Vaststellingsrapport windpark Rijnenburg en Reijerscop versie def01
Tekst van het document
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
Vaststellingsrapport
Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop
Februari 2024
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
Inhoud vaststellingsrapport 1
INLEIDING ............................................................................................................................................ 4 1.1 CHW BESTEMMINGSPLAN, WINDPARK RIJNENBURG EN REIJERSCOP ................................................................... 4 1.2 DE OPBOUW VAN HET VASTSTELLINGSRAPPORT .............................................................................................. 4 1.3 DE VASTSTELLINGSPROCEDURE.................................................................................................................... 4 1.3.1 Termijn voor het indienen van zienswijzen .................................................................................. 4 1.3.2 Gecoördineerde procedure........................................................................................................... 4 1.3.3 Zienswijzen over het bestemmingsplan ....................................................................................... 5 1.3.4 Wijze van beoordeling van zienswijzen ........................................................................................ 5 1.3.5 Procedure voor de vaststelling ..................................................................................................... 6 1.3.6 Belangrijkste wettelijke bepalingen .............................................................................................
6 1.3.7 Advies Commissie mer ................................................................................................................. 6
2
SAMENVATTING................................................................................................................................... 7 2.1 PROCEDUREEL ......................................................................................................................................... 7 2.2 INHOUD VAN DE ZIENSWIJZEN ..................................................................................................................... 7 2.3 WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN DE ONTWERPEN........................................................................................... 7 2.3.1 Wijziging van de juridische regeling naar aanleiding van zienswijzen ......................................... 7 2.3.2 Ambtshalve wijzigingen van de juridische regeling ..................................................................... 9 2.3.3 Wijziging van de onderbouwing naar aanleiding van zienswijzen ............................................. 11 2.3.4 Ambtshalve wijzigingen van de onderbouwing.......................................................................... 14 2.3.5 Wijzigingen van de ontwerp-omgevingsvergunning naar aanleiding van zienswijzen .............. 25 2.3.6 Ambtshalve wijzigingen van de ontwerp-omgevingsvergunning .............................................. 28
3
WINDTURBINENORMEN .................................................................................................................... 32 3.1 RELATIEF VEEL BESCHERMING ................................................................................................................... 32 3.2 GEEN LANDELIJKE WINDTURBINEBEPALINGEN IN WERKING .............................................................................. 32 3.3 LOKALE NORMEN VOOR WINDPARK RIJNENBURG EN REIJERSCOP..................................................................... 33 3.4 UITSPRAKEN VAN 12 APRIL 2023 OVER LOKALE WINDTURBINEBEPALINGEN ....................................................... 34 3.4.1 Windpark Karolinapolder ........................................................................................................... 35 3.4.2 Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding ............................................................................................. 35 3.5 LANDELIJKE ONTWERP WINDTURBINEBEPALINGEN......................................................................................... 36
4
GELUID EN GEZONDHEID EN SLAGSCHADUW..................................................................................... 38 4.1 GELUID EN GEZONDHEID .......................................................................................................................... 38 4.1.1 Wat voor geluid maakt een windturbine? ................................................................................. 38 4.1.2 Jaargemiddelde geluidbelasting ................................................................................................ 38 4.1.3 Windrichting............................................................................................................................... 39 4.1.4 Geluidwal ................................................................................................................................... 39 4.1.5 Laagfrequent geluid (LFG) .......................................................................................................... 39 4.1.6 Laagfrequent geluid: maatgevende woningen .......................................................................... 41 4.1.7 Infrasoon geluid .........................................................................................................................
41 4.1.8 Tonaal geluid.............................................................................................................................. 41 4.1.9 Piekgeluid ................................................................................................................................... 41 4.1.10 Dosis-effect relatie/blootstelling-responsrelatie .................................................................... 41 4.1.11 Amplitudemodulatie ............................................................................................................... 43 4.1.12 Cumulatie ............................................................................................................................... 43 4.1.13 Effect op gezondheid .............................................................................................................. 44 4.1.14 Voorzorgsbeginsel .................................................................................................................. 45 4.1.15 Handhavingsnorm geluid in omgevingsvergunning ............................................................... 45 4.2 SLAGSCHADUW ......................................................................................................................................
45 4.2.1 Wat is slagschaduw ................................................................................................................... 45 4.2.2 Slagschaduw, hinder en gezondheid .......................................................................................... 45 4.2.3 Stilstandvoorziening Windpark Rijnenburg en Reijerscop.......................................................... 47 4.3 HANDHAVING ........................................................................................................................................ 48
5
BEOORDELING VAN DE ZIENSWIJZEN ................................................................................................. 50
2
Datum Rapport
5.1 5.2 5.3
februari 2024 Vaststellingsrapport
AANTAL ZIENSWIJZEN .............................................................................................................................. 50 WNB ONTHEFFING .................................................................................................................................. 50 TABEL MET SAMENGEVATTE ZIENSWIJZEN EN DE BEANTWOORDING HIERVAN ...................................................... 50
3
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
1 Inleiding 1.1 Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop
Het Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop, bevat regels die het voorgenomen windturbinepark inclusief toebehoren zoals kraanopstelplaatsen, transformatorstation inclusief inkoopruimte en onderhoudswegen mogelijk maken binnen het plangebied. Het Windpark Rijnenburg en Reijerscop ligt in de gemeente Utrecht, ten zuiden van de Utrechtse wijk De Meern en ten zuidwesten van knooppunt Oudenrijn. Het plangebied ligt ten zuiden van de A12 en ten westen van de A2. Het windturbinepark betreft een gebogen oost-west lijnopstelling en maakt vier windturbines mogelijk. Het plangebied van dit bestemmingsplan bestaat op dit moment voornamelijk uit agrarische gronden. Het plangebied van dit bestemmingsplan is per windturbine begrensd tot het gebied waar de beoogde windturbines mogen worden gebouwd (opstellocaties), inclusief de overdraai van de rotorbladen en de bestemmingen en aanduidingen voor bijbehorende voorzieningen zoals de kraanopstelplaatsen, transformatorstation inclusief inkoopruimte en de onderhoudswegen.
1.2 De opbouw van het vaststellingsrapport
In hoofdstuk 2 wordt een samenvatting gegeven van de inhoud van dit rapport. Wijzigingen die naar aanleiding van zienswijzen of ambtshalve zijn gemaakt, zijn in paragraaf 2.3 opgesomd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de juridische regeling, die is vastgelegd in de regels met de bijbehorende verbeelding, en de onderbouwing van de juridische regeling, die in de toelichting bij het bestemmingsplan en de bijlagen daarbij wordt gegeven. Het verbeteren van kennelijke fouten, van de redactie of van interpunctie wordt niet vermeld. In hoofdstuk 3 staan de windturbinenormen centraal. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op geluid en gezondheid en slagschaduw, omdat deze onderwerpen in veel zienswijzen terugkomen. In hoofdstuk 5 worden de zienswijzen behandeld. De zienswijzen zijn samengevat en per onderwerp van een reactie voorzien. Wanneer een zienswijze leidt tot een aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan of uitvoeringsbesluit, dan wordt dit aangegeven in de conclusie. In het geval van een wijziging verwijst de conclusie naar de paragraaf in hoofdstuk 2 waarin de wijziging is weergegeven.
