Zandweg 186A, De Meern-Noord.pdf
Tekst van het document
Figuur 5.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 95 per dag gesteld worden. Er is geen van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0 gezet kan worden. In figuur 4.2 is deze worst-case berekening weergegeven. Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer voor de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate is. Nader luchtonderzoek is dan ook niet nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
45
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan, omdat wordt voldaan aan artikel 5.16, lid 1 onder a en lid 1 onder c Wm.
5.7
Bodem
Bodemkwaliteit Bij het bestemmingsplan wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functies. Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de Wet bodembescherming: Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch bodemverontreiniging ontstaat, moet de bodem direct worden gesaneerd. Een geval van bodemverontreiniging waarbij de verontreiniging geheel of grotendeels ná 1987 is ontstaan, is een "nieuw geval". Deze zorgplicht houdt in dat nieuwe gevallen van bodemverontreiniging zoveel mogelijk ongedaan dienen te worden gemaakt. Overige gevallen van ernstige bodemverontreiniging moeten binnen een bepaalde termijn worden gesaneerd als er tevens sprake is van risico's. Het gaat daarbij om humane of milieuhygiënische risico's en om risico's voor verspreiding van de verontreiniging. De sanering gebeurt functiegericht en kosteneffectief. Nieuwbouw op of graafwerkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging zijn ongeacht de risico's niet toegestaan zonder saneringsmaatregelen. Hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond kan bij onverdachte terreinen plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan. Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning moet een bodemonderzoek conform de NEN 5740 worden verricht.
Op basis van dit onderzoek wordt beoordeeld of de locatie geschikt is voor de geplande functie of dat er nog een nader onderzoek of een bodemsanering noodzakelijk is, voordat de locatie geschikt is voor de geplande functie. Als er voor de bouwwerkzaamheden een grondwateronttrekking nodig is, moet rekening gehouden worden met nabij gelegen grondwaterverontreinigingen. Plansituatie Het gebied heeft in het verleden overwegend een agrarische functie gehad waaronder een fruitteelt en varkensmesterij. Rondom de locatie zijn wegen aangelegd en is de omgeving bebouwd met woningen. De locatie is momenteel in gebruik als tegel en sanitair opslag en handel. Op het terrein worden de aanwezige opstallen gesloopt en vindt er nieuwbouw plaats van wonen met tuin. In 2019 is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de Zandweg 186a / Luwte (Kruse Milieu BV, 4 november 2019, projectcode 17067716). Zie hiervoor Bijlage 5. Uitpandig is plaatselijk een sterke verontreiniging met lood aangetroffen in puin en kolengruis houdende lagen. Tevens zijn plaatselijk asbesthoudende golfplatenfragmenten aangetroffen. In een deel van het pand is inpandig onderzoek uitgevoerd, waarbij de boringen visueel schoon zijn. Het grondwater is licht verontreinigd met barium.
Geadviseerd wordt om aanvullend onderzoek te doen naar lood en asbest(nesten), na sloop van de panden en verwijdering van de verhardingslagen. Verder is het nodig om ook ter plaatse van de huidige showroom aanvullend onderzoek te verrichten na sloop van het pand. In 2011 is op de locatie Zandweg 186a een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Van Dijk Geoen Milieutechniek b.v., 9 september 2011, opdrachtnummer 151268). In de loods achter de showroom is onder de betonverharding een funderingslaag bestaande uit hoogovenslakken aanwezig. Rondom de loods is plaatselijk een ondoordringbare laag en een puinhoudende ophooglaag aanwezig, met een matige verontreiniging aan PAK. Voor het overige zijn in de bovengrond lichte verontreinigingen aanwezig met zware metalen, PCB's en PAK. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen aanwezig met barium, xylenen en dichlooretheen. De aanwezigheid van de puinhoudende ophooglaag en hoogovenslakken vormt een belemmering voor het toekomstig gebruik. Na sloop van de opstellen is aanvullend bodemonderzoek nodig (ook in de bodemlaag onder de hoogovenslakken en naar asbest). In de omgeving van het terrein is een dieseltank aanwezig. Bij bodemonderzoeken in de directe omgeving zijn hoofzakelijk lichte verontreinigingen aanwezig en plaatselijk sterke verontreinigingen.
Op basis van de Nota bodembeheer 2017-2027 moet bij grondverzet rekening gehouden worden met de toepassingseis woonkwaliteit. In het gebied zijn geen (omvangrijke) grondwaterverontreinigingen of nazorgcontouren bekend. Het 4 6 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
Utrecht
plangebied ligt in de schone zone van het Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer. Dit betekent dat bij bouwbemalingen, grondwateronttrekkingen en voor de aanpak of verplaatsing van grondwaterverontreiniging de gevalsaanpak van de Wet bodembescherming geldt en dat er geen sprake is van een gebiedsgerichte aanpak. Ondergrond Het terrein ligt binnen de boringsvrije zone van het drinkwaterbeschermingsgebied De Meern, met regels in de Provinciale Milieu Verordening. Dit betekent dat er een beperking geldt voor het doorboren van de scheidende laag tussen het eerste en tweede watervoerend pakket op een diepte van circa 40 m. Er mogen alleen bodemenergiesystemen worden aangelegd in het eerste watervoerend pakket. Er is geen sprake van een verhoogde archeologische verwachting in het gebied. Het gebied is gevoelig voor zetting. De ondergrond biedt kansen voor de duurzame energie (bodemenergie), waterberging (klimaatadaptatie), ruimte voor groen en ondergrondse infrastructuur (kabels en leidingen, parkeerkelders). Bij plannen voor benutting van de ondergrond wordt geadviseerd het ondergronds ruimtegebruik mee te nemen in het planontwerp, zodat meervoudig ondergronds gebruik geen belemmering of nadelige beïnvloeding op elkaar heeft. Conclusie De bodemkwaliteit is nog niet volledig in beeld en er gelden voorwaarden voor verder onderzoek en eventueel sanering.
Op basis van de beschikbare bodemonderzoeksgegevens blijkt de bodem op locatie licht tot matig verontreinigd te zijn. Plaatselijk is er een sterke verontreiniging met lood en mogelijk asbest aanwezig. De aanwezigheid van een puinhoudende ophooglaag en hoogovenslakken onder de loods vormen een belemmering voor de toekomstige woonfunctie. Na sloop van de opstallen is aanvullend onderzoek nodig om verder te bepalen of het terrein geschikt is voor het toekomstig gebruik en of saneringsmaatregelen nodig zijn. Verder geldt een dieptebeperking voor boringen en bodemenergie vanwege de ligging in een grondwaterbeschermingsgebied.
