Voorjaarsnota en Bestuursrapportage 2024 (juni 2024, inclusief erratum)
Tekst van het document
Eventuele substantiële verschuivingen van cliëntaantallen van aanvullende zorg naar basiszorg dan wel van basiszorg naar sociale basis kunnen aanleiding zijn om budget te verschuiven.
Inwoners gaan de impact van de hervormingen voelen. Zo gaan zij merken dat zorg en/of ondersteuning anders is dan zij gewend waren (bijvoorbeeld groepsgericht in plaats van individueel) en dat als gevolg van ongelijk investeren zorg en/of ondersteuning minder wordt. Inzet is dat we – in lijn met het amendement “Utrechtse basis is een absoluut minimum bij bezuinigingen” - de Utrechtse basis waarborgen. Mocht dit onder druk komen te staan dan zullen we u hierover informeren en eventuele keuzes aan u voorleggen. Hoewel we stevig inzetten op hervormingen is de exacte omvang van de opbrengsten voor 2025 en verder nog lastig in te schatten. Bovendien hangt de realisatie van de taakstelling in de gewenste richting in belangrijke mate af van het wegnemen van belemmeringen in aangrenzende domeinen, zoals het medische domein, het ruimtelijke domein (huisvesting), onderwijs, participatie en inkomen. Tegelijkertijd zien wij dat er zowel financieel als inhoudelijk nieuwe uitdagingen opdoemen die doorwerken in het sociaal domein. Naast de extra bezuinigingen die gemeentebreed nodig zijn, blijken bijvoorbeeld de aannames onder de decentralisaties van 2015 wankel.
Zo loopt de transformatie naar een participatiesamenleving tegen grenzen aan, zijn er niet voldoende woningen om de beweging naar ambulantisering/zo lang mogelijk thuis wonen te faciliteren en leidt het dichtbij organiseren van zorg op korte termijn niet tot minder vraag (SCP-rapport Sociaal domein op koers).
26
Het is in Utrecht gelukt om met een consistente preventieve aanpak invulling te geven aan de Jeugdwet en Wmo met een budget dat substantieel lager is dan waar op basis van de verdeelsleutel gemeentefonds vanuit kan worden gegaan. De insteek van de hervormingen is dat zij niet afbreken wat afgelopen jaren is opgebouwd. We zien nu dat de rek uit de Wmo en Jeugdwet begint te raken, onder andere doordat kosten de afgelopen jaren stegen. Het risico bestaat dat als de gemeente onvoldoende investeert in preventieve en voorliggende voorzieningen in de Wmo en de Jeugdwet, de kosten voor aanvullende en individueel toegewezen (jeugd)zorg stijgen. Als gevolg van de wettelijke zorgplicht en jurisprudentie kan het beroep op dit type zorg niet worden genegeerd. In deze context is het zoeken naar de ruimte die we hebben. Over de voortgang van de hervormingen (inhoudelijk en financieel) rapporteren wij jaarlijks in de vorm van een raadsbrief die in Q4 wordt gedeeld. Dit is voor het eerst gedaan in Q4 2023 (raadsbrief stand van zaken hervormingen) en zal ook gebeuren in 2024 en 2025. Daarnaast wordt de reguliere begrotingscyclus benut om de raad op de hoogte te stellen en zo nodig bijsturingsmogelijkheden voor te leggen.
Na vaststelling van de voorjaarsnota zal de monitoring van de hervormingen sociaal domein worden gecombineerd met de overige bezuinigingsmaatregelen die u met deze voorjaarsnota vaststelt.
3.2 Wonen en opvang Er is een groot woningtekort in Utrecht en de druk op de woningmarkt zal de komende jaren hoog blijven. Regulier woningzoekenden kennen lange wacht- en/of zoektijden voor een sociale huurwoning. Kwetsbare groepen, zoals jongeren die verblijven in jeugdzorginstellingen, nieuwkomers met een verblijfsvergunning en mensen uit de maatschappelijke opvang zijn eveneens aangewezen op deze sociale huurwoningen. Daarnaast wordt er een steeds groter wordend beroep gedaan op huisvesting voor inwoners met een langdurige zorgvraag (zoals ouderen die langer thuis wonen en de extramuralisering van de Wlz). Het tekort aan huisvesting voor al deze kwetsbare doelgroepen leidt tot druk op het totale zorglandschap voor verblijf en opvang. Dit brengt diverse acute problemen met zich mee en leidt tot hogere maatschappelijke kosten, omdat we duurdere zorg langer inzetten dan nodig is, omdat mensen niet kunnen uitstromen, passende zorg wordt uitgesteld, omdat mensen niet kunnen instromen en veiligheidsproblemen ontstaan, omdat mensen op straat leven en slapen. De urgentie op dit vraagstuk wordt landelijk, en met name in de grote gemeenten, ervaren. Landelijk zien we tekorten in het aanbod van woonruimte in het sociaal segment (met name door stagnatie in de woningbouwproductie) en tegelijkertijd een stijgende vraag naar woningen voor kwetsbare doelgroepen.
De verwachting is dat het tekort aan woonplekken voor zowel regulier woningzoekenden als kwetsbare doelgroepen de komende jaren blijft bestaan in Nederland. Als gevolg daarvan zal de druk op de opvang toenemen: minder beschikbare woonruimte betekent een stijgende vraag naar maatschappelijke opvang. Mede daardoor stijgt het aantal dakloze mensen dat geen eigen vaste woon-of verblijfsplek heeft, in heel Nederland. Het profiel van groepen mensen met woononzekerheid en gebrek aan onderdak is de afgelopen jaren sterk veranderd. Twintig jaar geleden ging het vooral om een zeer kwetsbare groep dakloze mensen, vaak met ernstige lichamelijke, psychische en verslavings- problematiek die buiten sliepen en zichtbaar waren in publieke ruimte. Naast deze groep zijn er nu groter wordende groepen dakloze mensen die geen eigen woonplek hebben of deze dreigen te verliezen. Het gaat dan om economisch daklozen (met alleen een woonvraag), arbeidsmigranten, ongedocumenteerden, remigrantengezinnen en jongvolwassenen.
27
Ontbreken van betaalbare huisvesting en financiële bestaanszekerheid zijn de belangrijkste oorzaken van dakloosheid. Het tekort aan betaalbare woonruimte voor kwetsbare groepen zorgt voor druk op de totale opvangketen, omdat de plekken die worden ingenomen door rechthebbenden en statushouders niet kunnen worden ingezet voor de opvang van andere doelgroepen. Hiernaast hebben we te maken met een aantal autonome ontwikkelingen waar we geen invloed op hebben die zorgen voor meer dakloze EU-arbeidsmigranten en ongedocumenteerden in onze stad zoals migratiestromen, landelijk beleid en geopolitieke ontwikkelingen. Deze autonome groei zorgt ook de laatste jaren voor een toenemende opvangbehoefte en hierdoor groter beroep op de koudweerregeling (KWR).
Bijsturing Wonen Bijsturing van beleid of uitvoering voor wonen is op onderdelen mogelijk. Afhankelijk van de ambitie kan in meerdere of mindere mate in de huisvestingsbehoefte van zowel de regulier woningzoekenden als de kwetsbare doelgroepen worden voorzien. Het tekort op huisvesting (en daarmee voorkomen van opvang) wordt aangepakt middels vijf treden: • • • • •
Permanente woningbouw Samenwerking in de regio Optimaliseren van de bestaande voorraad Inzet van eigen vastgoed en/of aankopen van vastgoed Tijdelijke woningbouw
Deze vijf treden worden in samenhang aangestuurd door een programmateam. Via dit programma proberen we een balans te vinden tussen de vraag naar en aanbod van sociale huurwoningen.
Bijsturing opvang Het tekort aan woningen werkt zoals eerder toegelicht door naar de maatschappelijke opvang. In deze voorjaarsnota maken we middelen vrij voor vier urgente knelpunten bij opvang. Deze worden deels gedekt door ruimte in programma Passende ondersteuning en opvang. Het betreft de stijgende opvangbehoefte voor reguliere dakloze mensen door een tekort aan woningen, de autonome groei van het aantal dakloze EU-arbeidsmigranten en ongedocumenteerden, een structurele aanpak van de KWR (zie ook onze raadsbrief van 14 februari) en opvang voor statushouders waar nog geen reguliere woonplek voor is gevonden. De financiële uitwerking en toelichting vindt u in hoofdstuk 2.4.
