28-01-02 Analyse en advies wetsvoorstel Groningenwet
Tekst van het document
Analyse en advies wetsvoorstel Groningenwet Aan: colleges van de gemeenten in de provincie Groningen, de colleges van de gemeenten Tynaarlo, Noordenveld en Aa en Hunze, gedeputeerde staten van Groningen, dagelijks besturen van de waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en Aa's. Van: werkgroep Staat van Groningen, werkgroep schade, kopgroep ondergrond Datum: 4 juli 2024 Betreft: Analyse en advies wetsvoorstel Groningenwet De bestuurlijk trekkers Staat van Groningen en de Herstelagenda (René Paas en Susan Top) hebben ingestemd met de analyse en het advies. Colleges konden tot en met 3 juli 2024 reageren op het conceptadvies. Er zijn geen reacties ontvangen met wijzigingsvoorstellen. Er is één ambtshalve wijziging aangebracht. Het betreft het feitelijk weergeven van de afspraken over maatregel 29 (verduurzaming) in de Memorie van Toelichting. Voorgenomen besluit colleges 9 juli 2024 Vervolg besluitvormingsproces Raden, staten en algemeen besturen krijgen de gelegenheid om te reageren op het voorgenomen besluit. Ook zij krijgen informatie (onder meer met een filmpje), gelegenheid om vragen te stellen, onder meer in een digitale bijeenkomst op 12 juli. Uiteindelijk nemen de colleges op 3 september 2024 een definitief besluit en leggen dat -als de gemeenteraad of de staten dat zo besloten hebben - nog een keer voor aan de raad of de staten.
Indienen reactie Uiterlijk op 10 september moeten de colleges en dagelijks besturen de consultatiereactie indienen via internetconsultatie.nl. Als raden, staten en algemeen besturen dat besluiten wordt de reactie mede namens hen ingediend. 1. Aanleiding Van 17 juni tot en met 10 september 2024 kan iedereen tijdens de zogeheten internetconsultatie reageren op het wetsvoorstel ''wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen", ook wel de Groningenwet genoemd. De Groningenwet legt een aantal maatregelen uit de kabinetsreactie 'Nij Begun: op weg naar erkenning, herstel en perspectief' (Nij Begun) vast, zoals de Staat van Groningen, maar ook een aantal andere zaken. Het wetsvoorstel kent voor het onderdeel Staat van Groningen een bijzonder voortraject. Raden van de gemeenten in de provincie Groningen en van de gemeenten Tynaarlo, Noordenveld en Aa en Hunze, provinciale staten van Groningen en de algemeen besturen van de waterschappen Hunze en Aa's en Noorderzijlvest konden reageren op de ‘Hoofdlijnen uitwerking Staat van Groningen in de Groningenwet’ (de hoofdlijnennotitie). In het wetsvoorstel en de Memorie van Toelichting zien we hoe de staatssecretaris is omgegaan met deze reacties.
Nu is het aan colleges en dagelijks besturen om te reageren op het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel legt niet alleen het onderdeel Staat van Groningen vast, maar ook andere onderwerpen.
1
Inhoud analyse en advies: Hoofdstuk 2 samenvatting advies Hoofdstuk 3 algemene informatie over het wetsvoorstel Hoofdstuk 4 analyse Hoofdstuk 5 concept consultatiereactie bijlage 1 reactie raden en staten op hoofdlijnennotitie Groningenwet - onderdeel Staat van Groningen bijlage 2 geconsolideerde wetstekst Wet Groningen (nu nog: Tijdelijke wet Groningen) 2. Samenvatting advies Het wetsvoorstel is belangrijk voor regio en inwoners omdat het belangrijke maatregelen uit de kabinetsreactie Nij Begun vastlegt. Het advies is om een consultatiereactie in te dienen. De wet moet de verplichtingen van de verantwoordelijke bewindspersoon beter vastleggen dan in het wetsvoorstel staat, net als de relatie tussen die verplichtingen en afspraken die rijk en regio met elkaar maken. De maatregel daadwerkelijk herstel moet leiden tot vereenvoudiging in de schadeafhandeling, coulance en een schadevrij huis. 3. Algemene informatie over het wetsvoorstel 3.1 Internetconsultatie Op https://www.internetconsultatie.nl/wetsvoorstelpega/b1 zijn de documenten geplaatst waarop gereageerd kan worden. Het gaat om het wetsvoorstel, de Memorie van Toelichting en het Beleidskompas.1 3.2 Het wetsvoorstel wijzigt bestaande wetten De Groningenwet is een wijzigingswet, dat wil zeggen dat er geen nieuwe wet in het leven wordt geroepen, maar bestaande wetten worden gewijzigd.
De Tijdelijke wet Groningen (TwG), de Mijnbouwwet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid worden gewijzigd. 3.3 De inhoud van het wetsvoorstel In bijlage 2 van de Awb wordt 'Tijdelijke wet Groningen' vervangen door 'Wet Groningen'. Het gaat om bepalingen over het instellen van beroep. In de Mijnbouwwet wordt het collegiaal bestuur van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) geregeld en de Commissie van advies. Dit volgt uit maatregel 38 Nij Begun. De wijziging werkt door in bepalingen van de Tijdelijke wet Groningen en de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid. In de Tijdelijke wet Groningen wordt geregeld: - de naamswijziging van de wet - het onderdeel Staat van Groningen (maatregel 1 Nij Begun) - daadwerkelijk herstel (maatregel 3 Nij Begun) - voldoende middelen voor NCG en IMG om de wettelijke taken uit te voeren (koste-wat-kost, zo lang het duurt) - opschorten van beslistermijnen in bepaalde gevallen - vervallen evaluatiebepaling. Wat wijzigt er in de Tijdelijke wet Groningen? Huidige Tijdelijke wet Groningen
Nieuwe Wet Groningen
1 In het beleidskompas wordt, kort gezegd, gemotiveerd waarom overheidsbemoeienis op de
voorgestelde manier gerechtvaardigd is. 2
1. Algemeen
Definitie 'veronderstelde schade' (maatregel 3, daadwerkelijk herstel). Nieuwe taak IMG om veronderstelde schade te herstellen of te vergoeden (maatregel 3, daadwerkelijk herstel). Opschorten beslistermijnen (gewijzigd artikel 2). Geen wijzigingen. Geen wijzigingen. In relevante bepalingen wordt 'de inspecteurgeneraal der mijnen' vervangen door 'het bestuur van het Staatstoezicht op de Mijnen'. Opschorten beslistermijnen (gewijzigd artikel 13). Geen wijzigingen. 5b. Zorgplichten brede welvaart en verduurzaming, uitvoeringsplan voor zorgplichten (maatregel 1 Nij Begun). 5c. Staat van Groningen, Overleg en reactie, gegevensverwerking (maatregel 1 Nij Begun). Koste-wat-kost financiering voor uitvoering wettelijke taken NCG en IMG (gewijzigd artikel 14). Generatielange betrokkenheid (nieuw artikel 14a, maatregel 1 Nij Begun). Geen wijzigingen. Vervallen evaluatiebepaling (artikel 20).
