02-04-03 Regels alg veegplan Veendam 2023
Tekst van het document
▪
het bouwperceel groter is dan 800 m².
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1.
de bouwhoogte op tuinen en erven bedraagt niet meer dan 5 m;
2.
ten aanzien van het bouwen van overkappingen ten behoeve van wonen is het bepaalde onder b van toepassing;
3.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevelrooilijn ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m.
11.3 Nadere eisen Het college van burgemeester en wethouders kan met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:
•
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
•
het bebouwingsbeeld;
•
de verkeersveiligheid;
nadere eisen stellen aan: a.
de plaats van gebouwen in die zin dat het hoofdbouwvolume in de naar de weg gekeerde bouwgrens moeten worden gebouwd;
b.
de dakhelling in die zin dat deze niet minder dan 40° en niet meer dan 60° dient te bedragen;
c.
de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden, indien deze meer dan 2,5 m bedraagt;
d.
de plaats van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden;
e.
de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
11.4 Afwijken van de bouwregels Het college van burgemeester en wethouders kan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
•
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
•
het bebouwingsbeeld;
•
de verkeersveiligheid;
afwijken van het bepaalde in: a.
lid 11.2 sub a onder 4 ten behoeve een geringere afstand tot de grens van het bouwperceel, dan wel het bouwen op de grens van het bouwperceel:
b.
lid 11.2 sub a onder 6 voor een geringere dakhelling en/of een platte afdekking of een andere afwijkende dakvorm;
c.
lid 11.2 sub b onder 1 en 2 voor: 1.
de bouw van erkers en toegangsportalen voor de naar de weg gekeerde gevel tot een diepte van 1,5 m gemeten vanuit de voorgevel en voor maximaal 75% van de lengte van de gevel, waarbij de bouwhoogte maximaal 0,25 m meer mag bedragen dan de hoogte van de vloer van de eerste verdieping tot een maximum van 4 m;
2.
de bouw van een bijbouwvolume en overkappingen voor één van (het verlengde van) de naar de weg of openbaar gebied gekeerde gevels van hoekwoningen, mits:
▪
de overschrijding van de bouwgrens niet meer dan 3,5 m bedraagt;
▪
de afstand tot de grens van het bouwperceel minimaal 2 m bedraagt;
▪
de afstand tot (het verlengde van) de andere naar de weg gekeerde gevel van de hoekwoning minimaal 3 m bedraagt;
▪ d.
het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast;
lid 11.2 sub b onder 2 tot een afstand van 1 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdbouwvolume;
e.
lid 11.2 sub b onder 4 tot een vergroting van de oppervlakte met maximaal 30 m² indien op het perceel niet vergunningvrij mag worden gebouwd en mits geen afbreuk wordt gedaan van de karakteristieke ruimtelijke waarden van het perceel, de bebouwing en/of het beschermd stadsgezicht;
f.
lid 11.2 sub c onder 2 tot een vergroting van 25 % van de bestaande oppervlakte;
g.
lid 11.2 sub c onder 3 voor de bouw van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn met een bouwhoogte van maximaal 2 meter.
11.5 Specifieke gebruiksregels Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen het gebruiken van een vrijstaand bijbouwvolume ten behoeve van woonfuncties.
11.6 Afwijken van de gebruiksregels Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de gebruiksregels voor het gebruik ten behoeve van een aan huis verbonden bedrijf voor kleinschalige activiteiten, met dien verstande dat voor het gebruik van een deel van de woning voor de uitoefening van aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten de volgende criteria in acht worden genomen: a.
de woonfunctie moet in overwegende mate gehandhaafd blijven. Dit betekent dat: 1.
de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft;
2.
de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf uitsluitend inpandig wordt verricht;
3.
niet meer dan 30% van de oppervlakte van hoofd- en bijbouwvolume wordt gebruikt voor de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf met niet meer dan 45 m²;
4. b.
degene die het aan huis verbonden bedrijf uitoefent ook bewoner van de woning moet zijn;
het gebruik geen onevenredige hinder voor het woonmilieu oplevert, dan wel geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of de buurt. Dit betekent dat: 1.
de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten wat betreft aard, omvang en intensiteit verenigbaar is met het karakter van de omringende woonomgeving;
2.
geen ontheffing wordt verleend aan bedrijven die vergunningplichtig zijn krachtens de milieuwetgeving;
3.
bedrijfsactiviteiten bovendien uitsluitend zijn toegestaan indien deze voorkomen in de bij deze regels behorende Overzicht toegestane bedrijven aan huis (Bijlage 2) of daarmee zijn gelijk te stellen;
4.
behoudens een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden bedrijf, geen detailhandel plaatsvindt;
5.
het gebruik geen nadelige invloed heeft op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat wordt geparkeerd op eigen terrein;
6.
reclame-uitingen niet zijn toegestaan met uitzondering van de op grond van de Algemene plaatselijke verordening Veendam 2018 vergunningsvrije vormen.
Artikel 12 Woongebied - Beneden Verlaat 118 12.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Woongebied - Beneden Verlaat 118' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
wonen;
b.
aan huis verbonden met inachtneming van het bepaalde in 20.1.1;
c.
verkeer en verblijf;
d.
openbare nutsvoorzieningen;
e.
groenvoorzieningen.
Het bestaande systeem van ontsluiting door middel van wegen en paden blijft behoudens verbetering met het oog op de verkeersveiligheid en/of vermindering van geluidsoverlast, gehandhaafd. Aanvullende voorzieningen blijven beperkt tot de eventuele aanleg van fiets- en/of voetpaden en parkeerstroken, met dien verstande dat van wegen het aantal rijstroken niet meer dan twee mag bedragen. Onder groenvoorzieningen zijn tevens sierbestrating, fiets- en/of voetpaden, waterpartijen, speelvoorzieningen en dergelijke begrepen.
