CConstaterende datVeendam
Koppel je AI →
Document · PDF

28-01-02 Analyse en advies wetsvoorstel Groningenwet

Gemeenteraad 23 september 2024, gemeente VeendamBij agendapunt: Weekpost openbaar week 2820.601 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Tenzij de Hoge Raad, gehoord de procureur-generaal, dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak, indien van toepassing na het uitbrengen van een conclusie overeenkomstig artikel 8:12a van de Algemene wet bestuursrecht, aanstonds beslist overeenkomstig het tiende lid, stelt zij partijen in de gelegenheid om binnen een door haar te bepalen termijn schriftelijk opmerkingen te maken. 2. De Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak kan bepalen dat ook anderen dan partijen binnen een daartoe te bepalen termijn in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijke opmerkingen te maken. De aankondiging hiervan geschiedt op een door de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak te bepalen wijze. 3. Schriftelijke opmerkingen worden ter griffie van de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak ingediend. De griffier zendt onverwijld een afschrift aan partijen. 4. Indien het belang van de zaak dit geraden doet voorkomen, kan de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak, hetzij ambtshalve, hetzij op een daartoe strekkend verzoek, een termijn bepalen voor mondelinge of schriftelijke toelichting door partijen.

De Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak kan, indien een mondelinge toelichting is bevolen, degenen die ingevolge het tweede lid schriftelijke opmerkingen hebben gemaakt, uitnodigen ter zitting aanwezig te zijn teneinde over hun opmerkingen te worden gehoord. 5. Een schriftelijke toelichting wordt door de partij ondertekend en ter griffie van de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak ingediend. 6. Na het verstrijken van de termijn voor het maken van schriftelijke opmerkingen, dan wel na de mondelinge of schriftelijke toelichting, neemt de procureur-generaal bij de Hoge Raad conclusie dan wel kan de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak, onder overeenkomstige toepassing van artikel 8:12a van de Algemene wet bestuursrecht, één van haar leden verzoeken een conclusie te nemen, hetzij onmiddellijk, hetzij op een daartoe te bepalen dag. De griffier zendt onverwijld een afschrift van de conclusie aan partijen. Partijen kunnen binnen twee weken na verzending van het afschrift van de conclusie hun schriftelijk commentaar daarop doen toekomen aan de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak. 7. De Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak bepaalt de dag waarop de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak zal beslissen: a.

na het verstrijken van de termijn voor het maken van schriftelijke opmerkingen, dan wel na de mondelinge of schriftelijke toelichting, indien door de voorzitter van Afdeling 43

bestuursrechtspraak geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid bedoeld in het zesde lid, of b. nadat de procureur-generaal bij de Hoge Raad dan wel het daartoe op grond van het zesde lid verzochte lid van Afdeling bestuursrechtspraak conclusie heeft genomen. 8. De Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak kan de vraag herformuleren. Tenzij de herformulering van ondergeschikte betekenis is, stelt de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak partijen in de gelegenheid om binnen een door de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak te bepalen termijn schriftelijke opmerkingen te maken. 9. De Afdeling bestuursrechtspraak zendt de vraag door naar de Hoge Raad indien de vraagstelling de toepassing van bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek betreft. De Hoge Raad zendt de vraag door naar de Afdeling bestuursrechtspraak indien de vraagstelling niet de toepassing van bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek betreft. 10. De Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak ziet af van beantwoording indien de Hoge Raad, gehoord de procureur-generaal, dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de vraag zich niet voor beantwoording bij wijze van prejudiciële uitspraak leent of de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen.

De Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak kan zich bij de vermelding van de gronden van de uitspraak beperken tot dit oordeel. 11. Indien het antwoord op de vraag, nadat deze is gesteld, niet meer nodig is om in de procedure, bedoeld in artikel 16, eerste lid, op het beroep te beslissen, kan de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak, indien dat de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak geraden voorkomt, de vraag desondanks beantwoorden met het oog op aanhangige beroepen in soortgelijke zaken. 12. De Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak begroot in de uitspraak, onder overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, de kosten die partijen ingevolge dit artikel hebben gemaakt. 13. De griffier zendt onverwijld een afschrift van de uitspraak aan de rechtbank en aan partijen. De griffier zendt daarbij eveneens een afschrift van de genomen conclusie, indien van toepassing, en van de schriftelijke opmerkingen en toelichtingen, bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid. Artikel 18 1.

Behoudens indien het antwoord op de vraag niet meer nodig is om op het beroep te beslissen, beslist de rechtbank, nadat zij partijen de gelegenheid heeft gegeven zich schriftelijk over de uitspraak van de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak uit te laten, met inachtneming van deze uitspraak. 2. De rechtbank kan onder de proceskosten waarin een partij veroordeeld wordt, ook opnemen het door de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak begrote bedrag, bedoeld in artikel 17, twaalfde lid. 3. Geen griffierecht wordt geheven van belanghebbenden, het bestuursorgaan en anderen die verschijnen in de prejudiciële procedure als bedoeld in artikel 16. Artikel 19 1. Artikel 27gc van de Algemene wet inzake rijksbelastingen alsmede artikel 8:62 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op de behandeling van een verzoek om 44