2. Instelling, taken, bevoegdheden
3. Aansturing en toezicht 4. Procedure bij het Instituut 5. Versterking
5a. Bijstand
6. Financiering
7. Rechtsbescherming 8. Slotbepalingen
In bijlage 1 is de geconsolideerde versie opgenomen van de Wet Groningen. Bijlage 4 van de Kamerbrief Nij Begun is een overzicht van maatregelen in relatie tot de aanbevelingen van de parlementaire enquêtecommissie. Voor het wetsvoorstel worden in onderstaande tabel de relevante aanbevelingen en maatregelen weer gegeven. Aanbeveling commissie Maatregel kabinet Kabinet, vervul de informatieplicht naar de 1 - Staat van Groningen Tweede Kamer naar behoren Minister van Economische Zaken, geef opdracht voor een jaarlijkse 'Staat van de Groningse schadeafhandeling en versterking' Treed in dialoog met de Groningers over hoe de ereschuld ingelost moet worden Pas het bewijsvermoeden soepeler toe 3 - daadwerkelijk herstel Partijen uit het gasgebouw, verlaag de uitvoeringskosten en beëindig de facturendiscussie Introduceer collegiaal bestuur voor 38 - collegiaal bestuur SodM toezichthouders Geef de toezichthouder meer escalatiemogelijkheden
3
3.4 Bevoegdheidstoedeling In de wet worden bevoegdheden toebedeeld aan de Minister van Economische Zaken. Het Ministerie past dit aan, aan de situatie na de kabinetsformatie. 4. Analyse Hierna volgt een beschrijving van het wetsvoorstel en een korte analyse of er aanleiding is om te reageren. 4.1 De Tijdelijke wet Groningen wijzigt in Wet Groningen Door de naamswijziging maakt het kabinet duidelijk dat de inzet van het kabinet niet tijdelijk is, maar een generatielang verzekerd is. Bijlage 2 van de Awb bevat enkele bepalingen over het instellen van beroep en daarbij wordt verwezen naar specifieke wetten, waaronder de TwG. Het wetsvoorstel regelt daarom ook dat de naamswijziging in bijlage 2 van de Awb is verwerkt. Analyse: Er is geen aanleiding om te reageren. 4.2 Evaluatiebepaling Tijdelijke wet Groningen vervalt Artikel 20 TwG bepaalt dat de Minister elke twee jaar een evaluatieverslag over de doeltreffendheid van de wettelijke maatregelen en de noodzaak van het voortduren ervan aan de Staten-Generaal stuurt. Deze bepaling vervalt omdat de Staat van Groningen de doeltreffendheid van de maatregelen jaarlijks inzichtelijk maakt en het tijdelijke karakter van de wet vervalt waardoor het voortduren van de maatregelen waarin de wet voorziet niet ter discussie staat. Analyse: Er is geen aanleiding om te reageren.
4.3 Onderdeel Staat van Groningen (maatregel 1 Nij Begun) Het wetsvoorstel legt maatregel 1 uit Nij Begun vast waardoor het kabinet zich committeert 'aan een generatielange aanpak om de ereschuld aan de regio in te lossen en monitort de voortgang via een Staat van Groningen'.2 De monitoring moet bijdragen aan een betere informatiepositie van het parlement, medeoverheden en anderen.3 Daarnaast creëert het wetsvoorstel een kader voor langjarige en structurele samenwerking tussen het rijk en decentrale overheden.4 4.3.1. Hoofdlijnennotitie en afstemmingsmoment In de notitie 'Hoofdlijnen uitwerking Staat van Groningen in de Groningenwet' (hoofdlijnennotitie) is beleidsmatig aangegeven wat in de wet over de Staat van Groningen geregeld moet worden. Ze schetst dat in de wet vier hoofddoelstellingen worden vastgelegd die in uitvoeringsagenda's worden geconcretiseerd. De vier hoofddoelstellingen hebben betrekking op schade en versterking (resultaatsverplichtingen) en brede welvaart en verduurzaming (inspanningsverplichtingen). De formulering van de doelstellingen in de hoofdlijnennotitie Het beleid heeft als doel: a. het op ruimhartige wijze afhandelen van aanvragen om schadevergoeding zoals bedoeld in de Tijdelijke Wet Groningen; b.
het realiseren van veiligheid voor alle inwoners van het aardbevingsgebied, zoals bedoeld in artikel 13ba van de Tijdelijke Wet Groningen; 2 Memorie van Toelichting, pagina 3. 3 Memorie van Toelichting, pagina 5. 4 Memorie van Toelichting, pagina 6.
4
c. bijdragen aan de isolatie van woningen in de Provincie Groningen en de gemeenten Aa en Hunze, Noordenveld en Tynaarlo zodat de [Standaard voor woningisolatie] wordt bereikt in 2035; d. bijdragen aan de ontwikkeling van de brede welvaart in de gemeenten in de provincie Groningen, de gemeenten Aa en Hunze, Noordenveld en Tynaarlo zodat ten minste het landelijk gemiddelde wordt bereikt in 2055. De Staat van Groningen monitort in hoeverre de (geconcretiseerde) doelen worden gehaald en wat de effecten ervan zijn. In een jaarlijkse cyclus komt de Staat van Groningen uit, vindt daar overleg met regio en inwoners over plaats, verantwoordt de minister zich en stuurt waar nodig bij. Met de regio is er ook een voortgangsoverleg in het najaar. Schematische weergave van de samenhang van de uitvoeringsagenda’s en de Staat van Groningen zoals beschreven in de hoofdlijnennotitie
De gemeenteraden van de gemeenten in de provincie Groningen, Tynaarlo, Aa en Hunze en Noordenveld en provinciale staten van Groningen (hierna: raden en staten) hebben in mei 2024 gereageerd op de hoofdlijnennotitie. Samenvattend was de reactie dat de doelstellingen afdwingbare resultaatsverplichtingen moeten zijn en schadeafhandeling en versterking gepaard moeten gaan met aandacht voor gezondheid, welzijn en leefomgeving. De generatielange betrokkenheid van het kabinet moet ook in financiële zin verzilverd worden. De regio wil meebeslissen welke indicatoren niet jaarlijks worden gemeten en er moet voldoende tijd zijn voor de jaarlijkse overleggen. 4.3.2. Hoe is omgegaan met reactie van raden en staten? In hoofdstuk 9.1 van de Memorie van Toelichting wordt de reactie van raden en staten samengevat weergegeven en ook hoe de inbreng is meegenomen in het wetsvoorstel. Dit komt neer op het volgende:
5
Doelstellingen De minister krijgt een zorgplicht voor brede welvaart, een zorgplicht voor verduurzaming door isolatie en de taak om samen met de andere betrokken (vak)ministers voor de uitwerking van deze zorgplichten periodiek een uitvoeringsplan op te stellen. 'Ten behoeve van het uitvoeringsplan zal het kabinet een sociale en economische agenda met de regionale overheden opstellen'. Bij het opstellen van het uitvoeringsplan wordt de regio nauw betrokken. Het kabinet onderschrijft dat schadeafhandeling en versterking gepaard moeten gaan met aandacht voor gezondheid, welbevinden en de kwaliteit van de leefomgeving. In het wetsvoorstel is opgenomen dat de Staat van Groningen onder meer analyses moet bevatten die kwalitatief van aard zijn. Financiële bepalingen Het wetsvoorstel legt vast dat voor de generatielange betrokkenheid voor verduurzaming en brede welvaart jaarlijks middelen worden opgenomen in de begrotingen van de betrokken ministeries en dat de middelen worden geïndexeerd. Keuze voor indicatoren De uitvoeringsagenda's vormen de basis voor het uitvoeringsplan waarin tussentijdse doelen en streefwaarden worden vastgelegd. ‘Afhankelijk van de keuzes die men hierin maakt kunnen passende indicatoren worden gezocht. Het Rijk geeft daar dus samen met de regio invulling aan.’ 4.3.3.
Het wetsvoorstel Wijziging van het systeem Ten opzichte van de hoofdlijnennotitie zijn er enkele belangrijke wijzigingen aangebracht. → zorgplichten voor brede welvaart en verduurzaming door isolatie → waarvoor de betrokken (vak)ministers een uitvoeringsplan maken dat gebaseerd is op afspraken met de regio (sociale en economische agenda). De samenhang tussen uitvoeringsagenda’s en de Staat van Groningen, links op basis van de hoofdlijnennotitie en rechts op basis van het wetsvoorstel
6
Zorgplichten brede welvaart en verduurzaming De minister krijgt zorgplichten voor brede welvaart en verduurzaming door isolatie. De zorgplichten in het wetsvoorstel Artikel 13o Zorgplicht brede welvaart Onze Minister draagt, in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat, zorg voor het bevorderen van de ontwikkeling van de brede welvaart in de gemeenten in de provincie Groningen, de gemeenten Aa en Hunze, Noordenveld en Tynaarlo. Artikel 13p Zorgplicht verduurzaming Onze Minister draagt, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zorg voor het bevorderen van verduurzaming richting het aardgasvrij gereed maken van woningen in de provincie Groningen en de gemeenten Aa en Hunze, Noordenveld en Tynaarlo.
Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de zorgplicht de minister een coördinerende en waar nodig aanjagende taak geeft.5 De minister heeft de ruimte om te beoordelen wat er nodig is. Dit laat echter onverlet de verantwoordelijkheden van andere ministers. Wat betreft brede welvaart is de inzet van het kabinet 'aanvullend op de bijdrage die andere partijen vanuit hun (wettelijke taak), rol of verantwoordelijkheid leveren; ook hun bijdrage is noodzakelijk om de gewenste welvaartsverbetering te realiseren.'6 De nadere invulling van de zorgplichten voor brede welvaart en aardgasvrij gereed wordt nader ingevuld in het uitvoeringsplan. De Memorie van Toelichting beschrijft welke afspraken zijn gemaakt over maatregel 29 (verduurzaming). Deze afspraken moeten overeenkomen met de 'Uitgangspuntennotitie Isolatieaanpak Groningen Noord-Drenthe' die is vastgesteld door de stuurgroep maatregel 29 en de colleges. Analyse: Er is aanleiding om te reageren. De formulering biedt nog onvoldoende waarborg dat de minister op resultaten of het uitblijven daarvan kan worden aangesproken. Het moet ook niet zo zijn dat het kabinet de eigen verantwoordelijkheid verkleint door bijvoorbeeld gemeenten meer wettelijke taken te geven of een financiële bijdrage van de lagere overheden in het uitvoeringsplan voorwaardelijk maakt voor de rijksmiddelen uit Nij Begun.
Alhoewel het begrip brede welvaart moeilijk te definiëren is, moet we het over de operationalisatie wel eens zijn. Anders kan het begrip elke vijf jaar een andere invulling in het uitvoeringsplan krijgen en wordt het een moving target. De Memorie van Toelichting moet overeenstemmen met de afspraken die zijn gemaakt over maatregel 29. Uitvoeringsplan Voor de zorgplichten stelt de minister samen met andere betrokken ministers een uitvoeringsplan vast. Dat doen zij in overleg met de regionale colleges en dagelijks besturen van de waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en Aa's en nadat zij een vertegenwoordiging van bewonersorganisaties en bewoners hebben gehoord.
5 Memorie van Toelichting, pagina 6. 6 Memorie van Toelichting, pagina 7.
7
Uit de Memorie van Toelichting volgt dat de uitvoeringsagenda's de basis zijn voor het uitvoeringsplan. 'De inzet is om met de regionale overheden tot concrete afspraken te komen die de basis vormen voor het uitvoeringsplan. In Nij Begun heeft het kabinet aangegeven dat in dit verband onder andere een sociale en economische agenda worden opgesteld'.7 Analyse: Er is aanleiding om te reageren. Het wetsvoorstel maakt op zichzelf een terecht onderscheid tussen rijk en regio. Het zijn immers de minister en andere betrokken ministers die zich aan de Tweede Kamer moeten verantwoorden. Het uitvoeringsplan moet gebaseerd zijn op de afspraken die rijk en regio maken. Het verband tussen afspraken en uitvoeringsplan is te zwak. De Staat van Groningen Het wetsvoorstel regelt dat de Staat van Groningen een openbaar rapport is en dat het jaarlijks uiterlijk op de vierde dinsdag in april wordt uitgebracht. De monitor is gekoppeld aan de uitvoering van taken met betrekking tot schadeafhandeling (hoofdstuk 2 van de wet), versterking (hoofdstuk 5 van de wet), het financieren van financiële en bouwkundige bijstand (artikel 13, vierde en vijfde lid van de wet) en de zorgplichten voor brede welvaart en verduurzaming (artikel 13o en 13p van de wet). Analyse: Er is aanleiding om te reageren.
Het is goed om inzichtelijk te maken wat de effecten zijn van de taak om financiële bijstand te verlenen voor financieel en bouwkundig advies. Hier hoort echter ook bij dat de effecten van juridische bijstand worden gemeten. De cyclus van monitoren, overleg en verantwoording De Staat van Groningen wordt uiterlijk op de vierde dinsdag van april uitgebracht en is openbaar. Binnen acht weken zendt de Minister zijn reactie 'in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad' aan de Staten-Generaal. Eerst overleggen de betrokken Ministers met een vertegenwoordiging van de regionale colleges, dagelijks besturen van de waterschappen, maatschappelijke organisaties en bewoners. Het Staatstoezicht op de Mijnen, IMG en het Adviescollege Veiligheid Groningen adviseren over de reactie. De positie van overlegpartner is sterk en is – anders dan bij adviseurs - op gelijk niveau met de betrokken bewindspersonen. Het is verstandig om het proces van overleg als regionale overheden goed in te richten omdat de tijd tussen uitkomen van de Staat van Groningen en de reactie van de bewindspersoon daarop kort is (8 acht weken) en het belang voor de regio groot. Analyse: Er is geen aanleiding om te reageren. Gegevensverwerking Het wetsvoorstel biedt de grondslag voor betrokken partijen om gegevens te verwerken. Analyse: Er is geen aanleiding om te reageren.
Financiële bepaling: generatielange betrokkenheid Artikel 14a Generatielange betrokkenheid
7 Memorie van Toelichting, pagina 8.
8
1. In de voorstellen van wet tot vaststelling van de begrotingsstaten van de ministeries die het aangaat wordt jaarlijks een bedrag opgenomen ten aanzien van de generatielange betrokkenheid voor de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 13o en 13p. 2. In het kader van de vaststelling van de begrotingsstaten, bedoeld in het eerste lid, wordt de dan geldende indexatiesystematiek voor besluitvorming over loon- en prijsbijstelling gehanteerd.
In de begrotingsstaten van de betrokken ministers wordt jaarlijks een bedrag opgenomen voor de generatielange betrokkenheid voor de 'taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 13o en 13p'. De indexatiesystematiek voor besluitvorming over loon- en prijsbijstelling gehanteerd. Analyse: Er is aanleiding om te reageren. Het is de vraag of de precieze formulering de beschikbaarheid van middelen voldoende waarborgt. Alhoewel indexering van de middelen in de financiële bepaling is openomen, moet er rekening worden gehouden met de indexeringssystematiek voor de verschillende beleidsvelden/sectoren. 4.4. Daadwerkelijk herstel (maatregel 3 Nij Begun) De parlementaire enquêtecommissie beveelt in het rapport 'Groningers boven gas' aan dat de schadeafhandeling menselijker, milder en makkelijker moet. Schadeafhandeling vraagt technische kennis en betekent in de praktijk langdurige processen, onzekerheid en stress bij gedupeerden. De commissie pleit voor een ruimere bevoegdheid voor het IMG om 'schades vlot en genereuzer te behandelen'.
Eerder was uit de evaluatie op de Tijdelijke wet Groningen ook al gebleken het afwikkelen van aansprakelijkheid van NAM zoals het IMG dat op grond van het civiele aansprakelijkheidsrecht voor meervoudige en complexere schade moet doen, minder doeltreffend functioneert.8 Het kabinet reageert in Nij Begun met maatregel 3 - het stoppen met onderzoek naar causaliteit van schades. Deze maatregel beoogt in essentie om tot een schadebedrag van € 60.000 niet meer te beoordelen wat de schadeoorzaak is, maar te veronderstellen dat schade is veroorzaakt door gaswinning.9 4.4.1. Huidige systematiek Het IMG heeft de taak om schade af te handelen en moet daarbij de relevante bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek toepassen. Kort gezegd vindt schadeafhandeling daardoor plaats op basis van een dubbele beoordeling als schade naar haar aard mijnbouwschade is: 1. Is het wettelijk bewijsvermoeden weerlegd (is er een evident andere oorzaak)?10 2. Als dat niet zo is: wat is de hoogte van het schadebedrag dat moet worden vergoed? Het IMG laat zich over deze vragen adviseren door deskundigen en baseert het schadebesluit op het deskundigenadvies. 4.4.2 Het wetsvoorstel Het IMG heeft en houdt de taak om schade af te handelen, maar krijgt als nieuwe taak veronderstelde schade af te handelen. 8 Kamerstukken II 2022/23, 35 250, nr.45. 9 In Nij Begun is het schadebedrag op € 40.000 bepaald.