3.3 Investeringen in de groei van de stad De basis voor het ruimtelijke investeringsprogramma is de RSU 2040. Deze laat zien hoe we verschillende ambities voor ontwikkeling van de stad met elkaar combineren. Als middel hiervoor gebruiken we de Utrechtse barcode. De barcode toont dat een groeiende stad niet alleen behoefte heeft aan meer woningen, maar ook aan extra werkplekken, groen, maatschappelijke voorzieningen, energieinfrastructuur et cetera. Met ons investeringsprogramma streven we ernaar dat het voorzieningenniveau meegroeit met het aantal inwoners van de stad, met extra aandacht voor wijken waar meer kansengelijkheid wenselijk is. De ambities uit de RSU 2040 zijn hoog en de middelen om deze te bereiken zijn beperkt. De mate waarin ontwikkelingen in de stad op koers liggen met de RSU 2040, zowel tempo, kwantitatieve als de kwalitatieve ontwikkeling, deint mee met de economische ontwikkeling van het land en de landen om ons heen. De (on)mogelijkheden die wij als stad hebben om koers te houden zijn onlosmakelijk verbonden met macro-economische en financiële ontwikkelingen. Sinds de oorlog in Oekraïne zien we bijvoorbeeld wereldwijd kostenstijgingen en onzekerheid in financiële markten. Dit heeft effect gehad op rentestanden en inflatieontwikkelingen. Hierdoor stellen veel investeerders hun investeringsbeslissingen uit.
28
We zien dat het aantal opleveringen van nieuwe woningen in 2024 van naar verwachting 2.230 woningen nog ver van onze ambitie ligt. Tegelijkertijd zien we het aantal verleende omgevingsvergunningen toenemen. Vanaf 2025 verwachten we onze ambitie om 3.000 woningen per jaar te bouwen weer te kunnen realiseren, mits de impact van netcongestie geen roet in het eten gooit. De problematiek op het elektriciteitsnet kan behoorlijk impact gaan hebben op het tempo van de woningbouw en ook op andere onderwerpen zoals het vestigen van bedrijven in Utrecht, verduurzaming van bestaand vastgoed maar ook op de ambities en de doelstellingen op de energietransitie. De enorme druk op de woningmarkt, de vraag naar betaalbare en sociale woningen in combinatie met de opgave van de zoektocht om vluchtelingen en asielzoekers te huisvesten, leggen een extra druk om de ruimtelijke inpassing, bekostiging en keuzes die ten koste gaan van andere– óók dringende – dossiers. Het knelt. Met dit gegeven en de benoemde ambities in de RSU 2040, moeten we op dit moment constateren dat het realiseren van deze ambities verder weg komt te liggen. Bovengenoemde effecten zetten in ieder geval het tempo van het realiseren van de ambities en doelstellingen van de RSU 2040 behoorlijk onder druk. De RSU 2040 is opgesteld in de context van gunstige marktomstandigheden. Toen was het al complex om alle ambities te realiseren.
Het vastgestelde beleid willen we graag een plek geven in de plannen, maar we dienen ook rekening te houden met de belangen en wensen van anderen, zoals bedrijven, marktpartijen, corporaties en niet te vergeten inwoners. Dit legt spanning op het snel realiseren van de ontwikkelingen binnen de hiervoor beschikbare budgetten. Dit wil niet zeggen dat er geen oplossingen zijn om toch zo veel mogelijk tempo te blijven maken. In 2023 zijn we gestart met het nemen van maatregelen om ontwikkelingen te blijven stimuleren en daarbij rekening te houden met de 'groei in balans' doelstellingen. Dit uitte zich in bijvoorbeeld regie te nemen op onderwerpen als grondposities (met toepassing van de Wet voorkeursrecht gemeenten), blijven investeren in sociale huisvestingsvraagstukken/tijdelijke huisvesting, optimaal gebruikmaken van de rijkssubsidies om woningbouwprojecten toch te laten starten, maar ook door onze Utrechtse aanpak van specifieke, projectgerichte maatregelen, gericht op betaalbaar wonen, waarin we soms concessies doen op eerder vastgesteld beleid om projecten vlot te trekken. Meebewegen wanneer tegenwind wordt ervaren is hierbij van belang. Als projecten door externe omstandigheden onder druk staan, ligt het meer voor de hand om per project maatwerk toe te passen, dan wanneer de omstandigheden voor woningbouw gunstig zijn.
De gemeentebrede bezuinigingsopgave maakt dat we de investeringen in het ruimtelijk domein kritisch tegen het licht moeten houden. De bezuinigingsopgave heeft impact op kwaliteit en tempo waarmee we ambities uit de RSU 2040 en het coalitieakkoord realiseren. Daarin zien we geen aanleiding om de visie voor de lange termijn inhoudelijk bij te stellen, bijvoorbeeld door minder in te zetten op woningbouw of door thematische doelstellingen aan te passen. Wel zullen de toevoeging van nieuwe voorzieningen, de vergroening van de stad en de omslag naar duurzame vormen van mobiliteit meer tijd vergen en we zullen vaker genoegen moeten nemen met minder hoge kwaliteit. We maken geen keuze tussen woningbouw of voorzieningen; het gaat om de balans. We vinden het verantwoord structureel 7,3 miljoen euro per jaar te bezuinigen op ruimtelijke investeringen. In paragraaf 4.3.3 beschrijven we op hoofdlijnen de samenstelling van dit bezuinigingspakket. Deze bezuiniging betekent dat tot en met 2040 115 miljoen euro minder beschikbaar is voor ruimtelijke investeringen. Dat heeft gevolgen in de stad: minder verhoging kwaliteit van de openbare ruimte dan wenselijk, minder toevoeging van groen in en om de stad in verhouding tot de toevoeging van woningen en minder investeren in bereikbaarheid (voetganger, fiets, ov).
Ook de investeringen in maatschappelijke voorzieningen blijven achter bij het ambitieniveau uit de RSU 2040, met name voor sport. De investeringsruimte die beschikbaar blijft, willen we gericht inzetten waar dat het hardste nodig is. Hierbij 29
geven we voorrang aan plekken in de stad waar kansenongelijkheid zich concentreert. Vooral daar willen we achterstanden inlopen, bijvoorbeeld met maatregelen tegen hittestress en met toevoeging van speelplekken in de openbare ruimte. In het Meerjarenperspectief Ruimte 2024 geven we een overzicht van de ruimtelijke investeringen, gekoppeld aan monitoringsinformatie voor thematische opgaven en gebieden in de stad. Specifiek voor mobiliteit geldt dat we in de meerjarenraming budget beschikbaar houden voor de schaalsprong ov. Op basis van de onderzoeksresultaten van de MIRT-verkenning ov en wonen zullen we in 2024 en 2025 met de projectpartners (Rijk, provincie, gemeente Nieuwegein) voorkeursalternatieven onderzoeken voor de eerste stap van de schaalsprong ov. Daarbij hanteren we de eerder met de partijen en de raad gemaakte afspraken over de verkenning. Mocht het blijken dat daarbij inhoudelijk of financieel aanpassing of aanvulling van de bestaande afspraken nodig is, dan betrekken we de raad daarbij.
3.4 Netcongestie We werken aan een klimaatvriendelijker Utrecht. Maar het stroomnet kan de toenemende vraag door groei en verduurzaming niet aan. De regio Utrecht zit nu in congestiefase 1. Nieuwe aanvragen voor grootverbruikaansluitingen komen op een wachtlijst, waarschijnlijk tot 2029. Op dit moment is het niet mogelijk om stroom te krijgen voor bijvoorbeeld de vestiging van een supermarkt, de uitbreiding van een distributiecentrum, de bouw van een school of een laadplein. De huidige mate van netcongestie heeft grote impact op geplande nieuwe woningen in de stad, op geplande nieuwe bedrijfsoppervlakte en ook op gemeentelijke vastgoedprojecten, zie ook de raadsbrief van 18 december 2023 en knelpunt 19 in hoofdstuk 2.4. De betreffende bouwprojecten kunnen de komende jaren alleen doorgaan als hun belasting van het stroomnet wordt beperkt met aanvullende maatregelen. Dit zal niet in alle gevallen mogelijk zijn. Waar wel mogelijk, zijn deze maatregelen kostenverhogend. Als de mate van congestie toeneemt, zal de impact op de bouwprojecten stijgen en het potentieel voor oplossingen afnemen. Dat is inmiddels het geval. De kans is aanzienlijk dat Utrecht naar congestiefase 2 gaat. Dan komen ook aanvragen voor nieuwe kleinverbruikaansluitingen op een wachtlijst.
