CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Voorjaarsnota en Bestuursrapportage 2025

Adviescommissie Controle en Financiën 5 juni 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Voorjaarsnota en bestuursrapportage 202537.053 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

•

•

•

Wijkgerichte invoering verhuurvergunning (motie 48): “Een verhuurverordening met invoering van de verhuurvergunning te onderbouwen”, deze niet gelijk stadsbreed in te voeren en bij de invoering kostendekkende leges te hanteren. Hieraan wordt uitvoering gegeven, maar het is niet mogelijk een actieve handhavingsstrategie toe te passen; Beleidsnota Stadswater (vastgesteld 14 november 2024): wij zien voor de nog ongedekte kosten van uitvoering, toezicht en handhaving geen dekkingsmogelijkheden in de Voorjaarsnota 2025; Beleidsnota Utrecht circulair 2030 (vastgesteld 12 december 2024): voor de ongedekte kosten van activiteiten (structureel 1,4 miljoen euro vanaf 2025) zal de komende jaren nog dekking gevonden moeten worden. Pas wanneer dekking is gevonden, kunnen we de activiteiten ervoor starten of opschalen. Op dit moment zien we hiervoor geen mogelijkheden.

25

3. Inhoudelijke ontwikkelingen die aandacht en bijsturing vragen We hebben de afgelopen jaren met name ingezet op de uitvoering van de belangrijkste ambities uit het coalitieakkoord: kansengelijkheid, oplossingen voor de woningnood en het tegengaan van de klimaatcrisis. Deze opgaven zijn onverminderd van belang en blijven leidraad voor onze voorstellen in ons laatste jaar voor de gemeenteraadsverkiezingen 2026. Tegelijkertijd zorgen politieke keuzes door het Rijk, maatschappelijke ontwikkelingen én de verslechtering van de financiële uitgangspositie voor een aantal urgente vraagstukken in het sociaal domein en de ruimtelijke investeringen. Daarom leggen wij onderstaande bijsturingen voor.

3.1 Hervormingen sociaal domein In de Voorjaarsnota 2023 beschreven we de toenemende druk op het sociaal domein als gevolg van afnemende financiële middelen, arbeidsmarktkrapte in de zorg en gebrek aan zowel ruimte voor passende voorzieningen als woningen voor aandachtsgroepen. Destijds werd een structureel tekort van 21 miljoen euro vanaf 2026 voorzien, waarvan 16,1 miljoen euro als taakstelling werd gekoppeld aan hervormingen in het sociaal domein. Vorig jaar lichtten we toe dat we op schema zaten om de taakstelling te halen, met een onzekerheid op het gebied van jeugdzorg. In december 2024 hebben we u een nadere stand van zaken gestuurd. In de brief die parallel aan deze voorjaarsnota aan uw raad wordt verzonden, schetsen we de actuele stand van zaken en gaan we uitgebreid in op de hervormingen sociaal domein. Hieronder worden de belangrijkste financiële ontwikkelingen uitgelicht. Zorg en ondersteuning volwassenen We verwachten de bezuinigingstaakstelling voor het zorg- en ondersteuningsaanbod voor volwassenen te halen. Dat doen we door voort te bouwen op voortzetting van de maatregelen die zijn ingezet in 2024, het uitrollen en opschalen van de hervormingen die zijn uitgewerkt en verdere versterking van het opdrachtgeverschap.

Een belangrijke stap is de inkoop aanvullende zorg Wmo, waarmee we per 2027 de Wmo-begeleiding eenvoudig en wijkgericht gaan organiseren, met één aanbieder. Omdat de afschaffing van het abonnementstarief Wmo is vertraagd, kent het Rijk in 2025 incidentele compensatie toe aan gemeenten. In onze verwachtingen zit nog wel een aantal onzekerheden. Zo is onzeker hoe de bekostiging vanuit het Rijk zich ontwikkelt, hoe de autonome groei eruitziet, hoeveel besparing we kunnen realiseren met de inkoop aanvullende zorg Wmo en wat de effecten van de hervormingen precies zullen zijn. In de begroting is een inschatting gemaakt van de compensatiemiddelen Wmo vergrijzing voor de komende jaren. Aangezien het prognoses zijn, kunnen de daadwerkelijke middelen daarvan afwijken. Daarom blijft het van belang daarop alert te zijn en waar nodig bij te sturen. Zorg en ondersteuning jeugdigen Bij de zorg en ondersteuning voor jeugdigen voorzien we een structureel tekort (zie paragraaf 2.3, Knelpunten) dat optreedt ondanks onze hervormingen en de verwachtingen dat het Rijk de financiële en inhoudelijke adviezen van de Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd opvolgt. De vraag naar jeugdhulp blijft groeien, met name in intensiteit en duur, met oplopende wachttijden en wachtlijsten tot gevolg. We zien dat de financiële kaders structureel te krap zijn, wat wordt bevestigd door de Deskundigencommissie.

Hoewel de voorjaarsnota van het Rijk voor 2026 en 2027 de grootste financiële druk voor gemeenten de eerstkomende jaren wegneemt, zijn zeker niet alle problemen opgelost en resteert er een gat in de 26

duurzame bekostiging van de jeugdzorg. We gaan ervan uit dat het Rijk zijn financiële en inhoudelijke verplichtingen ook langjarig nakomt, zodat de druk van het tekort op jeugd op onze middelen vermindert. In het hoofdstuk Financiële strategie (paragraaf 4.3) gaan we hier nader op in. Transitiereserve In de Programmabegroting 2025 heeft u besloten om een transitiereserve voor de hervormingen in te stellen, met een maximum van 4 miljoen euro. Bij het instellen van de reserve is deze met 2 miljoen euro gevoed. Momenteel worden de voorstellen voor voeding en inzet van de transitiereserve uitgewerkt. Zie voor nadere toelichting de brief over de hervormingen in het sociaal domein, die u parallel aan de voorjaarsnota wordt gestuurd. Bij de tweede bestuursrapportage zullen we de voorstellen aan uw raad voorleggen.

3.2 Asiel en integratie Op het gebied van asiel en integratie staat het rijksbeleid op gespannen voet met het Utrechtse beleid, en op onderdelen ook met de uitgangspunten van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Het kabinet heeft een ingrijpend asielprogramma, dat stevige gevolgen heeft voor de opgaven op het gebied van opvang van ongedocumenteerde mensen, EU-(arbeids)migranten en asielzoekers en op het gebied van inburgering. Omdat veel voornemens van het kabinet niet zijn omgezet in weten regelgeving is het onzeker wat de precieze gevolgen van het rijksprogramma zijn. Hieronder treft u per deelopgave de actuele ontwikkelingen en indien nodig ons voorstel tot bijsturing. LVV Per 1 januari 2025 heeft het Rijk de financiering van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) stopgezet. We vangen in de LVV 245 ongedocumenteerde mensen op en leiden hen naar perspectief. Met het stopzetten van deze voorziening verwachten we dat deze mensen op straat belanden. Dat is voor ons geen optie omdat dit grote gevolgen heeft voor zowel deze mensen als voor de veiligheid in de stad. Ook schatten we in dat de kosten van een toename van de onveiligheid en te laat behandelen van zieke mensen hoger zijn dan de kosten van de opvang.

In afwachting van de huidige juridische procedures, stellen we nu voor om naast de absolute ondergrens (knelpunt 17) ook een bedrag van 0,2 miljoen euro in 2026 en 1,5 miljoen euro structureel vanaf 2027 beschikbaar te stellen. Met deze middelen kunnen we de huidige voorziening in afgeslankte vorm voortzetten. Opvang asielzoekers De budgetten van het Rijk voor asiel en migratie worden vanaf 2027 sterk versoberd, met grote gevolgen voor het COA. Het is een risico dat het COA nieuwe of tijdelijke voorzieningen in Utrecht - op dit moment zes, waarvan twee specifiek voor alleenstaande minderjarigen - niet meer kan bekostigen. Daarnaast komen onze lokale beleidsuitgangspunten voor een kwalitatieve, duurzame en kleinschalige opvang, mede op basis van het Plan Einstein concept, onderdruk. We blijven inzetten op een opvang inclusief Plan Einstein. Dit is conform kaders van de raad en past bij Utrecht mensenrechtenstad. De taakstelling voor huisvesting van statushouders is onverminderd hoog, maar de uitvoering ervan wordt bemoeilijkt door het landelijke verbod op urgentie voor deze doelgroep bij woningtoewijzing. Vanuit de Voorjaarsnota 2023 en het Rijk (via het Faciliteitenbesluit) zijn er middelen beschikbaar voor de extra inzet die dit vraagt.

