CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Verschil maken? - Gemeente, belastingen en rechtsherstel in naoorlogs Utrecht.pdf

Gemeenteraad 21 januari 2021, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Joods rechtsherstel21.245 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verschil maken?

November 2020

Bij de ingang van het Stadskantoor Utrecht

Verschil maken?

Gemeente, belastingen en rechtsherstel in naoorlogs Utrecht Maili Blauw November 2020

1

Verschil maken?

November 2020

Inleiding De gemeente Utrecht heeft opdracht gegeven haar naoorlogs handelen jegens joodse oorlogsslachtoffers te onderzoeken. De onderzoeksvragen betreffen met name onroerend goed in joods bezit. In overleg met de joodse gemeenschap in Utrecht heeft het college van B en W besloten onderzoek te laten doen naar mogelijke naheffingen wegens achterstalligheid. Ook is in de opdracht meegenomen de aankoop van onroerend goed uit joods bezit door de gemeente. De onderzoeksvragen luiden: −

−

Heeft de gemeente Utrecht na afloop van de Tweede Wereldoorlog naheffingen voor straatbelasting en, indien van toepassing, brandverzekeringsbelasting gevorderd van joodse eigenaren van onroerend goed dan wel hun nabestaanden/erfgenamen over de oorlogsperiode? Heeft de gemeente Utrecht tijdens de bezetting onroerend goed aangekocht dat eigendom was van joodse burgers en heeft er nadien daarover rechtsherstel plaatsgevonden?

Op verzoek van de gemeente Utrecht heeft het NIOD uit Amsterdam geadviseerd over de inhoud van dit onderzoek. NIOD-onderzoekers en Hinke Piersma en Peter Romijn hebben daarbij gefungeerd als wetenschappelijke begeleiders. De verantwoordelijkheid voor de tekst ligt geheel bij de auteur. Als titel heeft dit rapport de hedendaagse uitdrukking ‘Verschil maken?’ om weer te geven dat lijnen uit het verleden doorlopen in het heden. Discussies over identiteit, groepsvorming, uitsluiting of juist inclusie zijn immers aan de orde van de dag. Onze menselijke opdracht is om in positieve zin ‘verschil te maken’.

2

Verschil maken?

November 2020

Inhoud Inleiding 1. Fasen van rechtsherstel 1.1. Naoorlogse heffingen? 1.2 Derde fase

2. Joods Utrecht 2.1 ‘Geen Nederlanders’ 2.2 Registratie als opmaat 2.3 Deportaties 2.4 ‘Uitstel van ontruiming’ 2.5 ‘Wertlose Sachen’

3. Onroerend goed in joods bezit 3.1 In beheer genomen 3.2 Schatting aantal eigenaren 3.3 Burgemeesterswoning 3.4 ‘Bestaande gelegenheid’ 3.5 Teruggefloten

4. De draad weer oppakken 4.1 Afdeling Joodse Zaken 4.2 Onderdak 4.3 Straatbelasting 4.4 Achterstalligheid? 4.5 Andere lasten

5. Nietig verklaard: naoorlogs rechtsherstel 5.1 ‘Nooit van kracht te zijn geweest’ 5.2 Voorstraat 98 5.3 Wilhelminapark 26 5.4 Noodzakelijke werkzaamheden? 5.5 Regeling 5.6 ‘Behoort inderdaad ten volle te worden berekend’

6. Conclusie Bronnen

3

Verschil maken?

November 2020

1. Fasen van rechtsherstel 1.1. Naoorlogse heffingen? Op 16 april 2013 stelde een raadslid in de Utrechtse raadscommissie Mens en Samenleving de vraag in hoeverre ook in Utrecht erfpachtaanslagen waren opgelegd aan Joodse gezinnen na de Tweede Wereldoorlog. ‘Ook’ verwees naar Amsterdam, waar kort daarvoor was bekendgemaakt dat de gemeente na de bevrijding naheffingen en boetes had opgelegd aan joodse oorlogsslachtoffers. Dit was aan het licht gekomen door een toevallige vondst in het Amsterdams archief. De vraag in de Utechtse commissie vormde de aanleiding voor een verkennend onderzoek door het Utrechts Archief. De uitkomst daarvan was dat er geen stukken waren aangetroffen die wezen op een naoorlogse inning van erfpacht door de gemeente Utrecht bij Joodse families die tijdens de oorlog gedwongen werden hun woning te verlaten. Het college van B en W informeerde de raad hierover en veronderstelde daarbij dat er wel naheffingen van gemeentelijke belastingen zouden hebben plaatsgehad.1 Vermoedelijk was die veronderstelling gebaseerd op het verkennend onderzoek, waarin wordt verwezen naar het bericht over een joodse bakker. Deze was tijdens de bezetting ondergedoken en vroeg na terugkomst de gemeente om hulp bij het herinrichten van zijn winkel. Maar ‘het enige wat hij kreeg, was een belastingaanslag voor de jaren dat hij ondergedoken zat’.

Dit zou een aanwijzing kunnen zijn voor een gemeentelijke naheffing wegens achterstalligheid. Het bericht was aangetroffen op de website van de Stichting Joods Monument Utrecht.2 Sinds 2013 zijn in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam studies gepubliceerd over het naoorlogs handelen van die gemeenten jegens joodse huizenbezitters. In maart 2014 verschenen de eerste resultaten over Amsterdam, die in 2015 in boekvorm werden uitgegeven: Openstaande rekeningen van Hinke Piersma en Jeroen Kemperman3 (2015) over voornamelijk erfpachtcanon en erfpachtboetes. Amsterdam besloot tot terugbetaling van de gehalveerde erfpachtboetes en tot een collectieve tegemoetkoming van 10 millioen euro aan de Joodse gemeenschap voor de heffingen vanwege achterstallige erfpachtcanons. Vervolgens verscheen in 2016 de rapportage van Robin te Slaa over Den Haag, een jaar later uitgebracht als boek onder de titel ‘Daar dit een immorele aanslag is’.4 Ook hier was sprake van heffing van achterstallige erfpachtcanon en van straatbelasting. Zijn bevindingen leidden tot de regeling ‘Joods moreel rechtsherstel’ door de gemeente Den Haag.

Er werd daarvoor 2,6 miljoen euro gereserveerd, en de regeling kende een individuele en een collectieve component.5 Het rapport over Rotterdam werd in juni 2020 gepubliceerd.6 In deze gemeente was geen sprake van naheffingen van erfpachtcanons, aangezien erfpacht voor particulieren niet voorkwam in Rotterdam. Evenmin zijn er aanwijzingen dat er geprotesteerd is tegen opgelegde straatbelasting. Wel heeft de gemeente Rotterdam voordeel gehad bij de anti-joodse

1

Burgemeester en wethouder Utrecht aan Commissie Mens en Samenleving (11 juni 2013). Van der Meulen, Verkennend onderzoek (2013), p. 3. 2 Van der Meulen, Verkennend onderzoek (2013), p. 3. 3 Piersma, Hinke en Jeroen Kemperman, Openstaande rekeningen. De gemeente Amsterdam en de gevolgen van roof en rechtsherstel, 1940-1950 (Amsterdam: Boom 2015). 4 Te Slaa, ‘Daar dit een immorele aanslag is’. De houding van de gemeente Den Haag tegenover Joodse eigenaren van onroerend goed 1940-1955 (Den Haag: De Nieuwe Haagsche 2017). 5 Rechtsherstel voor Joodse eigenaren van geroofd vastgoed in Den Haag (Raadsbesluit 13 april 2017), RIS 296327. 6 Piersma, Hinke en Marleen van den Berg, Ontrechting & rechtsherstel. Het Rotterdams gemeentebeleid inzake ontrechting en rechtsherstel van Joodse oorlogsslachtoffers 1940-1955. (NIOD-rapport, juni 2020). 2

4

Verschil maken?