Dit zou betekenen dat de bouw van een huis, de verzwaring van een huisaansluiting voor een warmtepomp en het plaatsen van een laadpaal niet meer mogelijk zijn. De stad gaat op slot, met negatieve gevolgen voor de economie, het woon- en leefklimaat, welzijn en welvaart. De provincie Utrecht heeft een Energy Board ingesteld om de aanpak van netcongestie te coördineren. Hierin zitten naast de provincie netbeheerders Tennet en Stedin, de kerngemeenten Amersfoort en Utrecht, vertegenwoordigers van de RES-regio’s en van het rijk. Gezamenlijk stellen zij onder leiding van het rijk een noodplan op om verdere verergering van de netcongestie in het FGU-gebied (Flevoland, Gelderland en Utrecht) te voorkomen. Het maatregelenpakket omvat onder meer congestiemanagement voor bedrijven, technische maatregelen op het netwerk, netbewust laden, netbewuste woningbouw, net-efficiënte installaties voor bestaande bouw (o.a. warmtepompen) en decentrale regelbare opwek, bijvoorbeeld gasgeneratoren. Als gemeente kunnen we daarnaast verschillende dingen doen om de druk op het stroomnet te beperken.
Voorbeelden zijn het stopzetten van de inkoopactie voor warmtepompen, tijdelijk fossiele oplossingen kiezen door ons eigen vastgoed aardgasvrijready te renoveren maar de laatste stap naar aardgasvrij uit te stellen en het advies aan bewoners om een hybride warmtepomp te kiezen in plaats van een volledig elektrische.
30
4. Financiële strategie Het financiële vertrekpunt van de voorjaarsnota vraagt om inhoudelijke keuzes om het structureel tekort op te lossen. De financiële strategie die we hebben uitgewerkt om het tekort op korte en lange termijn op te lossen en om de financiële positie van de gemeente Utrecht te versterken, bestaat uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.
Financieel-technisch beleid Haalbaarheid investeringsbegroting tegen het licht: reëel ramen Concrete bezuinigingsvoorstellen Aanvullende opdracht bezuinigingsrichtingen langere termijn: aanvullende hervormingsbezuinigingen 5. Opbrengstenverhogingen 6. Kasschuif
Bedragen x € 1.000
2024
2025
2026
2027
2028
Structureel
Startsaldo Voorjaarsnota 2024
-96.888
-61.253
-97.921
-96.726
-94.207
-93.404
1. Financieel-technisch beleid
96.259
23.399
10.518
13.327
10.357
12.806
2. Reëel ramen
7.423
8.475
10.181
7.132
2.668
850
3. Concrete bezuinigingsmaatregelen
3.337
10.337
24.247
32.392
33.615
32.138
0
0
20.000
23.000
24.000
25.000
4. Hervormingsbezuinigingen 5. Opbrengstenverhoging
0
19.043
22.066
22.610
22.610
22.610
6. Kasschuif
-10.131
0
10.909
-1.735
957
0
Financiële strategie
96.888
61.253
97.921
96.726
94.207
93.404
0
0
0
0
0
0
Eindsaldo Voorjaarsnota 2024
De kasschuif verrekent overschotten en tekorten in de afzonderlijke jaren en werkt neutraal over de jaren. Daarom lichten wij de kasschuif hieronder niet verder toe.
4.1 Financieel-technisch beleid In het financieel-technische beleid maken we enerzijds inschattingen voor de inkomsten vanuit het Rijk en anderzijds kijken we naar financieel technische mogelijkheden, zoals inzet van het eigen vermogen (reserves), om met name het tekort voor de korte termijn (2024 en 2025) op te lossen. Daarnaast stellen wij enkele financieel-technische maatregelen voor. Onderstaande tabel geeft een specificatie van de verschillende onderdelen.
31
Bedragen x € 1.000
2024
2025
2026
2027
2028
Structureel
0
-14.900
14.904
17.774
14.600
17.100
Vrijval vaste activareserve
203.037
0
0
0
0
0
Dotatie Algemene dekkingsreserve
-149.274
0
0
0
0
0
Dotatie Algemene reserve
-28.563
0
0
0
0
0
Dotatie reserve Personeelskosten bezuinigingen
-5.000
0
0
0
0
0
Dotatie reserve Implementatie en uitvoering hervormingen
-2.500
0
0
0
0
0
Dotatie reserve Vervanging zwembaden
-11.500
0
0
0
0
0
Dotatie reserve Tarieven sportaccommodaties
-5.000
0
0
0
0
0
Dotatie reserve Werken naar werk
-1.200
0
0
0
0
0
Structurele (kapitaal) lasten
-11.977
-10.755
-10.592
-10.403
-10.074
-10.000
Onttrekking Algemene dekkingsreserve
105.936
43.338
0
0
0
0
2.300
10
500
250
125
0
0
5.706
5.706
5.706
5.706
5.706
96.259
23.399
10.518
13.327
10.357
12.806
Risico-inschattingen Rijksinkomsten Inzet eigen vermogen
Financieel-technische maatregelen Start afschrijving per 1 januari Indexering maximeren op prijscompensatie gemeenfonds Totaal financieel-technisch beleid
4.1.1 Risico-inschatting voor de verwachte Rijksinkomsten Actuele onzekerheden en ontwikkelingen gemeentefonds De inkomsten uit het gemeentefonds blijven onzeker, de meest omvangrijke onzekerheid is het herstel van de korting op het gemeentefonds vanaf 2026. Maar er is ook sprake van beweging. Het demissionaire kabinet heeft in zijn voorjaarsnota voorgesteld extra middelen beschikbaar te stellen om omissies te corrigeren. Zo komt de opschalingskorting vanaf 2026 definitief te vervallen en wordt de groei van de Wmo-kosten reëel gecompenseerd. Daar staat een eenmalige korting in 2025 tegenover. Dit voorstel moet nog worden vastgesteld door de Tweede kamer en blijft daarom onzeker. Naar verwachting geeft de Meicirculaire 2024 duidelijkheid. Met deze extra middelen worden twee weeffouten in het gemeentefonds gecorrigeerd. Maar van passende inkomsten voor de uitvoering van onze taken is nog geen sprake. Zo blijft de korting vanaf 2026 grotendeels staan (2,3 miljard euro) en willen we reële compensatie voor nieuwe taken als de Omgevingswet en voldoende middelen voor de vervanging van oude infrastructuur. De compensatie hiervan hebben we via de VNG meegegeven aan de onderhandelaars van een nieuw kabinet. Een kabinet dat daarnaast ook moet bezuinigen. Naast deze onzekerheid worden er ook onderzoeken naar de verdeling van het gemeentefonds uitgevoerd.
Deze ontwikkelingen lichten we hieronder verder toe. Opschalingskorting en herstel korting gemeentefonds Vanaf 2026 is het gemeentefonds met de opschalingskorting verlaagd, ondanks dat het bijbehorende Rijksbeleid is verlaten. In ons coalitieakkoord is er daarom vanuit gegaan dat deze korting wordt teruggedraaid en extra middelen aan het gemeentefonds worden toegevoegd. Het gemeentefonds is door het kabinet vanaf 2026 gekort (4 miljard euro), zonder bijbehorende beleidskeuzes, dit wordt ook wel het ravijn genoemd. Bij de Meicirculaire 2023 is (vanaf 2027) 1 miljard euro toegekend aan gemeenten en resteert nog een korting van 3 miljard euro. De opschalingskorting
32
maakt voor 675 miljoen euro onderdeel uit van deze korting. In het coalitieakkoord is ervan uitgegaan dat deze korting wordt teruggedraaid en extra middelen aan het gemeentefonds worden toegevoegd. We handhaven deze inschatting (14,6 miljoen euro voor de gemeente Utrecht), mede omdat het demissionaire kabinet deze toevoeging aan het gemeentefonds heeft opgenomen in zijn Voorjaarsnota 2024. Er is nog steeds veel onzekerheid over een mogelijk verdergaand herstel van de gehele korting (of ravijn) op het gemeentefonds. Compensatie van deze korting is afhankelijk van een nieuw kabinet, dat bovendien staat voor een flinke bezuinigingsopgave, die ook gemeenten kan raken. In het laatste advies van de Studiegroep Begrotingsruimte wordt aangegeven dat het nieuwe kabinet vanaf 2028 een begrotingsopgave van 17 miljard euro heeft. Er is nog geen zicht op de wijze waarop het nieuwe kabinet deze opgave invult met bezuinigingen of lastenverzwaringen en of hier ook inhoudelijke beleidskeuzes worden gemaakt. Daarom nemen we geen verder risico en houden we in deze voorjaarsnota geen rekening met een verder herstel van de korting op het gemeentefonds. Herverdeling gemeentefonds In 2022 is de verdeling van het gemeentefonds over gemeenten gewijzigd. Het financiële effect per gemeente is toen gemaximeerd.