12.2 Bouwregels a.
Voor het bouwen van hoofdbouwvolume ten behoeve van wonen, gelden de volgende regels: 1.
het hoofdbouwvolume dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
2.
het aantal woningen bedraagt niet meer dan 1;
3.
het hoofdbouwvolume dient te worden geplaatst binnen een strook gemeten vanuit de naar de weg gekeerde bouwgrens met een diepte van ten hoogste 15 m, dan wel ten hoogste de diepte van de strook waarbinnen de bestaande woning is gebouwd indien deze meer bedraagt;
4.
de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt niet minder dan 3 m, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande hoofdbouwvolume tot die perceelsgrens indien deze minder bedraagt;
5.
de goot- en bouwhoogte van de gebouwen bedragen niet meer dan de bij de ter plaatse aangeduide bouwklasse behorende goot- en bouwhoogten, zoals in navolgend bouwschema is weergegeven, dan wel niet meer dan de goot- en bouwhoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedragen:
6.
Bouwklasse
Maximale goothoogte (m)
Maximale bouwhoogte (m)
a
3,50
9,00
de dakhelling bedraagt niet minder dan 30°, dan wel de bestaande dakhelling indien deze minder bedraagt; voorzover ter plaatse een minimale of maximale dakhelling is aangeduid, bedraagt de dakhelling niet meer of niet minder dan is aangegeven;
7.
dan wel niet meer dan de goot- en bouwhoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedragen.
b.
Voor het bouwen van een bijbouwvolume en overkappingen ten behoeve van wonen, gelden de volgende regels: 1.
er dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
2.
er dient 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdbouwvolume te worden gebouwd, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande bijbouwvolume tot (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdbouwvolume indien deze minder bedraagt;
3.
de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan respectievelijk 3 m en 6 m;
4.
de gezamenlijke oppervlakte bedraagt niet meer dan 50 m²;
5.
van een bouwperceel mag niet meer dan 50% worden bebouwd, dan wel niet meer dan het bestaande percentage indien dat meer is;
6.
in afwijking van het bepaalde onder 4 geldt dat de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen niet meer dan 80 m² bedraagt indien:
c.
▪
er sprake is van een geïntegreerde overkapping en/of;
▪
het bouwperceel groter is dan 800 m².
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1.
de bouwhoogte op tuinen en erven bedraagt niet meer dan 5 m;
2.
ten aanzien van het bouwen van overkappingen ten behoeve van wonen is het bepaalde onder b van toepassing;
3.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevelrooilijn ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m.
12.3 Nadere eisen Het college van burgemeester en wethouders kan met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:
•
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
•
het bebouwingsbeeld;
•
de verkeersveiligheid;
nadere eisen stellen aan: a.
de plaats van gebouwen in die zin dat het hoofdbouwvolume in de naar de weg gekeerde bouwgrens moeten worden gebouwd;
b.
de dakhelling in die zin dat deze niet minder dan 40° en niet meer dan 60° dient te bedragen;
c.
de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden, indien deze meer dan 2,5 m bedraagt;
d.
de plaats van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden;
e.
de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
12.4 Afwijken van de bouwregels Het college van burgemeester en wethouders kan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
•
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
•
het bebouwingsbeeld;
•
de verkeersveiligheid;
afwijken van het bepaalde in:
a.
lid 12.2 sub a onder 4 ten behoeve een geringere afstand tot de grens van het bouwperceel, dan wel het bouwen op de grens van het bouwperceel:
b.
lid 12.2 sub a onder 6 voor een geringere dakhelling en/of een platte afdekking of een andere afwijkende dakvorm;
c.
lid 12.2 sub b onder 1 en 2 voor: 1.
de bouw van erkers en toegangsportalen voor de naar de weg gekeerde gevel tot een diepte van 1,5 m gemeten vanuit de voorgevel en voor maximaal 75% van de lengte van de gevel, waarbij de bouwhoogte maximaal 0,25 m meer mag bedragen dan de hoogte van de vloer van de eerste verdieping tot een maximum van 4 m;
2.
de bouw van een bijbouwvolume en overkappingen voor één van (het verlengde van) de naar de weg of openbaar gebied gekeerde gevels van hoekwoningen, mits:
▪
de overschrijding van de bouwgrens niet meer dan 3,5 m bedraagt;
▪
de afstand tot de grens van het bouwperceel minimaal 2 m bedraagt;
▪
de afstand tot (het verlengde van) de andere naar de weg gekeerde gevel van de hoekwoning minimaal 3 m bedraagt;
▪ d.
het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast;
lid 12.2 sub b onder 2 tot een afstand van 1 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdbouwvolume;
e.
lid 12.2 sub b onder 4 tot een vergroting van de oppervlakte met maximaal 30 m² indien op het perceel niet vergunningvrij mag worden gebouwd en mits geen afbreuk wordt gedaan van de karakteristieke ruimtelijke waarden van het perceel, de bebouwing en/of het beschermd stadsgezicht;
f.
lid 12.2 sub c onder 2 tot een vergroting van 25 % van de bestaande oppervlakte;
g.
lid 12.2 sub c onder 3 voor de bouw van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn met een bouwhoogte van maximaal 2 meter.
12.5 Specifieke gebruiksregels Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen het gebruiken van een vrijstaand bijbouwvolume ten behoeve van woonfuncties.
12.6 Afwijken van de gebruiksregels Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de gebruiksregels voor het gebruik ten behoeve van een aan huis verbonden bedrijf voor kleinschalige activiteiten, met dien verstande dat voor het gebruik van een deel van de woning voor de uitoefening van aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten de volgende criteria in acht worden genomen: a.
de woonfunctie moet in overwegende mate gehandhaafd blijven. Dit betekent dat: 1.
de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft;
2.
de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf uitsluitend inpandig wordt verricht;
3.
niet meer dan 30% van de oppervlakte van hoofd- en bijbouwvolume wordt gebruikt voor de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf met niet meer dan 45 m²;
4. b.
degene die het aan huis verbonden bedrijf uitoefent ook bewoner van de woning moet zijn;
het gebruik geen onevenredige hinder voor het woonmilieu oplevert, dan wel geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of de buurt. Dit betekent dat:
1.
de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten wat betreft aard, omvang en intensiteit verenigbaar is met het karakter van de omringende woonomgeving;
2.
geen ontheffing wordt verleend aan bedrijven die vergunningplichtig zijn krachtens de milieuwetgeving;
3.
bedrijfsactiviteiten bovendien uitsluitend zijn toegestaan indien deze voorkomen in de bij deze regels behorende Overzicht toegestane bedrijven aan huis (Bijlage 2) of daarmee zijn gelijk te stellen;
4.
behoudens een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden bedrijf, geen detailhandel plaatsvindt;
5.
het gebruik geen nadelige invloed heeft op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat wordt geparkeerd op eigen terrein;
6.
reclame-uitingen niet zijn toegestaan met uitzondering van de op grond van de Algemene plaatselijke verordening Veendam 2018 vergunningsvrije vormen.
