CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststellingsrapport windpark Rijnenburg en Reijerscop versie def01

Gemeenteraad 6 juni 2024, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop, Coördinatiebesluit energielandschap Rijnenburg en Reijerscop en brief aan Provincie Utrecht over zoekgebieden zon en wind43.164 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Figuur 21 Vergelijking slagschaduwcontour bovengrens VKA: aanname zonhoek 3 graden en aanname zonhoek 5 graden

18

Datum Rapport

februari 2024 Vaststellingsrapport

Onderstaande figuren geven deze slagschaduwcontouren weer met een zonhoek van 5 graden. De 'hinderlijke' slagschaduw op gevoelige objecten gelegen buiten de 0 uur contour is verwaarloosbaar, doordat buiten het gebied van 'hinderlijke' slagschaduw het zonlicht en de slagschaduw dermate diffuus (dusdanig gelijkmatige verstrooiing van het zonlicht, waardoor geen harde schaduwen meer optreden) zijn dat deze nauwelijks voor hinder zorgt.

Figuur 212 De 0 uur per jaar 'hinderlijke slagschaduw'-contour van de ondergrens afmetingen windturbines met een zonhoek van 5 graden. Hierbij zijn ook nabijgelegen woningen (gevoelige objecten) weergegeven

Figuur 223 De 0 uur per jaar 'hinderlijke slagschaduw'-contour van de bovengrens afmetingen windturbines. Hierbij zijn ook nabijgelegen woningen (gevoelige objecten) weergegeven

19

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

In de tabellen hieronder wordt het aantal gevoelige objecten van derden binnen de slagschaduwcontouren gegeven bij een 5 graden zonhoek. Voor een 3 graden zonhoek is de bovengrens (worst case) weergegeven. De boven- en ondergrens voor de 3 graden zonhoek is voor omwonenden gunstiger dan de boven- en ondergrens voor de 5 graden zonhoek, aangezien er voor meer woningen stilstand plaatsvindt.

Tabel 5 Aantal gevoelige objecten binnen de slagschaduwcontouren van de opstellingen

Tabel 5 Aantal gevoelige objecten binnen de slagschaduwcontouren van de opstellingen bij aanname 5 graden zonhoek en 3 graden zonhoek bovengrens1

Onderzocht is hoeveel stilstand zou moeten worden toegepast met behulp van een stilstandvoorziening om 'hinderlijke slagschaduw' van inwerking zijnde windturbines per gevoelig object te beperken tot 0 uur per jaar. Deze voorziening schakelt de windturbine uit (wanneer deze normoverschrijdende slagschaduw veroorzaakt), afhankelijk van tijd, datum, windrichting en 1 De verschillen in de tabellen (aantal woningen binnen 0-uur contour) van het ontwerpbestemmingsplan en het

bestemmingsplan m.b.t. tot de bovengrens (5 graden) komt door wijzigingen die zijn doorgevoerd in de WindPRO versie, waarmee de berekeningen worden uitgevoerd.

20

Datum Rapport

februari 2024 Vaststellingsrapport

bewolking. Dit is niet simpelweg een som van de schaduw per gevoelig object, omdat de schaduw bijna altijd meerdere objecten tegelijk zal beslaan. Het gaat om een totale stilstand van circa 204 uur en 10 minuten per jaar voor de ondergrens uitgaande van een zonhoek van 5 graden, en circa 338 335 uur en 2 6 minuten per jaar voor de bovengrens uitgaande van een zonhoek van 5 graden en 401 uur en 1 minuut per jaar voor de bovengrens uitgaande van een zonhoek van 3 graden, waarmee wordt voldaan aan de lokaal geldende slagschaduwnorm. Zie bijlage 7 voor de berekening van een zonhoek van 5 graden en bijlage 25 voor de berekening van de bovengrens van een zonhoek van 3 graden, die gehanteerd wordt.

Tabel 6 Verwachte jaarlijkse slagschaduw per opstelling

Tabel 6 Verwachte jaarlijkse slagschaduw per opstelling

Kantoren Voor alle kantoorpanden die slagschaduw kunnen ontvangen van de windturbines is onderzocht hoeveel slagschaduw jaarlijks zal optreden als gevolg van de onder- en bovengrens van het VKA, wanneer geen stilstand wordt toegepast. Uit de berekening volgt dat er binnen de bandbreedte van de onder- en bovengrens van het voorkeursalternatief, uitgaande van een zonhoek van 5 graden, tussen de 197 en 234 kantoren zijn waar een jaarlijkse hoeveelheid slagschaduw wordt verwacht op doordeweekse dagen, binnen kantooruren (08:30-17:30 uur). Vervolgens is voor de onder- en bovengrens berekend, uitgaande van een zonhoek van 5 graden, hoeveel stilstand er benodigd is om de slagschaduw te beperken tot maximaal 5 uur en 40 minuten per kantoor per jaar op doordeweekse dagen, binnen kantooruren (08:30-17:30). De bovengrens uitgaande van een zonhoek van 3 graden, leidt tot 20 uur en 2 minuten meer slagschaduw dan bij het uitgangspunt van 5 graden. Dit is de (worst case) benodigde stilstand om te kunnen voldoen aan de lokale norm voor slagschaduw op kantoorpanden.

Tabel 7 Verwachte jaarlijkse stilstand om normoverschrijding bij kantoorpanden te voorkomen uitgaande van een zonhoek van 5 graden

Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat kan worden voldaan aan de lokale normen voor geen 'hinderlijke' slagschaduw voor gevoelige objecten en 5 uur en 40 minuten per jaar voor kantoren voor slagschaduw. Door een stilstandvoorziening toe te passen wordt normoverschrijding ter plaatse van gevoelige objecten (zoals woningen) en kantoren voorkomen. Op het moment dat een windturbine buiten werking wordt gesteld kan in verband met de technische stilzettijd zeer kortstondig slagschaduw optreden ter plaatse van gevoelige objecten. Het gebied waarbinnen 'hinderlijke' slagschaduw kan optreden wordt berekend onder de volgende aannames; minimale zonhoek is 5 3 graden en minimale zonafdekking door de wieken is 20%. Daarbuiten is het zonlicht en de slagschaduw dermate diffuus dat deze nauwelijks voor hinder zorgt. 21

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Anticiperend op toekomstige woningbouw in de polder Rijnenburg (scenario Klein Rijnenburg) is een referentievlak opgenomen in dit bestemmingsplan waar het Windpark Rijnenburg en Reijerscop eveneens moet voldoen aan de lokaal geldende slagschaduwnorm van jaarlijks geen 'hinderlijke' slagschaduw vanaf het moment dat de woningen van de toekomstige woningbouw in de polder Rijnenburg in gebruik zijn genomen en deze woningen zich binnen de berekende geen hinderlijke slagschaduwcontour van het Windpark Rijnenburg en Reijerscop bevinden. Hierdoor blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat voor zowel bestaande als mogelijk toekomstige woningen.

2.3.4.5 Aanpassing paragraaf 5.7 Natuur en ecologie van toelichting bestemmingsplan Doordat er voor de gebruiksfase ook een (kwantitatieve) stikstofdepositieberekening is gemaakt en de berekening voor de bouwfase op basis van de Aerius versie 2023.01 opnieuw is berekend, is paragraaf 5.7 hierop aangepast (aangeduid met het onderstreepte en doorgehaalde deel): Stikstof Om de effecten van de ontwikkeling op basis van de aanlegfase voor beschermde natuurgebieden in beeld te brengen is een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie (zie bijlage V van bijlage 11 23). Het onderzoek is uitgevoerd om te bepalen wat de depositietoenamen zijn op de nabijgelegen Natura-2000 gebieden:

Er is geen sprake van significante (>0,00 mol N/ha/jaar) depositie. Voor de ingebruikname van de windturbines vindt er geen emissie van stikstof plaats, hooguit zal een paar keer per jaar onderhoud nodig zijn. Voor de volledigheid is een stikstofberekening uitgevoerd hiervoor (zie bijlage 23), waarbij rekening is gehouden met 24 voertuigbewegingen per jaar. Uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van significante (>0,00 mol N/ha/jaar) depositie. Dit betreft dan enkele voertuigbewegingen op een dag. Verder wordt opgemerkt dat wanneer een windturbine elektriciteit produceert op dat moment minder “grijze” stroom door kolen- en gascentrales zal worden geproduceerd. Er is dan dus sprake van een reductie van NOx (een stikstofverbinding). Er kan daarmee zondermeer worden gesteld dat de stikstofdepositie op grond van de gebruiksfase niet boven de 0,00 mol stikstof per hectare per jaar uitkomt. Onder het kopje ‘Plangebied, Effecten op beschermde soorten’ wordt de volgende zin geactualiseerd (aangeduid met het onderstreepte en doorgehaalde deel): In Q2 1 van 20234 wordt een intentieovereenkomst getekend tussen initiatiefnemers en een agrarische natuurvereniging (ANV Lopikerwaard). In de loop van 20234 wordt een samenwerkingsovereenkomst getekend. Gezamenlijk wordt tot een definitief plan gekomen.

