30-05 Rapport+Jeugdbescherming+Noord
Tekst van het document
De plannen van aanpak sluiten onvoldoende aan op een brede analyse van de problematiek en onderliggende oorzaken van de ontwikkelingsbedreiging of het recidiverisico van de jeugdige (zoals bedoeld onder norm 1a).
-
De doelen in de plannen van aanpak sluiten niet altijd aan bij de problematiek, vastgestelde risico’s en de context.
-
Voor de jeugdige en diens ouders is vaak niet duidelijk hoe zij aan de doelen werken en welke hulp wordt ingezet om de doelen te bereiken.
Norm 1b.3
Oordeel Het plan van aanpak is gereed binnen de gestelde termijnen.
Waar kijken de inspecties naar? Het plan (de gedragen koers) is binnen zes weken na het uitspreken van de maatregel beschikbaar.
Tijdig plan van aanpak In gesprekken met de jeugdzorgwerkers, teammanagers, gedragswetenschappers en ouders horen de inspecties dat het vaak niet lukt om het plan binnen de termijn van zes weken op te stellen. De inspecties zien dit ook terug in aangeleverde informatie van JBN: in 70% van de gevallen (bij 680 van 975) is het plan van aanpak niet tijdig opgesteld. In de gesprekken met jeugdzorgwerkers, gedragswetenschappers, teammanagers en praktijkbegeleiders wordt aangegeven dat het met regelmaat niet lukt om binnen zes weken een gedegen onderzoek uit te voeren en te komen tot een plan van aanpak (gedragen koers). Gedragswetenschappers en teammanagers geven aan dat de inzet van TOC hierin helpend is om meer zicht te krijgen op de oorzaken hiervan. Praktijkbegeleiders en gedragswetenschappers proberen hier nu beter op te sturen en tijdig het gesprek aan te gaan met jeugdzorgwerkers zodat
25 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
zij de jeugdzorgwerkers beter kunnen begeleiden hierin. Belemmering die zij ervaren is dat teammanagers meer kunnen zien in het dashboard dan de gedragswetenschapper en de praktijkbegeleider. Dit maakt het volgens teammanagers, praktijkbegeleiders en gedragswetenschappers onoverzichtelijk en moeilijk om te sturen. De gedragswetenschapper en praktijkbegeleider geven aan dat beter zicht kan helpen bij deze sturing. Zij leggen uit dat het ze nu vaak overkomt dat plannen niet tijdig zijn. Door betere sturing zou volgens de gesprekspartners meer grip ontstaan. De organisatie zou nu bezig zijn met een ontwikkeling op dit vlak, geven zij aan. Uit achttien van de twintig cliëntdossiers die de inspecties hebben ingezien blijkt dat het plan van aanpak niet binnen zes weken na start van de maatregel is opgesteld. In één cliëntdossier zien de inspecties dat de jeugdzorgwerker nog bezig is met het plan van aanpak, op dat moment vijf weken na de start van de maatregel. Het cliëntdossier dat binnen de termijn van zes weken is opgesteld is van een jeugdreclasseerder. Een jeugdzorgwerker geeft de verklaring dat het plan van aanpak niet op tijd klaar is in verband met de werkdruk.
De inspecties horen in het gesprek met de teammanagers, praktijkbegeleiders en gedragswetenschappers dat het doel is om een casus direct op te laten pakken door een vaste jeugdzorgwerker die het plan binnen de gestelde termijn van zes weken opstelt. De CCP medewerkers zouden dit moeten oppakken en garanderen, maar door personeelstekorten is dit niet mogelijk, vertellen jeugdzorgwerkers de inspecties. Tekortkomingen -
JBN slaagt er voor een groot deel van de jeugdigen niet in om tijdig samen met jeugdigen en ouders een plan van aanpak op te stellen, op basis van een gezamenlijke integrale analyse van de jeugdige en diens gezinssituatie.
26 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Thema 2: Tijdige inzet van passende hulp In dit thema kijken de inspecties in hoeverre het lukt om de hulp die nodig is om de ontwikkelingsbedreiging af te wenden en/of het recidiverisico te verminderen tijdig in te zetten. Oordeel Het oordeel van de inspecties over de tijdigheid van het inzetten van passende hulp is grotendeels onvoldoende. De inspecties komen tot dit oordeel omdat jeugdigen en hun ouders te vaak niet tijdig passende hulp krijgen. Hier liggen twee onderliggende oorzaken aan ten grondslag: •
In het merendeel van de dossiers ontbreekt een brede analyse van de problematiek, ontwikkelingsbehoeften en mogelijkheden van de jeugdigen en ouders. Hierdoor is niet navolgbaar of de ingezette hulp ook passend is. Meer dan de helft van de ouders en jeugdigen ervaren dat de ingezette hulp niet aansluit.
•
Een tweede oorzaak ligt buiten de invloedssfeer van JBN en de inzet en mogelijkheden van de jeugdzorgwerkers. Dat betreft de beschikbaarheid en toegankelijkheid van hulp. Gemeenten zijn hier verantwoordelijk voor. Jeugdzorgwerkers zijn veelal veel tijd kwijt aan het zoeken naar passende hulp en overleg met gemeentes hierover.
Passende hulp
Tijdig
Afgestemd
Hieronder leest u per norm een toelichting op het oordeel van de inspecties.
Norm 2.1
Oordeel De ingezette hulp draagt bij aan het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het recidiverisico.
Waar kijken de inspecties naar? De ingezette hulp vloeit voort uit het plan (gedragen koers), dat aansluit bij de problematiek, ontwikkelingsbehoefte en mogelijkheden van jeugdigen en ouders. De professional kan toelichten waarom de hulp passend is en de jeugdige en ouders ervaren dat de hulp bijdraagt aan het opheffen van de onveiligheid en/of ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het recidiverisico.
27 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Beschikbaarheid passende hulp Jeugdzorgwerkers leggen aan de inspecties uit dat zij met collega’s overleggen over de keuze van hulp voor een gezin of jeugdige. Uiteindelijk bepalen de jeugdzorgwerkers samen met de gedragswetenschapper welke hulpverleningsinstantie passend is. Gedragswetenschappers geven aan dat zij betrokken worden bij vragen over passende hulp of de onderbouwing hiervan. Overleggen over passende hulp gebeurt in de casuïstiekbespreking of individueel met de gedragswetenschapper. Jeugdzorgwerkers vertellen dat soms vanuit het raadsrapport, de beschikking van de rechter of de voorwaarden bij jeugdreclassering vooraf duidelijk is welke hulp ingezet moet worden. De noodzakelijke hulp kan niet altijd direct ingezet worden of het passende aanbod is niet altijd beschikbaar vertellen jeugdzorgwerkers. Een praktijkbegeleider vertelt de inspecties dat het vinden van passende hulp lastig is voor jeugdzorgwerkers omdat zij afhankelijk zijn van de hulpverleningsinstanties. Gedragswetenschappers bevestigen dat. Jeugdzorgwerkers vertellen dat zij afhankelijk zijn van de wachttijden bij hulpverleningsinstanties. Het kost hen veel tijd en zij geven aan dat ze soms overal naar toe moeten bellen om een passende plek te vinden.
Jeugdzorgwerker: “Het is soms een hele puzzel om passende hulp te vinden”
In gesprekken over de dossiers die de inspecties samen met de betrokken jeugdzorgwerker inzagen vertellen de jeugdzorgwerkers dat het uiteindelijk vaak lukt om passende hulp in te zetten. Een jeugdzorgwerker vertelt dat de gekozen hulp in samenspraak met de jeugdige is bepaald. Een jeugdreclasseerder vertelt de inspecties dat bij het kiezen van de hulp rekening is gehouden met de culturele achtergrond van de jeugdige. In gesprekken met de jeugdzorgwerkers, teammanagers, en gedragswetenschappers horen de inspecties dat jeugdzorgwerkers altijd aanwezig zijn bij de intakegesprekken van hulpverleningsinstanties. Als sprake is van residentiële jeugdhulp gaan jeugdzorgwerkers vaak samen met de betreffende jeugdigen op de locatie kijken. De inzet van passende jeugdhulp is afhankelijk van de relatie tussen de jeugdzorgwerker en de jeugdige en ouders blijkt uit gesprekken met jeugdzorgwerkers. Een jeugdzorgwerker vertelt dat wanneer je als vaste jeugdzorgwerker betrokken bent het makkelijker is om goede passende hulp in te zetten. De jeugdzorgwerker kan dan een relatie opbouwen met de jeugdige en ouders en daardoor beter aansluiten bij de behoeften en mogelijkheden, legt de jeugdzorgwerker uit. Vanuit het CRT worden deze gesprekken door meerdere jeugdzorgwerkers uitgevoerd waardoor het voor hun lastiger is om aan te sluiten bij wat de jeugdige nodig heeft.
