Verschil maken? - Gemeente, belastingen en rechtsherstel in naoorlogs Utrecht.pdf
Tekst van het document
18
Verschil maken?
November 2020
antwoord. Zij maakten bezwaar tegen de aankoop van de percelen, met uitzondering van Oudegracht 49/49bis en Voorstraat 98. Dit omdat een weldoordacht plan ontbrak, dat rekening hield met de gewijzigde verkeerselementen en de ‘tegenwoordige inzichten’ op stedebouwkundig gebied. Dat maakte een gemotiveerde beoordeling van de beoogde aankopen vrijwel ommogelijk. Ook leek het hun niet bezwaarlijk de beslissing over aankoop op te schorten, aangezien ‘in de gegeven omstandigheden’ toch geen plan voor nieuwbouw of ingrijpende verbetering aan de orde kon worden gesteld.98 Nu ging de burgemeester tot - een sterk verminderde - actie over. Het perceel Voorstraat 98 werd aangekocht voor een prijs van f 13.000,- en ‘overigens onder de bepalingen, welke voortvloeien uit de verordening nr. 154/1942 en met inachtneming van de in de bij dit besluit behoorende bijlage vermelde verkoopsvoorwaarden van het Algemeen Nederlandsch Beheer van Onroerende Goederen.’99 Bij besluit van 22 mei 1944 dacht de burgemeester ook het perceel Oudegracht 49/49bis aan te kopen.100 Maar ruim een maand later moest hij dit besluit alweer intrekken, omdat de ANBO had meegedeeld, ‘dat zij het beheer over dit pand thans niet meer heeft’, waardoor de verkoop geen doorgang kon vinden.101 Bijna een jaar na het ambitieuze besluit van juli 1943 was er dus maar één van de beoogde acht ANBO-percelen aangekocht: Voorstraat 98.
Dat de gemeente een pand kocht uit joods bezit, zal zij hebben geweten. Uit het voorbeeld van Wilhelminapark 26 blijkt dat de joodse rechthebbenden met naam en toenaam in de koopakte stonden vermeld. Handelend als beheerder verkocht het ANBO namens de NGV het onroerend goed. De gemeente had een ‘bestaande gelegenheid’ benut, met andere woorden opportunistisch gehandeld.
98
Secr.generaal van Binnenlandse Zaken aan commissaris der provincie (17 april 1944), HUA, toegang 1201 (Gedeputeerde Staten), inv.nr. 1495. 99 HUA, Gedrukte Verzameling 1944, nr. 25 (3 maart 1944). 100 HUA, Gedrukte Verzameling 1944, nr. 50 (22 mei 1944). 101 HUA, Gedrukte Verzameling 1944, nr. 67 (30 juni 1944).
19
Verschil maken?
November 2020
4. De draad weer oppakken 4.1 Afdeling Joodse Zaken Utrecht werd op 7 mei 1945 bevrijd. Burgemeester Ter Pelkwijk kwam terug uit zijn onderduik en sprak vanaf het bordes van het stadhuis de Utrechters toe. Hij nam zijn functie weer op en oorlogsburgemeester Van Ravenswaay werd gearresteerd.102 Vanzelfsprekend heerste er grote blijdschap over de bevrijding, maar tegelijkertijd vroeg een groot aantal problemen om een oplossing. Er bestond in de stad behoefte en gebrek aan de meest elementaire levensbehoeften.103 Organisaties om noden te lenigen waren al tijdens de bezetting actief.104 Na de bevrijding werd daarnaast het Utrechtse comité van Nederlands Volksherstel opgericht. Het plaatselijke comité in Utrecht kende een algemeen bestuur van maar liefst zeventig leden. Allerlei maatschappelijke sectoren waren erin vertegenwoordigd. De voormalige illegaliteit was met achttien personen het sterkst aanwezig. De gemeente Utrecht leverde tien vertegenwoordigers, onder wie het gehele college van B en W, gemeenteontvanger A. Koster en enkele hoge ambtenaren. Het eigenlijke werk gebeurde door de uitvoerende organisatie.105 Er kwam speciale hulp voor joodse slachtoffers en gedupeerden. Binnen Utrechts Volksherstel werd een afzonderlijke afdeling ‘Joodse Zaken’ opgericht.
Voorzover bekend was dat uniek voor de naoorlogse Nederlandse hulpverlening.106 Vaak wordt in dit verband verwezen naar het besluit dat tijdens de bezetting door de regering in ballingschap (Londen) was genomen: men zou geen onderscheid maken tussen joodse en niet-joodse oorlogsslachtoffers. De meerderheid in het kabinet-Gerbrandy had het in het licht van de nazistische rassenleer ongepast gevonden ‘dat men te veel de Joden als een afzonderlijke groep zou gaan bekijken’.107 De instelling van een afdeling Joodse Zaken in Utrecht – dus wél verschil maken - was daarom opmerkelijk, al lijkt er weinig discussie aan vooraf te zijn gegaan. Burgemeester Ter Pelkwijk verklaarde in een van zijn eerste toespraken na de bevrijding: 'Onze joodsche burgers als groep in het bijzonder trof geestelijk en lichamelijk een bitter lot.’108 De afdeling Joodse Zaken schreef in een verslag dat het merendeel van de joodse slachtoffers ‘absoluut niet in staat is hun eigen zaken te behartigen’ door wat zij hadden meegemaakt tijdens hun verblijf in concentratiekamp of onderduik. De afdeling zag het daarom als haar plicht ‘veelvuldig in allerlei zaken voor hen op te treden’.109 De geboden hulp bestond uit de inschrijving van alle gerepatrieerden en opgedokenen, het verlenen van financiële steun en het verschaffen van huisvesting en meubilering.
De cliënten hadden geld nodig voor de aanschaf van levensmiddelen en kledingen voor het betalen van huur. Verder werd contact gezocht met met verschillende medici en tandartsen, ‘die onze mensen voorlopig kosteloos behandelen’. Ook werd gewerkt aan de verstrekking van zakenvoorschotten voor de heropening van bedrijven. Tijdelijk onderdak werd geboden in een passantenhuis en er werd bemiddeld bij het vinden van woonruimte, waar een enorme behoefte aan was.110 In de eerste twee maanden na de bevrijding werden 7 à 800 personen 102
Melching, “Een loyale houding” (1995), p. 73. Hesselmans, ‘Een noodzakelijk oorlogsverschijnsel’ (2002), p. 223. 104 Van Schaik, “Om des gewetens wille” (1995), p. 100-103. 105 Hesselmans, ‘Een noodzakelijk oorlogsverschijnsel’ (2002), p. 226; HUA, toegang 756 (Stichting NVH), Inleiding (digitale versie). 106 Hesselmans, ‘Een noodzakelijk oorlogsverschijnsel’ (2002), p. 227. 107 Bossenbroek, De Meelstreep (2001), p. 195-196. 108 Bossenbroek, De Meelstreep (2001), p. 195-196. 109 Overzicht der werkzaamheden afd. Joodse Zaken (9 juli 1945), HUA, toegang 756 (Stichting NVH), inv.nr. 79. 110 Overzicht der werkzaamheden afd. Joodse Zaken (9 juli 1945), HUA, toegang 756 (Stichting NVH), inv.nr. 79. 103
20
Verschil maken?
November 2020
door haar financieel geholpen, van wie 350 in de maand juni.111 Bij de afdeling Joodse Zaken was L. Hartog een sleutelfiguur. Hij had sinds het begin van de oorlog ondergedoken gezeten en was actief geweest in het verzet. Hij voorzag tijdens de oorlog met zijn verzetsgroep bijna tweehonderd lotgenoten van geld, voedsel en andere hulpgoederen voorzien. Hij kende dus veel van de mensen die na de oorlog om hulp vroegen. De leiding van de afdeling Joodse Zaken was in handen van A. de Waard, een studente die ook actief was geweest in het verzet. Zij beperkte zich veelal tot de algemene leiding terwijl Hartog de feitelijke hulpverlening aan joodse oorlogsslachtoffers op zich nam.112 Door bemoeienis van de afdeling Joodse Zaken konden zaken worden bespoedigd, ook op het gebied van huisvesting.113 Uiteraard was dat zeer welkom bij de toestroom van terugkeerders, die allemaal hulp nodig hadden.