Inmiddels is al 13,5 miljoen euro aan nadelig herverdeeleffect voor Utrecht verwerkt (structureel). Eveneens in 2022 zijn aanvullende onderzoeken gestart naar onder andere grootstedelijke kosten. Als de oorspronkelijke herverdeling wordt voortgezet dan betekent dit voor Utrecht een extra nadeel van 3 miljoen euro vanaf 2027. De resultaten van de onderzoeken moeten in samenhang worden bezien met het mogelijk voortzetten van de herverdeling, voordat een inschatting kan worden gemaakt van het effect voor Utrecht. Dit blijft een risico. Aanvullende indexatie voor Wmo In de nieuwe groeisystematiek van het gemeentefonds (op basis van de ontwikkeling van het BBP) wordt onvoldoende rekening gehouden met het effect van de vergrijzing en prijsontwikkeling voor Wmo. De kosten stijgen harder dan het BBP. Daarom stelt het demissionaire kabinet in zijn Voorjaarsnota 2024 voor vanaf 2026 extra middelen beschikbaar te stellen om gemeenten reëel voor deze effecten te compenseren (oplopend van 75 miljoen euro in 2026 naar 225 miljoen euro 300 miljoen euro in 2029). Ook wordt gekeken naar de mogelijkheid om de Wmo te bekostigen vanuit een apart fonds, zodat de risico’s niet alleen bij gemeenten liggen. We nemen een risico-inschatting op vanaf 2029 voor een deel van deze extra compensatie (2,5 miljoen euro).
Hiermee laten we ruimte om de kostenstijging door vergrijzing in onze begroting te bepalen. Incidentele korting gemeentefonds 2025 Het demissionaire kabinet heeft naast extra middelen voor gemeenten (zie hierboven) ook een incidentele korting op het gemeentefonds opgenomen in zijn voorjaarsnota voor het jaar 2025. Deze korting bedraagt 675 miljoen euro. Voor deze korting nemen we een risico-inschatting op van 14,9 miljoen euro. Het definitieve bedrag zal in de komende mei- of septembercirculaire bekend worden.
4.1.2 Inzet eigen vermogen Om structurele bezuinigingen te realiseren is een ingroeiperiode noodzakelijk voor de jaren 2024 en 2025. Dit kan door het vrijspelen van incidentele middelen. Daarbij is gekeken naar het eigen vermogen en de mogelijkheden om middelen uit bestemmingsreserves vrij te laten vallen. De reserves zijn beoordeeld op basis van de onderliggende onderbouwing van het doel en de voor dat doel benodigde middelen. Daarnaast is gekeken naar mogelijkheden voor het aanpassen van het huidige financieel beleid om reserves vrij te spelen. Dit geeft tevens invulling aan de wens van de raad voor nader onderzoek van de reserves.
33
Activareserve De activareserve dient enerzijds ter dekking van de kapitaallasten van afgeronde investeringen (203 miljoen euro). Anderzijds wordt in deze reserve gespaard voor toekomstige investeringen (63 miljoen euro). Het bedrag voor de afgeronde investeringen kan vrijvallen als de begroting structureel wordt verhoogd voor de kapitaallasten. Hiermee komt een omvangrijk bedrag van het eigen vermogen (incidenteel) beschikbaar ter dekking van de begrotingstekorten in 2024 en 2025. Belangrijk voordeel is daarnaast dat daarmee structureel budget wordt begroot voor de vervanging van de betreffende investeringen. Dit leidt tot een gezond financieel beleid waarmee toekomstige tekorten worden voorkomen. We stellen daarom voor 203 miljoen euro te onttrekken aan de activareserve en dit bedrag voor 149,3 miljoen euro in te zetten ter dekking van het tekort in 2024 en 2025. Het restant van 53,8 miljoen euro wordt toegevoegd aan de algemene reserve en enkele bestemmingsreserves. De toename van de algemene reserve leidt bij de Programmabegroting 2025 mogelijk tot een toename van de weerstandsratio boven de gehanteerde norm. Gelet op de grote onzekerheid ten aanzien van de inkomsten van het Rijk en de onzekerheid met betrekking tot de realisatie van bezuinigingen en hervormingen verwachten wij echter ook een toename van risico’s en daarmee van de benodigde weerstandscapaciteit.
Bij het opstellen van de Programmabegroting 2025 is er meer zicht op de bijdrage van het Rijk (o.a. de uitkomsten meicirculaire). Op dat moment wordt de weerstandsparagraaf en de daarin opgenomen weerstandsratio geactualiseerd. Dat is tevens het moment om te overwegen of de financiële kengetallen het toelaten om een bedrag van 5,5 miljoen euro toe te voegen aan de reserve Grondexploitaties, als reservering voor toekomstige negatieve grondexploitaties, in lijn met de nog vast te stellen beleidsnota Grondbeleid. Dit bedrag maakt deel uit van het Jaarrekeningresultaat 2023 en is afkomstig uit in 2023 ontvangen incidentele afkoopsommen, meerwaardeafdrachten op gewijzigde erfpachtovereenkomsten en de incidentele uitgifte van gemeentelijke eigendommen. Van de toevoeging aan de algemene reserve/bestemmingsreserves zetten we apart: •
•
• • •
5 miljoen euro in de nieuw te vormen reserve Personeelskosten bezuinigingen, voor frictiekosten die naar verwachting ontstaan door de concrete bezuinigingsmaatregelen en de hervormingsbezuinigingen; 2,5 miljoen euro in de nieuw te vormen reserve Implementatie en uitvoering hervormingsbezuinigingen. Om de hervormingen mogelijk te maken zullen we moeten investeren aan de voorkant. Dit gaat om kosten voor het programmateam, inhuur van specifieke expertise (zoals benchmarking en onderzoeken) en eventueel implementatiekosten van de maatregelen. 11,5 miljoen euro in de reserve Vervanging zwembaden (zie paragraaf 4.2 Haalbaarheid investeringen tegen het licht: reëel ramen). 5 miljoen euro in de nieuw te vormen reserve Tarieven sportaccommodaties, om fricties bij de structurele verhoging van de tarieven op te kunnen vangen. 1,2 miljoen euro in de nieuw te vormen reserve Werken naar werk, omdat op dit budget wordt bezuinigd. Met de regio is juist besproken om tot een impuls te komen. Deze overbrugging geeft ruimte om marktpartijen meer te laten bijdragen.
34
Bestemmingsreserves Daarnaast zijn alle overige bestemmingsreserves groter dan 500.000 euro doorgelicht aan de hand van de onderliggende onderbouwingen van de actualiteit van de bestemming en de omvang van het bedrag. De analyse van de reserve grondexploitatie is uitgevoerd bij de onderbouwing daarvan voor de Jaarstukken 2023. Uit de doorlichting van de bestemmingsreserves komt naar voren dat er een mogelijkheid is om meer middelen vrij te spelen. Het gaat om een bedrag van maximaal 35,8 miljoen euro aan risicoreserves (16,9 miljoen euro), egalisatiereserves (10,2 miljoen euro) en overige bestemmingsreserves (8,7 miljoen). Dit kan echter niet zonder meer binnen de kaders van het huidige beleid, zoals de nota Risicomanagement en weerstandsvermogen en de nota Reserves. Er zijn ook nadelen aan verbonden, bijvoorbeeld afnemende risicobuffers in combinatie met de risico-inschatting voor de verwachte Rijksinkomsten (paragraaf 4.1.1). Het bedrag is niet nodig voor de tijdelijke oplossing van het begrotingstekort in 2024 en 2025 en ook niet zonder meer inzetbaar vanwege de vereisten met betrekking tot de solvabiliteit van de gemeente. Om deze redenen doen we geen voorstel om deze middelen op dit moment vrij te laten vallen.
