CConstaterende datVeendam
Koppel je AI →
Document · PDF

28-01-02 Analyse en advies wetsvoorstel Groningenwet

Gemeenteraad 23 september 2024, gemeente VeendamBij agendapunt: Weekpost openbaar week 2820.601 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Wij roepen u op om duidelijk te maken dat deze nadelige gevolgen onder gevolgschade vallen en daarmee ook onder de doelstelling voor schadeherstel en de financiële uitgangspunten daarbij: koste-wat-het-kost, zo lang het duurt. Behalen doelstellingen staat centraal Indien in 2055 de hoofddoelstellingen niet gehaald zijn dan moet de regio de garantie hebben dat het commitment blijft gelden en afdwingbaar is totdat de hoofddoelstellingen wél zijn gehaald.

22

Financiële bepalingen moeten voldoende aanspraak op middelen geven De financiële bepalingen moeten recht doen aan het budgetrecht van de Kamer en aan het langdurig commitment aan de regio. Daarbij geldt voor schadeherstel en versterking koste wat kost, zo lang het duurt. Alhoewel we het budgetrecht van de Kamer niet willen doorkruisen, kunnen de bepalingen ook niet vrijblijvend zijn. Een generatielang commitment betekent ook een generatielang financieel commitment. Er zijn voorbeelden genoeg van wetten die langjarige verplichtingen scheppen voor het rijk. Dat kan dus ook hier. Wij roepen u op om ons in de financiële bepalingen voldoende zekerheid te geven dat de regio in de toekomst over voldoende middelen kan beschikken om de doelstellingen te behalen. Dit geldt met name voor verduurzaming en brede welvaart. De middelen moeten beschikbaar blijven. Wanneer de middelen in een bepaald jaar niet volledig zijn benut, moeten ze doorschuiven naar een volgend jaar. Daarnaast willen we dat is vastgelegd dat de middelen additioneel zijn. In de hoofdlijnennotitie lezen we dat de inzet van het rijk aanvullend is op de bijdrage die andere partijen vanuit hun (wettelijke) taak leveren. Het kan echter niet zo zijn dat lagere overheden geen middelen (meer) krijgen omdat de inzet van de middelen een wettelijke taak betreft.

Wij vinden ook dat de Staat van Groningen zelf niet uit de middelen van Nij Begun bekostigd mogen worden. Om de sociale en gezondheidsgevolgen van inwoners uit het aardbevingsgebied weg te nemen, moet - net als bij schadeherstel en versterking - gelden dat de financiële middelen beschikbaar worden gesteld koste-wat-kost, zo lang het duurt. Koste-wat-kost houdt nadrukkelijk óók in dat er voldoende capaciteit moet zijn. In de financiële bepalingen moet ook zijn opgenomen dat de financiële middelen worden geïndexeerd. Regio mee laten beslissen over indicatoren die niet jaarlijks terugkomen in de Staat van Groningen. In de hoofdlijnennotitie geeft u aan dat niet alle gegevens en indicatoren jaarlijks een update krijgen in de Staat van de Groningen omdat voor sommige indicatoren geldt dat er een geleidelijke verandering plaatsvindt. Wij roepen u op om in de ontwerpwet te bepalen dat de regio meebeslist over de vraag welke indicatoren niet jaarlijks geüpdatet worden. Regio heeft voldoende tijd voor (het voorbereiden van) overleg nodig. Op twee momenten in het jaar overlegt u met regionale bestuurders, namelijk in mei - over de Staat van Groningen - en in het najaar - over de voortgang. De regio moet met name voor het overleg in mei voldoende tijd hebben om dat overleg te kunnen voorbereiden en voeren.

Samenvattend geeft de hoofdlijnennotitie ons aanleiding om u op te roepen om de ontwerpwet op een aantal essentiële onderdelen aan te passen. Wij zien, net als u, het grote belang van deze wet. En wij zijn van oordeel dat deze aanpassingen recht doen aan de intenties waarmee dit wetgevingsproces is begonnen. Wij zien uw reactie op onze punten met belangstelling tegemoet. Hoogachtend, Gemeenteraad van ……. , voorzitter , griffier. 23

BIJLAGE 2 GECONSOLIDEERDE WET GRONINGEN Tijdelijke wet Groningen Wijziging(en) op nader te bepalen datum(s); laatste bekendgemaakt in 2023. Zie het. Geraadpleegd op 19-06-2024. Geldend van 16-05-2024 t/m heden Wet van 5 februari 2020, houdende tijdelijke maatregelen inzake een publiekrechtelijke aanpak van de gevolgen van bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld en de gasopslag bij Norg (Tijdelijke wet Groningen) Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bestuursrechtelijke afhandeling van verzoeken om vergoeding van schade in verband met bodembeweging door de gaswinning uit het Groningenveld en gasopslag bij Norg wettelijk te regelen; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Hoofdstuk 1. Algemeen Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: –

exploitant: exploitant van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of van de gasopslag te Norg of de gasopslag bij Grijpskerk; – gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; – Instituut: het Instituut Mijnbouwschade Groningen; – Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; – schade: schade die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk; – veiligheidsnorm: veiligheidsnorm van 10-5, zijnde het individueel aardbevingsrisico van maximaal 1 op de 100.000 per jaar dat een individu mag lopen in of nabij de verschillende bouwwerken waar dat individu verblijft; – versterkingsbesluit: besluit als bedoeld in artikel 13j, eerste lid; - veronderstelde schade: schade die naar haar aard redelijkerwijs zou kunnen zijn ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk;. Hoofdstuk 2. Instelling, taken en bevoegdheden

24

Artikel 2 1. Er is een Instituut Mijnbouwschade Groningen. Het Instituut is gevestigd op een door Onze Minister te bepalen locatie. 2. Het Instituut vervult zijn taken en bevoegdheden in onafhankelijkheid. 3. Het Instituut: a. heeft tot taak en is bevoegd schade af te handelen en daartoe: 1°. aanvragen in behandeling te nemen, voor zover de aanvrager zijn vordering tot vergoeding van schade op de exploitant ter zake van de schade waarvoor vergoeding wordt aangevraagd aan de Staat heeft overgedragen; 2°. de aanspraak op een vergoeding van schade vast te stellen, en 3°. de omvang van de vergoeding van schade of, indien de aanvrager dit wenst en de schade zich daarvoor leent, de te treffen maatregelen in natura vast te stellen; b. heeft tot taak om schade te vergoeden en daartoe aan de aanvrager de vastgestelde vergoeding uit te keren of, indien de aanvrager dit wenst en de schade zich daarvoor leent, de te treffen maatregelen in natura uit te voeren; c. heeft tot taak indien de aanvrager dit wenst en wordt voldaan aan bij ministeriële regeling vast te stellen voorwaarden in plaats van een vergoeding van schade als bedoeld in onderdeel b, schade en veronderstelde schade tot een bij ministeriële regeling te bepalen maximum bedrag af te handelen door: 1°. de te treffen maatregelen in natura uit te voeren; of 2°.