Tijdens de Kamerbehandeling is de motie
Vedder-Boualkjar aangenomen die oproept dit bedrag te verhogen naar € 60.000. 10 Het wettelijk bewijsvermoeden geldt voor fysieke schade aan gebouwen en werken en houdt in dat schade die naar haar aard redelijkerwijs door bodembeweging door mijnbouw is ontstaan, wordt vermoed mijnbouwschade te zijn. De exploitant kan dit vermoeden weerleggen (artikel 6:177a BW). Dit onderzoeksrecht van de exploitant neemt het IMG op grond van de TwG over. 9
Wettelijk bewijsvermoeden en definities schade en veronderstelde schade Wettelijk bewijsvermoeden (artikel 6:177a BW) Bij alle fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of gasopslag bij Norg of de gasopslag bij Grijpskerk zou kunnen zijn, wordt vermoed dat die schade veroorzaakt is door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk. Schade (artikel 1 TwG) Schade die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk. Veronderstelde schade (nieuw in artikel 1 TwG) Schade die naar haar aard redelijkerwijs zou kunnen zijn ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg of de gasopslag Grijpskerk. In de nieuwe wetssystematiek krijgt de aanvrager - en dat kunnen ook ondernemers zijn - een keuze voorgelegd: - een reguliere beoordeling (omdat de eigenaar een vergoeding in geld wil of om een andere reden); - een vaste eenmalige schadevergoeding van € 10.000; - daadwerkelijk herstel.
De keuze voor daadwerkelijk herstel komt erop neer dat het IMG de vraag of het wettelijk bewijsvermoeden is weerlegd, overslaat en veronderstelt dat het om mijnbouwschade gaat als de schade redelijkerwijs mijnbouwschade kan zijn. Het IMG gaat rechtstreeks over op het bepalen van de hoogte van het schadebedrag voor schade die naar haar aard mijnbouwschade kan zijn. Het IMG hoeft zich bij het bepalen van het schadebedrag niet te houden aan artikel 6:98 BW. Deze bepaling regelt dat de vergoeding in redelijk verband tot de schadeoorzaak moet staan.
10
Schade die naar haar aard geen mijnbouwschade is, wordt niet vergoed.11 Er zijn voorwaarden aan de keuze voor daadwerkelijk herstel: - het moet gaan om het gebied waar het wettelijk bewijsvermoeden wordt toegepast; - het moet gaan om daadwerkelijk herstel door het IMG of in opdracht van de aanvrager; - de optie wordt geboden tot het maximumbedrag dat in een ministeriële regeling wordt bepaald. Daarnaast heeft het IMG in de eigen procedure en werkwijze voor verschillende vergoedingen bepaald dat schadevergoeding een finaal karakter heeft. Daarmee wordt bedoeld dat de schade hiermee is afgehandeld en er - behoudens aardbevingen met een bepaalde trillingssnelheid of nieuwe schade door indirecte bodemdaling - geen nieuwe vergoeding meer wordt gegeven.12 Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de finale kwijting ook voor daadwerkelijk herstel zal gelden. Analyse: Er is aanleiding om te reageren. Het grensbedrag is niet gemotiveerd en wordt bovendien in een ministeriële regeling vastgelegd waardoor het ook eenvoudig naar beneden bijgesteld kan worden. Het is de vraag of en in hoeverre inwoners in de kern van het gebied profiteren van deze maatregel. De voorwaarde van finale kwijting mist grondslag en is een niet-gemotiveerde verzwakking van het wettelijk bewijsvermoeden. 4.5 Opschorten beslistermijn Het IMG moet zich aan de wettelijke beslistermijnen houden.
Wettelijke beslistermijnen IMG In de Tijdelijke wet Groningen is de beslistermijn voor het IMG afhankelijk van het verrichten van onderzoek: - zonder onderzoek is de beslistermijn 8 weken; deze termijn kan in bepaalde omstandigheden worden verlengd; - met onderzoek is de beslistermijn 12 weken na ontvangst van het deskundigenadvies. Voor zover de Tijdelijke wet Groningen geen beslistermijn bepaalt, geldt dat er binnen een redelijke termijn van maximaal acht weken een besluit moet worden genomen (artikel 4:13 Awb). Het wetsvoorstel regelt dat de beslistermijnen in de situatie dat onderzoek wordt gedaan worden opgeschort zodat de aanvrager de gelegenheid krijgt om een keuze in de schadeafhandeling te maken of om aanvullend advies mogelijk te maken. Daarnaast regelt het wetsvoorstel een beslistermijn van 24 weken voor het besluit over een onverschuldigde tegemoetkoming (duurzaam herstel). De termijn begint nadat er een rapport voor constructief onderzoek is uitgebracht en wordt opgeschort zodat de aanvrager kan reageren 'op documenten van het Instituut'. Analyse: Er is aanleiding om te reageren. De start- en het beëindigingsmoment van de opschorting moet objectief te bepalen zijn. 4.6 Financiële bepaling koste-wat-kost Het tijdelijke karakter van de wet vervalt.
Er komt nu een koste-wat-kost-financiering voor de uitoefening van taken en bevoegdheden in voor schadeafhandeling en versterking zoals die zijn vastgelegd in hoofdstuk 2 en 5 van de wet. 11 In de Memorie van Toelichting wordt als voorbeeld rook- of brandschade genoemd. 12 Zie artikel 2.10 Procedure en werkwijze IMG.
11
Analyse: Er is aanleiding om te reageren. Koste-wat-kost wordt beperkt tot de taken die wettelijk zijn vastgelegd in de Wet Groningen. We missen daardoor het koste-wat-kost-commitment op de zaken die wij als gevolgschade zien, zoals het bestrijden van de negatieve effecten op gezondheid, nadelige gevolgen voor ondernemers in hun bedrijfsvoering of omzetschade die zij derven, nadelige gevolgen voor (het behoud van) erfgoed. 4.7 Collegiaal bestuur SodM Het SodM krijgt een meervoudige leiding (collegiaal bestuur). Hiermee wordt voorkomen dat de koers van de toezichthouder afhankelijk wordt van één persoon. Het bestuur in de vorm van een college is minder gevoelig voor eventuele beïnvloeding van buitenaf. Daarnaast wordt een onafhankelijke commissie van advies gevormd die het collegiaal bestuur kan beoordelen. Het collegiaal bestuur en de commissie van advies werken door in de Mijnbouwwet, in bepalingen van de Tijdelijke wet Groningen en de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid. Analyse: Er is geen aanleiding om te reageren. 5. Voorgestelde consultatiereactie Hierna volgt de voorgestelde consultatie reactie.
Aan zijne excellentie staatssecretaris Herstel van Groningen Betreft: consultatiereactie Groningenwet Geachte heer Van Marum, Van 17 juni tot en met 10 september 2024 kan iedereen tijdens de internetconsultatie reageren op het wetsvoorstel ''wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen" (hierna: het wetsvoorstel). Wij maken graag van de gelegenheid gebruik om te reageren. Deze reactie dienen wij mede in namens provinciale staten van Groningen, de gemeenteraad van….., het algemeen bestuur van …. Het wetsvoorstel is voor ons en onze inwoners van belang omdat hij de garantie moet vormen dat het kabinet - en ook toekomstige kabinetten - zich houden aan de beloften die zijn gedaan in de Kamerbrief 'Nij Begun: op weg naar erkenning, herstel en perspectief' (hierna: Nij Begun). Wij waarderen het dan ook dat de betrokken raden, staten en algemeen besturen de gelegenheid hebben gekregen om te reageren op de notitie "Hoofdlijnen uitwerking Staat van Groningen in de Groningenwet" (hierna: de hoofdlijnennotitie). De kern van de reactie van de regionale volksvertegenwoordigingen is dat de wet houvast moet bieden.