5.8
Natuurbescherming
Wettelijk kader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De initiatiefnemer dient alvorens te beginnen met sloop, bouw, verbouw of veranderingen in de terreininrichting door onderzoek vast te stellen of er op of nabij het plangebied beschermde dieren en planten aanwezig zijn en of voor de werkzaamheden een ontheffing nodig is. Een van de belangrijkste criteria is of de functionaliteit van het leefgebied van beschermde soorten door het plan wordt aangetast. Er kunnen maatregelen worden genomen waardoor negatieve effecten voor de beschermde soorten zoveel mogelijk worden voorkomen of beperkt. Ook moet de initiatiefnemer onderzoek doen naar de effecten van de werkzaamheden op beschermde gebieden. Er is in 2019 ecologisch onderzoek uitgevoerd (Natuurbank Overijssel, 2019). Uit dit onderzoek is het volgende naar voren gekomen:
Soortenbescherming De belangrijkste conclusie van het onderzoek m.b.t. de soortenbescherming zijn: Binnen de planlocatie voor de herontwikkeling zijn geen streng beschermde soorten opgenomen in de Wet natuurbescherming aangetroffen of te verwachten. Algemene broedvogels: om effecten op algemene broedvogels te voorkomen dienen werkzaamheden waarbij opgaande beplanting binnen het plangebied wordt verwijderd, buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Deze loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet door een deskundige worden gecontroleerd of er broedende vogels aanwezig zijn. Dit geldt ook voor de periode vlak voor of na het broedseizoen. Het gaat om een broedgeval, ongeacht de datum. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten, mag er niet gewerkt worden. Er dient tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening te worden gehouden met het voorkomen van algemene soorten fauna (zoals de egel) die vallen onder de zorgplicht. Een voorbeeld hiervan het hanteren van één vaste werkrichting bij het verwijderen van de vegetatie, waardoor de dieren de kans krijgen voor de werkzaamheden uit te vluchten bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
47
Soortenbescherming op basis van de Utrechtse soortenlijst In de voormalige Flora en faunawet werden soorten beschermd die niet meer beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, die per 1 januari 2017 in werking is getreden. Hieronder vallen diverse kwetsbare soorten die voor Utrecht erg belangrijk zijn. Deze soorten zijn in de Utrechtse soortenlijst genoemd. In dat licht is onderzocht of Utrechtse soorten nadelige gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling ondervinden. Uit het ecologisch onderzoek blijkt dat er geen beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming in het plangebied voorkomen. Er ontbreekt functioneel leefgebied voor deze soorten. Wel is het aannemelijk dat de merel en de tjiftjaf in het plangebied voorkomen. Deze vogels hebben in Utrecht een beschermde status (Utrechtse soortenlijst). Ruimtelijke ontwikkelingen mogen voor deze soorten niet tot nadelige effecten leiden. Het weghalen van 374m2 beplanting leidt niet tot een verslechtering van het leefgebied van de tjiftjaf. De tjiftjaf foerageert vooral in opgaande beplanting, zoals bomen en struiken en nestelt in dichte vegetatie. Wanneer we de nieuwe situatie vergelijken met de huidige, dan leent de nieuwe situatie zich ook goed voor een territorium van de tjiftjaf. De voorgenomen ontwikkeling zal een versterking van het leefgebied van de merel betekenen.
De nieuwe woningen hebben (blok)hagen als erfafscheiding in de voor- en zijtuinen, grenzend aan het openbaar gebied. Ook worden in de openbare ruimte struwelen aangelegd. Hierdoor neemt het areaal functioneel leefgebied, zowel broedgelegenheid maar vooral foerageergebied, toe. De Utrechtse Soortenlijst en overige informatie is te vinden op de gemeentelijke website onder Groenbeleid. https://www.utrecht.nl/fileadmin/uploads/documenten/bestuur-en-organisatie/beleid/omgevingsvisie /groen/2018-Nota-Utrechtse-Soortenlijst.pdf
Beschermde gebieden Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een 'goede ruimtelijke ordening' als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Natura 2000-gebied Provincies vormen het bevoegd gezag voor de duurzame veiligstelling van de habitattypen en habitatsoorten in Natrua 2000-gebied in hun provincie. Voor activiteiten die leiden tot aantasting van de duurzame instandhouding van deze gebieden dient een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Er is getoetst in hoeverre de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen beschermde gebieden beïnvloedt of daar negatieve effecten op heeft. Uit voornoemd onderzoek is het volgende naar voren gekomen met betrekking tot de gebiedsbescherming voor het plangebied: Het plangebied ligt buiten het NNN en de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal. Dat houdt in dat de voorgenomen activiteiten geen significant negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van gronden die tot het NNN behoren.
De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op gronden die tot het NNN behoren. Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is Oostelijke Vechtplassen, dat op ongeveer 7 kilometer afstand van het plangebied ligt. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura2000-gebied, is het niet aannemelijk dat er een verhoogde depositie van NOx/NH3 in Natura2000-gebied plaats vindt als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Dit is middels een AERIUS berekening d.d. 16 oktober 2019 ook aangetoond. Hieruit blijkt dat er geen negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied te verwachten zijn. Zie hiervoor Bijlage 3. Vanaf 14 januari 2020 is er een nieuwe versie van de AERIUS Calculator beschikbaar gesteld. Een actuele berekening is uitgevoerd op 28 januari 2020 met hetzelfde resultaat. Zie hiervoor Bijlage 4. Er zijn geen vervolgstappen nodig.
Diervriendelijk bouwen Met de bouw van de nieuwe woningen wordt rekening gehouden met 'diervriendelijk bouwen'. De 4 8 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
Utrecht
nieuwe woningen hebben namelijk blokhagen als erfafscheiding in de voor- en zijtuinen, grenzend aan openbaar gebied. In de blokhagen kunnen huismussen schuilen. Ook wordt bij elke woning een neststeen aangebracht als nestplaats voor huismussen en gierzwaluwen. De neststeen wordt zo hoog mogelijk onder het overstek in de woninggevel geplaatst. Hierdoor wordt een zo vrij mogelijke aanvliegroute gewaarborgd. Zie hiervoor onderstaande afbeelding.
Conclusie De Wet natuurbescherming en de Utrechtse soortenlijst staan de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
5.9
Bomen
Voor de ontwikkeling is een bomeninventarisatie uitgevoerd voor alle bomen in het plangebied. In totaal bevinden zich 19 bomen in het plangebied (zie figuur 5.5). Het betreffen de volgende bomen: 10 rode esdoorns (a) 2 elzen (b) 2 zwarte Elzen (c) 5 zilveresdoorns (d) 3 van de 19 aanwezige bomen zijn van matige kwaliteit en 16 bomen zijn van goede kwaliteit.
bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
49
Figuur 5.4 10 van de geïnventariseerde bomen blijven op de huidige plek staan. Het gaat hier om 4 Rode Esdoorns (boomnummer 1851392, 1998482, 1934884 en 1959833), 1 Els (boomnummer 1978065) en 5 zilveresdoorns (boomnummer 1895122, 1868970, 1938725, 2003058 en 1998759). Om de herontwikkeling van het terrein mogelijk te maken moeten 9 bomen langs de bestaande Luwte wijken. Dit betreft 2 zwarte elzen (boomnummer ongenummerd en 1975418) en 1 Els (boomnummer 1880598). Deze bomen staan momenteel in de verharding en zijn allen gekwalificeerd als matig. Deze 3 bomen worden gekapt. Daarnaast gaat het om 6 Rode Esdoorns die moeten wijken (boomnummer 1904742 , 1907144, 1909093, 1859269, 1931580 en 1881370). Deze bomen staan in de groenstrook direct ten noorden van de huidige bedrijfsbebouwing en zijn van een goede kwaliteit en zijn verplantbaar. Na de sloop van de opstallen op het terrein kunnen 5 bomen een plek krijgen in de groenstrook tussen de Luwte en de Scherming. Voor de 6 e boom is in verband met de volgorde van de werkzaamheden geen plek binnen het plangebied, omdat deze hinder geeft voor de bouwwerkzaamheden en er een grote kans is dat deze boom beschadigd wordt. Voor deze boom wordt in overleg met de gemeente Utrecht een nieuwe locatie, nabij het plangebied gevonden. 4 bomen worden gecompenseerd.