1.3 De vaststellingsprocedure 1.3.1 Termijn voor het indienen van zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft samen met bijbehorend Combi-Milieueffectrapport, de ontwerp-omgevingsvergunning en het ontwerpbesluit Wnb ontheffing van vrijdag 26 mei 2023 tot en met donderdag 6 juli 2023 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn konden zienswijzen over de ontwerpen aangeboden worden aan de gemeenteraad. 1.3.2 Gecoördineerde procedure Op 6 juli 2017 heeft de gemeenteraad een coördinatiebesluit genomen op grond van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) over de toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling voor de besluiten van dit project. Destijds was echter nog niet (helemaal) duidelijk welke besluiten onder de reikwijdte van de coördinatieregeling zouden vallen. Daarnaast blijkt uit jurisprudentie van na dit genomen besluit dat in een coördinatiebesluit de uitvoeringsbesluiten specifiek moeten zijn opgenomen. Daarom heeft de gemeenteraad op 22 juni 2023 een ‘gerepareerd’ coördinatiebesluit genomen, waarin de uitvoeringsbesluiten specifiek zijn opgenomen. De gemeente werkte al wel in lijn met de gemeentelijke coördinatieregeling. Wanneer de gemeentelijke coördinatieregeling wordt toegepast vindt een gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking plaats van de gecoördineerde besluiten, die de procedure van het 4
Datum Rapport
februari 2024 Vaststellingsrapport
bestemmingsplan volgt. Tegen de besluiten die met toepassing van de coördinatieregeling gelijktijdig bekend worden gemaakt staat direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Burgemeester en Wethouders (B&W) bevorderen een gecoördineerde voorbereiding van de (ontwerp)besluiten. B&W kunnen ook andere bestuursorganen verzoeken om medewerking te verlenen, die voor het slagen van de coördinatie nodig is. B&W hebben Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht gevraagd om de gemeentelijke coördinatieregeling van toepassing te verklaren op de aanvraag om ontheffing van de Wet natuurbescherming (Wnb). Gedeputeerde Staten heeft met dit verzoek ingestemd. De gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking leidt tot een samenhangende, overzichtelijke en snellere procedure. De gemeentelijke coördinatieregeling wordt toegepast voor de volgende (ontwerp)besluiten: bestemmingsplan; omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, uitvoeren van een werk en milieu.
Wnb ontheffing In aanvulling op de eerdere onderzoeken is medio 2023 nader onderzoek gedaan naar de vliegbewegingen van de grutto en de territoria van de weidevogels in het plangebied. Dit nadere onderzoek heeft geleid tot een wijzigingsverzoek op de eerdere ontheffingsaanvraag op de onderdelen compensatie van het leefgebied van de grutto en velduil en de stilstandsvoorziening. Op 18 december 2023 is het onderzoek door de initiatiefnemer aan de provincie Utrecht verstrekt. De Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht beoordeelt als bevoegd gezag momenteel het wijzigingsverzoek. Mogelijk worden de voorschriften in het ontwerpbesluit op de onderdelen voor het compensatiegebied en de stilstandsvoorziening naar aanleiding van deze beoordeling gewijzigd. Wanneer er wijzigingen zijn in het ontwerpbesluit, worden deze wijzigingen opnieuw ter inzage gelegd en is er gelegenheid tot het indienen van zienswijzen. Er is voor gekozen om de Wnb ontheffing niet af te wachten en door te gaan met het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning. Voor de Wnb ontheffing blijft de gemeentelijke coördinatieregeling gelden. Het is mogelijk om de Wnb ontheffing later bekend te maken dan het bestemmingsplan met bijbehorend Combi-Milieueffectrapport inclusief de omgevingsvergunning.
Hierdoor kunnen het bestemmingsplan met bijbehorend CombiMilieueffectrapport, de omgevingsvergunning en de Wnb ontheffing, in het geval van beroep, tegelijk door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandeld worden. De zienswijzen die betrekking hebben op het ontwerpbesluit Wnb dat tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan en de ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage heeft gelegen, zijn in dit vaststellingsrapport beantwoord. Eventuele zienswijzen die worden ingediend naar aanleiding van een eventueel gewijzigd ontwerpbesluit Wnb worden separaat beantwoord. 1.3.3 Zienswijzen over het bestemmingsplan In totaal zijn er 119 zienswijzen ingediend. Van de 119 zienswijzen hebben twee zienswijzen (één hiervan is een positieve zienswijze) alleen betrekking op de ontwerp-omgevingsvergunning. De twee zienswijzen die alleen gaan over de ontwerp-omgevingsvergunning zijn beantwoord in een bijlage van de omgevingsvergunning. De overige 117 zienswijzen hebben betrekking op alleen het ontwerpbestemmingsplan of op het ontwerpbestemmingsplan en de ontwerp-uitvoeringsbesluiten. Deze zijn beantwoord in dit vaststellingsrapport. Van de 117 zienswijzen zijn 40 zienswijzen positief; dit zijn indieners die voor de realisatie van het windpark zijn. 1.3.4 Wijze van beoordeling van zienswijzen Een zienswijze bevat de mening van een indiener.
De meningen in een zienswijze of de zienswijze zelf zijn nooit goed, fout, gegrond of ongegrond. Elke zienswijze wordt zorgvuldig bestudeerd, om te bezien of het ontwerpbestemmingsplan of ontwerp-uitvoeringsbesluit aangepast moet worden. Als een zienswijze vragen bevat, worden die in dit vaststellingsrapport zo mogelijk beantwoord. In dit rapport worden alleen de samenvattingen van zienswijzen opgenomen. In verband met de privacy van indieners worden de zienswijzen niet openbaar gemaakt. Burgemeester en wethouders en de gemeenteraad krijgen wel van alle zienswijzen een kopie toegestuurd, zodat zij de volledige zienswijze kunnen lezen en bijvoorbeeld kunnen nagaan waar de indiener woont.
5
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
1.3.5 Procedure voor de vaststelling Het college van burgemeester en wethouders bereidt de vaststelling van het bestemmingsplan voor. De voorbereiding bestaat uit de beoordeling of het ontwerpbestemmingsplan nog aangepast moet worden, bijvoorbeeld naar aanleiding van de zienswijzen. Vervolgens stelt het college de gemeenteraad voor het bestemmingsplan, zo nodig met wijzigingen ten opzichte van het ontwerp, vast te stellen. De gemeenteraad kan de indieners van zienswijzen in de gelegenheid stellen om hun zienswijze tijdens een raadsinformatiebijeenkomst toe te lichten. Op zo’n bijeenkomst kunnen de raadsleden vragen stellen aan indieners en ook aan ambtenaren die bij de vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan betrokken zijn. Voordat de voltallige gemeenteraad het bestemmingsplan vaststelt, wordt het voorstel van het college besproken in de commissie. In de commissie vindt een politieke discussie plaats. De verantwoordelijke wethouder is daarbij aanwezig en wordt in de gelegenheid gesteld te reageren op de mening van de leden van de raadscommissie. De commissie bepaalt of een nadere bespreking in de gemeenteraad nog nodig is of dat het bestemmingsplan als hamerstuk geagendeerd kan worden. De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vervolgens, al dan niet als hamerstuk, vast.