Artikel 13 Woongebied - F.J. de Zeestraat 13.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Woongebied - F.J. de Zeestraat' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
wonen;
b.
aan huis verbonden met inachtneming van het bepaalde in 20.1.1;
c.
verkeer en verblijf;
d.
openbare nutsvoorzieningen;
e.
groenvoorzieningen.
Het bestaande systeem van ontsluiting door middel van wegen en paden blijft behoudens verbetering met het oog op de verkeersveiligheid en/of vermindering van geluidsoverlast, gehandhaafd. Aanvullende voorzieningen blijven beperkt tot de eventuele aanleg van fiets- en/of voetpaden en parkeerstroken, met dien verstande dat van wegen het aantal rijstroken niet meer dan twee mag bedragen. Onder groenvoorzieningen zijn tevens sierbestrating, fiets- en/of voetpaden, waterpartijen, speelvoorzieningen en dergelijke begrepen.
13.2 Bouwregels a.
Voor het bouwen van hoofdbouwvolume ten behoeve van wonen, gelden de volgende regels: 1.
het hoofdbouwvolume dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
2.
het aantal woningen bedraagt niet meer dan 8;
3.
het hoofdbouwvolume dient te worden geplaatst binnen een strook gemeten vanuit de naar de weg gekeerde bouwgrens met een diepte van ten hoogste 15 m, dan wel ten hoogste de diepte van de strook waarbinnen de bestaande woning is gebouwd indien deze meer bedraagt;
4.
de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt niet minder dan 3 m, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande hoofdbouwvolume tot die perceelsgrens indien deze minder bedraagt;
5.
de goot- en bouwhoogte van de gebouwen bedragen niet meer dan de bij de ter plaatse aangeduide bouwklasse behorende goot- en bouwhoogten, zoals in navolgend bouwschema is
weergegeven, dan wel niet meer dan de goot- en bouwhoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedragen:
6.
Bouwklasse
Maximale goothoogte (m)
Maximale bouwhoogte (m)
b
6,00
10,00
de dakhelling bedraagt niet minder dan 30°, dan wel de bestaande dakhelling indien deze minder bedraagt; voorzover ter plaatse een minimale of maximale dakhelling is aangeduid, bedraagt de dakhelling niet meer of niet minder dan is aangegeven;
7.
dan wel niet meer dan de goot- en bouwhoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedragen.
b.
Voor het bouwen van een bijbouwvolume en overkappingen ten behoeve van wonen, gelden de volgende regels: 1.
er dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
2.
er dient 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdbouwvolume te worden gebouwd, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande bijbouwvolume tot (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdbouwvolume indien deze minder bedraagt;
3.
de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan respectievelijk 3 m en 6 m;
4.
de gezamenlijke oppervlakte bedraagt niet meer dan 50 m²;
5.
van een bouwperceel mag niet meer dan 50% worden bebouwd, dan wel niet meer dan het bestaande percentage indien dat meer is;
6.
in afwijking van het bepaalde onder 4 geldt dat de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen niet meer dan 80 m² bedraagt indien:
c.
▪
er sprake is van een geïntegreerde overkapping en/of;
▪
het bouwperceel groter is dan 800 m².
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1.
de bouwhoogte op tuinen en erven bedraagt niet meer dan 5 m;
2.
ten aanzien van het bouwen van overkappingen ten behoeve van wonen is het bepaalde onder b van toepassing;
3.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevelrooilijn ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m.
13.3 Nadere eisen Het college van burgemeester en wethouders kan met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:
•
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
•
het bebouwingsbeeld;
•
de verkeersveiligheid;
nadere eisen stellen aan: a.
de plaats van gebouwen in die zin dat het hoofdbouwvolume in de naar de weg gekeerde bouwgrens moeten worden gebouwd;
b.
de dakhelling in die zin dat deze niet minder dan 40° en niet meer dan 60° dient te bedragen;
c.
de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden, indien deze meer dan 2,5 m bedraagt;
d.
de plaats van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden;
e.
de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
13.4 Afwijken van de bouwregels Het college van burgemeester en wethouders kan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
•
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
•
het bebouwingsbeeld;
•
de verkeersveiligheid;
afwijken van het bepaalde in: a.
lid 13.2 sub a onder 4 ten behoeve een geringere afstand tot de grens van het bouwperceel, dan wel het bouwen op de grens van het bouwperceel:
b.
lid 13.2 sub a onder 6 voor een geringere dakhelling en/of een platte afdekking of een andere afwijkende dakvorm;
c.
lid 13.2 sub b onder 1 en 2 voor: 1.
de bouw van erkers en toegangsportalen voor de naar de weg gekeerde gevel tot een diepte van 1,5 m gemeten vanuit de voorgevel en voor maximaal 75% van de lengte van de gevel, waarbij de bouwhoogte maximaal 0,25 m meer mag bedragen dan de hoogte van de vloer van de eerste verdieping tot een maximum van 4 m;
2.
de bouw van een bijbouwvolume en overkappingen voor één van (het verlengde van) de naar de weg of openbaar gebied gekeerde gevels van hoekwoningen, mits:
▪
de overschrijding van de bouwgrens niet meer dan 3,5 m bedraagt;
▪
de afstand tot de grens van het bouwperceel minimaal 2 m bedraagt;
▪
de afstand tot (het verlengde van) de andere naar de weg gekeerde gevel van de hoekwoning minimaal 3 m bedraagt;
▪ d.
het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast;
lid 13.2 sub b onder 2 tot een afstand van 1 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdbouwvolume;
e.
lid 13.2 sub b onder 4 tot een vergroting van de oppervlakte met maximaal 30 m² indien op het perceel niet vergunningvrij mag worden gebouwd en mits geen afbreuk wordt gedaan van de karakteristieke ruimtelijke waarden van het perceel, de bebouwing en/of het beschermd stadsgezicht;
f.
lid 13.2 sub c onder 2 tot een vergroting van 25 % van de bestaande oppervlakte;
g.
lid 13.2 sub c onder 3 voor de bouw van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn met een bouwhoogte van maximaal 2 meter.