27

Afschaffen van de Spreidingswet betekent dat de wettelijke taken van gemeenten om asiellocaties te vinden en beschikbaar te stellen vervallen. Dat geldt ook voor de bijbehorende budgetten. Dat heeft tot gevolg dat we de ambtelijke inzet voor de zoektocht naar nieuwe locaties niet meer kunnen dekken. Inburgering Het Rijk komt bestuurlijke afspraken over passende financiering van de Wet inburgering 2021 niet na. Hierover hebben wij met Amsterdam, Rotterdam en Den Haag een brandbrief gestuurd aan de verantwoordelijke bewindspersonen. Het uitvoeringsbudget voor 2025 en 2026 is gebaseerd op de verwachte instroom in 2022. In werkelijkheid is de instroom voor zowel statushouders als gezinsmigranten op dit moment twee keer zo groot. Hier komt bij dat de middelen voor begeleiding naar werk of participatie voor statushouders via de Participatiewet ook ontoereikend zijn. Voor 2025 en 2026 is er hiermee sprake van een knelpunt (16). Vanwege de grote risico's door onzekerheid vanuit het Rijk trekken we dit uitvoeringsbudget door naar 2027. Het Rijk voert dit jaar een bekostigingsonderzoek uit naar de kosten voor de uitvoering van de Wet Inburgering 2021. We verwachten dat het Rijk op basis daarvan in 2026 een besluit neemt over structurele bekostiging: ofwel door aanpassing van de middelen of door het aanpassen van de wettelijke taken.

Tegelijkertijd nemen we maatregelen om de kosten van onze dienstverlening te verminderen met 0,6 miljoen euro. Tijdige en passende ondersteuning blijft hierbij het uitgangspunt. Hierbij kijken we naar de duur en intensiteit van de begeleiding, meer differentiatie in de dienstverlening afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte én naar wat collectief kan. (Dakloze) EU – (arbeids)migranten Onze inzet is erop gericht een kleine, zeer kwetsbare, groep dakloze EU-arbeidsmigranten op te vangen vanuit het borgen van de humanitaire ondergrens op basis van internationale mensenrechten. Hiervoor zijn pilotmiddelen vanuit het Rijk tot en met eind 2025 beschikbaar en heeft uw raad in de Voorjaarsnota 2024 een aanvullend budget beschikbaar gesteld. Zeer recent hebben we vernomen dat het Rijk de middelen hiervoor voortzet, maar onzeker is of we als stad Utrecht extra middelen zullen ontvangen. De invulling door het Rijk wordt later bekend gemaakt. In 2024 heeft het Rijk de checklist gelijke behandeling EU-burgers gepubliceerd. Deze checklist maakt vanuit Europees recht duidelijk, dat een groep EU-arbeidsmigranten onder specifieke voorwaarden recht heeft op de Wmo en daarbinnen een beroep kan doen op de maatschappelijke opvang. Het kabinet ziet dit niet als een taakverzwaring en biedt gemeenten geen compensatie.

Voor ons betekent dit dat er onder meer 40 extra opvangplekken nodig zijn voor deze groep. In 2025 kunnen wij dit opvangen binnen de begroting. Doordat wij de checklist nader uitwerken dit jaar hebben we in de Voorjaarsnotabrief 2026 een beter zicht op eventuele knelpunten. In de tussentijd zetten wij onze lobby richting het Rijk voort. Als uitwerking van het coalitieakkoord werken we aan de uitwerking van een gecoördineerde (preventieve) aanpak voor EU-(arbeids)migranten. Dit is in lijn met motie 416. We stellen voor een coördinator aan te stellen die verantwoordelijk is voor de afstemming tussen de organisatieonderdelen, voor extra inzet (onderzoek, beleidsontwikkeling, opzetten van aanvullende uitvoering / regelingen) en de integrale communicatie naar Raad en College. Bij aanvullende regelingen kan gedacht worden aan vergunningen, handhaving voor woonoplossingen, specifieke mentale hulpverlening en vroegsignalering. We stellen voor hiervoor 150.000 euro beschikbaar te stellen voor 2025 en 400.000 euro voor 2026-2028.

28

3.3 Investeringen in de groei van de stad Utrecht is een snelgroeiende stad. Aan het begin van deze eeuw had Utrecht 250.000 inwoners. Inmiddels zijn dat er 375.000. We verwachten dat Utrecht in 2029 het aantal van 400.000 passeert. En ook in het volgende decennium voorzien we verdere groei. De afgelopen jaren stonden in het teken van groei in balans zodat de voorzieningen en dienstverlening meegroeien met het aantal inwoners. Die ambitie staat inmiddels onder druk vanwege een beperkte haalbaarheid van de uitvoering (door gebrek aan mensen en materialen, netcongestie, complexiteit en stapeling van ambities) en vanwege het feit dat we over minder geld beschikken dan eerder voorzien, met name vanwege bezuinigingen en aanpassing van de gemeentefondssystematiek door het Rijk. Hierdoor is de bekostiging vanuit het groeikader niet meer houdbaar. Ook de begrote parkeerinkomsten staan onder druk. Voor nu doen we er alles aan om ervoor te zorgen dat de geplande gebiedsontwikkelingen door blijven gaan, zoals met de Utrechtse Aanpak, oplossingen voor netcongestie en een lobby op de cofinanciering van grote (gebieds)ontwikkelingen. In deze voorjaarsnota stellen we een aantal bijsturingen voor.

Die hebben betrekking op achtereenvolgens het groeikader en de parkeerinkomsten, het Meerjarenprogramma Ruimte inclusief de bekostiging van de Merwedelijn en onze aanpak om meer grip te krijgen op de investeringen, in lijn met de motie grip op investeringen. Deze onderwerpen worden hieronder nader toegelicht. 3.3.1 Groeikader en parkeerinkomsten De ambitie om Utrecht in balans te laten groeien werd de afgelopen jaren voor een belangrijk deel bekostigd uit ons groeikader. Uitgangspunt bij dat groeikader was dat we inkomsten door toename van het aantal inwoners en woningen bestemden voor het opvangen van de gevolgen van de groei van de stad. De verwachte baten door toename van de algemene uitkering en OZB-inkomsten als gevolg van de verwachte groei op basis van de Utrechtse bevolkingsprognose werden jaarlijks bij de voorjaarsnota beschikbaar gesteld voor lasten die samenhangen met deze groei van de stad. Bij de Voorjaarsnota 2024 constateerden we al dat de manier van ramen geleidelijk steeds meer beslag is gaan leggen op de begrotingsruimte die de gemeente uit het gemeentefonds ontvangt. Daarom is voor de Programmabegroting 2025 een behoedzamere raming gehanteerd. Nu blijkt dat de huidige systematiek van het groeikader inderdaad niet langer houdbaar is. Het groeikader heeft ons in de afgelopen jaren van snelle groei geholpen om de basiskwaliteit van de stad in stand te houden.

Zo groeiden de uitgaven voor bijvoorbeeld beheer en onderhoud van de openbare ruimte en voor de bijzondere bijstand mee met het aantal inwoners. Het investeringspakket groeien in balans met onder andere extra groen en sportvoorzieningen, was mede mogelijk dankzij het investeringsdeel van het groeikader. We zetten daarom het groeikader in aangepaste vorm door. In deze paragraaf leggen we uit waarom het oude groeikader niet langer houdbaar is, welke aanpassingen noodzakelijk zijn en welke effecten dat heeft. Parkeren op orde Een andere belangrijke dekkingsbron voor de investeringen ten behoeve van groei in balans zijn de inkomsten uit de parkeerexploitatie. De Jaarstukken 2024 laten een hogere opbrengst van de parkeerexploitatie zien dan begroot, bestaande uit een tegenvaller bij het straatparkeren en een veel hogere meevaller op het parkeren in gemeentelijke garages. Dit voordeel is zoals gebruikelijk toegevoegd aan de reserve parkeren. In 2025 lijken de tegenvallende opbrengsten van het straatparkeren zich voort te zetten. Het beeld is zowel aan de uitgaven- als aan de inkomstenkant nog niet stabiel, mede doordat het parkeersysteem nog niet optimaal werkt. Wij werken aan verbetering van de ramingsfunctie en nemen de bredere parkeeropgave verder onder de loep, zoals toegelicht in 29

de Raadsbrief Stand van zaken uitvoering Parkeren. In samenhang daarmee zetten wij erop in het verdienpotentieel van de gemeentelijke parkeergarages te verbeteren. Mogelijkheden daartoe zijn onder andere het verbeteren van de bezettingsgraad, uitbreiding van het aantal parkeerproducten, meervoudig gebruik en aanpassing van de tarieven in relatie tot de straattarieven. Vanwege het belang om in het parkeerdossier de basis op orde te brengen, zetten wij op korte termijn de benodigde acties en maatregelen in gang. Wij stellen voor hiervoor incidenteel 1,5 miljoen euro vrij te maken en toe te voegen aan de reserve parkeerexploitatie. Hiermee willen wij op korte termijn de basisfunctionaliteiten en ‘bezoeker betaalt’ in het parkeermanagementsysteem functioneel maken en intensief werken aan parkeerbeleid dat duurzaam en uitvoerbaar is. Voor de langere termijn blijft de parkeerexploitatie risicovol en daarom stellen we voor de reserve parkeerexploitatie aan te vullen met 3,5 miljoen euro. Techniek van het groeikadermechanisme De groei van de stad brengt met zich mee dat de gemeente voor steeds meer Utrechters diensten verleent en voorzieningen aanbiedt. Om dienstverlening op peil te houden is het nodig dat exploitatiebudgetten meebewegen met het aantal inwoners. Voor de ontwikkeling van nieuwe woningen, buurten en voorzieningen is investeringsbudget nodig.