4.2 Onderdak ‘De heer C. is Oorlogsslachtoffer. Beleefd verzoeken wij U hem ter wille te zyn. Hy verzoekt in het perceel Spoorstraat enige kamers te mogen huren; met den eigenaar is de zaak geregeld. Momenteel woont hij er als duikeling.’114 ‘Betreft het in orde maken van een keuken in het perceel Catharijnesingel, voor den heer K. Voor de oorlog woonde hij J.M. Kemperstraat. Op 1 mei 1942 moest de heer K. gedwongen verhuizen naar Stadhouderslaan 92, ten gevolge van in beslagneming van het huis in de J.M. Kemperstraat door Duitse officieren. Daarbij moest bijna de gehele inventaris worden achtergelaten. Op 31 Augustus 1942 moest de Heer K. naar Amsterdam; wegens hoge leeftijd nog niet naar Westerbork. Op 26 Mei is de Heer K. ondergedoken in de Hamburgerstraat te Utrecht en daarna op verschillende andere adressen. O.a. in Elst, Ingen, Utrecht, Twello. Na de capitulatie werd door de DIHA het huis aan de Catharijnesingel toegewezen aan twee families. Derhalve moest een kamer omgebouwd worden tot keuken op de etage van den heer K.’115 Na de bevrijding heerste er grote woningnood, die nog jaren zou voortduren. Er moet in de eerste maanden na de bevrijding heel wat zijn geïmproviseerd om terugkeerders te huisvesten. Dat veel mensen ontheemd waren, blijkt uit de volgende cijfers.
Landelijk gezien waren dit volgens Bossenbroek 1.800.000 personen: 300.000 keerden terug uit Duitsland, ruim een miljoen waren evacué's, circa 350.000 onderduikers, verder tienduizenden hongervluchtelingen en eveneens tienduizenden tewerkgestelden. Bijna de helft behoorde tot de rechtstreekse oorlogsslachtoffers. Het aantal op te vangen gerepatrieerden in Utrecht bedroeg 10.000.116 Natuurlijk hadden al deze mensen een dak boven hun hoofd nodig. Mei 1945 stonden er zo’n 42.000 woningen in Utrecht. Dat aantal was ongeveer evenveel als bij het begin van de oorlog. In de oorlogsjaren waren er ruim 200 woningen in de stad geheel vernield en ruim 1.500 woningen licht beschadigd. Er kwamen in die periode nauwelijks woningen bij, terwijl de bevolking toenam van 168.000 eind 1939 tot 177.000 eind 1945.117
111
Statistische gegevens Afd. Joodse Zaken (12 juli 1945), HUA, toegang 756 (Stichting NVH), inv.nr. 79. Hesselmans, ‘Een noodzakelijk oorlogsverschijnsel’ (2002), p. 228-229. 113 Overzicht der werkzaamheden afd. Joodse Zaken (9 juli 1945), HUA, toegang 756 (Stichting NVH), invnr. 79 114 Hartog aan directeur BARA (13 juni 1945), HUA, toegang 756 (Stichting NVH), inv.nr. 78-a 115 Getypte notitie (ongedateerd), HUA, toegang 756 (Stichting NVH), inv.nr. 78-a. 116 Bossenbroek, De Meelstreep (2001), p. 183, 194. 117 Verhoeven, ‘Verder hebben we heel gewoon geleefd’ (1995), p. 174-175. 112
21
Verschil maken?
November 2020
Ook de leden van Duitse bezettingsmacht hadden woon- en verblijfsruimte opgeëist. Zij werden voor een deel bij particulieren of pensionhouders ingekwartierd.118 Ook werden grote aantallen woningen en andere gebouwen gevorderd. De schattingen over de cijfers lopen uiteen. Het DIHA-archief noemt een aantal van 525 woningen en andere gebouwen119 en Ter Pelkwijk zelfs het aantal van 775.120 Na de bevrijding was ‘inkwartiering’ nog niet van de baan. Nu waren het de geallieerde bevrijders die huisvesting nodig hadden. Op een lijst gedateerd 22 augustus 1945 staan ruim 300 gebouwen die de geallieerde strijdkrachten in Utrecht hadden gevorderd. Daaronder waren ook enkele parkeergarages, alle jaarbeursgebouwen aan het Vredenburg, veilinggebouwen en dergelijke. 121 Behalve de geallieerden hadden ook het Nederlandse Militair Gezag en de Binnenlandse Strijdkrachten onderdak nodig.122 Terugkeerders konden vaak niet, of niet meteen, weer de woning betrekken waarin zij tot hun vertrek hadden gewoond. Uit de landelijke literatuur zijn de lotgevallen bekend van joden die moesten ervaren dat hun huis was bewoond door anderen, ongeacht of de joodse bewoners eigenaren of huurders waren geweest. Dat zal zich ook in Utrecht hebben voorgedaan.
Daar waren al in 1943 de meeste woningen van joden immers door anderen betrokken, waaronder de Duitse weermacht.123 Na de bevrijding moest enorm worden geïmproviseerd bij de toewijzing van woningen.124 Niet zelden werden terugkeerders eerst tijdelijk ergens ondergebracht, soms inwonend bij anderen. Woonruimte vinden had de hoogste prioriteit. Voor huiseigenaren was een volgende stap het terugkrijgen van hun eigendom, hun eigen huis, dat tijdens de bezetting in beheer was genomen en soms ook verkocht door de Niederländische Grundstücksverwaltung. Na de bevrijding kwam het rechtsherstel van geroofd joods onroerend goed op gang. In het volgende hoofdstuk wordt de teruggave beschreven van de twee panden die de gemeente tijdens de bezetting uit joods bezit had aangekocht.
4.3 Straatbelasting Teruggekeerde joden moesten onderdak zien te vinden en stonden voor de immense en zware opgave weer een bestaan op te bouwen. Behalve bij de hulpverlenende organisaties kwamen zij ook weer in beeld bij andere instantities, waaronder de gemeente. Een van de vragen in dit onderzoek is of de gemeente Utrecht in de naoorlogse jaren aanslagen (naheffingen) voor straatbelasting heeft opgelegd aan joodse eigenaren van onroerend goed. Om te beginnen staan we kort stil bij deze belasting. Het betrof een lokale heffing die een ‘billijke bijdrage’ moest leveren in de kosten en lasten van de gemeente voor de aanleg, onderhoud en verlichting van land- en waterwegen.125 In de gemeente Utrecht werd deze geheven sinds 1898. Er bestond toen een dringende 118
Zie diverse stukken over inkwartiering, waaronder ‘inkwartieringsbiljetten’ in HUA, toegangsnr. 821-1 (Gem. inkwartieringsbureau), inv.nr. 48. 119 Inleiding bij de inventaris, digitale versie, HUA, toegangsnr. 821-1 (Gem. inkwartieringsbureau). 120 Ter Pelkwijk, Utrecht in de eerste jaren na de bevrijding (1955?) p. 17. 121 ‘Door geallieerde strijdkrachten in Utrecht gevorderd onroerend goed’ (22-8-45), HUA, toegang 821-1 (Gem. inkwartieringsbureau), inv.nr. 120. 122 HUA, toegang 1136 (Militair Gezag in de provincie Utrecht), inv.nr. 362. 123 Op de eerder genoemde lijst van ontruimde woningen van begin 1943 stond ook de te beanwoorden vraag ‘is de woning weer betrokken?’ In de meeste gevallen luidde het antwoord ‘ja’. Een aantal ervan was in gebruik bij de Duitse weermacht. Brief commissaris der provincie aan burgemeesters (27-01-1943) en ‘Staat van ontruimde woningen van Joden’, HUA, toegang 1202 (Com. der Koningin) inv.nr. 219. 124 Op een ongedateerd lijstje van ‘ter beschikking gekomen panden’ staat bijvoorbeeld regelmatig aangetekend ‘komt ter beschikking zodra X naar zijn oorspronkelijke woning terug gaat’. HUA, toegang 821-1 (Gemeentelijk inkwartieringsbureau), inv.nr. 120. 125 Gedrukte Verzameling 1938 nr. 248 ontwerp-verordening, artikel 1.
22
Verschil maken?
November 2020
behoefte aan ‘versterking van de gemeentemiddelen’. Al eerder had het college van B en W gewezen op de stijgende uitgaven en op de moeilijkheden om die kosten te dekken. Onder andere met verwijzing naar Amsterdam werd gepleit voor de instelling van een straatbelasting.126 In 1897 was het zover en op 15 oktober van dat jaar werd hiertoe een verordening aangenomen.127 In de volgende decennia kwamen enkele wijzigingen tot stand, van redactionele aard of voortkomend uit wijzigingen in de Gemeentewet.128 Hier wordt uitgegaan van de verordening Straatbelasting van 1938, die tijdens de bezetting van kracht was. De belasting werd geheven van eigenaren van onroerend goed, of in termen van de verordening: ‘wegens gebouwde eigendommen en daarbij behoorende erven, die aan openbare land- of waterwegen in de gemeente Utrecht belenden of in de de onmiddellijke nabijheid daarvan gelegen zijn, en wegens ongebouwde eigendommen, die aan deze wegen belenden of op deze wegen uitgang hebben’. De belasting werd geheven per kadastraal perceel. Ze was verschuldigd door degene die het genot had van de bedoelde eigendom. Als genothebbende werd aangemerkt degene die op 1 januari van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale legger was aangetekend.129 De verordening bevatte ook een bepaling over ontheffing van de betalingsplicht ingeval van onvermogen.