De (ontwerp) ontheffing op grond van de Wnb wordt op basis van de gemeentelijke coördinatieverordening meegecoördineerd met het (ontwerp)bestemmingsplan. In aanvulling op de eerdere onderzoeken is medio 2023 nader onderzoek gedaan naar de vliegbewegingen van de grutto en de territoria van de weidevogels in het plangebied (zie hiervoor 22

Datum Rapport

februari 2024 Vaststellingsrapport

bijlagen 21 en 22). Dit nadere onderzoek heeft geleid tot een wijzigingsverzoek op de eerdere ontheffingsaanvraag op de onderdelen compensatie van het leefgebied van de grutto en velduil en de stilstandsvoorziening. Op 18 december 2023 is het onderzoek door de initiatiefnemer aan de provincie Utrecht verstrekt. De Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht beoordeelt als bevoegd gezag het wijzigingsverzoek. Mogelijk worden de voorschriften in het ontwerpbesluit op de onderdelen voor het compensatiegebied en de stilstandsvoorziening naar aanleiding van deze beoordeling gewijzigd. Wanneer er wijzigingen zijn in het ontwerpbesluit, worden deze wijzigingen opnieuw ter inzage gelegd en is er gelegenheid tot het indienen van zienswijzen. Er is voor gekozen om de Wnb ontheffing niet af te wachten en door te gaan met het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning. Voor de Wnb ontheffing blijft de gemeentelijke coördinatieregeling gelden. De ontwerp ontheffing heeft al ter inzage gelegen. Het is aannemelijk dat voor het windpark een ontheffing op grond van de Wnb wordt verleend.

2.3.4.6 Aanpassing figuur 28 bij paragraaf 5.9 Archeologie van toelichting bestemmingsplan In paragraaf 5.9 staat een verkeerde afbeelding (figuur 28). Deze figuur hoort namelijk bij de oude archeologische waardenkaart, die inmiddels is geactualiseerd. Figuur 28 is in paragraaf 5.9 dan ook vervangen voor de juiste figuur. Figuur 28 uit het ontwerpbestemmingsplan:

Figuur 28 Uitsnede archeologische waardenkaart

Figuur 30 uit het bestemmingsplan:

Figuur 30 Uitsnede archeologische waardenkaart

23

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Daarnaast zijn aan deze paragraaf onder het kopje ‘plangebied’ de volgende zinnen toegevoegd: “Overigens hebben alleen de delen van de toegangswegen (naar de windturbines toe) aan de zijde van de Heijcopperkade (windturbines in Rijnenburg) en Reijerscop (windturbine Reijerscop) een hoge archeologische verwachting (WA4). Voor de overige bestemmingen geldt een lage archeologische verwachting (WA6).”

2.3.4.7 Aanvulling paragraaf 5.16 Luchtkwaliteit van toelichting bestemmingsplan Aan paragraaf 5.16 Luchtkwaliteit is onder het kopje ‘Plangebied’ aan de laatste alinea de volgende zin toegevoegd (aangeduid met het onderstreepte deel): Er valt redelijkerwijs niet te stellen dat voor de realisatie van de 4 windmolens een dergelijke hoeveelheid verkeersbewegingen te verwachten zijn. Voor het onderhoud van de windturbines wordt immers rekening gehouden met 24 voertuigbewegingen per jaar. Daarom kan zondermeer worden gesteld dat het plan NIBM is.

2.3.4.8 Aanpassing paragraaf 6.1 Economische uitvoerbaarheid Onderstaande alinea is als volgt geactualiseerd (aangeduid met het onderstreepte en doorgehaalde deel): Een aansluiting bij Stedin is aangevraagd en zal beschikbaar zijn in 2025-2026. Naar verwachting is er in 2026 voldoende aansluitcapaciteit voor het windpark op hoogspanningsstation Oudenrijn. Stedin doorloopt heeft in 2023 een bestemmingsplanprocedure doorlopen voor de aanpassing van het station dat hiervoor nodig is. Het station beschikt al over voldoende transportcapaciteit voor het windpark. Initiatiefnemer voert overleg met de lokale netbeheerder Stedin over de beschikbaarheid van aansluitcapaciteit. Hieruit blijkt dat er naar verwachting voldoende aansluitcapaciteit beschikbaar is voor aansluiting van het Windpark Rijnenburg en Reijerscop op het 50 kV-net. Het is de verwachting dat bij start exploitatie eventuele netcongestieproblematiek op het net het hoofd kan worden geboden door middel van passende oplossingen (bijvoorbeeld de non-firm ATO; overeenkomst waarmee het recht op het gebruik van overeengekomen transportcapaciteit niet te allen tijde verzekerd is), die nu geïntroduceerd worden. TenneT is voornemens een planologische procedure te starten voor de aanpassing van hun deel van het hoogspanningsstation en de hoogspanningskabels om nog meer aansluitingen in de toekomst mogelijk te maken.

Het windpark hoeft niet te wachten op deze capaciteitsuitbreiding.

Wijzigingen onderzoeken (bijlagen) van toelichting bestemmingsplan Ten opzichte van de onderzoeken die ter inzage hebben gelegen zijn er aanpassingen doorgevoerd. Het gaat hierbij om het volgende: 24

Datum Rapport

-

-

-

-

-

-

-

-

februari 2024 Vaststellingsrapport

Bijlage 4 - CombiMER (van versie 08 naar versie 09) o Alternatief 5 toegevoegd. o Optimalisatie binnen gebied; effecten zon en wind uit elkaar getrokken (commissie m.e.r.). o Totstandkoming keuze voor locatie Rijnenburg en Reijerscop uitgewerkt. o Mogelijkheden uitbreiding in de toekomst in kaart gebracht. o Toelichting zichtbaarheid van de Dom. Bijlage 6 (Bijlage A van CombiMER) – Akoestisch onderzoek (incl. bijlagen berekeningen) (van versie 09 naar versie 10) o Effecten zon en wind uit elkaar getrokken (commissie m.e.r.). o Alternatief 5 toegevoegd. o Door een redactionele fout staan de dB-waarden in de tabellen 31 en 32 van het akoestisch onderzoek niet bij de juiste adressen. Deze fout is hersteld. De figuren 28 en 29, en de resulterende conclusie, blijven ongewijzigd. Bijlage 7 – Motivering lokale slagschaduwnormen (van versie 17 mei 2023 naar versie 12 februari 2024) o Hierin is in een voetnoot aangegeven dat er een zonhoek van 3 graden gehanteerd wordt i.p.v. een zonhoek van 5 graden. o Daarnaast zijn berekeningen op basis van een 3 graden zonhoek doorgerekend. Bijlage 8 (Bijlage B van CombiMER) – Onderzoek slagschaduw (incl. bijlagen berekeningen) (van versie V07 naar versie 08) o Alternatief 5 toegevoegd. Bijlage 10 (Bijlage C van CombiMER) – Externe veiligheidsrapport (van versie 3.2 naar versie 4.0) o Alternatief 5 toegevoegd.