Tegelijkertijd levert de groei van de stad extra inkomsten op, uit het gemeentefonds en uit de OZB. Verwerking van de kosten van de groei naar de begroting gebeurt volgens het uitgangspunt “groei voor groei”. Inkomsten als gevolg van de groei van de stad worden bestemd voor uitgaven vanwege de groei van de stad. Dit uitgangspunt passen we niet alleen toe bij inkomsten uit woningbouw en gebiedsontwikkeling (denk aan grondexploitaties, kostenverhaal en erfpacht), maar ook in het groeikader. Het groeikader is het financiële mechanisme voor raming van inkomsten uit OZB die voortkomen uit groei van de stad, en van extra inkomsten uit de algemene uitkering uit het gemeentefonds, voor zover deze voortkomen uit groei. Ook biedt dit mechanisme een raamwerk voor verdeling van budget over groei-gerelateerde uitgaven (hogere dienstverleningskosten en investeringsuitgaven vanwege het groeiende aantal inwoners) en overige gemeentelijke activiteiten. Op deze manier hebben we de groei financieel ingekaderd om te investeren in groei in balans en om het kwaliteitsniveau van de gemeentelijke dienstverlening op niveau te houden. De laatste jaren zien we dat de uitkering uit het gemeentefonds fors achterblijft bij de groei van de stad. Dit heeft verscheidene redenen.

Naast de algemene afname van het gemeentefonds is een van die redenen dat het gemeentefonds sinds 2024 is gekoppeld aan de Bbp-ontwikkeling. Die wijkt af van de landelijke inwonersontwikkeling. Wanneer het gemeentefonds in omvang toeneemt door de koppeling aan het Bbp, wordt deze toename verdeeld over alle gemeenten in Nederland, niet alleen over gemeenten met een groeiende bevolking. Voor Utrecht is dat relatief ongunstig. “Bevolkingsgroei”, waarop Utrecht goed scoort, is slechts een van de 49 maatstaven in de verdeling van het gemeentefonds. Andere verdeelmaatstaven werken voor Utrecht minder goed uit. Per saldo betekent dit dat de algemene uitkering achterblijft bij de groei van de stad, en dat herijking nodig is van het groeikader-mechanisme. Voortzetting van de huidige systematiek in de gewijzigde omstandigheden rondom het gemeentefonds zou ertoe leiden dat we in 2040 ongeveer een kwart van onze inkomsten inzetten voor het groeikader. Dit brengt de ontwikkeling van de gemeentelijke begroting uit balans.

30

Wijzigingen in groeikadersystematiek Voor een mechanisme dat ook financieel toekomstbestendig is, stellen we de volgende aanpassingen voor: A. Begrenzing van het referentiekader groei • Taken die autonoom met de ontwikkelingen van de stad groeien, laten we nog steeds budgettair mee-ademen met de groei van stad. Zo voorkomen we uitholling van het kwaliteitsniveau van de dienstverlening. • Nieuw is dat we de dekking voor het referentiekader we vanaf 2027 koppelen aan een deel (50%) van het accres voor reële groei in het gemeentefonds. Dit betekent dat we de middelen die beschikbaar worden gesteld voor het referentiekader jaarlijks maximeren. Hiermee sluiten we aan bij de nieuwe berekeningssystematiek van het Rijk met betrekking tot het gemeentefonds. De autonome groei van de OZB blijft beschikbaar voor het groeikader. • We herijken de budgetaanpassing via het referentiekader, zodat het beroep op deze autonome ontwikkelingen in lijn is met de dekking die hiervoor gemiddeld over de jaren verwacht wordt (uiterlijk Voorjaarsnota 2026). B. Bekostiging van groei-investeringen • De omvang van het budget voor investeringen die verband houden met de groei van de stad, koppelen we los van het groeikader. Dat betekent dat de groei-investeringen een zelfstandig onderdeel worden van de integrale afweging bij de voorjaarsnota.

• In aanloop naar de volgende raadsperiode werken we een bestendige bekostigingssystematiek uit voor investeringen in nieuwe woningen, buurten en voorzieningen. Deze kan vanaf 2027 en daarna worden toegepast bij de integrale afweging. • De tot en met 2028 geprogrammeerde groei-investeringen blijven in stand. • De bijdragen die de gemeente ontvangt uit de door de rijksoverheid aangekondigde ‘Realisatiestimulans woningbouw’ reserveren we binnen de reserve Grondexploitaties tot de raad over de bestendige bekostigingssystematiek heeft besloten. • Ook voegen we een bedrag van 5,483 miljoen euro toe aan de reserve Grondexploitaties ten behoeve van de transitie naar de nieuwe bestendige bekostigingssystematiek en de urgente opgaven verbonden aan gebiedsontwikkeling. Impact wijzigingen systematiek groeikader op Voorjaarsnota 2025 Tabel 6: Referentiekader groei Tabel: Referentiekader groei

Bedragen x € 1.000

2025

2026

2027

2028

Volumeaccres Gemeentefonds

0

0

0

0

0

0

Groeikader OZB

0

765

765

765

765

765

Subtotaal baten groei

0

765

765

765

765

765

Bedragen x € 1.000

2025

2026

2027

2028

2029

Structureel

Referentiekader Voorjaarsnota 2025

1.251

-723

-723

-723

-723

-723

Subtotaal lasten groei

1.251

-723

-723

-723

-723

-723

Totaal referentiekader groei

1.251

42

42

42

42

42

31

2029 Structureel

Toelichting tabel:  Volumeaccres Gemeentefonds: De geprognotiseerde volumegroei van het gemeentefonds (op Bbp gebaseerd volumeaccres) is tot en met 2028 reeds verwerkt in het meerjarenbeeld bij de Voorjaarsnota 2023 en 2024. Vanaf 2029 wordt het volumeaccres gemeentefonds gereserveerd als inkomsten voor het groeikader nieuwe stijl.  De berekende autonome groei OZB wordt in 2026 ingezet als dekking van het referentiekader.  Het referentiekader omvat de kosten voor uitvoering van taken die meebewegen met groei (en krimp) van de stad. Voor de begrotingsprogramma’s waarvan de omvang meebeweegt met het aantal inwoners betekent dit een aanpassing van de budgetten.  In de berekening van het groeikader gemeentefonds bij de Voorjaarsnota 2024 is uitgegaan van een groei van het aantal inwoners van 7.325 voor 2025. Hierbij werd rekening gehouden met een geprognotiseerd aantal inwoners per 1-1-2025 van 377.938. De werkelijke stand per 1-1-2025, is met 376.735 inwoners 1.203 lager dan geprognotiseerd. Door deze bijstelling van de aantallen is het noodzakelijk het referentiekader groei 2025 aan te passen. Immers de verwachting is dat we de bij de Voorjaarsnota 2024 geprognotiseerde baten uit het gemeentefonds niet realiseren. Het budget voor het referentiekader wordt daarom voor 2025 eveneens neerwaarts bijgesteld met 1,251 miljoen euro.

