CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Zandweg 186A, De Meern-Noord.pdf

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 10 februari 2022, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Zandweg 186a De Meern35.095 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Tevens wordt de markt uitgedaagd om bij nieuwe gebiedsontwikkelingen aan drukke binnenstedelijke wegen (> 10.000 voertuigen per etmaal), waarover nog geen bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, met (innovatieve) maatregelen te komen die de gezondheidseffecten door luchtverontreiniging en geluidbelasting minimaliseren met behoud van een goed binnenmilieu en een 2 4 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

Utrecht

prettige woon-en verblijfskwaliteit. Voor groepen mensen die extra gevoelig zijn voor luchtverontreiniging (ouderen, mensen met een zwakke gezondheid en kinderen van 0-18 jaar) wordt bij het bestemmen van nieuwbouw van voorzieningen (scholen, kinderopvang en woon(zorg)voorzieningen) bij drukke binnenstedelijke wegen (>10.000 mvt/etm) een minimale afstand van 50 meter en bij autosnelwegen een minimale afstand van 300 meter aangehouden. Voor bestaande voorzieningen die renovatie, aanbouw of vervangende nieuwbouw nodig hebben, al dan niet met een bestemmingsplanwijziging, wordt in goed overleg met de vertegenwoordigers van de voorziening onderzocht of een alternatieve locatie ruimtelijk en binnen de financiële kaders mogelijk is. Ook wordt onderzocht of er reguliere maatregelen te treffen zijn om het binnenmilieu te verbeteren. Bij tijdelijke schoolgebouwen en noodlokalen wordt er ook naar gestreefd om aan het afstandscriterium te voldoen. Als dit niet mogelijk is, wordt naar een zo kort mogelijke overbruggingsperiode gestreefd. In een verdichtende stad zijn stille plekken schaars, wij beschermen daarom deze plekken. Ook staan we geen horecavoorzieningen toe in stille hofjes en rustige woonstraten om zo geluidsoverlast te beperken.

Bij bouwplannen moeten alle soorten woningen (sociale huur, midden huur, koopwoningen etc.) in het plan een vergelijkbare lucht- en geluidskwaliteit hebben. Daarnaast worden er passende maatregelen genomen om de gevolgen van klimaatverandering zoals hittestress te beperken door bijvoorbeeld groene daken en gevels te realiseren en door bij de ruimtelijke inrichting voor meer plekken voor verkoeling te zorgen. Wij hanteren hierbij voor de openbare ruimte het principe 'groen tenzij'. Daarnaast is er ook ruimte voor biodiversiteit, dit versterkt de natuurbeleving en daarmee indirect de gezondheid. Plangebied Het bestemmingsplan biedt een kader om deze volksgezondheidsaspecten zo optimaal mogelijk vorm te geven. Volksgezondheid heeft een sterke relatie met belevingskwaliteit van de (semi-) openbare ruimte. Het bedrijf Koedam Tegels ligt midden in een woonwijk. Een dergelijk bedrijf kan geluidsoverlast met zich meebrengen voor de omgeving. Daarnaast zorgt het bedrijf voor een verkeersaantrekkende werking van klanten en leveranciers (zowel licht als zwaar vrachtverkeer). De verplaatsing van het bedrijf uit de woonwijk levert dan ook een positieve bijdrage aan de leefbaarheid. De nieuwe woningen sluiten aan bij de omliggende woningen in 't Weer en zorgen daarmee voor cohesie in de wijk. De herontwikkeling zorgt daarmee voor een passende binnenstedelijke kwaliteitsverbetering.

Geconcludeerd kan worden dat het plan past binnen de Nota gezondheid voor iedereen. In paragraaf 5.13 en 5.14 wordt hier verder op ingegaan. Nota externe veiligheid (2007) De Nota externe veiligheid, welke in 2007 is vastgesteld, gaat in op het beleid van de gemeente Utrecht voor de beheersing van risico's als gevolg van het werken met gevaarlijke stoffen in inrichtingen (bedrijf, productielocatie of kantoor) en het vervoer van gevaarlijke stoffen. De genoemde risico's zijn veiligheidsrisico's voor mensen die zich in de buurt van de inrichting of het transport bevinden. De beleidskeuzes hebben betrekking op nieuwe situaties, waarin een risicobron zich vestigt of uitbreidt of een risico-ontvanger, zoals een woning, planologisch mogelijk wordt gemaakt. De randvoorwaarden en regels zijn vertaald in afstandseisen tussen risicobronnen (bedrijven, transportroutes (weg, spoorweg, vaarweg) of buisleidingen) en omgevingsobjecten. De gemeente Utrecht kiest ervoor om geen zwaardere veiligheidseisen op te leggen dan die vermeld staan in de risiconormering van de rijksoverheid. In sommige gevallen biedt de rijksregelgeving ruimte tot afwijken van de normering. In de Nota spreekt de gemeente zich uit om terughoudend om te gaan met de mogelijkheid tot afwijken.

Plangebied Bij de herontwikkeling in het plangebied is rekening gehouden met het aspect externe veiligheid (zie hiervoor paragraaf 5.5) 2.3.2.2.7 Bodem, ondergrond en water Nota Bodembeheerplan 2017-2027 'Grondig Werken 4' (2017) en Aanvulling Nota Bodembeheerplan 2017-2027 beleid PFAS (2020) In 2017 is de Nota Bodembeheer 2017-2027 'Grondig Werken 4' vastgesteld. De Nota bodembeheer 2012–2022 is met de voorliggende Nota bodembeheer 2017-2027 geactualiseerd. Utrecht groeit en er wordt zowel in de stad als aan de randen veel gebouwd. Door deze bouwinitiatieven is de vraag naar bouwgrond periodiek groot. We willen voorkomen dat deze bouwgrond van elders (vaak over lange afstand) wordt aangevoerd. De aanpak in de Nota Bodembeheer 2017 – 2027 zorgt ervoor dat de benodigde grond duurzaam uit de eigen en uit omliggende gemeenten in de regio kan komen, wat bijdraagt aan een gezonde verstedelijking en een circulaire economie.In 2020 is de Nota uitgebreid met een aanvullende nota over PFAS-stoffen.

bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

25

Daarbij is de ambitie om maximaal voordeel te behalen voor mens en milieu, efficiënter te werken (goedkoper, kortere doorlooptijden) en werk met werk te maken. In de Nota bodembeheer staat hoe beschikbare vrijgekomen grond en baggerspecie op en in de landbodem van de gemeente Utrecht mag worden opgeslagen, hergebruikt of toegepast en welke regels en procedures hierbij gelden. De nota is bedoeld voor professionele partijen. De gemeente Utrecht volgt zoveel mogelijk het algemene landelijke beleid zoals dat is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Dit landelijke beleid past echter niet in elke lokale situatie. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om lokaal beleid toe te staan. In Utrecht speelt, naast de grote vraag naar bouwgrond, mee dat gebiedseigen grond niet altijd kan worden hergebruikt en dat er te weinig hergebruiksmogelijkheden zijn. De lokale gebiedsgerichte invulling sluit aan bij de functie, kwaliteit en ontwikkelingen van een gebied. De nota is hierdoor ingedeeld in: gebiedsspecifiek beleid, ander gemeentelijk beleid en landelijk beleid. Het gebiedsspecifieke beleid bestaat uit: een uitbreiding van het beheergebied en acceptatie van bodemkwaliteitskaarten uit omringende gemeenten; lokale maximale waarden op gebiedsniveau om zo gebruik te maken van de toegestane kwaliteit die past bij de bodemfunctie.

