoende afstand van het centrum om nauwelijks bij te dragen aan de totale diepte van de bodemdalingskom. De effecten van deze winning bevinden zich op de flank van de kom en dragen bij aan verbreding van de kom in zuidwestelijke Pagina 20 van 57

Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Transitie Diepe Ondergrond

richting. Ten aanzien van de nieuwe cavernes bij VE-5, VE-6, VE-7 en VE-8 en herinjectie in TR-cluster ziet SodM geen onoverkomelijke bezwaren.

PDGGO-DTDO / 22543048

SodM ziet het ontstaan van zinkgaten niet als risico voor de zoutwinning bij Nedmag. Zinkgaten zijn een lokale, extreme vorm van bodemdaling. Door voorafgaand aan het verlaten van de cavernes de hoeveelheid vrije pekel zover mogelijk af te laten voordat de caverne geabandonneerd wordt, komt de bodemdaling gecontroleerd en tijdens de periode van winning, in plaats van op een onverwacht moment in de toekomst. De wijze van monitoren wordt beschreven in het meetplan Veendam en jaarlijks geactualiseerd. Hierin staan periodieke metingen van bodemdaling beschreven. SodM adviseert de uitvoering van periodieke sonarmetingen van de cavernes tijdens initiële caverneontwikkeling en tijdens het begin van de fase van actieve winning zolang dit bijdraagt aan vergroting van het begrip van het logingsproces of de rol en de effectiviteit van stoffen voor dakbescherming. Monitoren is een middel om te controleren dat de zoutwinning volgens het winningsplan verloopt en maakt het mogelijk tijdig en gepast te kunnen ingrijpen wanneer het van de verwachting afwijkt. SodM heeft om die reden geadviseerd als voorwaarde op te nemen dat Nedmag een meet- en regelprotocol ontwikkelt en toepast. Advies TNO TNO heeft advies gegeven over de kwaliteit en betrouwbaarheid van de bodemdalingsprognose en welk deel van de bodemdalingsprognose onvermijdelijk is, en welk deel nieuwe winning betreft.

Nedmag hanteert 95 cm in het scenario met het ontwikkelen van 4 nieuwe cavernes als bovengrens voor de bodemdaling door zoutwinning hierin is rekening gehouden met de onzekerheidsmarge naar boven. Het opsplitsen van de prognose tussen maatregelen is in principe mogelijk, nadere kwantificering vraagt om aanvullende aannames. Dit betreffen aannames over het effect op de onzekerheden en het schatten van een prognosegetal voor de bodemdaling door de vier nog te ontwikkelen cavernes op het moment van sluiten van de putten. Kwaliteit en betrouwbaarheid prognose Het prognosemodel voor de bodemdaling in de Nedmag casus bestaat uit twee sequentiële deelmodellen: een massabalans model en een geomechanisch model. Het geomechanisch model geeft een vertaling van squeezevolume naar bodemdaling. Nedmag heeft de prognose voor de bodemdaling beschreven in twee notities. Gezien de relatie tussen de pekelproductiesnelheden en bodemdaling in het prognosemodel, zal de snelheid van bodemdaling een vergelijkbaar patroon volgen als de snelheid door squeeze (het verkleinen van het caverne volume door een verlaagde druk). Bij het opstellen van de massabalans is de ontwikkeling van het squeezevolume getoetst via de ontwikkeling van de bodemdaling.

Bij toepassing van de door Nedmag geplande productie- en afbouwfase is het daarom van belang om de door Nedmag gedefinieerde bodemdaling in tijd en ruimte goed te monitoren. TNO acht de door Nedmag in het winningsplan toegepaste deelmodellen voor prognose van de bodemdaling van voldoende kwaliteit, gegeven de beschikbare informatie en de complexiteit van de situatie. TNO stelde dat een grondige inventarisatie van de onzekerheden ontbrak. TNO heeft in een aanvullend advies Pagina 21 van 57

Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Transitie Diepe Ondergrond

van 27 september 2019 (op het door Nedmag ingediende addendum van 16 september 2019) aangegeven dat Nedmag via intensivering van de monitoring van de bodemdaling waardevolle aanvullende informatie beschikbaar heeft gekregen. Nedmag heeft hiermee invulling gegeven aan het eerder gegeven advies van TNO.

PDGGO-DTDO / 22543048

Advies Tcbb De Tcbb acht de voorziene bodembeweging ten gevolge van zoutwinning in de cavernes VE-5 tot en met VE-8 zodanig klein dat de Tcbb wat dit betreft geen redenen ziet om instemming te onthouden aan het ontwikkelen van deze nieuwe zoutvelden. De maandelijkse monitoring van de bodemdaling met InSAR, tezamen met de gps en waterpassingswaarnemingen stelt Nedmag in de gelegenheid het massabalansmodel te kalibreren en de onzekerheden rond de modeluitkomsten te kwantificeren. De Tcbb adviseert daarom het volgende: • Het aanpassen van het meetplan met daarin minimaal maandelijkse meting van de bodemdaling; • Een kalibratie van het volumebalansmodel met beschikbare geodetische metingen; • 4 keer per jaar een meting van de cavernedruk of sonarmetingen ter bepaling van het volume van de resulterende cavernes. In het aanvullend advies van 5 november 2019 heeft de Tcbb de aanvullende documentatie van Nedmag op het hernieuwde winningsplan beoordeeld op de mogelijke gevolgen van bodemdaling. Uit het oogpunt van de mogelijke gevolgen van bodemdaling ziet de Tcbb op basis van de beschikbare gegevens, inzichten en mede gezien de adviezen van SodM en TNO geen redenen om haar advies aan te passen. Advies provincie Groningen De provincie Groningen stelt dat diepe bodemdaling op zich geen risico is.

De provincie Groningen stelt dat de kans op het zich opnieuw kunnen voordoen van een onverwachte bodemdaling maximaal moet worden voorkomen. Door het nemen van de beheersmaatregelen door Nedmag in het bestaande TR-cluster, maar ook wat betreft de gewijzigde ontwikkeling van de nieuwe cavernes worden volgens de provincie Groningen deze risico's in het winningsplan geminimaliseerd. Het drukverloop in de cavernes in de verschillende fases van de winning bepaalt vooral het moment van bodemdaling en niet zo zeer de eindomvang van de daling. De daling zal hoofdzakelijk plaatsvinden tijdens de actieve productiefase en de fase van het aflaten van de vrije pekel. De provincie Groningen stelt dat het model voor de bepaling van de bodemdaling, dat ook is gebruikt om de prognose mee te bepalen, goed overeenkomt met de meetgegevens uit het verleden. Echter een goede overeenkomst tussen historische meetgegevens en modeluitkomsten is volgens de provincie Groningen geen garantie voor de accuraatheid van het model in de toekomst. Nedmag heeft hierom een onzekerheidsmarge gehanteerd van maximaal 7 cm boven op de hoogste prognosewaarde van 88 cm in het diepste punt van de bodemdalingskom. De aanvulling van Nedmag van 16 september 2019 op het winningsplan leidt tot de conclusie dat de onzekerheden ten aanzien van de bodemdalingsprognose minder groot zijn.

De provincie Groningen vindt het van groot belang dat deze onzekerheidsmarge zo betrouwbaar en zo klein mogelijk is. Een nadere inperking van deze marge moet zo spoedig mogelijk gerealiseerd worden. Hiertoe dient Nedmag van de minister opdracht te krijgen. Verplichtingen op dit punt verwacht de provincie Groningen in het instemmingsbesluit vastgelegd te zien. Pagina 22 van 57

Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Transitie Diepe Ondergrond

De provincie Groningen stelt dat diepe bodemdaling ten gevolge van zoutwinning een glad verloop kent in ruimte en tijd, schoksgewijze daling is dan ook niet aan PDGGO-DTDO / 22543048 de orde, behalve bij mogelijk grootschalige incidenten. Dit moet uiteraard worden voorkomen en daar zijn ook de beheersmaatregelen van Nedmag op gericht. Het instemmingsbesluit moet dit goed vastleggen. De provincie Groningen stelt verder dat de mate van bodemdaling redelijk goed te voorspellen is, echter de effecten van deze daling op de omgeving, zoals op het gebruik van het land, op het waterbeheer en de effecten op gebouwen zijn minder goed te voorspellen. Voor een deel zijn deze effecten wel te voorzien, vooral geldt dit voor de impact op de waterhuishouding. Volgens de provincie Groningen is de afstand vanwaar het zout toestroomt naar schatting enkele honderden meters tot een kilometer ten opzichte van een caverne. Nedmag moet ook de totale bodemdaling zichtbaar maken ten gevolge van alle invloeden op deze zogenaamde gestapelde bodemdaling, waarbij bij voorkeur ook gebruik gemaakt moet worden van het Actueel Hoogtebestand Nederland. Hiermee wordt het voor de inwoners en overheden inzichtelijk wat de gecumuleerde bodemdaling voor effect heeft op het maaiveld in het desbetreffende gebied.