Het gaat om de 3 gekapte bomen van matige kwaliteit en 1 Rode Esdoornboom die niet in het plangebied verplant kan worden. Daarnaast worden er 3 (extra) nieuwe bomen geplant. Kortom, binnen het plangebied worden er 12 bomen verplant en aangeplant (7 nieuwe bomen en 5 te verplantten bomen). Dit betreft 8 bomen van de 2 e grootte in de groenstroken en 4 bomen van 3 e grootte in boomspiegels tussen de parkeervakken. De soorten zijn gekozen in aansluiting op de bestaande soorten in het gebied. Dit zijn: 5 0 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
Utrecht
Bomen 2e grootte: Gewone Rode Esdoorn (Acer pseudoplatanus 'Atropurpureum'), verplanten (5 stuks) en nieuw aanplantmaat 18/20 (3 stuks). Bomen 3e grootte: 2x Chinese Kers (Prunus 'Unimeko') en 2x Zwarte Els (Alnus glutinosa), aanplantmaat 16/18. Aangezien er 10 bomen in het plangebied op hun huidige plek blijven staan, zijn er in de nieuwe situatie (in het plangebied) in totaal 22 bomen van een goede kwaliteit. Daarmee zijn er 3 bomen meer dan in de huidige situatie.
Conclusie Gelet op voorgaande is het aspect bomen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.10 Water Door ruimtelijke ontwikkelingen kan het functioneren van het watersysteem onder druk komen te staan. Het doel van de 'Watertoets' is het waarborgen van water gerelateerd beleid en water gerelateerde beheeraspecten door ruimtelijke ontwikkelingen vroegtijdig en evenwichtig te toetsen aan de relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. Ruimtelijke plannen moeten wettelijk voorzien zijn van een 'Waterparagraaf', een ruimtelijke onderbouwing van de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie. Met de watertoets worden de waterhuishoudkundige gevolgen van plannen vroegtijdig inzichtelijk gemaakt, de afwegingen expliciet en toetsbaar vastgelegd en in het wateradvies van de waterbeheerders opgenomen. Door afstemming met de waterbeheerder(s) wordt voorkomen dat door een ruimtelijke ontwikkeling de kansen voor de waterhuishouding niet worden benut en de bedreigingen niet worden herkend. Door de bestaande (geo)hydrologische situatie en randvoorwaarden, de geplande ontwikkeling en de ruimtelijke consequenties ten aanzien van de waterhuishouding te analyseren, kan het streven naar een duurzaam en robuust watersysteem tijdig in het ontwerpproces worden geïntegreerd.
Deze waterparagraaf is opgesteld ter verantwoording en afsluiting van de watertoets ten behoeve van het bestemmingsplan Zandweg 186a locatie Koedam gelegen in de Meern binnen de gemeente Utrecht. Wettelijk kader In het algemeen is het beleid van het Rijk, de provincie Utrecht, de gemeente Utrecht en het waterschap HDSR en het waterschap AGV(Waternet) gericht op een duurzaam en robuust waterbeheer. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden (indien doelmatig) de waterkwaliteitstrits 'gescheiden inzamelen-gescheiden afvoeren-gescheiden verwerken' en de waterkwantiteitstrits 'water vasthouden-bergen-vertraagd afvoeren' gehanteerd. Dit beleid is per overheidsniveau in de onderstaande beleidsdocumenten verankerd: Europees beleid: Kaderrichtlijk Water Rijks beleid: Nationaal Waterplan, WB21, NBW, Waterwet, etc.; Provinciaal beleid: Nota Planbeoordeling, Waterhuishoudingsplan, Beleidsplan Milieu en Water, Streekplan, etc.; Gemeentelijk beleid: Plan Gemeentelijke Watertaken Utrecht 2016-2019; Waterschapsbeleid HDSR: Waterschapsbeleid: Waterwet, Waterbeheerplan “Waterkoers 2016-2021”, Beleidsregels Keur 2019. Plansituatie
bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
51
Figuur 5.5: Ligging plangebied Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrenst door de Zandweg, aan de west- en oostzijde door lintbebouwing gelegen aan de Zandweg en aan de noordzijde door de woonwijk 't Weer.
5 2 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
Utrecht
Figuur 5.6: Nieuwe situatie Zandweg 186a, de Meern
Waterwet Watervergunning – onttrekking en lozing Tijdelijke onttrekking van grondwater tijdens de bouwfase is vergunningsplichtig en onder voorwaarden toegestaan, evenals tijdelijke lozing van bemalingswater op het oppervlaktewater. Nader onderzoek naar de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater is noodzakelijk om na te gaan of er een lozingsvergunning nodig is om overtollig water te onttrekken en af te voeren. Voor alle onderbemalingen, bronneringen en andere grondwateronttrekkingen waarbij middels bronbemaling globaal meer dan 100 m3 per uur, langer dan 6 maanden en dieper dan 9 m grondwater wordt onttrokken, dient een vergunning te worden aangevraagd bij het waterschap HDSR (zie artikel 3.10 Keur 2019). Indien de grondwateronttrekking bij deze criteria onder de grenswaarden blijft, kan volstaan worden met een melding. Een (tijdelijke) lozing van grondwater op de openbare riolering is niet toegestaan, tenzij bij Algemene maatregel van bestuur (lozing besluiten) of bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in de Wet Milieubeheer anders is bepaald. Watervergunning - Keur Ten behoeve van het dempen en graven, aanleggen van vlonders en steigers, bouwen in en langs water en uitvoeren van HDD boringen onder watergangen, kunstwerken en peilscheidingen door, is een Watervergunning van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden noodzakelijk.
Alle wateraspecten (inclusief Keur-aspecten) worden in de watervergunning geregeld. Rechtstreekse afvoer van hemelwater naar oppervlaktewater is vergunning- of meldingsplichtig in het kader van de Waterwet. Om vervuiling van afstromend hemelwater en verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, is het niet toegestaan om uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, lood bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
53
en koper) zonder KOMO-keurmerk toe te passen voor dak, dakgoot en regenpijp indien het hemelwater vanaf deze oppervlakken direct afvoert naar het oppervlaktewater. In het kader van het rioleringsplan dient als de plannen concreter worden, te worden aangegeven of al het regenwater in het plangebied geborgen kan worden of dat een overloop voorziening richting oppervlaktewater zal worden aangebracht waarvoor er voor dit project mogelijk een watervergunning aangevraagd dient te worden. Waterhuishouding Oppervlaktewater Aan de zuidzijde van het plangebied ligt de primaire watergang de Leidsche Rijn. Dit oppervlaktewater is in eigendom van het HDSR en zij zijn verantwoordelijk voor de functionele kwantiteits- en kwaliteitsbeheer van deze watergangen. Peilgebied Het plangebied ligt in het peilgebied VLR_027 met een vast peil van -0,80 m NAP.