Het betreft enkele wijken van Leidsche Rijn en de gemeentelijke hoofdwegen aan de oostzijde van de stad. Met deze lokale maximale waarden sluiten we aan bij de (toekomstige) woonfunctie van de wijken of industriefunctie van de hoofdwegen; lokale maximale waarden voor de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB's) en organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB's) binnen bepaalde gebieden. Bij beide stofgroepen is met de lokale maximale waarden aangesloten bij de gebiedseigen kwaliteit; lokale maximale waarden voor het Noorderpark. Aangesloten is bij de gebiedseigen kwaliteit; een strengere eis met betrekking tot het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal bij het toepassen van grond; lokale maximale waarden voor de stofgroep PFAS, waarbij de gehele gemeente als één zone wordt beschouwd. Deze waarden gelden voor de bovenste meter. Ander gemeentelijk beleid bestaat uit: strengere onderzoekseisen bij bodemonderzoek en hergebruik van arseenhoudende veenlagen afkomstig van bodemlagen dieper dan 2 meter; een strengere eis met betrekking tot het volumepercentage bodemvreemd materiaal bij het toepassen van grond; regels voor het toepassen van grond met zichtbare asbestdeeltjes (dit is geen verplichting, maar een advies.

De gemeente heeft hierin een voorbeeldfunctie en verplicht zichzelf wel) ; regels voor het toepassen van grond vanuit diepere bodemlagen; tijdelijke uitname van grond bij kabels- en leidingen cunetten (uitgravingen). Verminderde onderzoeksinspanning voor gebieden met een verhoogde kans op bestrijdingsmiddelen. Landelijk beleid geldt voor alle andere gebieden en stoffen die niet onder het gebiedsspecifiek beleid of ander gemeentelijk beleid vallen. Plangebied In paragraaf 5.7 wordt nader op het aspect bodem ingegaan binnen het plangebied. Plan Gemeentelijke Watertaken 2016-2019 Het Plan Gemeentelijke Watertaken beschrijft de invulling van de wettelijke gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Ook de wijze van beheer van oppervlaktewater wordt beschreven. Op basis van de zorgplichten heeft de gemeente op het gebied van water de volgende taken: 1. 2. 3. 4.

een veilige inzameling en transport van afvalwater, zonder risico's voor de volksgezondheid en het milieu; het inzamelen en verwerken van hemelwater zonder dat er wateroverlast optreedt; het voorkomen en verminderen van structurele grondwateroverlast; het samen met de waterschappen realiseren van veilig, gezond en aantrekkelijk oppervlaktewater waarlangs het goed wonen, werken en recreëren is.

Plangebied Voor dit plan is de watertoets uitgevoerd. Zie hiervoor paragraaf 5.10.

2 6 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

Utrecht

2.3.2.2.8 Energie Utrecht: energiek middelpunt van het land, Energieplan Utrecht en duiding van het college bij het Energieplan (2016) en de Utrechtse Energieagenda's 2016 - 2019 De gemeenteraad heeft op 14 januari 2016 het Energieplan besproken en het document Duiding van het College bij het Energieplan vastgesteld. Deze documenten geven samen richting aan het energiebeleid in Utrecht voor de komende jaren. Het Energieplan is door 165 Utrechters opgesteld en hierbij stond de volgende vraag centraal: realiseer een klimaatneutraal Utrecht. Aan de hand van de onderwerpen wonen, werken, vervoer en centrale energievoorziening in Utrecht zijn, om dit te bereiken, te nemen maatregelen geformuleerd. Bewustwording via het verbeteren van informatievoorziening is hierbij belangrijk en de gemeente heeft een grote en pro-actieve rol bij de overgang naar duurzame energie. In het najaar van 2015 zijn de Utrechtse Energieagenda's verschenen, welke een vervolg zijn op het Energieplan en de duiding daarop van het college. Hierin worden de concrete gemeentelijke werkzaamheden gepresenteerd en de inzet van middelen welke leiden tot een klimaatneutraal Utrecht richting 2030.

Om deze ambitie te bereiken zijn de volgende ambitieuze doelstellingen voor 2020 geformuleerd: 20% C O2-reductie ten opzichte van 2010; 20% van het totale energieverbruik wordt duurzaam opgewekt; 10% van de daken zijn voorzien van zonnepanelen. Met het coalitieakkoord 'Utrecht: Ruimte voor iedereen' (2018) zijn voorgaande doelstellingen vervangen. Utrecht wil zo snel mogelijk klimaatneutraal zijn en om hiertoe te komen worden de volgende stappen genomen: de gemeentelijke energie-inkoop is in 2020 volledig verduurzaamd; in 2025 ligt op 20% van de Utrechtse daken zonnepanelen; in 2030 is het Utrechtse systeem van stadsverwarming verduurzaamd; in 2030 zijn minimaal 40.000 bestaande woningen van het gas af; het gemeentelijke vastgoed is in 2040 volledig verduurzaamd. Plangebied Met het opstellen van het bouwplan en de inrichting van het gebied is rekening gehouden met de duurzaamheidsambities van de gemeente Utrecht. De nieuwe woningen worden gasloos en klimaatneutraal gebouwd. In paragraaf 5.16 wordt hier verder op ingegaan. Visie op de warmtevoorziening (2017) Op 2 november 2017 heeft de gemeenteraad de Visie op de warmtevoorziening vastgesteld. De CO2-uitstoot in onze stad wordt voor een derde veroorzaakt door het verwarmen van huizen en gebouwen met aardgas (inclusief de stadsverwarming).

Ook gebruiken gebouwen op dit moment relatief veel warmte door een lage isolatiegraad en installaties met een laag rendement. Om de doelstelling te behalen om als Utrecht in 2030 klimaatneutraal te zijn, is een omschakeling naar een duurzame warmte- en koudevoorziening nodig. Met het nieuwe coalitieakkoord is de doelstelling opgenomen om zo snel mogelijk klimaatneutraal te zijn en 40.000 bestaande woningen van het gas af te halen. Een duurzame warmtevoorziening kan gerealiseerd worden door de vraag naar warmte te beperken, te stoppen met het gebruik van aardgas en over te stappen op duurzame warmtebronnen. Dit vraagt om ingrijpende aanpassingen in gebouwen, de energieinfrastructuur en door nog meer gebruik te maken van duurzame warmtebronnen. Natuurlijke momenten, op zowel gebouw- als gebiedsniveau, moeten worden benut om de warmtetransitie te versnellen. Een klimaatneutrale warmtevoorziening moet aan de voorwaarden duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar voldoen. In het door het VNG ondertekende Klimaatakkoord is een nieuwe regierol voor de gemeente vastgelegd. Gemeenten moeten voor eind 2021 een Transitievisie Warmte (TVW) en een Regionale Energiestrategie (RES) opstellen. In de Transitievisie Warmte staat hoe de gemeente een aardgasvrije stad gaat maken en welke planning daarvoor wordt gehanteerd.