de door de aanvrager gemaakte redelijke kosten voor het daadwerkelijk herstellen van de schade te vergoeden;. d. heeft tot taak een vergoeding voor overlast van ten hoogste een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld bedrag toe te kennen. 4. Het Instituut is niet bevoegd om een aanvraag om vergoeding van schade te behandelen indien deze schade betreft waarvoor: a. voor 31 maart 2017, 12:00 uur een schademelding – of claim is voorgelegd aan het Centrum Veilig Wonen of de exploitant; b. door de exploitant met de gedupeerde of diens vertegenwoordiger een vaststellingsovereenkomst is gesloten; c. door de gedupeerde of diens vertegenwoordiger met de exploitant onderhandeld wordt met het doel te komen tot een vergoeding van de schade; d. een vordering is ingesteld bij de burgerlijke rechter, tenzij de vordering bij de burgerlijke rechter met instemming van de gedaagde door de aanvrager wordt ingetrokken; of e. de burgerlijke rechter uitspraak heeft gedaan over de aanspraak op en de omvang van de vergoeding van de schade. 5. Het Instituut kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, afwijken van het bepaalde in het vierde lid, onder a en b, ten einde onbillijkheden van overwegende aard te voorkomen. 6.

Het Instituut voert deze taken en bevoegdheden uit met toepassing van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, uitgezonderd artikel 178, aanhef en onderdeel c, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek alsmede voor zover het de taak, genoemd in het derde lid, onderdeel c, betreft, uitgezonderd artikel 98, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

25

7. Indien de aanvrager in de aanvraag aangeeft dat er sprake is van een acuut onveilige situatie of het Instituut op basis van de aanvraag zelf het vermoeden heeft dat er sprake is van een acuut onveilige situatie: a. inspecteert het Instituut de situatie onmiddellijk, maar in ieder geval binnen 48 uur na indiening van de aanvraag, en treft in overleg met de aanvrager de in het belang van de veiligheid noodzakelijke maatregelen, en b. informeert het Instituut, ten behoeve van de toepassing van de Woningwet in het belang van de veiligheid, de betreffende burgemeester binnen 48 uur over het bestaan van de acuut onveilige situatie en de getroffen of te treffen maatregelen. 8. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan het Instituut andere taken en bevoegdheden worden opgedragen, die samenhangen met de taken en bevoegdheden, bedoeld in het derde lid. 9. Het Instituut is bevoegd om ter uitvoering van zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet met het oog op voorkoming of beperking van schade maatregelen te treffen of vergoedingen uit te keren die leiden tot versterking van een gebouw, voor zover dit geen versterkingsmaatregelen betreft als bedoeld in artikel 13j, eerste lid, onderdeel a. 10.

Naast de schade, bedoeld in artikel 184 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, kan het Instituut aan de aanvrager een in redelijkheid te bepalen tegemoetkoming in geld of in natura toekennen voor iedere redelijke maatregel die nodig is om te bewerkstelligen dat de schade waarvoor vergoeding wordt toegekend, duurzaam kan worden hersteld. Aan de toekenning van deze tegemoetkoming kan het Instituut voorwaarden verbinden. 11. Bij ministeriële regeling kan aan het Instituut de taak worden opgedragen knelpunten op te lossen die als gevolg van de schade zijn ontstaan. 12. Bij ministeriële regeling wordt de hoogte van de financiële middelen vastgesteld voor de uitgaven van het Instituut inzake tegemoetkomingen als bedoeld in het tiende lid en het oplossen van knelpunten als bedoeld in het elfde lid. Artikel 2a 1. Onze Minister is aanspreekpunt voor eigenaren van gebouwen die versterking behoeven en coördineert de versterking van gebouwen, bedoeld in hoofdstuk 5. 2. Onze Minister neemt alle beslissingen die redelijkerwijs nodig zijn voor de versterking van gebouwen, bedoeld in hoofdstuk 5. 3. Onze Minister en het Instituut werken nauw samen en stemmen de uitvoering van de versterking op grond van hoofdstuk 5 en de vergoeding van de schade op grond van hoofdstuk 2 op elkaar af, tenzij eigenaren aangeven dat ze deze afstemming niet willen. 4.

Indien de eigenaar van een gebouw dat wenst, wordt de vergoeding van de schade en de versterking van zijn gebouw in samenhang behandeld. De eigenaar krijgt de keuze om de vergoeding van de schade, bedoeld in hoofdstuk 2, en de versterking van zijn gebouw, bedoeld in hoofdstuk 5, te laten coördineren door Onze Minister of door het Instituut. Artikel 3 1. Ten behoeve van de goede uitvoering van artikel 2, derde en vierde lid, verwerkt het Instituut de nodige gegevens, waaronder persoonsgegevens. Het Instituut is verwerkingsverantwoordelijke 26

voor deze verwerking. 2. Ten behoeve van de goede uitwerking van artikel 2, derde en vierde lid, verwerkt de exploitant de nodige gegevens, waaronder persoonsgegevens. De exploitant is verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking. 3. Gelet op artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de Algemene verordening gegevensbescherming is het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door het Instituut of de exploitant voor zover deze verwerking noodzakelijk is in het belang van de goede uitvoering en uitwerking van artikel 2, derde en vierde lid. 4. Het Instituut en de exploitant verstrekken elkaar desgevraagd de informatie, waaronder begrepen de persoonsgegevens, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, voor zover die noodzakelijk is in het belang van de goede uitvoering van artikel 2, derde, vierde en zevende lid, of van de taken en bevoegdheden die op grond van artikel 2, achtste lid, aan het Instituut zijn opgedragen. 5. Het Instituut, Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten verstrekken elkaar desgevraagd of eigener beweging de gegevens, waaronder persoonsgegevens, over de afhandeling van aanvragen om schadevergoeding en beslissingen in het kader van de uitvoering van de versterkingsoperatie die noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van deze wettelijke taak. 6.

Het Instituut informeert Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten indien het gegronde vermoedens heeft dat een gebouw niet voldoet aan de veiligheidsnorm. 7. Onze Minister informeert het Instituut indien hij gegronde vermoedens heeft dat sprake is van een acuut onveilige situatie als bedoeld in artikel 2, zevende lid. 8. Het Instituut, Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten verstrekken niet de gegevens over gezondheid. 9. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop Onze Minister en het Instituut de uitvoering van de versterking op grond van hoofdstuk 5 en de vergoeding van schade op grond van hoofdstuk 2 op elkaar afstemmen. De voordracht voor een krachtens dit lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 10. De exploitant verstrekt Onze Minister desgevraagd de gegevens, waaronder persoonsgegevens, voor zover die noodzakelijk zijn in het belang van een goede uitvoering van de versterking op grond van hoofdstuk 5. Artikel 4 1. Het Instituut bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden, onder wie de voorzitter. 2.