Figuur 5.7: Plangebied binnen peilgebied VLR_027 (bron: peilbesluit Vleuten Leidsche Rijn HDSR) Waterkering De Zandweg die aan de noordzijde van de Leidsche Rijn is gelegen, betreft een regionale waterkering. Ter bescherming van deze waterkering is de dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterstaatkundige functie' opgenomen. Binnen het plangebied, vinden er in de kernzone van het waterstaatswerk, geen bouwwerkzaamheden plaats. Deze gronden worden enkel ingegraven voor planten en heggen. Naast de kernzone van het waterstaatswerk ligt de beschermingzone van het waterstaatswerk. Een groot deel van de huidige bedrijfsbebouwing en verharding is momenteel gelegen binnen deze beschermingszone. De hudige bebouwing wordt gesloopt. Daarbij zal ook de huidige verharding rondom het bedrijfsperceel worden verwijderd. In het lint aan de Zandweg worden 2 bouwkavels gerealiseerd. Het is ook mogelijk dat hier één woning komt. De voorgevel van deze woning(en) komt in dezelfde rooilijn te liggen als de huidige bedrijfsbebouwing en de naastgelegen woningen in het lint. Aan de zijde van de Zandweg krijgen deze woningen een voortuin met daarachter een achtertuin. De hoeveelheid verharding zal daarmee afnemen. Achter de woning(en) in het lint wordt de straat Luwte verlegd in het verlengde van de huidige 5 4 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
Utrecht
straat Zonzijde. Aan de zuidzijde daarvan worden 6 twee-onder-één kapwoningen gerealiseerd. Deze liggen gedeeltelijk binnen de beschermingszone. Boringvrije zone de Meern Het plangebied ligt in de boringvrije zones De Meern, zie figuur 5.8. De boringvrije zone is een zone rondom de grondwaterwinning De Meern. Deze grondwaterwinning is de bron van de drinkwatervoorziening voor o.a. de gemeente Utrecht. In de boringvrije zone beschermt een ondergrondse kleilaag de onderliggende waterwinning. Om te voorkomen dat een kleilaag die de onderliggende waterwinning beschermt, wordt doorboord en ter bescherming van de grondwaterkwaliteit voor de drinkwatervoorziening stelt de provincie Utrecht in de Interim Omgevingsverorening in art 3.40 t/m 3.49 dat een aantal activiteiten aan voorschriften is gebonden. Het betreft onder andere een verbod op boor-, grond- en funderingswerkzaamheden dieper dan 40 meter onder het maaiveld en het toepassen van bodemenergiesystemen. Onder voorwaarden zijn vrijstellingen op dit verbod mogelijk. Daarnaast geldt voor iedereen de bijzondere zorgplicht. Dit houdt in dat verontreiniging van het grondwater moet worden voorkomen of, voor zover het niet kan worden voorkomen, zoveel mogelijk moet worden beperkt of ongedaan gemaakt. De regels van de PMV gelden onafhankelijk van het bestemmingsplan.
Figuur 5.8: Beschermingszone drinkwateronttrekking waterwingebied De Meern (bron Provincie Utrecht) Grondwater 1e watervoerend pakket Het langjarige grondwaterregime in de diepere ondergrond wordt gereguleerd door de grondwaterstroming in het eerste watervoerend pakket (1e WVP). De gemeente Utrecht beschikt sinds 1962 over een peilbuizenmeetnet. Sinds 2002 worden de grondwaterstanden automatisch opgeslagen door dataloggers die tweemaal per dag het grondwaterpeil registreren. De gemiddelde, langjarige stijghoogte van het 1 e WVP zijn afgeleid uit de dichtstbijzijnde peilbuizen en vastgelegd in de 'Grondwatercontourkaart gemeente Utrecht' (09-10- 2012). Op basis van deze kaart wordt voor het plangebied de volgende gemiddelde stijghoogten en seizoens-variatie verondersteld: droge periode, gemiddelde lage grondwaterstand (GLG) = NAP – 0,70 m; bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
55
gemiddeld periode, gemiddelde grondwaterstand (GGG) = NAP – 0,60 m; natte periode, gemiddelde hoge grondwaterstand (GHG) = NAP -0,40 m; De grondwaterstroming in het plangebied is in zuidwestelijke richting en varieert in natte perioden. Freatisch pakket De momentane, freatische grondwaterstand is afhankelijk van het neerslagverloop, de bodemopbouw en de aard en omvang van afwatering- en ontwateringsvoorzieningen. Slecht doorlatende lagen als klei en veen belemmeren de interactie met het 1WVP en kunnen een lokale schijngrondwaterstand creëren. Bodemonderzoek dient uit te wijzen wat de lokale bodemgesteldheid is en wat de consequenties hiervoor zijn voor de freatische grondwaterstand en de toepasbaarheid van IT-riolen en wadi's. Drooglegging en ontwateringsdiepte Een droge ondergrond is een belangrijke randvoorwaarde voor het faciliteren van een bestemming van een gebied. Voldoende drooglegging en ontwateringsdiepte in een plangebied is van groot belang om overstroming (inundatie) en grondwateroverlast te voorkomen, juist bij de toepassing van een kelder. De drooglegging, het verschil tussen maaiveld en streefpeil, dient conform de norm van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden minimaal 1,0 m te zijn.
De ontwateringsdiepte, het hoogteverschil tussen maaiveld en de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG), dient conform de norm van de gemeente Utrecht minimaal 0,7 m te bedragen. De gemiddelde ontwateringsdiepte in het plangebied is +0,70 m NAP – -0,40 m (GHG) = 1,10 m NAP. Deze voldoet in de huidige situatie aan de gestelde norm.
Figuur 5.9: Gemiddelde grondwaterstand binnen plangebied (bron: Isohypsenkaart gemeente Utrecht) Riolering Aan de zuidzijde van het plangebied loopt de Zandweg. In de Zandweg ligt een vuilwaterstelsel. De Zandweg ligt deels op één oor en op de plekken waar de Zandweg tonrond ligt, daar wordt water afgevoerd naar kolken, die weer rechtstreeks met een kolkenleiding lozen op de Leidsche Rijn. Aan de noordzijde en deels binnen het plangebied ligt er in de woonwijk 't weer een gescheiden stelsel. Het hemelwater en vuilwater dient gescheiden aangeboden te worden. Het hemelwater kan aangesloten worden op een hemelwaterstelsel, maar kan ook rechtstreeks op het oppervlaktewater aangesloten worden. Voor installatietechnische eisen voor leidingwerk binnen het perceel geldt het Bouwbesluit en de voorschriften in de Omgevingsvergunning voor de Wabo activiteit Bouw. In de aanvraag om Omgevingsvergunning moet het leidingplan voor riolering en hemelwater tot en met de grens van 5 6 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
Utrecht
het terrein of erf zijn uitgewerkt. Voorschriften en instructies voor het aan (laten) sluiten op openbare voorzieningen voor de inzameling, transport of verwerking van afvalwater worden gesteld in de Omgevingsvergunning. Onder meer worden voorschriften aan plaats, aanlegdiepte en diameter van leidingwerk ter plaatse van de grens van het erf in de omgevingsvergunning gesteld wanneer sprake is van aansluiting op openbare riolering en afvalwater die op riolering kan en mag worden gebracht. Voor de afvoer of verwerking van huishoudelijk afvalwater, eventueel bedrijfsafvalwater, en hemelwater gelden de op de activiteit betrekking hebbende algemene lozingsregels van het Activiteitenbesluit Milieubeheer, het Besluit Lozen Afvalwater Huishoudens of het Besluit Lozen Buiten Inrichtingen. Het hemelwater mag niet aangesloten worden op het gemengde stelsel en zal middels een voorziening geïnfiltreerd moeten worden in de bodem. Wateropgave Bij ruimtelijke ontwikkelingen is de wateropgave en de benodigde watercompensatie afhankelijk van de aard en omvang van de toename aan verhard, afvoerend oppervlak en van de omgang met het hemelwater. Om de waterhuishouding op orde te houden en wateroverlast te voorkomen, zijn op grond van de Keur bij een verhardingstoename van meer dan 500 m2 maatregelen vereist (dit is de ondergrens voor watercompensatie binnen de bebouwde kom).