1.3.6 Belangrijkste wettelijke bepalingen De vaststellingsprocedure is beschreven in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Dat artikel verwijst weer naar Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, de zogenaamde uniforme, openbare voorbereidingsprocedure. Op grond van artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht moeten zienswijzen binnen de daarvoor gestelde termijn van zes weken worden ingediend. Op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is bij verzending per post een zienswijze op tijd ingediend, als hij voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en de zienswijze niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. 1.3.7 Advies Commissie m.e.r. Voor het bestemmingsplan is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. Gelijktijdig met de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan is aan de onafhankelijke Commissie m.e.r. advies gevraagd over de inhoud van het MER. Dit is wettelijk verplicht. In haar voorlopig toetsingsadvies oordeelde de Commissie m.e.r. dat het MER op enkele onderdelen moet worden aangevuld voordat een besluit kan worden genomen over het bestemmingsplan voor het windpark. Het advies van de Commissie m.e.r.
is als volgt: Beschrijf duidelijker welke milieuoverwegingen hebben geleid tot de keuze voor locatie Rijnenburg en Reijerscop als energielandschap; In hoeverre maken de gekozen windturbinelocaties de uitbreiding van het voorkeursalternatief (VKA) in de toekomst mogelijk?; Geef een beschrijving van de effecten van wind en zon afzonderlijk van elkaar (ook voor de energieopbrengst) en beschouw de haalbaarheid van andere combinaties van zon en wind. Daarnaast heeft de Commissie m.e.r. een aantal andere aanbevelingen gedaan die niet essentieel zijn voor de besluitvorming: Beschrijf de relatieve effecten per kWh; Voeg panorama’s vanuit het polderlandschap van Montfoort en omgeving op de skyline van de stad Utrecht. Alle aanbevelingen van de Commissie m.e.r. zijn opgevolgd en er is een aanvulling op het MER opnieuw ter toetsing aan de Commissie m.e.r. voorgelegd. In de aanvulling op het MER is ook een vijfde inrichtingsalternatief toegevoegd en beoordeeld op milieueffecten. Op 25 januari 2024 oordeelde de Commissie m.e.r. dat het aangevulde MER de essentiële informatie bevat om een besluit te kunnen nemen over het energielandschap.
6
Datum Rapport
februari 2024 Vaststellingsrapport
2 Samenvatting 2.1 Procedureel
In dit document is een samenvatting van alle ingediende zienswijzen over het Chw ontwerpbestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop en de ontwerp uitvoeringsbesluiten opgenomen. Op grond van de Wet open overheid kennen wij aan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 3.1 in samenhang met artikel 5.1 Woo) een groter belang toe dan het belang van openbaarmaking van deze (herleidbare) persoonsgegevens. Daarom is een zakelijke en niet tot personen te herleiden samenvatting van alle ingediende zienswijzen, met de beantwoording daarvan, opgenomen in: het vaststellingsrapport februari 2024, bij het raadsvoorstel tot vaststelling van het Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop.
2.2 Inhoud van de zienswijzen
Veel indieners maken zich zorgen over hinder in de vorm van slagschaduw, geluid en (externe) veiligheid. Daarnaast worden zorgen geuit voor de landschappelijke inpassing van de windturbines, de integrale gebiedsontwikkeling en woningbouw in Rijnenburg. Voor een volledig overzicht van de ingediende zienswijzen en de beantwoording hiervan wordt verwezen naar paragraaf 5.3.
2.3 Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpen
Hieronder worden eerst wijzigingen van de juridische regeling, dat wil zeggen wijzigingen in de regels of wijzigingen van de verbeelding, opgesomd. Eerst worden de wijzigingen die vanwege de ingediende zienswijzen zijn doorgevoerd weergegeven en vervolgens wijzigingen die ambtshalve (door de gemeente zelf) zijn gedaan. Ook worden de wijzigingen in de toelichting en de bijlagen daarbij, weergegeven. Volledigheidshalve worden ook de wijzigingen die naar aanleiding van de ingediende zienswijzen en ambtshalve ten opzichte van de ontwerp-omgevingsvergunning worden doorgevoerd in de omgevingsvergunning aangegeven. 2.3.1
Wijziging van de juridische regeling naar aanleiding van zienswijzen
2.3.1.1 Aanpassing artikel 3 lid 3.1 sub 6a en d van de planregels van het bestemmingsplan Vanwege zienswijze 100 (daarnaast is de formulering gelijkgetrokken met artikel 4 lid 4.1 sub 2) is artikel 3 lid 3.1 sub 6a en d als volgt veranderd en aangevuld (aangeduid met het onderstreepte en doorgehaalde deel): 6. a.
b. c.
d.
ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone – windturbine' is overdraai van de rotor van een windturbine toegestaan, alsmede: kraanopstelplaatsen ten behoeve voor de van de bouw en het onderhoud van windturbines, met dien verstande dat waarbij maximaal 1 kraanopstelplaats per windturbine is toegestaan met een maximale oppervlakte van 2.500 m² per kraanopstelplaats en dat deze op minimaal 1,5 meter vanaf peil wordt aangelegd; kabels en leidingen; toegangs- en onderhoudswegen, alsmede bijbehorende waterhuishoudkundige voorzieningen zoals bermsloten, bruggen en duikers, waarbij de maximale breedte van een toegangs- en onderhoudsweg 7 meter is met uitzondering van kruisingen met andere wegen en bochten; een transformatorstation inclusief inkoopruimte onder de volgende voorwaarden: de maximale oppervlakte van het transformatorstation inclusief inkoopruimte bedraagt 300 m2, waarbij maximaal één transformatorstation inclusief inkoopruimte voor het gehele windpark is toegestaan; 7
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
de maximale bouwhoogte van het transformatorstation inclusief inkoopruimte en bijbehorende voorzieningen bedraagt 4 5,5 meter, met dien verstande dat de maximale bouwhoogte voor bliksemafleiders 10 11,5 meter bedraagt. een transformatorstation inclusief inkoopruimte wordt op minimaal 1,5 meter vanaf peil aangelegd.
2.3.1.2 Aanpassing artikel 4 lid 4.1 sub 1 van de planregels van het bestemmingsplan Vanwege zienswijze 100 is artikel 4 lid 4.1 sub 1 als volgt aangevuld (aangeduid met het onderstreepte deel): De voor 'Bedrijf - Windturbine' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 1. 2.
windturbines die elektrische energie opwekken met een vermogen van 3 MW of meer per windturbine; kraanopstelplaatsen voor de bouw en het onderhoud van windturbines, waarbij maximaal 1 kraanopstelplaats per windturbine is toegestaan met een maximale oppervlakte van 2.500 m2 per kraanopstelplaats en dat deze op minimaal 1,5 meter vanaf peil wordt aangelegd;
2.3.1.3 Aanpassing artikel 4, lid 4.2.1 sub 9 van de planregels van het bestemmingsplan Vanwege zienswijze 100 is artikel 4 lid 4.2.1 sub 9 als volgt aangevuld (aangeduid met het onderstreepte deel): de bouwhoogte van een windturbinefundament bedraagt ten hoogste 3,5 meter boven peil en heeft een maximale oppervlakte van 800 m2. Een windturbinefundament wordt op minimaal 1,5 meter vanaf peil aangelegd.
2.3.1.4 Aanpassing artikel 4 lid 4.2.2 sub 4 van de planregels van het bestemmingsplan Vanwege zienswijze 100 is artikel 4 lid 4.2.2 sub 4 als volgt aangevuld (aangeduid met het onderstreepte en doorgehaalde deel): de hoogte van de schakelkasten en transformatoren bedragen ten hoogste 3 meter 4,5 meter en de oppervlakte van schakelkasten op de grond bedraagt ten hoogste 25 m² per windturbine. De schakelkasten en transformatoren worden op minimaal 1,5 meter vanaf peil aangelegd.