Tabel 7: Verdeling referentiekader groei Bedragen x € 1.000

2025

2026

2027

2028

2029

Structureel

Aantrekkelijke groene leefomgeving en erfgoed

-488

516

516

516

516

516

Betrouwbare overheid

-52

52

52

52

52

52

Duurzame bereikbaarheid

-2

2

2

2

2

2

Kansrijk opgroeien

-234

-205

-205

-205

-205

-205

Levendige en gezonde stad

-49

-178

-178

-178

-178

-178

Ontwikkelen en wonen voor iedereen

-33

33

33

33

33

33

Passende ondersteuning en opvang

-281

405

405

405

405

405

Veilige stad

-10

-3

-3

-3

-3

-3

Werk, toekomstbestendige economie en bestaanszekerheid

-101

101

101

101

101

101

-1.251

723

723

723

723

723

Totaal

A. Investeringsagenda De inzet van de middelen voor de investeringsagenda Groei worden toegelicht in het Meerjarenprogramma Ruimte (MPR). Bij het raadsbesluit over de RSU 2040 is bepaald dat het meerjarenbeeld van het investeringsdeel van het groeikader wordt betrokken bij afwegingen over de jaarlijkse investeringsopgave. Zoals hiervoor toegelicht stellen wij voor om het volume van het investeringskader los te koppelen van de ontwikkeling van het gemeentefonds. Daarmee ontstaat in principe vanaf 2025 een dekkingstekort in de geprogrammeerde groei-investeringen tot en met 2028. Het is niet mogelijk de programmering op korte termijn aan te passen. Niet alleen omdat dit ten koste zou gaan van groei in balans, maar ook omdat de programmering deel uitmaakt van lopende gebiedsontwikkelingen, zoals in de Merwedekanaalzone. Daarom blijft de dekking van deze investeringen in stand en wordt het financiële nadeel daarvan verwerkt in het financiële beeld, deels gedekt vanuit de verwachte toename van het gemeentefonds vanaf 2026. Voor de begrotingsjaren

32

vanaf 2027 zal een nieuwe bestendige bekostigingssystematiek uitgewerkt worden voor investeringen in nieuwe woningen, buurten en voorzieningen. Tabel 8: Investeringen Bedragen x € 1.000

2025

Investeringsagenda 2025*

-704

Investeringsagenda 2026 -2028 Actualisatie Gemeentefonds 2026 Totaal investeringen t.l.v. financieel beeld

2026

2027

-4.228

2028

2029** Structureel

-

-

-

-7.653

-7.653

-7.653

-

-1.938

-

1.749

1.966

1.514

1.419

1.419

-704

-189

-2.262

-6.139

-6.234

-6.234

*Neerwaartse bijstelling i.v.m. aanpassing in groei bevolkingsaantallen Utrecht voor 2025. ** Geen verhoging i.v.m. nieuwe jaarschijf 2029.

3.3.2 Meerjarenprogramma Ruimte (MPR) In het MPR komen de verschillende ruimtelijke opgaven samen. Per opgave geven we in het MPR aan wat onze ambities en doelstellingen zijn, hoe ver we daarmee zijn en wat onze concrete plannen zijn voor de komende jaren. Zo worden in de opgaven duurzame mobiliteit en groen een aantal knelpunten in de uitvoering van projecten opgelost en nieuwe projecten ingepast. Naast de in de vorige paragraaf beschreven ontwikkelingen van het investeringsdeel van het groeikader en de parkeerinkomsten zijn relevant:  

Inkomsten uit woningbouw en gebiedsontwikkeling Verlaging structurele middelen voor investeringsprojecten Duurzame mobiliteit

Het investeringsdeel van het groeikader is nu met name de dekkingsbron voor nieuwe investeringen in maatschappelijke voorzieningen. De laatste jaren zijn er geen nieuwe financiële middelen beschikbaar gesteld voor het investeringsdeel, terwijl de kosten van het bestaande programma voor maatschappelijke voorzieningen toenamen. Dit betekent dat we om de geprogrammeerde maatschappelijke voorzieningen in stand te houden, voorstellen het budget “investeringen randvoorwaardelijk voor woningbouw op de korte termijn” in te zetten. Zoals eerder beschreven, wordt gewerkt aan een nieuwe robuuste systematiek om de uitgaven verbonden aan de groei van de stad (inclusief bijbehorende noodzakelijke investeringen zoals die in de OV-schaalsprong en maatschappelijke voorzieningen) te kunnen betalen. Wij houden nog geen rekening met extra inkomsten uit woningbouw en gebiedsontwikkeling die nu ingezet kunnen worden voor ruimtelijke investeringen. Wel wordt door de rijksoverheid gewerkt aan de zogeheten realisatiestimulans woningbouw: met de realisatiestimulans ontvangen gemeenten straks een vast bedrag per betaalbare woning op het moment dat de woningen gerealiseerd zijn. De bijdragen die de gemeente hieruit ontvangt, reserveren we binnen de reserve Grondexploitaties tot de raad over de bestendige bekostigingssystematiek heeft besloten.

Vanuit het traject van de hervormingsbezuinigingen is bezuinigd op de investeringsmiddelen voor Duurzame mobiliteit. In dit MPR 2025 bedraagt de structurele bezuiniging jaarlijks 1,76 miljoen euro. Merwedelijn Groot-Merwede en Rijnenburg vormen samen de grootste woningbouwlocatie van Nederland met 75.000 nieuwe woningen. De aanleg van de Merwedelijn is nodig om deze woningbouw te kunnen realiseren. Bij het BO-MIRT in het najaar 2025 worden naar verwachting afspraken gemaakt over een voorkeurs-alternatief voor de Merwedelijn t/m Nieuwegein (onderdeel MIRT-verkenning ov en wonen). Daarvoor is méér budget nodig dan de 1,2 miljard euro die tot nu toe is toegezegd door de rijksoverheid, provincie en gemeenten. Daarvoor doen we een beroep op het Rijk, maar gaan we ook 33

zelf op zoek naar een verhoging van de gemeentelijke cofinanciering voor de Merwedelijn met 100 miljoen euro (raadsbrief van 12 november 2024), bovenop de eerder toegezegde 200 miljoen euro. Voor onze bijdrage aan de Merwedelijn kunnen we 10 miljoen euro per jaar beschikbaar stellen binnen het Meerjarenprogramma Bereikbaarheid (onderdeel van het MPR). Daarmee kunnen we de eerder toegezegde 200 miljoen euro bekostigen plus een gedeelte van de verhoging met 100 miljoen euro. Welk gedeelte van de 100 miljoen euro hiermee kan worden gedekt, kan nog niet worden bepaald. Dat is afhankelijk van externe factoren (zoals renteontwikkeling) en van afspraken over aanleg, toekomstig eigendom en financieringsconstructies, die nog moeten worden uitgewerkt. Per saldo is er nog geen volledig zekere dekking in beeld voor deze extra 100 miljoen euro. We nemen dit mee bij de uitwerking van een bestendige bekostigingssystematiek voor de groei van de stad. 3.3.3 Grip op investeringen Utrecht is een gemeente met een grote investeringsambitie. We investeren veel in voorzieningen voor een groeiend aantal inwoners (denk aan onderwijshuisvesting, sport, cultuur, mobiliteitsinfrastructuur en groen). We doen in toenemende mate vervangingsinvesteringen, met name in de naoorlogse uitbreidingswijken. En we staan voor nieuwe investeringsopgaven, zoals klimaatadaptatie, energietransitie en de ov-schaalsprong.

De gemeentelijke investeringsprogrammering is opgesteld met een scherp oog voor betaalbaarheid en dekking, onder andere uit de parkeerexploitatie (zie ook paragraaf 3.3.1). We nemen alleen investeringen op in onze meerjaren-investeringsprogramma’s als daarvoor voldoende budget beschikbaar is in de meerjarenbegroting, zoals voor rente en afschrijving van de investeringen. Daarmee komen we uit op een investeringsuitgavenraming van gemiddeld 380 miljoen euro per jaar in de periode 2025-2027 en daarna circa 200 miljoen euro per jaar. In de periode 2025-2029 heeft de actuele totale investeringsprogrammering een omvang van circa 1,6 miljard euro. Deze bedragen zijn niet gecorrigeerd voor beperkingen in uitvoerbaarheid. De omvang van het investeringspakket is zo groot dat dit merkbare gevolgen heeft voor financiële kengetallen van de gemeente. Voor een goede raming van financiële kengetallen is een inschatting nodig van de daadwerkelijke investeringsuitgaven in de komende jaren. Dit vergt een inschatting van de uitvoerbaarheid van investeringen. In de ervaringscijfers zien we dat de gerealiseerde investeringsuitgaven van jaar op jaar gestaag toenemen. In de periode 2017-2024 nam het volume jaarlijks met gemiddeld 18 miljoen euro toe. We gaan ervan uit dat we deze lijn kunnen voorzetten. Deze stijging gebruiken we als uitgangspunt voor de berekening van financiële kengetallen.