De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatief effect op de waterhuishouding, omdat er een afname van verhard oppervlak is binnen het plangebied van ca. 1200 m2.
Onderdeel Onverhard / Groen Dakoppervlak Verharding Totaal
Bestaande situatie in m² 1.039 2.750 3.084 6.873
Nieuwe situatie in m² 2.242 1.184 3.447 6.873
Afname / Toename verhard oppervlak m² +1.203 - 1.566 + 363
Water en klimaatopgave Analyse huidige situatie Het waterschap en de gemeente Utrecht hebben een klimaatstresstest uitgevoerd. Uit de neerslag beelden blijkt dat delen van de stad gevoelig zijn voor extreme hoosbuien. Als we naar het plangebied kijken, dan geldt voor de '60 mm in één uur bui', de '75 mm in één uur bui, de '83 mm in 70 minuten bui' en '120 mm in één uur bui' ongeveer allemaal hetzelfde beeld. Voor het betreffende kaartmateriaal: https://livinglabutrecht.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=3242b2dbca544f99a714 abc1f63aeefe
Toekomstige situatie De voorgenomen ontwikkeling dient "klimaatproof" te worden ingericht. Het waterschap en de gemeente stellen hier de volgende eisen aan: Vloerpeil van panden ligt minimaal 0,15 m boven straatpeil; Het gebied dient zo ingericht te worden dat zelfs bij een zeer extreme regenbui er geen schade optreedt. Hieraan wordt voldaan, als een extreme bui van 80 mm in één uur, verwerkt kan worden zonder dat er schade optreedt in gebouwen en vitale infrastructuur, zoals nutsvoorzieningen, door instromend regenwater en er ook geen gezond- en veiligheidsrisico's kunnen optreden, zoals bijvoorbeeld door opdrijvende putdeksels. Een bui van 80 mm per uur is tot op heden de zwaarste bui die tot op heden door een weerstation van het KNMI is geregistreerd (Herwijnen, 2011); Daarvan 45 mm ten opzichte van verhard oppervlak binnen het plangebied vasthouden en verwerken, dit kan door groene daken te realiseren of ondergrondse infiltratie; Ledigingstijd buffer, maximaal 48 uur. De buffer dient hierna weer volledig beschikbaar te zijn voor nieuwe buien; Klimaatopgave en kansrijke maatregelen De klimaatopgave betreft 45 mm waterberging creëren ten opzichte van het bestaande verharde bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
57
oppervlak. Hieronder staan de kansrijke maatregelen binnen het plangebied. De waterberging zal 4631 x 0.045 m = 208 m3 moeten worden. Hemelwater kan aangesloten worden met een IT riolering op het bestaande hemelwaterstelsel in de wijk 't weer. Ook kan er een wadi worden toegepast, waarvan de slokop aangesloten worden op het hemelwaterstelsel. Parkeerplaatsen kunnen voorzien worden van een waterpasserende bestrating of half verharding, waardoor water ter plaatse kan infiltreren in de bodem. Wanneer de woningen worden voorzien van een plat dak, kan er overwogen worden om een groen dak toe te passen, waardoor hemelwater eerst wordt opgevangen, waarna het wordt afgevoerd naar bij voorkeur een infiltratievoorziening (wadi) of hemelwaterstelsel. Groene daken worden voor 60% verhard gezien en 40% onverhard. Tenzij aangetoond kan worden dat de daken 45 mm water kunnen bergen. Dan zijn de daken volledig onverhard. Waterkwaliteit Het hemelwater van dakoppervlak en erfverharding kan direct worden afgevoerd naar de infiltratievoorziening of wadi. Op deze manier wordt het hemelwater op een natuurlijke wijze gezuiverd en geïnfiltreerd. Om vervuiling van afstromend hemelwater en verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, dienen geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, lood en koper) te worden toegepast voor dak, dakgoot en regenpijp.
Klimaatadaptatie en klimaatstresstest Het klimaat verandert: hogere temperaturen, een sneller stijgende zeespiegel, nattere winters, heftigere buien en kans op drogere zomers. Daar moeten we in de toekomst in Nederland rekening mee houden. De verwachting van het KNMI is dat het klimaat in Nederland in 2050 ongeveer overeen zal komen met het huidige klimaat in Zuid-Frankrijk. Maar ook nu al is de klimaatverandering merkbaar. Extreme neerslag, droogte en hitte kunnen leiden tot maatschappelijke ontwrichting. Dit geeft aanleiding om aanpassing van de inrichting van de bebouwde omgeving aan het veranderende klimaat te agenderen en aan te werken. Dit beleid is vorig jaar vastgelegd in de Deltabeslissing voor Nederland. In de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie heeft het Deltaprogramma voorstellen opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en water-robuust te maken. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft als doel: De bebouwde omgeving is in 2050 nog steeds aantrekkelijk om te leven; Uiterlijk in 2020 zijn ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig opgebouwd en getoetst. Gemeente Utrecht heeft samen met 9 andere overheden deze deltabeslissing onderschreven en werkt samen in de Coalitie Regio Utrecht aan de opgaven.
Klimaatverandering heeft effecten op grote schaal maar ook op de kleine schaal van een stad. Door de toenemende hoeveelheid verharding in steden wordt het steeds moeilijker om water makkelijk weg te krijgen. Daarom wordt geappelleerd aan een duurzame manier van bouwen waar klimaatadaptie een onderdeel van is. Om wateroverlast tegen te gaan kan er gedacht worden aan toepassen van groene daken en daarmee het water vertraagd af te voeren. Om droogte tegen te gaan, zoveel mogelijk water bergen en infiltreren. Om hitte tegen te gaan, veel bomen (schaduw) in het plangebied zetten. Conclusie De waterbelangen zijn in onderhavig bestemmingsplan voldoende geborgd. Zo ligt nabij het plangebied de Zandweg. Dit is een waterkering en ter bescherming hiervan is in het bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterkering ' opgenomen. Dit houdt in dat bouwen alleen mag plaatsvinden als dit de waterkerende functie niet schaadt. Tevens is een gebiedsaanduiding 'milieuzone - boringsvrije zone' opgenomen. Dit betekent dat binnen deze zone, het roeren van gronden, zoals het malen van boorputten, grond- en funderingswerken, die dieper dan 40 meter onder het maaiveld, niet is toegestaan, tenzij hiervoor toestemming van de Provincie Utrecht is verkregen.
5.11 Archeologie Wettelijk kader In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel 5 8 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
Utrecht
van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. Deze wet heeft betrekking op archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.
Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 38a schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond te aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Verordening en bestemmingsplan De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een verordening op te stellen voor het hele grondgebied van de gemeente. In de verordening op de archeologische monumentenzorg is een vergunningenstelsel opgenomen ter bescherming van het archeologische erfgoed, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. In bestemmingsplannen wordt verwezen naar de verordening en een regel opgenomen (dubbelbestemming Waarde - Archeologie). In deze dubbelbestemming is opgenomen dat de voor Waarde- archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Met deze specifieke gebruiksregel wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg.
Door de verordening en de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig. Gemeentelijke archeologische waardenkaart De Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht ligt ten grondslag aan de verordening op de archeologische Monumentenzorg. Deze waardenkaart is geënt op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarde (IKAW) van de provincie en op de kennis en ervaring opgedaan in tientallen jaren archeologisch onderzoek in de stad. Hij geeft inzicht in de ligging van beschermde archeologische rijksmonumenten, gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische verwachting en gebieden van archeologische verwachting en bij welk te verstoren oppervlakte en diepte een vergunningsplicht geldt. In de op de waardenkaart aangeduide gebieden waar een vergunningplicht geldt zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning vereist worden om resten uit het verleden op te laten sporen en zo nodig veilig te stellen. Beschermde archeologische rijksmonumenten worden op grond van de Erfgoedwet beschermd.
Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijven paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk II van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin staat dat aantasting van de beschermde archeologische monumenten niet is toegestaan. Voor wijziging, sloop of verwijdering van een archeologisch Rijksmonument moet een vergunning worden aangevraagd waarop de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beslist. Gebieden van hoge archeologische waarde (rood) zijn gebieden waarvan bekend is dat er archeologische waarden zijn, maar die niet beschermd zijn als archeologisch rijks- of gemeentelijk monument. Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm. Gebieden van hoge archeologische verwachting (geel) zijn zones waar op grond van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek dan wel op basis van historisch geografisch onderzoek archeologische waarden te verwachten zijn (er wordt een middelhoge tot hoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht). Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm. Bij gebieden met een archeologische verwachting (groen) zijn de verwachtingen lager (er wordt een middelhoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht).
Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 1000 m2 en dieper dan 50 cm. Daarnaast zijn op de kaart witte gebieden aangewezen. Voor deze zones geldt geen verwachting en geen vergunningstelsel. Plansituatie bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
59
Het plangebied Zandweg 186A , De Meern-noord ligt op de archeologische waardenkaart volledig in een wit gebied. Dit betekent dat er voor het plangebied geen archeologische verwachting geldt.
Figuur 5.10: Uitsnede uit de archeologische waardenkaart met in het midden het Plangebied Zandweg 186a.
6 0 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
Utrecht
Conclusie Uit de Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht blijkt dat er geen verwachting bestaat op archeologische resten in dit plangebied. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen dient hiervan, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding te worden gedaan bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. archeologen van de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht, 030-2860023, 030-2860016, 030-2860011 of 030-2862765 en via archeologie@utrecht.nl.
5.12 Kabels en leidingen Binnen het plangebied ligt een bestaand hoofdtracé voor de middenspanningskabel. Dit tracé moet gehandhaafd blijven. De kabel ligt enkele meters ten oosten van de bestaande bedrijfshal. Aan nieuwe woningbouw is de voorwaarde gesteld dat deze op een dusdanige afstand van de kabels wordt gerealiseerd, dat onderhoud en vervanging van kabels mogelijk blijft. Bij het situeren van het bouwvlak is hier dan ook rekening mee gehouden. Daarnaast is het vanuit het oogpunt van veiligheid van belang dat niet in de nabijheid van het tracé (vergunningsvrij) wordt gebouwd. De aanwezigheid van de middenspanningskabel in het plangebied moet via de privaatrechtelijke weg geborgd worden. Verder zijn er in het plangebied geen kabels en leidingen aanwezige die planologisch-juridische bescherming behoeven.
5.13 Kwaliteit van de leefomgeving In het kader van kwaliteit van de leefomgeving wordt door de gemeente in ruimtelijke plannen in belangrijke mate steeds meer aandacht gevraagd voor de aspecten zon en schaduw, sociale veiligheid, toegankelijkheid voor minder validen en windhinder omdat dit aspecten zijn die de kwaliteit van de openbare ruimte beïnvloeden. Sociale veiligheid Met het stedenbouwkundig plan worden geen doodlopende dwarswegen gerealiseerd die kunnen leiden donkere hoeken in de openbare ruimte. De woningen komen met de voorzijde aan de doorgaande wegen Zandweg en Zonzijde te liggen. Dit zorgt voor een gevoel van sociale veiligheid.
Bezonning Op basis van de Beheersverordening zijn de huidige bedrijfshallen aangemerkt als een bestaand bouwwerk. Deze bedrijfshallen hebben een bouwhoogte van 8 meter. Onderhavig bestemmingsplan maakt 12 woningen mogelijk met een maximale bouwhoogte van 10 meter. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een bezonningsstudie uitgevoerd. Zie hiervoor Bijlage 7. Uit de bezonningsstudie komt naar voren dat de 12 nieuwbouwwoningen nauwelijks tot geen effect hebben op de bezonning van de bestaande woningen. Bij de vier levensloopbestendige woningen is tevens rekening gehouden met de positionering van het bouwvolume op de kavel, de maximale bouwhoogte en de richting van de kap om schaduwwerking op de woningen aan de noordzijde te beperken. Windhinder Het aspect windhinder speelt bij gebouwen die hoger zijn dan 30 meter en is derhalve voor deze ontwikkeling niet aan de orde.
5.14 Gezondheid De ligging van het plangebied is vanuit een gezondheidsoogpunt goed te noemen. Het plangebied ligt aan de Zandweg. Dit is een doorgaande fietsroute waar de auto te gast is. Via deze route is het centrum van Utrecht en het buitengebied goed te bereiken met de fiets. Deze vorm van gezonde mobiliteit wordt daarmee aangemoedigd onder de toekomstige bewoners. Ook de verplaatsing van Koedam draagt daaraan bij. bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
61
In de directe omgeving zijn voorzieningen aanwezig, waaronder verschillende sportverenigingen, die kunnen bijdragen aan een gezonde leefstijl. Groen heeft een positief effect op de gezondheid van mensen. Groen zorgt voor ruimte om te spelen, te recreëren en om water op te vangen. In het plangebied zijn er mogelijkheden om de groenstructuur te versterken. Geluidsoverlast van een bedrijf kan hinderlijk zijn, de bedrijfsverplaatsing is daarom voor de huidige omwonenden gewenst. Tijdens het bouwproces van deze ontwikkeling kunnen omwonenden ook hinder ervaren en aangezien de verkaveling gefaseerd wordt uitgevoerd, blijft er hinder vanuit Koedam als de eerste kavels worden ontwikkeld. Vanuit een gezondheidsperspectief is het wenselijk om geluidsoverlast zoveel mogelijk te beperken.