13.5 Specifieke gebruiksregels Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen het gebruiken van een vrijstaand bijbouwvolume ten behoeve van woonfuncties.
13.6 Afwijken van de gebruiksregels Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de gebruiksregels voor het gebruik ten behoeve van een aan huis verbonden bedrijf voor kleinschalige activiteiten,
met dien verstande dat voor het gebruik van een deel van de woning voor de uitoefening van aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten de volgende criteria in acht worden genomen: a.
de woonfunctie moet in overwegende mate gehandhaafd blijven. Dit betekent dat: 1.
de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft;
2.
de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf uitsluitend inpandig wordt verricht;
3.
niet meer dan 30% van de oppervlakte van hoofd- en bijbouwvolume wordt gebruikt voor de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf met niet meer dan 45 m²;
4. b.
degene die het aan huis verbonden bedrijf uitoefent ook bewoner van de woning moet zijn;
het gebruik geen onevenredige hinder voor het woonmilieu oplevert, dan wel geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of de buurt. Dit betekent dat: 1.
de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten wat betreft aard, omvang en intensiteit verenigbaar is met het karakter van de omringende woonomgeving;
2.
geen ontheffing wordt verleend aan bedrijven die vergunningplichtig zijn krachtens de milieuwetgeving;
3.
bedrijfsactiviteiten bovendien uitsluitend zijn toegestaan indien deze voorkomen in de bij deze regels behorende Overzicht toegestane bedrijven aan huis (Bijlage 2) of daarmee zijn gelijk te stellen;
4.
behoudens een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden bedrijf, geen detailhandel plaatsvindt;
5.
het gebruik geen nadelige invloed heeft op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat wordt geparkeerd op eigen terrein;
6.
reclame-uitingen niet zijn toegestaan met uitzondering van de op grond van de Algemene plaatselijke verordening Veendam 2018 vergunningsvrije vormen.
Artikel 14 Woongebied - Molenstreek 14.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Woongebied - Molenstreek' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
wonen;
b.
aan huis verbonden met inachtneming van het bepaalde in 20.1.1;
c.
verkeer en verblijf;
d.
openbare nutsvoorzieningen;
e.
groenvoorzieningen.
Het bestaande systeem van ontsluiting door middel van wegen en paden blijft behoudens verbetering met het oog op de verkeersveiligheid en/of vermindering van geluidsoverlast, gehandhaafd. Aanvullende voorzieningen blijven beperkt tot de eventuele aanleg van fiets- en/of voetpaden en parkeerstroken, met dien verstande dat van wegen het aantal rijstroken niet meer dan twee mag bedragen. Onder groenvoorzieningen zijn tevens sierbestrating, fiets- en/of voetpaden, waterpartijen, speelvoorzieningen en dergelijke begrepen.
14.2 Bouwregels
a.
Voor het bouwen van hoofdbouwvolume ten behoeve van wonen, gelden de volgende regels: 1.
het hoofdbouwvolume dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
2.
het aantal woningen bedraagt niet meer dan 13;
3.
het hoofdbouwvolume dient te worden geplaatst binnen een strook gemeten vanuit de naar de weg gekeerde bouwgrens met een diepte van ten hoogste 15 m, dan wel ten hoogste de diepte van de strook waarbinnen de bestaande woning is gebouwd indien deze meer bedraagt;
4.
de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt niet minder dan 3 m, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande hoofdbouwvolume tot die perceelsgrens indien deze minder bedraagt;
5.
de goot- en bouwhoogte van de gebouwen bedragen niet meer dan de bij de ter plaatse aangeduide bouwklasse behorende goot- en bouwhoogten, zoals in navolgend bouwschema is weergegeven, dan wel niet meer dan de goot- en bouwhoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedragen:
6.
Bouwklasse
Maximale goothoogte (m)
Maximale bouwhoogte (m)
b
6,00
10,00
de dakhelling bedraagt niet minder dan 30°, dan wel de bestaande dakhelling indien deze minder bedraagt; voorzover ter plaatse een minimale of maximale dakhelling is aangeduid, bedraagt de dakhelling niet meer of niet minder dan is aangegeven;
7.
dan wel niet meer dan de goot- en bouwhoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedragen.
b.
Voor het bouwen van een bijbouwvolume en overkappingen ten behoeve van wonen, gelden de volgende regels: 1.
er dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
2.
er dient 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdbouwvolume te worden gebouwd, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande bijbouwvolume tot (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdbouwvolume indien deze minder bedraagt;
3.
de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan respectievelijk 3 m en 6 m;
4.
de gezamenlijke oppervlakte bedraagt niet meer dan 50 m²;
5.
van een bouwperceel mag niet meer dan 50% worden bebouwd, dan wel niet meer dan het bestaande percentage indien dat meer is;
6.
in afwijking van het bepaalde onder 4 geldt dat de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen niet meer dan 80 m² bedraagt indien:
c.
▪
er sprake is van een geïntegreerde overkapping en/of;
▪
het bouwperceel groter is dan 800 m².
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1.
de bouwhoogte op tuinen en erven bedraagt niet meer dan 5 m;
2.
ten aanzien van het bouwen van overkappingen ten behoeve van wonen is het bepaalde onder b van toepassing;
3.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevelrooilijn ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m.