Jeugdzorgwerkers geven aan informatie met elkaar te delen over hulpverleningsinstanties en samen te sparren over de mogelijkheden van een hulpverleningsinstantie voor een jeugdige en/of ouders. Jeugdzorgwerkers die veel ervaring hebben in het werkveld kennen de hulpverleningsinstanties in de regio goed. Vanuit de gesprekken met de jeugdzorgwerkers wordt
28 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
duidelijk dat het vinden van passende hulp een gezamenlijk proces is waarbij jeugdzorgwerkers voor elkaar klaarstaan en elkaar ondersteunen. De inspecties spraken verschillende ketenpartners over het aansluiten van de hulp bij de hulpvraag of problematiek van de betreffende jeugdige en/of het gezin. Verschillende ketenpartners zijn van mening dat de ingezette hulp goed aansluit. Een ketenpartner vertelt dat de hulp past bij het werken aan de opgestelde doelen in het plan van de jeugdige en/of ouders. Een andere ketenpartner vertelt dat de hulp momenteel passend is voor de jeugdige en dat de hulp zo nodig aangepast wordt. Dossiers De inspecties zien dat in negen van de twintig cliëntdossiers de ingezette hulpverlening (deels) aansluit bij de problematiek, risico’s en doelen. De inspecties zagen dat in het merendeel van de dossiers die zijn ingezien een analyse van de problematiek, ontwikkelingsbehoeften en mogelijkheden van de jeugdigen en ouders ontbreekt (zie normen 1a2 en 1b2). De inspecties kunnen daarom niet vaststellen of de ingezette hulp aansluit op de analyse en voortvloeit uit het plan (gedragen koers). Uit de antwoorden van ouders en jeugdigen op de online vragenlijsten blijkt dat het merendeel (65%) vindt dat de ingezette hulp niet zorgt voor verbetering en daarmee niet passend is.
Ten aanzien van het aansluiten van de hulp op het plan van aanpak zegt 54% dat dit niet het geval is. Een ouder schrijft dat er te veel wisselende jeugdzorgwerkers betrokken zijn geweest en dat dit een negatief effect heeft gehad op het resultaat voor de jeugdige. Mogelijkheden inzet passende hulp In gesprek met de gedragswetenschappers, teammanagers en praktijkbegeleiders horen de inspecties dat jeugdzorgwerkers soms wekenlang bezig zijn om een jeugdige op een passende plek te plaatsen. Dit ligt soms buiten de invloedsfeer van jeugdzorgwerkers. De beschikbaarheid van geestelijke gezondheidszorg (GGZ) ontbreekt vooral, volgens de jeugdzorgwerkers. De GGZ heeft te maken met lange wachtlijsten, zowel op het vlak van diagnostiek als behandeling. Dit terwijl jeugdigen soms direct geholpen zouden moeten worden, vertelt een praktijkbegeleider. Ook merkt een gedragswetenschapper op dat er te weinig aanbod is in de residentiële jeugdhulp en specialistische jeugdhulp.
Praktijkbegeleider: “Jeugdbescherming Noord kan niet afdwingen dat hulpaanbieders passende hulp bieden”
Een gedragswetenschapper vertelt dat jeugdzorgwerkers er tegenaan lopen dat sommige hulpverleningsinstanties jeugdigen met een complexe problematiek niet willen aannemen. Ook wanneer hulpverlening stopt, omdat bijvoorbeeld ouders niet meer mee willen werken, zijn er vaak weinig alternatieven. De inspecties horen van jeugdzorgwerkers dat zij veel tijd besteden aan het rondbellen en mailen om een passende plek te vinden.
29 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Jeugdreclasseerders vertellen aan de inspecties dat zij een tekort zien aan kwalitatief goede orthopedagogische hulpverleningsinstanties in de regio. Het ontbreekt aan contracten tussen de hulpverleningsinstanties en gemeenten, dat zorgt voor een hoge administratieve last, vertelt een jeugdreclasseerder. Uiteindelijk lukt het wel om passende hulp in te zetten, maar dit is vaak pas nadat een jeugdige op een wachtlijst heeft gestaan, legt de jeugdreclasseerder uit. Tekortkomingen -
De ingezette hulp vloeit onvoldoende voort uit een gedegen analyse van de problematiek, ontwikkelingsbehoefte en mogelijkheden van jeugdigen en hun ouders. Dit is van belang om passende hulp in te zetten die aansluit bij de ontwikkelbehoefte van jeugdige en ouders.
-
De hulp die noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging van een jeugdige af te wenden kan JBN te vaak niet inzetten of kost veel tijd. Het ontbreekt aan een kwalitatief en kwantitatief toereikend hulpaanbod en indien nodig onvoldoende mogelijkheden om maatwerk te organiseren voor een jeugdige en diens gezin. Gemeenten zijn hier verantwoordelijk voor.
30 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Norm 2.2
Oordeel De hulp wordt tijdig ingezet.
Waar kijken de inspecties naar? Binnen drie maanden na het opleggen van de maatregel is passende hulp voor de jeugdige (en diens gezin) gestart, of zoveel eerder als de professionals en betrokkenen noodzakelijk achten gezien de onveilgheid, ontwikkelingsbedreiging, en/of het recidiverisico van de jeugdige. De professional organiseert tijdig alternatieve hulp indien de professional met jeugdige, ouders en andere betrokkenen vaststelt dat de ingezette hulp niet doeltreffend of veilig is. De professional schaalt op indien de noodzakelijke hulp niet beschikbaar is.
Wachtlijsten en wachttijden Van de gedragswetenschappers, teammanagers en jeugdzorgwerkers horen de inspecties dat wanneer bepaald is welke hulpverlening passend is, de jeugdige en/of ouders gelijk worden aangemeld bij een hulpverleningsinstantie. CCP medewerkers vertellen deze taak bij de start op zich te nemen zodat er snel gehandeld kan worden. De jeugdzorgwerkers, gedragswetenschappers en praktijkbegeleiders geven aan dat het vaak niet lukt om tijdig – binnen drie maanden – passende hulp in te zetten. Zij geven hiervoor verschillende redenen en belemmeringen bij de inspecties aan: -
Door wisselingen van jeugdzorgwerkers of gebrek aan tijd van de jeugdzorgwerker is de casus niet tijdig opgepakt bij JBN.
-
Er zijn knelpunten in de financiering – met name bij hulp buiten de regio of nietgecontracteerde zorg.
-
Er is niet altijd een goede samenwerking met de gemeenten en bij niet-gecontracteerde hulpverleningsinstanties willen gemeenten vaak eerst zelf onderzoek doen.
-
Te weinig passend aanbod in de regio, voornamelijk een gebrek aan residentiële plekken.
-
De jeugdige en/of gezinsleden werken niet mee met de hulp of er is te veel onrust binnen het gezin.
-
Hulpverleningsinstanties wijzen veel aanvragen af, hebben meerdere contra-indicaties of uitsluitingscriteria en durven casussen met complexe problematiek bijvoorbeeld niet aan te nemen.
-
Wachtlijsten en wachttijden bij hulpverleningsinstanties, met name specialistische jeugdhulp.
De inspecties horen van jeugdzorgwerkers dat wanneer er sprake is van crisis/spoed het vaak wel lukt om de hulp tijdig te laten starten. Een jeugdzorgwerker vertelt dat dit een uitzondering is: het is niet standaard dat de hulp tijdig start. Jeugdzorgwerkers noemen ook dat tijdige afstemming met de betrokken gemeente helpend is. Ook in de gesprekken met ouders horen de inspecties dat hulp niet tijdig is ingezet. Een ouder vertelt dat de start van de maatregel eind november 2024 was en tot op heden nog geen hulp is gestart. In gesprek met jeugdigen horen de inspecties dat de jeugdzorgwerkers vaak nog niet met hen gesproken hebben over het inzetten van hulp.