Bijlage 13 (Bijlage D van CombiMER) – Landschappelijke analyse & beoordeling (van versie 3.0 naar versie 4.0) o Alternatief 5 toegevoegd. Bijlage 14 (Bijlage E van CombiMER) – Visualisaties Energielandschap Rijnenburg o Toevoegen visualisaties vanuit Montfoort en Rijnvliet. o Alternatief 5 toegevoegd. Bijlage 11 (Bijlage F van CombiMER) – Natuurtoets (ongewijzigd, nog steeds versie van 0902-2023)

Nieuwe documenten die ambtshalve zijn toegevoegd (en dus niet ter inzage hebben gelegen): Bijlage 21 – Oplegnotitie veldonderzoek Rijnenburg Weidevogelonderzoek Bijlage 22 – Veldonderzoek weidevogels Bijlage 23 – Oplegnotitie MER alternatief 5 – en Aerius berekeningen (versie 2023.01) Bijlage 25 – Oplegnotitie Slagschaduw windpark Rijnenburg en Reijerscop Alle wijzigingen ten opzichte van de vorige versies zijn grijs gearceerd in de rapporten. 2.3.5

Wijzigingen van de ontwerp-omgevingsvergunning naar aanleiding van zienswijzen

2.3.5.1

Aanpassing omgevingsvergunning vanwege artikel 4 lid 4.4 van de planregels van het bestemmingsplan Vanwege artikel 4 lid 4.4 van de planregels van het bestemmingsplan is de omgevingsvergunning als volgt aangepast (aangeduid met het onderstreepte deel): We hebben besloten om een tijdelijke omgevingsvergunning voor de duur van 20 jaar te geven aan Rijne Energie Coöperatief U.A. voor: het plaatsen van 4 windturbinesop de volgende locaties, uitgedrukt in RD-coördinaten:  windturbine 1: x: 128.818 y: 453.500;  windturbine 2: x: 130.666 y: 452.840;  windturbine 3: x: 131.492 y: 452.832; 25

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

windturbine 4: x: 132.735 y: 452.817, met dien verstande dat voor de meest oostelijke windturbine (op de verbeelding van Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop aangeduid met ‘specifieke vorm van bedrijf – windturbine’) een omgevingsvergunning (zie artikel 4 lid 4.4 van de planregels van Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop) nodig is om de gronden in gebruik te nemen voor een windturbine.

(…) Constateringen  Uw aanvraag is in overeenstemming met het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop", met dien verstande dat voor de meest oostelijke windturbine (op de verbeelding van Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop aangeduid met ‘specifieke vorm van bedrijf – windturbine’) een omgevingsvergunning (zie artikel 4 lid 4.4 van de planregels van Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop) nodig is om de gronden in gebruik te nemen voor een windturbine.

2.3.5.2

Aanvullen voorschrift 4.1.2 openbare rapportage hinderlijke slagschaduw van de omgevingsvergunning Vanwege zienswijze 100 is ten opzichte van de ontwerp-omgevingsvergunning voorschrift 4.1.2 over de openbare rapportage hinderlijke slagschaduw aangescherpt (aangeduid met onderstrepingen): “Er wordt elk jaar een openbare rapportage gepubliceerd op www.rijne-energie.nl, waarin wordt aangegeven op welke wijze voldaan is aan de normen conform 4.1.3 t.b.v. het voorkomen of beperken van hinderlijke slagschaduw.”

2.3.5.3

Correctie tonaal geluid in afwijking van het Reken- en meetvoorschrift windturbines bij omgevingsvergunning Vanwege zienswijze 8 is in afwijking van het Reken- en meetvoorschrift windturbines het gemeten geluidsniveau, wanneer sprake is van tonaal geluid, als volgt gecorrigeerd: de tonaliteit wordt bepaald volgens NEN-ISO 1996-2:2017, Annex J, table J.1, waarbij een tonaliteitscorrectie wordt bepaald van 0 dB naar 6 dB met stappen van 1dB. Het Reken- en meetvoorschrift kent bewust geen straffactor voor geluid, omdat door de voortschrijdende techniek de tandwielkast in de gondel geen tonaal geluid meer maakt. Tegenwoordig zijn er echter ook andere ontstaanmechanismen waardoor er toch tonaal kan ontstaan. Hierop is voorschrift 3.4.1 van de ontwerp-omgevingsvergunning als volgt aangevuld: “In afwijking van het Reken- en meetvoorschrift windturbines wordt het gemeten geluidsniveau, wanneer sprake is van tonaal geluid, als volgt gecorrigeerd: de tonaliteit wordt bepaald volgens NEN-ISO 19962:2017, Annex J, table J.1, waarbij een tonaliteitscorrectie wordt bepaald van 0 dB naar 6 dB met stappen van 1dB.”

2.3.5.4 Aanpassing maximale tiphoogte op het aanvraagformulier van de omgevingsvergunning Naar aanleiding van zienswijze 55 is de maximale tiphoogte van 280 meter op het aanvraagformulier doorgehaald en gecorrigeerd in een maximale tiphoogte van 270 meter, zodat de aanvraag in lijn is met de overige stukken. 2.3.5.5 Aanpassing alinea 1 van 5.2 Beoordeling onder Slagschaduw van de omgevingsvergunning Naar aanleiding van zienswijze 59 is aan alinea 1 onder 5.2 Beoordeling van de ontwerpomgevingsvergunning de volgende zin toegevoegd: “Tijdens het moment van buitenwerking stellen kan in verband met de technische stilzettijd zeer kortstondig slagschaduw optreden ter plaatse van gevoelige objecten.”

26

Datum Rapport

februari 2024 Vaststellingsrapport

2.3.5.6 Aanpassing voorschrift 2.1.2 windklasse van de omgevingsvergunning Vanwege zienswijze 59 wijzigen wij voorschrift 2.1.2 als volgt (aangeduid met het doorgehaalde deel), waardoor het ook mogelijk is dat aangetoond wordt dat de windturbines voldoen aan IEC-II en IEC-III.: Voordat een windturbine in gebruik wordt genomen, moet de vergunninghouder aan het bevoegd gezag aantonen dat de windturbine constructief voldoet aan de heersende windklasse (IEC-I).

2.3.5.7 Aanpassing toelichting op voorschrift 3.4.1 over het 1-minuutgemiddelde geluidsniveau van de omgevingsvergunning Naar aanleiding van zienswijze 59 wordt onder voorschrift 3.4.1 het volgende aangepast (aangeduid met het onderstreepte en doorgehaalde deel): In afwijking van lijn met het Reken- en meetvoorschrift windturbines is een zesvoudige meting van tenminste 1 minuut voldoende. Doordat dit wel in lijn is met het Reken- en meetvoorschrift formuleren we het anders (ter verduidelijking willen we er wel wat over opnemen).

2.3.5.8

Actualiseren inzichten amplitudemodulatie en infrageluid in ‘4. Geluid en trillingen’ van de omgevingsvergunning Naar aanleiding van zienswijze 59 wordt ‘4. Geluid en trillingen’ geactualiseerd, aangezien hierin niet de laatste aanvullingen uit de notitie lokale normen geluid zijn meegenomen. Het gaat om de volgende wijziging en aanvullingen (aangeduid met het onderstreepte en doorgehaalde deel): Laagfrequent geluid Naar de te verwachten effecten van laagfrequent geluid is onderzoek gedaan. Uit het akoestisch onderzoek v0.10 van 5 december 2023 blijkt dat laagfrequent geluid niet zal leiden tot significante extra geluidhinder voor omwonenden. De geluidsbelasting bij maatgevende toetspunten ligt ver onder de Vercammen-curve die gewoonlijk wordt toegepast bij de beoordeling van hinder door laagfrequent geluid. Gelet hierop nemen wij in deze omgevingsvergunning geen norm voor laagfrequent geluid op. Naast laagfrequent geluid bestaat er ook nog infrageluid. Bij infrageluid liggen de geluidfrequenties nog lager dan bij laagfrequent geluid. Uit recent onderzoek (Marshall, 2023) naar de invloed van het zogenaamde infrageluid blijkt dat het onwaarschijnlijk is dat gezondheidseffecten of slaapverstoring kunnen optreden als gevolg van infrageluid van windturbines.