In de TVW staat wanneer we in welke buurt starten met het aardgasvrij maken van gebouwen en het aanpassen van de energie-infrastructuur. In de RES staat hoe Utrecht en haar regiogemeenten invulling gaan geven aan de landelijke energiedoelstellingen in het Klimaatakkoord voor het verduurzamen van de energiebronnen. In de RES staat hoeveel en waar duurzame elektriciteit (wind en zon) in 2030 wordt opgewekt. Ook staat er in de RES welke duurzame warmtebronnen te gebruiken zijn zodat buurten van het aardgas af kunnen. Beide documenten worden in de Omgevingsvisie verankerd. De landelijke wet- en regelgeving wordt hiervoor de komende tijd aangepast. Plangebied Met het opstellen van het bouwplan en de inrichting van het gebied is rekening gehouden met de duurzaamheidsambities van de gemeente Utrecht. Dit vindt zijn uitdrukking in het feit dat de nieuwe woningen gasloos en klimaatneutraal worden gebouwd. Daar komt bij dat op de locatie momenteel bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

27

een bedrijf aanwezig is dat met gas wordt verwarmd. Deze zal in zijn geheel verdwijnen waarmee er sprake is van een CO2-winst. 2.3.2.3 Gebiedsbeleid In gebiedsbeleid maakt de gemeente de koers en het thematische beleid passend binnen een specifiek gebied. Omgevingsvisie deelgebied Vleuten-De Meern Utrecht groeit hard en gaat richting 400.000 inwoners. Dit heeft ook gevolgen voor Vleuten – De Meern. De groei van de stad brengt kansen met zich mee, maar de ontwikkeling moet wel passen bij de wijk en bij de wensen en waarden van inwoners. Vleuten – De Meern voelt als een dorp in een stad. Dit is een belangrijke en unieke waarde voor de wijk. De koers in Vleuten – De Meern is dan ook ontwikkelen met dorps karakter. De huidige leefomgeving is al erg goed. Bewoners hebben input gegeven aan de gemeente over wat zij belangrijk vinden. Daaruit kwamen de volgende thema's: voldoende groen; elkaar makkelijk ontmoeten; fijne woon- en werkomgeving; prettig kunnen verplaatsen. Nieuwe ontwikkelingen en trends, bijvoorbeeld de groei van de stad, kunnen bijdragen aan het goed houden, verbeteren van deze thema's. In de omgevingsvisie is met een lijst 'kaders en ambities' beschreven welke initiatieven een bijdrage kunnen leveren aan de wijk. Plangebied Utrecht groeit en wil de groei faciliteren door de ruimte in de stad beter te benutten.

Door deze ontwikkeling komt de bedrijfsfunctie aan de Zandweg te vervallen ten behoeve van 12 woningen waaronder 4 levensloopbestendige woningen. In het stedenbouwkundigplan is nadrukkelijk aandacht voor voldoende groen. Het plan levert een bijdrage aan de leefbaarheid van 't Weer, van de fietsstraat de Zandweg en aan de woonwensen van een specifieke doelgroep. 2.3.3

Overig gemeentelijk beleid

2.3.3

Overig gemeentelijk beleid

De Utrechtse Erfgoedagenda (2013) De Utrechtse Erfgoedagenda is in 2013 vastgesteld. Utrecht heeft veel erfgoed. Van bewoningssporen uit de bronstijd tot naoorlogse bouwkunst in wijken als Kanaleneiland en Overvecht. Utrecht is een van de oudste steden van Nederland en dat is overal terug te vinden. Utrecht is in de afgelopen decennia zo zorgvuldig mogelijk met het erfgoed omgegaan. En zal dit blijven doen. De Utrechtse Erfgoedagenda beschrijft het beleid, de projecten en de aandachtsgebieden met betrekking tot monumenten, archeologie en architectuur- en bouwhistorie en de mate waarin deze objecten toegankelijk zijn voor publiek. Plangebied De Zandweg is een historisch bebouwingslint langs het water van de Leidsche Rijn. Langs dit lint zijn nog diverse voormalige agrarische gebouwen te vinden zoals oude tuindersschuren en boerderijen. De doorgaande bomenrij aan weerzijde van de weg zijn karakteristiek. De bebouwing binnen het plangebied hebben geen cultuurhistorische waarde. De nieuwe bebouwing wordt binnen het historische lint ingepast. Dit wordt gedaan door variatie aan te brengen in de bebouwing die kenmerkend is voor het lint. Daarnaast blijft het groene karakter behouden. De voorgenomen ontwikkeling doet geen afbreuk aan het erfgoed. Geluidnota Utrecht 2014-2018 (2014) De Geluidnota Utrecht 2014-2018 is op 11 februari 2014 vastgesteld.

Dit beleid gaat over het beperken en minimaliseren van geluidhinder bij ruimtelijke ontwikkelingen in Utrecht. De Geluidnota heeft betrekking op weg-, rail- en industrielawaai. Hiervoor is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. Daarbinnen is echter ook ruimte voor gemeentelijke beleidsvrijheden. In de Geluidnota wordt aangegeven hoe hier mee wordt omgegaan. De belangrijkste regels uit de Geluidnota zijn: nieuw te bestemmen woningen beschikken over een geluidsluwe gevel, een rustige buitenruimte en een akoestisch goede woningindeling; behoud van goed akoestisch woon- en leefklimaat in rustige woonwijken bij bestemmen van 2 8 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

Utrecht

nieuwe woningen en bedrijven in elkaars nabijheid. Ook onderwerpen, die meer algemeen onder het begrip "een goede ruimtelijke ordening" vallen, worden in de Geluidnota beschreven. Plangebied De wegen in de omgeving kennen een 30 km/uur regime. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatief optredende geluidsbelasting van deze wegen onderzocht. Deze geluidsbelastingen overschrijden de voorkeursgrenswaarde ingevolge de Wet geluidhinder (53 dB zonder aftrek) niet waardoor er, zeker in stedelijk gebied, gesproken kan worden van een goede ruimtelijke ordening. Met het bouwontwerp van de woningen zal rekening moeten worden gehouden met een binnenwaarde van maximaal 33 dB. In paragraaf 5.4 wordt nader ingegaan op het aspect geluid.

2.4

Conclusie

De beoogde herontwikkeling van de locatie Koedam De Meern is in overeenstemming met de verschillende beleidskaders.

bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

29

3 0 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 3 3.1

Bestaande situatie

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft inzicht in de huidige situatie in het plangebied en analyseert de wijk/gebied in ruimtelijk en functioneel opzicht. Voor zover de verschillende onderdelen van dit hoofdstuk daartoe aanleiding geven, wordt aan het einde van de verschillende paragrafen een aantal conclusies en uitgangspunten voor het bestemmingsplan geformuleerd.

3.2

Beschrijving van het plangebied

3.2.1

Historische ontwikkeling

De Meern heeft zich ontwikkeld als handelsplaats aan de Leidsche Rijn, de trekvaart tussen Leiden en Utrecht. Langs de Zandweg en Rijksstraatweg, op het kruispunt met de Meerndijk werd handel gedreven, vestigde zich bedrijvigheid en ontmoetten de inwoners van De Meern elkaar in de kerk, het Verenigingsgebouw, de dorpswinkels en de cafés. De Meernbrug was het centrale punt in het dorp. Deze plek was zowel het economische als het sociale dorpshart. De Zandweg, Rijksstraatweg en Meerndijk waren daarmee van groot belang voor het dorp.