31 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Inzet tijdens het wachten De inspecties horen in de gesprekken met jeugdzorgwerkers, gedragswetenschappers, praktijkbegeleiders en teammanagers dat er alles aan gedaan wordt om een goede plek voor een jeugdige te vinden. Jeugdzorgwerkers vertellen dat zij als team gezamenlijk rondbellen of hun netwerk inschakelen om een geschikte plek te vinden. Gedragswetenschappers en praktijkbegeleiders geven aan dat jeugdzorgwerkers zich heel betrokken voelen en de verantwoordelijkheid dragen waar andere partijen ‘nee’ zeggen. De tijd die jeugdzorgwerkers besteden aan het zoeken van een passende plek werkt volgens de teammanager door in ontwrichting van het team en een hoge werkdruk. Binnen de teams zijn continu een aantal casussen waarbij jeugdzorgwerkers veel tijd kwijt zijn aan het vinden van een passende plek voor de jeugdige en/of het gezin, vertelt een gedragswetenschapper aan de inspecties. Jeugdzorgwerkers zijn veel tijd kwijt aan het vinden van een passende plek, terwijl er binnen JBN ook casussen liggen te wachten op een vaste jeugdzorgwerker vertelt deze gedragswetenschapper. Dit maakt dat jeugdzorgwerkers extra druk en een hoge verantwoordelijkheid voelen volgens de gedragswetenschappers en teammanagers.
Praktijkbegeleider: “De verantwoordelijkheid ligt bij ons terwijl iedereen nee zegt.”
Opschalen De jeugdzorgwerkers vertellen de inspecties dat wanneer zij vastlopen bij het inzetten van hulp zij dit kunnen opschalen. Afhankelijk van de casus en de oorzaak van het vastlopen ligt er dan een taak voor de gedragswetenschapper, teammanager of bestuurder. Teammanagers, gedragswetenschapper en de bestuurder bevestigen dat zij betrokken worden in casuïstiek en noemen verschillende voorbeelden in de gesprekken met de inspecties waarbij casussen opgeschaald zijn. Een jeugdzorgwerker merkt op dat wanneer een casus opgeschaald wordt, het vaak lukt om alsnog hulp in te zetten. In de gesprekken met gemeenten horen de inspecties dat gemeenten met jeugdzorgwerkers het gesprek voeren over het tijdig kunnen inzetten van hulp. Jeugdzorgwerkers vertellen dat gemeenten vaak zelf de screening willen doen bij hulpverleningsinstanties en dat zij afhankelijk zijn van het aanbod van de gemeenten voor het tijdig in kunnen zetten van hulp. Tekortkomingen -
Het lukt JBN onvoldoende om tijdig (binnen drie maanden na opleggen van de maatregel) passende hulp in te zetten of een passend alternatief bieden. Hierbij zijn zij deels afhankelijk van de beschikbaarheid van hulp (zie 2.1).
Norm 2.3
Oordeel Over de inzet van hulp vindt afstemming met de gemeente plaats.
32 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Waar kijken de inspecties naar? De gecertificeerde instelling bepaalt of, en zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Zij overlegt hiertoe met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. Dit is niet van toepassing indien de verplichting tot het bieden van jeugdhulp rechtstreeks voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing.
Samenwerking met gemeenten rondom passende hulp De bestuurder vertelt dat zij regelmatig gesprekken heeft met de betrokken gemeenten en inkoopregio’s. De bestuurder vindt het van belang dat er een gedeeld beeld ontstaat over het zorglandschap en dat taken en verantwoordelijkheden van ketenpartners met elkaar besproken worden. Volgens de bestuurder zou de proeftuin (vanuit het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming waar JBN onderdeel van is) in Groningen helpend zijn voor de samenwerking in de keten en de inzet van passende hulp. De bestuurder vertelt de inspecties dat de samenwerking met de gemeenten voorheen minder intensief was en dat de taak van JBN in het zorglandschap daaronder leed. Inmiddels zijn deze contacten geïntensiveerd en vindt dit op structurele basis plaats, vertelt zij de inspecties. De inspecties hebben de twee opdrachtgevende gemeenten vanuit de regio Groningen en Drenthe gesproken en zij bevestigen dat er zowel op organisatieniveau als op taakniveau afstemming plaatsvindt en dat dit op structurele basis gebeurt. Tijdens deze overleggen worden bijvoorbeeld afspraken gemaakt over de beschikbaarheid en inzet van jeugdhulp. Er is een samenwerkingsprotocol waar alle taken en werkprocessen in beschreven staan. JBN maakt de verwijzing voor passende hulp en de gemeenten financieren de ingezette hulp.
Eén van de gemeenten geeft aan dat er overleg is op het moment dat er sprake is van een persoonsgebonden budget, als zorg niet is ingekocht of bij een niet gecontracteerde hulpverleningsinstantie wordt geleverd of wanneer sprake is van een stapeling van hulp. Vanuit jeugdzorgwerkers horen de inspecties dat het veel tijd vraagt om te overleggen met gemeenten over maatwerkcontracten.
‘We blijven elkaar maandelijks spreken’ - Gemeente
De zoektocht naar passende hulp Jeugdzorgwerkers willen soms bepaalde zorg inzetten die niet is ingekocht door de gemeenten en dit zorgt ervoor dat jeugdzorgwerkers tegen dichte deuren aanlopen. Dit horen de inspecties in de gesprekken met jeugdzorgwerkers, teammanagers en gedragswetenschappers. Jeugdzorgwerkers vertellen de inspecties dat zij veel contact hebben met gemeenten over hun aanbod. Gemeenten hebben het overzicht van de hulp, vertellen zij. Ook horen de inspecties in deze gesprekken dat jeugdzorgwerkers veel tijd besteden aan het bellen met hulpverleningsinstanties en gemeenten. Een teammanager geeft het voorbeeld van een casus waarbij een jeugdzorgwerker dagenlang bezig is geweest met bellen naar een hulpverleningsinstantie die passende hulp biedt voor een jeugdige met complexe problematiek. Uiteindelijk had de jeugdzorgwerker een
33 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
hulpverleningsinstantie gevonden, maar deze was niet gecontracteerd en de betrokken gemeente wilde de jeugdhulp niet betalen. De inspecties horen in de gesprekken met gemeenten dat een passend zorglandschap regelmatig onderwerp van gesprek is. Gemeenten en jeugdzorgwerkers gaan regelmatig met elkaar in gesprek om gezamenlijk op zoek te gaan naar passende hulp voor een jeugdige en/of het gezin. Jeugdzorgwerkers geven aan dat wanneer zij de betrokken gemeente tijdig meenemen en er frequent contact is, dit helpend is voor de inzet van passende hulp. De bestuurder geeft aan regelmatig betrokken te worden bij casuïstiek die opgeschaald wordt. Zij neemt dit mee in de gesprekken die op bestuurlijk niveau gevoerd worden en vindt deze taak binnen het zorglandschap van belang. Samenwerking is daarin essentieel volgens de bestuurder. De bestuurder wil dat jeugdigen en gezinnen zo goed mogelijk geholpen worden vanuit de wettelijke taak en zo min mogelijk last ervaren van de complexiteit hieromheen. Tekortkomingen -
Ondanks de inspanningen die JBN doet om met de gemeenten te overleggen is er voor jeugdigen en hun ouders geen dekkend zorglandschap. Een dekkend zorglandschap is noodzakelijk om tijdig passende hulp in te kunnen zetten.
34 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Thema 3: Regie op voortgang van het beoogde resultaat In dit thema kijken de inspecties naar de kwaliteit van de regievoering vanuit de gecertificeerde instelling op de ingezette hulp en de mate waarin de gecertificeerde instelling zicht houdt op de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige. Oordeel Het oordeel van de inspecties over de kwaliteit van de regievoering is onvoldoende. De inspecties komen tot dit oordeel omdat het de jeugdzorgwerkers niet lukt om voldoende tijd en aandacht aan alle jeugdigen en ouders te besteden en zo betekenisvol contact aan te gaan over de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige. Jeugdigen worden onvoldoende door een jeugdzorgwerker gesproken in 1-op-1 gesprekken. Het lukt JBN onvoldoende om regie te voeren op de hulp aan jeugdigen en ouders. Het ontbreken van vaste jeugdzorgwerkers leidt tot ernstige problemen in de samenwerking en regievoering. Voor jeugdigen, ouders en ketenpartners zijn de taken, rollen en verwachtingen van jeugdzorgwerkers en de betrokken instanties niet altijd duidelijk, zij worden daar niet over geïnformeerd. De dossiers zijn niet altijd actueel en/of volledig. Het lukt JBN onvoldoende om planmatig en procesmatig te werken. Er zijn evaluatiemomenten, de uitkomsten hiervan worden echter niet altijd vastgelegd.