De provincie Groningen vindt het belangrijk, mede in het licht van de maatschappelijke onrust, hier zo spoedig mogelijk inzicht in te verkrijgen. Deze bepaling van de mate van bodemdaling moet plaatsvinden door een adequate vorm van meting dan wel door monitoring met een jaarlijkse frequentie naast een continue gps-meting en periodieke satelliet-bepalingen rond het TR-cluster, maar ook in de buurt van de nieuw te ontwikkelen cavernes. Dit zou bij voorkeur in een meet- en regelprotocol vervat moeten worden dat beoordeeld wordt door het SodM. Een verplichting hierop gericht moet aan het instemmingsbesluit verbonden worden, waarbij de uitkomsten van het monitoringssysteem openbaar beschikbaar moeten worden gesteld. De provincie Groningen stelt dat Nedmag de druk in de cavernes ten opzichte van de lithostatische druk in de omgeving van de caverne voldoende laag moet houden als preventieve maatregel om een breuk van het dak van een caverne te voorkomen. Volgens de provincie Groningen kan een eventuele toekomstige breuk in het dak van de cavernes, die overigens te allen tijde voorkomen moet worden, als deze zich toch zou voordoen, niet hoger in de ondergrond kunnen reiken dan in het zogenaamde Bunter-zandsteen, ruim meer dan een kilometer diep. Dit is de laag net boven het Zechstein-zout waaruit de zoutwinning door Nedmag plaatsvindt.

De provincie Groningen gaat ervan uit dat de minister het aspect van drukregulatie, gericht op het voorkomen van een breuk in het dak van een caverne, adequaat zult vastleggen in het instemmingsbesluit. De provincie Groningen adviseert zowel preventieve als mitigerende maatregelen ter voorkoming van een breuk in het dak van een caverne dan wel het zich openen van de medio 2018 gesloten breuk boven caverne TR-2. De provincie Groningen stelt dat de minister een onderzoek naar de cumulatieve effecten van zogenaamde gestapelde mijnbouwactiviteiten in het desbetreffende gebied moet uitvoeren. Inwoners, bewonersorganisatie en de andere adviserende decentrale overheden vinden dit van groot belang. De resultaten daarvan moeten bij de besluitvorming betrokken worden. De provincie Groningen is zeer belangstellend in afwachting van de spoedige resultaten van dergelijk onderzoek. Advies provincie Drenthe De provincie Drenthe stelt dat Nedmag met het waterschap Hunze en Aa's in gesprek moet gaan over de op basis van het nieuwe winningsplan te nemen maatregelen. Er zijn bestaande afspraken tussen Nedmag en het waterschap voor wat betreft de vereiste waterhuishoudkundige maatregelen. De nu voorziene Pagina 23 van 57

Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Transitie Diepe Ondergrond

bodemdaling is aanzienlijk groter dan voorheen verwacht en er zullen nieuwe, uitgebreidere en duurdere maatregelen nodig zijn om de waterhuishouding en de uitvoering van de overige taken van het waterschap in het gebied goed te regelen. Hierover dienen nieuwe afspraken te worden vastgelegd. De provincie Drenthe acht het van belang dat de minister dit als voorwaarde aan het besluit verbindt.

PDGGO-DTDO / 22543048

De provincie Drenthe stelt dat monitoringsvoorschriften moeten worden verbonden aan het instemmingsbesluit. Monitoring van zowel de cavernegroei als de druk is van belang om de zoutwinning beheersbaar te houden en voor de ontwikkeling van meer kennis van de processen. Advies gemeente Veendam De gemeente Veendam stelt dat Nedmag de verantwoordelijkheid op het gebied van het monitoren van de ondergrond neemt. De combinatie van meetmethodieken geven een goed beeld van de bodemdaling en onderlinge verschillen hierin. Tot slot meet Nedmag de waterkwaliteit op verschillende peildiepten. De actuele combinatie van monitoringsmaatregelen is naar volgens de gemeente voldoende. Wel merkt de gemeente Veendam op dat de monitoringsgegevens die gepubliceerd worden lastig te duiden zijn voor inwoners. Nedmag moet op een laagdrempelige wijze meetgegevens op het gebied van bodemdaling delen met de omgeving. De gemeente Veendam stelt dat een van de belangrijkste wijzigingen het aflaten van meer vrij volume pekelwater is om daarmee de interne druk in zoutcavernes te beheersen. De gemeente Veendam verzoekt om: • Gezamenlijk met het waterschap Hunze en Aa's, te komen tot nieuwe werkafspraken voor de waterhuishoudkundige maatregelen.

Dit gecombineerd met een actief en adequaat peilbeheer; • Een financiële waarborging voor bovengenoemde maatregelen, zodat het waterschap Hunze en Aa's in staat is hun vereiste werkzaamheden als gevolg van de door Nedmag veroorzaakte bodemdaling, ook naar de toekomst toe, te bekostigen. Advies gemeente Midden-Groningen De gemeente Midden-Groningen stelt dat de zoutwinning grote bodemdaling veroorzaakt. Bodemdaling door zowel gas- als zoutwinning vindt ontegenzeggelijk plaats. De gemeente Midden-Groningen adviseert geen actieve winning toe te staan om daarmee nog verdergaande bodemdaling te voorkomen. De bodemdaling is onomkeerbaar en vereist eeuwigdurend beheer. Advies gemeenten Aa en Hunze en Tynaarlo De gemeenten Aa en Hunze en Tynaarlo stellen dat er nader onderzoek moet worden uitgevoerd naar de effecten van gestapelde mijnbouw. In hetzelfde gebied vindt ook gaswinning plaats. Monitoring en gepaste inzet van maatregelen, in zorgvuldige afstemming met het waterschap en andere betrokkenen is noodzakelijk. Advies waterschap Hunze en Aa’s De bodemdaling in de kern van het gebied is aanzienlijk en nadert de grens waarbij het voor het waterschap nog mogelijk is om te kunnen zorgen voor een goede waterhuishouding. Het waterschap wil alle activiteiten van Nedmag die aan deze daling bijdragen maximaal ingeperkt zien.

Het waterschap stelt dat de bodemdaling tot 80 cm een dermate extra toename aan noodzakelijke kunstwerken in het watersysteem tot gevolg heeft, dat deze niet meer in redelijke Pagina 24 van 57

Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Transitie Diepe Ondergrond

verhouding staat tot de normale dichtheid aan peilgebieden en kunstwerken. Een bodemdaling tot 95 cm heeft nog een toename aan noodzakelijke kunstwerken tot gevolg. Het waterschap houdt hierbij ook rekening met bodemdaling als gevolg van omliggende mijnbouwactiviteiten. In hoeverre kaden door bodemdaling beïnvloed worden en het waterschap Hunze en Aa’s als gevolg daarvan niet meer kan voldoen aan de vereiste hoogte en veiligheid van kaden is niet bekend. Het waterschap Hunze en Aa’s verwacht een door Nedmag uit te voeren nader onderzoek naar de gevolgen op de hoogte van de kaden.