2.3.1.5 Aanpassing artikel 4 lid 4.3.1 van de planregels van het bestemmingsplan Vanwege zienswijze 100 is artikel 4 lid 4.3.1 als volgt aangevuld (aangeduid met het onderstreepte deel): Uiterlijk 3 maanden nadat de windturbines permanent buiten gebruik zijn genomen, worden de windturbines, kraanopstelplaatsen, schakelkasten, transformators, kabels en leidingen, toegangswegen en het transformatorstation inclusief inkoopruimte verwijderd. De fundering van de windturbines wordt onder het maaiveld afgeknipt, waarbij voorkomen moet worden dat er lekkages optreden in watervoerende lagen door het verwijderen van de funderingspalen.
2.3.1.6 Aanpassing artikel 4 lid 4.3.8 van de planregels van het bestemmingsplan Naar aanleiding van zienswijze 100 wordt NEN-EN-IEC 61400-3 geschrapt uit artikel 4 lid 4.3.8 sub 3 van de planregels, omdat deze NEN-norm gaat over windturbines op zee. Ambtshalve wordt NENEN-IEC 61400-2 geschrapt, omdat deze alleen van toepassing is op kleinere rotordiameters die niet mogelijk wordt gemaakt (aangeduid met het doorgehaalde deel): “plaatsing van windturbines is alleen toegestaan indien zij voldoen aan de veiligheidseisen opgenomen in NEN-EN-IEC 61400-1, NEN-EN-IEC 61400-2 of NEN-EN-IEC 61400-3.”
2.3.1.7 Toevoeging artikel 4 lid 4.4 aan de planregels van het bestemmingsplan Naar aanleiding van zienswijze 99 voegen wij met betrekking tot de meest oostelijke windturbine (nabij Knooppunt Oudenrijn) een aanduiding op de verbeelding en een verbod en vergunningplicht
8
Datum Rapport
februari 2024 Vaststellingsrapport
toe aan artikel 4 (in lid 4.4) van de planregels van het bestemmingsplan waarmee onder voorwaarden van het verbod afgeweken kan worden. Hierdoor kan de grond van deze oostelijke windturbine pas voor een windturbine in gebruik genomen worden, nadat hiervoor een omgevingsvergunning is verleend. Dit nieuwe lid luidt volgt: 4.4 Verbod en binnenplanse vergunningplicht voor in gebruik nemen gronden voor meest oostelijke windturbine 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - windturbine' de gronden in gebruik te nemen voor een windturbine. 2. Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning als bedoeld onder 1, indien geen onaanvaardbaar verhoogd veiligheidsrisico voor het verkeer van Knooppunt Oudenrijn ontstaat door de meest oostelijke windturbine. Hierbij baseren burgemeester en wethouders zich op een advies van Rijkswaterstaat en een gezamenlijk door gemeente en Rijkswaterstaat uit te laten voeren verkeersveiligheidsonderzoek. Een toelichting op lid 4.4 is ook toegevoegd aan de juridische plantoelichting (hoofdstuk 7) van het bestemmingsplan. Aan artikel 4 lid 4.1 voegen wij, vanwege lid 4.4, het volgende toe (aangeduid met de onderstreping): De voor 'Bedrijf - Windturbine' aangewezen gronden zijn, met inachtneming van lid 4.4, bestemd voor: 2.3.2
Ambtshalve wijzigingen van de juridische regeling
2.3.2.1 Schrappen begrippen artikel 1 van de planregels van het ontwerpbestemmingsplan Onderstaande begrippen worden ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan geschrapt, omdat deze onnodig of dubbelop zijn voor dit bestemmingsplan of omdat in het kader van Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht is bepaald dat deze niet meer nodig zijn. 1.1 (Sta)caravan Een caravan of stacaravan die op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) omgevingsvergunningplichtig is. 1.3 Aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.4 Agrarisch bedrijf Een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren. 1.6 Antenne-installatie Installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie. 1.7 Antennedrager Antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne. 1.53 Recreatiewoning Een permanent gebouw, geen caravan of andere constructie op wielen zijnde, dat bedoeld is om uitsluitend of hoofdzakelijk te worden gebruikt als recreatieverblijf, door personen die hun hoofdverblijf elders hebben. 1.61
Vergunning
9
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
De omgevingsvergunning van artikel 2.1, lid 1, onder b of c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; na inwerkingtreding van de Omgevingswet: de omgevingsvergunning van artikel 5.1, lid 1, onder a, van de Omgevingswet.
2.3.2.2 Aanpassing begrip omgevingsvergunning van de planregels van het bestemmingsplan Het begrip Omgevingsvergunning is als volgt aangepast (aangeduid met het onderstreepte en doorgehaalde deel): De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet, voor activiteiten die geregeld worden in het omgevingsplan. Of voor inwerkingtreding van de Omgevingswet: de omgevingsvergunning op basis van artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Een vergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; na inwerkingtreding van de Omgevingswet: een vergunning als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet. 2.3.2.3 Aanpassing begrip hinderlijke slagschaduw van de planregels van het bestemmingsplan Het begrip Hinderlijke slagschaduw is om aan te sluiten bij de zonhoek van 3 graden uit de landelijke ontwerp windturbinebepalingen als volgt aangepast (aangeduid met het onderstreepte en doorgehaalde deel): Het gebied waarbinnen 'hinderlijke slagschaduw' kan optreden wordt berekend onder de volgende aannames; minimale zonhoek is 5 3 graden en minimale zonafdekking is 20%.
2.3.2.4 Aanpassing artikel 4 lid 4.2.1 sub 3 van de planregels van het bestemmingsplan Artikel 4 lid 4.2.1 sub 3 wordt met onderstaande onderstreping aangevuld, zodat de 10% regeling om de bouwhoogte te verhogen niet toegepast mag worden (aangeduid met het onderstreepte deel). de maximale bouwhoogte van een windturbine bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' aangegeven waarde, waarbij dat ten hoogste 180 meter is, met dien verstande dat artikel 11 lid 11.2 sub 1 niet toegepast mag worden voor het extra verhogen van de bouwhoogte van de windturbines;
2.3.2.5 Aanpassing artikel 4 lid 4.3.5 sub 1 van de planregels van het bestemmingsplan Artikel 4 lid 4.3.5 sub 1 van de planregel wordt aangepast, aangezien de groencompensatie pas plaats kan vinden op het moment dat windturbine drie gebouwd is inclusief alle toebehoren hiervoor (de groencompensatie vindt namelijk plaats bij windturbine 3). Anders zou de groencompensatie met de bouw weer verloren gaan. De aanpassing is als volgt (aangeduid met het onderstreepte en doorgehaalde deel): 1.
2.
Wanneer Het in gebruik hebben en houden van het windpark is niet toegestaan als niet uiterlijk binnen 12 maanden na aanleg van de toegangsweg behorende bij de tweede windturbine (vanaf het westen geteld) wordt aangelegd, is het in gebruik hebben en houden van het windpark niet toegestaan totdat de compensatiemaatregelen zijn gerealiseerd overeenkomstig het Groencompensatieplan Windpark Rijnenburg, zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels. Deze groencompensatie wordt in stand gehouden zo lang de toegangsweg behorende bij de tweede windturbine (vanaf het westen geteld) in stand blijft. Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van de regel onder 1, wanneer met een alternatief groencompensatieplan een vergelijkbare groenstructuurcompensatie binnen of buiten het plangebied wordt bereikt.