5.15 Toegankelijkheid Utrecht wil een stad zijn waar iedereen mee kan doen, waar we niemand buitensluiten. Een inclusieve toegankelijke stad. We willen dat alle inwoners en bezoekers, met en zonder beperking, alle openbare gebouwen, woningen, de openbare ruimte en dienstverlening kunnen gebruiken. Utrecht werkt al sinds 2007 actief aan toegankelijkheid, eerst met Agenda 22 en nu volgens het VN-verdrag handicap. De ambities van de gemeente voor het VN-verdrag handicap staan in de agenda 'Utrecht voor iedereen toegankelijk'. In de agenda 'Utrecht voor iedereen toegankelijk' zijn drie kansen omschreven die we als gemeente willen pakken. Dit zijn: sneller en concreet resultaat, niet alleen fysiek maar ook sociaal toegankelijk en samenwerken met de stad. Met het uitvoeringsprogramma 'Utrecht voor iedereen toegankelijk' laten we zien wat we al doen en wat we nieuw op pakken. Dit zijn acties die nodig zijn voor het benutten van de drie kansen. Plangebied Woningen Voor woningen is het Bouwbesluit van kracht. Utrecht wil graag rolstoelbezoekbare en rolstoelbewoonbare woningen. Wij willen dat iedereen, ook als hij of zij gebruik maakt van een rolstoel, alle nieuwe of verbouwde woningen kan bezoeken.
Iedereen kan vanaf de openbare weg bij de voordeur komen, een brief in de bus doen, aanbellen, binnengaan, in de woonkamer komen en bij het toilet, gebruik maken van de buitenruimte zoals een balkon of tuin. Dit houdt bijvoorbeeld in dat er geen trappetjes of opstapjes zijn, binnen of buiten de woning. Dit is een woning die bezoekbaar is. We willen dat mensen in een rolstoel in alle nieuwe of verbouwde nultredenwoningen (woningen waarbij de entree, woonkamer/eetkamer, keuken, badkamer, toilet en ten minste één slaapkamer zonder trap bereikbaar zijn) kunnen wonen. Of het is gemakkelijk om daarvoor te zorgen. De ambitie van Utrecht gaat hiermee verder dan het Bouwbesluit. Openbare ruimte De openbare ruimte moet zo zijn ingericht dat iedereen, met of zonder beperking zich goed kan verplaatsen. In de Kadernota Kwaliteit Openbare Ruimte staan de uitgangspunten. Het Handboek Openbare Ruimte en de richtlijn Voetpaden voor iedereen kunnen helpen bij de uitwerking. Aandacht is nodig bij hoogte verschillen en het overbruggen daarvan. Conclusie In het plangebied worden vier 'levensloopbestendige' woningen gerealiseerd. Deze woningen zijn toegankelijk voor bewoners in alle levensfasen en voor mensen met een functiebeperking. Zo zijn de primaire woonfuncties van deze woningen voornamelijk op de begane grond gelegen.
Deze vier woningen beschikken aan de achterzijde over een slaapkamer en een badkamer op de begane grond. Het inrichtingsplan van de openbare ruimte in het plangebied moet voldoen aan de eisen die gelden in de Kadernota Kwaliteit Openbare Ruimt en het Handboek Openbare Ruimte en de richtlijn Voetpaden voor iedereen. Gelet op bovenstaande vormt het aspect toegankelijkheid geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
5.16 Duurzaamheid Uitgangspunt van de gemeente Utrecht is te streven naar duurzame ruimtelijke ontwikkeling. Onder duurzame ontwikkeling wordt een ontwikkeling verstaan die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee voor de toekomstige generaties de mogelijkheid in gevaar te brengen om ook in hun behoefte te voorzien. Dit houdt in dat het streven is naar een evenwicht tussen de 3 P's. 6 2 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
Utrecht
People (sociale component), Planet (ecologie en milieu) en Profit (economie). Voor gebruikers levert duurzaamheid een hoog kwalitatieve leefomgeving op door verhoging comfort, veiligheid en gezondheid. Klimaatneutraal Utrecht wil zo snel mogelijk klimaatneutraal zijn. Klimaatneutraliteit houdt in dat er op jaarbasis net zo veel energie in het gebied wordt opgewekt als gebruikt. Dit geldt voor: de gebouwgebonden energievraag; de gebruiksgebonden energievraag en het energiegebruik in de openbare ruimte. Het is daarbij de ambitie de energievraag zo laag mogelijk te houden en de benodigde energie op te wekken met duurzame energiebronnen. Vanzelfsprekend wordt alle nieuwbouw aardgasloos gebouwd. In de warmtevisie zijn hiervoor de eerste beleidsregels vastgelegd (Visie warmtevoorziening Utrecht). Concreet betekent dit voor Utrecht dat er wordt ontworpen met de BENG methodiek om de energiebehoefte (BENG 1) te beperken en uit wordt gegaan van lage temperatuur warmteafgiftesystemen in gebouwen. Daarnaast dienen voorzieningen te worden getroffen, rekening houdend met zowel het gebouwgebonden verbruik (verwarming, etc.) en gebruiksgebonden verbruik (tv, etc.). Doel is zo min mogelijk CO2 uitstoot van het gebouw.
Op basis van het Utrechtse energieprotocol worden de volgende richtlijnen gesteld: Warmte koudevraag Op gebouwniveau zo laag mogelijke energievraag realiseren, voor woningen met energiebehoefte BENG1 = 25 kWh/m2.a. Uitgangspunt is dat het gebied zelfvoorzienend is in de warmte- en koudebehoefte van de bebouwing. Optimalisatie van energievraag, waarbij mogelijk meer energie opgewekt, dan zelf benodigd. Eventuele energie-overschotten worden (tegen vergoeding) beschikbaar gemaakt voor de omgeving. Afwijken van deze ambitie kan alleen als onderbouwd kan worden dat het plan dan onhaalbaar wordt en andere gemeentelijke ambities onmogelijk worden. Als op basis van een onderbouwing blijkt dat het gebied niet zelfvoorzienend kan zijn dan is regeneratie met warmte- of koudebronnen van buiten het gebied mogelijk, zoals stadsverwarming of TEO. Elektriciteitsvraag Op gebouwniveau zo laag mogelijke elektriciteitsvraag realiseren. Energieneutraal op gebiedsniveau. Optimalisatie van energievraag, waarbij mogelijk meer energie opgewekt, dan zelf benodigd. Eventuele elektriciteits- overschotten worden beschikbaar gesteld aan de omgeving. Als energieneutraliteit op perceels- of gebiedsniveau niet mogelijk is dan is duurzame opwek buiten het plangebied mogelijk, onder strikte voorwaarden.
Voor de concrete vereisten aan onderbouwingen en voorwaarden wordt verwezen naar het Utrechtse Energieprotocol. Energie ondergrond Het wordt steeds drukker in de Utrechtse bodem. Door de toenemende vraag naar duurzame energie in Utrecht stijgt ook de vraag naar bodemenergie. Hierdoor is er meer sturing nodig op de verdeling in de ondergrond. Als warmte en koude niet goed verdeeld zijn, dan kunnen minder huizen en woningen gebruik maken van bodemenergie. Daarom heeft de gemeente een verordening interferentiegebieden bodemenergiesystemen vastgesteld, die per 1 november 2018 van kracht is. Door de verordening regelt de gemeente de verdeling van bodemenergie. Vraag en aanbod in de bodem worden op elkaar afgestemd. Voor een goede diepere grondwaterkwaliteit is er een verbod op het doorboren van de waterscheidende laag tussen 1e en 2e watervoerende pakket (ca. 50 m dieptebeperking). In de bodemverordening staan nadere regels. Circulair bouwen In Utrecht is circulair bouwen de norm, zoals gesteld in motie 252 te 2016. De Utrechtse ambitie is dat we in 2050 een circulaire, oftewel een oneindig hernieuwbare stad willen zijn. Dit betekent dat we optimaal gebruik van grondstoffen en materialen, duurzame energiebronnen en menselijk kapitaal in onze stad, op een manier die goed is voor inwoners en hun omgeving.