In afwijking van artikel 12, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen worden de leden van het Instituut benoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming. 3. Schorsing en ontslag vinden plaats wegens:

27

a. ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de vervulde functie; of b. andere zwaarwegende redenen gelegen in de persoon van de betrokkene. 4. De leden van het Instituut worden op eigen verzoek ontslagen door Onze Minister voor Rechtsbescherming. 5. De leden van het Instituut zijn onpartijdig en hun benoeming vindt plaats op grond van de deskundigheid die nodig is voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het Instituut. 6. Benoeming vindt plaats voor een periode van ten hoogste vier jaar. De leden van het Instituut kunnen na afloop van deze periode aansluitend tweemaal opnieuw worden benoemd voor eenzelfde periode. 7. Een lid van een het Instituut meldt aan Onze Minister voor Rechtsbescherming alle omstandigheden die van invloed zijn of zouden kunnen zijn op hun onpartijdigheid of aanleiding kunnen geven tot een belangenconflict in het kader van de schadeafhandeling. 8. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de procedure omtrent benoeming, schorsing en ontslag en de rechtspositie van de leden van het Instituut. Artikel 5 1. Aan het Instituut staat ter ondersteuning van zijn taken en bevoegdheden een bureau ten dienste. 2.

Onze Minister stelt ten behoeve van de ondersteuning van de uitvoering van taken en bevoegdheden van het Instituut voldoende en gekwalificeerd personeel aan het bureau van het Instituut ter beschikking. Artikel 6 1. Het Instituut kan voor de uitvoering of voorbereiding van bepaalde werkzaamheden commissies instellen, waarvan ook anderen dan leden van het Instituut deel uit kunnen maken. 2. Indien het Instituut aan een commissie mandaat verleent tot het nemen van besluiten op grond van artikel 2, derde lid, zijn artikel 3, derde en zesde lid, en artikel 13 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van overeenkomstige toepassing op de leden van de commissie. Artikel 7 De leden van het Instituut, het personeel van het Instituut en de door het Instituut ingeschakelde deskundigen verlangen of ontvangen van derden geen instructies die op een individuele zaak betrekking hebben. Hoofdstuk 3. Aansturing en toezicht Artikel 8 1. Het Instituut stelt een bestuursreglement vast. 2. Het bestuursreglement bevat regels over:

28

a. de wijze van inrichting van het Instituut; b. de wijze van besluitvorming; c. het financiële beheer; d. de administratieve organisatie; e. vervanging van leden; en f. vertegenwoordigingsbevoegdheid. 3. Het Instituut maakt het reglement na de goedkeuring, bedoeld in artikel 11 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, bekend in de Staatscourant. Artikel 9 1. De artikelen 22 en 39, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zijn niet van toepassing.. 2. Aan het jaarverslag, bedoeld in artikel 18 van de Kaderwet zelfstandig bestuursorganen, worden in het belang van de transparantie omtrent de taakuitoefening en het gevoerde beleid bij algemene maatregel van bestuur nadere eisen gesteld. Hoofdstuk 4. Procedure bij het instituut Artikel 10 1. Het Instituut stelt, met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk, een procedure en een werkwijze vast voor de behandeling van aanvragen. 2. De procedure en werkwijze van het Instituut kennen een ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt. 3. Het Instituut publiceert zijn procedure en werkwijze op zijn website. Artikel 11 1. Een aanvraag om vergoeding van schade wordt ingediend bij het Instituut via een door het Instituut vastgesteld formulier. 2. De aanvraag bevat ten minste: a. de naam en het adres van de aanvrager; b. de datum; c.

indien van toepassing, de aard en het adres van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft; d. indien mogelijk, de datum of een inschatting van de datum waarop de schade is ontstaan; e. een aanduiding van de vermoedelijke oorzaak van de schade; f. een beschrijving naar eigen inzicht van de aard en de omvang van de schade; g. de inschatting van de aanvrager of er sprake zou kunnen zijn van een acuut onveilige situatie; h. een verklaring van de aanvrager van overdracht aan de Staat van de vordering tot vergoeding van schade van de aanvrager op de exploitant ter zake van de schade waarvoor vergoeding wordt aangevraagd. Artikel 12 1. Het Instituut kan ten behoeve van een besluit één of meerdere deskundigen aanwijzen om 29

schade op te nemen en te rapporteren over de aard van de schade in het licht van de door het Instituut te maken beoordeling. 2. De deskundige brengt binnen een door het Instituut gestelde termijn die ten hoogste zes maanden na de aanwijzing van de deskundige bedraagt een advies uit over zijn bevindingen. 3. Indien de deskundige binnen de gestelde termijn geen advies kan uitbrengen, deelt de deskundige dit, onder opgaaf van redenen, aan het Instituut mee voor het einde van de termijn en kan het Instituut de termijn met ten hoogste zes maanden verlengen. Het Instituut stelt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis. 4. Indien de aanvrager tegen het besluit, bedoeld in artikel 13, eerste lid, in bezwaar gaat, wijst het Instituut ambtshalve of op verzoek een deskundige aan, anders dan die bedoeld in het eerste lid, die de aanvrager kan bijstaan, tenzij de zaak waarop het betrekking heeft hier evident geen aanleiding voor geeft. 5. Het Instituut stelt eisen aan de deskundige, waaronder begrepen het aantal keren dat de deskundige per aanvraag mag onderzoeken of de schade evident en aantoonbaar uitsluitend een andere oorzaak heeft dan beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 177a, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 13 1.

Het Instituut neemt een besluit over vergoeding van schade uiterlijk binnen: a. 8 weken na ontvangst van de aanvraag, indien op deze aanvraag wordt beslist zonder dat onderzoek is verricht door een door het Instituut aangewezen deskundige, of b. 12 weken na ontvangst van het deskundigenadvies. 2. De termijn, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, met uitzondering van de termijn voor besluiten over vergoeding van fysieke schade, kan door het Instituut worden verlengd indien het Instituut als gevolg van het grote aantal ontvangen of verwachte aanvragen voor een schadesoort niet in staat is de aanvragen binnen die termijn af te handelen. Het Instituut informeert de aanvrager schriftelijk binnen twee weken na ontvangst van zijn aanvraag binnen welke termijn een besluit wordt genomen op zijn aanvraag. 3. De termijn, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het Instituut: a. de aanvrager in de gelegenheid heeft gesteld op basis van het deskundigenadvies te kiezen voor de vorm waarin de schadeafhandeling plaatsvindt of te reageren op het advies, tot de dag waarop de aanvrager die keuze heeft gemaakt of die reactie heeft gegeven; b. op grond van de keuze of de reactie van de aanvrager een aanvullend deskundigenadvies aanvraagt, tot de dag waarop dat advies is uitgebracht; 4.