De juridische plantoelichting op de aangepaste planregel is als volgt gewijzigd (aangeduid met het onderstreepte en doorgehaalde deel): De termijn van 12 maanden is voor de realisatie van de groencompensatiemaatregelen gekozen, omdat de groencompensatie naast windturbine 3 plaatsvindt. Hierdoor kunnen de
10
Datum Rapport
februari 2024 Vaststellingsrapport
compensatiemaatregelen pas getroffen worden zodra windturbine 2 is gebouwd (anders zouden door de bouw van de windturbine de getroffen compensatiemaatregelen verloren kunnen gaan). De groencompensatie kan pas plaats vinden op het moment dat windturbine drie gebouwd is inclusief alle toebehoren hiervoor (de groencompensatie vindt namelijk plaats bij windturbine drie). Anders zou de groencompensatie met de bouw weer verloren gaan. Daarom wordt via een voorwaardelijke verplichting afgedwongen dat zodra de toegangsweg behorende bij de tweede windturbine wordt aangelegd (waarmee de gemeentelijke groenstructuur wordt doorkruist), het windpark niet eerder in gebruik genomen mag worden dan dat de compensatiemaatregelen in lijn met het Groencompensatieplan Windpark Rijnenburg zijn gerealiseerd.
2.3.2.6 Aanpassing artikel 4 lid 4.3.1 van de planregels van het bestemmingsplan De termijn m.b.t. de opruimplicht wordt van 3 maanden naar 12 maanden verruimd. Een termijn van 3 maanden blijkt toch te krap te zijn vanwege de beschikbaarheid van kranen (op dit moment zijn er niet zo veel kranen die kunnen hijsen tot 180 meter) en aannemers. Daarnaast bestaat er voor de werkzaamheden afhankelijkheid van het weer en de bodemgesteldheid. De aanpassing luidt als volgt (aangeduid met het onderstreepte en doorgehaalde deel): Uiterlijk 3 12 maanden nadat de windturbines permanent buiten gebruik zijn genomen, worden de windturbines, kraanopstelplaatsen, schakelkasten, transformators, kabels en leidingen, toegangswegen en het transformatorstation inclusief inkoopruimte verwijderd. De fundering van de windturbines wordt onder het maaiveld afgeknipt, waarbij voorkomen moet worden dat er lekkages optreden in watervoerende lagen door het verwijderen van de funderingspalen. 2.3.3
Wijziging van de onderbouwing naar aanleiding van zienswijzen
2.3.3.1 Visualisaties vanuit Rijnvliet aan MER/toelichting bestemmingsplan toegevoegd Zienswijze 97 leidt er toe dat er visualisaties vanuit Rijnvliet zijn gemaakt en aan het CombiMER/de toelichting van het bestemmingsplan zijn toegevoegd. Dit is een wijziging van opzichte van het CombiMER/bestemmingsplan dat ter inzage heeft gelegen. 2.3.3.2
Aanpassing paragraaf 2.2.1 Provinciale Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening van de toelichting van het bestemmingsplan Vanwege zienswijze 100 is paragraaf 2.2.1 aangevuld en de bestaande tekst deels herschreven (aangeduid met het onderstreepte en doorgehaalde deel). Daarnaast verwijzen wij bij paragraaf 2.2.2 van de toelichting naar paragraaf 2.2.1 onder het kopje ‘Overstroombaar gebied’. De tekst uit het ontwerpbestemmingsplan luidt als volgt:
Plangebied Het plangebied wordt in de provinciale omgevingsvisie aangeduid als locatie voor een Energielandschap (locatie waar grootschalige opwek via windturbines met een groot vermogen en zonnevelden is voorzien). Het plangebied heeft op basis van de Interim Omgevingsverordening de aanduidingen 'Energie' en 'Windenergie en Zonnevelden'. Voor een locatie met de aanduiding 'Windenergie' wordt vanuit artikel 5.4 van de Interim Omgevingsverordening meegegeven dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen ‘Windenergie’ bestemmingen en regels kan bevatten die de realisatie van winturbines ontwikkeling van windturbines een in de omgeving passende combinatie van meerdere windturbines dient te zijn met een vermogen van 3 MW of meer toestaan, mits (voor zover relevant) voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de windturbines worden in een in de omgeving passende combinatie van meerdere windturbines opgesteld; en b. voorzien wordt in een opruimplicht na beëindiging van de activiteit. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan, een beeldkwaliteitsparagraaf en een beschrijving van hoe de omwonenden en andere stakeholders in de planvorming zijn betrokken.
11
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
per windturbine (in het geval van voorliggend plan een beperkte en overzichtelijke gebogen enkele lijn opstelling van 4 windturbines met een opgesteld nominaal vermogen van circa 4 – 8 MW per windturbine), dat wordt voorzien in een opruimplicht na beëindiging van de activiteit (hierover is een planregel opgenomen, zie artikel 4.3.1 van de regels), dat de motivering van het bestemmingsplan een beeldkwaliteitsparagraaf bevat (zie hoofdstuk 4 en paragraaf 5.10) en dat de motivering van het bestemmingsplan een beschrijving bevat van hoe de omwonenden en andere stakeholders in de planvorming zijn betrokken (zie paragraaf 6.2.2). Dit bestemmingsplan voorziet in een beperkte en overzichtelijke gebogen enkele lijn opstelling van 4 windturbines met een opgesteld nominaal vermogen van circa 4-8 MW per windturbine. Het plan tast de kernkwaliteiten van het landschap Groene Hart niet onevenredig aan, omdat de openheid wordt behouden (rondom de 4 windturbines is vrij zicht en openheid geborgd), het (veen)weidekarakter wordt behouden (de strokenverkaveling en lintbebouwing worden gerespecteerd), de landschappelijke diversiteit blijft intact (landschapstypen 'de waard' en de 'oude stroomrug' blijven te onderscheiden) en rust & stilte worden gerespecteerd (het verschil in dynamiek tussen de stad en de velden wordt benut voor de opwekking van duurzame energie).
Het plan kent een windturbinepositie binnen de 'recreatiezone' uit de provinciale verordening. Deze windturbinepositie hoeft in principe niet belemmerend te zijn voor het behoud en realisatie van recreatief groen. Hierbij wordt ook verwezen naar de beeldkwaliteitsparagraaf (hoofdstuk 4 en paragraaf 5.10). Dit bestemmingsplan voorziet daarnaast in een planregel over de opruimplicht na beëindiging van de activiteit, zie artikel 4.3.1 van de regels. Paragraaf 6.2.2 bevat een beschrijving van hoe de omwonenden en andere stakeholders in de planvorming zijn betrokken. Overstroombaar gebied Het plangebied is op basis van de Interim omgevingsverordening aangewezen als overstroombaar gebied. Artikel 2.10 bepaalt dat het bestemmingsplan bestemmingen en regels bevat die rekening houden met overstromingsrisico's. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten (zoals een elektriciteitscentrale) en woonwijken en bedrijventerreinen. Lid 2 bepaalt dat een bestemmingsplan een omschrijving bevat van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het overstromingsrisico is omgegaan. Vanwege dit mogelijke overstromingsrisico is in de planregels vastgelegd dat de windturbines, schakelkasten, transformatoren, kraanopstelplaatsen, het transformatorstation en de inkoopruimte minimaal 1,5 meter boven peil aangelegd moeten worden.