Afbeelding 3.1: Historische kaart met het plangebied in rood (bron:Topotijdreis) Geleidelijk nam de handelsbetekenis van De Meern af. Na de Tweede Wereldoorlog breidde het dorp zich fors uit en werden er veel woningen gebouwd aan weerszijden van de Meerndijk. Winkelcentrum Mereveldplein was onderdeel van de uitbreiding. De openbare ruimte en bebouwing zijn ingrijpend veranderd en de Castellumlaan is in deze tijd aangelegd. Met de bouw van het winkelcentrum nam de economische betekenis van het dorpshart rondom de Meernbrug af. Grote en kleine ondernemingen zijn verdwenen. De samenhang, levendigheid en fysieke binding met de Leidsche Rijn zijn gaandeweg uit het dorpshart verdwenen en een aantal lege plekken in dit gebied wacht al geruime tijd op een nieuwe bestemming. Met de recente nieuwbouw van Leidsche Rijn is een andere situatie ontstaan. Vleuterweide en Leidsche Rijn liggen tussen de historische dorpskernen van Vleuten en De Meern.

bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

31

3.2.2

Monumenten, beeldbepalende elementen en cultuurhistorie

Het dorpje De Meern is ontstaan op de plaats waar de Oude Rijn en een in de middeleeuwen verdwenen klein riviertje, dat de Oude Rijn en de Hollandse IJssel met elkaar verbond, samenvloeiden. Dit riviertje heette de Mare of Marne, en daarvan stamt de plaatsnaam De Meern. Ook van de Oude Rijn is weinig overgebleven. Ooit liepen verschillende Rijn-armen door het gebied van De Meern en Vleuten. Dichtbij De Meern liep een tak in noord-zuid-richting en op de linkeroever daarvan bouwden de Romeinen een castellum. De Leidsche Rijn is een vrijwel recht kanaal dat in oost-west-richting dwars door De Meern loopt. De Meern is voortgekomen uit een uit de middeleeuwen daterende boerderijenstrook aan beide zijden van de Leidsche Rijn. Deze boerderijen stonden op de ontginningsbasis (de tegenwoordige Rijksstraatweg) van de polders Oudenrijn en Veldhuizen. Dit historische bebouwingslint is nog goed te herkennen op afbeelding 3.1. Rond de Meernbrug en de daar vóór 1480 gestichte kapel (op de plaats van de huidige protestantse Marekerk) ontstond een kleine concentratie van bebouwing, ongeveer ter plaatse van het huidige Hart van De Meern. De ontwikkeling van De Meern is vooral bepaald door de loop van de Leidsche Rijn, maar ook door het riviertje de Mare of Marne, dat bij de kapel uitmondde in de Oude Rijn. Bij de kapel begon ook de Meerndijk.

Deze in de 13e eeuw aangelegde dijk had de functie het lager gelegen land aan de westzijde van deze dijk te beschermen tegen overstromingen. Rond 1665 werd de Leidsche Rijn verbreed, ten dienste van de trekvaartverbinding tussen Utrecht en Leiden. Dit was een belangrijke stimulans voor de ontwikkeling van het dorpje De Meern: de trekschuiten, die dagelijks passeerden, bevorderden de handel. De Meerndijk was in die tijd al van belang voor het wegverkeer. Er was op deze dijk een weg aangelegd die Utrecht en Montfoort met elkaar verbond. De lintbebouwing bestaande uit boerderijen, woonhuizen en bijgebouwen is tot op heden goed herkenbaar. Daarnaast is de historische (polder)verkaveling en bebouwing karakteristiek voor dit gebied. De historische bebouwing aan beide oevers van de Leidsche Rijn heeft een hoge beeldbepalende en cultuurhistorische waarde. Dat geldt zowel voor de woonhuizen als de boerderijen die vaak geen agrarische functie meer hebben maar zijn verbouwd tot woonhuizen. Op de locatie van de huidige bedrijfshallen, stond tussen circa 1936-1960 een voormalig pakhuis. Zie onderstaande luchtfoto.

Afbeelding 3.2: Luchtfoto uit 1936 van het voormalig pakhuis (bron: Gemeente Utrecht) Dit pand was van de zakkenhandel van de firma W. Verboom uit De Meern. Het is niet precies bekend wanneer het (eerste) pakhuis daadwerkelijk gebouwd is, maar voor een tweede pakhuis is 3 2 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

Utrecht

in 1959-1960 een bouwvergunning verleend, naast de bestaande hal/pakhuis in dezelfde vorm. Het pand dat aan de straat ligt is in het verleden niet geïnventariseerd als cultuurhistorisch waardevol, het is ook geen beschermd monument. De cultuurhistorische waarde is laag, ook al is het voormalige pakhuis wel karakteristiek an sich. De bedrijfshallen op het achterterrein dateren uit de jaren 70, 80, 90 van de vorige eeuw en hebben geen cultuurhistorische waarde. 3.2.3

Structuurbepalende elementen

De wijk 't Weer is in het verleden om de bedrijfshal van Koedam Tegels heen gebouwd. Het bedrijf is gebouwd in het lint aan de Zandweg. Nu de bedrijfshal wordt afgebroken is het een kans om de nieuwe woonbebouwing aan te sluiten op de straten en bebouwing van 't Weer. Het uitgangspunt van het stedenbouwkundig plan is om de ruimtelijke opzet van de woonwijk 't Weer aan te helen. Alleen de woningen die direct aan de Zandweg liggen, hebben hun ontsluiting via deze zijde.

3.3

Beschrijving van de bestaande functies in het plangebied

De Zandweg 186A, Koedam Tegels, is in particulier eigendom. Het perceel is gelegen in De Meern (gemeente Utrecht). Het plangebied ligt in de woonbuurt 't Weer. De woningen aan de Luwte en Wolkendek zijn geschakelde woningen van twee bouwlagen met een kapverdieping. De woningen hebben een ruime achtertuin en een voortuintje. De woningen aan de Schemering zijn van een vergelijkbare bebouwingstypologie maar zijn gebouwd op veel kleinere kavels, waardoor er van een voortuin vrijwel geen sprake is. De bestaande woningen op Wolkendek 1 en Luwte 2 hebben in de tuinmuur aan de zijkant van de erfgrens een poort zitten die toegang biedt tot de tuin. In de nieuwe situatie moeten deze achtertuinen toegankelijk blijven. De bewoners maken gebruik van de ontsluitingswegen de Evenaar en de Burgermeester Middelweerdbaan.