4.1.3 Financieel-technische maatregelen Start afschrijving per 1 januari vanaf 2024 De huidige werkwijze is dat gestart wordt met afschrijven op het moment van ingebruikname. Voor nieuwe investeringen wordt voorgesteld om af te schrijven vanaf 1 januari van het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereedkomt. Dit levert een incidenteel voordeel op in de desbetreffende jaren. Bijkomend voordeel is een administratieve lastenvermindering. Indexatie volgt gemeentefonds De inkomsten uit het gemeentefonds worden via een eigen systematiek verhoogd voor de inflatie. Deze heeft geen relatie met de wijze waarop wij de andere onderdelen van de begroting indexeren. Voor de indexatie van onze begrote kosten maken we gebruik van een gedifferentieerde systematiek, waarbij de verschillende soorten kosten specifieke indexcijfers kennen. We stellen voor, voor de indexering van de materiële kostenbudgetten, de indexcijfers van het Rijk te volgen. Dit levert nu een besparing op, maar betekent dat als de kosten zich bij de gemeente anders ontwikkelen dan bij het Rijk, het verschil binnen de organisatie moet worden opgevangen. Voor de personele budgetten blijft de CAO voor gemeenten leidend.
4.2 Haalbaarheid investeringen tegen het licht: reëel ramen In deze paragraaf wordt reëel ramen toegespitst op de investeringsbegroting (kapitaallastenkredieten). Planningsoptimisme is daarnaast ook van toepassing op projectbudgetten en specifieke uitkeringen, bijvoorbeeld doordat het Rijk geld voor meerdere jaren in één jaar beschikbaar stelt. Er is sprake van planningsoptimisme in de investeringsbegroting als ervan uit wordt gegaan dat investeringen eerder gerealiseerd kunnen worden dan in werkelijkheid het geval is. Dit leidt jaarlijks tot onderbesteding op kapitaallasten en investeringsbandbreedtes. De exacte omvang daarvan is niet zonder meer vast te stellen. Het betreft complexe materie, aangezien programma’s een eigen systematiek en dynamiek kennen. Het gewenste inzicht op overall niveau vraagt om tijd en capaciteit (zoals ook benoemd in de raadsbrief Reactie managementletter 2023). Voor de lange termijn streven wij naar grip op investeringen: reëel begroten van investeringen en kapitaallasten via een normerende aanpak, met centrale regie op programmering en financiële spelregels, zoals een gemeentebreed investeringsplafond.
35
Uit analyse van onderbesteding van kapitaallasten blijkt, dat kredieten al in een vroegtijdig stadium worden aangevraagd, wanneer er nog geen zicht is op een realistische planning. Deels door complexiteit van projecten (waaronder projecten werk met werk maken), maar ook doordat de nadruk ligt op sturing per project en niet op het niveau van een programma of de totale investeringsbegroting. Veel programma’s houden in meer of mindere mate rekening met planningsoptimisme, maar er bestaat geen gemeentebrede consistente lijn. In de praktijk wordt daarnaast onderbesteding van kapitaallasten benut voor andere doeleinden. Zo worden personeelskosten voor investeringen in maatschappelijk vastgoed gedekt uit kapitaallastenbudget. Bij de uitwerking voor de lange termijn maken wij ook de inzet van de onderbesteding van de kapitaallasten voor andere doeleinden inzichtelijk en doen wij voorstellen om deze kosten begrotingstechnisch juist te ramen. Daarnaast blijven we planningsoptimisme jaarlijks monitoren en betrekken bij de integrale afweging voorjaarsnota. In de tabel hieronder brengen wij op basis van de huidige investeringsbegroting in beeld waar meer kapitaallasten zijn geraamd, dan zullen worden uitgegeven.
Dit leidt tot besparingsmogelijkheden in de programma’s Kansrijk opgroeien en Levendige en gezonde stad, na aftrek van de personeelskosten die uit de investeringsbegroting worden gedekt. Een aanvullende besparingsmogelijkheid zien wij in de indexering van de kapitaallasten. Op dit moment wordt het volledige kapitaallastenbudget geïndexeerd (afschrijvingen, rente en stelpost kapitaallasten). Het doel van indexering van budgetten is dat voor toekomstige (vervangings-) investeringen budget op het actuele prijspeil beschikbaar is. Deze benadering is vrij grof, waardoor het jaarlijks indexeren onbedoeld tot te hoge budgetten leidt. Zo is er geen reden om indexering toe te passen op het rentedeel van het kapitaallastenbudget. In het kader van planningsoptimisme en grip op investeringen, zullen ook de huidige grondslagen voor de kapitaallastenbudgetten tegen het licht worden gehouden. Vooruitlopend op mogelijke herziening van de grondslagen voor de kapitaallasten-budgetten, stellen wij voor om voor 2025 geen indexering toe te passen. Dit levert een structureel voordeel op van circa 850.000 euro. Bedragen x € 1.000 Programma
2024
2025
2026
2027
2028
Kansrijk opgroeien: onderwijshuisvesting
2.099
3.453
3.547
2.468
-778
-1.225
-1.225
-1.225
-1.225
-1.225
Levendige en gezonde stad: vastgoed
7.147
6.249
5.990
5.260
4.410
Personeelskosten vastgoed
-2.025
-2.025
-2.025
-2.025
-2.025
Levendige en gezonde stad: sport
1.877
1.623
3.494
2.254
1.886
Personeelskosten sport
-450
-450
-450
-450
-450
0
850
850
850
850
850
7.423
8.475
10.181
7.132
2.668
850
Personeelskosten onderwijshuisvesting
Niet indexeren Totaal reëel ramen
Structureel
Tot nu toe werd de onderbesteding van de kapitaallasten voor sportaccommodaties jaarlijks toegevoegd aan de reserve vervanging zwembaden, voor de op termijn noodzakelijke vervanging van de zwembaden Den Hommel en De Kwakel. Ter compensatie stellen wij voor een bedrag van 11,5 miljoen euro toe te voegen aan deze reserve (paragraaf 4.1.2). Op deze manier begroten wij de kapitaallasten zuiver en transparant. Naast de in de tabel genoemde programma’s zijn ook de programma’s Ontwikkelen en wonen voor iedereen, Duurzame bereikbaarheid en Aantrekkelijke, groene leefomgeving en erfgoed in de analyse betrokken. Daar zien wij geen mogelijkheid om door reëel ramen tot een besparing te komen, omdat in deze programma’s al rekening wordt gehouden met planningsoptimisme (Bereikbaarheid 20%,
36
Ruimtelijke ontwikkelingsprojecten 25%). Daarnaast is ook in het bezuinigingsvoorstel MPR rekening gehouden met aanvullende vrijval als gevolg van planningsoptimisme. De investering op rioolvervanging loopt achter op de planning. Dit is terug te zien in de stijgende voorziening GRP investeringen. Voor 2025 en verder gaat het om een bedrag van 3,3 miljoen euro. Dit bedrag is niet te besparen, omdat de rioolheffing maximaal 100% kostendekkend mag zijn. Wij stellen voor de verwachte onderbesteding kapitaallasten bij rioolvervanging in te zetten door de (stijging van de) rioolrechten met dit bedrag te verlagen.
4.3 Concrete bezuinigingsmaatregelen 4.3.1 Inleiding, proces De nieuwe financiële situatie dwingt ons tot het maken van stevige en pijnlijke keuzes. Als we onze mooie stad willen blijven ontwikkelen, is ingrijpen namelijk onvermijdelijk. Naast bovengenoemde meer financiële maatregelen moeten we daarom ook op een groot aantal inhoudelijke terreinen bezuinigen. We maken voor het grootste deel van de maatregelen gebruik van een onafhankelijke, objectieve, ambtelijke analyse om opties in beeld te brengen, waar en hoe er in de begroting bedragen bespaard kunnen worden. Deze ambtelijke inventarisatie telt op tot een structureel effect van 75 miljoen euro in 2026 en volgt uit een toezegging die we deden tijdens de behandeling van de Voorjaarsnota 2023. Dit bedrag was hoger dan het destijds voorziene tekort aan maatregelen, om de gemeenteraad ruimte te geven voor afweging van de te nemen maatregelen. Deze inventarisatie zou bij de voorjaarsnota met een advies van het college gepresenteerd worden. Op uw vraag hebben wij u deze ambtelijke inventarisatie al op 17 april gestuurd, zonder bestuurlijk advies. Onderdeel van deze inventarisatie is de overhead, de bedrijfsvoering van onze organisatie.