In vergelijking met de investeringsuitgavenraming voor 2025-2027 komt dit overeen met een realisatiepercentage van 65%. Dit komt overeen met het realisatiepercentage over 2024. In onderstaande grafiek is de realisatie tot en met 2024 weergegeven en vanaf 2025 de ongecorrigeerde actuele totale investeringsvolumes voor de komende jaren en de gecorrigeerde investeringsvolumes die in lijn zijn met de realistische verwachtingen.

34

Bij grote investeringsportefeuilles is een lagere gemiddelde realisatie dan 100% een bekend fenomeen. Dat geldt ook voor Utrecht. Een realisatiepercentage lager dan 100% wil zeggen dat de gemiddelde doorlooptijd van investeringen langer is dan in de programmering is opgenomen. Aan die langere doorlooptijden liggen veel verschillende redenen ten grondslag. Ze kunnen bijvoorbeeld ontstaan door externe factoren (capaciteitstekorten in de bouwsector), juridische procedures, scopewijzigingen en beperkt beschikbare capaciteit in de eigen organisatie. Verder kan ook netcongestie leiden tot langere doorlooptijd. Van tevoren is niet goed in te schatten bij welke investeringsprojecten de langere doorlooptijden precies gaan optreden en in hoeverre dat veroorzaakt zal zijn door externe of interne factoren. De correctie voor langere doorlooptijden (passend bij een verwacht realisatiepercentage lager dan 100%) is niet direct reden om minder projecten te programmeren. De programmering van investeringsprojecten baseren we op inhoudelijke doelstellingen zoals vastgelegd in visiedocumenten en beleidsnota’s en op de beschikbaarheid van budget in de betreffende begrotingsprogramma’s. Pas gedurende het begrotingsjaar blijkt bij welke projecten vertraging optreedt.

Met de realistische verwachtingen voor daadwerkelijke investeringsuitgaven beweegt de solvabiliteitsratio de komende jaren richting de signaalwaarde van 20% (zie onderstaande tabel). De netto schuldquote ligt weliswaar nog niet in de buurt van de grenswaarde voor de meest risicovolle categorie (meer dan 130%), maar de schuldquote neemt in de komende jaren wel fors toe. Daarmee kan financierbaarheid van de investeringsopgave in de volgende raadsperiode een knellende factor gaan worden. Tabel 9: Prognose solvabiliteitsratio en netto schuldenquote 2025

2026

2027

2028

2029

Solvabiliteit

23,5%

21,5%

21,4%

20,5%

19,8%

Netto schuldquote

79,2%

92,1%

94,5%

104,3%

106,3%

Toepassing van realistische uitgangspunten voor ontwikkeling van investeringsuitgaven heeft ook gevolgen voor lasten in de programmabegroting. In sommige gevallen leidt vertraging van investeringsprojecten tot een besparing van de kapitaallasten. Vertraging kan ook leiden tot hogere kosten voor beheer en onderhoud of tot andere bijkomende kosten, zoals kosten voor het gebruik van noodlokalen bij vertraging van de bouw van een extra school. Bij de Voorjaarsnota 2024 is al een verlaging van de kapitaallasten ingeboekt in het kader van reëel ramen. Besparingen op kapitaallasten door grip op investeringen en in samenhang daarmee vermindering van planningsoptimisme zijn in deze voorjaarsnota meegenomen in de hervormingsbezuinigingen, oplopend naar 4,1 miljoen euro structureel (zie bijlage 2 - Hervormingen en bezuinigingen: per maatregel toegelicht; Thema 2: Scherper prioriteren in beleid en werk; 11. Algemene middelen en overhead). Met bovenstaande inschattingen zetten we een stap in de richting van een hard investeringsplafond, om college en raad in staat te stellen om ook in de volgende raadsperiode scherp te sturen op duurzaam gezonde gemeentefinanciën. Implementatie van een hard investeringsplafond betekent dat de gemeentelijke investeringsprogrammering bestuurlijk wordt ingekaderd.

Die kaders worden bepaald op basis van economische criteria als betaalbaarheid, financierbaarheid en uitvoerbaarheid en inhoudelijke criteria (gewenste ontwikkeling van onze stad). Binnen die kaders zal integraal moeten worden afgewogen welke (typen) investeringen de hoogste prioriteit verdienen.

35

3.4 Netcongestie De belasting van het elektriciteitsnet in Utrecht nadert een kritische grens. Er is tekort aan capaciteit voor stroomtransport op piekmomenten. Daardoor is er al een wachtlijst voor stroomaansluitingen voor grootverbruikers en dreigt er een wachtlijst voor kleinverbruikers. Zonder onmiddellijke aanvullende maatregelen komen veel ontwikkelingen tot stilstand. En daarmee de ontwikkeling van woningen en voorzieningen, de vestiging van bedrijven, verduurzaming. Ook neemt het risico op frequente stroomuitval aanzienlijk toe. Dit alles kan grote impact hebben op het woon- en werkklimaat, de werkgelegenheid en de leefbaarheid in Utrecht. Daarnaast heeft de dreigende stilstand grote financiële consequenties voor de gemeente. Om verdere netcongestie en verlies aan inkomsten te voorkomen, ontwikkelingen mogelijk te maken en voorbereidingen te treffen voor geval van stroomuitval stellen we een pakket van maatregelen voor. Die maatregelen kosten geld, maar voorkomen hogere kosten of lagere inkomsten. Vanwege de hoge mate van onzekerheid over de verdere ontwikkeling van netcongestie en het verwachte rijksbeleid om dit landelijke probleem aan te pakken, zetten we in deze voorjaarsnota een eerste stap voor de komende twee jaar, waarbij wel structurele verplichtingen worden aangegaan terwijl de financiële dekking incidenteel van aard is.

Dit betekent dat er een overwogen risico wordt genomen, dat deels verwerkt is in het weerstandsvermogen. Hieronder worden de voorgestelde maatregelen toegelicht. •

•

•

Fysieke maatregelen: maatregelen die nodig zijn om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken en de stroomvraag in de piek op te vangen. Bijvoorbeeld oplossingen die nodig zijn voor de nieuwbouw of renovatie van gemeentelijk vastgoed, voor gebiedsontwikkelingen en de inpassing van elektriciteitshuisjes. De kosten ramen we op 3,1 miljoen euro in 2025 en 4,1 miljoen euro in 2026, Doorbraakteam: noodzakelijke onorthodoxe veranderingen mogelijk maken, het organiseren van doorbraakdossiers en escaleren als noodzakelijke maatregelen stagneren. De kosten, vooral onderzoek en personeel, ramen we op 1,5 miljoen euro in 2025 en 1,8 miljoen euro in 2026. Voorbereiding op stroomuitval: voorbereiding van de gemeentelijke crisisorganisatie op frequente, langdurige en grootschalige uitval van stroom die kan leiden tot maatschappelijke ontwrichting. De kosten hiervoor ramen we op 1 miljoen euro in 2025 en 0,8 miljoen euro in 2026.

Een deel van deze kosten wordt gedekt door het inzetten van middelen die in de vorige voorjaarsnota beschikbaar zijn gesteld. Daarnaast is er binnen het programma Klimaatvriendelijke stad incidenteel 1 miljoen euro vrijgemaakt. Ook hevelen we middelen over vanuit het project Overvecht Noord Aardgasvrij. Door een andere aanpak van dit project, wordt het projectbudget van 8,5 miljoen euro voorlopig niet ingezet, waarvan 3,7 miljoen euro aan middelen van de gemeente zelf. Aanvullend maken we voor 2025 en 2026 incidenteel dekking vrij voor respectievelijk 2 en 1,8 miljoen euro. Vanaf 2026 nemen we een risico op, uitgaande van compensatie van de fysieke maatregelen door projectontwikkelaars of Rijk en compensatie van de personele kosten van het doorbraakteam door het Rijk. Onderdeel van dit risico zijn de verplichtingen die we na besluitvorming aangaan voor de fysieke maatregelen voor het gemeentelijke vastgoed. Deze leiden tot structurele (kapitaal) lasten, die na 2026 verder toenemen tot een bedrag van circa 1,6 miljoen euro in 2028. Onderstaande twee tabellen zetten respectievelijk de kosten van de voorgestelde maatregelen en voorgestelde dekking op een rij.