In 2017 en 2018 heeft het RIVM een grootschalig literatuuronderzoek uitgevoerd (van Kamp & van den Berg, Health Effects Related to Wind Turbine Sound, Including Low-Frequency Sound and Infrasound, 2018) waarin 32 wetenschappelijke artikelen uit de periode 2009-2017 zijn geanalyseerd. Dit onderzoek concludeert: Geluid van windturbines leidt tot meer hinder dan geluid van andere bronnen. Er is geen bewijs voor een specifiek effect van de laagfrequente component noch van infrageluid. Een recent literatuuronderzoek van het RIVM (van Kamp & van den Berg, Health effects related to wind turbine sound: an update, 2020) concludeert dat uit beschikbare literatuur niet blijkt dat laagfrequent geluid van windturbines voor extra hinder zorgt ten opzichte van ‘gewoon’ geluid. De literatuur liet zien dat omwonenden minder hinder hebben van windturbines als ze betrokken worden bij de plaatsing ervan. Gelet op het bovenstaande nemen wij in deze omgevingsvergunning zowel geen norm op voor laagfrequent geluid als infrageluid (zie daartoe tevens uitspraak (zie daartoe tevens ECLI:NL:RVS:2023:1446 r.o. 39.2 en ECLI:NL:RVS:2023:1433 r.o. 27.2). Amplitudemodulatie De CombiMER v0.9 van 7 december 2023 verwijst op pagina 226 naar de memo ter motivering van de lokale normen.

De memo ‘Onderbouwing lokale geluidsnorm Windpark Rijnenburg en Reijerscop’ van 8 mei 2023, behandeld op pagina’s 4, 5 en 15 het aspect amplitudemodulatie. Daaruit volgt dat in de relatie tussen Lden en het percentage ernstig gehinderden de zogenaamde amplitudemodulatie betrokken is. Dit betreft het kenmerkende ritmische karakter van het geluid van de wieken die de mast passeren. Amplitudemodulatie is niet een afzonderlijk aspect van 27

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

windturbinegeluid, maar juist een kenmerkend onderdeel ervan (zie ECLI:NL:RVS:2023:1433 r.o. 26.2). Het fenomeen amplitudemodulatie wordt daarom meegenomen bij het stellen van de jaargemiddelde norm. Er bestaat ook een extreme vorm van amplitudemodulatie. Extreme amplitudemodulatie is een niet gebruikelijk en sporadisch voorkomend verschijnsel. De oorzaak van extreme amplitudemodulatie is ook niet helemaal duidelijk. Extreme amplitudemodulatie is alleen waargenomen bij een beperkt aantal windparken. Het is voor windturbines en windparken een onregelmatig en atypisch fenomeen. Het treffen van maatregelen is daarmee ook erg lastig (zie ECLI:NL:RVS:2023:1433 r.o. 26.3). Gegeven het bovenstaande nemen wij in deze omgevingsvergunning geen norm op voor (extreme) amplitudemodulatie (zie daartoe tevens ECLI:NL:RVS:2023:1446 r.o. 40).

2.3.5.9 Aanpassing voorschrift 1.7.1 opruimplicht van de omgevingsvergunning Vanwege zienswijze 100 is voorschrift 1.7.1 als volgt aangevuld (aangeduid met het onderstreepte deel): Uiterlijk 3 maanden nadat de windturbines permanent buiten gebruik zijn genomen, worden de windturbines, kraanopstelplaatsen, schakelkasten, transformators, kabels en leidingen, toegangswegen en het transformatorstation inclusief inkoopruimte verwijderd. De fundering van de windturbines wordt onder het maaiveld afgeknipt, waarbij voorkomen moet worden dat er lekkages optreden in watervoerende lagen door het verwijderen van de funderingspalen.

2.3.5.10 Schrappen NEN-norm in voorschrift van de omgevingsvergunning Naar aanleiding van zienswijze 100 wordt NEN-EN-IEC 61400-3 geschrapt uit voorschrift 2.1.6, omdat deze NEN-norm gaat over windturbines op zee. Ambtshalve wordt NEN-EN-IEC 61400-2 geschrapt, omdat deze alleen van toepassing is op kleinere rotordiameters die niet mogelijk wordt gemaakt (aangeduid met het doorgehaalde deel)): Voordat een windturbine voor energieproductie in gebruik genomen en gehouden mag worden, dient deze ten behoeve van het voorkomen of beperken van externe veiligheidsrisico’s, aan de volgende regel te voldoen: Plaatsing van windturbines is alleen toegestaan indien zij voldoen aan de veiligheidseisen opgenomen in NEN-EN-IEC 61400-1, NEN-EN-IEC 61400-2 of NEN-EN-IEC 61400-3.

2.3.5.11 Aanpassing kopje 6. Aanduiding t.b.v. luchtvaartveiligheid van de omgevingsvergunning Vanwege zienswijze 100 wordt de titel als volgt gewijzigd, omdat deze beter de lading dekt (aangeduid met het onderstreepte deel): 6. Aanduiding t.b.v. luchtvaartveiligheid en ijsdetectiesysteem 2.3.6

Ambtshalve wijzigingen van de ontwerp-omgevingsvergunning

2.3.6.1 Van 5 graden naar 3 graden zonhoek Om aan te sluiten bij de landelijke ontwerp windturbinebepalingen hanteren we voor ‘hinderlijke slagschaduw’ een minimale zonhoek van 3 graden i.p.v. 5 graden. Dit biedt een nog betere bescherming tegen slagschaduw dan de 5 graden boven de horizon. Hierop is de omgevingsvergunning ten opzichte van de ontwerp-omgevingsvergunning aangepast en dit leidt tot de aanpassing van onderstaand begrip en de aanpassing van de tekst onder 5.1 Vooroverwegingen slagschaduwnorm (aangeduid met het onderstreepte het doorgehaalde deel). HINDERLIJKE SLAGSCHADUW: Voor het berekenen van de 0 uur per jaar slagschaduwcontour wordt uitgegaan van ‘hinderlijke’ slagschaduw. Het gebied waarbinnen ‘hinderlijke’ slagschaduw kan optreden wordt berekend onder de volgende aannames; minimale zonnehoek is 5 3 graden en minimale zonafdekking is 20%. Daarbuiten is het zonlicht en de slagschaduw dermate diffuus dat deze nauwelijks voor hinder zorgt.

28

Datum Rapport

februari 2024 Vaststellingsrapport

(…) Voor de windturbines van Windpark Rijnenburg en Reijerscop is een uitgebreid slagschaduwonderzoek uitgevoerd (deze moet in samenhang met de Oplegnotitie Slagschaduw windpark Rijnenburg en Reijerscop gelezen worden), waarmee in beeld is gebracht hoeveel hinderlijke slagschaduw het windpark op jaarbasis kan veroorzaken op omliggende woningen en kantoren. Het gebied waarbinnen 'hinderlijke slagschaduw' kan optreden wordt berekend onder een aantal aannames, waaronder de minimale zonhoek. In de praktijk kan hiervoor een 3 graden of 5 graden zonhoek boven de horizon worden gehanteerd. Een veelgebruikte en ook in rechtspraak geaccepteerde aanname is een minimale zonhoek van 5 graden (zie daartoe onder andere de uitspraken van de Afdeling in ECLI:NL:RVS:2016:1228 en ECLI:NL:RVS:2018:616, waarin ook de minimale zonafdekking van 20% wordt geaccepteerd). Daarbuiten is het zonlicht en de slagschaduw dermate diffuus dat deze nauwelijks voor hinder zorgt. Naar aanleiding van het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving (gepubliceerd 11 oktober 2023) wordt gekozen om een minimale zonhoek van 3 graden boven de horizon te hanteren. Dit biedt een nog betere bescherming tegen slagschaduw dan de 5 graden boven de horizon. Daarnaast is de aanname aangehouden van een minimale zonafdekking van 20%.

Daarbij geldt dat het gebied waarbinnen ‘hinderlijke slagschaduw’ kan optreden is berekend onder de volgende aannames; de minimale zonnehoek is 5 graden minimale zonafdekking door wieken is 20%. Daarbuiten is het zonlicht en de slagschaduw dermate diffuus dat deze nauwelijks voor hinder zorgt. Dit is een veelgebruikte en geaccepteerde aanname in slagschaduwonderzoeken in Nederland (zie daartoe onder andere de uitspraken van de Afdeling in ECLI:NL:RVS:2016:1228 en ECLI:NL:RVS:2018:616).

