Toelichting_Chw bestemmingsplan Studentenhuisvesting High Five, Cambridgelaan USP.pdf
Tekst van het document
Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet afzonderlijk gepubliceerd te worden. Plansituatie Op grond van artikel 2, lid 5, sub b, van het Besluit m.e.r. moet echter ook in 'overige gevallen' bekeken worden of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen (de vormvrije m.e.r.-beoordeling). Op basis van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling moet het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente Utrecht) een besluit te nemen om voor het project wel of geen m.e.r.-procedure te volgen voor het project voordat het ontwerp bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Om te beoordelen of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen is een vormvrije m.e.r.-beoordeling (aanmeldingsnotitie) opgesteld. In deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is de conclusie dat geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen en er daarom geen aanleiding is om een m.e.r.-procedure te doorlopen. De gemeente heeft dan ook op 5 januari 2022 besloten om voor dit plan geen m.e.r.-procedure toe te passen (zie Bijlage 3).
De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in Bijlage 2 Conclusie Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen door de bedoelde ontwikkeling. Het opstellen van een milieueffectrapportage is dan ook niet noodzakelijk.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Studentenhuisvesting High Five, Cambridgelaan U S P " (vastgesteld)
43
5.3
Bedrijven en milieuzonering
In de directe omgeving van het plangebied zijn gebouwen van de Universiteit Utrecht en de Hogeschool Utrecht aanwezig. De kortste afstand tussen deze onderwijsgebouwen/-functies en het bestemmingsvlak voor het wooncomplex bedraagt meer dan 50 meter, terwijl voor onderwijsfuncties een maximale richtafstand van 30 meter aan de orde is. Er zijn vanuit deze onderwijsfuncties c.q. 'bedrijfsactiviteiten' geen belemmeringen voor het plangebied en de daarin geprojecteerde woonfunctie.
5.4
Geluidhinder
Wettelijk kader Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidsbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidsbelaste object – hiervoor kent de Wet geluidhinder "geluidgevoelige bestemmingen" zoals woningen, scholen, medische centra, ziekenhuizen, woonwagenstandplaatsen, etc. De regels en normen van de Wet geluidhinder zijn van toepassing bij het: bestemmen van gronden voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen; bestemmen van gronden voor aanleg van nieuwe (gezoneerde) wegen (niet bij woonerven of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/u geldt); reconstrueren van wegen; bestemmen of wijzigen van gezoneerde industrieterreinen. Plansituatie In het kader van de beoogde ontwikkeling zijn akoestische onderzoeken uitgevoerd om het plan te toetsen aan de wettelijke eisen van de Wet geluidhinder, het lokale geluidbeleid en te beoordelen of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Deze akoestische onderzoeken betreffen wegverkeerslawaai en geluid vanwege buitenactiviteiten (zie Bijlage 7 en Bijlage 8. Hierna volgen de belangrijkste conclusies voor het plangebied.
Wegverkeerslawaai Het plangebied van de onderzochte bestemming ligt binnen de vanuit de Wet geluidhinder relevante geluidszone van de Cambridgelaan. Om die reden is een akoestisch onderzoek inzake wegverkeerslawaai uitgevoerd. De conclusies van dit onderzoek luiden als volgt: Cambridgelaan: de berekeningen geven aan dat vanwege het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden met maximaal 9 dB. Overige wegen: de geluidbelasting vanwege de overige gezoneerde wegen is lager dan de voorkeursgrenswaarden. Vanuit de Wet geluidhinder zijn er geen bezwaren tegen de nieuwbouw. Volgens het beleid van de gemeente Utrecht moet voor de toekenning van een hogere waarde aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Er wordt voldaan aan de gemeentelijke geluideisen. Uit de berekeningen blijkt dat voor 118 wooneenheden 53 dB wordt overschreden. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de eis dat op gebouwniveau ten minste 50% van de wooneenheden (inclusief MIVA-woningen) een geluidbelasting heeft van ten hoogste 53 dB na wettelijke aftrek. Aanvullend hierop wordt geadviseerd om in een vervolgonderzoek de geluidwering van de gevels van de wooneenheden af te stemmen op de gezamenlijke geluidbelasting (zonder wettelijke aftrek).
Op deze manier worden de toekomstige bewoners/studenten optimaal beschermd tegen de geluidbelasting in de omgeving en wordt een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Geluid vanwege buitenactiviteiten Rondom het woongebouw zijn in de buitenruimte terrassen en kleinschalige buitensportgelegenheden voorzien. Onderzocht is in hoeverre deze activiteiten tot geluidhinder voor de studentenwoningen in het plangebied en omliggende geluidgevoelige functies kunnen leiden. In de opgestelde onderzoeksnotitie is hierover het volgende geconcludeerd: De maximaal berekende geluidniveaus door het terras en sport tezamen bedraagt 58 dB(A) op de gevels van High Five en maximaal 48 dB(A) op de bestaande gevels. Bepalend is de avondperiode. Hiermee wordt de richtwaarde van 40 dB(A) voor de avondperiode met 18 dB en 8 dB overschreden bij respectievelijk de woningen in het High Five gebouw en de bestaande 4 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Studentenhuisvesting High Five, Cambridgelaan U S P " (vastgesteld)
Utrecht
woningen. Om een akoestisch acceptabel leefklimaat binnen het woongebouw High Five te garanderen van maximaal 30 dB(A) in de avondperiode is onderzoek nodig naar de geluidwering van de gevels. Met een te realiseren geluidwering van de maatgevende gevels boven het terras van minimaal 28 dB wordt voldaan aan de normwaarde van 30 dB(A) voor het binnenniveau. Ook maximale binnengeluidniveaus LAmax zullen met deze waarde voor de gevelwering voldoen aan de hieraan gestelde richtwaarden. De benodigde geluidwering van de gevel is bouwtechnisch haalbaar. Dit moet in een later stadium uitgewerkt worden. Het hoogst berekende geluidniveau ter plaatse van de overige gebouwen bedraagt 48 dB(A) in de avondperiode. Voor een binnenwaarde van 30 dB(A) is in dit geval een gevelwering van 18 dB noodzakelijk. Deze waarde wordt zonder meer gehaald in de bestaande moderne bouw. Conclusie Er zijn vanuit het aspect geluid bezien geen onaanvaardbare belemmeringen voor de functie wonen op deze locatie. Voor alle studentenwoningen is de benodigde geluidwering van de gevel bouwtechnisch haalbaar. Daarmee kunnen ook de relatief hoge geluidbelastingen worden gemitigeerd. Voor dit plan is het nodig om, parallel aan de ruimtelijke procedure, een hogere waarde procedure voor de geluidbelasting als gevolg van de Cambridgelaan te doorlopen.