Houvast dat de verantwoordelijke bewindspersoon en het kabinet zich committeren aan de regio, aan beloften, aan doelen en maatregelen om die doelen te realiseren en aan het beschikbaar stellen van middelen en capaciteit die daarvoor nodig zijn. Wij onderschrijven deze reactie van de regionale volksvertegenwoordigingen en onze reactie staat dan ook in het licht van de vraag of het wetsvoorstel naar ons oordeel voldoende houvast biedt. Daarnaast is de wet van belang omdat hij een maatregel vastlegt - onder de noemer daadwerkelijk herstel - die als doel heeft de schadeafhandeling menselijker, milder en makkelijker te laten verlopen.
12
1. Onderdeel Staat van Groningen (maatregel 1 Nij Begun) Het kabinet reageert met 50 maatregelen in Nij Begun op de aanbevelingen van de parlementaire enquêtecommissie en zegt daar zelf over 'Geen beloften zonder daden meer. Het kabinet legt daarom in de wet vast dat het jaarlijks over de voortgang verantwoording aflegt in een Staat van Groningen en elke zes maanden hierover praat in de regio.' Dit wetsvoorstel moet de resultaatsverplichtingen van het kabinet vastleggen. Het is immers het kabinet dat een ereschuld moet inlossen en het zijn de verantwoordelijke bewindspersonen die doelen moeten realiseren en maatregelen nemen die daarvoor nodig zijn. En het is met zoveel woorden toegezegd in Nij Begun bij maatregel 1 ''Het gaat om een resultaatsverplichting". Dit zien wij echter onvoldoende terug. Het wetsvoorstel en de Memorie van Toelichting lijken te worstelen met verantwoordelijkheid van de bevoegde Minister, andere betrokken Ministers en derden waardoor de gezamenlijke resultaatsverplichting van de betrokken Ministers - in ieder geval in terminologie - verzwakt. Daardoor zien we constructies als 'coördinatie', 'inzet' en 'aanvullende bijdrage'. Het staat voor ons vast dat het kabinet verantwoordelijk is voor het realiseren van de welvaartsverbetering en dit willen we terugzien in het wetsvoorstel en de Memorie van Toelichting.
1.1 Zorgplichten brede welvaart en verduurzaming In het wetsvoorstel krijgt de Minister in overeenstemming met andere betrokken ministers zorgplichten voor brede welvaart en verduurzaming. De formulering is 'draagt zorg voor het bevorderen van'. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat het een coördinerende en aanjagende taak is. De maatregelen uit Nij Begun worden niet gerealiseerd met een concrete zorgplicht of door een bewindspersoon die enkel een coördinerende taak heeft. Een zorgplicht zonder norm waaraan die zorg moet voldoen geeft de regio niet het houvast dat nodig is. We vinden dat de taak van de verantwoordelijke bewindspersoon in het wetsvoorstel verbonden moet zijn aan de verplichting om de maatregelen te nemen die nodig zijn om de doelen te realiseren. Het moet zó duidelijk zijn dat derden de bewindspersoon en de Staat – eventueel in een juridische procedure - kunnen aanspreken wanneer de uitoefening van de taken niet, onvoldoende of niet-tijdig tot het vereiste resultaat leidt. We doen u een concreet wijzigingsvoorstel in bijlage 1 van deze consultatiereactie. 1.2 Verplichtingen kabinet in relatie tot aanvullende bijdrage De middelen die het kabinet beschikbaar stelt voor verduurzaming en brede welvaart zijn additioneel. Het is extra en niet bedoeld om reguliere verplichtingen mee te financieren.
In de Memorie van Toelichting staat echter zoals eerder genoemd dat de bijdrage aanvullend is op wat andere partijen vanuit hun taak of verantwoordelijkheid bijdragen; 'ook hun bijdrage is noodzakelijk om de gewenste welvaartsverbetering te realiseren'. Wij vinden dat dit geen recht doet aan de ereschuld die het kabinet heeft omdat gesuggereerd wordt dat eerst en primair andere partijen een (financiële) bijdrage moeten leveren en dan pas het kabinet voor zover de bijdrage van andere partijen ontoereikend is. In deze formulering zou het ook kunnen dat het kabinet – door bijvoorbeeld gemeenten extra taken te geven – zijn verantwoordelijkheid kan verschuiven. De maatregelen en de middelen die daarvoor nodig zijn, zijn bedoeld om de ereschuld die het 13
kabinet heeft in te lossen. Het kabinet moet dan ook de verbétering realiseren. Daarbij kan inzet van andere partijen nodig zijn, maar het wetsvoorstel en de Memorie van Toelichting moeten duidelijk maken dat het realiseren van de doelen en het beschikbaar stellen van de middelen een verantwoordelijkheid is van het kabinet en toekomstige kabinetten. 1.3 Uitvoeringsplan in relatie tot afspraken met decentrale overheden Uit de Memorie van Toelichting blijkt summier dat het de bedoeling is dat de Minister met de regionale bestuurders afspraken maakt over de invulling van de zorgplichten, het bepalen van concrete doelen, maatregelen om die doelen te bereiken en streefwaarden. Dat zijn op basis van Nij Begun in ieder geval de economische en sociale agenda (maatregel 34 en 35 uit Nij Begun). Op basis van deze afspraken nemen de betrokken Ministers in het uitvoeringsplan onderdelen over die in de Staat van Groningen terecht moeten komen en waar zij verantwoording over moeten afleggen. Het wetsvoorstel verplicht de Minister(s) alleen om het uitvoeringsplan in overleg met de decentrale overheden vast te stellen. Wij vinden dat de relatie tussen het uitvoeringsplan en de afspraken met decentrale overheden een steviger basis in het wetsvoorstel moeten krijgen. Het moet duidelijk zijn dat het uitvoeringsplan voortvloeit uit die afspraken.
We doen u een concreet voorstel in bijlage 1 van deze consultatiereactie. Daarnaast vinden we dat het wetsvoorstel tot uitdrukking moet brengen dat de regionale afspraken en het uitvoeringsplan ook op andere onderwerpen kunnen zien dan verduurzaming en brede welvaart. Rijk en regionale overheden kunnen bijvoorbeeld ook afspraken met elkaar maken en doelen formuleren die betrekking hebben op schadeafhandeling of versterking, de zogenaamde Herstelagenda. 1.4 Uitvoeringsplan en de nadere invulling van de zorgtaken brede welvaart en verduurzaming Volgens het wetsvoorstel wordt in het uitvoeringsplan nadere invulling gegeven aan de relevante aspecten van brede welvaart en aardgasvrij gereed maken. Het risico dat wij hier zien, is dat elke vijf jaar een andere invulling kan worden gegeven aan de zorgplichten waarmee de doelstellingen moving targets zijn. Het wetsvoorstel of de Memorie van Toelichting moeten in ieder geval een ondergrens van de relevante aspecten bevatten. De gekozen ondergrens moet eraan bijdragen dat de doelstellingen van de zorgtaken niet tot gevolg hebben dat verschillen binnen en tussen gemeenten worden verdiept of dat goede resultaten slechte resultaten maskeren. De Memorie van Toelichting beschrijft welke afspraken zijn gemaakt over het uitvoeren maatregel 29 uit Nij Begun (verduurzaming).
Er zijn specifieke afspraken gemaakt voor adressen die binnen het versterkingsprogramma vallen. Deze afspraken gelden ook voor bepaalde adressen buiten het versterkingsprogramma, we noemen dit het versterkingsgebied. De Memorie van Toelichting is hierover echter niet volledig. We stellen voor om de terminologie van de "Uitgangspuntennotitie Isolatieaanpak Groningen Noord-Drenthe" te hanteren die is vastgesteld in de stuurgroep van maatregel 29 en in alle colleges van de provincie Groningen en de betrokken dertien gemeenten. Het gaat om het gebied waar tenminste 30% van de woningen in de versterkingsscope is opgenomen (CBS Wijk- en buurtindeling). Daarbij wordt afgerond naar hele percentages (dus >29,5%). Om tot een ruimtelijk samenhangend gebied te komen worden enclaves die niet aan de criteria voldoen toegevoegd aan het versterkingsgebied en daarmee aan de 100% regeling. Een enclave is een gebied dat volledig grenst aan gebieden waar het criterium van minimaal 30% geldt (dus daardoor wordt omsloten) en gebieden die met aan 1 zijde aan zee liggen en verder volledig grenzen aan gebieden waar het criterium van 30% geldt.