November 2020

maatregelen van de bezetter en hield zij de gemeentefinanciën goed in de gaten.7 Het Rotterdamse college reageerde op het rapport met de wens om onrechtvaardige bureaucratische beslissingen, die in Rotterdam in de naoorlogse periode zijn genomen, ‘zo goed mogelijk te repareren’. Het college wil daarvoor een bedrag van € 2 miljoen beschikbaar stellen.8 De besluiten van de gemeenten Amsterdam, Den Haag en Rotterdam voegen een nieuw hoofdstuk aan de lange geschiedenis van het naoorlogs rechtsherstel.9 Rechtshistoricus Raymund Schütz typeert de hernieuwde aandacht voor onrecht en rechtsherstel, nu bij gemeenten, als de derde fase van rechtsherstel. De eerdere fasen duurden globaal van 1945 tot 1967 en van 1990 tot 2000.10

1.2 Derde fase Direct na de bevrijding begon de eerste fase van het rechtsherstel. Voorbereidingen daarvoor waren al getroffen door de regering in Londen, terwijl Nederland nog grotendeels bezet was. In september 1944 kwamen twee wetsbesluiten tot stand, het Besluit bezettingsmaatregelen (E93) en het Besluit herstel rechtsverkeer (E 100). Er kwam een Raad voor het Rechtsherstel met een aantal uitvoerende afdelingen.11 Het rechtsherstel in de periode direct volgend op de bevrijding vond plaats tegen de achtergrond van de wederopbouw. Het duurde tot eind jaren vijftig tot de meeste zaken als afgehandeld werden beschouwd. De praktijk van het rechtsherstel was niet zelden weerbarstig en het bleef ook in de decennia daarna onderwerp van discussie.12 In de loop van de jaren negentig kwam het rechtsherstel weer prominent op de politieke agenda. Er werden enkele commissies ingesteld, die lopend onderzoek naar oorlogstegoeden in het buitenland kritisch volgden en daarnaast onderzoek deden naar de praktijk van de teruggave van roerende en onroerende goederen van joodse oorlogsslachtoffers. De conclusie luidde dat het naoorlogse rechtsherstel in grote lijnen correct was verlopen, maar dat er niettemin sprake was geweest van tekortkomingen die voor betrokkenen onbillijke en onrechtvaardige consequenties konden hebben.

Op grond hiervan kwamen de commissies met een aantal aanbevelingen en ramingen van de bedragen die redelijkerwijs alsnog zouden moeten worden terugbetaald. Het ministerie van Financiën ging uiteindelijk akkoord met een bedrag van 400 miljoen gulden, een besluit dat moest worden gezien ‘als een erkenning van morele aanspraken’ van de joodse gemeenschap. Het bedrag is bekend geworden onder de naam Maror-gelden: Morele Aansprakelijkheid Roof en Rechtsherstel. De totale geldsom die aan de Joodse gemeenschap werd betaald liep op tot 764 miljoen gulden, omgerekend 347 miljoen euro. Naast de 400 miljoen van het ministerie van Financiën betrof dit 50 miljoen van de verzekeraars, 50 miljoen van de Nederlandse banken en 264 miljoen van de effectenbeurs.13 De commissies stelden in hun onderzoeken de herstelwetgeving zelf niet ter discussie. Ten onrechte, vonden onderzoekers als Philip Staal, bestuurslid van het Platform Israël, Ido de Haan, hoogleraar geschiedenis in Utrecht en Wouter Veraart, hoogleraar rechtssfilosofie. Piersma en Van den Berg halen deze onderzoekers aan. De Haan wees op voorbeelden van ‘fatale weeffouten’ zoals de inperking van beroepsprocedures en de vage criteria van ‘redelijkheid’ en billijkheid’. Veraart heeft geconstateerd dat de pragmatische, instrumentele visie van de Nederlandse regering op het rechtsherstel in dienst van de wederopbouw, met als 7

Piersma en Van den Berg, Ontrechting en rechtsherstel (2020), p. 5. Burgemeester en wethouders Rotterdam aan de gemeenteraad (30 juni 2020). 9 Piersma en Van den Berg, Ontrechting en rechtsherstel (2020), p. 5. 10 Schütz, ‘Het eeuwig terugkerende rechtsherstel’ (2018). 11 Aalbers, Berooid (2001), p.43, 52-53. 12 Piersma en Van den Berg, Ontrechting en rechtsherstel (2020), p. 6. 13 Piersma en Van den Berg, Ontrechting en rechtsherstel (2020), p. 6. 8

5

Verschil maken?

November 2020

grondslag ‘billijkheid’ en ‘redelijkheid’, er in de praktijk toe heeft geleid dat ‘joodse rechthebbenden vaak water bij de wijn moesten doen’ omdat er werd aangestuurd op compromissen.14 Met de 400 miljoen gulden wilde de Nederlandse regering ‘uitdrukkelijk finaal recht doen’. In een brief aan de Tweede Kamer onderstreepte de regering het definitieve karakter van de financiële compensatie. De overheid ging er van uit dat dit finaal recht doen betrekking had op ‘de overheid en overheidsoptreden in zijn geheel’ met inbegrip van de lokale overheden. Met andere woorden, ook wat er op gemeentelijk niveau was misgegaan, was met de Marorgelden recht gezet. Volgens een van de toenmalige onderhandelaren namens de Joodse gemeenschap zou hier echter sprake zijn van een eenzijdige interpretatie van het akkoord door de overheid. Van het regeringsstandpunt dat er finaal recht was gedaan, is in 2014 door burgemeester Van der Laan van Amsterdam afgeweken. Daarmee is de discussie over financiële compensatie of tegemoetkoming opnieuw opengebroken.15 Na Amsterdam hebben ook de gemeenten Den Haag en Rotterdam hun naoorlogs handelen laten onderzoeken en daaruit consequenties getrokken. Zij beschouwen dat niet als juridisch, maar als moreel rechtsherstel.

14 15

Piersma en Van den Berg, Ontrechting en rechtsherstel (2020), p. 7. Piersma en Van den Berg, Ontrechting en rechtsherstel (2020), p. 7-8.

6

Verschil maken?

November 2020

2. Joods Utrecht 2.1 ‘Geen Nederlanders’ Op 15 mei 1940 trok het Duitse leger, de weermacht, Utrecht binnen en al gauw stond het Domplein vol met Duitse vrachtwagens. Men vroeg zich af hoe Hitlers troepen zich zouden gedragen, maar hun discipline liet niets te wensen over.16 De Duitse bevelhebbers hechtten eraan dat hun soldaten zich correct gedroegen. Ook elders in het land waren ooggetuigen van de intocht van de Duitse troepen onder de indruk - van het moderne materiaal en van het nette en gedisciplineerde gedrag van de soldaten. Dezen gedroegen zich beheerst of zelfs vriendelijk. Men had het zich erger voorgesteld en was nu enigszins gerustgesteld.17 Aanvankelijk hadden de commandanten van de bezettingstroepen de Nederlandse autoriteiten verzekerd dat de positie van de joden door hen niet zou worden aangetast. Ook rijkscommissaris Seyss-Inquart beloofde eind mei 1940 bij zijn ambtsaanvaarding de Nederlandse tradities te zullen respecteren. In het landsbestuur namen de secretarissengeneraal de taken van de vertrokken ministers waar. Zij kregen te horen ‘dat voor de Duitse autoriteiten het joodse probleem in Nederland niet bestond’.18 Vrees voor anti-joods optreden was niet ongegrond. De voorgaande jaren hadden in Duitsland een uitholling van de positie en de rechten van joden laten zien.

Zij hoorden volgens de nationaal-socialistische leer niet bij het Duitse volk van ‘ariërs’. Ze werden verantwoordelijk gehouden voor allerlei (vermeende) misstanden in de Duitse samenleving en voor de moeilijke omstandigheden waarin het land verkeerde na het verliezen van de Eerste Wereldoorlog. Een steeds sterker en harder antisemitisme mondde uit in tal van anti-joodse maatregelen. Duitsland kende al enige tijd antisemitische bewegingen en organen. De NSDAP was niet de enige, wel werd zij de sterkste groepering die op ‘uitschakeling van de joodse invloed’ aandrong. Nadat Hitler op 31 januari 1933 aan de macht was gekomen, liet hij al snel optreden tegen joden en politieke tegenstanders. Politieke oppositie werd onderdrukt of de illegaliteit in gedreven. Vooral communisten werden opgepakt, maar ook andere politieke tegenstanders liepen gevaar.19 De ontwikkelingen in Duitsland brachten een stroom van emigranten op gang, ook naar Utrecht. Al eind 1931, begin 1932 waren er overigens in Utrecht Duitse joden gearriveerd. Zij moesten op eigen houtje onderdak en werk zien te vinden, want er bestond nog geen georganiseerde vluchtelingenopvang. De meeste Duitse joden vertrokken na verloop van tijd weer: zij emigreerden of gingen naar Amsterdam.20 Ondanks eerdere geruststellingen werden ook in het bezette Nederland al vrij snel antijoodse maatregelen genomen.