Voor 118 woningen in High Five zijn hogere waarden van 54 tot maximaal 57 dB nodig. De procedure van het hogere waardenbesluit loopt gelijk op met die van het bestemmingsplan met gelijktijdige terinzage legging. Voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld, zal het college de benodigde hogere waarden verlenen.
5.5
Trillingen
Het project vormt gezien de voorgenomen woonfunctie geen bron voor trillingshinder. Het nieuwe woongebouw ligt op ongeveer 190 meter van de dichtstbijzijnde spoorlijn (de trambaan over de Heidelberglaan). Verder ligt de A27 op ongeveer 750 meter afstand en is trillingshinder van de overige omliggende wegen op voorhand uitgesloten. Om deze redenen zijn trillingseffecten voor het project uitgesloten.
5.6
Geur
De voorgenomen woonfunctie zal niet resulteren in geurhinder. Bovendien zijn in de omgeving van het plangebied geen relevante bronnen van geurhinder aanwezig.
5.7
Externe veiligheid
Het werken met, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico's voor omwonenden, bedrijven en passanten. Om deze risico's te beheersen wordt in de toelichting van het bestemmingsplan de relatie tussen deze activiteiten en hun omgeving conform wet- en regelgeving verantwoord en vastgelegd. Daartoe moeten in de eerste plaats risicobronnen geïnventariseerd worden. Vervolgens wordt een toets uitgevoerd aan de betreffende wet- en regelgeving. De normen en richtlijnen voor de risico's van gevaarlijke stoffen zijn onder andere vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt; voor transport over weg, spoor en water). Het Bevt geeft antwoord op vragen hoe om te gaan met ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van transportroutes. In het Bevt staan twee soorten risico's beschreven waarop normen en richtlijnen van toepassing zijn. Het betreft het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico (PR) geeft aan hoe groot de overlijdenskans is indien een persoon zich permanent op een bepaalde plek bevindt. De wetgever beschouwt een overlijdenskans van eens in de miljoen jaar (aangeduid met 10-6) voor nieuwe situaties als acceptabel. In de wetgeving is dit risico vertaald naar een afstandsnormering.
Voor de afstand tussen de risicoveroorzakende activiteiten en kwetsbare objecten is die norm een harde grenswaarde. Voor de afstand tot beperkt kwetsbare objecten is die norm een richtwaarde waarvan mag worden afgeweken als daar een gegronde reden voor is. Het groepsrisico (GR) geeft de kans aan op het overlijden van een groep mensen als gevolg van een calamiteit. Het Bevt verplicht ertoe in de toelichting van het bestemmingsplan het groepsrisico wordt beschreven en gemotiveerd. Voor het toetsen van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde oriëntatiewaarde. Dit is geen harde wettelijke norm maar een houvast om te toetsen of het groepsrisico acceptabel is al dan niet in combinatie met maatregelen voor de bestrijding van ongevallen. In en direct rond het plangebied is een inventarisatie gedaan naar risicoveroorzakende activiteiten. Uit deze inventarisatie blijkt dat er in de omgeving diverse risicobronnen aanwezig zijn. De locatie bevindt zich op ruim 400 meter van de rijksweg A27 op grotere afstand bevinden zich de doorgaande sporen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Indien zich een incident voordoet bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Studentenhuisvesting High Five, Cambridgelaan U S P " (vastgesteld)
45
waarbij onbedoeld giftige stoffen vrijkomen kunnen de effecten tot over de locatie reiken. Voor zowel het spoor als de A27 geldt dat het plaatsgebonden risico ter hoogte van het plangebied lager is dan 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico legt hiermee geen beperkingen op voor het plangebied. Gezien de relatief grote afstand van het spoor tot het plangebied dragen de plannen niet bij aan de hoogte van het groepsrisico. Aangezien de afstand van het plangebied groter is dan 200 meter kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De bluswatervoorzieningen en de bereikbaarheid van de locatie voor hulpdiensten zijn voldoende. Aanwezige personen zullen over het algemeen voldoende zelfredzaam zijn om zich in geval van een dreigende ramp in veiligheid te brengen. In het geval van een incident met giftige of schadelijke stoffen zal het advies zijn om binnen te schuilen en ramen en deuren te sluiten. Het is daarom belangrijk dat eventuele mechanische ventilatie kan worden afgesloten.