2.3.6.2 Wijzigingen onderzoeken (bijlagen) van de omgevingsvergunning Ten opzichte van de onderzoeken die ter inzage hebben gelegen zijn er aanpassingen doorgevoerd. Het gaat hierbij om het volgende en deze zijn als bijlagen aan de omgevingsvergunning gevoegd (daarnaast is in de omgevingsvergunning naar de geactualiseerde versies verwezen): -

-

-

-

-

CombiMER (van versie 08 naar versie 09) o Alternatief 5 toegevoegd. o Optimalisatie binnen gebied; effecten zon en wind uit elkaar getrokken (commissie m.e.r.). o Totstandkoming keuze voor locatie Rijnenburg en Reijerscop uitgewerkt. o Mogelijkheden uitbreiding in de toekomst in kaart gebracht. o Toelichting zichtbaarheid van de Dom. (Bijlage A van CombiMER) – Akoestisch onderzoek (incl. bijlagen berekeningen) (van versie 09 naar versie 10) o Effecten zon en wind uit elkaar getrokken (commissie m.e.r.). o Alternatief 5 toegevoegd. o Door een redactionele fout staan de dB-waarden in de tabellen 31 en 32 van het akoestisch onderzoek niet bij de juiste adressen. Deze fout is hersteld. De figuren 28 en 29, en de resulterende conclusie, blijven ongewijzigd. (Bijlage B van CombiMER) – Onderzoek slagschaduw (incl. bijlagen berekeningen) (van versie V07 naar versie 08) o Alternatief 5 toegevoegd. (Bijlage C van CombiMER) – Externe veiligheidsrapport (van versie 3.2 naar versie 4.0) o Alternatief 5 toegevoegd. (Bijlage D van CombiMER) – Landschappelijke analyse & beoordeling (van versie 3.0 naar versie 4.0) o Alternatief 5 toegevoegd. (Bijlage E van CombiMER) – Visualisaties Energielandschap Rijnenburg o Toevoegen visualisaties vanuit Montfoort en Rijnvliet. o Alternatief 5 toegevoegd. 29

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

-

(Bijlage F van CombiMER) – Natuurtoets. o Natuurtoets (ongewijzigd t.o.v. vorige versie MER): versie definitief: 09-02-2023

De volgende notities zijn nieuw en hebben niet ter inzage gelegen: Oplegnotitie MER alternatief 5 – en Aerius berekeningen (versie 2023.01) Bijlage 25 – Oplegnotitie Slagschaduw windpark Rijnenburg en Reijerscop De motivering lokale normen geluid, slagschaduw en externe veiligheid hebben wel ter inzage gelegen bij het ontwerpbestemmingsplan, maar maken ook onderdeel uit van de omgevingsvergunning. Alle wijzigingen ten opzichte van de vorige versies zijn grijs gearceerd in de rapporten.

2.3.6.3 Aangepast voorschrift stikstof activiteit bouw onder 1.1 van de omgevingsvergunning Ten opzichte van de ontwerp-omgevingsvergunning is het voorschrift over stikstof aangescherpt (aangeduid met het onderstreepte deel): Er dient, in verband met stikstof, minimaal gebruik gemaakt te worden van Stage V mobiele werktuigen of schoner en er moet minimaal 6% Adblue worden gebruikt.”

2.3.6.4 Aangepast voorschrift groencompensatieplan onder 1.1 van de omgevingsvergunning Omdat de planregel in het bestemmingsplan is aangepast is het voorschrift over het groencompensatieplan in de omgevingsvergunning ook aangepast (aangeduid met het onderstreepte en doorgehaalde deel): Het in gebruik hebben en houden van het windpark is niet toegestaan als niet uiterlijk binnen 12 maanden na aanleg van de toegangsweg behorende bij de tweede windturbine (vanaf het westen geteld) de compensatiemaatregelen zijn gerealiseerd overeenkomstig het Groencompensatieplan Windpark Rijnenburg, zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels van Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop. Wanneer de toegangsweg behorende bij de tweede windturbine (vanaf het westen geteld) wordt aangelegd, is het in gebruik hebben en houden van het windpark niet toegestaan totdat de compensatiemaatregelen zijn gerealiseerd overeenkomstig het Groencompensatieplan Windpark Rijnenburg, zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels van Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop. Deze groencompensatie wordt in stand gehouden zo lang de toegangsweg behorende bij de tweede windturbine (vanaf het westen geteld) in stand blijft.

2.3.6.5 Aangepast voorschrift 1.7.1 bedrijfsbeëindiging van de omgevingsvergunning Omdat de planregel in het bestemmingsplan over de opruimplicht is verruimd van 3 naar 12 maanden is voorschrift 1.7.1 in de omgevingsvergunning ook aangepast (aangeduid met het onderstreepte en doorgehaalde deel): Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van een van de activiteiten moet het bevoegd gezag binnen 30 dagen op de hoogte worden gesteld. Uiterlijk 3 12 maanden nadat de windturbines permanent buiten gebruik zijn genomen, worden de windturbines, kraanopstelplaatsen, schakelkasten, transformators, kabels en leidingen, toegangswegen en het transformatorstation inclusief inkoopruimte verwijderd. De fundering van de windturbines wordt onder het maaiveld afgeknipt, waarbij voorkomen moet worden dat er lekkages optreden in watervoerende lagen door het verwijderen van de funderingspalen.

2.3.6.6 Aangepast voorschrift 3.4.3 openbare rapportage geluid van de omgevingsvergunning Ten opzichte van de ontwerp-omgevingsvergunning is het voorschrift over de openbare rapportage geluid aangescherpt (aangeduid met het onderstreepte deel):

30

Datum Rapport

februari 2024 Vaststellingsrapport

Er wordt elk jaar een openbare rapportage gepubliceerd op www.rijne-energie.nl, waarin wordt aangegeven op welke wijze voldaan is aan de normen conform 3.3.1 onder het kopje ‘3.3 representatieve bedrijfssituatie.

2.3.6.7 Versie bij Reken- en meetvoorschrift windturbines Overal waar in de omgevingsvergunning wordt verwezen naar het Reken- en meetvoorschrift windturbines is erbij aangegeven dat het gaat om de versie zoals deze gold op 29 juni 2021.

31

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

3 Windturbinenormen In dit hoofdstuk staan de windturbinenormen centraal. In paragraaf 3.1 vatten we dit hoofdstuk kort samen. Vervolgens gaan we nader in op de in paragraaf 3.1 besproken punten. Paragraaf 3.2 gaat over dat er voor Windpark Rijnenburg en Reijerscop momenteel geen landelijke windturbinebepalingen gelden. In paragraaf 3.3 gaan we nader in op de lokale windturbinenormen die we voor Windpark Rijnenburg en Reijerscop hebben opgesteld. Paragraaf 3.4 bespreekt de uitspraken van 12 april 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over lokale windturbinenormen. En paragraaf 3.5 behandelt de landelijke ontwerp windturbinebepalingen.

3.1 Relatief veel bescherming

Voor het Windpark Rijnenburg en Reijerscop hebben wij lokale normen opgesteld voor geluid, slagschaduw, externe veiligheid en lichtschittering. Bij het opstellen van de normen is het belang van het aandeel duurzame energieopwekking afgewogen tegen de belangen van de omgeving, waaronder die van omwonenden. Wij hebben lokale normen voor deze aspecten opgesteld omdat de eerder rechtstreeks geldende normen uit het (landelijke) Activiteitenbesluit milieubeheer en bijbehorende Activiteitenregeling milieubeheer met de uitspraak van 30 juni 2021 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State buiten toepassing zijn verklaard. De lokale normen voor Windpark Rijnenburg en Reijerscop zijn voor geluid en slagschaduw strenger dan de voorheen geldende landelijke normen. Met de uitspraken van 12 april 2023 zijn windparken met minder strenge lokale geluidnormen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aanvaardbaar geacht. Van 12 oktober tot en met 22 november 2023 hebben de landelijke ontwerp windturbinebepalingen en het bijbehorende plan-MER ter inzage gelegen. Voor geluid, externe veiligheid en lichtschittering zijn onze lokale normen (nagenoeg) gelijk aan de landelijke ontwerp windturbinebepalingen. Ook aan de voorgestelde afstandsnorm wordt voldaan. Onze lokale slagschaduwnormen zijn strenger dan de landelijke ontwerp windturbinebepalingen.

Het plan voor Windpark Rijnenburg en Reijerscop biedt dan ook relatief veel bescherming.