Direct na de capitulatie werden joodse medewerkers uit hun functie ontheven bij het ANP en de radio. Op 1 juli werd het joden en andere ‘Duitsland vijandig gezinde personen’ verboden lid te zijn van de luchtbeschermingsdienst.21 In de maanden daarna volgden tal van bepalingen gericht op uitsluiting en isolatie van joden. Een verordening van 31 juli 1940 verbood het ritueel slachten. In september kwam het verbod om joden als ambtenaar in publieke dienst te benoemen of te bevorderen. Vervolgens moest overheidspersoneel een ‘ariërverklaring’ invullen en ondertekenen. Op 21 november 1940 volgde de verordening waarmee alle joodse ambtenaren uit hun functie werden ontheven en in februari 1941 ontslagen. Utrechts burgemeester Ter Pelkwijk wilde weigeren hieraan mee te werken, maar kreeg daarvoor weinig steun. Onder andere een gemeenteraadslid, drie hoogleraren, een 16

Van der Leeuw, ‘Utrecht in de oorlogsjaren’ (1995), p. 18 Ten Have, ‘Verwarring en aanpassing’ (2020/2015) p. 96. 18 Ten Have, ‘Verwarring en aanpassing’ (2020/2015) p. 193. 19 De Jong, Het koninkrijk, Deel 1 Voorspel (1969), p. 430, 436, 452. 20 Van Dam, Jodenvervolging in de stad Utrecht (1985) p. 39. 21 Ten Have, ‘Verwarring en aanpassing’ (2020/2015) p. 195. 17

7

Verschil maken?

November 2020

wetenschappelijk medewerker en drie assistenten aan de universiteit moesten hun werk neerleggen. Vanaf 15 februari 1941 werden geen joodse studenten meer toegelaten op de universiteit.22 In maart 1941 hield Seyss-Inquart een toespraak waarin hij nogmaals verklaarde dat de Duitse bezetter het Nederlandse volk geen overtuigingen wilde opdringen. Dat gold echter niet voor de joden. Zij werden door de nationaalsocialisten niet als deel van het Nederlandse volk beschouwd. Sterker nog, zijn werden gezien als de vijand van het nationaalsocialisme en van het nationaalsocialistische rijk. Een vijand met wie geen wapenstilstand of vrede mogelijk was. ‘Die Juden sind für uns nicht Niederländer.’23

2.2 Registratie als opmaat In januari 1941 werd via verordening 6/1941 bepaald dat alle joden zich moesten laten registereren bij de bevolkingsregisters in hun gemeente. Praktisch iedereen meldde zich. Men zag er nog geen gevaar in of achtte niet-melden in elk geval gevaarlijker.24 Als jood werd beschouwd iedereen ‘die uit tenminste drie naar ras vol-joodse grootouders stamt’, iedereen die uit twee voljoodse grootouders stamde en óf zelf op 9 mei 1940 (of later) tot de joodse kerkelijke gemeente behoorde óf op 9 mei (of later) met een jood was getrouwd. Een grootouder werd als voljoods aangemerkt wanneer deze tot de joods-kerkelijke gemeenschap had behoord.25 Een combinatie van familiebanden (‘ras’) en religieuze bindingen dus. De verordeningen van de bezetter golden landelijk en moesten veelal op provinciaal of gemeentelijk niveau worden uitgevoerd. Na de registratie volgde de telling van de joodse inwoners. Via de commissaris van de provincie – tijdens de bezetting de functiebenaming van de commissaris van de koningin – kregen begin juni 1941 de burgemeesters hiertoe de opdracht. Vóór 25 juni moesten lijsten worden ingeleverd bij de Sicherheitspolizie in Utrecht. Ook eventuele verhuizingen van joden moesten binnen 24 uur worden gemeld.26 Op de Utrechtse lijst staan 1.929 namen.27 Andere bronnen spreken van kleinere aantallen: Croes en Tammes gaan uit van 1.908 c.q.

1.882 personen28 en Van Dam noemt een aantal van circa 1.600 joden in Utrecht rond januari 1942.29 Uiteraard was het aantal joodse inwoners geen statisch gegeven, maar varieerde het ten gevolge van vestiging en vertrek. Iedere telling is dus een momentopname. Van de 1929 joden die begin juni 1941 in de gemeente Utrecht werden geteld had zo’n 61% de Nederlandse nationaliteit en ruim 39% een andere: 31% van het totaal was Duits en ruim 5% ‘zonder nationaliteit’. Verder waren er nog enkele Polen, Tsjechen en personen met een niet nader toegelichte ‘vreemde nationaliteit.30 In 1941 volgden nog tal van discriminerende maatregelen tegen joden, die hen vele beperkingen oplegden en een ernstige aantasting waren van hun grondrechten. Joden mochten niet meer naar de bioscoop, niet meer naar de universiteit, geen bloeddonor meer zijn, gelegenheden als parken en café’s niet meer betreden, moesten hun radiotoestellen inleveren en mochten in vrije beroepen alleen nog voor joodse cliënten werken. Dit zijn slechts enkele

22

Van Dam, Jodenvervolging in de stad Utrecht (1985) p. 48-50, 55. Van Dam, Jodenvervolging in de stad Utrecht (1985) p. 58-59. 24 Van der Leeuw, ‘Utrecht in de oorlogsjaren’ (1995), p. 37. 25 Van Dam, Jodenvervolging in de stad Utrecht (1985) p. 58. 26 Beauftragte für die Provinz Utrecht aan commissaris der provincie Utrecht (31 mei 1941); commissaris der provincie aan burgemeesters (3 juni 1941), HUA, toegang 1202 (Com. der Koningin), inv.nr. 215. 27 Een tabel geeft een totaal van 1929 joodse personen voor de gemeente Utrecht, HUA, toegang 1202 (Com. der Koningin), inv.nr. 215. 28 Croes en Tammes, ‘Gif laten wij niet voortbestaan’ (2006), p. 576. 29 Van Dam, Jodenvervolging in de stad Utrecht (1985), p. 120. 30 Lijsten met namen (niet gedateerd) en geaggregeerde cijfers voor de gemeenten in de provincie Utrecht, HUA, toegang 1202 (Com. der Koningin), inv.nr. 215. 23

8

Verschil maken?

November 2020

voorbeelden.31 In september 1941 bepaalde een Anordnung dat joden niet zonder vergunning mochten verhuizen of de nacht buiten hun woning doorbrengen. Uit opsporingsverzoeken blijkt dat hierop ook werd toegezien.32 Dit alles gebeurde tegen de achtergrond van strakkere regie van de Duitse bezetter, die ook leidde tot ingrijpende wijzigingen in het gemeentelijk en provinciaal bestuur. Op 4 juli 1941 werden de traditionele politieke partijen verboden. Een maand later werden bij Verordnung 152/41 de provinciale staten en gemeenteraden opgeheven. Het hoogste gezag in de gemeente, berustend bij de gekozen gemeenteraad, werd overgedragen aan de burgemeester. In feite was de functie van de Utrechtse raad reeds uitgehold en hadden het communistische raadslid (juli 1940) en het joodse SDAP-raadslid (december 1940) hun functie al moeten neerleggen.33 De laatste raadsvergadering in bezettingstijd was op 28 augustus 1941 en per 1 september was de burgemeester de enige in de gemeente erkende autoriteit.34 Het door de nationaalsocialisten aangehangen leidersprincipe was nu ook in het lokale bestuur ingevoerd.

2.3 Deportaties De jodenvervolging was een van de pijlers van het nationaal-socialisme. De impuls om met deportaties te beginnen kwam uit Berlijn, het machtscentrum van het Derde Rijk. Daar vond tussen het eind van de zomer van 1941 tot december van dat jaar stapsgewijs de besluitvorming plaats om de joden in bezet Europa niet alleen te isoleren, maar ook daadwerkelijk uit te roeien. Eerst viel op instigatie van Hitler en Himmler het besluit om alle joden in Polen en de bezette delen van de Sovjet-Unie te vermoorden. Later in dat jaar volgde de beslissing om de genocide binnen het hele machtsbereik van nazi-Duitsland uit te voeren.35 De woorden ‘moord’ en ‘genocide’ vielen uiteraard niet bij de maatregelen die de Duitse bezetter bekendmaakte. Hij sprak van ‘verhuizen’, ‘evacueren’ en verblijven in een ‘werkkamp’. Dit alles echter niet uit eigen beweging en vrije wil, maar gedwongen. C. van Dam volgt in zijn studie over de jodenvervolging in de stad Utrecht deze terminologie en daarbij is ook hier aangesloten. In februari 1942 moesten de eerste joden Utrecht verlaten, om te beginnen Duitse en staatloze joden onder de 65 jaar. Zij kregen op 8 februari 1942 het bericht dat ze binnen 24 uur geëvacueerd zouden worden naar Westerbork. Zij moesten zich de volgende dag melden op het Centraal Station, waar een trein naar Drenthe klaarstond.