Het Instituut neemt een besluit over een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2, tiende lid, binnen 24 weken nadat er een rapport van een constructief onderzoek is uitgebracht. Deze termijn wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het Instituut de aanvrager in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op documenten van het Instituut tot de dag waarop de aanvrager die reactie heeft gegeven. Hoofdstuk 5. Versterking Artikel 13a

30

1. Dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 13ba, is uitsluitend van toepassing op gebouwen in de gemeenten Eemsdelta, Groningen, Het Hogeland, Midden-Groningen en Oldambt. 2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald dat dit hoofdstuk niet van toepassing is, of onderdelen daarvan niet van toepassing zijn, op gebouwen of categorieën van gebouwen waarvoor op een andere wijze in de versterking wordt voorzien. 3. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister onderzoeken of een gebouw dat niet gelegen is in de in dat lid genoemde gemeenten mogelijk versterking behoeft, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat het gebouw versterkt moet worden in verband met de gevolgen van beweging van de bodem door aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag bij Norg of de gasopslag bij Grijpskerk. Indien uit het onderzoek blijkt dat het gebouw mogelijk versterking behoeft, zijn de artikelen 13h tot en met 13m van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13b In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Adviescollege: het Adviescollege Veiligheid Groningen, bedoeld in artikel 13c; beschermd monument: monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen of een rijksmonument; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsdelta, Groningen, Het Hogeland, Midden-Groningen of Oldambt; programma: programma van aanpak als bedoeld in artikel 13g, eerste lid; rijksmonument: monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; risicoprofiel: risicoprofiel als bedoeld in artikel 13e, eerste lid; versterkingsmaatregelen: maatregelen als bedoeld in artikel 13j, eerste lid, onderdeel a. Artikel 13ba Onze Minister neemt alle maatregelen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om te voorkomen dat als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld de veiligheid wordt geschaad. Artikel 13c 1. Er is een Adviescollege Veiligheid Groningen. 2. Het Adviescollege bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden, onder wie de voorzitter. 3. Het Adviescollege heeft tot taak Onze Minister te adviseren over de regels, bedoeld in de artikelen 13e, derde lid, en 13h.

In de adviezen wordt aandacht besteed aan de laatste bouwkundige en seismische inzichten, de laatste inzichten over toekomstige gaswinning, de uitvoerbaarheid van de regels en de doeltreffendheid van de regels in de praktijk. 4. Het Adviescollege raadpleegt bij de voorbereiding van zijn adviezen de colleges en het bestuur van het Staatstoezicht op de mijnen over de uitvoerbaarheid van de adviezen en de doeltreffendheid van de adviezen in de praktijk. 5. Het Adviescollege informeert de colleges en het bestuur van het Staatstoezicht op de mijnen over de wijze waarop hun reacties in het advies zijn verwerkt. Artikel 13d 31

Het bestuur van het Staatstoezicht op de mijnen kan aan Onze Minister gevraagd en ongevraagd adviezen verstrekken over de uitvoering van de versterkingsmaatregelen in relatie tot de veiligheid. Artikel 13e 1. Onze Minister stelt risicoprofielen vast van gebouwen waarvoor nog geen beoordeling als bedoeld in artikel 13i, eerste lid, heeft plaatsgevonden en actualiseert deze risicoprofielen, indien nodig, jaarlijks. 2. Bij de actualisatie van de risicoprofielen krijgt een gebouw waarvoor een risicoprofiel is vastgesteld, niet een lager risicoprofiel. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het vaststellen van een risicoprofiel en de actualisatie daarvan. Artikel 13f 1. Onze Minister zendt een overzicht van de risicoprofielen van gebouwen, bedoeld in artikel 13e, eerste lid, toe aan het betrokken college en aan het bestuur van het Staatstoezicht op de mijnen. 2. Op verzoek van de eigenaar verstrekt Onze Minister het risicoprofiel van het gebouw aan de eigenaar nadat dit is vastgesteld en informeert de eigenaar over het verdere verloop van de versterking van zijn gebouw. Artikel 13g 1. De gemeenteraad stelt een programma van aanpak vast op basis van de risicoprofielen met daarin een prioritering van gebouwen die mogelijk versterking behoeven. 2. Het programma bevat: a. uitvoeringskaders voor de versterking binnen de gemeente; b.

de meerjarige planning voor het opnemen en beoordelen van gebouwen ten behoeve van het nemen van het versterkingsbesluit; en c. de meerjarige planning voor de uitvoering van de versterkingsmaatregelen aan gebouwen. 3. De gemeenteraad verzoekt aan: a. het bestuur van het Staatstoezicht op de mijnen om een advies over het ontwerp van het programma in relatie tot de veiligheid, en b. Onze Minister om een oordeel over de uitvoerbaarheid van het ontwerp van het programma. 4. Het bestuur van het Staatstoezicht op de mijnen geeft het advies, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, en Onze Minister geeft het oordeel, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, binnen zes weken na het verzoek van de gemeenteraad. 5. Indien de programma’s van alle gemeenten gezamenlijk niet uitvoerbaar zijn binnen de beschikbare capaciteit, stelt Onze Minister na overleg met de colleges een programma van aanpak vast voor alle betrokken gemeenten, waarbij zoveel mogelijk de prioritering van de programma’s van de gemeenten wordt gevolgd. 6. Onze Minister kan op verzoek van een eigenaar van een gebouw onderzoeken of het gebouw mogelijk versterking behoeft, indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven. 32

7. Indien uit het onderzoek, bedoeld in het zesde lid, blijkt dat het gebouw mogelijk versterking behoeft, informeert Onze Minister de gemeenteraad. 8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het programma en de advisering door het bestuur van het Staatstoezicht op de mijnen en kunnen regels worden gesteld over het bepaalde in het zesde en zevende lid. Artikel 13h Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet en de wijze waarop wordt bepaald welke maatregelen nodig zijn om een gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen. Artikel 13i 1. Onze Minister beoordeelt conform de prioritering in het programma van aanpak of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet. 2. Indien een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet, neemt Onze Minister een besluit inhoudende dat het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet en geen versterkingsmaatregelen noodzakelijk zijn. De minister zendt een afschrift van dit besluit aan het college van de gemeente waarin het gebouw is gelegen en, indien het gebouw of het terrein waarop het staat een rijksmonument is, aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. 3. Indien een gebouw niet aan de veiligheidsnorm voldoet, zendt Onze Minister aan de eigenaar de beoordeling, bedoeld in het eerste lid.

In die beoordeling is in ieder geval opgenomen de soort maatregelen die nodig zijn om het gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen, waarbij, voor zover van toepassing, rekening wordt gehouden met de monumentale of karakteristieke waarde van het gebouw. 4. In het geval, bedoeld in het derde lid, wordt in overleg met de eigenaar van het gebouw een versterkingsbesluit voorbereid, nadat de eigenaar in de gelegenheid is gesteld schriftelijk kenbaar te maken dat hij zijn vordering tot vergoeding van schade op de exploitant ter zake van de kosten van de versterkingsmaatregelen overdraagt aan de Staat. 5. De eigenaar van een gebouw kan schriftelijk bij Onze Minister bedenkingen indienen over de beoordeling, bedoeld in het derde lid, tot het tijdstip waarop de minister een versterkingsbesluit heeft bekendgemaakt. 6. Indien de eigenaar bedenkingen als bedoeld in het vijfde lid indient, neemt Onze Minister binnen acht weken na ontvangst ervan en met inachtneming van de ingediende bedenkingen een versterkingsbesluit of, indien de eigenaar daarom heeft verzocht, een besluit dat het gebouw niet wordt versterkt indien daardoor de belangen van gebruikers of derde belanghebbenden niet worden geschaad.