JBN heeft onvoldoende zicht op veiligheid in zaken die tot de ‘werkvoorraad’ behoren, waaronder die bij het CRT. Op het moment van toezicht waren er 60 zaken die onvoldoende in beeld zijn. Ook in andere zaken komt het voor dat veiligheidsinschattingen niet actueel zijn of niet aanwezig zijn. JBN handelt reactief bij zorgen of signalen van onveiligheid.
Cliëntgericht Samenwerking en regie
Systematisch handelen
Zicht op jeugdige
Inschatten Handelen bij veiligheid onveiligheid
Hieronder leest u per norm een toelichting op het oordeel van de inspecties.
Norm 3.1
Oordeel De jeugdige krijgt in het gehele proces de mogelijkheid om te participeren en is betrokken bij de besluitvorming.
35 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Waar kijken de inspecties naar? In de dagelijkse praktijk besteden professionals voldoende tijd en aandacht aan de jeugdige en ouders. De professional onderhoudt de relatie met ouders en jeugdige. De professional blijft tevens in contact met het (informele) netwerk van het gezin. De professional bevordert de band tussen ouders, jeugdige en andere gezinsleden en met belangrijke personen uit het netwerk. Professionals behandelen jeugdigen en ouders met respect en jeugdigen ouders ervaren begrip en vertrouwen.
Tijd en aandacht Tien van de twaalf ouders vertellen de inspecties dat de samenwerking met jeugdzorgwerkers moeizaam verloopt. Er is volgens ouders weinig contact, ouders moeten zelf steeds initiatief nemen en ouders voelen zich niet gehoord en gezien. Een ouder geeft aan geen ondersteuning te ervaren door een roulerend team van jeugdzorgwerkers. Daarnaast hoorden de inspecties van ouders dat ouders relevante informatie niet van de jeugdzorgwerker krijgen, maar van de hulpverlening, of bijvoorbeeld van pleegouders. De helft van de gesproken jeugdigen geeft aan dat zij geen structureel contact hebben met de jeugdzorgwerker. Jeugdigen noemen voorbeelden waarin de jeugdzorgwerker alleen kort op bezoek komt om zich voor te stellen en dat zij geen contactgegevens van de jeugdzorgwerker hebben. Een jeugdige vertelt dat de jeugdzorgwerker niet goed bereikbaar is. Een andere jeugdige vertelt nog geen contact te hebben met de jeugdzorgwerker en niet goed te snappen waarom de jeugdige een jeugdzorgwerker heeft. Een jeugdige met een vaste jeugdzorgwerker vertelt één keer per maand fysiek contact te hebben en daarnaast regelmatig telefonisch contact. Een andere jeugdige met een vaste jeugdzorgwerker vertelt de inspecties dat de betrokken jeugdzorgwerker aardig is en goed luistert.
In de uitgezette online vragenlijsten is gevraagd of de jeugdzorgwerker voldoende tijd en aandacht besteedt aan jeugdigen en ouders. 65% van de jeugdigen en ouders is het hier (zeer) mee oneens. Ook geeft 39% aan niet betrokken te worden bij beslissingen. En 55% vindt dat er onvoldoende inspraak of meebeslissen mogelijk is. Wisselende jeugdzorgwerkers De jeugdzorgwerkers vertellen dat zij onvoldoende tijd en aandacht kunnen besteden aan jeugdigen en ouders. Jeugdzorgwerkers ervaren onvoldoende tijd en ruimte om contact met ouders en jeugdigen te onderhouden. Jeugdzorgwerkers, gedragswetenschappers en teammanagers vertellen dat er op dit moment onvoldoende medewerkers beschikbaar zijn door uitval, verzuim en verloop. Hierdoor zijn er periodes bij de start of tussentijds waarin er geen vaste jeugdzorgwerker gekoppeld is, er onvoldoende continuïteit is in casuïstiek en daarmee onvoldoende contactopbouw. Gedragswetenschappers, praktijkbegeleiders en jeugdzorgwerkers uit het CRT team vertellen dat casussen die op de werkvoorraad staan geprioriteerd worden en ingedeeld worden in categorieën ‘prio 1 t/m 4’. Prio 1 zijn casussen waarbij sprake is van een dreigende uithuisplaatsing of acute onveiligheid. De inschatting in welke categorie een casus valt doet de jeugdzorgwerker samen met de gedragswetenschapper.
Jeugdzorgwerkers vertellen dat de balans op de caseload weg is omdat zij enkel bezig zijn met casussen die veel tijd vragen; prio 1.
36 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
De inspecties merken op dat alle gesproken jeugdzorgwerkers het belang aangeven van goed contact en een goede samenwerking met jeugdigen en ouders, ondanks dat er op dit moment onvoldoende tijd en ruimte voor is. Een jeugdzorgwerker legt uit dat het belangrijk is dat een jeugdige voelt dat er respect is voor de ouders omdat het de bedoeling is dat jeugdzorgwerkers toewerken naar een betekenisvolle verhouding tussen ouders en jeugdige. Vaste jeugdzorgwerkers geven aan dat wanneer zij betrokken zijn en het niet lukt om tot een gezamenlijke visie te komen met de ouders en jeugdige, ze meer investeren in het contact met jeugdigen en ouders.
Jeugdzorgwerker: “Op weg naar huis rij ik nog snel even langs bij een jeugdige, dat vind ik belangrijk zodat ze zich echt gezien en gehoord voelen”
1-op-1 contact jeugdige Gedragswetenschappers, praktijkbegeleiders en jeugdzorgwerkers geven aan dat er geen afspraken op papier staan over 1-op-1 contact met een jeugdige. Zij vertellen dat per casus wordt afgewogen wat passend is. Jeugdzorgwerkers, teammanagers, gedragswetenschappers en praktijkbegeleiders vertellen dat niet de jeugdzorgwerker maar de betrokken hulpverlening, waaronder vaak pleegzorgbegeleiders, grotendeels de gesprekken met jeugdigen voert. Gedragswetenschappers, praktijkbegeleiders en jeugdzorgwerkers noemen hier meerdere voorbeelden van. Een jeugdzorgwerker vertelt dat wanneer er hulpverlening betrokken is, de hulpverleners de gesprekken met de jeugdigen voeren. De situatie waarin JBN momenteel verkeert, met veel verloop, verzuim en onvoldoende beschikbare medewerkers, zou de reden zijn volgens gedragswetenschappers, teammanagers en jeugdzorgwerkers dat het niet altijd lukt om zelf 1-op-1 contact te hebben met een jeugdige. De jeugdzorgwerker verwacht dat de pleegzorgbegeleider belt als er bijzonderheden zijn. Deze situatie en de verwachting dat ketenpartners de gesprekken met jeugdigen voeren, is volgens teammanagers, gedragswetenschappers, praktijkbegeleiders en jeugdzorgwerkers onvoldoende naar ketenpartners gecommuniceerd. Vaste jeugdzorgwerkers geven voorbeelden van hoe zij wel zelf het contact met de jeugdige onderhouden.
Een jeugdzorgwerker vertelt dat zij buiten werktijd nog even snel langs gaat bij een jeugdige op een woongroep zodat die zich gezien en gehoord voelt. Jeugdreclasseerders geven aan dat het per casus verschilt hoeveel 1-op-1 contact er met een jeugdige is. Er worden voorbeelden genoemd waarin er één keer in de vier tot zes weken contact is. De vaste contactmomenten zijn er, zoals bij start- en evaluatiemomenten. De gesproken ketenpartners zijn positief over het contact wat de jeugdzorgwerker heeft met jeugdigen, ouders en het netwerk. Een ketenpartner geeft het voorbeeld waarbij een jeugdzorgwerker een grote rol heeft in het onderhouden van contact met de biologische ouders van een jeugdige en voormalig pleegouders.