De Joodse Raad, schakel tussen de joodse gemeenschap en de Duitse bezetter, stelde hen gerust: het was een werkkamp waar ze naartoe gingen, paniekreacties waren onnodig en onwenselijk. Men mocht alles meenemen ‘wat draagbaar vervoerd kan worden’, in elk geval een hoofdkussen en een deken. De bagage moest op een lijstje genoteerd staan, verder moest alles achtergelaten worden. De politie haalde hen op, nam het lijstje en de huissleutels in beslag en bracht hen naar het Centraal Station.36 Deze eerste groep bestond uit 150 staatloze Joden. Ook 30 Duits-joodse kinderen uit het Joodse Weeshuis moesten vertrekken.37 In de periode tussen 9 februari en 30 juni 1942 liet de Duitse bezetter individuele joden uit Utrecht naar Westerbork en Amsterdam vertrekken. Na het transport van 9 februari moesten de Duitse en staatloze joden zoveel mogelijk geconcentreerd worden in de hoofdstad. De gemeente Utrecht was verplicht elke verhuizing van joodse inwoners door te geven aan de 31

Te Slaa, ‘1941. Het masker valt’ (2016/2020), p. 488-493 (1941 Lijst van gebeurtenissen); Van Dam, Jodenvervolging in de stad Utrecht (1985) p. 145-146 (Bijlage 1). 32 Van der Leeuw, ‘Utrecht in de oorlogsjaren’ (1995), p. 37. 33 Van der Leeuw, ‘Utrecht in de oorlogsjaren’ (1995), p. 24 34 Ter Pelkwijk, Utrecht in de eerste jaren van de bezetting (1950), p. 27. 35 Romijn, Burgemeesters in oorlogstijd (e-book 2012), p. 503 36 Van Dam, Jodenvervolging in de stad Utrecht (1985), p. 91. 37 Presser, Ondergang (1985), p. 205.

9

Verschil maken?

November 2020

‘Zentralstelle für Jüdische Auswanderung’. In de periode februari tot juni 1942 gaf zij in totaal 94 gevallen door, 15 naar Westerbork en de overige 79 naar Amsterdam.38 In het gemeentebestuur van Utrecht vond intussen een belangrijke wijziging plaats. Burgemeester Ter Pelkwijk werd ontslagen en opgevolgd door de NSB-er C. van Ravenswaay, eerder burgemeester in Zaandam. Per 1 april trad hij aan in Utrecht. Er kwamen ook nieuwe wethouders, allen overtuigde NSB-ers - al was de een fanatieker dan de andere.39 Bij zijn officiële installatie op 25 april verscheen Van Ravenswaay in WA-uniform en hield een rede die sterk antisemitisch gekleurd was.40 Op 3 mei 1942 werden joden ouder dan zes jaar verplicht een gele ster te dragen. Eind juni 1942 liet de Sicherheitspolizei aan de Joodse Raad mededelen, dat er binnenkort oproepen zouden uitgaan voor een polizeilicher Arbeitseinsatz in Duitsland.41 Op 15 juli 1942 moesten zich in Amsterdam 4.000 joden melden op het Centraal Station om naar de ‘werkkampen in Duitsland’ te vertrekken. Onder hen bevonden zich waarschijnlijk ook enige tientallen Utrechtse joden, die eerder naar Amsterdam waren geëvacueerd. Op 18 augustus 1942 moesten enkele honderden joodse gezinnen uit Utrecht zich melden op het Maliebaanstation voor transport naar Amsterdam en Westerbork. Velen gaven aan de oproep gehoor, anderen doken onder.

Op 25 augustus 1942 moesten de Utrechtse joden vanaf zestig jaar naar Amsterdam vertrekken, maar op het laatste moment werd de bestemming Westerbork. Het omgekeerde kwam ook voor: volgens een bericht van 10 september 1942 zouden 118 joodse inwoners van Utrecht, die eerst naar Westerbork zouden gaan, naar Amsterdam geëvacueerd worden. Het waren ouderen en ernstig zieken, die in Amsterdam werden ondergebracht in ziekenhuizen, rusthuizen en bij familie. Ook ongeveer 30 personen die bij de Joodse Raad en de Joodse Gemeente in Utrecht gewerkt hadden en tot 31 augustus ‘uitstel van evacuatie’ hadden, waren intussen bijna allen naar Amsterdam verhuisd.42 In de laatste week van oktober 1942 werd het Nederlandsch Israëlietisch Weeshuis aan de Nieuwe Gracht 92 gevorderd. Alle inwoners, kinderen en begeleiders, werden naar Amsterdam gebracht. De kinderen werden in een schoolgebouw van de hoofdsynagoge in Amsterdam gehuisvest. Het ging om ongeveer 60 personen. De weeskinderen zijn bijna allen omgekomen. Voor de ongeveer 400 overgebleven joden in Utrecht was de winter van 1942 vrij rustig. Er vonden enkele maanden geen massale transporten uit de stad plaats. Wel werden af en toe joden uit hun huizen gehaald, gearresteerd en naar Westerbork getransporteerd.43 Een aantal personen mocht voorlopig nog blijven.

2.4 ‘Uitstel van ontruiming’ De bezetter deelde aan diverse groepen vrijstellingen van de transporten uit. Er waren allerlei soorten: voor joden die met niet-joden waren getrouwd, die in bedrijven werkten met opdrachten van het Duitse leger, die zich tot een protestantse kerk hadden bekeerd, die bepaalde paspoorten of visa bezaten dan wel invloedrijke beschermheren hadden. Ook degenen die hun joodse afstamming formeel bestreden, konden na goedkeuring van de Duitse ambtenaar H. Calmeyer worden vrijgesteld. Er kwamen stempels in persoonsbewijzen voor de diverse vrijstellingen. Eind 1942 hadden rond de 40.000 joden een vrijstelling bemachtigd. Het schrijnendste was de strijd om de stempels van de Joodse Raad. Eind juli kreeg deze de mogelijkheid om per gemeente 20 procent van de joden voor een speciale vrijstelling aan te melden. Op basis van ‘onmisbaarheid’ moesten de plaatselijke vertegenwoordigers van de 38

Van Dam, Jodenvervolging in de stad Utrecht (1985), p. 92-93. Van der Leeuw, ‘Utrecht in de oorlogsjaren’ (1995), p. 28. 40 Melching, ‘Een loyale houding’ (1995), p. 69. 41 Van der Leeuw, ‘Utrecht in de oorlogsjaren’ (1995), p. 37. 42 Van Dam, Jodenvervolging in de stad Utrecht (1985), p. 96-97. 43 Van Dam, Jodenvervolging in de stad Utrecht (1985), p. 97-98. 39

10

Verschil maken?

November 2020

Joodse Raad namenlijsten doorgeven. Dat werden landelijk zo’n 35.000 namen, maar uiteindelijk kwam toch slechts de helft voor een vrijstelling in aanmerking.44 Ook aan enkele honderden joden in Utrecht was ‘alsnog uitstel van ontruiming’ verleend. Zo stond het boven de lijst die - vermoedelijk eind januari of in februari 1943 - werd opgesteld op verzoek van de commissaris van de provincie. Hij wilde een opgave ‘omtrent ontruimde woningen van Joden en omtrent woningen, welker ontruiming is uitgesteld’. Op de lijst van uitstel stonden 123 adressen met 356 bewoners. Als reden voor het uitstel vermeldde de lijst nogal eens ‘sper’, ‘ziek’ en ‘lid Joodsche Raad’. Verder komt er op voor: lijst Dr. Calmeijer, 4 ½ jaar officier in het leger geweest, gemengd huwelijk, onderzoek Ariërschap gaande.45 Op de lijst van ontruimde woningen stonden 379 adressen. Het aantal bewoners is hieruit niet af te leiden, omdat per woning doorgaans slechts één naam is vermeld.46 Voor medewerkers van de Joodse Raad Utrecht gold dus voorlopig een vrijstelling. Maar de ‘Sperrlijst’ werd steeds kleiner en vanaf 1943 werden ook steeds meer leden van de Joodse Raad gedeporteerd. Het laatste stadium van de deportaties uit Utrecht kwam in april 1943. In de nacht van 10 op 11 april werden circa 45 personen uit Utrecht naar Amsterdam gebracht. Van daar uit werden ze de volgende dag naar Westerbork vervoerd.

Onder hen bevonden zich enkele gemengd-gehuwden met en zonder kinderen. Op 13 april 1943 verscheen de Anordnung die joden het verblijf in de provincie Utrecht verbood. Hetzelfde gold voor Zuid-Holland en Noord-Holland. ‘Joden, die zich op het ogenblik in de genoemde provincies ophouden moeten zich naar het kamp te Vught begeven.’ Zij moesten zich uiterlijk 22 april daar melden. De maatregel gold niet voor de gemengd-gehuwden en half-joden. Op een paar uitzonderingen na moesten ook de Joodse Raad-medewerkers aan de oproep gehoor geven. Op 22 april vond de 'evacuatie' van ongeveer 350 joodse Utrechters naar Vught plaats. Dit was slechts bedoeld als doorgangskamp, omdat niet alle joden in een keer geherbergd konden worden in Westerbork. Bijna dagelijks reden er treinen van Vught naar Drenthe.47 C. van Dam schrijft dat van de circa 1.600 joden in Utrecht (rond januari 1942) ongeveer 400 terugkeerden.48 Dat betekent dat ongeveer 1.200 van hen zouden zijn vermoord en slechts 25% zou hebben overleefd. Croes en Tammes geven andere cijfers in hun dissertatie over overlevingskansen van joden. Zij gaan uit van een hoger percentage overlevenden in de stad Utrecht, namelijk een kleine 46% van de 1.882 die zij als grondslag nemen.49 Op het in 2015 onthulde Joods Monument Utrecht staan 1.239 namen.