In bijzondere gevallen verband houdende met de complexiteit daarvan of het aantal te nemen besluiten kan de termijn, genoemd in de eerste volzin, eenmaal worden verlengd met ten hoogste zes weken. 7. Indien een besluit, bedoeld in het zesde lid, wordt genomen dat een gebouw niet wordt versterkt, zendt Onze Minister een afschrift hiervan aan het college van de gemeente waarin het gebouw is gelegen en, indien het gebouw of het terrein waarop het staat een rijksmonument is, aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en draagt de minister zorg voor inschrijving van dit besluit in de openbare registers, bedoeld in artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, nadat het besluit onherroepelijk is geworden. 33

8. De inschrijving in het register, bedoeld in het zevende lid, nadat het besluit onherroepelijk is geworden, laat onverlet de mogelijkheid van een eigenaar om terug te komen op een keuze om een gebouw niet te versterken. Indien de eigenaar de keuze om een gebouw wel te versterken kenbaar maakt aan Onze Minister, neemt Onze Minister een nieuw versterkingsbesluit en draagt tevens zorg voor de doorhaling van het eerdere besluit in het register. Artikel 13ia 1. In afwijking van artikel 13i, eerste lid, kan de eigenaar de beoordeling of het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet in eigen beheer uitvoeren nadat hij het voornemen hiertoe aan Onze Minister heeft gemeld, indien: a. het gebouw deel uitmaakt van een programma; b. het gebouw niet constructief verbonden is met een ander gebouw, tenzij alle eigenaren van de constructief verbonden gebouwen gezamenlijk en gelijktijdig een beoordeling in eigen beheer uitvoeren; c. Onze Minister voor de beoordeling van het gebouw nog geen openbare aanbesteding heeft gedaan; d. het gebouw niet al is beoordeeld. 2. Onze Minister informeert de betrokken gemeente over het voornemen, bedoeld in het eerste lid. 3.

Op verzoek van de eigenaar die de beoordeling in eigen beheer uitvoert, verstrekt Onze Minister binnen vijf weken na ontvangst van het verzoek een vergoeding voor de kosten van het uitvoeren van de beoordeling, indien aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, is voldaan. 4. Zodra de beoordeling is uitgevoerd zendt de eigenaar een afschrift van de beoordeling aan Onze Minister. 5. Indien de beoordeling volgens Onze Minister voldoet aan de regels, bedoeld in artikel 13h, en die regels op de juiste wijze zijn toegepast, en uit de beoordeling blijkt dat het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet, neemt Onze Minister binnen twaalf weken na ontvangst een besluit als bedoeld in artikel 13i, tweede lid. 6. Indien de beoordeling volgens Onze Minister voldoet aan de regels, bedoeld in artikel 13h, en die regels op de juiste wijze zijn toegepast, en uit de beoordeling blijkt dat het gebouw niet aan de veiligheidsnorm voldoet, is artikel 13i, vierde lid, van overeenkomstige toepassing, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 13ib, eerste lid. 7. De eigenaar van een gebouw die ervoor kiest om de beoordeling in eigen beheer te laten plaatsvinden, kan tijdens de uitvoering hiervan ervoor kiezen deze alsnog door Onze Minister te laten plaatsvinden. Indien nodig wordt daarop de vergoeding, bedoeld in het derde lid, aangepast. 8.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de vergoeding, bedoeld in het derde lid. Artikel 13ib 1. In afwijking van artikel 13i, vierde lid, kan de eigenaar van een gebouw dat blijkens een beoordeling als bedoeld in artikel 13i, eerste lid, of artikel 13ia, eerste lid, niet aan de veiligheidsnorm voldoet, ervoor kiezen om een overzicht van maatregelen die nodig zijn om het 34

gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen in eigen beheer op te stellen, nadat hij het voornemen hiertoe aan Onze Minister heeft gemeld, indien: a. het gebouw niet constructief verbonden is met een ander gebouw, tenzij alle eigenaren van de constructief verbonden gebouwen gezamenlijk en gelijktijdig het overzicht van maatregelen opstellen; b. Onze Minister voor het opstellen van het overzicht van maatregelen nog geen openbare aanbesteding heeft gedaan; c. nog geen overzicht van maatregelen is opgesteld. 2. Onze Minister informeert de betrokken gemeente over het voornemen, bedoeld in het eerste lid. 3. Op verzoek van de eigenaar verstrekt Onze Minister binnen twaalf weken na ontvangst van het verzoek een vergoeding voor de kosten van het opstellen van het overzicht, indien de beoordeling voldoet aan de regels, bedoeld in artikel 13h, en die regels op de juiste wijze zijn toegepast. 4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de vergoeding, bedoeld in het derde lid. Artikel 13j 1. Onze Minister neemt binnen een in overleg met de eigenaar te bepalen redelijke termijn, maar uiterlijk binnen één jaar na de dagtekening van de beoordeling, bedoeld in artikel 13i, derde lid, een versterkingsbesluit dat in ieder geval bevat: a. een overzicht van de te treffen versterkingsmaatregelen die nodig zijn om een gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen, en b.

de aanspraak van de eigenaar op vergoeding van de kosten voor de uitvoering van de versterkingsmaatregelen, bedoeld in onderdeel a, indien de eigenaar zijn vordering tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 13i, vierde lid, heeft overgedragen aan de Staat. 2. In bijzondere gevallen verband houdende met de complexiteit daarvan of het aantal te nemen besluiten kan de termijn, genoemd in het eerste lid, eenmaal worden verlengd met een redelijke termijn. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden gevallen aangewezen waarvoor de redelijke termijn, bedoeld in het eerste lid, maximaal zes maanden bedraagt en waarvoor de verlenging, bedoeld in het tweede lid, maximaal zes maanden bedraagt. 4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan een versterkingsbesluit voor een beschermd monument een overzicht van de te treffen maatregelen bevatten waardoor de veiligheid verbetert, maar met het oog op het behoud van de monumentale waarden niet volledig wordt voldaan aan de veiligheidsnorm. 5. In een versterkingsbesluit kunnen op verzoek van de eigenaar andere maatregelen worden opgenomen om een gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen dan de versterkingsmaatregelen. Onze Minister bepaalt in hoeverre de extra kosten daarvan voor rekening van de eigenaar komen. 6.

In een versterkingsbesluit kunnen op verzoek van de eigenaar werkzaamheden worden opgenomen die niet noodzakelijk zijn om een gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen, indien deze werkzaamheden geen onredelijke vertraging opleveren voor het laten voldoen van 35

het gebouw of andere gebouwen aan de veiligheidsnorm. Onze Minister bepaalt in hoeverre de werkzaamheden worden uitgevoerd voor rekening van de eigenaar. 7. Onze Minister verbindt aan het versterkingsbesluit de voorwaarde dat de aanspraak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, vervalt indien: a. door de exploitant met de eigenaar of diens vertegenwoordiger een vaststellingsovereenkomst is gesloten, tenzij dit zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard; b. door de eigenaar of diens vertegenwoordiger met de exploitant onderhandeld wordt met het doel te komen tot een vergoeding van de kosten van de versterkingsmaatregelen; c. door de eigenaar een vordering is ingesteld bij de burgerlijke rechter, tenzij de vordering bij de burgerlijke rechter met instemming van de gedaagde door de eigenaar wordt ingetrokken; d. de burgerlijke rechter uitspraak heeft gedaan over de aanspraak op en de omvang van de vergoeding van de kosten van de versterkingsmaatregelen. 8. Onze Minister kan bij de aanspraak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, voor zover de versterkingsmaatregelen tevens voorzien in herstel van schade en dit redelijk is, rekening houden met de door het Instituut uitgekeerde of uit te keren vergoeding van deze schade. 9.