14.3 Nadere eisen Het college van burgemeester en wethouders kan met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:
•
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
•
het bebouwingsbeeld;
•
de verkeersveiligheid;
nadere eisen stellen aan: a.
de plaats van gebouwen in die zin dat het hoofdbouwvolume in de naar de weg gekeerde bouwgrens moeten worden gebouwd;
b.
de dakhelling in die zin dat deze niet minder dan 40° en niet meer dan 60° dient te bedragen;
c.
de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden, indien deze meer dan 2,5 m bedraagt;
d.
de plaats van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden;
e.
de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
14.4 Afwijken van de bouwregels Het college van burgemeester en wethouders kan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
•
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
•
het bebouwingsbeeld;
•
de verkeersveiligheid;
afwijken van het bepaalde in: a.
lid 14.2 sub a onder 4 ten behoeve een geringere afstand tot de grens van het bouwperceel, dan wel het bouwen op de grens van het bouwperceel:
b.
lid 14.2 sub a onder 6 voor een geringere dakhelling en/of een platte afdekking of een andere afwijkende dakvorm;
c.
lid 14.2 sub b onder 1 en 2 voor: 1.
de bouw van erkers en toegangsportalen voor de naar de weg gekeerde gevel tot een diepte van 1,5 m gemeten vanuit de voorgevel en voor maximaal 75% van de lengte van de gevel, waarbij de bouwhoogte maximaal 0,25 m meer mag bedragen dan de hoogte van de vloer van de eerste verdieping tot een maximum van 4 m;
2.
de bouw van een bijbouwvolume en overkappingen voor één van (het verlengde van) de naar de weg of openbaar gebied gekeerde gevels van hoekwoningen, mits:
▪
de overschrijding van de bouwgrens niet meer dan 3,5 m bedraagt;
▪
de afstand tot de grens van het bouwperceel minimaal 2 m bedraagt;
▪
de afstand tot (het verlengde van) de andere naar de weg gekeerde gevel van de hoekwoning minimaal 3 m bedraagt;
▪ d.
het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast;
lid 14.2 sub b onder 2 tot een afstand van 1 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdbouwvolume;
e.
lid 14.2 sub b onder 4 tot een vergroting van de oppervlakte met maximaal 30 m² indien op het perceel niet vergunningvrij mag worden gebouwd en mits geen afbreuk wordt gedaan van de karakteristieke ruimtelijke waarden van het perceel, de bebouwing en/of het beschermd stadsgezicht;
f.
lid 14.2 sub c onder 2 tot een vergroting van 25 % van de bestaande oppervlakte;
g.
lid 14.2 sub c onder 3 voor de bouw van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn met een bouwhoogte van maximaal 2 meter.
14.5 Specifieke gebruiksregels Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen het gebruiken van een vrijstaand bijbouwvolume ten behoeve van woonfuncties.
14.6 Afwijken van de gebruiksregels Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de gebruiksregels voor het gebruik ten behoeve van een aan huis verbonden bedrijf voor kleinschalige activiteiten, met dien verstande dat voor het gebruik van een deel van de woning voor de uitoefening van aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten de volgende criteria in acht worden genomen: a.
de woonfunctie moet in overwegende mate gehandhaafd blijven. Dit betekent dat: 1.
de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft;
2.
de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf uitsluitend inpandig wordt verricht;
3.
niet meer dan 30% van de oppervlakte van hoofd- en bijbouwvolume wordt gebruikt voor de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf met niet meer dan 45 m²;
4. b.
degene die het aan huis verbonden bedrijf uitoefent ook bewoner van de woning moet zijn;
het gebruik geen onevenredige hinder voor het woonmilieu oplevert, dan wel geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of de buurt. Dit betekent dat: 1.
de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten wat betreft aard, omvang en intensiteit verenigbaar is met het karakter van de omringende woonomgeving;
2.
geen ontheffing wordt verleend aan bedrijven die vergunningplichtig zijn krachtens de milieuwetgeving;
3.
bedrijfsactiviteiten bovendien uitsluitend zijn toegestaan indien deze voorkomen in de bij deze regels behorende Overzicht toegestane bedrijven aan huis (Bijlage 2) of daarmee zijn gelijk te stellen;
4.
behoudens een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden bedrijf, geen detailhandel plaatsvindt;
5.
het gebruik geen nadelige invloed heeft op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat wordt geparkeerd op eigen terrein;
6.
reclame-uitingen niet zijn toegestaan met uitzondering van de op grond van de Algemene plaatselijke verordening Veendam 2018 vergunningsvrije vormen.
Artikel 15 Woongebied - Torenstraat 33 15.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Woongebied - Torenstraat 33' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
wonen;
b.
aan huis verbonden met inachtneming van het bepaalde in 20.1.1;
c.
verkeer en verblijf;
d.
openbare nutsvoorzieningen;
e.
groenvoorzieningen.
Het bestaande systeem van ontsluiting door middel van wegen en paden blijft behoudens verbetering met het oog op de verkeersveiligheid en/of vermindering van geluidsoverlast, gehandhaafd. Aanvullende voorzieningen blijven beperkt tot de eventuele aanleg van fiets- en/of voetpaden en parkeerstroken, met dien verstande dat van wegen het aantal rijstroken niet meer dan twee mag bedragen. Onder groenvoorzieningen zijn tevens sierbestrating, fiets- en/of voetpaden, waterpartijen, speelvoorzieningen en dergelijke begrepen.
15.2 Bouwregels a.
Voor het bouwen van hoofdbouwvolume ten behoeve van wonen, gelden de volgende regels: 1.
het hoofdbouwvolume dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
2.
het aantal woningen bedraagt niet meer dan 1;
3.
het hoofdbouwvolume dient te worden geplaatst binnen een strook gemeten vanuit de naar de weg gekeerde bouwgrens met een diepte van ten hoogste 15 m, dan wel ten hoogste de diepte van de strook waarbinnen de bestaande woning is gebouwd indien deze meer bedraagt;
4.
de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt niet minder dan 3 m, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande hoofdbouwvolume tot die perceelsgrens indien deze minder bedraagt;
5.
de goot- en bouwhoogte van de gebouwen bedragen niet meer dan de bij de ter plaatse aangeduide bouwklasse behorende goot- en bouwhoogten, zoals in navolgend bouwschema is weergegeven, dan wel niet meer dan de goot- en bouwhoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedragen:
6.
Bouwklasse
Maximale goothoogte (m)
Maximale bouwhoogte (m)
a
3,50
9,00
de dakhelling bedraagt niet minder dan 30°, dan wel de bestaande dakhelling indien deze minder bedraagt; voorzover ter plaatse een minimale of maximale dakhelling is aangeduid, bedraagt de dakhelling niet meer of niet minder dan is aangegeven;
7.
dan wel niet meer dan de goot- en bouwhoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedragen.
b.