Daaronder zijn ook die van 132 personen uit delen van Jutphaas, Maartensdijk en Zuilen die tijdens de bezetting nog niet bij de gemeente Utrecht hoorden, maar daar sinds 1954 wel bij zijn gevoegd.50

2.5 ‘Wertlose Sachen’ ‘Ten einde op zoo kort mogelijken termijn de beschikking te verkrijgen over een zoo groot mogelijke woningruimte, moet de inventaris van de leegstaande jodenwoningen uiterlijk op 3 December 1942 uit de wooningen zijn verwijderd en door U zijn opgeborgen onder voldoende bewaking.’ Op 28 november 1942 schreef de commissaris van de provincie Utrecht dit aan zijn burgemeesters. Van elke inventaris moest een lijst in drievoud worden opgemaakt, gesplitst als volgt: vloerbedekking (tapijten, lopers e.d), meubelen, gordijnen, lampen, linnengoederen, 44

Schumacher, ‘Oorlog op alle fronten’ (2017/2020), p. 677-678. Commissaris der provincie aan burgemeesters (27-01-1943) en ‘Opgave van Joden aan wie alsnog uitstel van ontruiming is verleend’, HUA, toegang 1202 (Com. der Koningin), inv.nr. 219. 46 ‘Staat van ontruimde woningen van Joden’, HUA, toegang 1202 (Com. der Koningin), inv.nr. 219. 47 Van Dam, Jodenvervolging in de stad Utrecht (1985), p. 98-99, 118. 48 Van Dam, Jodenvervolging in de stad Utrecht (1985), p. 120. 49 Croes en Tammes, Gif laten wij niet voortbestaan (2006), p. 30-31, 576. 50 https://www.joodsmonument.nl/nl/page/600386/joods-monument-utrecht, geraadpleegd 05-052020; In steen gebeiteld (2018), p. 5. 45

11

Verschil maken?

November 2020

diversen. De sleutel van de leeggekomen woningen moest onder politietoezicht worden bewaard en in geen geval mocht over de leegkomende of al leegstaande woningen worden beschikt. Deze ‘stonden het Rijksommissariaat ter beschikking’. De inventarissen moesten voorlopig worden opgeslagen ‘in afwachting van den verderen gang van zaken’. Aangezien het hier betrof eigendom, aldus het schrijven, stelde de bezettende overheid er ten zeerste prijs op dat een en ander met grote nauwkeurigheid plaatsvond.51 Onder het mom van zorgvuldigheid met betrekking tot eigendom moest er met bezittingen van de joden dus nauwkeurig worden omgesprongen. Gemotiveerd werd de operatie met de zorg voor voldoende woonruimte. Wat niet in de brief stond maar later zou blijken, is dat de Duitse bezetter zich de inboedels van de weggevoerde bewoners zou toeeigenen. Dat was slechts een onderdeel van een gigantische ‘roofoperatie’, die onder meer bestond uit het heffen van bezettingskosten, vordering en de verplichting tot inlevering van goederen en goud, het meenemen van cultuurgoederen die voor een groot deel belandden in de verzamelingen van nazikopstukken. Maar het meest omvangrijk en systematisch was de roof van joods bezit.52 Eerst vond een inventarisatie plaats van de inboedel en later werd deze ‘overgedragen’. Daarbij werd een Abnahmeverzeichnis (bewijs van afgifte) opgesteld.

De inventarisatie gebeurde volgens Aalders nadat de bewoners waren weggehaald. Maar mogelijk had deze zelfs al plaats toen zij nog in hun huis woonden. In dat geval was de operatie nog veel wranger. Inventarisatie- en overdrachtsformulieren voor woningen in Utrecht bevinden zich in het archief van het NIOD. Hierin zijn inventarisaties uit 1942 aan te treffen, terwijl de bewoners van het betreffende huis begin 1943 kennelijk nog aanwezig waren. Zij stonden althans op de hierboven genoemde ‘opgave van Joden aan wie alsnog uitstel van ontruiming is verleend’.53 Op voorgedrukte formulieren werd in het Duits opgesomd uit hoeveel vertrekken de woning bestond en wat er per vertrek aanwezig was. Vervolgens werd de geschatte waarde opgegeven. Het formulier vroeg om een beschrijving van de meubels, maar het werd veel ruimer opgevat. Behalve de tafels, stoelen, divans, bedden en kasten noteerden de taxateurs ook gordijnen, vitrages, lampen, schilderijen, tapijten, dameskleding, herenkleding, ondergoed, beddegoed, strijkplanken, gereedschap, schoonmaakmiddelen en zo voort.

Niet zelden registreerden zij ‘wertlose Sachen’ (waardeloze spullen), kennelijk niet de moeite waard om nader te specificeren – vermoedelijk niet interessant als buit.54 Op de Utrechtse lijst van ontruimde woningen stond een kolom met als kop ‘Waar zijn de meubels ondergebracht?’ In vrijwel alle gevallen stond daaronder ingevuld ‘Bij de Duitsche Weermacht’.55

51

Commissaris der provincie aan burgemeesters (28 november 1942), HUA, toegang 1202 (Com. der Koningin), inv.nr. 219. 52 Hierover schreef bijvoorbeeld Gerard Aalders in Roof (1999) en Berooid (2001). 53 Enkele voorbeelden: op het adres Frans Halsstraat 44 is een inventarisatie gedateerd 1 mei 1942, bewoner Mechel Rechter, invnr. 74 pag. 27 en 28. Op de lijst van joden aan wie uitstel is ontleend staat hij ook ('lid Joodse Raad'). Mechel Rechter is op 19 november 1943 in Auschwitz vermoord, evenals zijn echtgenote Ester Rechter-Choczner en hun zoon Bernard. (Bron: Joods Monument). Op datzelfde adres Frans Halsstraat 44 staat (schoon)vader Salomon Choczner geregistreerd als ‘inwonend bij Richter’ (=Rechter, MB). Choczner is ook vermeld op de lijst van joden aan wie uitstel van ontruiming is verleend, met als reden ‘ziek’. Hij en zijn vrouw Dora Choczer-Pawlinger stierven op 23 juli 1943 in Sobibor. Van Marcus Weiss (of Weisz) uit de Havikstraat 18bis is er een inventarisatie van 6 mei 1942 (inv.nr. 74, pag. 69), met een Abnahmeverzeichnis (pag. 70) gedateerd op 3-5-43, op naam van M. Weisz-Ratheim. Ook Weisz staat op de lijst van joden aan wie uitstel is verleend, met als reden ziekte (pag. 4). Marcus Weisz is op 16 juli 1943 in Sobibor vermoord, evenals zijn echtgenote Erna Ratheim en hun bijna 5 maanden oude zoontje Manfred Moses Israel.

Bronnen: Inventarisaties van de inboedel in: NIOD, toegang 93a (Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg), inv.nrs 73-76; de lijst van uitstel in: HUA, toegang 1202 (Com. der Koningin), inv.nr. 219; Sterfdata komen van JoodsMonument.nl. 54 Diverse inventarisatieformulieren, NIOD, toegang 93a (Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg), inv.nrs. 7376. 55 Staat van ontruimde woningen van Joden, HUA, toegang 1202 (Com.der Koningin), inv.nr. 219.

12

Verschil maken?

November 2020

3. Onroerend goed in joods bezit 3.1 In beheer genomen Ook onroerend goed van joden viel ten prooi aan de roofzucht van de Duitse bezetter. Juist vanwege het ‘onroerende’ karakter konden grond en huizen uiteraard niet worden meegenomen, zoals de inboedels van woningen. Maar wel werd het onroerend goed de joden ontnomen door het ongevraagd en verplicht ‘onder beheer te stellen’. Dit werd geregeld in verordening 154/41 van 11 augustus 1941, die voorschreef dat joden hun huizenbezit moesten laten registreren bij de Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV). Alle joodse onroerende goederen, rechten van opstal, beklemming en vaste huur, alsmede van hypotheken van joodse eigenaren moesten worden aangemeld bij deze organisatie. Die zou deze bezittingen voortaan beheren. Het beheer werd uitbesteed aan lokale kantoren van de organisaties als Algemeen Nederlandsch Beheer van Onroerend Goed (ANBO) en Nobiscum. Deze waren volgens de verordening ook gerechtigd om de beheerde panden te vervreemden, dus om deze over te dragen of te verkopen.56 Het Utrechtse ANBO was gevestigd aan de Mariaplaats 21. Hinke Piersma beschrijft een voorbeeld uit Amsterdam, waar huiseigenaar De Vries in maart 1942 te horen kreeg dat het beheer van zijn perceel was overgegaan op de NGV. Voortaan zouden de op dit perceel drukkende belastingen ( ...