37 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Uit de online vragenlijsten, ingevuld door ouders en jeugdigen, blijkt dat in 54% van de gevallen meerdere keren 1-op-1 contact is geweest met de jeugdige en in 19% van de gevallen eenmalig gesproken is met de jeugdige. 27% geeft aan dat er geen 1-op-1 contact met de jeugdige is geweest. Bevorderen gezinsband Ouders die te maken hebben met een uithuisplaatsing geven in de gesprekken met de inspecties aan dat zij zich onvoldoende meegenomen voelen bij beslissingen van de jeugdzorgwerkers. Zij vertellen dat er weinig contactmogelijkheden zijn met het netwerk, waaronder contact met opa’s en oma’s. Ouders zeggen dat zij drempels ervaren voor dit contact. Een ouder geeft als voorbeeld de vele kosten die hij moet maken om te reizen naar de locatie voor het contactmoment met de jeugdige terwijl deze ouder weinig financiële middelen heeft omdat hij onder bewind staat. Dossiers De dossiers die zijn ingezien door de inspecties laten overwegend zien dat er geen structureel contact is tussen jeugdzorgwerkers en ouders en jeugdigen. De inspecties zagen een dossier waarbij de jeugdige voor het laatst in mei 2024 door een jeugdzorgwerker gezien is. In een ander dossier dat in november 2024 gestart is zien de inspecties geen contact met de jeugdige terug. In een dossier van jeugdreclassering staat dat de betrokken hulpverlening de jeugdreclasseerder op de hoogte houdt.
De inspecties zien in dit dossier geen afspraken over het contact tussen de jeugdreclasseerder en de betrokken hulpverlening. Een ander dossier dat in november 2024 gestart is laat zien dat de jeugdige één keer gesproken is in bijzijn van de moeder. In een aantal dossiers is zichtbaar dat jeugdzorgwerkers wel regelmatig contact hebben met jeugdigen. Dit zijn dossiers waar een vaste jeugdzorgwerker betrokken is. Zo zien de inspecties een dossier waarin te zien is dat er één keer per maand contact is met de jeugdige. Ook is er een dossier waarin frequent contact met ouders en jeugdige duidelijk te zien is en navolgbaar is vastgelegd. Tekortkomingen -
JBN voert onvoldoende 1-op-1 gesprekken met jeugdigen om zich een goed beeld te vormen van hun ontwikkeling en veiligheid. Concrete afspraken hierover ontbreken.
-
JBN neemt ouders onvoldoende mee in de besluitvorming over hun kind en/of het gezin. Contact met de jeugdige en diens ouders is noodzakelijk om hen te laten participeren in het gehele proces en hen te betrekken bij de besluitvorming. Dit hangt samen met de onvoldoende cliëntgerichte werkwijze van het CCP en CRT op het moment dat er geen vaste jeugdbeschermer aan de jeugdige is gekoppeld.
Norm 3.2
Oordeel De professional heeft de regie en het overzicht op alle ingezette hulp en ondersteuning aan het gezin.
38 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Waar kijken de inspecties naar? De professional houdt de regie en heeft het overzicht op alle ingezette hulp en ondersteuning in het gezin. Waar nodig vindt multidisciplinaire en interdisciplinaire afstemming plaats. Indien andere professionals betrokken zijn bij de jeugdige en het gezin, werkt de professional met hen samen. Dat betekent dat zij met elkaar duidelijke afspraken maken over de samenwerking, wederzijdse verwachtingen, wie waarvoor verantwoordelijk is en wie de regie voert. Professionals stellen de jeugdige en ouders hiervan op de hoogte. Het hulpverleningsplan van andere professionals sluit navolgbaar aan op het plan van de gecertificeerde instelling. Bij (blijvende) visieverschillen tussen betrokken professionals over de effectiviteit van de hulpverlening en/of over de veiligheid van de jeugdige schaalt de professional op en zorgt de professional dat betrokkenen het belang van de jeugdige centraal blijft stellen.
Regie en overzicht van alle ingezette hulp en ondersteuning aan het gezin Jeugdigen geven in de gesprekken met de inspecties aan geen zicht te hebben op hoe de onderlinge samenwerking van de betrokken hulpverlening gaat. Zo vertelt een jeugdige dat zij niet weet of de jeugdzorgwerker contact heeft met hulpverleningsinstantie waar zij hulp ontvangt. Een andere jeugdige vertelt niet te weten hoe het contact is tussen de gezinshuisouders en de jeugdzorgwerker. Een ouder vertelt dat de hulpverleningsinstantie regievoerder is en ervoor zorgt dat afspraken voor iedereen duidelijk zijn. In de gesprekken met jeugdzorgwerkers, gedragswetenschappers en teammanagers horen de inspecties dat regie voeren in casussen lastig is omdat er sprake is van hoog verloop en hoog verzuim onder medewerkers. Dit betekent dat verschillende jeugdzorgwerkers betrokken zijn in een casus en dat bij uitval van jeugdzorgwerkers de casus opgepakt wordt door het CRT. Jeugdzorgwerkers benoemen dat het bijwonen van evaluaties of rechtszittingen door wisselende jeugdzorgwerkers gedaan wordt. Jeugdzorgwerkers vertellen dat er onvoldoende continuïteit in casuïstiek is, met problemen in de samenwerking en regievoering tot gevolg.
Het over een langere periode ontbreken van een vaste jeugdzorgwerker maakt dat jeugdzorgwerkers moeite hebben om goed in positie te komen en regie te voeren, vertellen jeugdzorgwerkers aan de inspecties. Jeugdzorgwerkers noemen voorbeelden waarbij ketenpartners de positie van jeugdzorgwerkers als regievoerder niet serieus nemen of eigen beslissingen nemen zonder overleg. Een jeugdzorgwerker vertelt dat een ketenpartner heeft gezegd: ‘jullie waren er al die tijd niet dus wij doen het zelf wel’. Een gedragswetenschapper en praktijkbegeleider bevestigen dat jeugdzorgwerkers soms lastig in positie komen en moeite hebben om de regie weer terug te pakken in een casus. Jeugdzorgwerkers krijgen vaak negatieve opmerkingen te horen van andere partijen en zouden vervelende gesprekken moeten voeren volgens de gedragswetenschapper en praktijkbegeleider. Volgens de gedragswetenschappers, teammanagers en jeugdzorgwerkers doet de positie, waarin JBN nu verkeerd, veel met de positie van de jeugdbescherming in de keten en de samenwerking. Jeugdzorgwerkers vertellen de inspecties dat regie voeren in een casus van het CRT bestaat uit bijhouden van een takenlijst, overzicht houden, bureaudiensten draaien, afwegingen en inschattingen maken. Jeugdzorgwerkers geven als voorbeeld dat het CRT de contactfrequentie
39 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
bepaalt of inschat of een jeugdzorgwerkers langs moet gaan bij de jeugdige en/of ouders. Binnen het CRT ligt de regie van een casus niet bij één jeugdzorgwerker, maar bij alle jeugdzorgwerkers van het CRT. De inspecties zien in een casus dat op de takenlijst andere informatie staat over de veiligheid van de jeugdigen dan in het dossier. De gesproken ketenpartners zijn overwegend positief over hoe de betrokken jeugdzorgwerker de regie voert in een casus. Dit zijn casussen waarin een vaste jeugdzorgwerker betrokken is. Een ketenpartner vertelt dat de vaste jeugdzorgwerker goed op de hoogte is van de jeugdige en het gezin. Een andere ketenpartner benoemt dat de taken en verantwoordelijkheden voor zowel de jeugdzorgwerker als ketenpartner helder zijn en afspraken duidelijk op papier staan. Alle ketenpartners benoemen in de gesprekken dat er een goede samenwerking is met de betrokken jeugdzorgwerker. Afspraken over samenwerking en taakverdeling Voor ouders zijn de taken en rollen van jeugdzorgwerkers en de betrokken instanties niet altijd duidelijk en zij vertellen dat hierover weinig communicatie is. Ouders noemen voorbeelden waarbij de betrokken ketenpartner het aanspreekpunt is, er niet goed samengewerkt wordt en/of betrokken partijen lang initiatief moeten nemen om in contact te komen met JBN.