PDGGO-DTDO / 22543048

Het waterschap Hunze en Aa’s stelt dat er geen nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar de effecten van de bodemdaling op onder andere veranderende grondwaterstanden en -stromingen, de kwaliteit van het oppervlaktewater, de impact van grondwater op fundering van gebouwen, wegen en riolering. Toename van extra kwel naar het bodemdalingsgebied is te verwachten. In welke mate dit zal plaatsvinden en lokaal tot veranderingen op percelen zal leiden, is niet door de aanvrager onderzocht. Het waterschap Hunze en Aa’s dringt eropaan om voordat instemming wordt verleend, Nedmag op te dragen om nader onderzoek te laten verrichten naar de gevolgen van de bodemdaling op de grondwaterstromingen in het belang van het grondgebruik. Het waterschap Hunze en Aa’s stelt dat voorkomen dient te worden dat bodemdalingen, meer dan strikt noodzakelijk, over korte afstanden grotere hoogteverschillen veroorzaken, waardoor extra peilgebieden en kunstwerken gerealiseerd moeten worden. Voorwaarde hierbij is dat bij het huidige grondgebruik de risico’s niet verder mogen oplopen in termen van wateroverlast bij extreme neerslag situaties, dan dat de watersystemen elders in de Veenkoloniën op dit moment ondervinden.

Het waterschap Hunze en Aa’s dient vroegtijdig in planprocessen betrokken te worden en daarin mede een sturende rol te krijgen om de lange termijn gevolgen van bodemdaling op het functioneren van watersystemen in te kunnen brengen, de maatschappelijk discussie hierover mede te kunnen voeren en de te maken ruimtelijke keuzen in te passen in het waterbeheer. Het beheer en onderhoud voor een watersysteem, dienen tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten, in termen van duurzaamheid, klimaatadaptie en met compensatie op het ecologisch functioneren te worden ingestoken. Het waterschap Hunze en Aa’s verwacht dat Nedmag alle kosten die aan de bodemdaling door zoutwinning zijn toe te schrijven, voor zijn rekening neemt. Ook dienen toekomstige kosten aan de veroorzaker te worden opgelegd en voor rekening van de veroorzaker te komen. Advies Mijnraad De Mijnraad stelt dat uit de aanvraag blijkt dat de bodemdaling van maximaal 95 cm vanaf 1977 tot aan het einde van de zoutwinning in 2045 een forse bodemdaling is. De Mijnraad wijst erop dat er ten gevolge van de aanleg van nieuwe cavernes extra toename aan noodzakelijke kunstwerken in het watersysteem moeten worden toegepast en hogere kosten zijn te verwachten voor onderhoud en beheer hiervan. De Mijnraad adviseert in overweging te nemen om Nedmag van de geplande 4 cavernes er eerst slechts 2 te laten aanleggen en te ontwikkelen.

Het geomechanisch model dat door TNO is gevalideerd is van toepassing op en afgeleid van de bestaande cavernes. De nieuwe cavernes zijn gepland op de flanken van het zoutkussen op een afstand van ongeveer 1.5 km van de bestaande winning. Dit betekent dat er aanzienlijke onzekerheden bestaan over Pagina 25 van 57

Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Transitie Diepe Ondergrond

diepte, dikte en helling van de nieuw te winnen magnesiumzoutlaag. Met de verkregen gegevens uit de eerste twee cavernes kan de Nedmag het geomechanisch model toetsen en eventueel opnieuw valideren om daarmee onzekerheden in de bodemdalingsprognose zoveel mogelijk te reduceren. Hiervan hangt dan af of, en zo ja waar, er nog volgende cavernes gerealiseerd kunnen worden.

PDGGO-DTDO / 22543048

De Mijnraad stelt dat de mate van bodemdaling als gevolg van de diverse activiteiten in de ondergrond, de vraag oproept of dit zich nog goed verhoudt tot het gebruik van het gebied. De Mijnraad kan zich vinden in de opstelling van het waterschap, de provincie Groningen en de gemeenten Veendam en MiddenGroningen dat er een bredere maatschappelijke en ruimtelijke afweging nodig is en dat de problematiek van bodemdaling door delfstofwinning een gezamenlijk en maatschappelijk probleem is van alle betrokkenen. 6.2.3 Beoordeling bodemdaling De staatssecretaris stelt, mede op basis van het advies van SodM en TNO, vast dat het aannemelijk is dat na het aflaten van het cavernecluster en, na actieve winning uit de bronnen VE-3, TR-9 en VE-5 t/m 8 en nadat vervolgens alle vrije pekel is gereduceerd de bodemdaling in het diepste punt van de bodemdalingskom 88 cm ten opzichte van 1977 bedraagt. Omdat de bodemdalingsprognose van 2 cm door winning uit VE-3 niet ontstaat, stelt de staatssecretaris vast dat de bodemdalingsprognose naar verwachting 86 cm bedraagt. Er moet rekening gehouden worden met een onzekerheidsmarge. Bij het opstellen van het winningsplan is de conservatieve benadering gekozen dat alle vrije pekel voorafgaand aan abandonnering kan worden afgelaten. In de praktijk kan dat minder zijn. De bodemdaling kan zodoende eveneens minder zijn.

Nedmag geeft aan dat bij een onzekerheidsmarge van -9 en +7 cm wordt aangenomen dat de totale bodemdaling als gevolg van de zoutwinning minimaal 79 en maximaal 95 cm zal zijn ten opzichte van 1977. Omdat de staatssecretaris niet instemt met actieve winning uit VE-3 zal de totale bodemdaling als gevolg van de zoutwinning minimaal (86-9=) 77 cm en maximaal (86+7=) 93 cm zijn t.o.v. 1977. Cumulatie bodemdaling De staatssecretaris constateert dat naast de zoutwinning door Nedmag meerdere mijnbouwactiviteiten rond Veendam plaatsvinden, waardoor er een cumulatie van bodemdaling als gevolg van mijnbouwactiviteiten plaatsvindt rond Veendam. De staatssecretaris begrijpt dat een regionale bodemdalingskaart belangrijk is voor de decentrale overheden om de regionale effecten en gevolgen van de verwachte bodemdaling door mijnbouwactiviteiten goed te overzien. Nedmag alleen kan een dergelijke kaart echter niet samenstellen. De staatssecretaris heeft daarom TNO de opdracht gegeven een regionale overzichtskaart te maken, inclusief alle gasvelden en andere mijnbouwactiviteiten van de in de regio actieve mijnbouwondernemingen die mogelijk een effect op bodembeweging kunnen hebben, waarbij de cumulatieve bodemdaling veroorzaakt door zoutwinning en door gaswinning in omliggende velden inzichtelijk wordt gemaakt.

TNO heeft in april 2020 geconstateerd 1 dat de totaal gemeten cumulatieve bodemdaling in december 2019 65 cm is (ca. 55 cm door zoutwinning en ca. 10 cm door gaswinning) ten opzichte van 1972. In augustus 2021 was de bodemdaling door 1

Advies van 21 april 2020, AGE 20-10.038 Pagina 26 van 57

Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Transitie Diepe Ondergrond

zoutwinning 60 cm ten opzichte van 1977 in het diepste punt van de bodemdalingskom. Zonder andere activiteit van Nedmag dan het aflaten van de PDGGO-DTDO / 22543048 bestaande cavernes zal de bodemdaling in het gebied cumuleren tot 95 cm, namelijk tot 80 cm als gevolg van de zoutwinning en maximaal 15 cm als gevolg van de gaswinning door de NAM. De staatssecretaris is voornemens de gaswinning uit het gasveld Groningen eerder te beëindigen dan in 2018 was voorzien. Dit betekent dat de toekomstige bodemdaling als gevolg van het gasveld Groningen in dit gebied waarschijnlijk minder zal zijn dan de berekende 5 cm. Daarbij moet nog rekening gehouden worden met -9 cm en +7 cm onzekerheid door het aflaten van de cavernes. Ook de te verwachten cumulatieve bodemdaling als gevolg van zout- en gaswinning in het gebied westelijk van Veendam is in kaart gebracht door TNO in het advies van 21 april 2020. Hierin geldt als referentiejaar 1972 voor de gaswinning. Het jaar van 1972 is het jaar van de nulmeting uitgevoerd door de NAM 2. De cumulatieve bodemdaling in het diepste punt van de bodemdalingskom bedroeg in augustus 2021 ruim 68 cm ten opzichte van 1972 en dit loopt in de komende decennia naar verwachting op tot maximaal 108 cm in 2080. Deze is als volgt opgebouwd: - max. 95 cm als gevolg van de zoutwinning (tot en met 2045, incl. actieve winning uit VE-3 en incl.