Voor het bouwen van een bijbouwvolume en overkappingen ten behoeve van wonen, gelden de volgende regels: 1.
er dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
2.
er dient 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdbouwvolume te worden gebouwd, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande bijbouwvolume tot (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdbouwvolume indien deze minder bedraagt;
3.
de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan respectievelijk 3 m en 6 m;
4.
de gezamenlijke oppervlakte bedraagt niet meer dan 50 m²;
5.
van een bouwperceel mag niet meer dan 50% worden bebouwd, dan wel niet meer dan het bestaande percentage indien dat meer is;
6.
in afwijking van het bepaalde onder 4 geldt dat de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen niet meer dan 80 m² bedraagt indien:
c.
▪
er sprake is van een geïntegreerde overkapping en/of;
▪
het bouwperceel groter is dan 800 m².
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1.
de bouwhoogte op tuinen en erven bedraagt niet meer dan 5 m;
2.
ten aanzien van het bouwen van overkappingen ten behoeve van wonen is het bepaalde onder b van toepassing;
3.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevelrooilijn ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m.
15.3 Nadere eisen Het college van burgemeester en wethouders kan met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:
•
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
•
het bebouwingsbeeld;
•
de verkeersveiligheid;
nadere eisen stellen aan: a.
de plaats van gebouwen in die zin dat het hoofdbouwvolume in de naar de weg gekeerde bouwgrens moeten worden gebouwd;
b.
de dakhelling in die zin dat deze niet minder dan 40° en niet meer dan 60° dient te bedragen;
c.
de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden, indien deze meer dan 2,5 m bedraagt;
d.
de plaats van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden;
e.
de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
15.4 Afwijken van de bouwregels Het college van burgemeester en wethouders kan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
•
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
•
het bebouwingsbeeld;
•
de verkeersveiligheid;
afwijken van het bepaalde in: a.
lid 15.2 sub a onder 4 ten behoeve een geringere afstand tot de grens van het bouwperceel, dan wel het bouwen op de grens van het bouwperceel:
b.
lid 15.2 sub a onder 6 voor een geringere dakhelling en/of een platte afdekking of een andere afwijkende dakvorm;
c.
lid 15.2 sub b onder 1 en 2 voor: 1.
de bouw van erkers en toegangsportalen voor de naar de weg gekeerde gevel tot een diepte van 1,5 m gemeten vanuit de voorgevel en voor maximaal 75% van de lengte van de gevel, waarbij de bouwhoogte maximaal 0,25 m meer mag bedragen dan de hoogte van de vloer van de eerste verdieping tot een maximum van 4 m;
2.
de bouw van een bijbouwvolume en overkappingen voor één van (het verlengde van) de naar de weg of openbaar gebied gekeerde gevels van hoekwoningen, mits:
▪
de overschrijding van de bouwgrens niet meer dan 3,5 m bedraagt;
▪
de afstand tot de grens van het bouwperceel minimaal 2 m bedraagt;
▪
de afstand tot (het verlengde van) de andere naar de weg gekeerde gevel van de hoekwoning minimaal 3 m bedraagt;
▪ d.
het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast;
lid 15.2 sub b onder 2 tot een afstand van 1 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdbouwvolume;
e.
lid 15.2 sub b onder 4 tot een vergroting van de oppervlakte met maximaal 30 m² indien op het perceel niet vergunningvrij mag worden gebouwd en mits geen afbreuk wordt gedaan van de karakteristieke ruimtelijke waarden van het perceel, de bebouwing en/of het beschermd stadsgezicht;
f.
lid 15.2 sub c onder 2 tot een vergroting van 25 % van de bestaande oppervlakte;
g.
lid 15.2 sub c onder 3 voor de bouw van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn met een bouwhoogte van maximaal 2 meter.
15.5 Specifieke gebruiksregels Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen het gebruiken van een vrijstaand bijbouwvolume ten behoeve van woonfuncties.
15.6 Afwijken van de gebruiksregels Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de gebruiksregels voor het gebruik ten behoeve van een aan huis verbonden bedrijf voor kleinschalige activiteiten, met dien verstande dat voor het gebruik van een deel van de woning voor de uitoefening van aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten de volgende criteria in acht worden genomen: a.
de woonfunctie moet in overwegende mate gehandhaafd blijven. Dit betekent dat: 1.
de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft;
2.
de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf uitsluitend inpandig wordt verricht;
3.
niet meer dan 30% van de oppervlakte van hoofd- en bijbouwvolume wordt gebruikt voor de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf met niet meer dan 45 m²;
4. b.
degene die het aan huis verbonden bedrijf uitoefent ook bewoner van de woning moet zijn;
het gebruik geen onevenredige hinder voor het woonmilieu oplevert, dan wel geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of de buurt. Dit betekent dat: 1.
de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten wat betreft aard, omvang en intensiteit verenigbaar is met het karakter van de omringende woonomgeving;
2.
geen ontheffing wordt verleend aan bedrijven die vergunningplichtig zijn krachtens de milieuwetgeving;
3.
bedrijfsactiviteiten bovendien uitsluitend zijn toegestaan indien deze voorkomen in de bij deze regels behorende Overzicht toegestane bedrijven aan huis (Bijlage 2) of daarmee zijn gelijk te stellen;
4.
behoudens een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden bedrijf, geen detailhandel plaatsvindt;
5.
het gebruik geen nadelige invloed heeft op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat wordt geparkeerd op eigen terrein;
6.
reclame-uitingen niet zijn toegestaan met uitzondering van de op grond van de Algemene plaatselijke verordening Veendam 2018 vergunningsvrije vormen.
Artikel 16 Waarde - Archeologie 1 16.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Archeologie 1 aangewezen gronden zijn, behalve voor het de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van archeologische waarden.
16.2 Bouwregels a.
Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 50 m 2 en waarbij grondroerende werkzaamheden dieper dan 40 cm beneden maailveld plaatsvinden moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van burgemeester en wethouders: 1.
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en
2.
in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
b.