Deze inventarisatie levert 3 à 4 miljoen euro aan structureel besparingspotentieel op, waaronder de afbouw van de extra inzet op Inclusie en Diversiteit (met ingang van 2027) en Uthiek (met ingang van 2024). De bezuinigingen op de overhead zetten wij in als dekking van de overheadknelpunten (ca. 6 miljoen euro). De overige dekking wordt gezocht binnen de besparingsideeën op de overhead die nader uitgewerkt worden bij de hervormingsbezuinigingen (zie hoofdstuk 4.5) en door nadere prioritering binnen de overhead. Ons voorstel treft u hieronder. Wij laten per begrotingsprogramma zien welke maatregelen we nemen en tot welk bezuinigingsbedrag dat leidt. Per maatregel geven we een korte toelichting, waarin we ook de negatieve effecten of risico's van de besparingen benoemen. Niettemin achten wij de voorgestelde bezuinigingen acceptabel in hun impact op de stad. Bij een aantal maatregelen kiezen we ervoor om ze later in te laten gaan dan technisch mogelijk is, om zo de gevolgen te verzachten. In de ambtelijke inventarisatie treft u over de meeste maatregelen meer informatie. De bezuinigingen op ruimtelijke investeringen presenteren we in een separate paragraaf (4.3.3). Zoals aangegeven in hoofdstuk 2.1 is het belangrijk om de concrete maatregelen binnen het sociaal domein uit te voeren in samenhang met de hervormingen die reeds zijn ingezet binnen het sociaal domein.
Deze worden daarom in samenhang gemonitord en uitgevoerd. Nota bene: ten opzichte van de ambtelijke inventarisatie van 17 april zijn de bedragen vanaf 2025 geïndexeerd (zie paragraaf 2.2).
37
x € 1.000 Programma
2024
2025
2026
2027
2028
Structureel
0
0
2.176
2.690
2.690
2.690
1.000
1.268
1.679
1.679
1.813
1.813
Klimaatvriendelijke stad
0
1.601
1.701
1.701
1.701
1.701
Duurzame bereikbaarheid
545
873
1.386
1.386
1.386
1.386
Aantrekkelijke, groene leefomgeving en erfgoed
702
939
1.709
1.914
2.120
2.120
0
205
1.438
1.438
1.438
1.438
Betrouwbare overheid Ontwikkelen en wonen voor iedereen
Veilige stad Passende ondersteuning en opvang Werk, toekomstbestendige economie en bestaanszekerheid Kansrijk opgroeien Levendige en gezonde stad Subtotaal begrotingsprogramma’s
0
1.398
3.247
3.607
3.607
3.607
380
2.239
3.517
3.158
3.189
3.189
0
257
514
1.232
1.232
1.232
100
1.332
2.352
5.317
5.317
5.317
2.727
10.112
19.719
24.122
24.492
24.492
Bezuinigingen op ruimtelijke investeringen
110
225
4.528
8.270
9.123
7.325
Ontwikkeling dekkingsbronnen voor ruimtelijke investeringen
500
0
0
0
0
321
3.337
10.337
24.247
32.392
33.615
32.138
Eindtotaal
4.3.2 Maatregelen per programma Programma Betrouwbare overheid x €1.000 Maatregel
2024
2025
2026
2027
Stoppen met subsidie Stichting Utrecht4Globalgoals
0
0
66
66
66
66
Verlagen initiatievenfonds
0
0
770
770
770
770
0
0
149
149
149
149
0
0
719
719
719
719
Fysieke locaties wijkbureaus - focus aanbrengen of differentiëren over de stad
0
0
103
103
103
103
Geen reserve aanhouden voor ongeplande verkiezingen
0
0
257
257
257
257
Versoberen dienstverleningskanalen
0
0
113
113
113
113
Verlagen investeringsbudget dienstverlening
0
0
0
514
514
514
Verlagen budget Samen stad maken en terugdraaien intensivering coalitieakkoord Versoberen op de intensivering samen voor Overvecht (coalitieakkoord)
2028 Structureel
Stoppen met bijdrage Stichting Utrecht4GlobalGoals Deze stichting organiseert evenementen, heeft een faciliterende rol om de Global Goals te stimuleren en geeft informatie over de Global Goals in Utrecht. Er is afgelopen jaren al bezuinigd op de internationale inzet van de Gemeente Utrecht en ook op de samenwerking met deze stichting. We stellen voor binnen de internationale uitvoeringsstrategie prioriteit te geven aan andere activiteiten. Daarom stellen we voor de bijdrage aan de stichting te stoppen per 2026. Verlagen initiatievenfonds Het initiatievenfonds is een fonds voor grote en kleine initiatieven in Utrecht. Iedereen (inwoners en organisaties) met een goed idee kan laagdrempelig geld aanvragen uit het initiatievenfonds. We stellen voor het budget met 25% te verlagen. Deze bezuiniging betekent ook, dat er minder inkomsten vanuit de aanvragen komen bij Stadsbedrijven en Wijken. Deze maatregel gaat in per 2026.
38
Verlagen van het budget ‘Samen stad maken’ en terugdraaien intensivering coalitieakkoord Het programma Samen stad maken heeft tot doel gemeentebreed nieuwe vormen van samenwerking met Utrechters en organisaties te versterken in de stad. We stellen voor de structurele intensivering uit het coalitieakkoord voor Samen stad maken terug te draaien en het structurele budget met 25% te verlagen. Deze maatregel gaat in per 2026. Versoberen op de intensivering Samen voor Overvecht (coalitieakkoord) De wijkaanpak Samen voor Overvecht is een programma-overstijgende aanpak. Het budget is verdeeld over de volgende ambities en doelstellingen: 1. 2. 3. 4. 5.
Plezierig wonen in een meer gemengde wijk Perspectief voor de jeugd versterken Veilige Buurten Meedoen en Ondernemen Zorg en ondersteuning dichtbij en op maat
We stellen voor de intensivering uit het coalitieakkoord op de wijkaanpak Samen voor Overvecht terug te draaien met 25%. Initiatieven die geslaagd zijn, verduurzamen we vanuit andere middelen, zoals de Beroepentuin en de Werkwinkel. Deze maatregel gaat in per 2026. Fysieke locaties wijkbureaus - focus aanbrengen of differentiëren over de stad In de stad zijn tien wijkbureaus gevestigd. De wijkbureaus hebben grofweg twee functies: als eerste zijn de wijkbureaus een werk- en ontmoetingsplek voor professionals en als tweede zijn zij het informatie- en adviespunt voor bewoners (wijkservicepunt). We stellen voor focus aan te brengen op de wijkbureaus en te differentiëren over de stad. Dit biedt kansen om dienstverlening meer integraal aan te bieden, voor effectievere dienstverlening en betere vindbaarheid voor bewoners. Het bedrag dat we nu voorstellen is een eerste stap; het gaat ook om een hervormingsopgave voor de langere termijn. Ook wordt gekeken naar het herijken van locaties. De balies van Vleuten-de Meern zijn tot 2028 nodig in verband met de paspoortenpiek (dit gaat om 8 balies). In het traject hervormingsbezuinigingen wordt nader beoordeeld of deze locatie vervolgens kan sluiten. Deze maatregel gaat in per 2026. Geen reserve aanhouden voor ongeplande verkiezingen Voor ongeplande verkiezingen wordt 1 miljoen euro per 4 jaar als risicoreserve begroot.