Dit was artikel 23 uit de verordening van 1938: ‘Aanslagen, waarvan de invordering niet heeft kunnen plaats hebben tengevolge van gebleken onvermogen van de belastingschuldigen, kunnen op gemotiveerde voordracht van den gemeenteontvanger door Burgemeester en Wethouder oninbaar worden verklaard.’130 De onderstaande tabel geeft een beeld van de opbrengst van deze belasting in de jaren 1938-1948.
Straatbelasting 1938-1948
1938 1939 1940 1941 1942 1943 1944 1945 1946 1947 1948
Opbrengst in guldens
Toename t.o.v. vorig jaar
565.402,81 576.930,44 585.564,13 589.530,90 591.088,21 592.661,73 595.738,39 589.223,02 662.609,30 635.818,95 678.251,08
2,04 1,50 0,68 0,26 0,27 0,52 -1,09 12,45 -4,04 6,67
Bedragen afkomstig uit de Verslagen van de toestand van de gemeente Utrecht
131
De heffing van de straatbelasting vertoonde tijdens de bezettingsjaren dus een gestage stijging, behalve in 1945. Mogelijk was de daling in dat jaar een gevolg van de ontregeling van de belastinginning in het laatste oorlogsjaar. In het gemeenteverslag over 1941-1945 wordt 126
Gedrukte Verzameling 1897, ingekomen stukken no. 38 (20 augustus 1897). Verslag van het verhandelde in de Gemeenteraad Utrecht 1897, zesentwintigste zitting (14 oktober 1897) en zevenentwintigste zitting (15 oktober 1897), p. 320-340. 128 Gedrukte Verzameling 1938 nr. 248. 129 Gedrukte Verzameling 1938 nr. 248 ontwerp-verordening, artikelen 1, 2, 5. 130 Gedrukte Verzameling 1938 nr. 248 ontwerp-verordening, artikel 23. 131 Verslagen van de toestand van de gemeente Utrecht, 1939 p. 37, 1940 p. 47, 1941-1944 en 1945 p. 69 en 1946-1948 p. 49. 127
23
Verschil maken?
November 2020
vermeld dat het ten gevolge van kolen-, papier- en voedselschaarste niet mogelijk was de voorbereidende werkzaamheden voor de aanslagregelingen van de gemeentebelastingen ‘op regelmatige en normale wijze’ uit te voeren. Daardoor was stagnatie bij de heffing en vertraging bij de invordering ontstaan.132 Hoewel dit in het verslag niet specifiek zo wordt benoemd, zal dit in het laatste oorlogsjaar en vooral in de winter 1944-1945 in versterkte mate hebben gegolden, aangezien het maatschappelijk leven toen in veel opzichten extra ontregeld was. In 1946 nam de opbrengst van de straatbelasting flink toe. Mogelijk heeft die stijging te maken heeft met naheffingen in verband met achterstalligheid, opgelegd dus aan belastingplichtigen die in eerdere jaren niet hadden betaald. De toename in 1946 kan echter ook (grotendeels) veroorzaakt zijn door de verhoging van de straatbelasting, waartoe voor het begrotingsjaar 1946 werd besloten.133
4.4 Achterstalligheid? Zoals hierboven gememoreerd deden zich in Amsterdam en Den Haag gevallen voor van heffingen van erfpachtcanon en straatbelasting vanwege achterstalligheid. Op het punt van straatbelasting was Amsterdam daarbij trouwens zeer coulant.134 In Rotterdam zijn geen aanwijzingen gevonden voor naheffingen van erfpachtcanon of straatbelasting.135 Een belangrijk probleem bij het onderzoek naar de Utrechtse situatie is dat de uitvoeringsadministratie van de straatbelasting uit de jaren veertig niet meer bestaat. Achtergrond daarvoor is dat de door gemeenten geheven of geïnde belastingen worden genoemd in een lijst uit 1982 ‘van voor vernietiging in aanmerking komende bescheiden’. Deze lijst is gemaakt op grond van bepalingen uit de Archiefwet 1962 en het Archiefbesluit 1968. De bewaartermijn was voor onder andere aangiften, bezwaarschriften, ontheffingen en kwijtscheldingen vijf jaar, voor kohieren en aanslagen tien jaar.136 In het Utrechts Archief zijn na het natrekken van een breed scala aan zoektermen geen aanwijzingen aangetroffen voor naheffingen van straatbelasting. Maar evenmin zijn gegevens gevonden die erop wijzen dat de gemeente hiertoe niet zou zijn overgegaan, door bijvoorbeeld coulance toe te passen. Hetzelfde geldt voor andere gemeentelijke belastingen, die hieronder worden besproken.
Van achterstalligheid na de bevrijding was alleen sprake wanneer de belasting tijdens de bezettingsjaren niet was betaald. Beheerders van joods onroerend goed werden geacht de lasten te voldoen. Dat zij dit ook deden blijkt uit een briefje van het ANBO uit 1942 in het dossier over Wilhelminapark 26. De beheersorganisatie verzocht de gemeenteontvanger een bedrag van f 33,78 over te maken ‘wegens straatbelasting Nassaupark 26’.137 Dat blijkt te gaan om straatbelasting die het ANBO al voor de tweede helft van 1942 had betaald en nu terug wilde ontvangen. Er was een nieuwe eigenaar, de gemeente, en het ANBO was niet langer
132
Verslag van de toestand van de gemeente Utrecht, 1941-1944 en 1945 p. 62. De raadsvoordracht dateerde van 30 juli 1946 en werd op 22 augustus 1946 in de gemeenteraad behandeld. De voorgestelde (en aangenomen) wijzigingen werden echter geacht al op 1 januari 1946 in e werking te zijn getreden. Gedrukte verzameling 1946, 1 Serie nr. 121 (30 juli 1946); Notulen van het verhandelde in de Gemeenteraad Utrecht 22 augustus 1946, p. 107-122. 134 Piersma en Kemperman, Openstaande rekeningen (2015), p. 198-205. 135 Piersma en Van den Berg, Onrechting & rechtsherstel (2020), p. 30. 136 Mededeling van Jellie van der Meulen, Het Utrechts Archief (per mail 8 juli 2020). Zij voegde nog toe dat niet bekend is wanneer de stukken over straatbelasting uit de jaren veertig vernietigd zijn. Dit maakt het moeilijk een eventuele verklaring van vernietiging te vinden, die formeel moest worden opgemaakt en bewaard. 137 ANBO aan gemeenteontvanger (10 september 1942), HUA, toegangsnr. 1007-3 (, inv.nr. 13716. 133
24
Verschil maken?
November 2020
verantwoordelijk voor de betaling. Zoals nog zal blijken was de gemeente van straatbelasting vrijgesteld.138 Of het ANBO als beheerder van joods onroerend goed de gemeentelijke aanslagen straatbelasting regelmatig betaalde is niet bekend. Dit zal hebben samengehangen met de manier waarop zijn beheer georganiseerd was, iets wat wellicht verschilde per stad. Daarover is niet veel bekend. Wel was er bij het ANBO in Utrecht - blijkens naoorlogse rapportages - bij het innen van huren en betalen van lasten in de laatste oorlogsmaanden een geweldige achterstand ontstaan. Sinds september 1944 had het ANBO er met personeelsgebrek te kampen en ook was een deel van de administratie door de ondergrondse meegenomen.139 Een groot aantal huurders had van de verwarde toestand vanaf september 1944 gebruik gemaakt door de huren achter te houden om ze ‘na de bevrijding aan de voormalige eigenaren ten goede te laten komen’.140 Velen kwamen na de bevrijding hun achterstallige huren brengen, ‘mits wij (de naoorlogse beheerders van het ANBO, MB) hen verzekerden, dat deze bedragen ook werkelijk aan de oorspronkelijke eigenaren ten goede kwamen’.141 Bij het al dan niet betalen van lasten zullen ook de plaatselijke omstandigheden op de woningmarkt van invloed zijn geweest. Te denken valt aan de mate waarin joods eigendom was uitgegeven aan nieuwe bewoners.