Indien uit het in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
2.
de verplichting tot het doen van opgravingen;
3.
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
c.
Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de vergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in sub b, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.
16.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen: 1.
het ontgronden, afgraven, egaliseren en ophogen van gronden;
2.
het mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking dieper dan 0,4 m;
3.
het graven of dempen van watergangen;
4.
het aanbrengen van drainage dieper dan 0,4 m;
5.
het graven van sleuven breder dan 0,5 m en dieper dan 1 m ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen, drainage en funderingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
6. b.
het permanent verlagen van het waterpeil.
Een vergunning als bedoeld in sub a wordt slechts verleend indien: 1.
op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
2.
op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;
3.
één of meer van de volgende voorwaarden in acht wordt of worden genomen:
▪
een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
▪
een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen, of;
▪
een verplichting de werken en/of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
c.
Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden, wordt een professioneel archeoloog om advies gevraagd.
d.
Het verbod als bedoeld in sub a is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: 1.
het normale onderhoud en het normale agrarische gebruik betreffen;
2.
reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
3.
mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
4.
aanvaardbaar zijn op basis van eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.
Artikel 17 Waarde - Archeologie 2 17.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Archeologie 2 aangewezen gronden zijn, behalve voor het de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van archeologische waarden.
17.2 Bouwregels a.
Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m 2 en waarbij grondroerende werkzaamheden dieper dan 40 cm beneden maailveld plaatsvinden moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van burgemeester en wethouders: 1.
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en
2.
in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
b.
Indien uit het in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
2.
de verplichting tot het doen van opgravingen;
3.
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
c.
Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de vergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in sub b, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.
17.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen: 1.
het ontgronden, afgraven, egaliseren en ophogen van gronden groter dan 100 m 2;
2.
het mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking met een oppervlakte groter dan 100 m 2 en dieper dan 0,4 m;
3.
het graven of dempen van watergangen;
4.
het aanbrengen van drainage dieper dan 0,4 m;
5.
het graven van sleuven breder dan 0,5 m en dieper dan 1 m ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen, drainage en funderingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
6. b.
het permanent verlagen van het waterpeil.
Een vergunning als bedoeld in sub a wordt slechts verleend indien: 1.
op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
2.
op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;
3.
één of meer van de volgende voorwaarden in acht wordt of worden genomen:
▪
een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
▪
een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen, of;
▪
een verplichting de werken en/of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
c.
Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden, wordt een professioneel archeoloog om advies gevraagd.
d.
Het verbod als bedoeld in sub a is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: 1.
het normale onderhoud en het normale agrarische gebruik betreffen;
2.
reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
3.
mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
4.
aanvaardbaar zijn op basis van eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.
Artikel 18 Waarde - Archeologie 3 18.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Archeologie 3 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van archeologische waarden.
18.2 Bouwregels a.
Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m 2 en en waarbij grondroerende werkzaamheden dieper dan 45 cm beneden maailveld plaatsvinden, moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van burgemeester en wethouders: 1.
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en
2.
in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd;
b.
Indien uit het in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
2.
de verplichting tot het doen van opgravingen;
3.
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
c.
Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de vergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in sub b, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.
18.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen: 1.
het ontgronden, afgraven, egaliseren en ophogen van gronden over een oppervlakte groter dan 200m2;
2.
het mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking over een oppervlakte groter dan 200 m2 en dieper dan 0,45 m;
3.
het graven of dempen van watergangen;
4.
het graven van sleuven breder dan 0,5 m en dieper dan 1,5 m ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen, drainage en funderingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
5. b.
het permanent verlagen van het waterpeil.
Een vergunning als bedoeld in sub a wordt slechts verleend indien: 1.
op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
2.
op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;
3.
één of meer van de volgende voorwaarden in acht wordt of worden genomen:
▪
een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
▪
een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen, of;
▪
een verplichting de werken en/of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
c.
Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden, wordt een professioneel archeoloog om advies gevraagd.
d.
Het verbod als bedoeld in sub a is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: 1.
het normale onderhoud en het normale agrarische gebruik betreffen;
2.
reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
3.
mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
4.
aanvaardbaar zijn op basis van eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 19 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 20 Algemene gebruiksregels 20.1 Toegestaan gebruik 20.1.1 Aan huis verbonden beroep Het gebruik van een deel van de (bedrijfs)woning voor een aan huis verbonden beroep, zoals vermeld in bijlage 1 'Lijst aan huis verbonden beroepen' is toegestaan daar waar dit gebruik in de bestemmingsomschrijving is opgenomen, mits: a.
de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft;
b.
het aan huis verbonden beroep uitsluitend inpandig wordt verricht;
c.
maximaal 25 m2 van de oppervlakte van het hoofd- of bijgebouw wordt gebruikt voor het aan huis verbonden beroep.
d.
degene die de gebruiker is van de woning ook degene moet zijn die het aan huis verbonden beroep uitoefent;
e.
de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten qua aard, omvang, uitstraling en intensiteit verenigbaar is met het karakter van de omringende woonomgeving;
f.
geen detailhandel plaatsvindt, behoudens een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden beroep;
g.
het gebruik geen nadelige invloed heeft op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse;
h.
het parkeren plaatsvindt op het eigen terrein;
i. reclame-uitingen niet zijn toegestaan, met uitzondering van de vergunningsvrije vormen. 20.1.2 Bed and breakfastvoorziening Het gebruik van de bebouwing voor verblijfsrecreatie in de vorm van een bed and breakfastvoorziening is toegestaan daar waar dit gebruik in de bestemmingsomschrijving is opgenomen, mits: a.
de bed and breakfast in het hoofdgebouw van de (bedrijfs)woning wordt gerealiseerd;
b.
de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft;
c.
het aantal beschikbare kamers niet meer dan vijf bedraagt met een maximum van tien slaapplaatsen;
d.
het parkeren op eigen erf plaatsvindt.