5.8
Niet Gesprongen Explosieven
In het plangebied worden bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. De Arbeidsomstandighedenwet stelt dat er gezorgd moet worden voor een veilige werkplek. Er is daarom een vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten in het onderzoeksgebied ‘Studentencomplex Campus Utrecht’ uitgevoerd, zie Bijlage 15. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat de omgeving van het onderzoeksgebied tijdens de Duitse bezetting heeft gediend als oefenterrein voor Duitse troepen. Aan de hand van luchtfoto's is te zien dat een enkele springlocatie van militaire oefenactiviteit binnen de contouren van het onderzoeksgebied valt. Er is ook onderzocht of er naoorlogse bodemingrepen hebben plaatsgevonden, waardoor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten eventueel niet meer aannemelijk is. Vanaf de jaren zeventig is met de bouw van De Uithof gestart, waarbij aan de noordzijde van het onderzoeksgebied een weg (Cambridgelaan), sloot en ondergrondse kabels en leidingen zijn aangelegd. De geplande werkzaamheden in het kader van de bouw van het nieuwe studentencomplex vinden plaats in onverdacht gebied waardoor geen vervolgonderzoek nodig is en de werkzaamheden op reguliere wijze kunnen worden uitgevoerd.
5.9
Luchtkwaliteit
Kader Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met fijnstof, door vooral verkeer, maar - naar mate het verkeer schoner wordt - ook door andere bronnen zoals houtstook. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Wegverkeer, mobiele (bouw)werktuigen en houtstook zijn, samen met de hoge achtergrondconcentratie in Utrecht, de belangrijkste lokale bronnen van luchtverontreiniging. In artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, rekening moet houden met de effecten op de luchtkwaliteit. De Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor een aantal stoffen. Deze zijn in het algemeen strenger dan de in de wet Milieubeheer gehanteerde grenswaarden. Sinds 2017 wordt overal in Utrecht voldaan aan de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor gezonde lucht. Deze WHO-advieswaarden zijn bedoeld om de gezondheid te beschermen. Deze zijn voor fijnstof strenger dan de grenswaarden van de EU.
De WHO stelt zelfs dat er géén veilige concentratie is aan te geven voor fijnstof; op grond van haalbaarheid heeft zij daarom een gezondheids-kundige advieswaarde vastgesteld voor PM10 en PM2,5. Stof NO2 (stikstofdioxide)
Grenswaarde EU 40 µg/m³
WHO-advieswaarden 2005 40 µg/m³
Toetsingsperiode Jaargemiddelde
PM10 (fijnstof)
40 µg/m³
20 µg/m³
Jaargemiddelde
PM2,5 (fijnstof)
25 µg/m³
10 µg/m³
Jaargemiddelde
WHO-advieswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 In 2015 heeft de gemeente Utrecht een motie aangenomen waarin de gemeente zich als doel stelt om in de toekomst (2030) naast de wettelijke grenswaarden ook te voldoen aan de WHO advieswaarden uit 2005 voor fijnstof. Deze advieswaarden (WHO 2005) zijn strenger dan de 4 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Studentenhuisvesting High Five, Cambridgelaan U S P " (vastgesteld)
Utrecht
wettelijke grenswaarden voor PM10 (20 µg/m³) en voor PM2,5 (10 µg/m³). Deze motie is uitgewerkt in het Raadsbesluit 'Utrecht kiest voor gezonde lucht - luchtkwaliteitsbeleid en uitvoeringsprogramma' van december 2020, waarin is vastgelegd om toe te werken naar de WHO-advieswaarden-2005, die expliciet zijn benoemd in de samenvatting bij het Raadsbesluit. Op 22 september 2021 heeft de WHO nieuwe advieswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide opgesteld, die (beduidend) lager liggen dan de WHO-advieswaarden uit 2005. Ook neemt de gemeente Utrecht deel aan het Schone Lucht Akkoord, waarin rijksoverheid, provincies en gemeenten samenwerken aan maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Plansituatie De luchtkwaliteit langs wegen in Nederland wordt gemonitord en berekend met de NSL-monitoringstool (conform het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)). De luchtkwaliteit wordt hierbij in beeld gebracht op toetspunten langs doorgaande wegen waar verkeersbewegingen uitstoot van luchtverontreinigende stoffen veroorzaken. Het maximale aantal verkeersbewegingen per weekdag als gevolg van High Five bedraagt 360 voertuigbewegingen. Voor het dichtstbij het plangebied gelegen NSL-toetspunt geldt dat de concentratie NO2 met 23,4 µg/m3 in 2020 en 15,1 µg/m3 in 2030 binnen de wettelijke grenswaarde blijft.
De concentratie van PM10 blijft met 18,8 µg/m3 in 2020 en 16,5 µg/m3 bovendien binnen zowel de wettelijke grenswaarde als de advieswaarde van de WHO (2005). Voor PM2,5 wordt in 2020 met 11,3 µg/m3 wel voldaan aan de wettelijke grenswaarde, maar nog niet aan de advieswaarde van de WHO (2005). Echter zal dit in 2030 met 9,2 µg/m3 wel het geval zijn. Op basis van de genoemde verkeersgeneratie geeft een berekening met de NIBM-tool de volgende uitkomst:
De berekende toenamen van 0,25 µg/m3 NO2 en 0,06 µg/m3 PM10 zijn kleiner dan drie procent van de grenswaarden. Het plan draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. Daar komt bij dat toevoeging van maximaal 0,06 µg/m3 voor PM2,5 (worst case op basis van berekende toenamen van PM10) niet leidt tot overschrijding van de WHO-advieswaarde-2005 voor PM2,5. Bovendien neemt de gemeente, samen met de rijksoverheid en de provincies aanvullende maatregelen met het oog op verbetering van de luchtkwaliteit, waardoor de WHO-advieswaarde-2005 voor PM2,5 versneld zal worden gerealiseerd. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het plan voldoet aan de eis dat een ontwikkeling niet in betekenende mate mag bijdragen aan de concentraties van stoffen waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen. Daarnaast wordt ruimschoots aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uit de Wet milieubeheer voldaan. Voor het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen om het plan te realiseren.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Studentenhuisvesting High Five, Cambridgelaan U S P " (vastgesteld)
47
5.10 Bodem en ondergrond Kader Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functies. Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten: Bodembescherming Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch bodemverontreiniging ontstaat, moet de bodem direct worden gesaneerd. Dit speelt vooral bij bedrijfsmatige activiteiten of calamiteiten. Bodemsanering Ernstig verontreinigde locaties moeten worden gesaneerd als er ook sprake is van milieuhygiënische risico's. Bij immobiele verontreiniging in de bovengrond die zich niet kan verspreiden (zoals zware metalen en PAK) wordt uitgegaan van een zogenoemde functiegerichte benadering. Dit houdt in dat de kwaliteitseisen die aan de bodem worden gesteld afhankelijk zijn van de (toekomstige) bestemming van de locatie. Bij mobiele verontreiniging die zich via het grondwater kan verspreiden, wordt mede afhankelijk van de kosteneffectiviteit, zoveel mogelijk verwijdering van de verontreiniging nagestreefd. Een ander uitgangspunt is dat bij nieuw in te richten gebieden of terreinen hogere eisen worden gesteld aan de bodemkwaliteit dan bij milieuhygiënisch onvermijdbare saneringen in gebieden waar geen nieuwe inrichting plaats vindt.