Het overzicht van de te treffen versterkingsmaatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de aanspraak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt zodanig vastgesteld dat het gebouw na uitvoering van de versterkingsmaatregelen van dezelfde aard is en ten minste vergelijkbare gebruiksoppervlakte en gebruiksmogelijkheden heeft als de situatie voor de uitvoering van die maatregelen, tenzij op verzoek van de eigenaar andere maatregelen worden genomen. 10. Onze Minister kan naast de voorwaarde, bedoeld in het zevende lid, aan het versterkingsbesluit andere voorwaarden verbinden. 11. Indien het versterkingsbesluit betrekking heeft op een rijksmonument zendt Onze Minister onmiddellijk na de bekendmaking van het versterkingsbesluit een afschrift van dat besluit aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, indien het rijksmonument is gelegen buiten de bebouwde kom aan gedeputeerde staten. 12. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de aanspraak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en kunnen nadere regels worden gesteld over het bepaalde in het zevende en achtste lid. Artikel 13ja 1.

In afwijking van artikel 13j, eerste lid, neemt Onze Minister een versterkingsbesluit binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag van de eigenaar van een gebouw die in eigen beheer een overzicht als bedoeld in artikel 13ib, eerste lid, heeft opgesteld van de maatregelen die nodig zijn om het gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen. 2. De aanvraag bevat het overzicht en de beoordeling of het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet, indien de beoordeling in eigen beheer is uitgevoerd als bedoeld in artikel 13ia, eerste lid. 3. Onze Minister kan de aanvraag geheel of gedeeltelijk afwijzen indien: a. de beoordeling niet voldoet aan de regels, bedoeld in artikel 13h, of die regels niet op de juiste wijze zijn toegepast; of 36

b. het overzicht niet de maatregelen bevat die naar het oordeel van de minister nodig zijn om het gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen. 4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de bij de aanvraag aan te leveren gegevens. Artikel 13k 1. Indien Onze Minister door toedoen van de eigenaar of gebruiker niet kan vaststellen of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet en belangen van de eigenaar, gebruiker of derde belanghebbenden niet worden geschaad, besluit de minister dat een gebouw niet wordt versterkt. De minister zendt een afschrift van dit besluit aan het college van de gemeente waarin het gebouw is gelegen, en, indien het gebouw of het terrein waarop het staat een rijksmonument is, aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en draagt zorg voor inschrijving van dit besluit in de openbare registers, bedoeld in artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, nadat het besluit onherroepelijk is geworden. 2. Onze Minister kan ten behoeve van de beoordeling, bedoeld in artikel 13i, eerste lid, de uitvoering van de versterkingsmaatregelen en voor het gebruik, bedoeld in het derde lid, personen aanwijzen die bevoegd zijn met medeneming van de benodigde apparatuur en andere hulpmiddelen, een gebouw met inbegrip van een woning binnen te treden. 3.

Indien voor de uitvoering van de versterkingsmaatregelen gebruik moet worden gemaakt van een onroerende zaak waarop het versterkingsbesluit geen betrekking heeft, kan Onze Minister besluiten de rechthebbende met wie daarover geen overeenstemming is bereikt, behoudens recht op schadevergoeding, de verplichting op te leggen om te gedogen dat zijn onroerende zaak wordt gebruikt voor de uitvoering van die maatregelen. 4. De eigenaar of gebruiker van een gebouw verleent aan een persoon als bedoeld in het tweede lid, binnen de door deze persoon gestelde termijn, alle medewerking die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. 5. De machtiging, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden wordt gegeven door Onze Minister. Artikel 13l [Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden] Artikel 13m 1. Onze Minister kan aan de rechtmatige gebruiker van een gebouw, niet zijnde de eigenaar, een vergoeding verstrekken voor de door hem geleden schade die een direct gevolg is van: a. de beoordeling of het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet; en b. de voorbereiding en uitvoering van de versterkingsmaatregelen. 2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake de gebruikers die in aanmerking komen voor vergoeding alsmede de gegevens die de gebruiker op verzoek van Onze Minister overlegt voor het vaststellen van de hoogte van de vergoeding en de wijze waarop de hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld. Hoofdstuk 5a. Bijstand

37

Artikel 13n 1. Als een bijzonder doeleinde als bedoeld in artikel 37b van de Wet op de rechtsbijstand waarvoor het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de rechtsbijstand, subsidie verstrekt, wordt aangemerkt, het door de eigenaar van een gebouw: a. indienen van een zienswijze in het kader van de aanvraag om vergoeding van schade bij het Instituut en de afwikkeling van schade en leveren van inbreng bij de voorbereiding van een versterkingsbesluit na ontvangst van de beoordeling, bedoeld in artikel 13i, derde lid, en de uitvoering van de versterkingsmaatregelen; b. maken van bezwaar of het instellen van beroep tegen een besluit van het Instituut of van Onze Minister op grond van deze wet. 2. Het inroepen van advies van een bouwkundige of financiële deskundige in het kader van het verlenen van rechtsbijstand, bedoeld in het eerste lid, wordt aangemerkt als een bijzonder doeleinde waarvoor het bestuur van de raad voor rechtsbijstand met het oog op de verlening van rechtsbijstand een subsidie verstrekt als bedoeld in artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand. 3.

Onze Minister voor Rechtsbescherming verleent de goedkeuring, bedoeld in artikel 37b, vijfde lid, van de Wet op de rechtsbijstand aan de krachtens artikel 37b, derde lid, of artikel 37c van de Wet op de rechtsbijstand vast te stellen regels voor de verstrekking van de subsidies, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet eerder dan vier weken nadat het ontwerpbesluit tot goedkeuring van de door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand te stellen regels aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. 4. Het Instituut verstrekt aan de eigenaar van een gebouw een vergoeding voor de kosten die hij maakt voor bouwkundig en financieel advies ten behoeve van het indienen van een zienswijze in het kader van de aanvraag om vergoeding van schade en de afwikkeling van schade, indien dit advies niet wordt ingeroepen in het kader van het verlenen van rechtsbijstand. 5. Onze Minister verstrekt aan de eigenaar van een gebouw een vergoeding voor de kosten die hij maakt voor bouwkundig en financieel advies ten behoeve van het leveren van inbreng bij de voorbereiding van een versterkingsbesluit na ontvangst van de beoordeling, bedoeld in artikel 13i, derde lid, en de uitvoering van de versterkingsmaatregelen, indien dit advies niet wordt ingeroepen in het kader van het verlenen van rechtsbijstand. 6.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over het verstrekken van de vergoeding, bedoeld in het vierde en vijfde lid. HOOFDSTUK 5b ZORGPLICHTEN BREDE WELVAART EN VERDUURZAMING Artikel 13o Zorgplicht brede welvaart Onze Minister draagt, in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat, zorg voor het bevorderen van de ontwikkeling van de brede welvaart in de gemeenten in de provincie Groningen, de gemeenten Aa en Hunze, Noordenveld en Tynaarlo. Artikel 13p Zorgplicht verduurzaming Onze Minister draagt, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zorg voor het bevorderen van verduurzaming richting het aardgasvrij gereed maken van woningen in de provincie Groningen en de gemeenten Aa en Hunze, Noordenveld en Tynaarlo. Artikel 13q Uitvoeringsplan