Zoals eerder bleek was in Utrecht het grootste deel van de woningen van weggevoerde joden aan anderen in gebruik gegeven. In Den Haag daarentegen stonden veel woningen in Scheveningen leeg, in verband met de afgrendeling van het gebied vanwege de bouw van de Atlantikwall. Hierdoor waren in de ‘vesting Scheveningen’ zo’n 20.000 woningen ontruimd.142 Deze mochten niet bewoond worden. Woningen van joden in dit gebied zullen dus ook niet aan anderen ter beschikking zijn gesteld en de beheerder kon geen huren innen. Dit zal ook zijn betalingsgedrag van lasten aan de gemeente beïnvloed hebben. In de derde plaats zal ook hebben meegespeeld hoeveel percelen door de beheersinstantie tijdens de bezetting werden verkocht. Was iemand eigenaar geworden, dan is een voor de hand liggende veronderstelling dat hij voortaan de belastingaanslag kreeg. Interessant is in dit verband echter de volgende opmerking over de ANBO-administratie in een accountantsrapport van 1946: ‘daar wij (de naoorlogse bestuurders van het ANBO, MB) wel beschikken over een globale verdeling van geïnde huren in wel- en niet doorverkochte panden, maar deze splitsing niet is aangehouden bij de betaalde lasten’.143 Zou dit betekenen dat ook wel doorverkochte panden in beheer bleven bij het ANBO? Dat wordt niet duidelijk, omdat in de accountantsrapportage verder niet op die zaak wordt ingegaan.
Was in het eerder geïntroduceerde geval van de joodse bakker dan misschien sprake van een aanslag van achterstallige straatbelasting? Hij had zich na terugkomst voor hulp tot de gemeente gewend, maar ‘al wat hij kreeg was een belastingaanslag’. Het verhaal stond op de webstite van de Stichting Joods Monument Utrecht. Het monument is inmiddels gerealiseerd en het werd onthuld in oktober 2015. De website bestaat niet meer, maar is onderdeel geworden van het landelijke JoodsMonument.nl.144 Het bericht over de bakker is daar niet meer te vinden.
138
HUA, toegangsnr. 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716, B en W aan not. Hellingman (7 februari 1947); Gedrukte Verzameling 1938 nr. 248, ontwerp-verordening, artikel 15. 139 Accountantsrapport (27 februari 1946), NA, toegangsnr. 2.09.16.01 (NBI, beheersdossiers), inv.nr. 28386, p.1. 140 Verslag van beheerders (26 oktober 1945), NA, toegangsnr. 2.09.16.01 (NBI, beheersdossiers), inv.nr. 28388, p.3. 141 Accountantsrapport (27 februari 1946), NA, toegangsnr. 2.09.16.01 (NBI, beheersdossiers), inv.nr. 28386, p.3. 142 Van der Boom, Den Haag in de Tweede Wereldoorlog (1995), p. 117, 141. 143 Accountantsrapport (27 februari 1946), NA, toegangsnr. 2.09.16.01 (NBI, beheersdossiers), inv.nr. 28386, p.2. 144 https://www.joodsmonument.nl/nl/page/600386/joods-monument-utrecht
25
Verschil maken?
November 2020
Gezien de eerdere vindplaats van het bericht is navraag gedaan bij verschillende personen die betrokken waren bij de totstandkoming van het Joods Monument in Utrecht.145 Zij konden echter geen opheldering geven. Ook zijn een aantal dossiers met casuïstiek doorgewerkt op zoek naar gegevens over deze bakker. Het ging om archieven van de Nederlandsch Israëlitische Gemeente Utrecht en de afdeling Joodse Zaken van Nederlands Volksherstel. Dat heeft echter niet meer duidelijkheid opgeleverd. In dit verband is ook de informatie van mevrouw De Leeuw interessant. Haar vader J. de Leeuw heeft als onderduiker de oorlog overleefd. Hij had biljetten van f 500,- en f 1000,- in bewaring gegeven bij een collega-bakker en die kreeg hij na bevrijding netjes terug. Maar toen hij het geld wilde inwisselen voor kleinere coupures, werden het ingehouden voor niet betaalde belasting tijdens zijn onderduik.146 Om welke belasting(en) dit ging, is echter niet bekend. Aangezien hij huurder was van zijn woning en geen eigenaar, zal het (in beide verhalen) niet om straatbelasting zijn gegaan.147 Of het inhouden van de biljetten een relatie heeft met de naoorlogse geldsaneringen, is evenmin duidelijk. In juli 1945 werden alle honderdguldenbiljetten ongeldig verklaard. Twee maanden later werden ook de andere bankbiljetten uit de roulatie genomen.
Al het ingeleverde geld kwam op geblokkeerde rekeningen te staan. Ieder huishouden ontving in oktober 1945 tien gulden nieuw geld: 'het tientje van Lieftinck', genoemd naar de minister van Financiën van destijds. Het deblokkeren van bevroren tegoeden door De Nederlandsche Bank gebeurde in overleg met de Belastingdienst.148 Bij nader inzien blijkt het bij de beide berichten over een joodse bakker waarschijnlijk om één verhaal te gaan. Mevrouw De Leeuw vermoedt dat het ook in het andere geval draait om haar vader, bakker J. de Leeuw, en dat het relaas op genoemde website onbedoeld een andere draai heeft gekregen. 149
4.5 Andere lasten Van een brandverzekeringsbelasting was voor en tijdens de oorlog in Utrecht geen sprake. Ze komt niet voor op het overzicht van gemeentelijke belastingen uit die jaren.150 Wel is na de oorlog in de begrotingsbesprekingen de eventuele invoering ervan behandeld. Achter de term ‘assurantiebelasting’ bleek een brandverzekeringsbelasting schuil te gaan. In de raadsvergadering van 22 augustus 1946 vroeg een raadslid zich af of zo’n belasting moest worden geheven omdat de brandweer zoveel meer geld kostte. Volgens hem waren tegen deze belasting tal van bezwaren aan te voeren. ‘In Rotterdam drukt zij zeer zwaar; of Amsterdam ze weer zal invoeren, staat nog niet vast.’151 In Utrecht werd in ieder geval de eerste jaren zo’n verzekering niet ingevoerd, want in het overzicht van gemeentelijke belastingen in 1946-1948 deze niet aan te treffen. Overigens kreeg de Utrechtse gemeentebegroting ook in de naoorlogse jaren veel aandacht, evenals die van andere gemeenten en het Rijk. Ook in Utrecht waren inkomsten uit belastingen nodig om de financiën weer op orde te krijgen, zo blijkt uit de behandeling van de begroting in 1946. In augustus hield de gemeenteraad zijn algemene beschouwingen. Daarbij kwam ook een door B en W voorgestelde wijziging van de straatbelasting aan de orde; een 145
R. van Praagh, mevr. L. Querido, mevr. L. de Leeuw en W. Rietkerk uit Utrecht. Mededeling van mevrouw L. de Leeuw (per mail 6 maart 2020; Brief J. De Leeuw aan Joods Maatschappelijk Werk (14 december 1997), in bezit van L. de Leeuw. 147 Mededeling van mevrouw L. de Leeuw (per mail 26 juni 2020). 148 Essers, Belast verleden (2012), p. 467-468. 149 Mededeling van mevrouw L. de Leeuw, juli 2020. 150 Zulke overzichten staan in de Verslagen van den toestand van de gemeente Utrecht. 151 Raadslid Swaans, Notulen van het verhandelde in de Gemeenteraad Utrecht, Middagzitting van 22 augustus 1946, p. 108. 146
26
Verschil maken?
November 2020
geringe verhoging, zo bleek. In zijn voordracht aan de raad legde het college uit dat de gemeentelijke kosten voor de aanleg en het onderhoud van land- en waterwegen gestegen waren. Aangezien de straatbelasting bedoeld was om circa 75% van die kosten te dekken en dit getal de laatste jaren naar 70% gedaald was, vroeg dit om een verhoging van de belasting.152 Ook in meer algemene zin waren er zorgen over de gemeentelijke middelen. Een sluitende begroting was het streven, al was het maar om van het praedicaat ‘noodlijdend’ af te komen. Een van de sterkste remedies was een sluitende begroting, aldus de voorzitter. En om de tekorten te dekken, moesten alle belastingmogelijkheden worden nagegaan.153 Terug naar de gemeentelijke belastingen. Er bestond in de jaren veertig eveneens een heffing voor de afvoer van faecale stoffen, ook wel rioolbelasting genaamd. Deze komt ook voor op het overzicht van gemeentelijke belastingen. Uit de berekeningen in de nog te behandelen twee rechtsherstelzaken blijkt dat dit een belasting was die huiseigenaren moesten betalen. Iets anders is het bedrag dat een huiseigenaar moet betalen in verband met erfpacht, de canon Dit is geen belasting, maar een vergoeding voor het gebruik van de grond van een ander. De eigenaar van de grond geeft deze in gebruik aan een erfpachter, tegen betaling van de erfpachtcanon.