14
Om tot een sociaal samenhangend gebied te komen zijn nog 2 gebieden toegevoegd aan het versterkingsgebied. Het gaat om aan elkaar grenzende CBS-wijken die in de praktijk één gemeenschap vormen. 1.5 Staat van Groningen Het nieuwe artikel 13r maakt duidelijk wat gemonitord moet worden in de Staat van Groningen. Dat betreft onder meer de kwantitatieve en kwalitatieve realisatie van bijstand voor het verlenen van financieel en bouwkundig advies en in hoeverre dit bijdraagt aan ruimhartige schadeafhandeling of veiligheid. In het wetsvoorstel moet opgenomen worden, dat deze monitoring ook ziet op het verlenen van juridische bijstand. 1.6 Beschikbaar stellen financiële middelen Het nieuwe artikel 14a borgt dat er jaarlijks financiële middelen beschikbaar komen voor de zorgplichten die de minister heeft voor brede welvaart en verduurzaming. Dit vinden wij onvoldoende garantie dat het kabinet de toezeggingen uit Nij Begun nakomt. De doelen en maatregelen die daarvoor nodig zijn, moeten met de financiering door het kabinet gerealiseerd worden. Er moet dan ook tenminste een relatie worden gelegd met de doelen en de maatregelen in het uitvoeringsplan. Anders zijn de middelen namelijk slechts gekoppeld aan de algemene zorgplicht. In de wettekst moet bovendien worden opgenomen dat jaarlijks, in ieder geval tot en met 2055 voldoende middelen beschikbaar worden gesteld.
We vinden dat de financiële bepaling het ook mogelijk moet maken om onderbenutte middelen door te schuiven naar het komende jaar en dat het moet regelen dat er bij de indexering rekening gehouden wordt met verschillende indexeringsmethoden per beleidsveld of sector. Het ministerie dat de middelen op de begroting zet is hierin niet leidend, maar de inhoudelijke maatregel (waar het geld ook daadwerkelijk aan wordt besteed). 2. Onderdeel Daadwerkelijk herstel (maatregel 3 Nij Begun) Het doel van dit onderdeel van het wetsvoorstel is om schadeafhandeling voor gedupeerden met meer omvangrijke schade soelaas te bieden in het complexe, langdurige en onzekere proces van schadeafhandeling. Met dat doel zijn we het eens. We onderschrijven ook dat het belangrijk is dat aanvragers een gelijkwaardige uitkomst kunnen krijgen, namelijk een schadevrij gebouw. Toch zijn er wel zorgen over de uitvoering, het effect en de impact van de maatregel. 2.1 De motivering van het maximale schadebedrag Het kabinet heeft het schadebedrag waarvoor de maatregel geldt, bepaald op € 60.000. Dit is volgens de Memorie van Toelichting verdedigbaar 'omdat in situaties waarin herstelkosten uitzonderlijk hoog liggen, de omvang van de schade een onderzoek naar de oorzaak ervan rechtvaardigt'. Hiermee is geen motivering gegeven van de begrenzing van het bedrag.
Elke begrenzing roept weliswaar een discussie op, maar in dit geval lijkt de begrenzing van € 60.000 willekeurig gekozen te zijn. Of herstelkosten uitzonderlijk hoog zijn, is bovendien niet zozeer te koppelen aan het schadebedrag zelf, maar meer aan de ligging en de aard van het gebouw in het gebied. Herstelkosten aan een rijksmonument kunnen bijvoorbeeld hoger zijn dan aan een ander gebouw, ligt dat rijksmonument op een bepaalde ondergrond is het bedrag mogelijk nog hoger en ligt dat weer in de zogenaamde kern van het gebied is het bedrag nog hoger. Dat hoeft gelet op de specifieke omstandigheden geen uitzonderlijk hoog herstelbedrag te zijn. 15
Tot slot begrijpen wij van het IMG dat het niet vaak voorkomt dat het schadebedrag hoger is dan € 60.000. Als dat het geval is, begrijpen wij de begrenzing niet. Waarom wordt - nu een relatief klein aantal schadebedragen hoger is dan € 60.000 - niet gekozen om het grensbedrag te laten vervallen zodat in alle gevallen een soepeler beoordeling gekozen kan worden? We vinden dat er géén maximaal schadebedrag gesteld mag worden aan de keuze voor daadwerkelijk herstel óf beter gemotiveerd moet worden waarom voor het grensbedrag van € 60.000 is gekozen. 2.2 De borging van het maximale schadebedrag Het maximale schadebedrag wordt niet in de wet, maar in een Ministeriële Regeling vastgelegd. Dit maakt het volgens de Memorie van Toelichting mogelijk het bedrag aan te passen aan toekomstige (prijs)ontwikkelingen zonder dat daarvoor een wetswijziging nodig is. Het bedrag kan daardoor echter ook naar beneden bijgesteld worden zonder dat daarvoor een wetswijziging nodig is. Wij vinden dat het maximale schadebedrag – indien daaraan wordt vastgehouden - in de wet zelf moet worden vastgelegd en dat daarbij wordt bepaald dat de Minister het bedrag jaarlijks zal indexeren. Zo is gewaarborgd dat het bedrag in ieder geval zijn reële waarde behoudt.
2.3 Deskundigenrapporten Het wetsvoorstel heeft tot doel dat inwoners worden ontzorgd en niet langer worden geconfronteerd met 'vuistdikke deskundigenrapporten'. De maatregel daadwerkelijk herstel betekent echter niet dat er geen deskundigenrapporten meer zijn. Er moet in ieder geval vastgesteld worden of er sprake is van veronderstelde schade en vervolgens wat het schadebedrag is. Uit onze gesprekken met het IMG blijkt dat deskundigen in de rapporten aan gaan geven welke schade veroorzaakt wordt door mijnbouw (schade naar haar aard mijnbouwschade en geen evident andere oorzaak) en welke niet (schade die naar haar aard redelijkerwijs mijnbouwschade zou kunnen zijn). Vanuit de gedachte dat mijnbouwschade op de exploitant verhaald moet worden, is dit begrijpelijk. Het schuurt wel met de aanbeveling van de parlementaire enquêtecommissie om de uitvoeringskosten te verlagen. Er lijkt eerder een extra berekening van deskundigen bij te komen. 2.4 Een gelijkwaardige uitkomst vraagt om onderscheid De maatregel geeft alle potentiële aanvragers in het gebied dezelfde aanspraak onder dezelfde voorwaarden. Toch leidt dat niet per definitie tot een gelijkwaardige uitkomst. Voor zwaarder gedupeerde aanvragers pakt de maatregel mogelijk relatief minder goed uit dan voor aanvragers die minder zwaar gedupeerd zijn.
Bij zwaarder gedupeerde gedupeerden wordt er relatief minder veronderstelde schade hersteld of kan het zelfs verstandiger zijn om voor een reguliere beoordeling te kiezen. Dat heeft echter tot gevolg dat veronderstelde schade juist bij hen niet wordt hersteld. Wanneer juist de zwaarst gedupeerden minder profiteren van een maatregel, is de maatregel het doel voorbij geschoten. Dit draagt ook niet bij aan draagvlak voor de maatregel. Wij vinden dat u voortdurend moet beoordelen of de zwaarst gedupeerden profiteren van de maatregel en, als dat niet zo is, de maatregel in hun voordeel moet verruimen. Anders gezegd: we missen de wettelijke bevoegdheid voor het IMG om in de kern van het gebied tot versoepeling van de schadeafhandeling te komen.