onzekerheidsmarge); - minus 2 cm (geen actieve winning VE-3); - plus 15 cm als gevolg van de gaswinning (tot en met 2080). De bodemdaling als gevolg van de gaswinning door de NAM is in 2018 beoordeeld door de minister. Op basis van de bodemdalingsverwachting 3 door de gaswinning is er geen significante wijziging nodig in de benodigde waterhuishoudkundige maatregelen die de gevolgen daarvan beperken of voorkomen dan beschreven in het winningsplan voor de gaswinning Groningen uit 2016 4. De minister heeft met dit plan ingestemd. Dit plan beschrijft dat de waterschappen beheersmaatregelen moeten treffen om effecten van bodemdaling te voorkomen en dat de NAM deze vergoed. Indien bodemdaling tot vernatting van de bodem leidt kan het waterpeil worden aangepast. Het aanpassen van het waterpeil bij bodemdaling of om andere redenen is een verantwoordelijkheid van het waterschap. De betreffende waterschappen voeren deze aanpassingen uit en verhalen de kosten daarvan op de NAM. In 2019 heeft het waterschap Hunze en Aa’s geadviseerd om nader onderzoek uit te voeren naar de effecten van de gaswinning Groningen op bodemdaling en kwel rond het Zuidlaardermeer. De bodemdaling als gevolg van de zoutwinning door Nedmag strekt zich niet uit tot het Zuidlaardermeer.

De staatssecretaris stelt vast dat in het gebied met daling door zoutwinning door Nedmag geen maatregelen in verband met de gaswinning door NAM nodig zijn. De gaswinning uit het Groningenveld heeft in het verleden niet geleid tot maatregelen ten behoeve van de waterhuishouding in het gebied ten westen van Veendam waar de zoutwinning van Nedmag plaatsvindt. Het Waterschap Hunze en Aa’s heeft na 2016 in haar adviezen op de gaswinning uit het Groningerveld geen maatregelen geadviseerd voor deze regio.

NAM rapport Assessment of Subsidence based on Production Scenario “Basispad Kabinet”, juni 2018 3 NAM rapport Assessment of Subsidence based on Production Scenario “Basispad Kabinet”, juni 2018 4 DGETM-EO I 16142904, 30 september 2016 2

Pagina 27 van 57

Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Transitie Diepe Ondergrond

Als de bodemdaling lager uitvalt vanwege de afbouw van gaswinning uit het Groningenveld en de sluiting van het gasveld Annerveen of omdat de werkelijke bodemdaling door zoutwinning aan de onderkant van de onzekerheidsmarge valt, mag de bodemdaling niet meer worden door het winnen van een groter volume zout.

PDGGO-DTDO / 22543048

Effecten van de bodemdaling op de waterhuishouding Het jaar 1993 wordt als referentie aangehouden voor het peilbeheer. In dat jaar zijn na de herinrichting van de veenkoloniën namelijk nieuwe peilbesluiten genomen. Op dat moment was er reeds sprake van 6 cm bodemdaling door gaswinning en 4 cm bodemdaling door zoutwinning. In 1993 is de waterhuishouding dus aangepast, waardoor er een nieuwe uitgangsituatie is ontstaan waarin 10 cm cumulatieve bodemdaling door gas- en zoutwinning is verdisconteerd De maatregelen die getroffen zijn door het waterschap naar aanleiding van het winningsplan 2013 houden rekening met een bodemdaling van 65 cm ten opzichte van 1993. Deze bodemdaling zal naar verwachting niet voor 2025 opgetreden zijn. De bodemdalingsberekening uit winningsplan 2018 tot 95 cm ten opzichte van 1977 betreft een toename van 26 cm ten opzichte van het winningsplan 2013 tot 65 cm ten opzichte van 1993. In 1993 is nieuwe nulsituatie ontstaan. De bodemdaling vanwege zoutwinning die is opgetreden tussen 1977 en 1993 (= 4 cm) is in 1993 ondervangen met peilbesluiten. Voor het bepalen van gevolgen van de zoutwinning van Nedmag voor de waterhuishouding en te nemen maatregelen gaat de staatssecretaris uit van bodemdalingskom als gevolg van de zoutwinning van maximaal 93 cm 5 ten opzichte van 1977.

Nedmag heeft RoyalHaskoningDHV een inventarisatie laten maken van de maatregelen die het waterschap dient te treffen bij een bodemdaling vanwege zoutwinning van 95 cm. Dit rapport is een referentie (referentie 23) bij het winningsplan. De inventarisatie van RoyalHaskoningDHV bouwt voort op referentie 22 en is een inventarisatie van de extra maatregelen, bij 30 cm extra bodemdaling ten opzichte van de 65 cm waarop referentie 22 gebaseerd is. In referentie 22 is ook rekening gehouden met bodemdaling door gaswinning. Derhalve maken deze rapporten onderdeel uit van de beoordeling van het winningsplan. Het waterschap heeft beoordeeld of met deze maatregelen het waterschap het waterbeheer in dit gebied kan uitvoeren. Het rapport (referentie 23) is voorgelegd aan het waterschap. Het waterschap geeft in een schriftelijke reactie aan Nedmag aan deze maatregelen te kunnen uitvoeren en dat mits deze maatregelen worden getroffen de bodemdaling het waterschap niet ernstig in de uitvoering van haar taken belemmert. De staatssecretaris concludeert op basis van het vorenstaande dat het waterschap een bodemdaling van 95 cm door zoutwinning kan ondervangen. Een bodemdaling van 93 cm door zoutwinning is dan ook te ondervangen.

Uit de inventarisatie van RoyalHaskoningDHV en de reactie van het waterschap daarop volgt dat er bij een verdere bodemdaling tot 80 cm en 95 cm een opsplitsing van de bestaande peilgebieden nodig zal zijn. Er zal verdere verkleining van de peilgebieden plaatsvinden ten opzichte van een bodemdaling van 65 cm. Om bij 95 cm bodemdaling de drooglegging te borgen zijn 5 Bestaande uit 80 cm vanwege aflaten cavernes, 6 cm vanwege actieve winning uit TR-9 en nieuwe cavernes en 7 cm onzekerheidsmarge.

Pagina 28 van 57

Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Transitie Diepe Ondergrond

peilwijzigingen nodig ten opzichte van het peilbesluit van 2016. De peilwijzigingen volgen de extra bodemdaling. De peilen zakken ten opzichte van NAP met maximaal 30 cm in het diepste punt van de bodemdalingskom.

PDGGO-DTDO / 22543048

Het grondwaterpeil ten opzichte van NAP wordt verlaagd door het waterschap binnen de bodemdalingskom en verandert met 5 tot ongeveer 25 cm in het diepste punt van de bodemdalingskom ten opzichte van de huidige situatie. De mate van grondwaterstandsverandering komt overeen met de peilaanpassing. De peilwijziging leidt lokaal binnen de bodemdalingskom tot een geringe verandering van kwel en infiltratie naar de diepe ondergrond. De overwegende regionale grondwaterstroming in noordelijke richting wijzigt niet door deze lokale verlaging van de stijghoogte. Er zijn geen veranderingen van grondwaterstromingen te verwachten. Als uitgangspunt voor de peilen voor het landbouwgebied is gehanteerd dat de drooglegging en daarmee de verdeling tussen oppervlak nat, optimaal en droog niet wijzigt. Enkel het diepste punt van de bodemdalingskom vindt een lichte vernatting ten opzichte van maaiveld plaats. Het waterschap verlaagt de peilen hier 5 cm verder. Neerslag en verdamping beïnvloeden het verloop van de grondwaterstanden ter plaatse van het Kieldiep en Tripscompagniesterdiep. Het peil van het Kieldiep en het Tripscompagniesterdiep beïnvloedt de grondwaterstand in zeer beperkte mate. Met de peilaanpassing van de peilgebieden in het achterliggende land of het toepassen van lokale drainage rondom de woningen kan het waterschap de bodemdaling opvangen.