) en verdere lasten (eventuele hypotheekrente, verzekeringen, onderhoud enz.) door genoemde instelling worden gedaan. Hiertegenover zou De Vries met ingang van 1 Maart voor het gebruik van het door hem bewoonde perceel(sgedeelte) huur verschuldigd zijn en zulks op basis van f 1.600,- per jaar. Op grond van verordening 154/41 was de joodse huiseigenaar De Vries plotseling huurder geworden.57 In het algemeen gesproken zag de verhouding huurwoningen en koopwoningen er zo’n tachtig jaar geleden overigens anders uit dan tegenwoordig: er was aanzienlijk minder eigenwoningbezit. Nu bestaat - landelijk gezien - ruim 57% van de woningvoorraad uit koopwoningen en58 in Utrecht bedroeg dat percentage in 2019 circa 47.59 Begin jaren twintig van de vorige eeuw daarentegen lag het aandeel eigen woningen rond de 18% en vlak na de Tweede Wereldoorlog op 28%. Verreweg de meeste mensen woonden dus in een huurwoning en het aantal particuliere verhuurders was veel groter dan vandaag de dag.60 Ook in Utrecht zullen in de jaren veertig dus (veel) minder mensen dan tegenwoordig hebben gewoond in een pand dat hun eigendom was. Deze aanname wordt bevestigd door gegevens uit de eerder genoemde woninginventarisaties. Daarin wordt behalve de naam van de joodse bewoner ook die van de Grundstückseigentümer vermeld.

In zeer veel gevallen zijn dat verschillende namen en niet zelden staat over de joodse bewoner genoteerd ‘huurder’ of ‘onderhuurder’.61 Hieruit blijkt dat het aantal huurders groot was, maar daarmee hebben we nog geen aanwijzing over het aantal joodse huiseigenaren. Dezen konden uiteraard ook nietjoodse huurders hebben en die komen niet voor op deze lijst. Bovendien huurden de eigenaren wellicht zelf ook, in plaats van hun eigen huis te bewonen. Door Piersma en Van den Berg is dit onderzocht voor Rotterdam62. We kunnen aannemen dat het in Utrecht niet anders was. 56

Schütz, Kille mist (2016), p. 247; Nationaal Archief, ‘Exposé over de NGV’, p. 4., NA, Ned. Beheersinstituut / Beheersdossiers, toegangsnummer 2.09.16, inv.nr. 6675. 57 Piersma en Kemperman, Openstaande rekeningen (2015), p. 76. 58 https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82900NED/table?ts=1591794238350, geraadpleegd 10-62020. 59 https://www.utrecht-monitor.nl/fysieke-leefomgeving/wonen/voorraad-woningen geraadpleegd 25 mei 2020. 60 De Zeeuw en Kraan, ‘Eigenwoningbezit in 100 jaar’ (2001), p. 24. 61 NIOD, toegang 93a (Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg), inv.nrs 73-76. Er komen ook adressen voor waarbij de naam van de eigenaar niet vermeld staat. Waarom die ontbreekt is onduidelijk. 62 Piersma en Van den Berg, Ontrechting en rechtsherstel (juni 2020), p. 10.

13

Verschil maken?

November 2020

3.2 Schatting aantal eigenaren Hoeveel huizen in Utrecht in bezit waren van joden is niet duidelijk. Voor zover bekend is daar geen overzicht van. Dat dit er wel is geweest, blijkt uit een briefje van augustus 1945 aan de Adviescommissie Rechtsherstel en Beheer in Utrecht. Er waren overzichten te voorschijn gekomen ‘blijkbaar destijds gemaakt ten behoeve van het opsporen en uitgeven van Joodsche woningen’. De lijsten werden naar de adviescommissie opgestuurd, in de veronderstelling dat ze voor haar van waarde konden zijn. Genoemd worden in het briefje onder meer een alfabetische lijst van de namen van de joodse ingezetenen en een lijst van joods bezit van onroerend goed.63 Voor sommige andere gemeenten, zoals Den Haag, is het aantal eigenaren af te leiden uit archiefmateriaal van het kadaster. Het gaat om formulieren die de NGV aan het Kadaster stuurde met het verzoek om haar ‘beheer’ in de kadastrale registers in te schrijven. Deze formulieren zijn aanwezig in het Nationaal Archief.64 In Den Haag zal het aantal onroerendgoedeigenaren volgens een ruwe schatting tussen de 850 en 980 hebben gelegen. Dat is zo’n 5 tot bijna 6% van de 17.000 joden in Den Haag.65 Dergelijke gegevens zijn er voor Utrecht niet.

Voor Rotterdam komen Hinke Piersma en Marleen van den Berg op een aantal van tussen de 665 en 1.000 huiseigenaren.66 Dit betekent dat 5 à 8% van de circa 12.500 joodse Rotterdammers onroerend goed bezat. Voor Amsterdam is het aantal onbekend. Er konden ruim 500 huizenbezitters geïndentificeerd worden, maar in werkelijkheid zullen het er meer geweest zijn.67 Bij het aantal van 500 gaat het om slechts 0,6% van de 80.000 joodse Amsterdammers. Voor Utrecht kunnen we uit de Verkaufsbücher een minimumaantal onroerendgoedbezitters afleiden. In deze bron staan de transacties staan vermeld waarbij beheerd joods onroerend goed werd verkocht door de NGV, via beheersorganisaties als het ANBO. Zoals gezegd waren deze organisaties volgens de verordening uit 1941 gerechtigd beheerd joods onroerend goed te verkopen. Er staan 84 verkochte percelen in de gemeente Utrecht in deze boeken, van ongeveer 65 eigenaren.68 Dit zijn dus alleen de panden die zijn verkocht aan een ‘oorlogskoper’ en niet alle door de NGV beheerde percelen. Wanneer dit aantal van 65 eigenaren wordt vergeleken met het eerder genoemde getal van 1.929 joden in de stad Utrecht, betekent dit dat minimaal 3% van de joodse inwoners er een huis bezat. We kunnen ons afvragen of het grote percentage buitenlandse, vooral Duitse, joden in Utrecht van invloed is geweest op het aantal eigenaren van onroerend goed. Zoals eerder bleek 63

(Vermoedelijk, MB) B en W aan Adviescommissie Rechtsherstel en Beheer (13 augustus 1945), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 22799. 64 Het gaat om formulieren die de NGV aan het Kadaster stuurde met het verzoek om haar beheer in de kadastrale registers in te schrijven. Deze zijn aanwezig in het Nationaal Archief. Het betreft de ‘Verzoeken van de Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV) om inschrijving in de registers van het kadaster van onder beheer gestelde joodse percelen of verkoop daarvan aan niet-joden, met af en toe aantekening op de stukken van naoorlogs rechtsherstel’, NA, toegang 2.08.101 (Kadaster: registratie van beschikkingen van het Nederlandse Beheersinstituut) inv.nrs. 11 t/m16 en 19 t/m 28. 65 ‘Ruwe schatting’ omdat er mogelijk registraties ontbreken en omdat er definitievragen zijn rond het begrip eigenaar. Door spelling en gebruik van voorletters is niet altijd herleiden of het om één (dezelfde) eigenaar gaat of om twee verschillende. Ook is het de vraag of in het geval van mede-eigendom van een perceel alle genoemde eigenaren afzonderlijk moeten worden opgevoerd. De schatting betreft een eigen berekening op basis van de NGV-formulieren aan het Kadaster. Hierbij is gebruik gemaakt van excelbestanden die vriendelijk ter beschikking zijn gesteld door R. Schütz.

Het aantal joodse inwoners: Te Slaa, Daar dit een immorele aanslag is (2017), p. 110. 66 Piersma en Van den Berg, Ontrechting en rechtsherstel (juni 2020), p. 9, 10. 67 Piersma en Kemperman, Openstaande rekeningen (2015), p. 18, 244. 68 ‘Ongeveer’ omdat door spellingvariatie en gebruik van voorletters niet altijd te herleiden is of het om dezelfde eigenaar gaat of om twee verschillende. Ook is het de vraag of in het geval van mede-eigendom van een perceel alle genoemde eigenaren afzonderlijk moeten worden opgevoerd.

14

Verschil maken?