16
In de Kamerbrief van 6 oktober 2023 is door de staatssecretaris toegezegd dat in een aantal uitzonderingssituaties een financiële vergoeding tot € 60.000 zónder weerleggingstoets mogelijk is. In het wetsvoorstel zien we deze mogelijkheid niet terug. 2.5 Finale kwijting Finale kwijting is een voorwaarde voor vergoedingen die het IMG verstrekt en houdt in dat behoudens schade door aardbevingen met een bepaald effect of nieuwe indirecte schade door diepe bodemdaling - geen nieuwe schadevergoeding wordt uitgekeerd. Dit geldt ook voor de maatregel daadwerkelijk herstel. Wij vinden dat finale kwijting geen voorwaarde mag zijn bij schadevergoedingen, niet bij de uitvoering van de maatregel daadwerkelijk herstel en ook niet bij andere vormen van schadevergoeding. Het IMG moet zich bij de schadeafhandeling houden aan de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit het BW volgt simpelweg dat onrechtmatig toegebrachte schade vergoed moet worden. Dus als er na een schadevergoeding nieuwe schade ontstaat of al vergoedde schade verergert, ontstaat er opnieuw een aanspraak op schadevergoeding. Er is geen enkele reden om als voorwaarde te stellen dat er behoudens enkele uitzonderingen één keer schade geclaimd kan worden. Bovendien weet niemand welke seismiciteit nog optreedt en wat eventuele na-ijleffecten zijn.
Wij wijzen u bijvoorbeeld op de meest recente uitkomsten van de Seismische Dreigings- en Risico Analyses in het kader van de laatste gasbesluiten. Tegen alle verwachting in kwamen daar nog steeds gebouwen uit die mogelijk niet voldoen aan de veiligheidsnorm en die nog niet in het versterkingsprogramma waren opgenomen. Dan kunnen er ook nog onverwachte negatieve effecten zijn op schade aan gebouwen. Naarmate gebouwen dichter in de zogenaamde kern van het gebied staan, is het effect naar ons inzicht steeds onvoorspelbaarder en mag niet van inwoners gevraagd worden dat zij afzien van verdere schadevergoeding. Dit klemt des te meer omdat daadwerkelijk herstel losstaat van duurzaam herstel. Zolang schadeafhandeling uitgaat van cosmetisch herstel – en dat doet het - ontstaat er nieuwe schade. Door de eis van finale kwijting kunnen inwoners schade niet opnieuw melden waardoor het einddoel dat wordt nagestreefd met daadwerkelijk herstel dan juist niet gerealiseerd wordt. Er ontstaat dan namelijk geen schadevrij huis. Wij vinden dat u het IMG de instructie moet geven om de voorwaarde van finale kwijting niet meer op te leggen, ook niet bij andere schadevergoedingen. Mocht er worden vastgehouden aan de finale kwijting dan vinden wij dat bij de toepassing ervan aangesloten moet worden bij artikel 10oa Besluit Tijdelijke wet Groningen.
In dat artikel is het effectgebied van het bewijsvermoeden begrensd op basis van twee gegevens: trillingssnelheid en ligging ten opzichte van het Groningenveld en de gasopslagen Norg en Grijpskerk. De trillingssnelheid die hier is gebruikt is minimaal 2 millimeter per seconde.[1] De voorwaarde bij de finale kwijting is dat er een aardbeving van minimaal 5 millimeter per seconden moet zijn geweest na de schadeafhandeling of dat het moet gaan om schade door indirecte diepe bodemdaling. Dit is niet gemotiveerd, is zeker niet wetenschappelijk onderbouwd en houdt een verzwakking in van het wettelijk bewijsvermoeden.
17
2.6 De grondslag voor de heffing op NAM aanpassen Door het wetsvoorstel krijgt het IMG een nieuwe taak die wordt vastgelegd in artikel 2, eerste lid in een nieuw onderdeel c. De overige bepalingen vernummeren. Artikel 15 van de wet is de heffingsgrondslag, maar deze wijzigt niet mee met het nieuwe artikel 2. Wij denken dat artikel 15, eerste lid onder b ook aangepast moet worden zodat de heffingsgrondslag behouden blijft. 2.7 Onderdeel opschorten beslistermijn Het wetsvoorstel regelt dat de beslistermijn voor het IMG in verschillende situaties wordt opgeschort. We vinden dat u een objectief moment moet vaststellen als begin- of eindmoment van de opschorting. In plaats van het moment dat een rapport is uitgebracht of een keuze is gemaakt, kunt u naar onze mening beter vastleggen dat het gaat om het moment dat een rapport of een keuze door het Instituut is ontvangen. In het nieuwe artikel 13, lid 4 van de TwG wordt de termijn opgeschort zodat aanvragers kunnen reageren op 'documenten' van het IMG. Wij vinden dat u moet concretiseren waar het precies om gaat (een informatiefolder van het IMG is immers ook een document).
Tot slot geven wij u in het algemeen mee om in de procedure onderscheid te maken in het reageren op deskundigenrapporten - waar het gaat om feitelijke onjuistheden - en het indienen van zienswijzen tegen voorgenomen besluiten - waar de aanvrager ziet hoe het IMG wil omgaan met het rapport en kan aangeven dat er een ander besluit nodig is - zoals de Awb dat bedoelt. 3. Onderdeel koste-wat-kost Het wetsvoorstel voorziet erin dat er voldoende financiële middelen zijn voor schadeafhandeling en versterking. Koste-wat-kost is echter beperkt tot de taken die wettelijk zijn vastgelegd in de Wet Groningen. We missen daardoor het koste-wat-kost-commitment op de zaken die wij als gevolgschade zien - zoals het bestrijden van de negatieve effecten op gezondheid, nadelige gevolgen voor ondernemers in hun bedrijfsvoering of omzetschade die zij derven, nadelige gevolgen voor (het behoud van) erfgoed - en maatregel 1 t/m 33 van Nij Begun. We vinden dat u dit wettelijk moet borgen. 4. Tot slot: redactionele controle op wetsvoorstel en Memorie van Toelichting We adviseren u tot slot om het wetsvoorstel en de Memorie van Toelichting redactioneel nog eens goed door te lopen.
In de inleiding van de Memorie van Toelichting wordt bijvoorbeeld door de redactie gesuggereerd dat de vijftig kabinetsmaatregelen verbonden zijn aan één aanbeveling uit 'Groningers boven gas' terwijl het een reactie is op alle aanbevelingen - en dat het wetsvoorstel de wettelijke verankering is van alle maatregelen die een wettelijke grondslag nodig hebben - terwijl bijvoorbeeld maatregel 2 (duidelijkheid over het gebied waar schade wordt vergoed) al een wettelijke grondslag heeft gekregen. Bijlage 1 Wijzigingsvoorstel zorgplichten en uitvoeringsplan Hierna volgt ons wijzigingsvoorstel op het wetsvoorstel. 1.1. Wijzigingsvoorstel zorgplichten. Artikel 13o Zorgplicht brede welvaart Onze Minister bereikt, in samenwerking met Onze Ministers die het mede aangaat, dat het niveau van brede welvaart in de gemeenten in de provincie Groningen, de gemeenten Aa en Hunze, Noorderveld en Tynaarlo, uiterlijk in 2055 in elk van deze gemeenten op ten minste het landelijk gemiddelde niveau is gebracht. 18
Artikel 13p Zorgplicht aardgasvrij gereed maken Onze Minister bereikt, in samenwerking met Onze Ministers die het mede aangaat, dat woningen in de provincie Groningen, de gemeenten Aa en Hunze, Noorderveld en Tynaarlo uiterlijk in 2035 kunnen voldoen aan de [standaard voor woningisolatie] en uiterlijk in 2055 gereed zijn gemaakt voor aardgasvrij gebruik. 1.2. Wijzigingsvoorstel zorgplichten als niet wordt gekozen voor het wetsvoorstel onder 1.1 Artikel 13o Zorgplicht brede welvaart 1. Onze Minister draagt, in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat, zorg voor het bevorderen van de ontwikkeling van de brede welvaart in de gemeenten in de provincie Groningen, de gemeenten Aa en Hunze, Noorderveld en Tynaarlo. 2. Onze Minister neemt, in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat, passende maatregelen om te waarborgen dat het niveau van brede welvaart in het in het eerste lid genoemde gebied, zich voortdurend zodanig ontwikkelt, dat het uiterlijk in 2055 in elk van de in het eerste lid genoemde gemeenten op ten minste het landelijke gemiddelde niveau is gebracht. Artikel 13p Zorgplicht aardgasvrij gereed maken 1. Onze Minister draagt, in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat, zorg voor het bevorderen dat woningen in de provincie Groningen, de gemeenten Aa en Hunze, Noorderveld en Tynaarlo, aardgasvrij gereed worden gemaakt. 2.