Jeugdzorgwerker: “Bij een caseload van 140% zorg je dat de hulpverlening je ogen en oren zijn”
Jeugdzorgwerkers, gedragswetenschappers en praktijkbegeleiders verwachten dat de betrokken hulpverlening taken overneemt van de jeugdzorgwerkers omdat zij hier zelf onvoldoende tijd voor hebben. Jeugdzorgwerkers, praktijkbegeleiders en gedragswetenschappers benoemen dat de betrokken hulpverlening op dit moment de ‘ogen en oren’ van de jeugdzorgwerker zijn. Dit gaat om taken zoals de jeugdige spreken, aan de bel trekken bij zorgen en zicht houden op alle ontwikkelingen binnen een gezin. In gesprekken met de jeugdzorgwerkers, gedragswetenschappers en teammanager horen de inspecties dat JBN vertrouwt op de ingezette hulpverlening binnen een casus omdat jeugdzorgwerkers zelf onvoldoende zicht hebben op de jeugdige en/of ouders. Een jeugdzorgwerker noemt dat de betrokken hulpverlening wel aan de bel trekt als er iets aan de hand is. Dit is volgens gedragswetenschappers en jeugdzorgwerkers niet actief naar alle betrokken instanties gecommuniceerd. Ook vertellen zij dat werkafspraken ontbreken, zoals afspraken over wie welke verantwoordelijkheid draagt, wat de contactfrequentie is en bij welke zorgen de jeugdzorgwerker geïnformeerd moet worden. Op casusniveau en bij betrokkenheid van een vaste jeugdzorgwerker lukt het volgens jeugdzorgwerkers wel om individuele werkafspraken te maken.
Deze werkafspraken bespreken jeugdzorgwerkers met de betrokken instantie en leggen zij ook vast in de dossiers.
40 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
De bestuurder vertelt dat er afspraken gemaakt zijn met ketenpartners en dat zij hun hulp hebben aangeboden aan JBN. De bestuurder geeft aan dat JBN wel eindverantwoordelijk is. Handelen bij visieverschillen Als een gedragswetenschapper en een jeugdzorgwerker het niet eens zijn over welk besluit er genomen moet worden dan is er de mogelijkheid tot een ‘second opinion’ vertellen de gedragswetenschappers, teammanagers en praktijkbegeleiders. Er volgt dan een gesprek met een neutrale jeugdzorgwerker, neutrale gedragswetenschapper en de teammanager. Wanneer het vervolgens nog steeds niet lukt om een besluit te nemen, dan neemt de teammanager het besluit, vertelt een teammanager aan de inspecties. De teammanager voegt hieraan toe dat de jeugdzorgwerker het besluit van de teammanager niet verplicht hoeft te volgen omdat zij vanuit de SKJ beroepscode zelf verantwoordelijk zijn en achter hun eigen handelen moeten staan. Een jeugdzorgwerker kan dus een besluit van de teammanager naast zich neerleggen. De inspecties horen van de jeugdzorgwerkers verschillende voorbeelden waarbij zij hun gedragswetenschapper, praktijkbegeleider of teammanager betrekken bij visieverschillen met ketenpartners of gemeenten.
Zo vertelt een jeugdzorgwerker de teammanager betrokken te hebben omdat de plek waar een jeugdige verbleef niet passend was en de jeugdzorgwerker er samen niet uitkwam met de ketenpartner omtrent zorgplicht. De teammanager heeft toen contact gelegd met de hulpverleningsinstantie en gesproken over deze zorgplicht en afspraken gemaakt. Vanuit de gesprekken met jeugdzorgwerkers, gedragswetenschappers en het bestuur komen voorbeelden terug van casuïstiek die geëscaleerd wordt wanneer het onderling niet lukt om eruit te komen. Een andere jeugdzorgwerker noemt een voorbeeld waarbij de gedragswetenschapper is ingeschakeld omdat de jeugdzorgwerker er met een ggz instelling niet uitkwam over wat nodig is in een casus. Hiermee was het volgens de jeugdzorgwerker geregeld. Tekortkomingen -
JBN voert onvoldoende regie op de hulp aan jeugdigen en ouders. Het ontbreken van vaste jeugdzorgwerkers leidt tot problemen in de samenwerking en regievoering.
-
JBN maakt onvoldoende afspraken over de samenwerking en de wederzijdse verwachtingen met ketenpartners. Voor jeugdigen, ouders en ketenpartners zijn de taken, rollen en verwachtingen van jeugdzorgwerkers en de betrokken instanties niet altijd duidelijk, zij worden daar niet (tijdig) over geïnformeerd.
41 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Norm 3.3
Oordeel De professional evalueert met betrokkenen de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige op basis van het plan en de aanvullende (veiligheids)afspraken.
Waar kijken de inspecties naar? Het beeld van de jeugdige, ouders en het netwerk leggen de professionals vast in het cliëntendossier. De professional legt afspraken over wie wat doet vast. Professionals zorgen voor inzichtelijke en actuele dossiervoering waaruit blijkt dat zij planmatig werken. De voortgang en de resultaten van de begeleiding en ingezette hulp evalueren de jeugdige, ouders, en de betrokken professionals met een passende frequentie. De professional bespreekt de voortgang periodiek en (indien aan de orde) in een MDO of casuïstiekbespreking. Een kernbesluit wordt zorgvuldig en multidisciplinair genomen. Bij een besluit zijn jeugdige en ouders zelf betrokken. Daarnaast is bij de afweging een gedragswetenschapper betrokken.
Dossiervoering Het merendeel van de twintig cliëntdossiers die de inspecties ingezien hebben bevatten geen plan van aanpak of geen actueel plan van aanpak (zie norm 1b2). De inspecties zien dossiers waarin geen doelen terug te vinden zijn. Zonder doelen kan de inzet ook niet geëvalueerd worden. In zeven van de twintig dossiers zien de inspecties geen verslaglegging van evaluatie of voortgangsgesprekken. De inspecties zien dat veertien dossiers beschikken over een risicotaxatie. Hierin is niet terug te zien hoe jeugdigen of ouders meegenomen zijn. De inspecties zien kernbesluiten niet altijd terug in dossiers. Tijdens het inzien van een dossier met een jeugdreclasseerder is een kernbesluit van een casus besproken. Dit kernbesluit hebben de inspecties niet gezien in het dossier. In gesprek met een jeugdzorgwerker horen de inspecties dat de jeugdzorgwerker afspraken heeft gemaakt over de contactfrequentie met de jeugdige, ouders, en de betrokken professionals. De jeugdzorgwerker kon deze afspraken niet aan de inspecties laten zien omdat deze niet vastgelegd zijn. In een ander dossier, dat gestart is in oktober 2024, zijn geen kernbesluiten terug te vinden. De betrokken jeugdzorgwerker vertelt de inspecties dat ze nog in de kennismakingsfase zitten.
De inspecties hebben samen met een jeugdreclasseerder een dossier ingezien waarbij zowel het plan van aanpak, veiligheidsafspraken en een samenwerkingsdocument te vinden zijn. Gedragswetenschappers, teammanagers, praktijkbegeleiders en jeugdzorgwerkers vertellen dat het voorkomt dat casussen intern worden overgedragen aan een ander team of binnen een team aan een andere jeugdzorgwerker. De dossiers van deze casussen zijn niet altijd actueel of volledig, vertellen de jeugdzorgwerkers. Jeugdzorgwerkers merken op dat wanneer medewerkers uitvallen vaak pas zichtbaar wordt dat dossiers van die medewerkers niet actueel of volledig zijn. Volgens gedragswetenschappers, praktijkbegeleiders, teammanager en jeugdzorgwerkers is hier de afgelopen jaren onvoldoende op gestuurd. Het CRT bevestigt dat zij regelmatig casussen
42 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
overneemt waarin het dossier onvolledig en niet actueel is. Jeugdzorgwerkers uit het CRT vertellen dat zij de taak op zich nemen om de dossiervoering van deze casussen weer op orde te krijgen. Procesmatig en planmatig werken Gedragswetenschappers vertellen dat er een aantal belangrijke ijkpunten in het traject van een casus zijn. Zoals de start van een traject, evaluatiemomenten en wanneer er een rechtszitting aankomt. Volgens de gedragswetenschappers vragen deze ijkpunten om actie door de jeugdzorgwerkers en daardoor komen de casussen weer in beeld. De jeugdzorgwerkers betrekken de gedragswetenschappers bij deze ijkpunten. Gedragswetenschappers en jeugdbeschermers vertellen dat de jeugdzorgwerker ervoor zorgt dat een risicotaxatie of veiligheidsplan tot stand komt samen met de gedragswetenschapper. Jeugdzorgwerkers zorgen hiervoor bij de start van de maatregel of bij tussentijdse zorgen. In de gesprekken met de jeugdzorgwerkers en gedragswetenschappers horen de inspecties dat jeugdzorgwerkers de gedragswetenschappers betrekt bij kernbesluiten, zoals bijvoorbeeld bij het vaststellen van het plan van aanpak. Deze kernbesluiten nemen jeugdzorgwerkers en gedragswetenschappers tijdens casuïstiekbesprekingen, zoals een multidisciplinair overleg (MDO).