Bij nieuwe situaties ligt het criterium voor saneren bij ernstige verontreiniging. Bodembeheer Bij hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond wordt uitgegaan van het principe "wat schoon is moet schoon blijven" en "wat vies is mag niet viezer worden". Waar mogelijk wordt een verbetering van de kwaliteit nagestreefd, zodat de bodem duurzaam geschikt wordt voor elk gewenst gebruik. Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning of een functiewijziging moet een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 verricht worden. Op basis van dit onderzoek wordt beoordeeld of de locatie geschikt is voor de geplande functie of dat er nog een nader onderzoek of misschien zelfs een bodemsanering noodzakelijk is voordat de locatie geschikt is voor de geplande functie. De resultaten van het onderzoek moeten bij de in te dienen aanvraag omgevingsvergunning worden aangeleverd voor deze in behandeling wordt genomen. Hierbij moet worden aangetoond dat de grond ter plaatse geschikt is voor de uitoefening van de functie. In het gemeentelijk bodeminformatiesysteem is onderzocht of in het gebied ernstige gevallen van bodemverontreiniging aanwezig zijn.
Relevante informatie uit bodeminformatiesysteem over historisch bodemgebruik; Zijn er in het plangebied verontreinigde locaties aanwezig; Aangeven wat bekend is van bodemkwaliteit, wat is gesaneerd, wat eventueel potentieel risico is vanwege huidig gebruik. Plansituatie Onderzoek In het uitgevoerde bodemonderzoek is overeenkomstig de NEN 5740 de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied vastgesteld. Op basis hiervan is de conclusie dat de bodemkwaliteit de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg staat. De resultaten van het verkennend onderzoek van 27 januari 2021, zie Bijlage 11, zijn hierna beschreven: Grond Tijdens het zintuiglijk onderzoek zijn in de bovengrond bodemvreemde materialen aangetroffen in de vorm van plastic en baksteen. In het mengmonster van de zintuiglijke schone (boven)grond zijn licht verhoogde gehalten kobalt, kwik, lood en nikkel aangetoond. In het mengmonster bovengrond met zwakke baksteenbijmenging zijn geen verhoogde gehalten gemeten. In de venige ondergrond zijn licht verhoogde gehalten molybdeen aanwezig. Bij hergebruik van eventueel vrijkomende grond binnen gemeente Utrecht is geen aanvullend onderzoek nodig naar PFAS tijdens een partijkeuring. De aanwezigheid van plastic kan bij hergebruik beperkingen opleveren als dit een te hoog percentage is (zie Nota Bodembeheer 2017-2027).
Grondwater In het grondwater is, behoudens een verhoogde concentratie aan barium ten opzichte van de streefwaarde, geen van de geanalyseerde parameters aangetoond in een concentratie boven de 4 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Studentenhuisvesting High Five, Cambridgelaan U S P " (vastgesteld)
Utrecht
streefwaarde. De verhoogde concentratie barium in het grondwater is vermoedelijk van natuurlijke oorsprong (verhoogde achtergrondconcentratie). Overig Op basis van de Nota Bodembeheer 2017-2027 is de toepassingseis voor grond kwaliteit landbouw/natuur (schone grond). Het terrein ligt in de schone zone van het Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer (2015). Dit betekent dat voor de aanpak of verplaatsing van grondwaterverontreiniging de gevalsgerichte aanpak van de Wet bodembescherming geldt. Bij aanleg van bodemenergiesystemen geldt geen dieptebeperking en kan worden aangesloten bij bestaande systemen in de directe omgeving. Op basis van de gemeten gehaltes in het grondwater zijn er geen beperkingen. Ondergrond Het plangebied is in de omgevingsvisie van de provincie Utrecht niet aangewezen als aandachtsgebied voor bodemdaling. Op basis van de indicatieve zettingsgevoeligheid is het specifieke terrein minder gevoelig voor zetting. Het terrein ligt wel een gebied met rivierkleiafzettingen met plaatselijk veenhoudende grond. Zeker in droge perioden kan door belasting van de bodem zetting daarom niet geheel worden uitgesloten. De nieuwbouw moet zodanig plaatsvinden dat dit niet leidt tot zetting van de bodem.