38

1. Ten behoeve van de taken, bedoeld in de artikelen 13o en 13p, stelt Onze Minister in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat en in overleg met gedeputeerde staten van de provincie Groningen, het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de provincies Groningen alsmede de gemeenten Tynaarlo, Noordenveld en Aa en Hunze in de provincie Drenthe, en het dagelijks bestuur van de waterschappen Noorderzijlvest alsmede Hunze en Aa’s, een uitvoeringsplan vast, teneinde: a. het niveau van de brede welvaart in het gebied, genoemd in artikel 13o, uiterlijk in 2055 op ten minste het landelijk gemiddelde te brengen; b. de woningen in het gebied, genoemd in artikel 13p, uiterlijk in 2035, wat betreft isolatie gereed te maken voor aardgasvrij gebruik. 2. Het uitvoeringsplan bevat in ieder geval: a. een nadere invulling van de relevante aspecten van brede welvaart en aardgasvrij gereed maken, bedoeld in de artikelen 13o en 13p; b. de tussentijdse doelen en streefwaarden met het oog op het realiseren van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b; c. de voorgenomen maatregelen met het oog op het realiseren van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b. 3. Het uitvoeringplan wordt ten minste elke vijf jaar opgesteld. 4.

Ten behoeve van het opstellen van het uitvoeringsplan wordt ten minste een vertegenwoordiging van de relevante maatschappelijke organisaties en van de bewoners uit de gemeenten, genoemd in het eerste lid, gehoord. HOOFDSTUK 5c DE STAAT VAN GRONINGEN Artikel 13r Staat van Groningen 1. Onze Minister geeft tot in ieder geval het jaar 2055 de opdracht tot het jaarlijks uiterlijk op de vierde dinsdag van april uitbrengen van de Staat van Groningen. 2. De Staat van Groningen is een openbaar rapport en bevat ten minste: a. een overzicht van de kwantitatieve realisatie van de taken en bevoegdheden, bedoeld in de hoofdstukken 2 en 5 en de artikelen 13n, vierde en vijfde lid, 13o en 13p, door alle bij de uitvoering daarvan betrokken partijen; b. een overzicht van de kwalitatieve en kwantitatieve effecten van de uitoefening van die taken en bevoegdheden; c. een overzicht van de resultaten van hetgeen is opgenomen in het uitvoeringsplan, bedoeld in artikel 13q; d. een analyse in hoeverre de uitoefening van de taken en bevoegdheden, bedoeld in hoofdstuk 2 en artikel 13n, vierde lid, door het Instituut heeft bijgedragen aan het op een ruimhartige wijze afhandelen van aanvragen om vergoeding, waarbij voorts het daadwerkelijk herstellen van de schade wordt bevorderd; e.

een analyse in hoeverre de uitoefening van de taken en bevoegdheden, bedoeld in hoofdstuk 5 en artikel 13n, vijfde lid, heeft bijgedragen aan het realiseren van veiligheid, bedoeld in artikel 13ba. Artikel 13s Overleg en reactie 1. Onze Minister voorziet, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, de Staat van Groningen van een reactie. Onze Minister zendt de reactie uiterlijk binnen acht weken na het uitbrengen van de Staat van Groningen aan beide Kamers der Staten-Generaal. 2. Ten behoeve van de reactie overleggen Onze Minister en Onze Ministers die het mede aangaat met een vertegenwoordiging van gedeputeerde staten van de provincie Groningen, het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de provincies Groningen alsmede de gemeenten Tynaarlo, Noordenveld en Aa en Hunze in de provincie Drenthe, het dagelijks bestuur van de waterschappen Noorderzijlvest alsmede Hunze en Aa’s, de relevante maatschappelijke organisaties en een vertegenwoordiging van bewoners uit de gemeenten, bedoeld in de artikelen 13o en 13p.

39

3. Indien daartoe op grond van de Staat van Groningen dan wel het overleg, bedoeld in het tweede lid, aanleiding bestaat, wordt in de reactie ingegaan op de wenselijkheid tot aanpassing van het uitvoeringsplan, bedoeld in artikel 13q. 4. Het bestuur van het Staatstoezicht op de mijnen, het Instituut en het Adviescollege, bedoeld in artikel 13c, geven ten behoeve van de reactie advies over de Staat van Groningen. Artikel 13t Gegevensverwerking 1. Ten behoeve van het opstellen en uitbrengen van de Staat van Groningen, bedoeld in artikel 13r, verwerkt de partij die hiervoor opdracht heeft gekregen de nodige gegevens, waaronder persoonsgegevens. De partij die hiervoor opdracht heeft gegeven is verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking. 2. Onze Minister, het Instituut, de gedeputeerde staten van de provincie Groningen, het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de provincies Groningen alsmede de gemeenten Tynaarlo, Noordenveld en Aa en Hunze in de provincie Drenthe, verstrekken desgevraagd of eigener beweging de gegevens, waaronder persoonsgegevens, aan de partij die opdracht heeft gekregen tot het opstellen en uitbrengen van de Staat van Groningen, indien deze noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van deze opdracht.

Hoofdstuk 6. Financiering Artikel 14 Koste-wat-kost 1. Onze Minister stelt voldoende financiële middelen ter beschikking aan het Instituut ter uitoefening van zijn taken en bevoegdheden. 2. Onze Minister neemt in zijn begroting het Instituut als afzonderlijke begrotingspost op en voorziet deze post van een toelichting. Artikel 14a Generatielange betrokkenheid 1. In de voorstellen van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van de ministeries die het aangaat wordt jaarlijks een bedrag opgenomen ten aanzien van de generatielange betrokkenheid voor de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 13o en 13p. 2. In het kader van de vaststelling van de begrotingsstaten, bedoeld in het eerste lid, wordt de dan geldende indexatiesystematiek voor besluitvorming over loon- en prijsbijstelling gehanteerd. Artikel 15 1. Onze Minister legt een heffing op aan een exploitant: a. ter bestrijding van alle kosten gemaakt in verband met de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdelen a en b, en zevende lid, met uitzondering van de kosten die verband houden met de bezoldiging van de leden van het Instituut, de huisvestingskosten van het Instituut en de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van het Instituut; b.