Een jeugdzorgwerker vertelt over een casus die al meerdere keren besproken is in een MDO omdat het de jeugdzorgwerker niet lukt om passende hulp in te zetten. Gedragswetenschappers, teammanagers en praktijkbegeleiders vertellen dat caseloadbesprekingen, waarin de gehele caseload van het team besproken wordt, onderdeel van het werk zou moeten zijn. De volledige caseload van alle jeugdzorgwerkers bespreken zij echter niet structureel, vullen zij aan. Gedragswetenschappers, praktijkbegeleiders en jeugdzorgwerkers vertellen dat er een structureel tekort is aan ondersteunende medewerkers, zoals gedragswetenschappers, juristen en praktijkbegeleiders. Een gedragswetenschapper vertelt dat dit tekort invloed heeft op het planmatig en procesmatig werken van de jeugdzorgwerkers. Jeugdzorgwerkers vertellen de inspecties dat zij graag meer inhoudelijk zouden sparren met een gedragswetenschapper, maar dat hier onvoldoende capaciteit voor is. Voortgang jeugdige periodiek bespreken Ketenpartners vertellen de inspecties dat jeugdzorgwerkers hen structureel betrekken om de voortgang van de jeugdigen door te bespreken. Een voorbeeld dat een ketenpartner noemt is bij evaluatiemomenten. Diezelfde ketenpartner vertelt dat de jeugdzorgwerker om de zes weken contact heeft tijdens de evaluaties en voortgangsgesprekken.
Een jeugdzorgwerker vertelt dat normaal gesproken om de drie maanden een evaluatie plaatsvindt met de betrokken ketenpartner. Dit horen de inspecties ook terug in de gesprekken met de ketenpartners. In gesprekken met de jeugdzorgwerkers horen de inspecties dat de frequentie voor het bespreken van de voortgang van de jeugdige afhangt van de situatie. In het geval van een crisissituatie of zorgelijke signalen zal de frequentie toenemen, vertellen de jeugdzorgwerkers. Een ketenpartner benoemt dat jeugdzorgwerkers opnieuw een risicotaxatie uitvoeren na ieder evaluatiemoment. Een andere ketenpartner vertelt dat afspraken over het contact met de jeugdzorgwerker zijn vastgelegd.
43 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Tekortkomingen -
De dossiers van JBN zijn niet altijd actueel en/of volledig en niet eenduidig ingericht. Dit hangt samen met de frequente wisselingen van jeugdzorgwerkers en met onvoldoende sturing op werkwijze, processen en afspraken.
Norm 3.4
Oordeel De professional heeft zicht op de ontwikkeling en veiligheid van de jeugdige.
Waar kijken de inspecties naar? De professional heeft een actueel beeld van de ontwikkeling en veiligheid van de jeugdige, wat er gebeurt in het gezin of pleeggezin of gezinshuis waar de jeugdige verblijft en in de voortgang die wordt geboekt op de in het plan van aanpak gestelde doelen en komt in actie als voortgang uitblijft. De professional bespreekt mogelijke zorgen over de veiligheid met de jeugdige en vraagt de jeugdige zélf naar zijn visie op de situatie. De professional heeft zelf contact met de jeugdige. Professionals zijn alert op signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling en volgen in geval van signalen de stappen van de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling.
Voor de mate waarin jeugdzorgwerkers contact hebben met de jeugdige en ouders verwijzen de inspecties naar de bevindingen onder norm 3.1. Zicht op veiligheid Op het moment van toezicht geven jeugdzorgwerkers, gedragswetenschappers en praktijkbegeleiders aan dat er ongeveer zestig casussen zijn die onvoldoende in beeld zijn en waar geen zicht is op de veiligheid van de jeugdige. Deze casussen moeten nog overgedragen worden naar het CRT waar opnieuw een prioritering plaats zal vinden, vertellen zij de inspecties. Het CRT geeft aan dat het hen niet altijd lukt om zicht op veiligheid te hebben in de casussen. Signalen van onveiligheid komen vaak bij de jeugdzorgwerkers doordat de betrokken hulpverlening of andere personen, zoals ouders, contact opnemen. Ook horen de inspecties over andere zaken verschillen in de mate waarin jeugdzorgwerkers zicht hebben op de veiligheid van de jeugdige wanneer het gaat om casussen die onder een vaste jeugdzorgwerker vallen, casussen die op de werkvoorraad staan, bij de start nog geen vaste jeugdzorgwerker hebben of door uitval of ziekte herverdeeld moeten worden. Jeugdzorgwerkers geven aan dat een casus lange tijd bij het CRT kan liggen, terwijl het de bedoeling is dat de casussen doorschuiven naar het reguliere team met een vaste jeugdzorgwerker.
Zij vertellen dat JBN zzp’ers inhuurt, met als doel de hoge werkdruk van de vaste jeugdzorgwerkers te verlagen. Volgens jeugdzorgwerkers heeft dit echter het gevolg dat er meer personeelswisselingen zijn en daarmee ook minder vaste jeugdzorgwerkers. De bestuurder bevestigt de extra inzet van extern personeel om jeugdzorgwerkers te ontlasten.
44 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Jeugdzorgwerkers en gedragswetenschappers vertellen dat vanuit de bureaudienst of werkvoorraad regelmatig casussen naar voren komen waar zorgen zijn over de veiligheid of dat de casus actie vraagt van een jeugdzorgwerker omdat er een rechtszitting of evaluatie aankomt. Jeugdzorgwerkers vertellen dat zij dit naast hun eigen caseload proberen op te pakken maar dat zij door de hoge werkdruk vaak geen ruimte hiervoor voelen. In de gesprekken met jeugdzorgwerkers horen de inspecties het voorbeeld dat een jeugdzorgwerker een rustige casus overdraagt aan het CRT om een casus met acute onveiligheid op te kunnen pakken. Jeugdzorgwerkers, gedragswetenschappers en praktijkbegeleiders vertellen dat in verschillende periodes van de afgelopen jaren casussen uit beeld zijn geraakt. Ook vertellen zij dat wanneer een casus aandacht vraagt, bijvoorbeeld door een telefoontje in de bureaudienst door een betrokken hulpverlener of ouder die aan de bel trekt, een casus weer in beeld komt. Jeugdzorgwerkers geven aan dat het aantal casussen zonder contact de afgelopen tijd is afgenomen. In gesprekken met jeugdzorgwerkers, praktijkbegeleiders en gedragswetenschappers horen de inspecties dat JBN op dit moment afhankelijk is van betrokken hulpverleners die zicht houden op de ontwikkeling en veiligheid van de jeugdige en dat zij dan niet zelf in contact zijn met de jeugdige.
Op het moment dat hulpverlening contact opneemt met de jeugdzorgwerkers over zorgen dan ondernemen de jeugdzorgwerkers actie, vertellen de jeugdzorgwerkers. Jeugdzorgwerkers vertellen dat voogdijcasussen of rustige casussen bij vaste jeugdbeschermers naar de achtergrond verdwijnen en hier onvoldoende zicht op is doordat casussen met acute onveiligheid of casussen waarin aandacht gevraagd wordt prioriteit hebben. Jeugdzorgwerkers, gedragswetenschappers en praktijkbegeleiders vertellen dat het een constant proces van afwegen is in welke casussen de jeugdzorgwerkers hun tijd steken.