Bereikbaarheid Vanwege de bereikbaarheid geeft artikel 4.1 lid 1 van de Interim Omgevingsverordening aan dat een bestemmingsplan waarin nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien waarborgt dat knelpunten in de bereikbaarheid niet toenemen en bij voorkeur afnemen. Lid 2 geeft aan dat de motivering op het bestemmingsplan een beschrijving bevat: van het aantal verplaatsingen die deze nieuwe ontwikkeling tot gevolg heeft; een beschrijving van de wijze waarop het plangebied wordt ontsloten voor de verschillende vervoerswijzen; een analyse of er door het aantal verplaatsingen knelpunten op het omliggende (regionale) verkeers- en vervoersnetwerk voor de diverse vervoerswijzen kunnen ontstaan en; een analyse of de bereikbaarheid door de beoogde ontwikkelingen wordt verslechterd en of de reistijd significant toeneemt bevat. Wanneer uit de analyse blijkt dat er mogelijk sprake is van een verslechtering van de bereikbaarheid of toename van knelpunten op het omliggende verkeers- en vervoernetwerk wordt een mobiliteitstoets uitgevoerd.
Alleen het onderhoud van de windturbines zal enige mobiliteit met zich meebrengen. Dit vindt echter zo weinig plaats (circa 1 keer per maand licht verkeer en 1 keer per maand middelzwaar verkeer), dat dit geen effect zal hebben op de bereikbaarheid van het gebied. Daarnaast zal het plangebied om dezelfde wijze ontsloten blijven als in de bestaande situatie. Wel voorziet het bestemmingsplan in het toevoegen van permanente toegangswegen naar elke windturbine toe, zodat de windturbines voor onderhoud bereikbaar zijn. Vanwege voorgaande is het niet nodig om een mobiliteitstoets uit te voeren.
12
Datum Rapport
februari 2024 Vaststellingsrapport
Het bestemmingsplan is hiermee in lijn met de Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening.
2.3.3.3 Toegevoegde bijlage uitgangspunten Aerius aan toelichting bestemmingsplan Naar aanleiding van zienswijze 100 hebben wij aan de toelichting van het bestemmingsplan bijlage 24 toegevoegd, waarin de uitgangspunten van Aerius staan beschreven. 2.3.3.4 Aanpassing paragraaf 5.16 Externe veiligheid van de toelichting van het bestemmingsplan Naar aanleiding van zienswijze 99 is paragraaf 5.6 Externe veiligheid als volgt aangepast (aangeduid met het onderstreepte en doorgehaalde deel): Wegen Binnen de maximale werpafstand bij overtoeren van de windturbines zijn geen waterwegen en spoorwegen gelegen maar zijn wel Rijkswegen en overige openbare wegen gelegen. Voor het plan is nagegaan of deze voldoen aan de beleidsregel van Rijkswaterstaat t.a.v. Rijkswegen. Hieruit is gebleken dat deze aan de beleidsregel van Rijkswaterstaat voldoet. Vanwege artikel 3 lid 3 van de Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over waterstaatwerken of wegen in beheer bij het Rijk, wordt een gezamenlijk door de gemeente en Rijkswaterstaat uit te laten voeren verkeersveiligheidsonderzoek opgesteld. Hiervoor is artikel 4 lid 4.4 van de planregels opgesteld. Hierdoor kunnen de gronden pas voor de windturbine nabij Knooppunt Oudenrijn in gebruik genomen worden, nadat hiervoor een omgevingsvergunning is verleend.
Naar aanleiding van de vooroverlegreactie van Rijkswaterstaat is een aanvullende berekening ten aanzien van het Individuele Passanten Risico (IPR) en Maatschappelijk Risico (MR) uitgevoerd voor de rarro-zone. Daarnaast wordt een analyse gedaan naar de eventuele verzwaring van de rijtaak van snelweggebruikers ten gevolge van de meest oostelijke windturbine. Voor het VKA is tevens nagegaan of deze boven overige openbare wegen (niet zijnde rijkswegen) zullen overdraaien, dit is niet het geval. Ook hiermee wordt voldaan aan de beleidsregel van Rijkswaterstaat. Conclusie Er treden geen onacceptabele risico's op ten aanzien van (geprojecteerde) beperkt kwetsbare objecten en locaties, risicovolle installaties, buisleidingen, hoogspanningsinfrastructuur en wegen. Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Voor de windturbine nabij Knooppunt Oudenrijn wordt met een extra omgevingsvergunningplicht geborgd, dat deze gronden pas voor de winturbine in gebruik genomen mogen worden als hiervoor een omgevingsvergunning is verleend. De omgevingsvergunning kan verleend worden wanneer uit een gezamenlijk door gemeente en Rijkswaterstaat uit te laten voeren verkeersveiligheidsonderzoek blijkt dat er geen onaanvaardbaar verhoogd veiligheidsrisico voor het verkeer van Knooppunt Oudenrijn ontstaat door de meest oostelijke windturbine.
2.3.3.5 Aanpassing paragraaf 5.12 Bodem van de toelichting van het bestemmingsplan We hebben enkele aanpassingen doorgevoerd in paragraaf 5.12 ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Inmiddels is namelijk duidelijk dat de onderzoeken ook ter plaatse van de locaties van windturbine 2 en 3 hebben plaatsgevonden. Daarnaast is per abuis het sterk verhoogde gehalte nikkel m.b.t. windturbine 3 in ons bodeminformatiesysteem terechtgekomen, terwijl dit niet in lijn is met het uitgevoerde onderzoek. Paragraaf 5.12 Bodem is daarom in het bestemmingsplan als volgt aangepast (aangeduid met onderstreepte en doorgehaalde deel): Plangebied Huidig gebruik en bodembedreigende activiteiten De vier windturbines worden aangelegd in gebied dat nu in gebruik is als landbouwgebied (weidegrond/grasland). Van geen van de vier locaties is bekend dat in het verleden op de locatie bodembedreigende activiteiten zijn uitgevoerd. In het gebied zijn in het verleden verschillende sloten gedempt. Op basis van het bekende kaartmateriaal lijken de vier turbines niet te zijn gesitueerd ter plaatse van een slootdemping.
13
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
Diffuse bodemkwaliteit De diffuse bodemkwaliteit ter plaatse van de toekomstige locaties van de windturbines is vastgelegd in de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Utrecht. De diffuse kwaliteit van de bovengrond voldoet op basis van het generieke beleidskader uit het Besluit bodemkwaliteit aan de bodemkwaliteitsklasse 'wonen'. Op basis van het gebiedsspecifieke beleidskader voldoet de bovengrond aan de bodemkwaliteitsklasse 'landbouw/natuur'. De diffuse bodemkwaliteit van de ondergrond wordt in beide beleidskaders geclassificeerd als 'landbouw/natuur'. De diffuse bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanleg van de winturbines. Lokale bodemkwaliteit In het bodeminformatiesysteem van de gemeente Utrecht zijn bodemonderzoeken opgenomen voor de percelen waarop windturbines 2 en 3 zijn gepland. Van de percelen waarop windturbines 1 en 4 zijn gepland zijn geen bodemonderzoeksgegevens bij de gemeente bekend. Op het perceel waarop windturbine 2 is gepland is in 2000 door De Bondt Zeist bv (documentnummer 00.4550.04, rapportdatum 22-12-2000) een verkennend onderzoek NEN 5740 uitgevoerd. Aanleiding vormde een bestemmingswijziging. Onduidelijk is of het bodemonderzoek ook ter plaatse van de geplande windturbine is uitgevoerd of zich heeft beperkt tot een beperkter deel van het perceel.