36

Tabel 10 kosten van de voorgestelde maatregelen Bedragen x € 1.000

2025

2026

Fysieke maatregelen

3.100

4.100

Doorbraakteam

1.500

1.800

Voorbereiding op stroomuitval

1.000

800

Totaal kosten

5.600

6.700

2025

2026

-750

-750

Kosten van de maatregelen

Tabel 11 voorgestelde dekking Bedragen x € 1.000 Dekking Middelen uit Voorjaarsnota 2024 Budget programma Klimaatvriendelijke stad / Energie

-1.000

Vrijval warmtenet Overvecht Noord

-1.850

-1.850

Totaal dekking

-3.600

-2.600

0

-2.300

2.000

1.800

Risico nemen op compensatie door Rijk en of projectontwikkelaars Resterende tekort (bijsturing)

37

4. Financiële strategie Het financiële vertrekpunt van de voorjaarsnota vraagt om keuzes om het structureel tekort op te lossen. De financiële strategie die we hebben uitgewerkt om weer tot een sluitend financieel beeld te komen, bestaat uit onderstaande onderdelen: 1. 2. 3. 4.

Financieel-technisch beleid Hervormingen en bezuinigingen Inschattingen inkomsten Rijk Kasschuif

Tabel 12: Financiële strategie Bedragen x € 1.000

2025

2026

2027

2028

2029

Structureel

Startsaldo Voorjaarsnota 2025

-19.314

-38.682

-36.997

-35.431

-29.806

-27.942

1. Financieel-technisch beleid

5.836

0

0

0

0

0

2. Hervormingen en bezuinigingen

858

3.168

6.629

8.822

9.062

8.820

3. Inschattingen inkomsten Rijk

25.094

31.501

30.952

19.186

19.122

19.122

4. Kasschuif

-12.474

4.013

-584

7.423

1.622

0

Financiële strategie

19.314

38.682

36.997

35.431

29.806

27.942

0

0

0

0

0

0

Eindsaldo Voorjaarsnota 2025

Het verwachte overschot in 2025 wordt niet direct besteed voor wensen van dit college, maar gebruikt om de meerjarenbegroting op orde te brengen voor de volgende raadsperiode. Dit gebeurt door middel van de zogenaamde kasschuif. De kasschuif verrekent overschotten en tekorten in de afzonderlijke jaren en werkt neutraal over de jaren. Daarom lichten wij de kasschuif hieronder niet verder toe.

4.1 Financieel-technisch beleid In het financieel-technische beleid kijken we naar financieel technische mogelijkheden, zoals inzet van het eigen vermogen (reserves), om met name het tekort voor de korte termijn op te lossen. Onderstaande tabel geeft een specificatie van de verschillende onderdelen. Tabel 13: Financieel-technisch beleid Bedragen x € 1.000

2025

2026

2027

2028

2029

Structureel

Beschikbare ruimte weerstandsvermogen

2.600

0

0

0

0

0

204

0

0

0

0

0

2.572

0

0

0

0

0

460

0

0

0

0

0

5.836

0

0

0

0

0

Vrijval reserves (4 jaar geen mutatie) Reserve bouwleges > maximum: vrijval surplus Overige vrijval reserves Totaal Financieel-technisch beleid

38

4.1.1 Beschikbare ruimte weerstandsvermogen Uit de actualisatie van het weerstandsvermogen voor de jaarrekening 2024 blijkt de beschikbare weerstandscapaciteit 2,6 miljoen euro boven de benodigde weerstandscapaciteit te liggen. Uitgaande van de norm van minimaal 1,0 is er ruimte om de beschikbare weerstandscapaciteit te verlagen. Voorgesteld wordt om het surplus in te zetten voor incidentele dekking van de opgaven in de stad. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de wens van de raad (motie 415). 4.1.2 Vrijval reserves Op basis van de nota reserves vallen middelen uit bestemmingsreserves automatisch vrij als een bestemmingsreserve gedurende vier opeenvolgende jaren niet is gebruikt. Om deze reden kunnen de volgende reserves vrijvallen: reserve energiemaatregelen Utrechtse Scholen (185.000 euro) en de reserve geactiveerde investeringen vastgoed (19.000 euro). Daarnaast valt een bedrag van 2,572 miljoen euro vrij uit de egalisatiereserve bouwleges, aangezien deze boven het gestelde maximum uitkomt. Tot slot is de bestemming komen te vervallen van het revolverende fonds woningrenovatie en van het revolverende fonds jongerenschulden, waardoor een bedrag van in totaal 460.000 euro vrijvalt.

4.2 Hervormingen en bezuinigingen In de Voorjaarsnota 2024 is besloten hervormingsbezuinigingen uit te werken met een ingroeipad van 20 miljoen euro in 2026 tot en met tenminste 25 miljoen euro structureel vanaf 2029. Bij de hervormingsbezuinigingen gaat het om bezuinigingen die tijd kosten om door te voeren en hervormingen van de gemeentelijke organisatie: wat kan minder en beter? Van dit pakket aan hervormingsbezuinigingen van in totaal circa 25 miljoen euro kan worden gesteld dat het grotendeels voldoet aan de gekozen uitgangspunten die we hebben toegelicht in de raadsbrief over de hervormingsbezuinigingen: • • • • •

Zo min mogelijk impact op de stad Uitvoering zoveel mogelijk ontzien Prioriteren van werk Vitale organisatie bewaken Hervormen vóór bezuinigen

Naast de hervormingsbezuinigingen wordt nog eens 8,8 miljoen euro aan aanvullende bezuinigingsmaatregelen voorgesteld. Dit betreffen echte bezuinigingen waar de stad ook wat van gaat merken en die ook de uitvoering raken, zoals het sluiten van het klantcontactcentrum op woensdag- en vrijdagmiddag en het verminderen van het toekomstig budget Anders Reizen. Deze voorstellen doorkruisen grotendeels de uitgangspunten, maar vinden wij toch noodzakelijk om de financiën op orde te krijgen. Onderstaande tabel laat zien hoe deze twee pakketten op totaalniveau optellen. Tabel 14: hervormingen en bezuinigingen Bedragen x € 1.000

2025

2026

2027

2028

Hervormingen

505

14.333

21.470

24.492

25.492

24.992

Aanvullende bezuinigingen

353

8.836

8.159

8.330

8.570

8.828

Subtotaal

858

23.168

29.629

32.822

34.062

33.820

-20.000

-23.000

-24.000

-25.000

-25.000

3.168

6.629

8.822

9.062

8.820

AF: Verwerkt in begroting 2025 Totaal extra VJN 2025

858

39

2029 Structureel

Deze twee pakketten zijn verdeeld over de afgesproken hoofdrichtingen en thema’s. In de Programmabegroting 2025 hebben we u een tussenstand gegeven. We hebben daarbij kansrijke hervormingsthema’s genoemd met een financiële bandbreedte, die in onderstaande tabel zijn weergegeven. Daarin is aangegeven welke voorstellen per thema worden gedaan. Daarbij moet worden opgemerkt dat er overlap tussen de thema’s is. Sommige voorstellen gaan bijvoorbeeld zowel over efficiëntie als over prioriteren van beleid en werk. Tabel 15: totaal hervormings- en bezuinigingsvoorstellen per thema Totaal voorstellen (x € 1.000)

Hoofdrichting 1 - Aanpassen ambtelijke organisatie

Begroting 2025

Netto besparing hervormingen (structureel)

Netto-besparing aanvullende bezuinigingen (structureel)

9.600 - 14.400

22.870

4.280

Thema 1a: Efficiënter, zakelijker en klantgerichter werken

8.829

Thema 1b: Verlagen kwaliteit interne dienstverlening

2.458

Thema 2: Scherper prioriteren van beleid en werk

8.092

Thema 3: Centraliseren van o.a. bedrijfsvoeringsfuncties

2.111

Thema 4: Organiseren gemeentelijke dienstverlening en wijkgericht werken

1.380

Hoofdrichting 2 - Minder ambitie en kwaliteit

400 - 600

Thema 5: Versoberen vastgoed van onszelf en maatschappelijke partners

52

336

52

103

Thema 6: Verlagen bijdragen aan verbonden partijen en subsidies Hoofdrichting 3 - Verdienvermogen benutten

233 2.800 - 4.200

Thema 7: Verdienvermogen benutten PM

7.200 - 10.800

Totaal

20.000 - 30.000

2.071

4.212

2.071

4.212

24.992

8.828

Thema 1: Efficiënter, zakelijker en klantgerichter werken De gemeentelijke organisatie is de afgelopen jaren in omvang toegenomen om de groei van de stad en de groei van de gemeentelijke taken te kunnen faciliteren. Bij de hervormingsbezuinigingen zetten we in op een andere manier van werken en slimmer organiseren. Daarmee willen we een organisatie blijven die betrouwbaar, open, wendbaar en scherp is. Dat doen wij door processen te standaardiseren en te vereenvoudigen. Maar ook door, waar dat kan, scherpe keuzes te maken over de inzet van capaciteit, efficiënter te werken en taken te herverdelen. Daarnaast versoberen we de interne dienstverlening die de bedrijfsvoering levert aan de organisatie. Dit zal tot gevolg hebben dat onze overhead, die nu al in vergelijking met andere gemeenten relatief klein is, nog kleiner wordt. Dit is tevens ook de ondergrens voor een vitale organisatie. Hierop meer bezuinigen dan nu wordt gedaan vinden we daarom onverantwoord. Structureel wordt voorgesteld 11,3 miljoen euro aan efficiëntie- en interne dienstverleningsvoorstellen door te voeren. Daarnaast blijven we natuurlijk continu aandacht houden voor efficiënt en zakelijk werken en het verder beperken van de groei van de organisatie, verlagen van inhuur en het verminderen van het doen van externe onderzoeken.