Afbeelding 3.3: bestaande situatie plangebied (bron: Gemeente Utrecht) De straten die naar het plangebied leiden zijn o.a. de Zonzijde, Wolkendek, Luwte en Schemering. Hier rijdt voornamelijk bestemmingsverkeer. De huidige autoverkeersbewegingen bestaan voornamelijk uit woon-werk verkeer. Na de spits en in de middag rijden weinig auto's in het gebied. Alle woningen die direct aan het plangebied grenzen hebben ruimte om te parkeren op eigen terrein, en hebben allemaal een garage. bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

33

In de woonstraten wordt op straat geparkeerd. Parkeervakken zijn met een andere verharding in de rijlopen aangegeven. Doordat alle woningen een oprit hebben is de hoeveelheid parkeerplekken op straat beperkt. Aan de Schemering, in de noordoosthoek van het plangebied, is een parkeerkoffer gesitueerd met 7 parkeerplekken. Aan de Luwte wordt geparkeerd in parkeervakken die los liggen van de rijlopen. Het gaat hier om 6 parkeerplaatsen. De Zandweg is een verharde weg aan het kanaal de Leidse Rijn en is tevens een veel gebruikte fietsroute. De fietsroute wordt vaak gebruikt door scholieren en door bewoners die met de fiets naar de omliggende sportclubs gaan. Het is essentieel om de kwaliteit (veiligheid en gemak) van deze fietsroute te waarborgen. De verandering van de weg in een fietsstraat strookt niet met het vrachtverkeer van en naar het bedrijf Koedam Tegels. De Leidse Rijn is een belangrijke cultuurhistorische en landschappelijke structuur met grote betekenis voor de identiteit van De Meern. De Zandweg ligt tussen het kanaal aan de zuidzijde en het bebouwde gebied aan de noordzijde van de weg. Het plangebied is onderdeel van een bebouwingslint dat is georiënteerd op de Zandweg. Kenmerkend is de open bebouwingsopzet en het groene- en landelijke beeld. Het kanaal wordt geflankeerd door een kenmerkende bomenrij.

De bebouwing laat een sterke variatie zien in bebouwingstype, hoogte, omvang en architectuur. Het lint bestaat uit zowel vrijstaande als geschakelde woningen, danwel de showroom van het ter plaatse gevestigde bedrijf. Vanaf de Zandweg is het bedrijfsperceel toegankelijk. De bebouwing aan de Zandweg 186A bestaat uit bedrijfshallen van 1 bouwlaag met kap en een showroom van 1 bouwlaag met een kapverdieping. De gebruiksoppervlakte is 2756 m² BVO. Aan de zuidzijde ligt een verharde inrit. Deze inrit wordt bedrijfsmatig gebruikt voor leveranciers en bezoekers. De terreinen en opstallen zijn eigendom van en in gebruik door Koedam B.V. De openbare ruimte en de straten Luwte, Schemering, Zonzijde, Morgenstond en Wolkendek zijn gemeentegrond. Het transformatorhuisje in het noordoosten van het plangebied is eigendom van Stedin Netten Zuid-Holland B.V. Het trafohuisje van Stedin staat als los object in de openbare ruimte. Het is omgeven door een plantsoen en een parkeerkoffer. Rondom de kavels aan de Zandweg zullen naar verwachting kleinere erfgrenscorrecties plaatvinden met de particuliere eigenaren van Zandweg 187 en 188 en met de eigenaren van Zonzijde 2, om zo logische kavelgrenzen te realiseren.

3 4 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 4 4.1

Planbeschrijving

Projectbeschrijving

Het project betreft de omzetting van een bedrijfsbestemming naar wonen. Het plan is een particulier initiatief van Koedam Tegels om de locatie te herontwikkelen naar woningbouw. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de inhoud van het plan. 4.1.1

Programma

De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de herontwikkeling van een bedrijfslocatie samen met een deel van de achterliggende openbare ruimte waarbij het plangebied wordt omgevormd tot een woongebied dat aansluit bij de bestaande ruimtelijke kwaliteiten van enerzijds de lintbebouwing langs de Zandweg, en anderzijds bij het woonmilieu van de buurt ‘t Weer. Het totaal aantal woningen zal maximaal 12 bedragen. Woningbouwvelden De randvoorwaarden voor woningbouw worden opgedeeld in drie bouwvelden om de juiste aansluiting bij de bestaande bebouwing te waarborgen. Door het verleggen van een deel van de straat Luwte/Zonzijde komt er ruimte voor meer openbaar groen. Deze groene ruimte is veilig bereikbaar en toegankelijk vanuit de wijk voor voetgangers. De verlegde straat is zo ingericht dat verkeer gedwongen wordt rustig te rijden. Het doel is om een groen straatbeeld te krijgen. Dit wordt bereikt door ruime voortuinen en door het aanplanten van hagen. De hagen komen aan de voorkant van de erfgrens te staan, maar ook op de zijdelingse erfgrens.

Afbeelding 4.1: Programma (Bron: Bouwenvelop) Het doel voor het bouwveld B1 (met vrijstaande woningen) is om zoveel mogelijk de variatie en diversiteit in bouwvormen, kenmerkend voor het historische bebouwingslint de Zandweg, te krijgen. Tevens is het belangrijk dat er zo veel mogelijk ruimte blijft voor een groene uitstraling van de kavel. Hierdoor worden de cultuurhistorische betekenis en karakteristieken van de Zandweg behouden. Kortom, de volgende uitgangspunten worden gehanteerd: bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

35

Variatie (verschil in kavelgrootte, ligging bebouwing) is een belangrijk kenmerk van het lint en moet behouden worden. Zoveel mogelijk behoud van de bomen en ander bestaand groen. Bebouwing bestaat uit losse (vrijstaande) bebouwing. Bebouwing is georiënteerd op de Zandweg. Het doel voor de bebouwing voor het bouwveld B2 (met twee-onder-een-kap woningen) is om in maat en schaal aansluiting te zoeken bij de vrijstaande woningen langs de straat Zonzijde. Het bouwveld B2 heeft een oppervlak van 1987m2. Ter plaatse van bouwveld B3 (met levensloopbestendige woningen) zullen maximaal vier woningen ontwikkeld worden. Om de bezonning van bestaande bebouwing (Luwte 2 en Wolkendek 1) zo min mogelijk negatief te beïnvloeden ligt de bebouwing zo ver mogelijk op het zuidelijk deel van de kavel. Openbare ruimte De straatinrichting van de nieuw aan te leggen openbare ruimte sluit qua materialisatie en ruimtelijk concept aan bij de rest van de wijk. Door de aanpassing van de ligging van de straat wordt het bestaande speelveld en het voetgangersnetwerk beter toegankelijk. De nieuwe straat gaat Zonzijde heten, aangezien deze in het verlengde ligt van de bestaande straat. Het is de wens van de omwonenden om zo min mogelijk extra verkeersbewegingen te krijgen in zowel 't Weer als aan de Zandweg. De maatvoering van de weg is daarom gericht op het verlagen van de snelheid van het autoverkeer. 4.1.2

Stedenbouwkundig plan

Bouwveld langs de Zandweg met vrijstaande woningen Het doel van de regels voor de bebouwing langs de Zandweg is om variatie en diversiteit in de bebouwing te krijgen. In de architectonische uitwerking wordt er variatie gezocht in de materialisatie, gevelcompositie, hoofdopzet woning, en rooilijn. Tevens is het belangrijk dat er zo veel mogelijk ruimte blijft voor een groene uitstraling van de kavel in combinatie met de bebouwing. Er is op deze locatie gekozen voor maximaal 2 vrijstaande woningen. Voor het groen en open bebouwingsbeeld is het belangrijk dat de woningen op de twee kavels voldoende ver van elkaar af staan. De minimale afstand tussen de hoofdgebouwen op de twee percelen is 5,0 meter. De cultuurhistorische betekenis en karakteristieken van het lint worden zo behouden. De grootte van het hoofdgebouw wordt gemaximeerd. Hoewel dit geen garantie is voor losstaande bebouwing (vergunningsvrij bouwen biedt namelijk mogelijkheden) beperkt dit wel het zichtbare bouwvolume in het straatbeeld. De rooilijn is vanaf de straat bewust verder naar achteren gelegd zodat er, naast de voor het parkeren benodigde oprit, voldoende ruimte blijft voor een tuin. Voor de tuin komt een groene haag om zo ook een groen beeld vanaf de straat te waarborgen.