In het onderzoek zijn enkele metalen in gehalten boven de streefwaarde (bij huidige toetsing: achtergrondwaarde) aangetoond. Het onderzoek geeft geen aanleiding om op het perceel een geval van ernstige bodemverontreiniging te verwachten. Op het perceel waarop windturbine 3 is gepland is in 2001 een verkennend onderzoek NEN 5740 door De Bondt Zeist bv (documentnummer 00.4550.03, rapportdatum 27-11-2001) uitgevoerd. Aanleiding vormde een bestemmingswijziging. Onduidelijk is of het bodemonderzoek ook ter plaatse van de geplande windturbine is uitgevoerd of zich heeft beperkt tot een beperkter deel van het perceel. In het onderzoek is in één van de grondmonsters een nikkel gehalte boven de interventiewaarde aangetoond. Daarnaast Hierbij zijn nikkel en enkele andere metalen in gehalten boven de streefwaarde (bij huidige toetsing: achtergrondwaarde) aangetoond. Destijds gaf het sterk verhoogde gehalte nikkel geen aanleiding tot vervolgonderzoek.
Grondwater In het grondwater zijn ter plaatse van voorgenomen windturbines geen grondwaterverontreinigingen of nazorgcontouren bekend. Bekend is dat arseen in verhoogde concentraties in het grondwater kan voorkomen als gevolg van veen in de bodem. 2.3.3.6 Extra bijlagen m.b.t. coördinatiebesluit bijgevoegd aan toelichting bestemmingsplan Naar aanleiding van zienswijze 100 hebben wij ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan de volgende bijlagen aan het bestemmingsplan toegevoegd: - bijlage 17 Coördinatiebesluit van 6 juli 2017; - bijlage 18 Coördinatiebesluit van 22 juni 2023; - bijlage 19: verzoek aan G.S. over coördinatie; - bijlage 20: instemming G.S. over verzoek om coördinatie. 2.3.4
Ambtshalve wijzigingen van de onderbouwing
2.3.4.1 Aanpassing paragraaf 2.3.2.1 De Koers van toelichting bestemmingsplan Paragraaf 2.3.2.1 van de toelichting wordt ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan met de volgende tekst aangevuld: “Op 9 maart 2023 heeft de gemeenteraad naar aanleiding van het coalitieakkoord 2022-2026 de Oplegger RSU2040 vastgesteld. Hierin staan nieuwe afspraken als toevoeging aan de RSU2040:
bouwen in Rijnenburg; groei is geen doel op zich, we groeien in balans; we kiezen voor kwaliteit en leefbaarheid voor de bestaande en groeiende stad.
14
Datum Rapport
februari 2024 Vaststellingsrapport
Over bouwen in Rijnenburg is opgenomen dat naast een definitieve plek voor een energielandschap in het noorden is gekozen voor een compacte gemengde stedelijke wijk (tussen de 22.000 en 25.000 woningen met bijbehorende (groen)voorzieningen en ruimte voor werkgelegenheid), die circulair, klimaatneutraal, en natuurinclusief is. Deze wijk, conform scenario Klein Rijnenburg, komt er na 2035. Voor 2035 is hier ruimte voor tijdelijke woningbouw en start de ontwikkeling van het energielandschap i.c.m. groen, sport en recreatie.” Onder het kopje plangebied wordt de volgende zin toegevoegd: “In lijn met de Oplegger RSU2040 wordt met dit bestemmingsplan een permanent energielandschap mogelijk gemaakt in het noorden van Rijnenburg, wat gecombineerd kan worden met woningbouw conform scenario Klein Rijnenburg.”
2.3.4.2 Actualisering paragraaf 3.2.4 Autonome ontwikkelingen van toelichting bestemmingsplan Paragraaf 3.2.4 Autonome ontwikkelingen is als volgt geactualiseerd (aangeduid met het onderstreepte en doorgehaalde deel): Het college heeft op 15 december 2022 het ontwerp-Chw bestemmingsplan Hoogspanningstation Oudenrijn gepubliceerd voor de uitbreiding van het hoogspanningsstation Oudenrijn van Stedin. De planning is dat dit plan in Q2 2023 door de gemeenteraad wordt vastgesteld. Stedin is voornemens in de zomer van 2023 te starten met de bouw van de eerste fase van het genoemde hoogspanningsstation aan de Heycopperkade 2a. Op 11 mei 2023 is Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation Oudenrijn vastgesteld door de raad. Dit bestemmingsplan is inmiddels onherroepelijk. De omgevingsvergunning voor de bouw is aangevraagd en Stedin verwacht in 2024 met de bouw van het hoogspanningsstation te kunnen starten.
2.3.4.3 Aanpassing paragraaf 5.2 Milieueffectrapportage van toelichting bestemmingsplan Naar aanleiding van het advies van de Commissie m.e.r. is paragraaf 5.2 Milieueffectrapportage aangevuld met onderstaande tekst: “Commissie m.e.r. Gelijktijdig met de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan is aan de onafhankelijke Commissie m.e.r. advies gevraagd over het MER. Dit is wettelijk verplicht. Op 8 september 2023 bracht de Commissie m.e.r. haar voorlopig toetsingsadvies uit. Hierin oordeelde de Commissie m.e.r. dat het MER goed leesbaar en toegankelijk is en veel goede onderzoeken bevat zoals naar de effecten op leefbaarheid, geluid, natuur en landschap. Wel oordeelde de Commissie m.e.r. dat het MER op een aantal onderdelen moest worden aangevuld om een besluit te kunnen nemen over het bestemmingsplan. Deze onderdelen zijn:
De milieuoverwegingen die hebben geleid tot de keuze voor locatie Rijnenburg en Reijerscop als energielandschap; In hoeverre kunnen de gekozen windturbinelocaties uitbreiding van het windpark in de toekomst mogelijk maken?; In het MER zijn de milieueffecten van wind en zon samengevoegd. Beschrijf de effecten van wind en zon afzonderlijk van elkaar en beschouw de andere combinaties van zon en wind.
Het advies van de Commissie m.e.r. is verwerkt in het MER. Op pagina 4 van het MER staat een overzicht van de wijzigingen. Ook is een extra opstellingsalternatief toegevoegd en beoordeeld (figuur 18).
15
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
Figuur 18 MER-opstellingsalternatief 5
Het aangevulde MER is opnieuw ter toetsing aan de Commissie m.e.r. voorgelegd. Op 24 januari 2024 oordeelde de Commissie m.e.r.:
"De Commissie waardeert de degelijkheid, zorgvuldigheid en kwaliteit van het aangevulde MER. De Commissie is dan ook van oordeel dat het aangevulde MER de essentiële informatie bevat om een besluit te kunnen nemen over het energielandschap waarin het milieubelang volwaardig wordt meegewogen." Conclusie Voor het voorkeursalternatief (VKA) is dit bestemmingsplan opgesteld. Hoewel het VKA bestaat uit vier windturbines, bestaat het ook uit zonnevelden. Met dit bestemmingsplan worden alleen de vier windturbines mogelijk gemaakt. De Commissie m.e.r. heeft geoordeeld dat het MER de essentiële informatie bevat om een besluit te kunnen nemen over het bestemmingsplan.”