Geadviseerd wordt om voor de nieuwbouw niet alleen zandgrond toe te passen, maar zeker in groenstroken teelaarde en gezonde levende bodem met organische stof te behouden of te realiseren. Dit is ook goed voor het watervasthoudend vermogen van de bodem bij klimaatmaatregelen. De ondergrond biedt kansen voor de duurzame energie (bodemenergie), waterberging (klimaatadaptatie), ruimte voor groen en ondergrondse infrastructuur (kabels en leidingen, parkeerkelders). Bij plannen voor benutting van de ondergrond wordt geadviseerd het ondergronds ruimtegebruik mee te nemen in het planontwerp, zodat meervoudig ondergronds gebruik geen belemmering of nadelige beïnvloeding op elkaar heeft. Conclusie De boven- en ondergrond van de onderzoekslocatie zijn licht verontreinigd met zware metalen. Op basis van de analyseresultaten voor grond en grondwater kan de hypothese 'verdacht' worden aangenomen. De resultaten komen echter overeen met de verwachte bodemkwaliteit in dit gebied. Er is geen aanleiding om nader onderzoek uit te voeren. De milieuhygiënische bodemkwaliteit heeft geen consequenties voor wat betreft de geplande nieuwbouw. Rekening houden met de fysische bodemkwaliteit is belangrijk om zetting te voorkomen. Een gezonde levende bodem biedt kansen voor biodiversiteit en het vasthouden van water. Inzicht in effecten van het gebruik van de ondergrond kan nadelige gevolgen beperken.
De bodemkwaliteit levert geen beperkingen op om het studentencomplex te kunnen bouwen.
5.11 Natuurbescherming Kader Het plangebied ligt aan de rand van de stad, op de overgang van het Kromme Rijngebied naar de Utrechtse Heuvelrug. De ondergrond schetst een beeld van de ontstaansgeschiedenis: op het in de laatste ijstijd afgezette dekzand liggen een metersdik pak van veen- en kleilagen. Het veen is ontstaan door bosvorming op natte grond, de klei is in de loop van eeuwen door de Kromme Rijn afgezet. De bovenste laag is door agrarisch gebruik en gedeeltelijke vergraving sterk door de mens beïnvloed. Natuurbescherming is in Nederland op nationaal niveau geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb beschermt planten en dieren. Het gaat daarbij om soorten die op Europees niveau bescherming genieten op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn, aangevuld met soorten die alleen op nationaal niveau beschermd zijn. De bescherming is geregeld via verbodsbepalingen en een zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren. Ook natuurgebieden vallen onder de reikwijdte van de Wnb, voor zover het gebieden betreft in het Natura-2000 netwerk. Tot slot beschermt de Wnb houtopstanden (voormalig Boswet). Het beleid voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voorheen Ecologische Hoofdstructuur, EHS) is vastgelegd in de Omgevingsvisie provincie Utrecht, waarvan de regels zijn vertaald in de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht.
Op gemeentelijk niveau vormen het Groenstructuurplan en de Utrechtse Soortenlijst de belangrijkste beleidskaders voor natuur in de stad. De hierin geformuleerde ambities zijn betrokken bij de totstandkoming van het plan om een woonfunctie in het plangebied van dit bestemmingsplan te realiseren. bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Studentenhuisvesting High Five, Cambridgelaan U S P " (vastgesteld)
49
Plansituatie en conclusies Wet natuurbescherming: beschermde soorten Een bestemmingsplan kan niet worden vastgesteld, als op voorhand in redelijkheid kan worden ingezien dat de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan in de weg staat. Onderzoek naar beschermde soorten moet antwoord geven op de vragen of: In en rond het plangebied wettelijk beschermde soorten voorkomen; Het plan mogelijk leidt tot overtreding van verbodsbepalingen; Het aannemelijk is dat voor de beschermde soorten ontheffing kan worden verleend voor uitvoering van het plan. Daarnaast moet het onderzoek inzicht geven in de eventueel noodzakelijk te treffen mitigerende of compenserende maatregelen. Wet natuurbescherming: beschermde gebieden Bij het opstellen van een bestemmingsplan wordt met een zogenaamde 'voortoets' bekeken of een passende beoordeling van dat plan moet worden gemaakt. Een passende beoordeling moet worden gemaakt als de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat het plan significante gevolgen heeft voor een of meerdere Natura 2000-gebieden (al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten). Het bestemmingsplan kan in beginsel alleen worden vastgesteld als er zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. Als er een passende beoordeling nodig is, geldt er ook een plan-merplicht (art. 7.2a Wm).
Als het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor al eerder een passende beoordeling is gemaakt, hoeft er niet opnieuw een passende beoordeling te worden gemaakt (voor zover deze redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kan opleveren over de significante gevolgen ervan). Natuurnetwerk Nederland en groene contour Als uitvoering van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) heeft de provincie Utrecht het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) vastgelegd in de Omgevingsvisie provincie Utrecht. In de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht zijn de regels opgenomen waaraan ruimtelijke plannen van gemeenten moeten voldoen. Bescherming van het NNN geschiedt via het 'nee, tenzij'- regime. Bij nieuwe ontwikkelingen in het NNN moet worden getoetst of per saldo sprake is van significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Wordt significante aantasting aangetoond, dan is de ontwikkeling niet mogelijk, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang én reële alternatieven ontbreken. De aantasting moet dan zoveel mogelijk worden beperkt. Is deze beperking onvoldoende om significante aantasting te voorkomen, dan is compensatie nodig.
Utrechtse soortenlijst In de voormalige Flora en faunawet werden soorten beschermd die niet meer beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, die per 1 januari 2017 in werking is getreden. Hieronder vallen diverse kwetsbare soorten die voor Utrecht erg belangrijk zijn. Deze soorten zijn in de Utrechtse soortenlijst genoemd. De gemeenteraad heeft in de actualisatie van het Groenstructuurplan in 2018 besloten dat bij gemeentelijke ruimtelijke plannen de Utrechtse soortenlijst bij het onderzoek en ontwikkelingen wordt betrokken zodat de soorten zo goed mogelijk beschermd worden. Bij ruimtelijke plannen van derden beveelt de gemeente nadrukkelijk aan om de Utrechtse soortenlijst mee te nemen in onderzoek en ontwikkelingen. Wanneer de Utrechtse soortenlijst niet wordt meegenomen in het plan of project, dan wordt dit gemotiveerd. De Utrechtse Soortenlijst is onderdeel van de Omgevingsvisie Utrecht. Zie https://omgevingsvisie.utrecht.nl/thematisch-beleid/groen/. Uitgevoerd onderzoek De aanwezigheid van beschermde soorten en gebieden in en rond het plangebied is primair onderzocht door middel van een quickscan ecologie. Zie hiervoor het onderzoek dat is opgenomen als Bijlage 4. Het onderzoek betrof zowel veld- als bronnenonderzoek.