Bij een bodemdaling tot en met 95 cm treedt op een aantal locaties relatieve daling van de keringen op. In de huidige situatie is er voldoende ruimte aanwezig om ook zonder verdere peilverlagingen de waterveiligheid te kunnen blijven borgen bij verdergaande bodemdaling. De lange termijn waterveiligheid gaat wel achteruit door het verlies aan relatieve hoogte. Op de locaties waar relatieve daling optreedt neemt het waterschap dit mee bij een eerstvolgende maatregel aan de betreffende kade. Aangezien het achterliggende land ter plaatse van het Kieldiep op eenzelfde peil staat als het Kieldiep vangt de peilaanpassing van 10 cm de bodemdaling goed op. Het oppervlaktewaterpeil van het Tripscompagniesterdiep beïnvloedt de bebouwing ter plaatse van het Tripscompagniesterdiep in beperkte mate. Met de peilaanpassing van de peilgebieden in het achterliggende land of het toepassen van lokale drainage rondom de woningen vangt het waterschap de bodemdaling hier op. Het waterschap verlaagt het peil van het Tripscompagniesterdiep bij 80 cm bodemdaling met 10 cm en bij 95 cm bodemdaling met 20 cm. Regenval kan een afname of toename in peilstijging veroorzaken. Een afname in peilstijging bij regenval heeft een positief effect op het opvangen van extreme buien. Om ook de toename van de peilstijging bij regenval op te kunnen vangen is extra berging aan oppervlaktewater gewenst.

Dit kan door het realiseren van open water. De benodigde extra berging is in beeld gebracht. In totaal is indicatief bij 95 cm bodemdaling ongeveer 1,5 ha open water benodigd. Bij 80 cm bodemdaling is 1,25 ha open water nodig. Hiermee wordt de robuustheid van het systeem verder vergroot ten opzichte van de huidige situatie.

Pagina 29 van 57

Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Transitie Diepe Ondergrond

De staatssecretaris stelt vast dat er ontegenzeggelijk extra inspanningen van het waterschap nodig zijn om de beschreven maatregelen uit te voeren. Het feit dat er extra inspanningen nodig zijn is op zichzelf geen reden om instemming te weigeren. De staatssecretaris heeft tevens meegewogen dat er hoe dan ook extra maatregelen getroffen dienen te worden om de bodemdaling vanwege het aflaten van de cavernes te ondervangen. Zoals SodM heeft aangegeven, is er bij het in kaart brengen van de maatregelen voor de waterhuishouding uitgegaan van volledig functiebehoud. Soms zijn met minimale aanpassingen in het gebruik van met name agrarische gronden veel minder aanpassingen nodig.

PDGGO-DTDO / 22543048

De staatssecretaris constateert dat het waterschap en de gemeenten Aa en Hunze en Tynaarlo aangeven dat extra onderzoek noodzakelijk is voor instemming. Deze adviseurs adviseren voordat tot instemming wordt overgegaan onderzoek te laten uitvoeren naar de effecten van de bodemdaling door zoutwinning op mens en milieu aan de bovengrond. De overige adviseurs zijn van oordeel dat het winningsplan zorgvuldig en volledig genoeg is om met dit winningsplan (gedeeltelijk) in te stemmen. De staatssecretaris stelt dat het winningsplan volledig is en voldoende informatie (volgens de artikelen 24 en 25 van de Mbb) bevat om een instemmingsbesluit te nemen. De door de gemeenten en het waterschap gewenste onderzoeken moeten in een breder perspectief geplaatst worden dan enkel de zoutwinning door Nedmag. De staatssecretaris stelt daarom dat in het kader van het in te richten gebiedsproces de decentrale overheden onderzoek kunnen laten doen naar: • Monitoring van de gevolgen van de bodemdaling op de hoogte van de kaden, • Grondwaterstromingen; • Benodigde compenserende maatregelen voor het verlies aan biodiversiteit, leefgebieden en waterkwaliteit. Deze onderzoeken dient Nedmag af te stemmen met het waterschap. De staatssecretaris stelt evenals de provincie Groningen dat het van groot belang is dat de onzekerheidsmarge van de bodemdalingsprognose zo betrouwbaar en zo klein mogelijk is.

De staatssecretaris heeft naar aanleiding van de onzekerheidsmarge in het massabalansmodel aanvullende gegevens gevraagd van Nedmag, welke TNO heeft beoordeeld. TNO heeft de minister in een aanvullend advies van 27 september 2019 (op het door Nedmag ingediende addendum van 16 september 2019) geadviseerd. TNO heeft aangegeven dat Nedmag via intensivering van de monitoring van de bodemdaling waardevolle aanvullende informatie beschikbaar heeft gekregen. De staatssecretaris stelt op basis van dit advies van TNO dat de bijdrage van onzekerheid in het massabalans-model in feite nu geen rol meer speelt en de door Nedmag in het winningsplan toegepaste deelmodellen voor prognose van de bodemdaling van voldoende kwaliteit zijn, gegeven de beschikbare informatie en de complexiteit van de situatie. 6.2.3.1 Voortzetten winning VE-3 en TR-9 De versnelde bodemdaling die optreedt als gevolg van de maatregelen ter afhandeling van het incident leidt tot een voor het waterschap moeilijker beheersbare situatie. Extra bodemdaling door winning uit VE-3 en TR-9 is beperkt tot 4 cm in diepste punt. De bodemdaling vormt op zichzelf geen reden tot beperking van de winning uit deze cavernes omdat deze extra bodemdaling niet leidt tot schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan.

Naast dat de activiteiten van winning bij VE-3 en TR-9 tot bodemdaling leiden bestaat er een kans dat deze losstaande cavernes ook verbonden raken met het TR-cluster. Om die reden is in dit besluit beoordeeld dat de actieve Pagina 30 van 57

Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Transitie Diepe Ondergrond

winning uit VE-3 niet is toegestaan en de winning uit TR-9 beperkt is. De in het winningsplan verwachte bodemdaling van ongeveer 2 cm door winning uit VE-3 zal niet plaatsvinden. Deze beperking valt binnen de onzekerheidsmarge van de bodemdalingsvoorspelling. Om te benadrukken dat de bodemdalingsprognose van 2 cm door winning uit VE-3 niet ‘beschikbaar komt’ voor winning elders, stelt de staatssecretaris de bodemdalingsprognose met 2 cm naar beneden bij tot een maximum van 86 cm, exclusief onzekerheid.

PDGGO-DTDO / 22543048

SodM stelt dat de bodemdaling van meer dan 80 cm voor het waterschap moeilijk beheersbaar is, en omdat de winning bij VE-3 en TR-9 tot verdere bodemdaling leidt adviseert SodM deze activiteiten niet toe te staan. Uit een opdeling van de bodemdaling in bijdragen van de diverse cavernes blijkt dat actieve winning uit TR-9 en VE-3 per caverne tot 2 cm daling op het diepste punt van de kom leidt. De totale bodemdaling inclusief de bodemdaling uit de beide cavernes heeft volgens het advies van het waterschap een toename aan noodzakelijke kunstwerken in het watersysteem tot gevolg. De staatssecretaris constateert dat het waterschap bij een bodemdaling tot en met 80 cm door het aflaten van pekel uit de bestaande cavernes het aantal peilvakken moet uitbreiden en kunstwerken moet plaatsen. Het waterschap geeft in haar advies aan dat zij een verdere toename in het aantal peilvakken en te plaatsen kunstwerken, ten opzichte van wat nodig is om 80 cm bodemdaling vanwege aflaten uit bestaande cavernes te ondervangen, niet in verhouding vindt staan tot het aantal maatregelen in andere gebieden. Het waterschap geeft in het advies ook aan met de maatregelen, om 95 cm bodemdaling als gevolg van zoutwinning te ondervangen, niet in de uitvoering van haar taak belemmerd te worden vanwege de bodemdaling van maximaal 2 cm die veroorzaakt wordt door actieve winning uit TR-9.