De gemeente Utrecht is zo’n eigenaar die grond uitgeeft.154 Tegenwoordig is erfpacht in Utrecht niet ongebruikelijk. De brede toepassing van erfpacht voor particulieren is echter een naoorlogs verschijnsel. Weliswaar bestond er ook voor de oorlog al erfpacht in Utrecht. Deze werd vooral toegepast voor specifieke doelgroepen, zoals woningbouwverenigingen of andere organisaties zoals een studentenroeivereniging of een volksbadhuis. De uitgifte van grond in erfpacht ten behoeve van de particuliere woningbouw was van zeer geringe betekenis.155 Wel zijn in een register van eigendommen van de gemeente Utrecht (1911-1930) bij inerfpachtgeving enkele namen van (kennelijke) particulieren aan te treffen.156 Pas geruime tijd na de oorlog, in 1973, besloot de gemeente tot invoering van een nieuw erfpachtstelsel. Per 1 september 1974 traden nieuwe bepalingen over erfpacht in werking. Toen werd erfpacht breder ingevoerd in Utrecht, ook voor particulieren.157 In 2013 is een vooronderzoek verricht naar mogelijke naheffingen van erfpachtcanon van joodse onroerendgoedbezitters door de gemeente Utrecht. De uitkomst luidde dat er geen stukken waren gevonden over een dergelijke naoorlogse inning van erfpacht door de gemeente Utrecht bij joden die tijdens de oorlog hun woning moesten verlaten.158 Deze uitkomst kan hier alleen maar worden bevestigd.
Het kan worden verklaard uit het feit dat erfpacht voor particulieren in de jaren veertig in Utrecht nauwelijks voorkwam. Hiermee lijkt de situatie op die in Rotterdam.159
152
e
Gedrukte verzameling 1946, 1 Serie nr. 121 (30 juli 1946). Notulen van het verhandelde in de Gemeenteraad Utrecht, Middagzitting van 22 augustus 1946, p. 115. 154 https://www.utrecht.nl/wonen-en-leven/wonen/erfpacht/ , geraadpleegd 25 juni 2020. 155 HUA, toeg. 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), invnr. 14778, Directeur Gemeentewerken aan BenW (21 juli 1949). 156 Wel zijn in een register van eigendommen van de gemeente Utrecht (1911-1930) bij inerfpachtgeving enkele namen van enkele (kennelijke) particulieren aan te treffen. Register van gemeente-eigendommen, onderscheiden naar aankoop, verkoop, verhuring, verpachting, ingebruikgeving, ingebruikneming, ruil, erfpacht, in HUA, toeg. 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), invnr. 12959. 157 Burgemeester en wethouders aan Commissie Mens en Samenleving (11 juni 2013); Mondelinge mededelingen (27-2-2020) van Remco van Essen, vastgoedadviseur bij de Ontwikkelorganisatie Ruimte van de gemeente Utrecht. 158 Van der Meulen (HUA), Verkennend onderzoek (2013). 159 Piersma en Van den Berg, Ontrechting & rechtsherstel (2020), p. 24. 153
27
Verschil maken?
November 2020
5. Nietig verklaard: naoorlogs rechtsherstel 5.1 ‘Nooit van kracht te zijn geweest’ De joden die de oorlog hadden overleefd, of erfgenamen van vermoorde joden, konden een beroep doen op het wetsbesluit herstel rechtsverkeer E 100, dat zoveel mogelijk voorzag in het herstellen van de vooroorlogse situatie. Volgens het besluit behoorden verordeningen zoals 102/1941 (landbouwgrond) en 154/1941 (bebouwd onroerend goed) tot de maatregelen van de bezetter die geacht werden nooit van kracht te zijn geweest. Alle verkopen van joods onroerend goed waren daarmee onwettig, tenzij de koper kon aantonen dat hij te goeder trouw was (art. 25 sub c E100).160 Daarmee werd bedoeld dat de koper onwetend was: hij wist niet, of kon niet weten dat het ging om een perceel uit joods bezit. Op 9 augustus 1945 werd bij koninklijk besluit de Raad voor het Rechtsherstel (RvR) in het leven geroepen, met als opdracht de uitvoering van het Besluit herstel rechtsverkeer. De RvR was een overkoepelend orgaan, dat eigenlijk alleen maar op papier bestond. Het feitelijke werk gebeurde door de afdelingen. Op 16 november 1945 werd aan de RvR een Afdeling Onroerende Goederen toegevoegd. Op 1 juni 1967 werd de Raad met al zijn afdelingen opgeheven.161 Rechtsherstel betekende in de meest brede zin het herstellen van de status quo ante van de gedupeerde.
De situatie moest voor de gedupeerde zoveel mogelijk in de oorspronkelijke toestand worden teruggebracht, dus de toestand van voor de Duitse maatregelen. Hij mocht er echter niet door worden verrijkt. Vaak betekende rechtsherstel teruggave van het geroofde of onder dwang verkochte onroerend goed. In sommige gevallen kwam het echter neer op een schadevergoeding of een andere regeling. Dat gebeurde als de partijen daar zelf toe besloten, of als de rechter oordeelde dat de oorlogskoper te goeder trouw was geweest en door een herstel van de vooroorlogse situatie op onredelijke wijze benadeeld werd. In principe moesten alle oorlogskopen teruggedraaid of bekrachtigd worden. Het doel van de afdeling Onroerende Goederen van de RvR was om zo veel mogelijk zaken minnelijk te schikken. Partijen zouden daarbij met elkaar om de tafel gaan zitten zonder tussenkomst van de rechter, met als uitkomst een overeenkomst. Die volgde een vast stramien en had dezelfde kracht als een rechterlijke uitspraak. Gedelegeerden van de Raad voor het Rechtsherstel in het hele land moesten de minnelijke regelingen bekrachtigen. In principe behoorde de koopovereenkomst nietig verklaard te worden. Het beheer van het perceel werd vaak al voor de uiteindelijke schikking overgedragen. De oorlogskoper betaalde de gederfde huren en eventuele exploitatiesaldi terug aan de oorspronkelijke eigenaar.
De oorspronkelijke eigenaar betaalde daarentegen weer eventuele kosten voor verbouwingen, investeringen of de afgeloste hypotheek terug aan de oorlogskoper. Vaak waren de kosten voor de opmaak van de rechtsherstelakte eveneens voor de oorlogskoper.162 De ontrechte partij moest het initiatief nemen om zijn afgenomen eigendom terug te krijgen. Het besluit E 100 gaf aan dat nadat een belanghebbende daartoe een verzoek had ingediend, de Raad voor het Rechtsherstel diende te onderzoeken of en hoe de onder dwang gewijzigde rechtsbetrekkingen hersteld konden worden.163 De joodse eigenaar kreeg dus in beginsel zijn eigendom terug, maar het kwam ook wel voor dat de (laatste) koper het pand wilde behouden. Uiteraard alleen met instemming van de joodse rechthebbende die alsnog de koopsom ontving die tijdens de oorlog wel op zijn naam stond geregistreerd, maar waarover hij nooit had kunnen beschikken. Gerard Aalders beschrijft 160
Vos en Ter Braake, Rechtsherstel (2013), p. 28. Aalders, Berooid (2001), p. 52-53. 162 Vos en Ter Braake, Rechtsherstel (2013), p. 28-29. 163 Schütz, ‘Het eeuwig terugkerende rechtsherstel’ (2018), p. 123. 161
28
Verschil maken?
November 2020
dat het wel gebeurde dat een beheerder wel huur had geïnd, maar niet de moeite had genomen de lasten te betalen. Volgens hem was het rechtsherstel in de onroerendgoedsector een verre van eenvoudige aangelegenheid, met tal van complicaties. Wat vooral problemen opleverde waren de gevallen waarin onroerend goed meerdere malen was verkocht en waarbij de laatste koper beweerde dat hij zijn bezit te goeder trouw had verworven.164 Aalders noemt geen voorbeelden uit de gemeente Utrecht. Hier zijn zoals eerder vermeld 84 percelen uit joods bezit tijdens de bezetting verkocht door de Duitse beheersinstantie, van circa 65 eigenaren. Voor de percelen Wilhelminapark 26 en Voorstraat 98, gekocht door de gemeente Utrecht, wordt hier het naoorlogs rechtsherstel beschreven. In beide gevallen was de gemeente de eerste en enige oorlogskoper. Dat wil zeggen dat de panden niet nogmaals zijn doorverkocht.