3.2 Geen landelijke windturbinebepalingen in werking

Eerst golden er rechtstreeks geldende externe veiligheid, lichtschittering, geluids- en slagschaduw normen uit het (landelijke) Activiteitenbesluit milieubeheer en bijbehorende Activiteitenregeling milieubeheer. Omdat voor het Activiteitenbesluit milieubeheer ten onrechte geen milieueffectrapport is opgesteld zijn deze normen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) met de uitspraak van 30 juni 2021 (met kenmerk ECLI:NL:RVS:2021:1395) over het bestemmingsplan Windpark Delfzijl Uitbreiding 2020 buiten toepassing verklaard. Daarom moeten er, zolang er geen nieuwe landelijke windturbinebepalingen in werking zijn getreden, lokale normen worden opgesteld voor het windpark die voorzien zijn van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde toegesneden motivering. De lokale normen dienen de belangen van ‘een goede ruimtelijke ordening’ en ‘bescherming van het milieu’. In het Activiteitenbesluit milieubeheer waren voor geluid normen van 47 dB Lden en 41 dB Lnight vastgelegd.

In de Activiteitenregeling milieubeheer was over slagschaduw een norm opgenomen voor het afschakelen van de windturbine via een automatische stilstandvoorziening voorzover de afstand tussen de windturbine en de gevoelige objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw optreedt en voor zover zich in de door slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie ramen bevinden. Dit kwam neer op een grenswaarde van 5 uur en 40 minuten per jaar en moest slagschaduw voorkomen of beperken. Voor kantoren was geen norm opgenomen. Voor externe veiligheid waren veiligheidseisen en onderhoudseisen opgenomen. Zo moest een windturbine ten minste eenmaal per kalenderjaar beoordeeld worden op de noodzakelijke beveiligingen, onderhoud en reparaties door een deskundige op het gebied van windturbines.

32

Datum Rapport

februari 2024 Vaststellingsrapport

Indien werd geconstateerd of indien het redelijk vermoeden bestond dat een onderdeel of onderdelen van de windturbine een gebrek hadden, waardoor de veiligheid voor de omgeving in het geding was, werd de windturbine onmiddellijk buiten bedrijf gesteld en het bevoegd gezag daarover geïnformeerd. De windturbine mocht pas weer in bedrijf genomen worden nadat alle gebreken waren hersteld en de oorzaak van het buiten werking stellen was opgeheven. Voor het voorkomen van risico’s van de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordeden en de gevolgen hiervan moest een windturbine aan de volgende (veiligheids)eisen voldoen: - Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-6 per jaar. - Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 105 per jaar. - NEN-EN-IEC 61400-1. - NEN-EN-IEC 61400-2. - NEN-EN-IEC 61400-3.

Voor het voorkomen of beperken van lichtschittering moest lichtschittering bij het in werking hebben van een windturbine zoveel mogelijk voorkomen of beperkt worden door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betreffende onderdelen. Het meten van reflectiewaarden vindt plaats overeenkomstig NEN-EN-ISO 2813 of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode.

3.3 Lokale normen voor Windpark Rijnenburg en Reijerscop

Voor het Windpark Rijnenburg en Reijerscop zijn de volgende lokale normen voor geluid vastgelegd: - In het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning is een maximale jaargemiddelde geluidsbelasting van 45 dB Lden opgenomen. Dat is 2 dB strenger dan de voormalige nationale norm en in overeenstemming met de waarde die geadviseerd wordt door de WHO en de GGD. Voor de meeste woningen zal de geluidbelasting een stuk lager zijn, omdat de afstand tot de woonwijken in Nieuwegein meer dan 900 meter is en voor de woonwijken in Utrecht meer dan 1100 meter. - Voor de nachtperiode is in het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning een extra norm van 39 dB Lnight opgenomen. Dit biedt extra bescherming voor de geluidniveaus in de nachtperiode. - In de omgevingsvergunning is een handhavingsnorm opgenomen waar op elk moment aan moet worden voldaan. Op basis van deze norm kan gemeten worden of het daadwerkelijke geluid van de windmolens overeenkomt met het geluid dat de windturbines volgens de fabrikant zouden moeten maken en dat gebruikt wordt voor de berekening van de jaargemiddelde geluidsbelasting. Als de windturbines op bepaalde momenten meer geluid maken dan opgegeven door de fabrikant, dan kan de gemeente handhavend optreden.

Voor het Windpark Rijnenburg en Reijerscop zijn de volgende lokale normen voor slagschaduw vastgelegd: - In het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning is opgenomen dat de windturbines voorzien moeten zijn van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt om te voorkomen dat hinderlijke slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten (zoals woningen) en zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van gevoelige objecten ramen bevinden. - In het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning is opgenomen dat de windturbines voorzien moeten zijn van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt om te voorkomen dat hinderlijke slagschaduw optreedt ter plaatse van panden met een (legale en in gebruik zijnde) kantoorfunctie voor zover gemiddeld meer dan 5 uur en 40 minuten per jaar hinderlijke slagschaduw kan optreden gedurende weekdagen (maandag t/m vrijdag) en

33

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

-

tijdens kantooruren (08:30 t/m 17:30) en voor zover zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van kantoren ramen bevinden. Om aan te sluiten bij de landelijke ontwerp windturbinebepalingen hanteren we voor ‘hinderlijke slagschaduw’ een minimale zonhoek van 3 graden i.p.v. 5 graden (dat in het ontwerpbestemmingsplan en de ontwerp-omgevingsvergunning wordt gehanteerd).

Voor het Windpark Rijnenburg en Reijerscop zijn de volgende lokale normen voor externe veiligheid vastgelegd: - Het plaatsgebonden risico voor een kwetsbaar object, veroorzaakt door een of meer windturbines van Windpark Rijnenburg en Reijerscop, is niet hoger dan 10-6 per jaar. - Het plaatsgebonden risico voor een beperkt kwetsbaar object, veroorzaakt door een of meer windturbines van Windpark Rijnenburg en Reijerscop, is niet hoger dan 10-5 per jaar. - Plaatsing van windturbines is alleen toegestaan indien zij voldoen aan de veiligheidseisen opgenomen in NEN-EN-IEC 61400-1. Daarnaast moeten de windturbines in het kader van veiligheid en onderhoud aan de volgende regels voldoen:  Een windturbine moet ten minste eenmaal per kalenderjaar worden beoordeeld op de noodzakelijke beveiligingen, onderhoud en reparaties door een deskundige op het gebied van windturbines;  Een windturbine moet onmiddellijk buiten bedrijf worden gesteld en het bevoegd gezag daaromtrent worden geïnformeerd indien wordt geconstateerd of indien het redelijk vermoeden bestaat dat een onderdeel of onderdelen van de windturbine een gebrek bezitten, waardoor de veiligheid voor de omgeving in het geding is. De windturbine wordt eerst weer in bedrijf genomen nadat alle gebreken zijn hersteld.

Voor Windpark Rijnenburg en Reijerscop is de volgende lokale norm voor lichtschittering vastgelegd:  Voordat een windturbine voor energieproductie in gebruik genomen en gehouden mag worden, dient deze ten behoeve van het voorkomen of beperken van lichtschittering voorzien te zijn van niet reflecterende materialen of coatinglagen op betreffende onderdelen (glansgraad maximaal 30%), waarbij het meten van reflectiewaarden plaatsvindt overeenkomstig NEN-EN-ISO 2813 of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode. De lokale normen voor Windpark Rijnenburg en Reijerscop zijn voor de aspecten geluid en slagschaduw dan ook strenger dan de voorheen geldende normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer. Voor de aspecten externe veiligheid en lichtschittering zijn de normen gelijk of nagenoeg gelijk aan de voorheen geldende normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer.

3.4 Uitspraken van 12 april 2023 over lokale windturbinebepalingen

Op 12 april 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) over twee windparken (Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding en Windpark Karolinapolder) op land in twee uitspraken (met de kenmerken ECLI:NL:RVS:2023:1433 en ECLI:NL:RVS:2023:1446) geoordeeld over de voor deze windparken opgestelde eigen lokale windturbinenormen. Voor beide windparken zijn voor geluidhinder normen van 47 dB Lden en 41 dB Lnight vastgesteld en de AbRvS heeft deze geluidnormen geaccepteerd. Voor Windpark Rijnenburg en Reijerscop wordt met geluidsnormen van 45 dB Lden en 39 dB Lnight gekozen voor strengere geluidnormen. Met een norm van 45 dB Lden sluiten wij aan bij het advies van de GGD en de World Health Organization (WHO) om een grenswaarde van 45 dB Lden op geluidsgevoelige objecten, waaronder woningen, te hanteren. Hieronder wordt nader op deze uitspraken ingegaan.