een prejudiciële uitspraak door de Hoge Raad. De artikelen 8:10 tot en met 8:12, 8:14 tot en met 8:20, 8:23 tot en met 8:28, 8:29 tot en met 8:32a, 8:35 tot en met 8:40, 8:45a, 8:47, 8:60, 8:60a, tweede lid, 8:61, 8:62, 8:65; 8:77, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en derde lid, 8:78 en 8:79 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op de behandeling van een verzoek om een prejudiciële uitspraak door de Afdeling bestuursrechtspraak. 2. De Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak doet op de op grond van artikel 17, zevende lid, bepaalde dag schriftelijk uitspraak op een verzoek om een prejudiciële beslissing. Artikel 19a 1. Op een beroep tegen een versterkingsbesluit, een besluit als bedoeld in artikel 13i, tweede en zesde lid, een besluit als bedoeld in artikel 13k, eerste en derde lid, en een besluit als bedoeld in artikel 13l, eerste lid, onderdeel b, beslist de Afdeling bestuursrechtspraak binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift. 2. In bijzondere omstandigheden kan de Afdeling bestuursrechtspraak de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste drie maanden verlengen. Artikel 19b In afwijking van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht is een exploitant geen belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 2, derde lid, of bij een versterkingsbesluit. Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 21 1. Besluiten van de deelcommissie mijnbouwschade op grond van artikel 3, tweede lid, van het Besluit Mijnbouwschade Groningen, en de deelcommissie bezwaar, op grond van artikel 3, derde lid, van het Besluit Mijnbouwschade Groningen, worden na inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als besluiten van het Instituut Mijnbouwschade als bedoeld in artikel 2, derde lid. 2. Aanvragen tot vergoeding van schade die in de periode van 19 maart 2018 tot de datum van inwerkingtreding van deze wet in behandeling zijn bij de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, worden voor de toepassing van deze wet aangemerkt als een aanvraag tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2, derde lid. 3. Schademeldingen die in de periode van 31 maart 2017, 12:00 uur, tot 19 maart 2018 zijn voorgelegd aan de Nederlandse Aardolie Maatschappij N.V. of het Centrum Veilig Wonen en in behandeling zijn, worden voor de toepassing van deze wet aangemerkt als een aanvraag tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2, derde lid. 4. Het Instituut neemt de zaken bedoeld in het eerste tot en met derde lid over in de staat waarin deze zich bevinden. Artikel 22 Aanvragen om vergoeding van schade worden door het Instituut niet in behandeling genomen indien de aanvrager ten aanzien van de schade op het moment van inwerkingtreding van deze wet partij is bij: 45

a. de overeenkomst Groningen-NAM inzake regeling vergoeding kosten bodemdaling aardgaswinning 1983, of b. de overeenkomst Rijk-NAM inzake regeling vergoeding kosten bodemdaling aardgaswinning 1983. Artikel 22a 1. Degene die voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet is benoemd als lid van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, is van rechtswege benoemd als lid van het Instituut en de duur van zijn benoeming wordt vastgesteld op vier jaar. 2. Degene die voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet is benoemd als voorzitter van Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, is van rechtswege benoemd als voorzitter van het Instituut en de duur van zijn benoeming wordt vastgesteld op vier jaar. 3. Voor het bepalen van het tijdvak van de benoeming, bedoeld in artikel 4, zesde lid, geldt het tijdvak, vervuld als lid of voorzitter van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet als een tijdvak, vervuld als lid of voorzitter van het Instituut. Artikel 22b 1. Een plan van een gemeenteraad dat hetzelfde doel nastreeft als een programma als bedoeld in artikel 13g, wordt daarmee gelijkgesteld. 2.

Een risicoprofiel, een beoordeling of een gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm of een besluit daarover, een besluit tot versterken en een besluit tot niet versterken die krachtens artikel 52g van de Mijnbouwwet zijn vastgesteld, respectievelijk genomen, worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 5 gelijkgesteld met een risicoprofiel als bedoeld in artikel 13e, eerste lid, een beoordeling als bedoeld in artikel 13i, eerste lid, een versterkingsbesluit, respectievelijk een besluit als bedoeld in artikel 13i, zesde lid of artikel 13k, eerste lid. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, wordt als de datum van de dagtekening, bedoeld in artikel 13j, de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 5 aangemerkt. 4. Indien een beoordeling heeft plaatsgevonden voor een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip en uit die beoordeling blijkt dat een gebouw niet aan de veiligheidsnorm voldoet en de uitvoering van de versterkingsmaatregelen nog niet is aangevangen, kan Onze Minister op verzoek van de eigenaar het gebouw laten beoordelen op een bij of krachtens artikel 13h voorgeschreven wijze. 5.

Indien een nieuwe beoordeling als bedoeld in het vierde lid plaatsvindt en krachtens artikel 52g van de Mijnbouwwet voor het gebouw een besluit is vastgesteld, trekt Onze Minister het op grond van het tweede lid daarmee gelijkgestelde besluit in en besluit Onze Minister op basis van de nieuwe beoordeling overeenkomstig artikel 13i, tweede tot en met zevende lid, en de artikelen 13j tot en met 13m. 6. Onze Minister kan een vergoeding verstrekken aan de eigenaar die op grond van het vierde lid in aanmerking komt voor een nieuwe beoordeling. 7. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de vergoeding, bedoeld in het zesde lid. Artikel 23 46

[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.] Artikel 24 [Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6.] Artikel 25 [Wijzigt de Wet op de Raad van State.] Artikel 26 [Wijzigt de Mijnbouwwet.] Artikel 27 [Wijzigt de Mijnbouwwet.] Artikel 28 [Wijzigt de Mijnbouwwet.] Artikel 29 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan, verschillend kan worden vastgesteld, met uitzondering van artikel 13, dat in werking treedt op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen D en E, van het bij koninklijke boodschap van 13 oktober 2020 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met de versterking van gebouwen in de provincie Groningen (Kamerstukken 35 603), nadat dat voorstel tot wet is of wordt verheven, in werking treedt. 2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel 28, aanhef en onderdelen b en c, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2018. Artikel 30 Deze wet wordt aangehaald als: Wet Groningen.Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

’s-Gravenhage, 5 februari 2020 Willem-Alexander De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker

47

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.W. Knops Uitgegeven de elfde maart 2020 De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14520240/1