De nokhoogte en goothoogte sluiten zo veel mogelijk aan bij de 4 reeds gerealiseerde twee-onder-één-kap-woningen, en bij de woningen op nummer 187 en 188. Parkeren vindt plaats op eigen terrein, naast de woning, en zo veel mogelijk uit het zicht vanaf de straat. De nieuwe woningen hebben een kap (schild kap, zadelkap of een afgeleide van deze kapvormen) en voegen zich op een logische manier naar de omliggende bebouwing. De architectuur is afgestemd op en passend bij de omgeving. Bouwveld direct achter de Zandweg met 2-onder-1-kap woningen Het doel voor de bebouwing is om in maat en schaal aansluiting te zoeken bij de vrijstaande woningen langs de straat Zonzijde. Op deze kavels mogen twee-onder-een-kapwoningen gebouwd worden. De garages van de woningen staan ver genoeg uit elkaar om een pad naar de achtertuin te maken. De gewenste openheid tussen de bebouwing wordt op deze manier gewaarborgd. De eventuele erfafscheiding langs de zijdelingse erfgrens tussen deze kavels is ook groen vormgegeven. De woningen liggen ver genoeg van de straat af zodat er een voortuin gemaakt kan worden. Ook langs de voorerfgrens komt een (groene) haag. Parkeren vindt plaats op eigen terrein, naast de woning en zo veel mogelijk uit het zicht vanaf de straat.

In de architectuur van de bebouwing wordt geen letterlijke aansluiting gezocht bij de omliggende bebouwing; de nieuwbouw vormt samen met de nieuwbouw van de levensloopbestendige woningen, een nieuwe entiteit binnen de bestaande wijk. Door in te zetten op een nieuwe architectonische vormgeving in de nieuwbouw wordt de openbare ruimte aan de (verlengde) Zonzijde (doorlopend in het trapveldje) benadrukt als belangrijke groene wig. De architectuur in de bouwvelden van de levensloopbestendige woningen en de 2-onder-1-kap woningen, vormen wel weer een architectonische eenheid. Dit betekent niet dat de architectuur exact hetzelfde hoeft te 3 6 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

Utrecht

zijn. Bouwveld grenzend aan de Luwte met levensloopbestendige woningen Op dit bouwvlak worden zogenaamde 'levensloopbestendige' woningen gerealiseerd. Deze woningen zijn toegankelijk voor bewoners in alle levensfasen en voor mensen met een functiebeperking. Zo zijn de primaire woonfuncties van deze woningen voornamelijk op de begane grond gelegen. Deze vier woningen beschikken aan de achterzijde over een slaapkamer en een badkamer op de begane grond. De woningen komen tegen een bestaand bouwblok aan te liggen. Om de bezonning van bestaande bebouwing (Luwte 2 en Wolkendek 1) zo min mogelijk negatief te beïnvloeden ligt de bebouwing zo ver mogelijk op het zuidelijk deel van de kavel en is de kap in de oost-west richting gepositioneerd (zie bovenstaande afbeelding). De hoogte van de bebouwing wordt beperkt gehouden tot 1 bouwlaag met een kap. Het positieve effect voor de omgeving is dat ook hierdoor de gevolgen voor de bezonningssituatie van aanliggende tuinen beperkt blijven. Het zicht vanuit overburen op de nieuwe ontwikkeling was een zorg vanuit de buurt; er is daarom gekozen om rekening te houden met de kaprichting en de maximale afmetingen van de kap. De dakkapellen worden in het ontwerp van de woningen meegenomen. De eindgevels aan openbaar gebied hebben een voorgeveluitstraling om zo te voorkomen dat er 'dode' hoeken ontstaan in de straat die onveilig aanvoelen.

Door de verlegging van het zuidelijke deel van de Luwte hebben de tuinen van de woningen Luwte 2 en Wolkendek 1 geen directe toegang meer op de openbare weg. In het project is daarom afgesproken met de ontwikkelaar dat de bestaande tuindeuren hoe dan ook toegankelijk zullen blijven. Dit kan bijvoorbeeld opgelost worden door het aanleggen van een steeg. Het bouwvlak van de levensloopbestendige woningen ligt terug ten opzichte van het trottoir aan de voorzijde, zodat er ruimte blijft om een overgangszone te creëren. Deze zone wordt dusdanig ontworpen dat verblijf en interactie tussen bewoners wordt gestimuleerd. Het wordt mee-ontworpen met de architectuur bijvoorbeeld als veranda, Delfts stoepje, of voorgeveltuintje. Tevens kan gebruik worden gemaakt van een lage haag om zo het groene straatbeeld te versterken. Langs de straat wordt op de kavel een haag aangeplant. De instandhouding van de haag wordt geregeld in de notariële akte bij de overdracht van de kavel om zo ook voor de toekomst te verzekeren dat de haag blijft staan. In de navolgende afbeeldingen is een uitwerking van het stedenbouwkundig plan opgenomen.

bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

37

Afbeelding 4.2: Stedenbouwkundige plan noordzijde van het plangebied (bron Building Design).

Afbeelding 4.3: Concept vogelvlucht van de verlegde weg en de nieuwe bouwvolumes (bron Building 3 8 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

Utrecht

Design.

4.2

Verkeer en openbare ruimte

4.2.1

Verkeer

De woningen worden ontsloten via de Zandweg (max. 2) en deels via 't Weer (max. 10). Met het plan wordt de straat Luwte naar het zuiden verlegd zodat de straat Zonzijde doorloopt. In publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' van het CROW zijn kengetallen opgenomen voor de verkeersgeneratie van nieuwe woningen per woningtype. Er worden 12 woningen gerealiseerd, waarvan 2 vrijstaande en 10 twee onder een kap woningen. De tabel hieronder laat zien wat de toekomstige verkeersgeneratie is van de 10 woningen aan de Luwte en de 2 woningen aan de Zandweg op een week- en werkdag. Het aantal verkeersbewegingen van motorvoertuigen bedraagt voor vrijstaande woningen 8,2 per woning en voor twee onder een kap woningen 7,8 verkeersbewegingen per woning. Conform het CROW (publicatie 317) is de omrekenfactor van weekdag naar werkdag 1,11. Ofwel de etmaalintensiteit op een gemiddelde werkdag (maandag t/m vrijdag) is 10% hoger dan op een gemiddelde weekdag (maandag t/m zondag). We gaan hier van een werkdag uit, omdat er dan sprake is van het hoogste aantal verkeersbewegingen. Deze ontwikkeling leidt tot 105 verkeersbewegingen per etmaal. De aanwezige infrastructuur kan deze kleine toename aan. Na de realisatie van de woningen zal het verkeer op de omliggende erftoegangswegen ruim onder de grens van 2.500 mvt/etmaal blijven. We spreken dan nog steeds van een leefbare situatie.