Casus: In een gezin zijn vanaf de start in december 2023 periodes geweest dat er geen vaste jeugdzorgwerker beschikbaar was. Volgens het dossier zijn de kinderen door een medewerker van het CRT voor het laatst gezien en gesproken in mei 2024. In de afgelopen zes maanden zijn er, op basis van het dossier, drie contacten geweest (een rechtszitting, telefonisch contact met de vader en telefonisch contact met de moeder). Dit terwijl een kernbesluit genomen moet worden en nieuwe hulpverlening moet worden opgestart. De inspecties hebben op de toezichtsdag hun zorgen geuit en JBN verzocht in diezelfde week zicht te krijgen op deze casus. JBN heeft in diezelfde week laten weten dat er na prioritering nu een vaste jeugdzorgwerker gekoppeld is in deze casus.
De inspecties horen van ketenpartners terug dat jeugdzorgwerkers de veiligheidsrisico’s goed in beeld hebben. Ketenpartners vertellen namelijk dat jeugdzorgwerkers bij aanmeldingen en intakegesprekken de veiligheidsrisico’s bespreken.
45 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
Ketenpartner: “De veiligheidsrisico’s zijn besproken en uitgebreid doorgenomen, hier zijn we goed over ingelicht”
Tekortkomingen -
Voor een deel van de zaken heeft JBN in het geheel geen zicht op de veiligheid van jeugdigen. Ook in andere zaken schiet het zicht op de ontwikkeling en veiligheid van jeugdigen ernstig tekort.
-
JBN spreekt niet standaard zelf met de jeugdigen en vraagt niet standaard naar hun visie op het onderwerp veiligheid.
Norm 3.5
Oordeel De professional maakt systematische afwegingen over de veiligheid van de jeugdige.
Waar kijken de inspecties naar? De professional maakt systematische afwegingen over de veiligheid van de jeugdige in relatie tot diens ontwikkeling. Deze afwegingen komen waar nodig in een multidisciplinair overleg tot stand en de professional legt deze navolgbaar vast in het dossier.
Risicotaxatie instrumenten Jeugdbeschermers maken gebruik van de ARIJ. Zie ook de bevindingen onder norm 1a2. Uit de ontvangen werkinstructies bij JBN lezen de inspecties dat de jeugdzorgwerkers gebruik kunnen maken van de ARIJ Veiligheidslijst (ARIJ VT) en de ARIJ risicotaxatie (ARIJ RT). Jeugdreclasseerders maken gebruik van de LIJ. Daarnaast lezen de inspecties dat jeugdzorgwerkers nog andere instrumenten beschikbaar hebben waar jeugdzorgwerkers gericht risico’s mee kunnen inschatten zoals de risicobox schoolverzuim, Washington Diagnostiek en het Risicotaxatie instrument Seksueel Grensoverschrijdend Gedrag (RiS). Systematische afwegingen over veiligheid Ouders geven tijdens de gesprekken aan dat jeugdzorgwerkers geen actueel beeld van de veiligheid hebben. Een ouder noemt als voorbeeld dat er wel veiligheidsinschattingen op papier staan maar dat deze niet actueel zijn. De jeugdzorgwerker zou volgens de ouder niet regelmatig contact hebben of langs komen om echt een goed beeld te hebben van de veiligheid. Een andere ouder vertelt de inspecties dat de jeugdzorgwerker niet luistert naar haar zorgen omtrent onveiligheid. De online vragenlijsten die ingevuld zijn door ouders en jeugdigen geven aan dat er in 38% van de gevallen niet is geïnformeerd naar de veiligheid van de jeugdige.
46 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
De inspecties hebben in veertien van de twintig dossiers een actuele risicotaxatie gezien. In vier dossiers komen de getaxeerde risico’s duidelijk terug in het plan van aanpak. Bij de overige dossiers is onvoldoende navolgbaar hoe de getaxeerde risico’s terugkomen in het plan van aanpak of in opgestelde doelen. De inspecties zien de dossiers niet terug hoe ouders en jeugdige bij de risicotaxatie betrokken zijn. Jeugdzorgwerkers en gedragswetenschappers vertellen dat de risicotaxatie door hen samen tot stand komt. In de twee jeugdreclasseringsdossiers die tijdens een gesprek met de jeugdreclasseerder zijn ingezien, zien de inspecties een actuele risicotaxatie. In de overige zes dossiers zien de inspecties geen actuele risicotaxatie. De inspecties hebben een dossier ingezien waar een leeg risicotaxatie-instrument in het dossier hangt. Ook zien de inspecties een dossier in met een ondertoezichtstelling (hierna: OTS) waar verouderde informatie in staat over onveiligheid in het gezin. De risicotaxatie in dit dossier is van juli 2024. Tekortkomingen -
Voor een deel van de jeugdigen is geen actuele veiligheidsinschatting gemaakt.
Norm 3.6
Oordeel De professional handelt op signalen van onveiligheid.
Waar kijken de inspecties naar? De professional gaat systematisch na of gemaakte veiligheidsafspraken toereikend (kunnen) worden nageleefd en grijpt in als dit onvoldoende gebeurt. Professionals handelen bij onveilige situaties door de risico’s op onveiligheid te verminderen, weg te nemen of de jeugdige en ouders de vaardigheden te leren met deze risico’s om te gaan. Indien nodig betrekken zij hier andere expertise bij.
Handelen bij onveiligheid Jeugdzorgwerkers vertellen dat zij bureaudiensten hebben. Dit betekent dat jeugdzorgwerkers een telefoondienst hebben om ouders die contact opnemen te woord te staan, legt een jeugdzorgwerker uit. Een jeugdzorgwerker vertelt de inspecties dat wanneer ouders geen contact opnemen met JBN er een kans bestaat dat een casus (zonder vaste jeugdbeschermer) buiten beeld raakt in verband met de hoge caseload. Ouders die geen vaste jeugdzorgwerker hebben (gehad) vertellen dat zij van JBN te horen kregen dat zij met de bureaudienst kunnen bellen als zij zorgen of vragen hebben. Een praktijkbegeleider legt uit dat wanneer iemand de bureaudienst belt met zorgen of een hulpvraag, de jeugdzorgwerker opnieuw kijkt naar de prioritering van de casus. De casus komt daarmee weer in beeld. Jeugdzorgwerkers bevestigen dat pas gehandeld wordt als via de bureaudienst contact is geweest. Een gedragswetenschapper en praktijkbegeleider vertellen dat ze eigenlijk preventief alle casussen zouden willen screenen om goed zicht te krijgen op de veiligheid, maar dat hier onvoldoende mankracht voor is. Ook hierin leggen de jeugdzorgwerkers de verantwoordelijkheid om zicht te hebben op de veiligheid binnen een casus bij de betrokken hulpverlening. De betrokken
47 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd & Inspectie Justitie en Veiligheid
hulpverlening trekt aan de bel bij de jeugdzorgwerkers bij zorgen over de veiligheid van de jeugdige, zo stellen zij. Jeugdzorgwerkers benoemen dat wanneer andere aanvullende hulp nodig is of de plaatsing niet meer passend is, ze opnieuw tegen de beperkingen aanlopen van wachttijden en wachtlijsten bij ketenpartners. Veiligheidsafspraken Een jeugdige vertelt aan de inspecties dat de jeugdige regelmatig wegloopt, maar dat hier geen veiligheidsafspraken over gemaakt zijn. Een ouder vertelt dat er veiligheidsafspraken zijn, maar dat deze niet actueel meer zijn. Een andere ouder vertelt dat er een veiligheidsafspraak is gemaakt dat de jeugdzorgwerker één keer in de twee weken langsgaat bij de jeugdige in verband met zorgen over de veiligheid bij het wonen bij zijn vader. De jeugdzorgwerker zou volgens deze ouder aangegeven hebben hier geen tijd voor te hebben. De inspecties horen van de jeugdzorgwerkers bij het inzien van de cliëntdossiers voorbeelden van casussen waarin veiligheidsafspraken gemaakt zijn. De inspecties zien de gemaakte veiligheidsafspraken daarop niet terug in de dossiers. Zo horen de inspecties van een jeugdzorgwerker dat tijdens een evaluatie met de ketenpartner veiligheidsafspraken gemaakt zijn. De jeugdzorgwerker kon deze veiligheidsafspraken niet in het cliëntdossier aan de inspecties laten zien.