We gebruiken de reserve verkiezingen alleen nog als egalisatiereserve en niet meer als risicoreserve voor een ongeplande verkiezing. Dit is een technische maatregel zonder maatschappelijk effect, die geen effect heeft op de kosten van een verkiezing. Hierdoor kan een bedrag van ongeveer 1 miljoen euro per 4 jaar anders worden ingezet (of jaarlijks 257.000 euro). Als dekking van het risico op een ongeplande verkiezing is het budget in de reserve niet toereikend en daardoor geen volledige beheersmaatregel. Daarom stellen we voor het risico op een ongeplande verkiezing te verplaatsen naar de algemene risicoparagraaf en risicoreserve. Deze maatregel gaat in per 2026. Versoberen dienstverleningskanalen De gemeente Utrecht gebruikt in het contact met inwoners en ondernemers verschillende kanalen voor producten en diensten en voor vragen. Veel van deze kanalen zijn noodzakelijk om aan de basisdienstverlening te voldoen. We stellen voor een aantal dienstverleningskanalen af te schalen. We stellen voor te stoppen met videobellen per 2026. Dit is nu een alternatief voor de balie en wordt ingezet bij VTH en WenI. Ook stellen we voor te stoppen met de Utrecht Nieuwsbrief en te volstaan met de website, de
39
wijkberichten en de post. Verlagen Investeringsbudgetten dienstverlening Eind 2022 is de Visie op dienstverlening vastgesteld. Voor deze visie is in het coalitieakkoord een bedrag van 1,1 miljoen euro per 2027 beschikbaar gesteld. We stellen voor de intensivering van het coalitieakkoord terug te draaien en de ambitie van de visie op dienstverlening te verlagen door het investeringsbudget te verminderen. We houden hiermee wel onze dienstverlening op peil. Programma Ontwikkelen en wonen voor iedereen x €1.000 Maatregel
2024
2025
2026
2027
2028
Structureel
Meerwaardeafdrachten na Stop de verkoop Stoppen met aanmoedigen wooncoöperaties
1.000
1.027
1.027
1.027
1.027
1.027
0
0
0
0
134
134
Halveren inzet Verhuisadviseur senioren incl. promotie
0
29
29
29
29
29
Lagere subsidie huurdersparticipatie/ doelgroepen incl. accres
0
22
22
22
22
22
Verminderen knelpuntenvoorziening
0
191
191
191
191
191
Risicogestuurd toezicht
0
0
411
411
411
411
Meerwaardeafdrachten na Stop de verkoop De maatregel Stop de verkoop uit het coalitieakkoord zorgt dat de gemeente ook geen opbrengsten meer krijgt uit de meerwaardeafdrachten van woningcorporaties. Deze opbrengsten waren begroot op 6 miljoen euro per jaar, waarvan tweederde deel werd gestort in de voorziening meerwaarde prestatieafspraken woningcorporaties. Deze opbrengsten zijn niet meer begroot. Er blijft een kleinere stroom van 1 miljoen euro aan meerwaardeafdrachten bestaan uit de verkoop van zogenoemde exoten in het bezit van woningcorporaties. Stoppen met aanmoedigen van wooncoöperaties We stellen voor te stoppen met het aanmoedigen van wooncoöperaties met financiële middelen. Dit betreft deels incidenteel geld, maar samen met het koopstartfonds zijn het relatief minder efficiënte middelen binnen het beleidsveld wonen. Hierdoor zou ook geminderd kunnen worden op de personele inzet. Deze maatregel gaat in per 2028. Halveren inzet Verhuisadviseur senioren inclusief promotie We stellen voor de inzet van de verhuisadviseur voor senioren te halveren, inclusief de promotie hiervan. Deze maatregel gaat in per 2025. Lagere subsidie huurdersparticipatie/ doelgroepen inclusief accres De subsidie huurderparticipatie is bedoeld om de positie en participatie van huurders te versterken, wat we belangrijk vinden. Daarom stellen we voor met een deel van de subsidie te stoppen.
Deze maatregel gaat in per 2025. Verminderen knelpuntenvoorziening We stellen voor de knelpuntenvoorziening in verband met loon- en prijsstijging van incidentele ruimtelijke ontwikkelingsprojecten te verminderen. Dit betekent een lagere voorziening voor tekorten (door loon- en prijsstijgingen) op incidentele projecten, die kan leiden tot versobering van projecten. Deze maatregel gaat in per 2025.
40
Risicogestuurd toezicht We stellen voor om meer dan nu in te zetten op risico-gestuurd toezicht bij het bouw- en woningtoezicht, waarbij we uitgaan van de omvang van de negatieve impact van bepaalde overtredingen. Ofwel, welke risico’s ontstaan er wanneer we niet bestuursrechtelijk zouden optreden? Vervolgens maken we een keuze om de beperkte capaciteit daarin te zetten waar dit het hardste nodig is. Deze maatregel gaat in per 2026. Programma Klimaatvriendelijke stad x €1.000 Maatregel Taakstelling energietransitie: mix maatregelen
2024 0
2025 1.601
2026 1.701
2027 1.701
2028 Structureel 1.701 1.701
Taakstelling energietransitie: mix maatregelen Voor de energietransitie werken we aan een systeemverandering, waarin verschillende activiteiten ten positieve of ten negatieve op elkaar inwerken. Het is goed mogelijk dat maatregelen die nu nog niet bekend of mogelijk zijn beter werken dan de huidige opties. Bovendien is hier geen sprake van structurele programmalijnen maar van een jaarlijkse programmering. Daarom stellen we een taakstelling voor, waarbij we wel een duidelijke richting meegeven om stapeling van effecten te voorkomen. Deze maatregel gaat in per 2025. Duurzame bereikbaarheid x €1.000 Maatregel
2024
2025
2026
2027
2028
Structureel
Temporiseren mobiliteitsbeleid
545
719
719
719
719
719
Besparen op parkeerbeleid
0
154
154
154
154
154
Bezuinigen op nieuwe bemenste inpandige fietsenstallingen
0
0
514
514
514
514
Temporiseren mobiliteitsbeleid We stellen voor het opstellen, actualiseren en uitwerken van mobiliteitsbeleid, zoals de spooragenda, ovnetwerkperspectief, het wiel met spaken en ontsluiting van nieuwe woningbouwlocaties te temporiseren. We zorgen dat de basis op orde is en besparen op de uitvoeringskosten. Deze maatregel gaat in per 2024. Besparen op parkeerbeleid We gaan door met ons beleid om parkeerplekken op te heffen en blijven mensen met lage inkomens compenseren voor parkeerkosten. Binnen het begrotingsprogramma stellen we wel een besparing op het beleid voor en boeken we een substantiële structurele bezuiniging in, met ingang van 2025. Bezuinigen op nieuwe bemenste inpandige fietsenstallingen Vanaf 2026 vallen er exploitatiemiddelen vrij die bestemd zijn voor het exploiteren van nieuwe openbare fietsenstallingen. Het levert een besparing op als we deze middelen niet meer inzetten voor het realiseren van nieuwe inpandige fietsenstallingen. We stellen voor gericht te bezuinigen, bijvoorbeeld op twee specifieke plekken.
41
Programma Aantrekkelijke, groene leefomgeving en erfgoed x €1.000 Maatregel
2024
2025
2026
2027
2028
Structureel
Stoppen subsidie dierenweides
0
0
51
51
51
51
Stoppen met bomen voor bewoners
0
103
103
103
103
103
Minder inzet op het moeten voldoen aan EU grenswaarden
0
0
0
205
205
205
Minder beleids- en onderzoekscapaciteit Gezond Leefklimaat.
172
292
292
292
292
292
Concessie vergoeding laadpalen niet fixeren en/of verhogen
0
0
0
0
205
205
Geen structurele middelen beschikbaar houden voor Bodem
500
514
514
514
514
514
Minder beleid opstellen voor lood en bodembiodiversiteit
30
31
31
31
31
31
Stroomlijnen initiatieven vergroening buitenruimte
0
0
719
719
719
719
voor luchtkwaliteit.
Stoppen subsidie dierenweides We stellen voor de subsidie voor dierenweides stop te zetten. Deze maatregel gaat in per 2026. Stoppen met bomen voor bewoners We stellen voor te stoppen met het weggeven van fruitbomen aan particulieren. Deze maatregel gaat in per 2025. Minder inzet op het moeten voldoen aan EU grenswaarden voor luchtkwaliteit We stellen voor minder ambtelijke uren in te zetten om te voldoen aan EU-grenswaarden voor luchtkwaliteit. Denk hierbij aan activiteiten als houtstookcampagne, afspraken met bedrijven over emissieloos vervoer en emissieloos bouwen. Deze maatregel gaat in per 2027. Minder beleids- en onderzoekscapaciteit Gezond Leefklimaat We stellen voor binnen de opgave in te zetten op minder beleids- en onderzoekscapaciteit en onderzoeksgeld. Tevens bouwen we onze lobby af. We beperken ons tot dat wat wettelijk verplicht is. Deze maatregel gaat getrapt in vanaf 2024. Concessie vergoeding laadpalen niet fixeren en/of verhogen Periodiek wordt een concessie verleend aan een marktpartij om de elektrische laadpalen in de openbare ruimte te exploiteren. De concessievergoeding is gefixeerd op 4 cent/kwH en wordt op dit moment rechtstreeks ingezet om het maatregelenpakket luchtkwaliteit te bekostigen.