Thema 2: Scherper prioriteren in beleid en werk We hebben duidelijke keuzes gemaakt wat prioriteit heeft en wat getemporiseerd of gestopt moet worden. We kijken daarbij ook kritisch naar bestaande en nieuwe werkzaamheden en beleid. Daarmee willen we 12,3 miljoen euro besparen. Daarbij focussen we onze keuzes waar kan op 40

4.280

effectiviteit. Het prioriteren van werk vraagt ook iets van ons en van uw raad nu en in de toekomst: iets erbij is iets eraf. Prioriteren van beleid en werk raakt ook de uitvoering en soms de dienstverlening aan de stad. Als we ruimer in ons financiële jasje hadden gezeten hadden we de stad uiteraard willen ontzien, maar we hebben nu naast een aantal hervormingen ook een aantal aanvullende bezuinigingen moeten opvoeren onder dit thema. Thema 3: Centraliseren van o.a. bedrijfsvoeringsfuncties We willen bedrijfsvoeringsfuncties centraliseren om daarmee niet alleen 2 miljoen euro te besparen maar ook beter te kunnen sturen op prioriteiten en gebruik te kunnen maken van schaalvoordelen en zo tevens de kwaliteit van de interne dienstverlening te kunnen verhogen. Het betreft hier in beginsel de functies IPM, Business Control en onderzoek. Thema 4: Organiseren gemeentelijke dienstverlening en wijkgericht werken Voor wat betreft “werkzaamheden overlaten aan de stad” staat hieronder een aparte tekst opgenomen. Daarnaast stellen we een bezuiniging voor door het differentiëren van de dienstverlening van wijkbureaus en slim ruimtegebruik van panden in de stad. Thema 5: Versoberen van vastgoed van onszelf en maatschappelijke partners We hebben een klein aantal voorstellen om vastgoed te versoberen. We stellen voor het wijkcultuurhuis Merwedekanaalzone uit te stellen en te versoberen.

En bij maatschappelijke vastgoedprojecten zullen we alleen aanvullende ambities meenemen als vóór de start van een project duidelijk is dat er extra geld voor ambities beschikbaar is. Hiermee voorkomen we dat er onnodig capaciteit wordt ingezet. Thema 6: Verlagen bijdragen aan verbonden partijen en subsidies Naast onze eigen organisatie hebben we onderzocht of het mogelijk en haalbaar is om de verbonden partijen efficiënter te organiseren en zo de bijdrage van de gemeente te verlagen. Op dit moment is het niet gelukt overeenstemming binnen de regio of samenwerkingsverbanden te vinden op het korten van de verbonden partijen. Veelal omdat er ook al rijkskortingen neerdalen in deze organisaties (voor GGD en VRU). Wel is afgesproken met de regiopartners het overleg over verlaging van de bijdragen te blijven voeren of kostenstijgingen af te wenden. Bij de Voorjaarsnota 2024 is al een forse korting gedaan op diverse subsidies. Omdat we de stad zo veel mogelijk willen ontzien hebben we nauwelijks voorstellen om te bezuinigen op subsidies. Dit betreffen ‘aanvullende bezuinigingen’. Thema 7: Verdienvermogen benutten In de Voorjaarsnota 2024 hebben we afgesproken in het kader van de hervormingsbezuinigingen ook aandacht te besteden aan opbrengstverhogingen.

We hebben hierbij niet gekeken naar directe lastenverzwaring voor inwoners, maar stellen wel bezuinigingen (of eigenlijk inkomstenverhogingen) voor ten aanzien van: a) private financiering van de cultuursector, b) de expertise uitbreiden om externe subsidies aan te trekken c) commerciële verhuur van ons eigen vastgoed en d) de inkomsten verpakkingsafvalheffing (SUP) uit de egalisatiereserve afvalstoffenheffing. Ook gaan we het budget aantrekkelijke stad en toeristenbelasting ontkoppelen waardoor er meer ruimte ontstaat in de begroting.

41

Impact organisatie Na een aanzienlijke krimp van de organisatie door bezuinigingen in de periode 2010 t/m 2015 is de omvang van de organisatie afgelopen jaren bewust toegenomen om de groei van de stad en de groei van de (verplichte) gemeentelijke taken te kunnen faciliteren. Deze groei vlakt af. Ondanks de groei zitten we op dit moment met 14,6 fte per 1.000 inwoners onder het gemiddelde van de G4-gemeenten van 18,6 fte per 1.000 inwoners. Het verwachte gevolg van de hervormingsbezuinigingen is dat de organisatie op een aantal plekken weer zal krimpen. Qua formatiereductie op concernniveau gaat het structureel om ongeveer 140 fte vanaf 2029. We willen de personele bezuinigingen zoveel mogelijk opvangen door het verminderen van externe inhuur, in combinatie met natuurlijk verloop (o.a. pensionering) en het niet voorzetten van tijdelijke contracten. Naar verwachting gaat dit om 80 fte van de 140 fte. Omdat we een organisatie zijn in een groeiende stad en met een toenemend aantal taken, hebben we op dit moment ook overal in de organisatie mensen nodig. Daarbij hebben we te maken met moeilijk vervulbare vacatures als gevolg van een krappe arbeidsmarkt. In het eerste kwartaal van 2025 ging het om ongeveer 250 vacatures, waarvan ongeveer de helft schaars. Dit betekent dat er hoe dan ook extra moeite nodig is om geschikte kandidaten te vinden die reageren.

In april stonden ruim 150 vacatures nog steeds open. We kunnen niet voorkomen dat er consequenties zijn voor medewerkers met een vast contract. Voor hen volgt een zorgvuldig herplaatsingsproces, waarin we ons inspannen om medewerkers van werk naar werk te begeleiden, in afstemming met de medezeggenschap. Daarbij zetten we ons in om zo veel mogelijk medewerkers binnen de gemeente te herplaatsen naar plekken waar medewerkers nodig zijn. Onze huidige inschatting is dat de bezuinigingen circa 60 fte met een vast contract gaan raken. We hebben een reserve ingesteld voor het opvangen van de personele frictiekosten, onder meer bedoeld om boventallige mensen van werk naar werk te begeleiden en eventuele loonkosten in die periode te betalen. De verwachting is dat deze reserve voldoende is om de personele frictiekosten van de bezuinigingen Voorjaarsnota 2024 en de hervormingsbezuinigingen (Voorjaarnota 2025) op te vangen. Werkzaamheden overlaten aan de stad Zoals aangekondigd in de Voorjaarsnota 2024 hebben we onderzocht of het overlaten van werkzaamheden aan inwoners en ondernemers kan leiden tot een bezuiniging, naast dat inwoners daarmee meer verantwoordelijkheid krijgen over hun eigen leven en omgeving. We hebben veel gesprekken gevoerd in de stad, met o.a.