November 2020

had een kleine 40% van de joden een andere nationaliteit dan de Nederlandse. Het is de vraag of zij zo vast gesetteld waren in de stad en over voldoende middelen beschikten om tot de aankoop van panden over te gaan. Dit kan betekenen dat mede hierdoor het percentage huiseigenaren lager heeft gelegen dan in Den Haag en Rotterdam. Volgens een naoorlogse schatting heeft het ANBO Utrecht 1.900 à 2.000 panden in beheer gehad. Maar deze percelen lagen over een groot gedeelte van de provincie Utrecht en de Betuwe (Gelderland) verspreid, dus die aantallen betroffen een gebied veel groter dan de gemeente Utrecht. 69 Van dat totaal van circa 1.950 waren er ongeveer 700 ‘doorverkocht’, aldus een accountantsrapport uit begin 1946.70 Of daarmee ook werkelijk dóórverkocht werd bedoeld, dus meer dan één keer verkocht, of in algemene zin ‘verkocht’, wordt niet duidelijk. Voor de stad Utrecht helpen deze aantallen ons niet veel verder. In Den Haag bleek zo’n 17% van de door de NGV beheerde percelen te zijn verkocht.71 Het kwam er nogal eens voor dat iemand meerdere percelen bezaten, soms wel tot tien of twintig.

Een perceel kon dan vervolgens verschillende woningen (huisnummers) bevatten.72 In Rotterdam daarentegen lijkt het erop dat alle beheerde panden zijn verkocht.73 Dit zegt uiteraard niets over de verhouding in Utrecht, maar het geeft wel aan dat de aantallen in de Verkaufsbücher weinig houvast bieden. Deze betreffen mogelijk slechts een deel van het joods onroerend goed, maar hoe groot dat deel is, weten we niet. In Utrecht was de gemeente een van de oorlogskopers: onder aanvoering van burgemeester Van Ravenswaay kocht zij twee percelen aan. Om te beginnen liet hij zijn oog vallen op het herenhuis met tuin aan het Wilheminapark 26.

3.3 Burgemeesterswoning De in april 1942 aangetreden burgemeester Van Ravenswaay zocht passende huisvesting en besloot een ambtswoning te laten aankopen. Wilhelminapark 26, toen Nassaupark genoemd, leek hem als burgemeesterswoning bijzonder geschikt. De aankoopprijs bedroeg f 26.000 en daar kwam naar schatting circa f 5.000 bij voor ‘restauratie’. In totaal ging het dus om f 31.000, een bedrag dat ‘gezien de waarde van het huis, zeer gunstig voor de gemeente geacht mag worden’. De burgemeester nam een besluit tot aankoop en vroeg toestemming aan de commissaris van de provincie Utrecht.74 Die toestemming kreeg hij al de volgende dag. De commissaris stelde voor om als bijdrage in de kosten voor bewoning f 2.100 van zijn jaarwedde in te houden. Dat vond Van Ravenswaay aan de hoge kant: hem leek f 1.400 een passender bedrag. De keuze voor deze ambtswoning hing immers ten nauwste samen met de representatieplichten van de burgemeester. Zonder die verplichtingen zou hij zeker met een bescheidener woning kunnen volstaan, zo redeneerde hij.75 Uiteindelijk kwam de huur uit op f 1,680 per jaar.76 69

Oktober 1945 noemen van degenen die als beheerders van het ANBO werden aangesteld het getal van ± 1.900. In een accountantsrapport van februari 1946 staat ± 2.000. NA, toegang 2.09.16.01 (NBI, beheersdossiers), inv.nrs. 28386 (acc.rapport 27 februari 1946) en 28388 (verslag van beheerders). 70 Accountantsrapport, p. 2. NA, toegang 2.09.16.01 (NBI, beheersdossiers), inv.nr. 28386. 71 Het aantal verkochte percelen in de Verkaufsbücher bedroeg ruim 400 (Den Haag, Scheveningen en Loosduinen), terwijl het aantal in beheer genomen percelen op een kleine 2.400 lag. 72 Het aantal verkochte percelen is afgeleid uit de Verkaufsbücher, de beheerde percelen uit de registratie van beschikkingen van het Nederlandse Beheersinstituut, NA, toegang 2.08.101 (Kadaster: registratie van beschikkingen NBI), inv.nrs 11 t/m16 en 19 t/m 28. Hierbij is gebruik gemaakt van excelbestanden die vriendelijk ter beschikking zijn gesteld door R. Schütz. 73 Mededeling Hinke Piersma, juli 2020. 74 Burgemeester aan commissaris der provincie Utrecht (27 april 1942), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 75 Burgemeester aan commissaris der provincie Utrecht (1 mei 1942), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 16333.

15

Verschil maken?

November 2020

De villa aan het Wilhelminapark was in 1918 gekocht door mevrouw E.S.C Josephus Jitta, weduwe van B.L. Gompertz. In december 1940 was het pand gevorderd door de Duitse weermacht. Doorgaans betekende dat voor de bewoners een gedwongen verhuizing. Mevrouw Gompertz was echter ernstig ziek en verhuizen zou erg bezwaarlijk zijn. De familie overlegde of uitstel mogelijk was en dat verzoek werd ingewilligd. Wel kwam ieder dag een Duitse soldaat informeren of ‘de oude mevrouw al was gestorven’. Begin 1941 overleed zij, 87 jaar oud. Daarna namen de Duitse weermacht de villa in gebruik als officiersmess.77 Vervolgens kocht dus de gemeente Utrecht het pand van de Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV). De koopakte dateert van 20 juli 1942. Hierin stond dat de de NGV volgens verordening 154/1941 het beheer van het perceel had overgenomen van de erven Gompertz, met naam en toenaam in de akte genoemd. Volgens de koopakte ‘was de NGV bevoegd en gerechtigd tot deze rechtshandeling’.78 Voor de weermacht die de villa in gebruik had moest ‘eerst nog een ander huis in beslag genomen worden’.79 Daarna stonden reparaties en andere werkzaamheden op het programma voordat de burgemeester het pand zou betrekken. Zolang de weermacht nog in het pand had gezeten, was slechts een beperkte bezichtiging mogelijk geweest.

Toen de woning vrijkwam bleek het pand ernstiger uitgewoond dan gedacht, met als gevolg dat er meer aan werd gerepareerd en verbouwd dan geraamd. Volgens een rapport van Gemeentewerken moesten er nogal wat gebreken worden hersteld om het huis bewoonbaar te maken.80 Al met al vielen de werkzaamheden flink duurder uit. Het begrote bedrag (en toegestane krediet) van f 5.000,- werd met bijna f 8.000 overschreden en kwam aanvankelijk uit op ruim f 12.800. 81 Zoals in de paragraaf over rechtsherstel nog zal blijken, is dit later iets naar beneden bijgesteld. De burgemeester moest voor al deze uitgaven toestemming vragen aan de commissaris van de provincie. Deze legde de zaak op zijn beurt weer voor aan de departementen. Dat blijkt uit de correspondentie over een aan te brengen wastafel voor de ‘groote logeerkamer op de 2e verdieping’, geraamd op f 195,-. Ook deze aanschaf werd door de commissaris aan de de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken en zijn ambtgenoot van Financiën voorgelegd.82 Dat gebeurde vermoedelijk omdat de gemeente sinds begin 1943 ‘noodlijdend’ was, met als gevolg een verscherpt toezicht op haar financiële beleid.83 Eind mei 1944 kwam de gevraagde toestemming.84 Of de burgemeester voor al zijn besluiten rond de ambtswoning toestemming nodig had van de commissaris van de provincie, is onduidelijk.

Hij probeerde bijvoorbeeld zijn woonlasten omlaag te brengen door zijn energierekening door de gemeente te laten betalen. De vraag of de burgemeester kon beschikken over ‘vrij vuur, licht en water’ werd door hemzelf bevestigend beantwoord. Hij nam op 18 december 1943 het besluit ‘gerekend met ingang van 1 April 1943 den Burgemeester in het genot te stellen van vrij vuur, licht en water in zijn ambtswoning’.85 Ook verzocht hij de Utrechtse Waterleidingmaatschappij de kosten van het waterverbruik in zijn 76

Dit bleek in de latere rechtsherstelprocedure: B en W aan not. Hellingman (7 februari 1947), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 77 Interview met E.J. Verloop (30 juni 2020). 78 Koopakte (20 juli 1942), toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 79 Handgeschreven notitie ‘Nassaupark 26’ 3/6 42 (3 juni 1942) toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 80 Directeur Gemeentewerken aan burgemeester (27 augustus 1943), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 81 Directeur Gemeentewerken aan burgemeester (27 augustus 1943), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 82 Commissaris provincie Utrecht aan burgemeester Utrecht (31 mei 1944), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 83 Ter Pelkwijk, Utrecht in de eerste jaren na de bevrijding (1955?), p. 27. 84 Vermeld in brief B en W aan advocaat Van Benthem (2 december 1949), HUA, toegang 1007-3 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 85 Besluit burgemeester (18 december 1943), HUA, toegang 1007-3, inv.nr. 13716.