5.2 Voorstraat 98 In januari 1948 stelde het Utrechtse college van B en W de gemeenteraad voor om een regeling aan te gaan met J. Fresco over het perceel Voorstraat 98. Na zijn terugkeer had deze vroegere eigenaar zich gewend tot de kamer te Utrecht van de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel (RvR), met het verzoek hersteld te worden in het beheer over het pand. De RvR had hierop gunstig beschikt, in welke uitspraak de gemeente ‘uiteraard had berust’. Per 1 Juni 1946 droeg zij het beheer over aan de vroegere eigenaar, terwijl zij intussen formeel nog eigenaar bleef van het pand. Fresco had zich met de gemeente in verbinding gesteld, teneinde tot volledig rechtsherstel te komen. De gemeente had het perceel liever gehouden. Dit blijkt uit de opmerking van B en W dat de vroegere eigenaar ‘niet bereid was zijn medewerking te verlenen’ aan een regeling waarmee de gemeente definitief eigenares van het perceel zou worden. Het zou dus weer op naam van Fresco worden gesteld. Daarbij moest een verrekening van de baten en lasten plaatsvinden zodat ‘hij in dezelfde positie komt te verkeren, als het geval zou zijn geweest, indien de bezetter niet over zijn eigendom zou hebben beschikt.’ Er werd een rekening opgesteld van uitgaven en ontvangsten. Met de aankoop van het pand door de gemeente was f 13.270,19 gemoeid geweest.
Toen de gemeente het pand aankocht rustte daarop een hypotheek van f 10.000,-. Het ANBO had deze hypotheek afgelost uit de van de gemeente ontvangen koopsom. Hieruit voldeed het ANBO voorts de verschuldigde hypotheekrente, de kosten van het royement van de hypotheek, alsmede de van 1 januari tot en met 26 juli 1944 voor het pand verschuldigde belastingen. Deze uitgaven van het ANBO hadden in totaal f 11.154,01 bedragen. Dit bedrag was de heer Fresco aan de gemeente schuldig; ‘hij is immers door deze uitgaven gebaat’, aldus de toelichting.165 Gedoeld wordt daarbij vermoedelijk op het feit dat zijn hypotheek was afgelost. De gemeente op haar beurt had aan Fresco af te dragen het voordelige exploitatiesaldo over het tijdvak van 27 juli 1944 tot 1 juni 1946, dus vanaf het moment dat zij eigenaar was geworden tot het moment van de overdracht (van het beheer) aan Fresco. Dit bedroeg f 178,80 en betrof het verschil tussen enerzijds de door de gemeente ontvangen huur en anderzijds de kosten van onderhoud, waterverbruik, verzekering en belastingen. Dit waren kosten die de gemeente had gemaakt, c.q. Fresco bij eigen beheer had moeten maken. Dat gold eveneens voor de door hem bespaarde hypotheekrente.
Ook met het feit dat de gemeente straatbelasting en rioolbelasting had gederfd, die de eigenaar haar anders had moeten voldoen, was bij de opstelling van het exploitatiesaldo rekening gehouden.166 Omdat de gemeente ook vanaf 1 juni 1946 tot 31 december 1947 nog kosten had gemaakt (f 78,60) en inkomsten uit belastingen had gederfd (f 45,08) was de heer Fresco ook 164
Aalders, Berooid (2001), p. 191. Gedrukte verzameling 1948 nr. 7 (9 januari 1948). 166 Gedrukte verzameling 1948 nr. 7 (9 januari 1948). 165
29
Verschil maken?
November 2020
die bedragen aan de gemeente schuldig, samen f 123,68. Uit deze redenering en de daarin genoemde bedragen blijkt wel dat vooral het beheer geen eenvoudige zaak was. Zowel het ANBO als de gemeente hadden het pand beheerd en ook nadat de gemeente per 1 juni 1946 het beheer aan de vroegere eigenaar had overgedragen had zij kosten gemaakt aan het pand. Daarmee gedroeg zij zich ook na die datum feitelijk nog als een beheerder. Uiteindelijk had de gemeente aan Fresco te betalen f 13.220,57 - f 11.104,39 = f 2.116,18. Daarbij kwam nog circa f 500,- voor de kosten van de rechtsherstelprocedure. Als de gemeente het registratierecht van de aankoop terug zou kunnen krijgen zou ze dit bedrag wellicht nog kunnen terugbrengen tot f 2.004. In de onderstaande tabel staan de bedragen uit de raadsvoordracht samengevat.
Verrekening Voorstraat 98 Bedragen afgerond naar hele guldens Kosten gemeente Aankoopbedrag Positief exploitatiesaldo 1944-1 juni 1946 Kosten beheer 1 juni 1946 t/m 1947
13.270 - 173 + 124
Totaal kosten gemeente
13.221
Uitgaven ANBO (= schuld Fresco) Verminderd met (173-124)
11.154 50
Totaal schuld Fresco
11.104
Kosten gemeente – schuld Fresco (te betalen door gemeente aan Fresco)
2.117
De gemeente zou de heer Fresco een eerste hypotheek op het pand verstrekken, tegen een hypotheekrente van 4% per jaar en een jaarlijkse aflossing van 2% van de oorspronkelijke hoofdsom. De rente zou berekend worden van 1 juni 1946 af en de eerste aflossing werd verwacht op 1 juni 1948. De vroegere eigenaar zou zijn eventuele vorderingen op Niederländische Grundstücksverwaltung c.q. zijn andere aanspraken op restitutie in verband met de verkoop van zijn eigendom aan de gemeente, aan deze overdragen. De mogelijkheid bestond dus, ‘dat het verlies van de gemeente te zijner tijd nog enige vermindering ondergaat.’167 De voordracht sluit af met de constatering dat de gemeente graag definitief eigenares van het perceel was geworden, met het oog op de voorgenomen verbreding van de verkeersweg Voorstraat-Wittevrouwenstraat. De wens van de heer Fresco, dat het pand wederom op zijn naam zou worden gesteld, ‘moest echter worden geëerbiedigd’. De gemeente kon aan haar aankoop van het pand in 1944 geen recht ontlenen om te vorderen, dat de eigendom van het pand aan haar zou verblijven.168 Het is vooral een zakelijk verhaal over kosten en baten vanuit het perspectief van de gemeente, die het spijtig vond het perceel weer te moeten afstaan. Zij vond dat jammer en dat klinkt door in de raadsvoordracht.
Het college van B en W gaf de gemeenteraad in overweging om een regeling met Fresco aan te gaan. De raad ging hierin mee, wijdde ook geen
167 168
Gedrukte verzameling 1948 nr. 7 (9 januari 1948). Gedrukte verzameling 1948 nr. 7 (9 januari 1948).
30
Verschil maken?
November 2020
beschouwing of discussie aan de voordracht en besloot op 15 januari 1948 ‘z.h.o. overeenkomstig de voordracht’.169 De verbreding van de weg is overigens nooit uitgevoerd.170
5.3 Wilhelminapark 26 Na de bevrijding werd de naam Wilheminapark in ere hersteld. Het pand nummer 26 had toen enige tijd leeggestaan nadat burgemeester Van Ravenswaay het op 15 september 1944 had verlaten. Eind januari 1945 vroeg hij wel zelf aan de politiepresident om het huis in de gaten te houden. Sinds het leeg stond was er namelijk al twee keer ingebroken.171 Na de bevrijding werd op de begane grond een hulppolitiepost gevestigd en op de eerste verdieping een afdelingspost van de luchbeschermingsdienst.172 Ook hier heeft rechtsherstel plaatsgevonden, na een geschil dat tot ver in de jaren vijftig duurde. Gezien de schat aan informatie over deze zaak wordt hierbij wat uitgebreider stilgestaan. Complicerende factor bij deze kwestie was dat de gemeente aan het huis veel had laten verbouwen en opknappen. Zij wilde de kosten daarvoor op de rechthebbenden verhalen. Dezen waren daar zeer boos over en wilden er niets van weten.173 In de loop van 1945 raakten de gemeente en de erfgenamen Gompertz in gesprek over teruggave van het huis. Aanvankelijk gaven de rechthebbenden aan dat de gemeente eigenaar mocht blijven als zij f 6.000,- zou bijbetalen.