Om te komen tot gemiddeld 1 miljoen extra inkomsten per jaar over de periode 2028-2034 stellen we voor dat in alle nieuwe contracten die vanaf 2028 op de markt komen de concessievergoeding wordt verhoogd van 4 naar 6 cent/kWh. De laadprijs gaat dan omhoog van circa 40 cent/kWh naar 42 cent. Geen structurele middelen beschikbaar houden voor Bodem We stellen voor de beschikbare middelen voor Bodem structureel te verlagen, naast de specifieke uitkeringen. Deze maatregel gaat in per 2024. Minder beleid opstellen voor lood en bodembiodiversiteit We stellen voor minder beleid op te stellen voor lood en bodembiodiversiteit waardoor er minder inzet nodig is op ambtelijke uren. Deze maatregel gaat in per 2024. Stroomlijnen initiatieven vergroening buitenruimte We stellen voor initiatieven voor vergroening van de buitenruimte of het beheer daarvan te stroomlijnen. Naast de gemeente zijn diverse andere partijen en inwoners in de stad bezig met deze onderwerpen en sommigen van hen ontvangen hiervoor subsidies die we heroverwegen. Deze maatregel gaat in per 2026. 42
Programma Veilige Stad x €1.000 Maatregel Bezuinigen op materiële budget ten behoeve van aanpak voorkomen van ontwrichtende effecten van ondermijnende criminaliteit Verschuiving in verdeling nachtdiensten BOA’s
2024 0
2025 0
2026 514
2027 514
2028 Structureel 514 514
0
0
257
257
257
257
Verlagen materieel budget Wijkveiligheid
0
205
205
205
205
205
Halveren inzet THOR op bewonersmeldingen (gemeentelijk overlast auto GOA)
0
0
462
462
462
462
Bezuinigen op materiële budget ten behoeve van aanpak voorkomen van ontwrichtende effecten van ondermijnende criminaliteit We stellen voor het aantal activiteiten voor aanpakken/interventies/acties die bekostigd worden uit materiële budgetten uit de coalitiemiddelen en de aanpak Grenzen Stellen Perspectief Bieden (GSPB) te verminderen. Voor deze specifieke doelgroepen bieden we dan minder activiteiten aan op het gebied van weerbaarheid en preventie, werk, sport en opleiding en onderzoek. Deze maatregel gaat in per 2026. Verschuiving in verdeling nachtdiensten BOA’s De BOA’s van toezicht en handhaving openbare ruimte (THOR) worden nu vier nachten per week van 23.00 tot 07.30 uur ingezet in een bestuurlijk afgestemd gebied. Deze inzet is gericht op veelvoorkomende overtredingen en overlast. In de nachtelijke uren is de kans op openbare ordeverstoringen groot. We stellen voor de inzet van de BOA's te verschuiven naar dat deel van de nacht waar de meeste verstoringen plaatsvinden. Deze maatregel gaat in per 2026. Verlagen materieel budget wijkveiligheid We stellen voor het beschikbare materiële budget ten behoeve van de aanpak van (on)veiligheid in de wijken te verlagen. De afgelopen jaren blijkt dat het budget niet volledig werd benut. Deze maatregel gaat in per 2025.
Halveren inzet THOR op bewonersmeldingen (GOA) De eenheid gemeentelijke overlastaanpak (GOA) handelt meldingen van inwoners en ondernemers af. Handhavers gaan op basis van de melding naar de locatie en voeren een controle uit. Zij treden afhankelijk van de situatie handhavend op. We stellen voor om deze inzet te halveren meer data-gericht te gaan werken. Deze maatregel gaat in per 2026. Programma Passende ondersteuning en opvang €1.000 Maatregel
2024
2025
2026
2027
2028
Structureel
Verlenging overeenkomsten aanvullende zorg 2025
0
258
516
516
516
516
Beperken keuzevrijheid dagbestedingsvoorziening
0
10
10
10
10
10
Domeinoverstijgende Samenwerking
0
0
51
51
51
51
Herinrichting Sociale Prestatie en Dagondersteuning
0
0
616
616
616
616
Beperken middelen tegen geweld in Afhankelijkheidsrelaties
0
0
0
51
51
51
Taakstelling Beschermd wonen
0
822
1.643
1.951
1.951
1.951
Stoppen subsidie opvang en begeleiding terugkerende gezinnen
0
0
103
103
103
103
Stoppen FIOM subsidie
0
308
308
308
308
308
43
Verlenging overeenkomsten aanvullende zorg 2025 Bij de verlenging van de overeenkomsten aanvullende zorg in 2025 kijken we naar tarieven per zorgvorm, inclusief mogelijkheden van digitalisering en collectief werken om kosten te drukken. En naar minder intensieve begeleidingsvormen voor langdurige zorg en waakvlamfuncties. We verlagen de contractwaarde van de huidige aanbieders bij de volgende verlengingsoptie door afspraken te maken over inzet van goedkopere zorgvormen. Beperken keuzevrijheid dagbestedingsvoorziening We kunnen vervoerskosten drukken door de keuzevrijheid van dagbestedingsvoorziening te beperken. De inwoner heeft dan alleen keuze uit nabije voorzieningen dagondersteuning. Door inwoners te verplichten gebruik te maken van een dagbestedingsvoorziening bij hen in de buurt, hoeven we minder geld uit te geven aan vervoerskosten naar een locatie van keuze verder weg. Zolang het adequate ondersteuning is, wordt voor de goedkoopste (in dit geval de dichtstbijzijnde) voorziening gekozen. Deze maatregel gaat in per 2025. Domeinoverstijgende samenwerking We stellen voor preventieve activiteiten in het sociaal domein te laten bekostigen door het zorgkantoor: in plaats van nieuwe projecten opzetten, aansturen op het overnemen van bestaande inzet.
Door het verschuiven van de bekostiging van specifieke activiteiten vanuit de Zorgverzekeringswet en/of Wet Langdurige Zorg worden de kosten voor de gemeente lager. Deze maatregel gaat in per 2026. Herinrichting sociale prestatie en dagondersteuning We stellen voor de subsidieregeling sociale prestatie en dagondersteuning opnieuw in te richten, door te kijken waar aanbod overlapt met andere regelingen. Ook bekijken we onder andere of we cofinanciering bij aanvragen subsidie sociale prestatie en dagondersteuning kunnen verplichten. We verlagen de huidige subsidies en verplichten subsidieaanvragers om een deel van hun kosten te dekken uit andere inkomstenbronnen. Of we stoppen subsidies waar er sprake is van overlap met het aanbod van andere subsidieregelingen. Deze maatregel gaat in per 2026. Beperken middelen tegen geweld in afhankelijkheidsrelaties We stellen voor de aanvullende zorg Wmo met betrekking tot Geweld in Afhankelijkheidsrelaties te beperken tot sec opvang en begeleiding. In overleg met de opvanginstelling wordt er bepaald welke preventieve taken anders ingevuld kunnen worden, zodat besparingen worden gerealiseerd. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de plegeraanpak en/of Maatje achter de voordeur. We beëindigen de aanpalende ondersteuning vanaf 2027.
Taakstelling Beschermd wonen We stellen voor een taakstelling op Beschermd wonen op te leggen en de uitgaven op Beschermd wonen te verlagen, passend bij de beweging van beschermd wonen naar beschermd thuis (visie Dannenberg). Beschermd wonen is een doorstroomvoorziening van Maatschappelijke Opvang, Forensische Zorg, de GGZ en Individuele Begeleiding. Dit betekent mogelijk dat contracten opengebroken moeten worden. Deze maatregel gaat in per 2025. Stoppen subsidie opvang en begeleiding terugkerende gezinnen We stellen voor de subsidie en ingekochte dienstverlening aan de zelfredzame gezinnen te verminderen, onder meer door strenger te toetsen op toegang tot opvang en te sturen op uitstroom in begeleiding van onvoorbereid terugkerende gezinnen. Deze maatregel gaat in per 2026. Stoppen FIOM subsidie FIOM is het expertisecentrum op het gebied van ongewenste zwangerschap. We stellen voor te stoppen met de subsidie. Het stoppen met de subsidie leidt niet tot extra zorgvraag, maar mogelijk wel tot een 44
verschuiving van de zorgvraag naar bijvoorbeeld het buurtteam of aanvullende zorg. Deze maatregel gaat in per 2025.
Programma Werk, toekomstbestendige economie en bestaanszekerheid x €1.000 Maatregel
2024
2025
2026
2027
2028
Structureel
Versoberen Actieagenda Economie
0
308
411
411
411
411
Verkleinen werkbudget Economie (coalitieakkoord)
0
51
51
51
51
51
Stoppen subsidie werk naar werk
0
411
411
411
411
411
Verminderen evenementenfonds
0
154
154
154
154
154
Verminderen bijdrage Utrecht Marketing (optelling voorstellen van Cultuur, MCN en Economie)
0
0
822
822
822
822
Bijdrage ROM en EBU verlagen
0
0
21
51
82
82
Bijdrage aan International Welcome Centre Utrecht Region verminderen