Functie

Koop (tweeonder- éénkap) Koop (Vrijstaand) Totaal

Programma

Kencijfers CROW

Verkeersgeneratie

Verkeersgeneratie

Mvt / etmaal Weekdag

Mvt / etmaal Werkdag

10 woningen

7,8 per woning

78

87

2 woningen

8,2 per woning

16

18

94

105

Verkeersluwe maatregelen Voor onderhavige ontwikkeling is een normale 2 richtingsstraat gewenst die aansluit op de omliggende straten in de wijk. Bestrating en breedte van de nieuwe inrichting komt overeen met de huidige weginrichting in de buurt. In de omliggende straten liggen drempels. Om hier de eenheid van de inrichting van de straten te behouden, worden de aanwezige drempels op de Schemering/zonzijde doorgetrokken. Dit is daarnaast een verkeersluwe maatregel. Fietsstraat Zandweg De Zandweg is recentelijk heringericht tot een fietsstraat. Het doel is om de gehele weg eenrichtingsverkeer te maken. Ten behoeve van de bevoorrading van Koedam Tegels is de weg ten westen van Zandweg 186A nog steeds tweerichtingsverkeer. 4.2.2

Openbare ruimte en groen

De straatinrichting van de nieuw aan te leggen openbare ruimte sluit qua materialisatie en ruimtelijk concept aan bij de rest van de wijk. Door de aanpassing van de ligging van de straat wordt het bestaande speelveld en het voetgangersnetwerk beter toegankelijk. De nieuwe straat gaat Zonzijde heten, aangezien deze in het verlengde ligt van de bestaande straat. Het is de wens van de omwonenden om zo min mogelijk extra verkeersbewegingen te krijgen in zowel 't Weer als aan de Zandweg. De maatvoering van de weg is daarom gericht op het verlagen van de snelheid van het autoverkeer. Kadernota openbare ruimte en Handboek Openbare Ruimte Het inrichtingsplan moet voldoen aan de eisen die gelden in de Kadernota openbare ruimte en het Handboek openbare Ruimte. Om de eenheid in de materialisering in de wijk te behouden is er gekozen om de bestaande ontwerpoplossingen die in de directe omgeving voorkomen door te zetten. Om aan te sluiten bij de bestaande situatie is er tevens voor gekozen om een deel van het bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

39

bezoekers parkeren op straat plaats te laten vinden. Door middel van afwijkend gekleurde straatstenen worden parkeerplaatsen in de straat aangeduid. Het meest oostelijke deel van het plangebied is een openbaar groenvoorziening. Hiervan wordt de bereikbaarheid verbeterd door het aanleggen van een tweetal voetpaden. 4.2.3

Parkeren

Nota stallen en parkeren |In bijlage 1 van de nota stallen en parkeren (2013) staan de parkeernormen. Het plangebied valt in zone C1. De woningen krijgen een vloeroppervlakte van meer dan 130m² BVO. Voor een woning met deze afmetingen in zone C1 moeten minimaal 1,5 parkeerplaatsen en maximaal 1,75 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Het bestemmingsplan biedt ruimte aan maximaal 12 woningen. Voor 12 woningen moeten minimaal 18 (1,5 x 12) en maximaal 21 (1,75 x12) parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Twee-onder-een-kapwoningen De 6 twee-onder-een-kapwoningen in het plan krijgen een garage met oprit voor 2 auto's achter elkaar. Dit wordt gerekend als 1.5 parkeerplaats. De parkeerplaatsen bij de 6 twee-onder-een-kapwoningen worden dus als 9 parkeerplaatsen gerekend. Levensloopbestendige woningen Er worden 4 levensloopbestendige woningen gerealiseerd. Deze woningen krijgen één parkeerplaats in de tuin (0,5 parkeerplaats). Dit wordt gerekend als 0,5 parkeerplaats per woning. De parkeerplaatsen bij de levensloopbestendige woningen worden dus als 2 parkeerplaatsen gerekend. Vrijstaande woningen De 2 vrijstaande woningen krijgen elk 2 parkeerplaatsen naast elkaar in de tuin. Dit wordt gerekend als 1 parkeerplaats per woning. De parkeerplaatsen bij de vrijstaande woning wordt gerekend als 2 parkeerplaatsen.

Openbare ruimte Een parkeerplaats in de openbare ruimte wordt als 1 parkeerplaats gerekend. Er worden in de openbare ruimte 5 extra parkeerplaatsen gerealiseerd. Conclusie Ten behoeve van de 12 woningen moeten minimaal 18 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Er worden 13 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Daarnaast worden er 5 parkeerplaatsen in openbaar gebied aangelegd. In totaal worden er dus 18 parkeerplekken gerealiseerd. De 6 gecompenseerde parkeerplaatsen vallen hier niet onder. Het aantal van 18 parkeerplekken is conform de parkeernorm uit de Nota Stallen en Parkeren.

4.3

Conclusie

Het bestemmingsplan past binnen de Kadernota openbare ruimte, Handboek Openbare Ruimte. Ook wordt voldaan aan de parkeernorm uit de Nota Stallen en Parkeren.

4 0 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 5 Onderzoek en randvoorwaarden 5.1

Inleiding

In toenemende mate wordt de milieukwaliteit van belang bij de ontwikkeling van functies in het landelijk en stedelijk gebied. Het milieubeleid heeft zich in de loop van enkele decennia ontwikkeld tot een complexe materie, die er in de praktijk toe leidt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen met verschillende milieuaspecten rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de relevante (milieu)aspecten in het plangebied en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd.

5.2

Milieueffectrapportage

Kader Het doel van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over deze plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten, die activiteiten mogelijk maken welke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In onderdeel C van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. wordt aangegeven welke activiteiten altijd m.e.r.-plichtig zijn. Bij de activiteiten die in onderdeel D van die bijlage genoemd worden moet beoordeeld worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Uit deze m.e.r.-beoordeling kan de conclusie volgen dat er een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Plansituatie De in het plan opgenomen activiteiten vallen onder categorie D11.2 (aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject), zoals deze is opgenomen in onderdeel D van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit is in het Besluit m.e.r. een drempelwaarde opgenomen van 2.000 woningen, een projectgebied van 100 hectare en 200.000 m² bvo aan bedrijfsoppervlakte of meer. Het plan blijft met 12 woningen, onder deze drempelwaarden en overschrijdt deze niet. Op grond van artikel 2, lid 5, sub b, van het Besluit m.e.r.

dient echter ook in 'overige gevallen' bekeken te worden of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen (de vormvrije m.e.r.-beoordeling). Op basis van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling dient het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente Utrecht) een besluit te nemen om voor het project wel of geen mer-procedure te volgen voor het project alvorens het ontwerp bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Om te beoordelen of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen is een vormvrije m.e.r.-beoordeling (aanmeldnotitie) opgesteld. In deze vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt geconcludeerd dat geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen en er derhalve geen aanleiding is om een m.e.r.-procedure te doorlopen. De gemeente heeft dan ook op 3 maart 2020 besloten om voor dit plan geen m.e.r.-procedure toe te passen. De Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in Bijlage 1. Conclusie Er is geen sprake van significant nadelige milieugevolgen als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Het opstellen van een milieueffectrapportage is dan ook niet noodzakelijk.