Dit omdat het pand onder dwang en voor een te laag bedrag was verkocht.174 Mei 1946 liet de gemeente doorschemeren dat de erven niet op bijbetaling hoefden te rekenen.175 Later dat jaar kwam het verzoek om de eigenaren van het perceel Wilhelminapark 26 weer in het beheer te herstellen en om mee te werken om ‘op minnelijken voet de eigenaren weer in den eigendom te stellen en aan hen rekening en verantwoording af te leggen over het gevoerde beheer’.176 In november 1946 werd het bij de gemeente nog wenselijk geacht het perceel te houden.177 Pas begin 1947 was men zo ver om het traject van teruggave in te zetten.178 Na anderhalf jaar van omtrekkende bewegingen startte toen het echte gesprek. Gedeeld uitgangspunt was het streven naar minnelijke overeenstemming, maar over de zakelijke kant van het verhaal moesten harde noten worden gekraakt. De gemeente stuurde een overzicht van uitgaven, gederfde inkomsten en ontvangsten. De uitgavenkant bestond uit een beknopt overzicht van de kosten van werkzaamheden, opgesomd in 18 posten. Zij varieerden van tuinaanleg, buiten- en binnenschilderwerk, behangwerk en linnenbespanning tot herstel van het dak, goten en afvoeren en het schoonmaken en opschaven van parketvloeren. In totaal had dit f 12.342,90 gekost. Voor een 169
Notulen van het verhandelde in de Gemeenteraad Utrecht 1948, middagzitting van 15 januari 1948, punt 6. 170 Mededeling Jellie van der Meulen, Het Utrechts Archief (9 maart 2020). 171 Burgemeester aan politiepresident (31 januari 1945), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716, 172 Directeur Gemeentewerken aan B en W (27 juni 1946), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 173 Interview met E.J. Verloop (30 juni 2020). 174 Notities over contact met notaris Snellen (10 oktober 1945, 9 mei 1946 en 31 juli 1946), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 175 Notitie over contact met notaris Snellen (9 mei 1946), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 176 Wnd. notaris Borgers aan B en W (6 september 1946), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 177 (vermoedelijk, MB) B en W aan directeur gemeentewerken (12 november 1946), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 178 Uittreksel notulen Fabricagecommissie (7 januari 1947), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716.
31
Verschil maken?
November 2020
deel kwamen de kosten voort uit schade die Duitse weermacht had aangericht toen ze het pand in gebruik had. Verder voerde de gemeente onderhoudskosten op, evenals verzekeringskosten, kosten van waterverbruik en betaalde grondbelasting. Vervolgens gaf de gemeente een overzichtje van ‘gederfde inkomsten’. Dit betrof de straatbelasting en ‘recht afvoer faecale stoffen’, die de gemeente zou hebben ontvangen wanneer zij geen eigenaar was geworden van het perceel. 179 In een volgende paragraaf wordt op deze post nader ingegaan. Ten slotte waren er ook ontvangsten, aangezien het pand was verhuurd: ‘Huurgelden, ontvangen van den voormaligen Burgemeester over het tijdvak van 11 juli 1942 t/m 15 september 1944 op basis van een huurprijs van f 1.680 per jaar = f 3.663.33 Vergoeding van den politiedienst voor het gebruik van de parterre over het tijdvak van 15 mei 1945 t/m 31 december 1946, berekend naar een bedrag van f 80,20 per maand. = f 1.563,90 Vergoeding van den Luchtbeschermingsdienst voor het gebruik van een gedeelte van het bovengedeelte der woning over het tijdvak van 30 mei t/m 31 december 1945. Totaal der ontvangsten f 5.507,93.’ Een verrekening van kosten, ontvangsten en gederfde inkomsten bracht de gemeente tot een vordering op de erfgenamen van f 9.315,85.180 Dit viel slecht bij de erven Gompertz. E.J.
Verloop was als achterkleinzoon van mevrouw Gompertz nauw betrokken bij de zaak. Als rechtenstudent ondersteunde hij zijn moeder bij de afwikkeling en hij herinnert zich de kwestie nog goed. Zijn moeder en hij werden zo kwaad op de gemeente, dat zij eisten dat ze het huis terug zouden krijgen in de staat waarin de gemeente het gekocht had. Zij wilden dat alle veranderingen die de gemeente had laten aanbrengen ongedaan werden gemaakt en het huis weer zou worden teruggebracht in de oorspronkelijke toestand.181
5.4 Noodzakelijke werkzaamheden? Maar de zaak liep anders. Begin november 1947 liet de notaris weten dat de erven een zeer belangrijk deel van de uitgaven niet als redelijk beschouwden, maar als luxe-uitgaven, door de toenmalige NSB-burgemeester op kosten van de gemeente gedaan. En wat de inkomsten betrof: de vergoeding voor huuropbrengsten vonden zij ‘ver beneden die welke bij een normale exploitatie verwacht mocht worden’.182 Gemeentewerken had de in 1942 verrichte werkzaamheden aan huis en tuin ‘noodzakelijk’ genoemd. Maar bij die noodzaak zetten de rechthebbenden grote vraagtekens. Veel uitgaven beschouwden zij als luxe en ook waren er nogal wat bij, die normaliter voor rekening van de huurder kwamen. Enkele voorbeelden. Het aanleggen van een tuin met bijlevering van planten, zoden, mest en aarde hoorde de huurder (bewoner) van het perceel te betalen. Hetzelfde gold voor het herstelwerk aan deuren en ramen, hang- en sluitwerk en het aanbrengen van glas in lood. Het buitenschilderwerk was overbodig, het onderhoud van leidingen was voor rekening van de bewoner. Een belangrijk deel van de werkzaamheden hing samen met de ‘zucht tot luxe of persoonlijke liefhebberij van de bewoner’, zo stelden de erven. Die posten vonden zij ‘zuiver luxe’ of ‘geheel overbodig’.
Ook dat de verhuurder de kosten van waterverbruik voor zijn rekening nam, was volkomen in strijd met het gebruik, schreef hun notaris. Dat Van Ravenswaay dit had bedongen was volgens hem alleen een gevolg van zijn toenmalige positie en had niets met normale exploitatie te maken. Een deel van de 179
B en W aan not. Hellingman (7 februari 1947), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 180 B en W aan not. Hellingman (7 februari 1947), HUA (Gemeentebestuur van Utrecht), toegang 1007-3, inv.nr. 13716. 181 Interview met E.J. Verloop (30 juni 2020). 182 Notaris Hellingman aan B en W (5 november 1947), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716.
32
Verschil maken?
November 2020
onderhoudskosten over de jaren 1942 tot en met 1946 kwam volgens de erven eveneens voor rekening van de huurder.183 De gemeente verweerde zich door onder andere te wijzen op de schade die aan het pand was aangebracht door de Duitse weermacht, die het in gebruik had gehad voordat de gemeente het kocht. Een deel van de werkzaamheden waren er puur op gericht geweest deze schade te herstellen.184 Hierover ontspon zich een discussie tussen de partijen: in hoeverre was herstel echt nodig geweest en in hoeverre neigde dit eerder richting luxe?185 Aan de andere kant waren er inkomsten uit het perceel. De rechthebbenden lieten weten dat het Prijzenbureau186 de (jaar)huur van het perceel per 1 mei 1940 op f 2.400,- had gesteld. Dat de gemeente Van Ravenswaay voor f 1.680,- had laten wonen ‘was een zaak die alleen de gemeente aanging’. Hetzelfde gold voor het feit dat het pand een tijd ongebruikt had gestaan. De erven hadden volgens de notaris dan ook recht op een vergoeding berekend volgens de volle huurprijs van f 2.400,- per jaar over de gehele termijn dat hun het beschikkingsrecht over het perceel ontnomen was geweest. Hij vond de becijfering die de gemeente had gemaakt van de te vergoeden huren dan ook ‘geheel onaannemelijk’.187 Partijen hadden dus een verschil van mening over zowel de hoogte van de huur als de periode waarover huur mocht of moest worden berekend.