Wet natuurbescherming:beschermde soorten / Utrechtse soortenlijst Uit het onderzoek blijkt dat het voorkomen van de beschermde soorten egel en (spits)muizen binnen het plangebied niet is uit te sluiten. Specifiek voor de watergangen geldt bovendien dat hier algemene amfibieën voor kunnen komen. Het gaat hierbij om de kleine watersalamander, 5 0 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Studentenhuisvesting High Five, Cambridgelaan U S P " (vastgesteld)
Utrecht
bastaardkikker, bruine kikker en gewone pad. Gezien de lage ligging van het plangebied en het gebrek aan schuilmogelijkheden worden overwinterende dieren hier echter niet verwacht. Voor deze soorten geldt bovendien een algemene vrijstelling binnen de provincie Utrecht. In het plangebied komen geen jaarrond beschermde vogels voor. Aanwezigheid van niet-jaarrond beschermde vogels is echter niet uit te sluiten. In de omgeving van het plangebied zijn voldoende alternatieve broedplaatsen aanwezig voor deze vogels. Daarom zijn met de ontwikkeling geen negatieve effecten te verwachten. Omdat in het plangebied geen bomen of gebouwen staan, zijn vaste verblijfplaatsen van vleermuizen uit te sluiten. De groenstructuur langs (het verlengde van) de Zandlaan kan wel een functie hebben als vliegroute voor vleermuizen. Bij de geplande ontwikkeling blijven deze bomen echter staan. Daarmee worden eventuele vliegroutes voor vleermuizen niet aangetast. Bovendien is in de omgeving van het plangebied voldoende foerageergebied aanwezig. Het gebied heeft momenteel geen wezenlijke functie als leefgebied voor beschermde flora en fauna. In het plangebied komen bovendien geen soorten voor die op de Utrechtse Soortenlijst staan. De soortenbescherming van de Wet natuurbescherming staat uitvoering van het plan daarom niet in de weg.
Wel dient bij de uitvoering van werkzaamheden rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van broedende vogels in en rond het plangebied. Het wezenlijk verstoren van broedende vogels dient voorkomen te worden; hiervoor kan geen ontheffing worden verkregen. Wet natuurbescherming:beschermde gebieden / Natuurnetwerk Nederland en groene contour Het plangebied ligt op ruime afstand (>3 km) van beschermde natuurgebieden. Effecten van het plan op beschermde gebieden die betrekking hebben op enige vorm van fysieke aantasting of verstoring kunnen worden uitgesloten. Om mogelijke effecten als gevolg van stikstofdepositie in kaart te brengen is met Aerius een berekening van de stikstofdepositie uitgevoerd. Daaruit blijkt dat het plan niet leidt tot extra depositie op enig Natura 2000 gebied, zie de stikstofberekeningen in Bijlage 5 (gebruiksfase) en in Bijlage 6 (bouwfase). Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natuur Netwerk Nederland (NNN) en grenst daar ook niet direct aan. De dichtstbij gelegen NNN-gebieden zijn de landgoederen van Amelisweerd en Rhijnauwen, en landgoed Oostbroek op respectievelijk circa 400 meter en 1,1 km afstand. Het plangebied maakt eveneens geen onderdeel uit van de Groene Contour. Negatieve effecten van het plan op de wezenlijke waarden en kenmerken en daarmee het functioneren van het NNN, kunnen worden uitgesloten.
Diervriendelijk bouwen De biodiversiteit in steden staat onder druk. Daarom stelt de gemeenteraad bij de ontwikkeling van nieuwe gebieden eisen aan de geschiktheid van de bebouwde omgeving als leefgebied voor dieren, onder de noemer "diervriendelijk bouwen". In de planontwikkeling wordt hier invulling aan gegeven op basis van de volgende eisen uit de bouwenvelop: Bij de inrichting van de (openbare) ruimte rondom het gebouw worden door de universiteit inheemse planten, struiken en bomen toegepast die bijdragen aan de biodiversiteit. Verlichting in de buitenruimte wordt door de SSH en door de Universiteit tot een minimum beperkt en uitstraling van verlichting naar de groene structuren wordt zo veel mogelijk voorkomen. Treffen van maatregelen voor diervriendelijk bouwen en het behoud en ontwikkeling van lokale biodiversiteit, zoals het integreren van verblijfplaatsen in de ontwikkeling van gebouw-bewonende soorten fauna (nest- en verblijfplaatsen voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen). Gezien de omvang van deze ontwikkeling vertaalt de opgave van Diervriendelijk Bouwen zich in dit geval tot het inbouwen van tenminste 25 nestkasten voor de gierzwaluw en een kraamverblijf voor de gewone dwergvleermuis. Dit wordt door de ontwikkelaar meegenomen bij het uitwerken van de bouwtekeningen.