5.3

Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

41

groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het ruimtelijk plan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 5.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 5.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Plansituatie Met het plan verdwijnt een bedrijf uit een woonomgeving. Op deze locatie worden 12 nieuwe woningen gerealiseerd. Ruim 110 meter ten westen van het plangebied ligt een complex voor buitensport. Op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor de functie 'veldcomplex met lichtmasten' een richtafstand van 50 meter. Conclusie Aan deze richtafstand van 50 meter wordt ruimschoots voldaan. In de omgeving zijn geen andere bedrijven aanwezig die een negatieve invloed kunnen hebben op het woon- en leefklimaat.

5.4

Geluidhinder

Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a.

in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter;

b.

in buitenstedelijk gebied:

4 2 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

Utrecht

voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. d. e.

voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau geldt.

Plansituatie Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidszones van wegen. Met het plan wordt de straat Luwte verlegd naar het zuiden ter hoogte van de Zonzijde. Voor het nieuwe wegvlak geldt, net als de omgeving een maximum regiem van 30 km/uur. Het betreft een rustige woonwijk met uitsluitend bestemmingsverkeer. De Rijksstraatweg (busbaan) en de Zandweg kennen ook beide een 30 km/uur regiem. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatief optredende geluidsbelasting van deze wegen onderzocht. Op de Rijksstraatweg rijden 453 bussen per etmaal en op de Zandweg 270 auto's per etmaal (bron VRU3.4 – peiljaar 2030). De geluidsbelasting op het plangebied bedraagt daardoor ten hoogste 51 á 52 dB. Zelfs bij een hogere snelheid op de Rijksstraatweg is dit maximaal 53 dB. Deze geluidsbelastingen overschrijden de voorkeursgrenswaarde ingevolge de Wet geluidhinder (53 dB zonder aftrek) niet waardoor er gesproken kan worden van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot het railverkeer, ligt er in de nabijheid van het plangebied geen spoorlijn die een belemmering vormt voor de ontwikkeling voor het aspect geluid. Met betrekking tot industrielawaai, zijn er in de nabijheid van het plangebied geen bedrijven die een belemmering vormen voor de nieuwe woningen voor het aspect geluid.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat voor het aspect geluid sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

5.5

Externe veiligheid

Kader Het werken met, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico's voor omwonenden, bedrijven en passanten. Om deze risico's te beheersen worden in ruimtelijke plannen de relaties tussen deze activiteiten en hun omgeving conform wet- en regelgeving verantwoord en vastgelegd. De normen en richtlijnen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In alle drie besluiten wordt voorgeschreven dat kwetsbare bestemmingen voldoende afstand moeten houden tot risicobedrijven en transportroutes voor gevaarlijke stoffen, en tevens kunnen er op grond van die besluiten beperkingen aan de bebouwingsdichtheid wenselijk zijn. Het lokale wegverkeer van gevaarlijke stoffen mag volgens de gemeentelijk vastgestelde routeringsverordening uitsluitend plaatsvinden over enkele aangewezen wegen. Andere wegen mogen voor de bevoorrading van een aantal bedrijven slechts gebruikt worden indien daar een ontheffing voor verleend is. Voor externe veiligheid bestaan twee normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans op overlijden van een onbeschermd persoon die zich 24 uur nabij de ongevalslocatie bevindt.

De normhoogte voor PR bedraagt 10-6/jaar voor gevoelige bebouwing. Het groepsrisico (GR) geeft de kans per jaar aan dat een groep personen van een bepaalde grootte kan overlijden als gevolg van een calamiteit. Voor het GR is een zogeheten oriënterende waarde vastgesteld. Plansituatie In en direct rond het plangebied is een inventarisatie gedaan naar risicoveroorzakende activiteiten. Dit heeft het volgende overzicht opgeleverd. Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en waterwegen bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

43

Op een afstand van 1,2 en 3,3 km van het plangebied liggen respectievelijk de basisnet-transportassen A12 en A2. Vanwege deze grote afstand behoeven deze geen nadere beschouwing in het kader van externe veiligheid. Ter plaatse van de planlocatie bevindt zich geen aangewezen route ten behoeve van het lokale transport. Ook vinden geen transporten plaats waarvoor ontheffingen zijn verleend. Vanwege het lokale transport is er dus geen PR contour en bestaat er geen groepsrisico. Nadere beschouwing is niet nodig. Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen In het plangebied bevinden zich geen buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Ook buiten het plangebied bevinden zich geen buisleidingen die van invloed zijn op het plangebied. Bedrijven die vallen onder het Bevi In het plangebied bevinden zich geen Bevi bedrijven. Ook buiten het plangebied bevinden zich geen Bevi bedrijven die van invloed zijn op het plangebied. Overige bedrijven met een veiligheidsafstand buiten de inrichtingsgrens In of nabij het plangebied bevinden zich geen bedrijven met dergelijke veiligheidsafstanden. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

5.6

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) staat een limitatieve opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen. Het gaat in ieder geval om ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen, die direct gevolgen voor de luchtkwaliteit hebben en daardoor kunnen bijdragen aan overschrijding van een grenswaarde. Op grond van artikel 5.16 Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit uitoefenen, indien aannemelijk is gemaakt dat: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 van de Wet milieubeheer een grenswaarde is opgenomen(lid 1 onder c); het voorgenomen besluit past binnen, is genoemd in of is in elk geval niet in strijd met het Nationaal

Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). Met andere woorden, luchtkwaliteitseisen spelen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van een dergelijke bevoegdheid, als tenminste aan één van de bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan. Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. 4 4 bestemmingsplan "Zandweg 186A, De Meern-Noord" (vastgesteld)

Utrecht

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Plansituatie Met de realisatie van de woningen worden geen nieuwe gevoelige bestemmingen gerealiseerd. Met betrekking tot de verkeersgeneratie als gevolg van de te bouwen woningen is publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' van het CROW geraadpleegd. Hierin zijn kengetallen opgenomen voor de verkeersgeneratie van nieuwe woningen per woningtype. Er worden 12 woningen gerealiseerd, waarvan 2 vrijstaande en 10 twee onder een kap woningen.

Het aantal verkeersbewegingen aan motorvoertuigen voor vrijstaande woningen bedraagt 8,2 per woning en voor halfvrijstaande woningen 7,8 verkeersbewegingen per woning. Dit betekent dat per dag 95 extra verkeersbewegingen zullen plaatsvinden. Doordat Koedam Tegels weggaat, zullen er daardoor in de praktijk in de plansituatie minder extra verkeersbewegingen plaatsvinden t.o.v. de autonome situatie. Het uitgaan van 95 extra verkeersbewegingen is dan worst case.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=a0e14127-ff70-4d87-a3d3-8353c37a09c4