6.2.3.2 Vier nieuwe putten VE-5, VE-6, VE-7 en VE-8 De staatssecretaris constateert dat SodM adviseert om in te stemmen met de uitbreiding door nieuwe putten VE-5 t/m 8. De Tcbb en de provincies Drenthe en Groningen en de gemeente Veendam volgen het advies van SodM. Het waterschap adviseert dat het diepste punt van de bodemdaling op een absoluut maximum van 80 cm moet worden vastgesteld en dat door de 4 nieuwe putten, binnen de bodemdalingscontour niet verder mag dalen dan een bodemdalingsmaximum van 65 cm ter plaatse van deze nieuwe cavernes. Het waterschap ziet wel bezwaren voor het waterbeheer. Uit de aanvulling op het winningsplan 16 september 2019 blijkt dat de extra daling van 3 cm wordt veroorzaakt door de nieuwe cavernes VE-5 t/m VE-8, in combinatie met 1 cm extra daling als gevolg van eventuele na-verzadiging in het TR-cluster van pekel afkomstig uit de ontwikkeling van de nieuwe VE-5 t/m VE-8 cavernes. De staatssecretaris stelt vast dat de additionele bodemdaling door ontwikkeling van de 4 cavernes in het diepste punt van de bodemdalingskom beperkt blijft tot 4 cm. De nieuwe cavernes veroorzaken wel een verbreding van de bodemdalingskom. Het waterschap adviseert niet in te stemmen met nieuwe cavernes wanneer ter plaatse van de nieuwe cavernes de bodemdaling groter wordt dan het in het winningsplan 2013 gestelde bodemdalingsmaximum van 65 cm ten opzichte van 1977.

De staatssecretaris stelt vast dat ter plaatste van de nieuwe cavernes de bodemdaling van 65 cm ten opzichte van 1977, niet wordt overschreden. De bodemdaling door zoutwinning vanaf 1977 ter plaatse van de 4 nieuwe cavernes zal, zoals beschreven in het winningsplan, na het aflaten van de

Pagina 31 van 57

Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Transitie Diepe Ondergrond

vrije pekel uit deze cavernes niet groter worden dan 29 cm bij VE-5, 28 cm bij VE-6, 35 cm bij VE-7: 35 cm en 31 cm bij VE-8. PDGGO-DTDO / 22543048 Door de ligging van de nieuwe cavernes meer aan de rand van het zoutkussen en de gegevens die daarover verzameld moeten worden, geeft de staatssecretaris gehoor aan het advies van de Mijnraad om de cavernes gefaseerd te ontwikkelen. De staatssecretaris stemt daarom in met de winning uit de cavernes VE 5 tot en met VE-8, op voorwaarde dat dit gefaseerd (per tweetal cavernes) gebeurt. Voor de voorgenomen diepboringen voor de cavernes VE-5 en VE-6 heeft Nedmag een omgevingsvergunningaanvraag ingediend (kenmerk 3554325). De staatssecretaris heeft op 24 augustus 2022 een omgevingsvergunning voor een milieuneutrale wijziging verleend voor de uit te voeren diepboringen (kenmerk V-32137). De beide diepboringen dienen binnen de in deze omgevingsvergunning voor het boren vastgestelde termijn te worden aangelegd. Nedmag moet met de verkregen gegevens uit de eerste twee cavernes het geomechanisch model toetsen en eventueel opnieuw valideren om daarmee onzekerheden in de bodemdalingsprognose zoveel mogelijk te reduceren. Als naar aanleiding van de validatie van het geomechanisch model de bodemdalingsprognose minder of gelijk is dan opgenomen in het winningsplan kan Nedmag de resterende 2 cavernes aanleggen.

Voor realisatie van deze resterende diepboringen moet Nedmag over een omgevingsvergunning beschikken. Nedmag moet hiervoor nog een aanvraag indienen. Bodemdalingsmetingen worden gebruikt om het model te kalibreren op basis van het meet- en regelprotocol. Als blijkt dat het model moet worden bijgesteld dan kan dat aanleiding zijn om het winningsplan te actualiseren. Meetplan Ten aanzien van het advies van SodM en Tcbb om de bodemdaling te monitoren merkt de staatssecretaris op dat er een aantal monitoringsverplichtingen gelden. Het meten van bodembeweging vindt op grond van artikel 30 Mbb plaats volgens een meetplan. Het meetplan omvat de duur van de zoutwinning en de daaropvolgende 30 jaar (artikel 41, eerste lid, van de Mbw), waarbij Nedmag gedurende de zoutwinning en de daaropvolgende 5 jaar het meetplan jaarlijks dient te actualiseren (artikel 30, zesde lid van het Mbb) en in te dienen bij SodM. De staatssecretaris stelt vast dat het meetplan Veendam naast de tweejaarlijkse waterpassingcampagne en de gps-waarnemingen periodieke monitoring met InSAR beschrijft. Het meetplan Veendam is te raadplegen op www.nlog.nl/veendam. De staatssecretaris stelt naar aanleiding van het advies van SodM en de Tcbb vast dat vergroting van het begrip van het logingsproces of de rol en de effectiviteit van stoffen voor bescherming van het dak van de caverne belangrijk is.

Echter, omdat door de selectieve uitloging van dunne lagen magnesiumzout een labyrintachtige structuur ontstaat van holruimtes en gangen, en deze niet door Sonar of een andere bij Nedmag bekende techniek ¡n kaart kunnen worden gebracht, registreert Nedmag het volume van de cavernes en de netto deformatie (convergentie) via massabalansen (op basis van injectie en productiegegevens). Dit is volgens het huidige meetplan. De staatssecretaris schrijft in het instemmingsbesluit op het winningsplan geen specifieke wijze van meten van bodemdaling voor. Meet- en regelprotocol Monitoren is een middel om te controleren dat de zoutwinning volgens het winningsplan verloopt en draagt bij aan tijdig en gepast ingrijpen wanneer het van de verwachting afwijkt. Manieren om in te grijpen zijn bijvoorbeeld aanpassen van de productie of vroegtijdig overgaan tot aflaten van pekel en abandonneren van Pagina 32 van 57

Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Transitie Diepe Ondergrond

putten. De staatssecretaris is het met SodM eens dat de te nemen maatregelen afgestemd moeten zijn op de daadwerkelijk geconstateerde bodemdaling en de PDGGO-DTDO / 22543048 verwachte bodemdaling voor de komende jaren. Daartoe is zorgvuldige monitoring cruciaal. De metingen en interpretatie van die metingen kunnen leiden tot vermindering van de onzekerheden over de uiteindelijke effecten. De staatssecretaris onderschrijft het belang van een meet- en regelprotocol. Het doel van het meet- en regelprotocol is dat er op basis van metingen – en analyses van die metingen – ingegrepen kan worden in het productiesysteem van de zoutwinning door Nedmag, zodra de ontwikkelingen daartoe aanleiding geven. De staatssecretaris stelt dat dit volgt uit de zorgplicht, vastgelegd in artikel 33 van de Mbw. Het meet- en regelprotocol dient invulling te geven aan deze zorgplicht. In het meet- en regelprotocol wordt rekening gehouden met alle randvoorwaarden waarbinnen de zoutwinning dient te worden geoptimaliseerd. Het betreft hier normstelling ten aanzien van het veiligheidsrisico en zoveel als redelijkerwijs mogelijk voorkómen van schade aan gebouwen en infrastructurele werken of de werking daarvan (artikel 36 eerste lid in samenhang met het tweede lid).

Ten aanzien van het advies van SodM op dit punt schrijft de staatssecretaris een meet- en regelprotocol voor in een vergunningvoorschrift, opdat gewaarborgd is dat dit ook voor de omgeving navolgbaar geschiedt. Omdat dit meet- en regelprotocol ook ziet op de bestaande cavernes geldt dit voorschrift vanaf het van kracht worden van het besluit. De uit het meet- en regelprotocol voortvloeiende risicobeheersmaatregelen dienen voor aanvang van de hervatting van de actieve winning uit TR-9 en de actieve winning uit de nieuwe putten operationeel te zijn. Het meet- en regelprotocol dient in ieder geval te bestaan uit de volgende onderdelen: a. Er dient een meet-en regelprotocol te zijn dat Nedmag B.V. toepast. Nedmag B.V. stelt hierin veiligheidsgrenzen aan de druk in elke caverne, en beschrijft wanneer en op welke wijze er wordt ingegrepen. Nedmag B.V. beschrijft hierbij: -hoe de drukgrens in een caverne wordt bepaald; -hoe de drukgrens in een caverne wordt aangepast met de tijd. b. Nedmag B.V. rapporteert op basis van dit meet- en regelprotocol aan de inspecteur-generaal der mijnen en stuurt een afschrift aan de staatssecretaris. c. Nedmag B.V. dient de cavernedruk bij elke caverne, inclusief het TR-cluster, te monitoren en de resultaten van die monitoring eenmaal per kwartaal te overleggen aan de inspecteur-generaal der mijnen.