16

Verschil maken?

November 2020

ambtswoning per 1 januari 1944 bij de gemeente in rekening te brengen.86 Een gemeenteraad om hem te corrigeren was er niet.

3.4 ‘Bestaande gelegenheid’ Ongeveer een jaar na de aankoop van Wilheminapark 26 besloot burgemeester Van Ravenswaay op 9 juli 1943 tot de aankoop voor de gemeente van acht percelen (panden). Hierover was met het Algemeen Nederlands Beheer van Onroerende Goederen (ANBO) overleg gepleegd. 87 Onduidelijk is op wiens initiatief dat gebeurde. De verkrijging ervan was voor de gemeente van belang met het oog op ‘plannen voor stadsverbetering en dergelijke.’88 Het aankopen van percelen door de gemeente gebeurde veel vaker. Dat deed zij met in verband met stadsuitbreidingen, het uitvoeren van ‘saneringsplannen’ (voorlopers van stadsvernieuwingsprojecten), voor de ‘verbetering van de volkshuisvesting’ (sloop-nieuwbouw), verwachte verbreding van straten en dergelijke. Argumenten van ruimtelijke ordening en volkshuisvesting konden het interessant maken om over bepaalde percelen te beschikken. Ook tijdens de bezetting gingen deze aankopen door. In 1940 werd het gemeentebezit met heel wat percelen uitgebreid. Dat jaar waren er verspreid over het hele jaar 5 gewone en 22 geheime raadsvoordrachten over de aankoop van al dan niet bebouwde percelen.89 Bij het besluit in juli 1943 ging het om de volgende adressen: 1. Voorstraat 98 2. Kroonstraat 5, 7 en 9 3. Oude gracht 49/49bis 4. Lange Elisabethstraat 26/26bis 5. Twijnstraat 14 6. Twijnstraat 46 7. Voor Clarenburg 3 8.

Achter Clarenburg 21/21bis De aankopen werden als volgt gemotiveerd. De gemeente had het perceel Voorstraat 98 te zijner tijd nodig voor de verbreding van de verkeersweg Voorstraat-Wittevrouwenstraat tot 22 meter. Eerder waren daarvoor aan de noordzijde van de straat al andere percelen verworven. Aankoop van Kroonstraat 5, 7 en 9 was wenselijk in verband met de verdere sanering van wijk C. Het perceel Oude gracht 49/49bis lag in de strook, die nodig zou zijn voor de verbreding van de Jacobskerkstraat tot 16 meter, als onderdeel van de totstandkoming van de geplande verkeersweg Paardenveld-Waterstraat-Jacobikerkhof-Jacobskerkstraat-JacobijnestraatBreedstraat-Voorstraat. Voor de percelen Lange Elisabethstraat 26/26bis, Voor Clarenburg 3 en Achter Clarenburg 21/21bis had de gemeente belangstelling gezien de te verwachten verdere uitbreiding van het Jaarbeurscomplex op het Vredenburg. Hierbij zou de omgeving van de Lange Elisabethstraat en Achter Clarenburg een ingrijpende verbetering en verandering moeten ondergaan. Ten slotte was ook het bezit van de perceelen Twijnstraat 14 en 46 voor de gemeente wenselijk gezien de beoogde verbreding van de straat tot 16 meter. De voorgestelde koopprijzen waren voor de gemeente aannemelijk.

Voorts was het een gunstige omstandigheId, dat ‘thans geen vergoeding voor bedrijfsschade of andere schadeloosstellingen behoeven te worden betaald, zoals bij latere onteigening het geval zou zijn.’ De burgemeester achtte het daarom voor de gemeente geboden, van de bestaande 86

Burgemeester aan directie Utrechtse Waterleidingmaatschappij (18 januari 1944), HUA, toegang 10073 (Gemeentebestuur van Utrecht), inv.nr. 13716. 87 Gedrukte Verzameling 1943, nr. 93 (9 juli 1943) 88 Gedrukte Verzameling 1943, nr. 93 (9 juli 1943) 89 Gedrukte verzameling 1940, Lijst van geheime voordrachten.

17

Verschil maken?

November 2020

gelegenheid gebruik te maken om zich tijdig het bezit van deze percelen te verzekeren.90 Zoals wel vaker voorkwam vormden planologische argumenten dus de achtergrond van de voorgenomen koop. Ook in Amsterdam en Den Haag kochten de gemeente om vergelijkbare redenen verschillende percelen uit joods bezit.91

3.5 Teruggefloten De koopprijs voor de acht Utrechtse percelen samen bedroeg ruim f 94.000. Voor de transactie was toestemming van hogerhand nodig.92 De transacie was dus nog niet rond. De commissaris van de provincie moest de aankopen goedkeuren. De directeur van de Provinciale Planologsche Dienst (PPD) adviseerde deze erover. Daarbij nam hij naast de acht percelen uit de ANBOportefeuille ook twee andere mee, die de burgemeester eveneens wilde laten aankopen. Dit waren de panden Steenweg 64 en Mariastraat 31/31bis/33, nodig voor de te zijner tijd ‘onvermijdelijke verbreeding’.93 In totaal ging het dus om tien percelen, waarvan acht uit joods bezit. De PPD-directeur vond dat de motivatie van de aankoop berustte op verouderde inzichten over verkeersverbeteringen en over de historische binnenstad. Wat het verkeer betreft kwamen die oude ideeën neer op verbreding van de doorgangswegen door de stad voor het toenemende wegverkeer. Maar volgens nieuwere opvattingen kon het ook om de stad worden heen geleid. Dat gebeurde al met het oost-westverkeer en in de toekomst zou dat ook gebeuren met het noord-zuidverkeer. Verder was er een herleefde belangstelling voor het ‘oude stadsschoon’ en de PPDdirecteur vond dat het historische stadsgebied zo ongerept mogelijk intact moest blijven. Het historisch erfgoed diende gerespecteerd te worden, behouden te blijven en geconserveerd.

Een en ander bracht hem tot de conclusie dat de aankoop van vier van de tien percelen wenselijk was, tegen twee geen bezwaar bestond, maar dat aankoop van de vier overige voorbarig zou zijn.94 De 3e afdeling van de Provincie zag dat anders. Ook zij vond dat Utrecht er wijs aan zou doen ‘het vraagstuk van de binnenstad’ opnieuw te bestuderen. Maar zij waarschuwde ook voor grote uitgaven, zoals bijvoorbeeld de sanering waarvoor de gemeente enkele van de panden wilde aankopen. Uiteindelijk kwam de 3e afdeling slechts over de aankoop van Voorstraat 98 tot een positief oordeel. In toegevoegd commentaar staat nog ‘Op tal van punten in de binnenstad wil Utrecht maar gaan kopen. Heeft zij eenmaal gekocht, dan volgen andere aankopen onvermijdelijk. Dit leert de ervaring.’95 Ook een niet nader omschreven ‘rapporteur’ wilde alleen de aankoop van Voorstraat 98 goedkeuren.96 De commissaris van de provincie volgde echter het advies van PPD, dus vier aankopen wenselijk, tegen twee was ‘geen overwegend bezwaar’ en de overige vier ‘voorbarig’.97 Ook de secretarissen-generaal moesten zich over de kwestie uitspreken. In april 1944 kwam hun 90

Gedrukte Verzameling 1943, nr. 93 (9 juli 1943). Piersma en Kemperman, Openstaande rekeningen (2015), p.88-90; Te Slaa, Daar dit een immorele aanslag is (2017), p. 73-78. 92 Gedrukte Verzameling 1943, nr. 93 (9 juli 1943). 93 Burgemeester aan commissaris der provincie Utrecht (21 juli 1943), HUA, toegang 1201 (Gedeputeerde Staten), inv.nr. 1495. 94 Vreeswijk (Provinciale Planologische Dienst) aan commissaris der provincie Utrecht (15 oktober 1943) HUA, toegang 1201 (Gedeputeerde Staten), inv.nr. 1495. 95 e 3 afdeling aan de commissaris der provincie Utrecht (26 oktober 1943), HUA, toegang 1201 (Gedeputeerde Staten), inv.nr. 1495. 96 ‘rapporteur’ aan de heer/heren …[Namen niet te ontcijferen, MB] 23 november 1943), HUA, toegang 1201 (Gedeputeerde Staten), invnr. 1495. 97 Commissaris der provincie aan secretaris-generaal van het departement van Binnenlandse Zaken (27 november 1943), HUA, toegang 1201 (Gedeputeerde Staten), inv.nr. 1495. 91

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=40fa4e73-9021-46a5-b7d9-6c1bb61392f0