We bouwen daarom met minder nieuwe, en zoveel mogelijk hergebruikte en hernieuwbare grondstoffen. De materialen die we gebruiken zijn goed voor de leefomgeving en geschikt voor hergebruik. Gebouwen ontwerpen en construeren we zó dat ze hun waarde behouden, doordat ze zolang mogelijk opnieuw te (her)gebruiken zijn; in hun oorspronkelijke vorm of in delen, voor dezelfde of andere functies. Klimaatadaptatie De klimaatwetenschappen tonen aan dat de aarde opwarmt, dat klimaatpatronen verschuiven en extremen in weer toenemen. Voor Nederland betekent dit dat in de toekomst langere periodes met bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
63
hoge temperaturen worden verwacht, onderbroken door intensievere regenbuien in vergelijking met hedendaags. Binnen stedelijk gebied leidt dit met name tot uitdagingen op het gebied van voldoende waterberging en beperken hittestress in gebouwen en openbare ruimte. Gemeentelijke plannen moeten bijdragen aan voldoende waterberging op eigen terrein en het beperken van hittestress. We vragen voor elk bouwblok om zoveel regenwater vast te houden dat groene daken en binnentuinen ook in droge periodes voldoende water hebben. Uitgangspunt is een buffercapaciteit van 45 mm ten opzichte van het verharde oppervlak, tenzij met een maatberekening wordt aangetoond dat met een afwijkende buffercapaciteit kan worden volstaan. Het gebied moet zodanig worden ingericht dat zelfs bij een zeer extreme regenbuigeen schade optreedt in gebouwen en vitale infrastructuur, zoals nutsvoorzieningen, door instromend regenwater. Ook mogen er dan geen gezond- en veiligheidsrisico's optreden, zoals bijvoorbeeld door opdrijvende putdeksels. Deze opgave geldt zowel voor de openbare ruimte als voor de binnentuinen. De bebouwing dient op dit punt te voldoen aan de geldende bouwregelgeving. Diervriendelijk bouwen De gemeente heeft ook ambitie om diervriendelijk te bouwen.
Onder “diervriendelijk” bouwen wordt verstaan: bouwen met relatief kleine ingrepen, die verblijfsplekken creëren voor verschillende dieren in het stedelijk landschap. Met “diervriendelijk” bouwen wordt de biodiversiteit van de stad vergroot. De ontwikkelingen op het vlak van duurzaamheid gaan razendsnel. Met de huidige inzichten zijn normeringen opgesteld. Het is zaak voortdurend in het oog te houden of deze normen in de loop van het ontwikkelproces moeten worden bijgesteld. Op diverse momenten in het planproces, met name bij momenten waarbij gemeenteraad of college betrokken is, zal beoordeeld worden of de gehanteerde uitgangspunten en ambities moeten worden bijgesteld. Duurzaam ondergrondgebruik Vanwege het intensieve gebruik is in toenemende mate regie op het gebruik en de kwaliteit van de ondergrond van belang. Uitgangspunten voor een duurzaam ondergrondgebruik zijn de principes: Onomkeerbaarheid: voorkom onomkeerbare veranderingen van de eigenschappen van de bodem) terugneembaarheid. Minimaal ruimtegebruik: ook al is er ondergrondse ruimte genoeg, streef naar een minimaal ruimtegebruik om toekomstige ontwikkeling op voorhand niet te beperken. Robuust: functies op ingrepen in de ondergrond dienen bestendig te zijn tegen veranderingen van de fysieke omgeving en lange termijnbehoeften van de stad.
Afwenteling: wentel geen overlast of beperkingen af op derden of naar de toekomst Nature based solutions: maak gebruik van de natuurlijk veerkracht en eigenschappen van de ondergrond in plaats van de technische oplossingen. Inclusief: houd rekening met kwetsbare groepen zonder handelingsperspectief. Plansituatie Voor onderhavige ontwikkeling is bij het opstellen van het bouwplan en de inrichting van het gebied, rekening gehouden met de ambities van de gemeente Utrecht. Dit vindt zijn uitdrukking in het feit dat de nieuwe woningen gasloos en klimaatneutraal worden gebouwd. De ambitie voor duurzaamheid bij deze herontwikkeling is hoog. Voor de nieuwbouwwoningen is de GPR score tenminste 8. Met GPR sofware is een systeem waarmee duurzaamheid voor nieuwbouw zichtbaar wordt gemaakt in vijf thema's: energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Met deze herontwikkeling wordt ingezet op energiezuinige, gasloze, kwalitatief goede woningen die gebouwd zijn met duurzame materialen. De ambitie is om de woningen zodanig te ontwikkelen en te realiseren dat deze leiden tot lage maandlasten. Voor wat betreft duurzaamheid wordt er niet enkel en alleen naar energetisch duurzaam gestreefd, maar ook woonbestendig duurzaam. De nieuwe ontwikkeling maakt het voor diverse doelgroepen in verschillende levensfasen mogelijk om te wonen in het gebied.
Van een eengezinswoning in de vorm van een twee-onder-een-kap woning tot een levensloopbestendige woning. Duurzaam bouwen heeft daarnaast ook te maken met de woonkwaliteit van de toekomstige bewoners. Er is gekozen om kavels niet te klein te maken, waardoor enerzijds een kwalitatief hoogwaardig woonproduct ontstaat met dorpse afmetingen in een stadse omgeving. Wat betreft circulair bouwen wordt sterk ingezet op het minimaliseren van de milieu-impact vanuit de materialisatie van de woningen. Deze kan worden teruggebracht door met materialen te bouwen die bijvoorbeeld, hergebruikt zijn, bio-based zijn, of anderzijds een lage milieubelasting vanuit productie veroorzaken. Zoals in paragraaf 5.8 al is toegelicht wordt er aandacht besteed aan 'diervriendelijk bouwen'.
6 4 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
Utrecht
5.17 Conclusie Uit de onderzoeken die in dit hoofdstuk aan de orde zijn geweest blijkt dat er geen belemmeringen zijn die de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
65
6 6 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid De te ontwikkelen grond is voor het grootste gedeelte in eigendom (77%) van initiatiefnemer en voor een deel van de gemeente Utrecht (23%). Met initiatiefnemer is op 14 juni 2017 een plankostenintentieovereenkomst gesloten waarin een voorschot op de plankosten is overeengekomen. Initiatiefnemer is voornemens om het volledige plangebied te ontwikkelen en wil het grondgebied van de gemeente aankopen. Met initiatiefnemer is destijds afgesproken dat voor de ontwikkeling van eigen deel een anterieure overeenkomst wordt gesloten. Voor de grond van de gemeente wordt een uitgifteovereenkomst gesloten. In de anterieure overeenkomst is afgesproken dat initiatiefnemer zorg draagt voor het bouw- en woonrijp maken van het onderhavige plangebied. Daarnaast worden de gemeentelijke plankosten gedekt (77%). In de uitgifteovereenkomst wordt de grond van de gemeente verkocht aan initiatiefnemer. Hierop zijn zowel de kosten voor het bouw- en woonrijp maken als de gemeente plankosten in mindering gebracht (23%). Want deze kosten worden verhaald middels gronduitgifte.