20.2 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijvingen, waaronder in elk geval wordt begrepen: a.
het gebruik van de gronden en bouwwerken die zijn bestemd voor wonen ten behoeve van kamerverhuur of het huisvesten van meerdere huishoudens in één woning;
b.
het gebruiken van een vrijstaand bijbouwvolume ten behoeve van woonfuncties;
c.
het gebruik van de gronden en bouwwerken als seksinrichting;
d.
het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
e.
het gebruik van de gronden en bouwwerken voor detailhandel, tenzij een bestemming dat uitdrukkelijk toestaat;
f.
het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van buitenopslag van afval bij afvalverwerkende bedrijven;
g.
het gebruik van de gronden en bouwwerken als afhaalpunt voor internetverkoop.
Artikel 21 Algemene aanduidingsregels 21.1 Overige zone - zoekgebied mestbassins Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning van de regels afwijken ter plaatse van de aanduiding Overige zone - zoekgebied mestbassins voor de bouw van mestopslagplaatsen in de vorm van foliemestbassins buiten het bouwvlak op de veldkavel, mits wordt aangetoond dat: a.
de mestopslag op grond van milieuhygiënische belemmeringen binnen het bouwperceel of daarop aansluitend niet mogelijk is; of;
b.
de voorzieningen noodzakelijk zijn om aantoonbare structurele verkeersoverlast door transportbewegingen in kernen te voorkomen of te beperken als reële alternatieve ontsluitingsroutes ontbreken, en;
c.
andere ruimtelijk relevante belangen niet onevenredig worden geschaad, en;
d.
de mestopslagplaats in hoofdzaak bestemd is voor gebruik binnen de bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, en;
e.
de inhoud van het mestbassin niet meer bedraagt dan 2.500 m 3, en;
f.
de milieuregelgeving zich niet tegen de aanleg verzet, en;
g.
rekening is gehouden met de archeologische verwachtingswaarde;
Verder wordt de situering en inrichting van het mestbassin op de veldkavel bepaald door middel van de maatwerkmethode en de onderstaande kwaliteitscriteria: a.
er wordt een locatie gezocht langs de bestaande infrastructuur, bij voorkeur agrarisch gebruikte infrastructuur en niet zijnde recreatieve fietspaden of langeafstandswandelroutes;
b.
de minimale onderlinge afstand van bassinlocaties bedraagt 500 m. Er mogen maximaal twee bassins vlak bij elkaar worden gelegd. Dat wordt beschouwd als één bassinlocatie. Deze twee bassins dienen aan één zijde van de weg te worden gesitueerd, zodat vrij uitzicht aan de andere wegzijde gewaarborgd blijft;
c.
mestbassins bevinden zich niet in prominente zichtassen van sloten, wegen, dijken of nabij visueel opvallende kruisingen of kavelknikken. Mestbassins zijn alleen langs rechtstanden toegestaan;
d.
er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub b en/of c indien er sprake is van onevenredige benadeling wegens bijzondere omstandigheden;
e.
de afstand van het mestbassin tot oppervlaktewater bedraagt ten minste 5 m;
f.
qua landschappelijke inpassing wordt waar mogelijk op een verantwoorde wijze aansluiting gezocht bij bestaande verdichtingen in het landschap zoals bosschages zonder natuur- en/of recreatieve waarden;
g.
een mestbassin wordt omgeven door een grondwal die aan de buitenkant bedekt is met gras. Gebruik van folie of matten aan de buitenkant is niet toegestaan. De grondwal is maximaal 2 m hoog, gerekend vanaf de teen van de grondwal;
h.
de grastaluds van het mestbassin worden regelmatig gemaaid. Het bassin wordt zodanig ruim gesitueerd dat er geen rommelhoeken kunnen ontstaan. De directe omgeving moet met gangbare machines regelmatig worden onderhouden;
i.
hekwerken moeten zijn uitgevoerd in een donkere kleurstelling. Ze mogen het doorzicht niet in belangrijke mate belemmeren. Het hekwerk staat onderaan de voet van de grondwal;
j.
bouwwerken en installaties zijn in terughoudende kleuren uitgevoerd (donkergrijs, zwart, donkergroen);
k.
reclame-uitingen en verlichting zijn niet toegestaan. De verharding moet tot een minimum zijn beperkt;
l.
de afstand tussen het mestbassin en de ontsluitingswegen bedraagt minimaal 20 m.
Over de landschappelijke aanvaardbaarheid van de locatie en de wijze van inpassing van de mestopslag wordt advies ingewonnen bij een onafhankelijke, dan wel bij een door de gemeente aangestelde deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur. Aan de omgevingsvergunning wordt een voorwaarde verbonden die ertoe strekt dat een foliemestbassin alleen mag worden opgericht of aangelegd indien de erfbeplanting vóór een nader te bepalen datum na het verlenen van de omgevingsvergunning overeenkomstig het bij de vergunning gevoegde erfinrichtingsplan wordt aangelegd en vervolgens in stand wordt gehouden gedurende de periode dat hetgeen gebouwd of aangelegd is feitelijk aanwezig is.
21.2 veiligheidszone - transport 21.2.1 Omschrijving gebiedsaanduiding De voor veiligheidszone - transport aangewezen gronden zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, mede aangewezen voor het tegengaan van de vestiging van objecten voor langdurig verblijf van groepen verminderd zelfredzame personen. 21.2.2 Bouwregels a.
Er mogen geen kwetsbare objecten worden gebouwd;
b.
De bouw van beperkt kwetsbare objecten is toegestaan, mits: 1.
sprake is van zwaarwegende maatschappelijke, economische en/of planologische redenen;
2.
is aangetoond dat er hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid van personen;
c. de bouw van objecten ten behoeve van minder zelfredzame personen is niet toegestaan. 21.2.3 Specifieke gebruiksregels a.
b.
Het is verboden gebouwen en/of terreinen te gebruiken als: 1.
kwetsbaar object;
2.
een object voor langdurig verblijf van verminderd zelfredzame personen.
In afwijking van het bepaalde onder a mag bestaand gebruik worden voortgezet.
21.3 Vrijwaringszone - LOFAR Een ruimtelijk plan kan, ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - LOFAR station' alleen voorzien in bedrijfsvestiging, - uitbreiding, intensivering van verkeer en andere activiteiten als hierbij geen elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van dit buitenstation en daarmee de LOFARradiotelescoop. Een ontwikkeling binnen deze zone zal voorzien moeten zijn van een positief advies van ASTRON.