2.3.4.4 Aanpassing paragraaf 5.4 Slagschaduw van toelichting bestemmingsplan Om aan te sluiten bij de landelijke ontwerp windturbinebepalingen hanteren we voor ‘hinderlijke slagschaduw’ een minimale zonhoek van 3 graden i.p.v. 5 graden. Dit leidt tot de volgende wijzigingen (aangeduid met het onderstreepte en doorgehaalde deel): Kader (…)
Lokale slagschaduwnorm gevoelige objecten Bijlage 7 in samenhang met bijlage 25 bevat een motivering voor een gemeentelijke milieunorm voor slagschaduw van windturbines. (…)
16
Datum Rapport
februari 2024 Vaststellingsrapport
Desondanks kiest de gemeente Utrecht ervoor om een nóg strengere norm te hanteren voor slagschaduw op gevoelige objecten (waaronder woningen). Als planregel wordt opgenomen dat windturbines moeten zijn voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt (buiten werking stelt) als 'hinderlijke slagschaduw' optreedt bij gevoelige objecten voor zover zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van gevoelige gebouwen ramen bevinden. Het gebied waarbinnen 'hinderlijke slagschaduw' kan optreden wordt berekend onder de volgende aannames; minimale zonhoek is 5 3 graden en minimale zonafdekking is 20%. Daarbuiten is het zonlicht en de slagschaduw dermate diffuus dat deze nauwelijks voor hinder zorgt. Op het moment dat er slagschaduw (dreigt) op te treden op een gevoelig object wordt een windturbine buiten werking gesteld. Tijdens het moment van buitenwerking stellen kan in verband met de technische stilzettijd zeer kortstondig slagschaduw optreden ter plaatse van gevoelige objecten. Naar aanleiding hiervan is voor een aantal maatgevende woningen nagegaan hoe vaak er in theorie per jaar slagschaduw kan optreden op deze woningen en hoe vaak daarmee per jaar een stilstandvoorziening inwerking moet treden om deze slagschaduw te voorkomen.
Dit betreft een worstcase-benadering, omdat is gekeken naar álle momenten dat er slagschaduw op een woning kan optreden, zonder rekening te houden met eventuele aanwezigheid van bewolking of met onvoldoende windaanbod om een windturbine in bedrijf te hebben (in beide gevallen kan er geen slagschaduw optreden). Hieruit volgt dat ter plaatse van woningen dichtbij het windpark gelegen (bijvoorbeeld de woningen Heijcopperkade 2B en Heijcopperkade 7) in theorie circa 190 212 maal per jaar slagschaduw kan optreden als gevolg van één van de windturbines van Windpark Rijnenburg en Reijerscop. Wanneer wel rekening zou worden gehouden met de meteorologische omstandigheden kan gesteld worden dat er (veel) minder vaak dan 190 212 maal per jaar een stilstandvoorziening in werking moet treden. Het precieze aantal is niet te geven, aangezien dit van jaar tot jaar kan verschillen, maar de afslagpercentages, die variëren in de winter en in de zomer, laten zien dat het misschien zal gaan om zo'n 20 28 tot 34 37 stilstandsmomenten per jaar. Voor woningen die verder weg van het windpark zijn gelegen, bijvoorbeeld aan de andere kant van de A12 aan de zuidrand van de wijk de Meern is het theoretisch aantal momenten per jaar waarop slagschaduw kan optreden in de ordegrootte van circa 50 60 maal per jaar (ter voorbeeld de woningen Titushof 42 en Mauritslaan 63).
Naar verwachting komt dit overeen met zo'n 5 6 tot 7 8 daadwerkelijke stilstandsmomenten per jaar. Uitgaande van een maximale stilzettijd van circa één minuut voor een windturbine die op vol vermogen draait, kan dit resulteren in een theoretische maximale slagschaduwduur van circa 190 212 minuten per jaar ter plaatse van de woningen Heijcopperkade 2B en Heijcopperkade 7. Daarbij is van belang om op te merken dat dit tijdframes van maximaal circa 1 minuut betreft, waar de hinderlijkheid van slagschaduw juist groter is naarmate er langer achtereen slagschaduw optreedt (zie bijvoorbeeld Voicescu, 2016). Daarnaast moet opgemerkt worden dat een windturbine niet altijd op vol vermogen zal draaien, waardoor het stilzetten ervan ook niet altijd één minuut nodig zal hebben. Een theoretisch maximum van circa 190 212 minuten per jaar zal in de praktijk altijd aanzienlijk minder zijn. Op basis van dit theoretisch maximum en de daarbij geplaatste voorbehouden (waaronder meteorologische omstandigheden en de daadwerkelijke stilzettijd), stelt de gemeente Utrecht zich op het standpunt dat het bestemmingsplan Windpark Rijnenburg en Reijerscop geen aparte norm hoeft te bevatten voor slagschaduw die ontstaat tijdens het buitenwerking stellen van een windturbine.
(…) Plangebied Gevoelige objecten In het slagschaduwonderzoek (zie bijlage 8) is de opstelling onderzocht op de afmetingen 150 rotordiameter op 140 as (ondergrens afmetingen) en 180 rotordiameter op 180 as (bovengrens afmetingen), uitgaande van een minimale zonhoek van 5 graden. In het onderzoek zijn de rekenaannames voor de slagschaduwberekeningen gegeven. Dit onderzoek is representatief voor de windturbinetypes (maatvoering) die het bestemmingsplan maximaal mogelijk maakt. Als projectMER criteria zijn onderzocht het aantal gevoelige objecten gelegen binnen de 0u slagschaduwcontour van de onder- en bovengrens. Er zijn nieuwe onderzoeken en berekeningen uitgevoerd voor het opstellen van het bestemmingsplan en voor het uitvoeren van een gevoeligheidsanalyse voor het
17
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
onderbouwen van een lokale norm. Daarbij is gebruik gemaakt van een actuele versie van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van augustus 2022. Dit kan voor lichte verschillen zorgen in vergelijking met eerder uitgevoerde berekeningen in het kader van het projectMER. De motivering van de lokale slagschaduwnorm is opgenomen als bijlage 7 bij deze toelichting en deze bijlage moet in samenhang met bijlage 25 gelezen worden. In afwijking van het ontwerpbestemmingsplan gaan we uit van een minimale zonhoek van 3 graden. Deze wijziging is nader toegelicht en berekend in de Oplegnotitie Slagschaduw windpark Rijnenburg en Reijerscop (zie bijlage 25). In de praktijk kan een 3 graden of 5 graden zonhoek boven de horizon worden gehanteerd. Een veelgebruikte en ook in rechtspraak geaccepteerde aanname is een minimale zonhoek van 5 graden. Daarbuiten is het zonlicht en de slagschaduw dermate diffuus dat deze nauwelijks voor hinder zorgt. Naar aanleiding van het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving (gepubliceerd 11 oktober 2023) wordt gekozen om een minimale zonhoek van 3 graden boven de horizon te hanteren. Dit biedt een nog betere bescherming tegen slagschaduw dan de 5 graden boven de horizon. Daarnaast is de aanname aangehouden van een minimale zonafdekking van 20%.
Onderstaande figuur toont twee 0-uur slagschaduwcontouren van het VKA, uitgaande van een berekening met een minimale zonhoogte voor hinderlijke slagschaduw van 3 en 5 graden boven de horizon. De figuur laat zien dat de slagschaduwcontour, uitgaande van een zonhoek van 3 graden ten zuiden van de windturbine iets verder reikt dan de slagschaduwcontour uitgaande van een zonhoek van 5 graden. Vanwege de wijziging van de minimale zonhoek moet het windpark voor 79 extra woningen stilgezet worden, waarmee de extra benodigde stilstand toeneemt met 65 uur en 55 minuten. Een minimale zonhoek van 3 graden resulteert dan ook in meer bescherming voor omwonenden. Een minimale zonhoek van 3 graden leidt echter wel tot een stijging van het dervingspercentage van 1,0% naar 1,2%. Dit staat gelijk aan een opbrengstderving van 221 MWh/jr en dit is vergelijkbaar met het jaarlijkse energieverbruik van ongeveer 66 huishoudens. Door deze wijziging komt de economische uitvoerbaarheid niet in het geding.