ter bestrijding van de kosten gemaakt in verband met de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel c, en achtste lid, indien deze kosten gemaakt zijn ten behoeve van vergoeding van schade als bedoeld in deze wet, met uitzondering van de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van het Instituut; c. ter bestrijding van alle kosten gemaakt door de overheid voor de voorbereiding en uitvoering van de maatregelen om een gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen en de 40

maatregelen, bedoeld in artikel 13j, vierde lid, indien het gebouw een beschermd monument is, alsmede de kosten die daar direct verband mee houden, met uitzondering van de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van Onze Minister; d. ter bestrijding van de kosten gemaakt in verband met de vergoedingen, bedoeld in artikel 13m, eerste lid, en subsidies op grond van artikel 13n, eerste en tweede lid, in combinatie met de artikelen 37b en 37c van de Wet op de rechtsbijstand, en vergoedingen op grond van artikel 13n, vierde en vijfde lid; en e. ter compensatie van het rentevoordeel dat de exploitant ondervindt als gevolg van de afhandeling van schade door het Instituut, als gevolg van de voorbereiding en uitvoering van maatregelen als bedoeld in onderdeel c, en de toekenning van de vergoedingen, bedoeld in onderdeel d. 2. De heffing wordt opgelegd aan de exploitant die ten tijde van het bekend worden van de schade, waarop de kosten van vergoedingen die de basis vormen voor de heffing betrekking hebben, exploitant is, respectievelijk aan de exploitant die ten tijde van het maken van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, exploitant is, respectievelijk aan de exploitant die ten tijde van het maken van de kosten, bedoeld in onderdeel d, exploitant is.

Indien deze schade bekend wordt of deze kosten gemaakt worden na sluiting van het mijnbouwwerk, wordt de heffing opgelegd aan degene die de laatste exploitant was. 3. De hoogte van de heffing wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. 4. Onze Minister kan een tussentijdse heffing opleggen tot ten hoogste het bedrag, bedoeld in het derde lid, voor de kosten die op dat moment gemaakt zijn. De tussentijdse heffing wordt verrekend met de definitieve heffing. Artikel 15a 1. In dit artikel wordt verstaan onder: batch 1.588: door de Nationaal Coördinator Groningen benoemde batch van 1.588 gebouwen waarvoor versterkingsadviezen zijn opgesteld. 2. Onze Minister verstrekt jaarlijks aan de gemeenten Eemsdelta, Groningen en Midden-Groningen een uitkering als bedoeld in artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet om de gemeenten van middelen te voorzien ten behoeve van het versterken van gebouwen in batch 1.588. 3. De gemeenten besteden de uitkering uitsluitend aan: a. werkzaamheden voor de versterking van de gebouwen in batch 1.588; b. het verstrekken van subsidies voor de versterking van de gebouwen in batch 1.588. 4.

De subsidie, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt vastgesteld op een bedrag zodat de eigenaar overeenkomstig de versterkingsadviezen de versterkingsmaatregelen kan laten uitvoeren dan wel tot sloop en nieuwbouw kan overgaan en het gebouw na de uitvoering van die maatregelen of na de sloop en nieuwbouw van dezelfde aard is en ten minste vergelijkbare gebruiksoppervlakte en gebruiksmogelijkheden heeft als de situatie voor de uitvoering van die maatregelen of voor de sloop en nieuwbouw, tenzij op verzoek van de eigenaar andere maatregelen worden genomen. 5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de uitkering, bedoeld in het tweede lid. Deze regels zien ten minste op de vaststelling van de hoogte van de uitkering, de verdeling, de

41

voorwaarden waaronder deze verstrekt wordt en de terugvordering van niet of niet rechtmatig bestede middelen. Artikel 15b 1. Onze Minister kan aan de provincie Groningen en gemeenten in de provincie Groningen een uitkering als bedoeld in artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet verstrekken voor activiteiten die gericht zijn op de toekomstbestendigheid of de leefbaarheid van de provincie Groningen. 2. Onze Minister kan een uitkering als bedoeld in artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet verstrekken aan de gemeenten Eemsdelta, Groningen, Het Hogeland, Midden-Groningen en Oldambt voor activiteiten die verband houden met het uitvoeren van de versterking, of voor activiteiten die gericht zijn op de verbetering van de sociale cohesie, en aan de provincie Groningen voor activiteiten die deze activiteiten van deze gemeenten ondersteunen. 3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid. Deze regels zien ten minste op de vaststelling van de hoogte van de uitkering, de verdeling, de voorwaarden waaronder deze verstrekt wordt en de terugvordering van niet of niet rechtmatig bestede middelen. Hoofdstuk 7. Rechtsbescherming Artikel 16 1.

De rechtbank kan in een beroep tegen een besluit op grond van deze wet op verzoek van een partij of ambtshalve de Hoge Raad, wanneer het een rechtsvraag die de toepassing van bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek betreft, dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak, wanneer het overige rechtsvragen betreft, een rechtsvraag stellen ter beantwoording bij wijze van een prejudiciële uitspraak, indien een antwoord op deze vraag nodig is om op het beroep te beslissen en rechtstreeks van belang is: a. voor een veelheid aan aanvragen die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en uit dezelfde of soortgelijke samenhangende oorzaken voortkomen; of b. voor beoordeling van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende beroepen, waarin dezelfde vraag zich voordoet. 2. Alvorens de vraag te stellen, stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid zich uit te laten over het voornemen om een vraag te stellen, alsmede over de inhoud van de te stellen vraag. 3. De tussenuitspraak waarbij de vraag wordt gesteld, vermeldt voorts het onderwerp van beroep, de door de rechtbank vastgestelde feiten en de door partijen ingenomen standpunten. Tevens bevat de tussenuitspraak een uiteenzetting dat met de beantwoording van de vraag wordt voldaan aan het eerste lid, onderdeel a of b.

Tegen de tussenuitspraak kan slechts hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met een hoger beroep tegen de uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, of artikel 8:67, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de rechtbank of de uitspraak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de voorzieningenrechter van de rechtbank. 4. De griffier zendt onverwijld een afschrift van de tussenuitspraak aan de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak. De griffier zendt afschriften van de andere op de procedure betrekking hebbende stukken op diens verzoek aan de griffier van de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak. 42

5. De rechtbank houdt de beslissing in de beroepsprocedure aan totdat een afschrift van de uitspraak van de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak is ontvangen. 6. Indien in een andere lopende beroepsprocedure het antwoord op de vraag rechtstreeks van belang is om op het beroep te beslissen, kan de rechtbank op verzoek van een partij in die procedure dan wel ambtshalve de beslissing aanhouden totdat de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak heeft gedaan. Alvorens te beslissen als bedoeld in de eerste zin, stelt de rechtbank de bij de procedure betrokken partijen in de gelegenheid zich daarover uit te laten. De rechtbank houdt de beslissing niet aan indien alle partijen te kennen hebben gegeven voortzetting van de procedure te verlangen of indien een zwaarwegend belang van de indiener van het beroepschrift zich verzet tegen het aanhouden van de procedure. In afwijking van artikel 8:104, derde lid, onder b van de Algemene wet bestuursrecht kan de indiener van het beroepschrift terstond hoger beroep instellen tegen een beslissing om aan te houden. Artikel 17 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14520240/1