Wanneer de resultaten daar aanleiding toe geven kan de rapportagefrequentie in overleg met de inspecteur-generaal der mijnen worden teruggebracht; d. Bij de aanlevering van monitoringsgegevens als bedoeld in onderdeel b dient een analyse van winnings- en injectiegegevens, drukontwikkeling bij de putten en continue bodemdalingsmetingen in relatie tot het geomechanisch model voorde prognose van de bodemdaling te worden gegeven; e. In het meet- en regelprotocol dient beschreven te zijn in welke gevallen het meet- en regelprotocol geactualiseerd wordt. f. Nedmag B.V. dient (de actualisatie van) het meet- en regelprotocol in bij de inspecteur-generaal der mijnen en stuurt een afschrift aan de staatssecretaris. Zienswijzen Een reactie op de zienswijzen is gegeven in de nota van antwoord onder punt 2. Gelet op de zienswijzen met betrekking tot bodemdaling zijn er geen gronden om het ontwerp-instemmingsbesluit winningsplan Nedmag 2018 te wijzigen. Pagina 33 van 57

Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Transitie Diepe Ondergrond

6.3 Bodemtrilling

PDGGO-DTDO / 22543048

6.3.1 Winningsplan Nedmag stelt dat sinds het begin van de zoutwinning van Nedmag in de omgeving van Veendam geen bodemtrillingen zijn waargenomen als gevolg van de winningsactiviteiten. Dit wordt bevestigd door de waarnemingen van het KNMI. Alle geïnduceerde trillingen in de omgeving van Veendam zijn waargenomen op een diepte van 3 km en worden daardoor gerelateerd aan gaswinning. Magnesiumzoutlagen bevinden zich op een diepte van 1300 tot 1800 m. Het KNMI beschikt in Groningen en Drenthe over een uitgebreid meetnet dat zelfs kleine trillingen met een magnitude van 0,2 op de schaal van Richter registreert. De laag waaruit Nedmag zout wint bevindt zich in zoutlagen op ongeveer 1500 m diepte, ver boven de gasreservoirs. Deze zoutlagen zijn veel zachter en veel minder bros dan de zandsteenlagen waaruit gas wordt gewonnen. De deformaties die de oplosmijnbouw veroorzaakt in het zout rond de cavernes zijn a-seismisch, en veroorzaken geen aardtrillingen. De ondergrond in de omgeving van Veendam waar veranderingen in de spanning door oplosmijnbouw kunnen optreden, is eerder doorgerekend om te onderzoeken of deze veranderingen tot het reactiveren van bestaande breuken kunnen leiden.

De resultaten van deze berekeningen laten zien dat de veranderingen in spanning in de lagen boven het zout ten gevolge van oplosmijnbouw veel kleiner zijn dan die in de gasreservoirs ten gevolge van gaswinning. Nedmag geeft aan dat de lagen boven het zout in het algemeen een beetje stabieler worden door zoutwinning, omdat de spanning in verticale richting sterker afneemt dan in horizontale richting, en de schuifspanning afneemt. Er is een klein gebied aan de rand van het caverneveld van Nedmag waar de schuifspanningen licht toenemen, maar het is zeer onwaarschijnlijk dat deze toename tot reactivering van de breuken kan leiden. Een nadere analyse is uitgevoerd naar de invloed van de zoutwinning op de mogelijke reactivering van aanwezige breuken in het gesteente. De conclusie is dat het onwaarschijnlijk is dat de zoutwinning van Nedmag inactieve bestaande breukvlakken zal reactiveren, zolang het dak intact blijft.

6.3.2 Adviezen Advies SodM SodM stelt dat het risico van aardbevingen door de zoutwinning klein is. Uit studies bij het winningsplan blijkt dat de zoutwinning een stabiliserend effect heeft op de grotere breuken in het Trias, Krijt en Tertiair boven de zoutkoepel. Het is echter te verwachten dat door de kruip en aflaten van de cavernes lichte aardbevingen zullen voorkomen. Nedmag heeft een geofoon geplaatst die is aangesloten op het KNMI-netwerk. Met deze geofoon zijn eventuele aardbevingen ten gevolge van de zoutwinning beter te detecteren en lokaliseren. Ook is er beter onderscheid te maken met de aardbevingen die veroorzaakt worden door het nabijgelegen Groningen-gasveld en Annerveen-gasveld. Met het plaatsen van een geofoon wordt de gevoeligheid van de seismische monitoring verbeterd en is voldoende onderscheid te maken tussen trillingen veroorzaakt door gaswinning en trillingen veroorzaakt door zoutwinning. Pagina 34 van 57

Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Transitie Diepe Ondergrond

Advies Tcbb Tcbb stelt dat het risico van aardbevingen door de zoutwinning van Nedmag klein is.

PDGGO-DTDO / 22543048

Advies provincie Groningen De provincie Groningen stelt dat het adequaat monitoren van bodemtrillingen van groot belang is, zodat de oorsprong van een trilling goed detecteerbaar en te lokaliseren is. De microseismiciteit rondom zoutvoorkomens in de provincie Groningen staat steeds meer in de belangstelling. De provincie Groningen stelt dat er tot nu toe nog geen bodemtrillingen zijn gemeten die aan de zoutwinning door Nedmag zijn toegekend. De belangrijkste opdracht voor Nedmag is te voorkomen dat er opnieuw een breuk in het dak van een caverne kan ontstaan. De provincie Groningen gaat ervan uit dat een blijvend adequaat gebruik van deze geofoon en het gehele systeem hiermee gewaarborgd is dan wel wordt. Daarnaast vindt de provincie Groningen het openbaar beschikbaar stellen van de meetgegevens strikt noodzakelijk. Mocht dit niet zo zijn dan gaat de provincie Groningen ervan uit dat de minister in het instemmingsbesluit hieromtrent voorwaarden opneemt. De plaatsing van een extra meetstation door Nedmag wordt door de provincie Groningen als voldoende invulling van de monitoring beschouwd om waar te nemen en indien noodzakelijk in te grijpen.

De provincie Groningen stelt dat een heroverweging van een verdere uitbreiding van het systeem in de toekomst periodiek moet worden uitgevoerd, bijvoorbeeld met een vijfjaarlijkse frequentie dan wel tussentijds op basis van waargenomen microseismiciteit Advies provincie Drenthe De provincie Drenthe stelt dat monitoring van trillingen een signaleringsfunctie heeft, maar monitoring draagt ook bij aan de gemoedsrust van inwoners. Advies gemeente Veendam De gemeente Veendam stelt dat er een geofoon nabij het TR-cluster is geplaatst om eventuele bodemtrillingen te kunnen meten. Advies Mijnraad Nedmag heeft in 2019 een geofoon geplaatst. Er zijn meerdere mijnbouwactiviteiten op andere diepte in het gebied aanwezig die mogelijk bodemtrillingen kunnen veroorzaken. De Mijnraad beveelt aan om meerdere geofoons te plaatsen zodat beter onderscheid kan worden gemaakt in de oorzaak en locatie van het hypocentrum van de trilling.

6.3.3 Beoordeling bodemtrilling De staatssecretaris stelt, mede op basis van het advies van SodM, vast dat het risico op een bodemtrilling door de zoutwinning klein is. Uit studies bij het winningsplan blijkt dat de zoutwinning een stabiliserend effect heeft op de grotere breuken in het Trias, Krijt en Tertiair boven de zoutkoepel. Het is echter te verwachten dat door de kruip en aflaten van de cavernes lichte bodemtrillingen zullen voorkomen. Dit is ook de ervaring van andere winlocaties in Nederland. Als gevolg van de zoutwinning door Nedmag is er een klein risico op lichte

Pagina 35 van 57

Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Transitie Diepe Ondergrond

bodemtrillingen. De kans op bovengrondse effecten ten gevolge van deze lichte bodemtrillingen is echter verwaarloosbaar.