34

Datum Rapport

februari 2024 Vaststellingsrapport

3.4.1 Windpark Karolinapolder Bij Windpark Karolinapolder gaat het om vier windturbines met een minimale tiphoogte van 180 meter en een maximale tiphoogte van 215 meter. Voor de windturbines is voor 25 jaar een omgevingsvergunning verleend en er zijn maatwerkvoorschriften vastgesteld. Voor geluidhinder zijn normen van 47 dB Lden en 41 dB Lnight vastgesteld. Hierover oordeelt de AbRvS dat er geen aanknopingspunten zijn om deze dosismaten (Lden en Lnight) vanuit wetenschappelijk oogpunt te moeten afwijzen of ongeschikt te verklaren. Verder stelt de AbRvS onder verwijzing naar eerdere uitspraken dat als gevolg van de straffactoren voor de avond en nacht het in de praktijk vrijwel niet kan voorkomen dat ter plaatse van een woning waar aan de jaargemiddelde norm wordt voldaan een hoger maximaal geluidniveau optreedt dan de norm. Ook merkt de AbRvS op dat de Lden-norm te handhaven is. Over laagfrequent geluid en infrageluid geeft de AbRvS aan dat laagfrequent geluid en infrageluid niet zoveel meer hinder veroorzaakt dat in verband daarmee de normstelling had moeten worden aangepast of daarvoor een afzonderlijke norm had moeten worden vastgesteld. Vanwege de (extreme) amplitudemodulatie had ook niet uitgegaan moeten worden van andere dosismaten dan Lden en Lnight.

De AbRvS komt voor de geluidnormen tot de conclusie dat bezwaren en kanttekeningen die appellanten (belanghebbenden die in beroep zijn gegaan) over de gehanteerde dosismaat, de in aanmerking genomen dosishinderrelatie, het in aanmerking nemen van afstandsnormen of een gebiedsgerichte normering, de betekenis van het laagfrequent geluid en die van (extreme) amplitudemodulatie als ook de gevolgen van windturbinegeluid op de gezondheid, niet kunnen leiden tot het oordeel niet gekozen had mogen worden van de geluidnormen van 47 dB Lden en 41 Lnight. De normen voor externe veiligheid hebben betrekking op een 10-6 contour voor een kwetsbaar object en de 10-5 contour voor een beperkt kwetsbaar object. Ook zijn er voorschriften opgenomen over controle, hoe te handelen bij (vermoeden van) gebreken en certificatie. Volgens de AbRvS zijn de normen terecht vastgesteld. 3.4.2 Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding bestaat uit 16 windturbines met een maximale ashoogte van 136 meter en een maximale rotordiameter van 136 meter. Voor dit windpark is een bestemmingsplan vastgesteld en een omgevingsvergunning verleend. De raad heeft voor geluid een normstelling van 47 dB Lden en 41 dB Lnight vastgesteld.

De AbRvS oordeelt dat wat is ingebracht in de beroepsprocedure geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat het toepassen van de dosismaten Lden en Lnight vanuit wetenschappelijk oogpunt moet worden afgewezen of ongeschikt is. De amplitudemodulatie leidt er ook niet toe dat de raad van andere dosismaten dan Lden en Lnight had moeten uitgaan. Dit geldt ook voor de gehanteerde dosishinderrelatie. Daarnaast heeft naar het oordeel van de AbRvS de raad zich op het standpunt mogen stellen dat laagfrequent geluid niet zoveel meer hinder veroorzaakt dat in verband daarmee de normstelling had moeten worden aangepast of daarvoor een afzonderlijke norm had moeten worden vastgesteld. De AbRvS oordeelt, zoals het al eerder heeft gedaan, dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat de Lden-norm niet te handhaven is. Over het voorzorgbeginsel in het kader van windturbines en gezondheidsklachten merkt de AbRvS op dat de omstandigheid dat er publicaties zijn die, om ieder risico bij voorbaat uit te sluiten, een hogere mate van bescherming of een grotere afstand tot windturbines aanbevelen of aangeven dat het wenselijk is dat er nader onderzoek wordt verricht niet betekent dat de raad het plan niet mocht vaststellen. Hierbij neemt de AbRvS in aanmerking dat een dergelijk nader onderzoek jaren kost en bij voorkeur op landelijke schaal zou moeten worden uitgevoerd.

De conclusie over de geluidnormen van de AbRvS is dan ook dat de bezwaren en kanttekeningen die door appellanten zijn ingediend over de gehanteerde rekenmethode, het in het onderzoek betrokken type windturbine, de gehanteerde dosismaat, de in aanmerking genomen dosishinderrelatie, het in aanmerking nemen van afstandsnormen of een gebiedsgerichte normering, de betekenis van het laagfrequent geluid en die van (extreme) amplitudemodulatie als ook het gevolg van windturbinegeluid op de gezondheid, niet kunnen leiden tot het oordeel dat de raad niet had mogen kiezen voor de geluidnorm van 47 dB Lden en 41 Lnight. Bij de keuze voor deze norm heeft de raad op basis van de onderzoeken een afweging gemaakt tussen het aantal omwonenden dat volgens de verschillende inschattingen bij een bepaalde geluidsnorm ernstige hinder zal ondervinden van het windpark en de energieproductie die met het windpark kan worden gerealiseerd. 35

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

Over slagschaduw is het volgende in de planregels van het bestemmingsplan opgenomen: 1. De slagschaduwduur op ramen binnen de gevel van slagschaduw gevoelige objecten, gelegen binnen 1.810 meter vanaf het middelpunt van een windturbine, veroorzaakt door alle windturbines die zijn aangeduid met de bestemming "Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig" tezamen mag niet meer bedragen dan 0 uur per jaar, uitgezonderd de tijd die noodzakelijk is voor het afschakelen van de windturbines als gevolg van de automatische stilstandvoorziening, en; 2. De slagschaduwduur op ramen binnen de gevel van overige slagschaduw gevoelige objecten, gelegen binnen 1.810 meter vanaf het middelpunt van een windturbine, veroorzaakt door alle windturbines die zijn aangeduid met de bestemming "Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig" tezamen mag niet meer bedragen dan 6 uur per jaar." Hierbij is relevant dat er in de bestaande situatie al sprake is van slagschaduw vanwege al bestaande windparken en dat de raad de slagschaduw voor omwonenden niet wil laten toenemen. Deze normen zijn door de AbRvS ook geaccepteerd en de AbRvS oordeelt dat de stilzet tijd van de windturbine niet nader in de planregels geregeld hoeft te worden.

In de planregels van het bestemmingsplan is vanwege externe veiligheid opgenomen dat te plaatse van de aanduiding “veiligheidszone – windturbine PR10-5” kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zijn uitgesloten en dat ter plaatse van de aanduiding “veiligheidszone – windturbine PR106” kwetsbare objecten zijn uitgesloten. De AbRvS oordeelt dat de raad voor deze normering mag kiezen.