Wat dat laatste betreft: in de tijd dat het pand had leeggestaan waren er geen huurinkomsten geweest. Dat drukte vanzelfsprekend de ontvangsten. Was het terecht dat de gemeente zich bij die post baseerde op de werkelijk ontvangen huursommen? Of was het redelijk om uit te gaan van huurinkomsten voor de gehele periode dat de gemeente het pand beheerde, zoals de erven voorstelden? In dat laatste geval droeg de gemeente het financiële risico, in het andere geval de erven. De notaris gaf ten slotte nog te kennen hoe hij het handelen van de gemeente als oorlogskoper188 zag: hij vond dat zij bij de aankoop van het perceel ‘geheel te kwader trouw’ was geweest. Dit lag volgens de notaris anders bij bijvoorbeeld een winkelier die door het ANBO werd geprest zijn gehuurde perceel te kopen onder bedreiging van uitzetting.189 Hij verwees kennelijk naar een praktijk die hij uit berichten of eigen waarneming kende. Voor de gemeente was er echter geen enkele aanwijsbare reden waarom zij Joods bezit zou kopen anders dan van de wettige eigenaren, aldus de notaris. Zij moest de gevolgen van deze kwade trouw daarom ten volle dragen.190 Ook later heeft de notaris bij herhaling hierop gewezen.191 De kwade trouw is de tegenhanger van de eerder vermelde ‘goede trouw’. Daarmee werd in het naoorlogs rechtsherstel bedoeld dat een koper bij de aankoop van een perceel niet wist dat het om joods bezit ging.
Het wetsbesluit Rechtsherstel E 100 had verklaarde de 183
Notaris Hellingman aan B en W (18 mei 1948), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 184 B en W aan notaris Hellingman (7 februari 1947), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 185 Not. Hellingman aan B en W (18 mei 1948), B en W aan notaris Hellingman (24 november 1948), notaris Hellingman aan B en W (30 augustus 1949), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 186 Bij het Huurprijsbesluit 1940 was het verboden om een huurprijs te bedingen of betalen hoger dan de op 9 mei 1940 geldende prijs. Voor ontheffing van dit verbod was expliciete toestemming van de overheids nodig. Bij het Huurprijsuitvoeringsbesluit 1941 werden Prijzenbureaus voor Onroerende Zaken ingesteld, die de juiste huurprijs konden vaststellen. NA, Inventaris van het archief van het Departement van Binnenlandse Zaken: Prijzenbureau voor Onroerende Zaken, 1941-1942, toegang 2.04.53.13, p. 9. 187 Not. Hellingman aan B en W (18 mei 1948), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 188 De term ‘oorlogskoper’ is hedendaags gebruik, komt dus niet uit het archiefdossier. 189 Not. Hellingman aan B en W (18 mei 1948), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 190 Not. Hellingman aan B en W (18 mei 1948), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 191 Not.
Hellingman aan B en W (30 augustus 1949; 19 mei 1954), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716.
33
Verschil maken?
November 2020
verordeningen 102/1941 (landbouwgrond) en 154/1941 (bebouwd onroerend goed) tot de maatregelen van de bezetter die geacht werden nooit van kracht te zijn geweest. Alle verkopen van Joods onroerend goed waren daarmee onwettig, tenzij de koper kon aantonen dat hij te goeder trouw was (art. 25 sub c E100).192 In dit geval was daarvan geen sprake.
5.5 Regeling Voorlopig konden de gemeente en de erven het niet eens worden. De zaak lag ook enkele jaren stil vanwege erfrechtelijke onduidelijkheden aan de kant van de rechthebbenden. In 1954 kreeg het proces weer vaart. Aan beide zijden bleek men nog steeds uit op minnelijk overleg, men wist elkaar ook enigszins tegemoet te komen, maar de kloof bleek en bleef te groot. Daarom werd de al eerder geraadpleegde Raad voor het Rechtsherstel gevraagd een besluit te nemen. Dat gebeurde op 9 januari 1956. De Raad besloot tot een regeling tussen vier partijen: 1. De erven en rechtverkrijgenden van de voormalige eigenares, Emma Sophia Catharina Josephus Jitta, weduwe van Bernhard Leon Gompertz 2. De gemeente Utrecht 3. De Niederländische Grundstücksverwaltung te Amsterdam (NGV) 4. De Liquidatie Van Verwaltung Sarphatistraat te Amsterdam (LVVS) De regeling hield onder meer in dat de koopovereenkomst tussen de NGV en de gemeente Utrecht uit 1942 nietig verklaard werd. Deze koop ‘had niet geleid tot enige wijziging in de rechten’ van de erven van Emma Sophia Catharina Gompertz - Josephus Jitta. De NGV was aan de gemeente de door eerstgenoemde in kas behouden saldo-koopsom schuldig. Verder kwam een deel van de vordering die partij Gompertz had op de LVVS toe aan de gemeente. Ook werd de bedragen vastgesteld die de erven Gompertz en de gemeente elkaar hadden te betalen.
De gemeente was de partij Gompertz schuldig ruim f 6.400 aan gederfd exploitatiesaldo. Dit was de uitkomst van een door de RvR voorgestelde berekening, waarbij dat saldo werd bepaald als jaarlijks percentage (5%) van de koopsom die de gemeente had betaald. Dit gebeurde met ‘terzijdestelling van de door partijen over en weer naar voren gebrachte becijferingen en berekeningen’, waarvan de juristen van Rechtsherstel zich wel op de hoogte hadden gesteld. Van het genoemde bedrag ging af ruim f 2.200 voor de veronderstelde waardevermeerdering van het perceel en een deel van de nog vast te stellen bezettingsschade. Hiervoor was door de erven Gompertz een aanvraag voor vergoeding ingediend bij het Rijk. Het bedrag dat overbleef was f 4.200, waar nog bijkwamen de kosten die partij Gompertz had gemaakt voor de rechtsherstelprocedure. Voorts bepaalde de regeling dat de eventuele rijksbijdrage in de bezettingsschade toekwam aan de gemeente, voorzover niet 75 % van het vastgestelde schadebedrag te boven gaande. Het eventuele restant kwam toe aan partij Gompertz.193 In maart 1957 kwam de toezegging dat f 2.489,- als bijdrage in de herstelkosten van het pand werd toegekend. Dit werd enkele weken later overgemaakt aan de gemeente.194 De gemeente lijkt dit rechtshersteltraject vooral op een zakelijke manier te hebben benaderd.
Zij had de onderhandelingen geopend met een forste vordering op de joodse rechthebbenden. In de loop van het proces bond zij weliswaar wat in, maar nog veel te weinig voor de Raad voor het Rechtsherstel. In het uiteindelijke besluit van deze instantie kregen de erven Gompertz geld van de gemeente in plaats van andersom. Zij waren tevreden met de afloop. De familie vond dat zij op alle punten in het gelijk was gesteld en was blij met het besluit 192
Vos en Ter Braake, Rechtsherstel (2013), p. 28. Raad voor het Rechtsherstel, Besluit no. 272, Regeling inzake het rechtsherstelgeschil S 14316 (9 januari 1956), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 194 Centrale directie van de Volkshuisvesting en Bouwnijverheid aan B en W Utrecht (8 maart 1957); betaalopdracht voor f 2489 aan de gemeente Utrecht (29 maart 1957), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 193
34
Verschil maken?
November 2020
van de Raad voor het Rechtsherstel. Zij was zeer verontwaardigd geweest over het handelen van de gemeente, maar was nu tevreden met de uitkomst. Andere en latere ervaringen met de gemeente Utrecht waren overigens positief.195
5.6 ‘Behoort inderdaad ten volle te worden berekend’ De casus van Wilheminapark 26 is ook interessant vanwege de straatbelasting. Deze komt namelijk in het dossier aan de orde als een soort verliespost. De gemeente beschouwde de nietontvangen straatbelasting en het recht afvoer faecale stoffen als ‘gederfde inkomsten’. Als eigenaar van een perceel hoefde de gemeente zelf geen straatbelasting te betalen. Zij was daarvan vrijgesteld.196 Zij liep voor dat perceel dus inkomsten mis en dacht dit op de erven Gompertz te verhalen. II. Gederfde inkomsten: Indien de Gemeente geen eigenares van het pand was geworden, zou zij niet aan het Algemeen Nederlandsch Beheer van Onroerende Goederen een bedrag van f 33,78 hebben behoeven te restitueeren wegens reeds aan haar betaalde straatbelasting en recht afvoer faecale stoffen over het tijdvak van 20 juli t/m 31 december 1942. f 33,78 In bovenvermeld geval zou de Gemeente voorts over de jaren 1943 t/m 1946 wegens straatbelasting en recht afvoer faecale stoffen hebben ontvangen f 76 per jaar of f 304,in totaal, te verhoogen met 10% navordering op de straatbelasting over 1946 ad f 7,20 f 311,20.Het totaal van de gederfde inkomsten bedroeg f 344,98.197 Aan grondbelasting had de gemeente per jaar f 189,63 betaald. Grondbelasting was echter een rijksbelasting. Daarom werd dit bedrag opgevoerd aan de uitgavenkant van de rekening.