PDGGO-DTDO / 22543048

In mei 2019 heeft Nedmag een geofoon geplaatst in de directe nabijheid van de mijnbouwinrichting WHC-2. De positie van de geofoon en het type zijn op aanwijzing van het KNMI gekozen. De geofoon is onderdeel geworden van het meetnetwerk van het KNMI. Hij draagt de code VNDM en is onder die codering terug te vinden op de site van het KNMI. Met de uitbreiding van het seismisch netwerk met deze geofoon kan onderscheid worden gemaakt in de oorzaak en locatie van het hypocentrum van een bodemtrilling. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen een beving in een gasveld en een beving in de zoutcavernes. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen een eventuele beving in het TR-cluster en nieuwe putten. Met dit station is er echter geen goed onderscheid in locatie te maken tussen bodemtrillingen die plaats kunnen vinden ten zuiden van dit station. In het instemmingsbesluit van 30 april 2021 is daarom voorgeschreven dat Nedmag ervoor moet zorgen dat ook een goede locatie kan worden bepaald voor mogelijke bodemtrillingen in VE-7, VE-8 en TR-9. Naar aanleiding daar van is het meetnetwerk uitgebreid met het station VDM2 (in werking vanaf 22 april 2022) en kan ook onderscheid gemaakt worden tussen bevingen op 1300-1800 m en 3000 m voor magnitudes kleiner dan 1.0 en is tevens het gebied van de toekomstige winning uit cavernes VE-7 en VE-8 gedekt.

Trillingen die zijn voorgekomen in naburige gasvelden hebben geen directe invloed gehad op de zoutcavernes in de nabijheid van de bevingen. Het is onwaarschijnlijk dat er een zodanig grote trilling zou voorkomen dat deze direct invloed zou hebben op de zoutcavernes. Er is geen sprake van cumulatieve risico’s ten aanzien van bodemtrillingen of een risico dat een trilling in een gasveld een trilling kan opwekken bij de zoutcavernes. Zienswijzen Een reactie op de zienswijzen is gegeven in de nota van antwoord onder punt 3. Gelet op zienswijzen met betrekking tot bodemtrilling zijn er geen gronden om het ontwerp-instemmingsbesluit winningsplan Nedmag 2018 inhoudelijk te wijzigen.

6.4 Schade door bodembeweging 6.4.1 Winningsplan Nedmag geeft aan dat bodemdaling door zoutwinning een geleidelijk proces is dat zeer traag verloopt, waarbij de maximale helling (maximale bodemdaling in verhouding tot de breedte van de infrastructuur) zeer beperkt is. Nedmag acht de kans op het ontstaan van schade aan gebouwen en infrastructuur ten gevolge van de zoutwinning zeer klein. Nedmag verwacht geen schade aan gebouwen en openbare infrastructuur ten gevolge van de zoutwinning in Veendam omdat de daling geleidelijk en gelijkmatig plaatsvindt. Nedmag geeft aan dat mocht er schade optreden, dat zij dan de verplichting heeft die schade te vergoeden. Nedmag heeft voor het geval er als gevolg van zoutwinning toch schade bij panden in het bodemdalingsgebied van Nedmag vermoed wordt, een schadeprotocol opgesteld: “Protocol Bodemdalingsschade aan niet-overheden”. Dit protocol regelt de wijze van afhandeling van schademeldingen en de eventuele Pagina 36 van 57

Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Transitie Diepe Ondergrond

vergoeding van de schade. Volgens het protocol wordt bij alle schademeldingen binnen de invloedssfeer van Nedmag een onderzoek uitgevoerd door een bouwkundig inspectiebureau. Bij de beoordeling van een schademelding wordt de bodemdaling door zowel gas- als zoutwinning meegenomen.

PDGGO-DTDO / 22543048

6.4.2 Adviezen Advies SodM SodM beschrijft dat schade aan gebouwen nooit is uit te sluiten. Bij grootschalige en forse bodemdaling zoals die is voorzien in het winningsplan zijn aanpassingen in het waterbeheer een direct gevolg daarvan. SodM acht de kans erg klein dat bij de zoutwinning van Nedmag aardbevingen kunnen voorkomen die leiden tot schade. Wanneer vrije pekel in de ondergrond achterblijft leidt dit tot mogelijke risico’s en schade op een onbekend moment in de toekomst en is onwenselijk. SodM merkt op dat bij het in kaart brengen van de maatregelen voor de waterhuishouding is uitgegaan van volledig functiebehoud en geeft aan dat soms met minimale aanpassingen in het gebruik van met name agrarische gronden veel minder aanpassingen nodig zijn. SodM raadt dan ook de provincie, gemeentes en waterschappen aan in het proces van in kaart brengen van maatregelen ook de lange termijn ontwikkeling van het gebied in ogenschouw te nemen. SodM stelt dat Nedmag deugdelijke afspraken dient te maken met, en een adequate financiële bijdrage te leveren aan de lokale overheden, opdat deze in staat zijn de blijvende effecten adequaat te beheersen. SodM stelt dat een gevolg van het aflaten van de cavernes is dat het grootste deel van de bodemdaling zal optreden binnen de periode van het winningsplan.

Beheersmaatregelen van de bodemdaling en het onderhoud daarvan moet over een zeer lange periode betaald worden. SodM adviseert de afhandeling van schade als gevolg van de zoutwinning zo snel mogelijk onder te brengen in het landelijk schadeloket mijnbouw. Daarmee is sprake van één adres waar mensen terecht kunnen en van een neutrale beoordeling van de oorzaak van de schade. Gegeven de samenloop van effecten van verschillende vormen van mijnbouwactiviteiten die hier plaatsvindt, adviseert SodM bij het beoordelen van gemelde schade bij dit overheidsloket uit te gaan van het bewijsvermoeden zoals dat nu ook al gebeurt bij het winnen van gas uit het Groningenveld. SodM adviseert om als randvoorwaarde aan Nedmag op te leggen om een financiële reservering aan te leggen in een van de onderneming juridisch en financieel los gepositioneerd fonds. De middelen die in dit fonds komen dienen om het opruimen van de nieuwe putten in de toekomst, de continuïteit van maatregelen in het waterbeheer en de afhandeling van eventuele toekomstige schade te waarborgen. Advies Tcbb De Tcbb stelt dat hoewel aanpassingen van het waterpeil ter beoordeling aan het waterschap zijn, aanpassingen in het waterpeil zodanig plaatsvinden dat het risico op schade als gevolg van ongelijkmatige zettingen door veenoxidatie of door rot van houten funderingen geminimaliseerd wordt. Pagina 37 van 57

Programma DG Groningen en Ondergrond Directie Transitie Diepe Ondergrond

Advies provincie Groningen De provincie Groningen stelt dat de veiligheid van mijnbouwactiviteiten en ook van het winnen van magnesiumzouten altijd voorop moet staan. De provincie Groningen verwacht dat de microseismiciteit, die mogelijk kan samenhangen met de zoutwinning, niet voelbaar is en niet kan leiden tot schade aan gebouwen. De provincie Groningen stelt dat er een onafhankelijke, ruimhartige en publieke schadeafhandeling moet komen voor alle mijnbouwactiviteiten in Groningen.

PDGGO-DTDO / 22543048

Advies provincie Drenthe De provincie Drenthe adviseert te waarborgen dat de nieuwe zoutwinning van Nedmag veilig plaatsvindt. De gaswinning kan gepaard gaan met trillingen en zowel de gas- als de zoutwinning leiden tot bodemdaling in het gebied. In elk geval is schade aan gebouwen als gevolg van deze mijnbouwactiviteiten niet geheel uit te sluiten. Om draagvlak in de regio te houden voor deze en mogelijke toekomstige mijnbouwactiviteiten, is het van belang de schadeafhandeling goed te regelen. De provincie Drenthe stelt dat ook na 2045 voldoende middelen beschikbaar zijn voor de adequate beheersing van de blijvende effecten van de zoutwinning in het gebied. Het betreft hier zowel de kosten voor het waterschap als mogelijke naijlende schade-effecten. De provincie Drenthe stelt dat er weliswaar een fonds is en kosten door Nedmag worden voldaan, maar ook als Nedmag vertrokken is, moet de vergoeding van de kosten van blijvend benodigde waterhuishoudkundige maatregelen geborgd zijn. Gemeente Veendam De gemeente Veendam stelt dat door verschillende partijen de afgelopen jaren is onderzocht in hoeverre dergelijke bodemdaling kan leiden tot schade aan bovengrondse infrastructuur en bebouwing. Uit deze onderzoeken is gebleken dat het risico op dergelijke schade bij actuele en te verwachten bodemdaling verwaarloosbaar klein is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12662140/1