3.5 Landelijke ontwerp windturbinebepalingen Van 12 oktober tot en met 22 november 2023 hebben de landelijke ontwerp windturbinebepalingen en het bijbehorende plan-MER ter inzage gelegen. Uitgangspunt bij deze ontwerp bepalingen is dat omwonenden recht hebben op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, maar niet dat omwonenden van windturbines daar helemaal geen last van mogen hebben. Anders zou er voor windturbines in een land als Nederland nauwelijks nog ruimte voor windturbines overblijven, terwijl het belang van een duurzame energieopwekking ook een zwaarwegend belang is. De voorlopige planning is dat de windturbinebepalingen op 1 juli 2025 in werking treden. Er is geen aanleiding om aan nemen dat het ontwerpbesluit nog significant gewijzigd gaat worden. -

-

-

In de landelijke ontwerp windturbinenormen worden normen van 45 dB Lden en 39 dB Lnight voorgesteld voor geluid. Deze geluidnormen zijn dan ook gelijk aan de lokale normen die wij voorschrijven voor Windpark Rijnenburg en Reijerscop. Aanvullend nemen wij een handhavingsnorm op in de omgevingsvergunning. In de landelijke ontwerp windturbinenormen wordt een norm aangehouden voor een slagschaduwgevoelig gebouw dat de windturbine automatisch stilgezet moet worden in het geval van slagschaduw van meer dan zes uur per jaar of meer dan twintig minuten per dag op een afstand van minder dan twaalfmaal de rotordiameter. Hierbij is van belang dat de slagschaduw die wordt veroorzaakt gedurende de tijd die noodzakelijk is voor het afschakelen van de windturbine niet wordt meegerekend. Voor kantoren is geen norm opgenomen. Slagschaduw reikt het verst bij een laagstaande zon. In uitvoeringsregelgeving zal (zoals nu wordt voorgesteld) een uniforme regel over de minimale zonnestand opgenomen worden van 3 graden boven de horizon. De lokale slagschaduwnormen die wij voorschrijven voor Windpark Rijnenburg en Reijerscop zijn strenger. De landelijke ontwerp windturbinenormen over externe veiligheid zijn vrijwel gelijk aan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer. Toegevoegd zijn beoordelingsregels die gaan over zogenaamde domino effecten.

Dit werd in de praktijk al toegepast en is ook voor windpark Rijnenburg en Reijerscop onderzocht (het windpark voldoet hieraan). Door dit aspect als norm aan de landelijke ontwerp

36

Datum Rapport

februari 2024 Vaststellingsrapport

windturbinenormen toe te voegen wordt dit juridisch nog wat beter geregeld, omdat dan bijvoorbeeld niet op een Handboek teruggevallen hoeft te worden. De lokale externe veiligheidsnormen voor Windpark Rijnenburg en Reijerscop zijn dan ook vergelijkbaar met de landelijke ontwerp windturbinenormen. -

Afstandsnorm Met de landelijke ontwerp windturbinenormen wordt een afstandsnorm geïntroduceerd en deze bedraagt ten minste twee keer de tiphoogte tussen een windturbine en een windturbinegevoelig gebouw (waaronder een woning). Met het bestemmingsplan worden windturbines met een tiphoogte van maximaal 270 meter toegestaan. Dit betekent dat er tussen de gevel van een windturbinegevoelig gebouw en de windturbine minimaal een afstand van 540 meter moet zitten. Deze afstand wordt bij bestaande windturbinegevoelige gebouwen gehaald (de kortste afstand is circa 570 meter).

-

Overgangsrecht In het ontwerpbesluit is ook een regeling opgenomen met eerbiedigende werking van de op het moment van inwerkingtreding van het Besluit windturbines leefomgeving geldende “eigen normen”.

37

Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht

4 Geluid en gezondheid en slagschaduw Een aantal onderwerpen komt in meerdere zienswijzen terug. In dit hoofdstuk bespreken we daarom de meest voorkomende onderwerpen geluid en gezondheid (paragraaf 4.1) en slagschaduw (paragraaf 4.2), waardoor we hier bij de beantwoording van de zienswijzen naar kunnen verwijzen. In paragraaf 4.3 gaan we in op handhaving.

4.1 Geluid en gezondheid 4.1.1 Wat voor geluid maakt een windturbine? Windturbinegeluid kan als hinderlijk of storend ervaren worden. De voornaamste geluidsproductie van een windturbine komt van het bewegen van de wiek naar de grond en het passeren van de as. Windturbines genereren twee soorten geluid: enerzijds mechanisch geluid door apparatuur in de turbine (relatief beperkt en niet maatgevend) en anderzijds stromingsgeluid door de interactie van de wieken met de lucht. Het niveau van windturbinegeluid wordt vooral bepaald door de snelheid waarmee de wieken draaien. Bij stromingsgeluid kan er onderscheid gemaakt worden tussen achtergrondgeluid, instroomgeluid en verdringingsgeluid.2 Windturbines zijn in de loop der tijd steeds groter geworden en zijn meer elektriciteit gaan opwekken. De nieuwe grotere windturbines zijn niet méér geluid gaan produceren dan windturbines die er al staan met een kleiner formaat. 4.1.2 Jaargemiddelde geluidbelasting Geluidhinder door windturbinegeluid kan optreden en wordt als extra hinderlijk aangemerkt gedurende de avond en nacht, omdat dan het omgevingsgeluid stiller is. De voorgestelde normen voor windturbinegeluid bestaan uit een jaargemiddelde Lden.

Een jaargemiddelde houdt in dat het jaargemiddelde geluidsniveau op de gevel gedurende de dag (07.00-19.00 uur), de avond (19.0023.00 uur) en de nacht (23.00-07.00 uur) wordt berekend, waarbij geluid dat in de avond en nacht geproduceerd wordt een straffactor krijgt van respectievelijk 5 en 10 dB. Daarnaast geldt een nachtelijk jaargemiddelde, de Lnight, voor de nachtperiode (23.00-07.00 uur). De geluidnormen zijn opgesteld om de ervaren hinder en slaapverstoring door windturbinegeluid tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Dit sluit niet uit dat door (een deel van de) omwonenden hinder als gevolg van windturbinegeluid kan worden ervaren. De 45 dB Lden norm die opgenomen is in het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning is een gewogen, jaargemiddelde norm. De aard van windturbinegeluid is heel constant. Bij maximale windsnelheden en daarmee de meest luide condities ontwikkelt een windturbine een geluidbronvermogen van ongeveer 106 dB Lden. In het geval van windpark Rijnenburg en Reijerscop betekent dit dat er een maximaal geluidsniveau van 43 dB kan voorkomen bij de meest dichtbijgelegen woningen. Omdat windturbines een redelijk constant geluid produceren is een gemiddelde norm de meest geschikte geluidsnorm.

Dit wordt ook bevestigd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 april 2023 met kenmerk ECLI:NL:RVS:2023:1433 over een windpark met een geluidnorm van 47 dB Lden. De lokale voorgestelde norm voor windpark Rijnenburg en Reijerscop, met een waarde van 45 dB Lden, beschermt de omwonenden dan ook (temeer) voldoende. Om toch te kunnen ingrijpen in het geval dat de windturbines meer geluid produceren dan volgens de informatie van de fabrikant, is er een handhavingsnorm opgenomen in de omgevingsvergunning (zie hiervoor ook paragraaf 4.1.15). Andere constante geluidsbronnen zoals wegen en vliegtuigen worden op dezelfde manier, via een jaargemiddelde, genormeerd. Windturbinegeluid kent dus geen extreme pieken zoals bij industrie het geval kan zijn. Bij de industrie is het mogelijk dat in een zeer korte tijdspanne schadelijke hoeveelheden aan geluid worden gecreëerd.

2 RIVM factsheet, juli 2021, https://www.rivm.nl/sites/default/files/2021-08/Factsheet-windturbines.pdf

38

Datum Rapport

februari 2024 Vaststellingsrapport

4.1.3 Windrichting Als geluid wordt meegedragen door de wind is sprake van harde wind. Bij het beoordelen van het geluid bij een windturbine wordt rekening gehouden met de mogelijke windsnelheden (windkracht). Om aan te tonen of een windturbine voldoet aan de opgelegde geluidnorm, moet elk jaar een berekening worden overlegd, de zogeheten emissieterm (LE). Het vaststellen van de geluidemissie van een windturbine gebeurt dus door het bepalen van de emissieterm (LE). Het vaststellen van de LE gebeurt voor de dag-, de avond- en de nachtperiode, rekening houdend met de bedrijfsduur van de turbine en de geleverde geluidbronsterkte (LWr) per windsnelheidsklasse. Er wordt dus gecorrigeerd met het percentage van de tijd waarop een windsnelheidsklasse gedurende het jaar voorkomt (per etmaal periode dag, avond en nacht). Met andere woorden als het hard waait wordt er rekening gehouden met de geluidbronsterkte die dan door de windturbines wordt veroorzaakt. In het akoestisch rapport t.b.v de CombiMER zijn berekeningen uitgevoerd om de geluidbelasting te bepalen bij omliggende woningen. Voor het berekenen van de overdracht van windturbinegeluid gelden rekenvoorschriften. De rekenvoorschriften zijn gebaseerd op de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (HMRI). De methode is vrijwel identiek aan die volgens de Handleiding.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=6042eb4f-b989-4c69-b7a8-268ac1111439