5.12 Bomen Binnen de grenzen van het plangebied van het bestemmingsplan staan geen bomen. De dichtstbijzijnde bomen (buiten het plangebied) staan langs de Zandlaan en het verlengde daarvan (Oxfordpad). De planontwikkeling heeft geen effect op deze bomen en ze kunnen dan ook in het kader van de realisatie van het studentencomplex blijven staan. Daarnaast is nog van belang dat in de buitenruimte rondom High Five aanplant van nieuwe bomen is voorzien. De preciese locaties, type bomen en hoeveel bomen, zal door de Universiteit als eigenaar van de grond worden uitgewerkt in een inrichtingsplan.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Studentenhuisvesting High Five, Cambridgelaan U S P " (vastgesteld)
51
5.13 Water en Klimaatadaptatie Met de watertoets wordt beoogd de waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken waardoor het water een evenwichtige plaats krijgt in ruimtelijke plannen. Een evenwichtige plaats houdt in dat in elk plan de negatieve effecten voor de waterhuishouding ten gevolge van ruimtelijke ontwikkelingen -waar mogelijk- moeten worden voorkomen. De resultaten van de watertoets zijn beschreven in Bijlage 10 Waterparagraaf. Deze waterparagraaf is opgesteld in overleg met het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR). Waterhuishouding Het plangebied van High Five is omgeven door een stelsel van tertiaire watergangen. Indien er water wordt gedempt, als gevolg van de aanleg van een duiker met dam voor de entree van het gebouw, moet dit 1 op 1 worden gecompenseerd in oppervlaktewater binnen het plangebied. Het plangebied ligt in het peilgebied Utrecht en Kromme Rijn met een flexibel peil van minimaal 0,51 m NAP en maximaal 1,32 m NAP. Ter hoogte van het plangebied is het gemiddelde peil +0,65 m NAP. Wateropgave en watercompensatiemaatregelen Uit de waterparagraaf (zie Bijlage 10) volgt dat door de toename van verhard oppervlak er compensatiemaatregelen genomen moeten worden. Bij het berekenen van de watercompensatie volgens de Keur moet 15% van de verharding als nieuw oppervlaktewater worden aangelegd.
Bovendien mag een bui van 80 mm niet zorgen voor schade. Op basis van onderstaande Wateropgave-tabel moet voor een toename van 4380 m² verhard oppervlak watercompensatie worden gerealiseerd binnen het plangebied. De compensatie kan worden opgelost in de vorm van berging of oppervlaktewater. Het is ook mogelijk om een combinatie te maken van beiden. Voor het plangebied gelden de volgende getallen, in berging 197 m³ of in oppervlaktewater 657 m², zie berekening in de Waterparagraaf.
Berekende waterbergingseis volgens Visie Water en Riolering en Visie Klimaatadaptatie Naast de wateropgave uit de KEUR is er ook een ambitie in de vorm van een waterbergingseis van de Gemeente Utrecht afkomstig uit de Visie Water en Riolering en Visie Klimaatadaptatie. De eis is bedoeld om water vast te houden op de plek waar het valt, om zo droogte tegen te gaan. De waterbergingseis is het realiseren van 15 mm berging t.o.v. het verhard oppervlak in het plangebied. Voor High Five is dat (4380 m2 ) x 0,015 m = 66 m3. Dit betekent dat van de berekende wateropgave op basis van 45 mm (in de vorm van waterberging 197 m3 of oppervlaktewater 657 m3), er minimaal 15 mm (66 m3) moet worden vastgehouden en geïnfiltreerd in de vorm van waterberging, bijvoorbeeld door de aanleg van een groen dak of wadi. Oplossingsrichting watercompensatie in berging De watercompensatie moet gezocht worden binnen de grenzen van het plangebied. Het voorkomen van een versnelde afvoer naar het oppervlaktewater is daarbij belangrijk. Er moet onderzocht worden of op de bebouwing groene of blauwe daken toegepast kunnen worden. Groene daken worden voor 60% als verhard oppervlak gezien en 40% als onverhard oppervlak. Tenzij aangetoond kan worden dat de daken 45 mm water kunnen bergen. Dan worden de daken als volledig onverhard oppervlak meegeteld.
Een blauwgroen dak biedt ook voordelen ten aanzien van voorkomen hittestress in gebouw en omgeving. Het draagt bij aan biodiversiteit. Bij de combinatie van een blauwgroen dak met PV panelen, leidt dit over het algemeen tot een fractioneel hoger opwekkingsrendement van de PV panelen, wat de energievoorziening ten goede komt. Op maaiveldniveau kan berging gevonden worden in de vorm van een wadi. Onder maaiveldniveau kan berging gevonden worden in de vorm van een IT-riolering of hemelwaterriool, alvorens het 5 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Studentenhuisvesting High Five, Cambridgelaan U S P " (vastgesteld)
Utrecht
water afgevoerd wordt naar het oppervlaktewater. Oplossingsrichting watercompensatie in open water De watercompensatie binnen het plangebied mag ook ingevuld worden door het graven van oppervlaktewater. Ook kunnen er natuurvriendelijke oevers (NVO) worden aangelegd die mee tellen in de watercompensatie. NVO's die een waterdiepte van minimaal 30 cm hebben tellen voor 100% mee in de watercompensatie. Gekozen oplossingsrichtingen In het inrichtingsplan dat wordt opgesteld door de universiteit Utrecht zal een definitieve keuze worden gemaakt voor de invulling van de waterbergingsopgave. Waarschijnlijk wordt het een combinatie van bovenstaande oplossingsrichtingen. Klimaatadaptatie De klimaatwetenschappen tonen aan dat de aarde opwarmt, dat klimaatpatronen verschuiven en extremen in weer toenemen. Voor Nederland betekent dit dat in de toekomst langere periodes met hoge temperaturen worden verwacht, onderbroken door intensievere regenbuien in vergelijking met hedendaags. Binnen stedelijk gebied leidt dit vooral tot uitdagingen op het gebied van voldoende waterberging en het beperken van hittestress in gebouwen en de openbare ruimte. Klimaatadaptatie krijgt in het project hoofdzakelijk vorm via de inrichting van de buitenruimte, waar mogelijk in combinatie met een groene/blauwe inrichting van daken.