Onze Minister neemt, in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat, passende maatregelen om te waarborgen dat woningen in het in het eerste lid genoemde gebied, uiterlijk in 2035 kunnen voldoen aan de [Standaard voor woningisolatie] en uiterlijk in 2055 gereed zijn gemaakt voor aardgasvrij gebruik. 2. Wijzigingsvoorstel uitvoeringsplan Artikel 13q Afspraken met de regio en uitvoeringsplan 1. Onze Minister maakt in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat, afspraken met gedeputeerde staten van de provincie Groningen, het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de provincies Groningen alsmede de gemeenten Tynaarlo, Noordenveld en Aa en Hunze in de provincie Drenthe, en het dagelijks bestuur van de waterschappen Noorderzijlvest alsmede Hunze en Aa’s over: a. een nadere invulling van de relevante aspecten van brede welvaart en aardgasvrij gereed maken, bedoeld in de artikelen 13o en 13p; b. de tussentijdse doelen en streefwaarden met het oog op het realiseren van het in onderdeel a bepaalde; c. de voorgenomen maatregelen met het oog op het realiseren van het in de onderdelen a en b; en, d. de samenhang met de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in de hoofdstukken 2 en 5 en artikel 13n. 2.
Onze Minister stelt in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat en met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde afspraken, ten minste elke vijf jaar een uitvoeringsplan vast. 3. Het uitvoeringsplan bevat tenminste: a. de in het eerste lid , onderdeel b, bedoelde, door de Minister of Onze Ministers die het mede aangaat, te treffen maatregelen; b. de wijze waarop de Minister de in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde samenhang waarborgt.
19
4. Ten behoeve van het opstellen van het uitvoeringsplan wordt ten minste een vertegenwoordiging van de relevante maatschappelijke organisaties en de bewoners uit de gemeenten, genoemd in het eerste lid, gehoord.
[1]
Er is onterecht geen rekening gehouden met de trillingssnelheid die gehanteerd moet worden bij 'kwetsbare panden', namelijk 1,6 millimeter per seconde.
20
BIJLAGE 1 reactie raden en staten op hoofdlijnennotitie Aan de staatssecretaris voor Mijnbouw van EZK De heer J.A. Vijlbrief Per mail : stasmijnbouw@minezk.nl
Geachte heer Vijlbrief, U heeft ons in de gelegenheid gesteld om te reageren op de notitie 'hoofdlijnen uitwerking Staat van Groningen in de Groningenwet' (hierna hoofdlijnennotitie). Wij maken graag van die gelegenheid gebruik. De impact van gaswinning en de gevolgen daarvan zullen nog lang worden ervaren in onze regio. Het is dan ook van belang dat de verantwoordelijke bewindspersoon en het kabinet zich langdurig committeren aan herstel van en perspectief voor de regio. In ieder geval tot 2055. Uit de hoofdlijnennotitie blijkt dat dat ook het doel is van de Groningenwet - onderdeel Staat van Groningen. Een jaarlijkse Staat van Groningen, een jaarlijks debat tussen de verantwoordelijke bewindspersoon en de Tweede Kamer en het gesprek daarover met onze regio zorgen ervoor dat het rijk elk jaar opnieuw stilstaat bij de gevolgen van de gaswinning en de effecten en resultaten van het gevoerde beleid. Uit de hoofdlijnennotitie blijkt dat dat ook het doel is van de Groningenwet - onderdeel Staat van Groningen. Hoofddoelstellingen aanpassen De hoofddoelstellingen en de financiële bepalingen zijn voor ons van essentieel belang. Niet alleen nu, maar ook en vooral voor toekomstige bewindspersonen en kabinetten en Tweede Kamer. De doelstellingen en de benodigde financiën mogen geen vrijblijvend karakter hebben. Het is, zoals in de hoofdlijnennotitie staat, onze verzekeringspolis.
Resultaatverplichtingen Wij vinden dat de hoofddoelstellingen resultaatverplichtingen moeten inhouden. Dat zien wij onvoldoende terug in de beschrijving van de hoofddoelstellingen. Dit geldt met name voor de hoofddoelstellingen voor verduurzaming en brede welvaart. Wij begrijpen goed dat het behalen van de doelstellingen mede afhankelijk is van derden en dat het behalen ervan niet in strijd mag zijn met andere wettelijke verplichtingen. Dat neemt niet weg dat de doelstellingen resultaatsverplichtingen moeten zijn zoals het kabinet in Nij Begun ook toezegt: "Het gaat om een resultaatsverplichting". Wij willen dat (toekomstige) verantwoordelijke bewindspersonen kunnen worden aangesproken op het behalen van de doelstellingen. Niet alleen politiek, door de Tweede Kamer, maar ook door ons. Desnoods langs juridische weg via de rechter. Hiermee willen we niet zeggen dat de bewindspersoon verantwoording aan ons aflegt, maar wel dat de regio nu en in de toekomst verzekerd moet zijn van het behalen van de doelstellingen. Omschrijvingen waarbij het absolute resultaatskarakter ontbreekt, passen daar niet bij. Wij roepen u dan ook op om de hoofddoelstellingen voor verduurzaming en brede welvaart zodanig 21
te wijzigen dat het absolute resultaatsverplichtingen worden, rekening houdend met het feit dat derden betrokken zijn bij het behalen van de doelen en dat er andere wettelijke verplichtingen zijn die in acht moeten worden genomen. In de formulering van de doelstelling voor verduurzaming moet duidelijk zijn dat het doel is dat woningen aardgasvrij gereed worden. In de formulering van de doelstelling voor brede welvaart moet duidelijk worden gemaakt dat het landelijk gemiddelde in elk van de betrokken gemeenten gehaald moet worden. Daarnaast adviseren we u in de Memorie van Toelichting op te nemen dat het behalen van de doelstelling niet tot gevolg mag hebben dat tegenstellingen worden verdiept. Hiermee bedoelen we dat moet worden voorkomen dat op gemeenteniveau het landelijk gemiddelde niveau wordt gehaald, maar dat binnen de gemeente de tegenstellingen juist groter worden. Verbreding doelstellingen De doelstellingen voor schade en versterking hebben wel een absoluut resultaatskarakter. Voor deze doelstellingen geldt koste-wat-kost, zo lang het duurt. Dat vinden wij terecht. Toch vinden wij de doelstellingen niet goed passen bij het uitgangspunt dat schadeafhandeling - en ook versterking zoals in de hoofdlijnennotitie staat - milder, makkelijker en menselijker moet.
Alhoewel deze termen openstaan voor interpretatie is wel duidelijk dat schadeafhandeling en versterking méér moet zijn dan de technisch juiste afhandeling van overheidstaken. Het gaat erom dat de overheid oog moet hebben voor de mensen en daar passend naar handelt als dat gerechtvaardigd is. Dit element missen wij in de hoofddoelstelling en wij roepen u op om de hoofddoelstelling hierop aan te passen. Voor versterking geldt dat de hoofddoelstelling beperkt is tot de maatregelen zoals bedoeld in artikel 13ba van de Tijdelijke wet Groningen waarin staat: Onze Minister neemt alle maatregelen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om te voorkomen dat als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld de veiligheid wordt geschaad. Deze bepaling gaat over technische veiligheid. De hoofddoelstelling moet óók om technische veiligheid gaan, maar niet alleen. Dat geeft u ook weer in de hoofdlijnennotitie, maar missen we in de hoofddoelstelling. We roepen u dan ook op om de hoofddoelstelling hierop aan te passen. Bovendien moeten de hoofddoelstellingen voor schade en versterking ook recht doen aan het herstel van of wegnemen van de sociale en gezondheidsgevolgen die mensen ervaren. De psychische en emotionele impact voor inwoners en ondernemers zien wij als gevolgschade. Dat geldt ook voor nadelige (investerings)gevolgen voor ondernemers.