vrijwilligersorganisaties, bewonersinitiatieven, maatschappelijke organisaties en ondernemers, zoals in motie 196/2024 ‘Gebruik de kracht van de samenleving’ wordt gevraagd. Telkens is de vraag gesteld welke taken, werkzaamheden of inkoop van de gemeente goedkoper zou kunnen worden uitgevoerd als de stad het overneemt of anders invult en wat dat vervolgens vraagt van de gemeente. De conclusie uit die gesprekken is dat het niet werkt als de gemeente aan deze partijen vraagt om een bezuiniging te realiseren of taken over te nemen, maar dat er wel kansen liggen in een andere manier van samenwerken tussen gemeente, markt en inwoners. Utrechters (inwoners en maatschappelijke en commerciële organisaties) geven aan dat zij meer willen en kunnen doen, maar dat dat ook andere samenwerkingsvormen en een andere rol van de gemeente vraagt. Het beleid van Samen stad maken, Geen Utrecht zonder U, geeft daar met de leidende principes voor houding en gedrag en met het kompas voor zeggenschap al de richting voor en stuurt op meer eigenaarschap voor Utrechters. Naast de samenwerkingsvormen waarin de gemeente eigenaar blijft, willen we extra inzetten op de vormen waar de Utrechter eigenaar is (overheidsparticipatie) of waar er gezamenlijk eigenaarschap mogelijk is (samen aan zet). Uit de gesprekken komt naar voren dat dit voor de gemeente betekent 42

dat we vooral richting geven en ruimte bieden met kaders op hoofdlijnen en dat we meer durven los te laten, ondernemerschap stimuleren, sturen op een gelijkwaardig speelveld en inzetten op mensgerichte duurzame relaties. Op dit moment levert dat geen bezuinigingsvoorstel op. Maar als wij als gemeente in sommige gevallen een stap terug doen en inwoners en organisaties meer ruimte geven, kan dit mogelijk wel leiden tot minder proceskosten voor de gemeente en meer subsidies en bijdragen van derden in de toekomst. De komende periode willen we inzetten op meer samenwerking met fondsen en bedrijven (o.a. voor matchfunding en social return), en onderzoeken we kansen voor meer eigenaarschap voor Utrechters in concrete projecten, zoals “Samen voor Overvecht” en ”Windmolens Lage weide”. Peilen Bij bezuinigingsvoorstellen die de dienstverlening aan de stad raken hebben we het Utrechtse Kompas voor zeggenschap gehanteerd om Utrechters te betrekken. Naast bovenstaand onderzoek hebben we daarom voor het opstellen van een aantal voorstellen gepeild bij partners in de stad. Dit is gebeurd voor het voorstel voor slimmer en efficiënter ruimtegebruik van gemeentelijk vastgoed en commerciële verhuur. Een aantal ideeën voor besparingen bij veiligheid hebben we voorgelegd aan OM en Politie.

In bijlage 1 staan alle maatregelen uitgesplitst voor wat betreft hervormingsbezuinigingen en aanvullende bezuinigingen. In bijlage 2 staan de maatregelen toegelicht en zijn ze uitgesplitst naar begrotingsprogramma. In bijlage 3 staan de afgevallen maatregelen. In bijlage 4 staat de eerste monitor van de bezuinigingen over het jaar 2024, waarover we u in de raadsbrief hebben geïnformeerd. In 2024 was een beperkt aantal bezuinigingsmaatregelen en opbrengstverhogingen van kracht, waardoor de omvang van deze monitor beperkt is. De volgende monitor zal een grotere omvang hebben in aansluiting op de raadsbrief.

4.3 Inschattingen inkomsten Rijk De afgelopen periode stond in het teken van grote onzekerheid over de inkomsten uit het gemeentefonds. De meest omvangrijke onzekerheid is het herstel van de korting op het gemeentefonds vanaf 2026 (landelijk 2,3 miljard euro), het zogenoemde ravijn. We willen een reële compensatie voor de uitvoering van onze gemeentelijke (medebewinds-) taken. Voor nieuwe taken als de Omgevingswet, voor de huidige taken zoals inburgering, de landelijke vreemdelingenvoorziening, de vervanging van oude infrastructuur, uitvoering van de Jeugdwet en voor het realiseren van de opgaven voor woningbouw, netcongestie en klimaat. In deze voorjaarsnota wordt een aantal inschattingen gemaakt van aanvullende middelen van het Rijk (tabel 16). Hieronder lichten we de gemaakte inschattingen nader toe. Tabel 16: Inschattingen inkomsten Rijk Bedragen x € 1.000

2025

2026

2027

2028

2029

Structureel

20.516

16.885

15.936

7.686

7.722

7.722

0

8.900

9.300

9.000

8.900

8.900

3. Specifieke uitkering woonplaatsbeginsel jeugd

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

4. Landelijke Vreemdelingen Voorziening

1.300

1.300

1.300

1.300

1.300

1.300

5. Aanvullende rijksmiddelen inburgering

2.078

3.216

3.216

-

-

-

Totaal inschattingen inkomsten Rijk

25.094

31.501

30.952

19.186

19.122

19.122

1. Inschatting inkomsten Jeugd 2. Demping terugval Gemeentefonds

43

Bij de inschatting van de inkomsten van het Rijk is rekening gehouden met de in de recent verschenen Voorjaarsnota 2025 van het Rijk aangekondigde extra middelen voor Jeugd en de demping van de terugval van het gemeentefonds. Voor deze inschattingen in tabel 16 is daarmee niet zozeer de vraag of er aanvullende middelen komen, maar wat het precieze bedrag zal zijn. De vertaling van deze extra middelen in de meicirculaire wordt verwerkt in de Programmabegroting 2026. 1. Inschatting inkomsten Jeugd Toereikende compensatie voor de medebewindstaken voor de jeugdzorg is lange tijd onderwerp van overleg met het Rijk. Een commissie van Wijzen heeft in 2021 naar aanleiding van een gerechtelijke uitspraak richting gegeven aan de oplossing van problematiek: extra middelen en het uitvoeren van een hervormingsagenda. De gezamenlijk met het Rijk opgestelde hervormingsagenda jeugd is in 2023 vastgesteld, met een inspanningsverplichting voor Rijk en gemeenten om de kosten van de jeugdzorg te beperken. Begin 2025 heeft de deskundigencommissie Van Ark een rapport opgesteld over de ontwikkeling van de kosten voor jeugdzorg, de hervormingsagenda en met adviezen over verbetering van het stelsel.

Onderdeel van deze adviezen is een financiële compensatie voor gemeenten vanaf 2023 voor de groei van het zorggebruik en een automatische indexatie van de budgetten op basis van de in de zorg gebruikelijke OVA/PPC (in plaats van het Bbp-prijs). Dit rapport was onderwerp van gesprek bij het Overhedenoverleg. Hierbij is nauw opgetrokken met de G4 en de VNG. In de Voorjaarsnota 2025 van het Rijk zijn aanvullende middelen aangekondigd. Dit betreft: • •

Het structureel doortrekken van de compensatie van 50% van het over 2024 vastgestelde landelijke tekort (circa 7,7 miljoen euro structureel vanaf 2025). Een verzachting van de besparingen die op basis van de reeks van de Commissie van Wijzen, als onderdeel van de bestuurlijke afspraken over de Hervormingsagenda Jeugd, waren ingeboekt voor 2026 en 2027 van 9,2 respectievelijk 8,3 miljoen euro. Deze verzachting stopt per 2028. Het kabinet gaat ervan uit dat de maatregelen uit de Hervormingsagenda dan het beoogde effect hebben. Die aanname wijkt af van de Commissie Van Ark, die stelt dat per 2028 vooralsnog een PM taakstelling moet worden opgenomen tot het moment dat deze beter is onderbouwd. Hierin hebben Rijk en gemeenten een gezamenlijke verantwoordelijkheid.

In de voorjaarsnota van het Rijk is nog geen sprake van compensatie met terugwerkende kracht van de (helft van de) tekorten over 2023 en 2024. Het kabinet heeft toegezegd aan de VNG om de komende maanden naar ruimte te zoeken om gemeenten alsnog daarvoor te compenseren. In deze voorjaarsnota hebben wij een inschatting gemaakt van een nabetaling hiervoor van circa 12,8 miljoen euro in 2025. Per saldo komen er tot en met 2027 aanvullende middelen beschikbaar voor gemeenten, waarmee een aanzienlijk deel van het rapport van de Commissie Van Ark financieel wordt opgevolgd, en voor de korte termijn recht wordt gedaan aan het principe dat medebewindstaken worden vergoed. Hoe het Rijk de komende tijd uitvoering geeft aan de inhoudelijke aanbevelingen van de Commissie van Ark wordt niet duidelijk in de voorjaarsnota. Daarmee lopen gemeenten het risico dat de compensatie op de korte termijn de lasten dekt, maar investeringen in grondoorzaken op de lange termijn uitblijven. Daarmee wordt het structurele probleem van de almaar groeiende vraag naar jeugdzorg (nog) niet opgelost. Het in voorliggende voorjaarsnota opgevoerde knelpunt jeugd (7) is gebaseerd op de verwachting dat het Rijk van kaft tot kaft uitvoering geeft aan het rapport van de commissie van Ark (dus inclusief minder vrijblijvende aanpak van grondoorzaken).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=13119f1f-103b-426c-885e-ef97e604baa2