Naast groen zijn hier ook waterbergende voorzieningen als compensatie voor de verhardingstoename voorzien. Dit om zowel droogte, wateroverlast (vanwege piekbuien) als hittestress tegen te gaan. Ten aanzien van het voorkomen van hittestress worden koele plekken in de buitenruimte gecreëerd door bijvoorbeeld aanleg van bomen die schaduw bieden, in lijn met de gemeentelijke Visie Klimaatadaptatie die in voorbereiding is. Tot slot is nog van belang dat het geprojecteerde woongebouw zelf voor extra beschaduwing van de directe omgeving zorgt, waarmee de hittestress rondom het plangebied in beginsel ook verminderd wordt. In aanvulling op het voorgaande wordt binnen het project aandacht besteed aan het volgende: De hoogteligging van het maaiveld en de buitenruimte ten opzichte van de bebouwing, om schade door wateroverlast in het woongebouw te voorkomen. Dit krijgt vorm door het realiseren van een voldoende hoog vloerpeil om te voldoen aan de gemeentelijke ontwateringseisen en de drooglegginseisen van HDSR. De eisen ten aanzien van het voorkomen van schade door extreme buien zoals deze zijn verwoord in het genoemde gemeentelijke beleid (Visie Water en Riolering en Visie Klimaatadaptatie).
5.14 Cultuurhistorie Het plangebied ligt op de noordelijke, brede oeverwal van de Kromme Rijn. Dit stroomruglandschap kenmerkt zich door gebogen restgeulen (zoals de bijna verdwenen Bisschopswetering) en middeleeuwse ontginningen die ter plaatse van het plangebied de vorm hadden van een strokenontginning. Het plangebied behoorde tot het open agrarische landschap (weilanden) bij boerderij De Uithof, gebouwd in de vroege 17e eeuw. De Uithof was, zoals de naam al aangeeft, een uithof (kloosterboerderij) bij de oorspronkelijke abdij Oostbroek, die later tot het landgoed Oostbroek is uitgegroeid. Het Oxfordpad (het verlengde van de Zandlaan) ten zuidwesten van het plangebied, geeft met zijn oriëntatie vrijwel haaks op de Kromme Rijn nog duidelijk de richting van de historische strokenverkaveling weer. Deze laan liep oorspronkelijk door tot op de Hoofddijk, de andere historische verbinding die duidelijk afwijkt van het strikt noord-zuid en oost-west verlopende, orthogonale ontwerp van de USP-structuur uit de jaren '60. Het plangebied is tevens gelegen binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) als militair erfgoed binnen de provinciale cultuurhistorische hoofdstructuur. Het huidige, vanuit de geschiedenis overgeleverde weilandpeil, lag dusdanig laag dat het vanuit het noorden grotendeels geïnundeerd kon worden in tijden van oorlogsdreiging.
Het bestaande weilandpeil vertegenwoordigt dan ook cultuurhistorische waarde als zijnde het voormalige inundatieveld. Het plangebied ligt vrijwel precies tussen 2 verdedigingswerken van de NHW, Fort Rhijnauwen in het zuiden en Fort Hoofddijk in het noorden. Daarmee ligt het ook in de zgn. verboden kringen, zônes rond verdedigingswerken waarin er vanuit het toenmalige Ministerie van Oorlog restricties ten aanzien van het bouwen, beplanten en aanleggen van infrastructurele werken van kracht. Uit de Cultuurhistorische Atlas van de provincie volgt daarbij dat direct ten noorden en zuidwesten van het plangebied in het verleden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie een (anti)tankgracht aanwezig was. Verder onderscheid de provincie voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie de volgende behoudenswaardige kernkwaliteiten: bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Studentenhuisvesting High Five, Cambridgelaan U S P " (vastgesteld)
53
het unieke, in samenhang met het landschap ontworpen negentiende en twintigste-eeuwse hydrologische en militair verdedigingssysteem, bestaande uit een samenhangend stelsel van onder andere forten, dijken, kanalen en inundatiekommen; groen en overwegend rustig karakter; openheid. Het project laat de (anti)tankgracht als cultuurhistorisch element ongemoeid, waarbij de openheid wordt gehandhaafd door het behoud van zichtlijnen vanaf de Cambridgelaan. Daar komt bij dat van openheid en een groen en overwegend rustig karakter in het plangebied in de huidige situatie al geen sprake meer is, aangezien het plangebied al vrijwel volledig is omsloten door bebouwing en infrastructuur. In aanvulling op het voorgaande is nog van belang dat delen van de NHW sinds medio 2021 zijn aangewezen als UNESCO Werelderfgoed. Het dichtstbij gelegen NHW-gebied binnen het UNESCO Werelderfgoed ligt op circa 150 meter afstand van het plangebied (ten zuiden van de Toulouselaan). Gezien deze afstand en de hiervoor genoemde redenen wordt een relevant effect op cultuurhistorische waarden (inclusief UNESCO Werelderfgoed) niet verwacht. Vanwege de ligging in de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) zoals opgenomen in de provinciale cultuurhistorische hoofdstructuur is een cultuurhistorische waardenstelling uitgevoerd (zie Bijlage 12).
De belangrijkste aanbevelingen uit deze waardenstelling luiden als volgt: De zuidelijke rand van de USP is tot voorkort altijd een belangrijk element geweest in de verbinding van de USP met het landschap. Door de laatste landelijke structuren binnen deze rand te bebouwen verandert het karakter van de zuidelijke rand en daarmee de verbinding met het landschap. In de planvorming is het verstandig om zorgvuldig om te gaan met het karakter van deze diffuse rand. Vanaf de Cambridgelaan is er vanaf de projectlocatie op dit moment ruim zicht op het open landschap. De diagonale bomenlaan deelt het open landschap binnen de grenzen van het USP in tweeën. De diagonaal van de Zandlaan vormt een belangrijke groene en recreatieve structuur waarbij de aanwezige zichtlijnen, over de diagonaal en richting het waardevolle landschap, zo veel mogelijk behouden dienen te worden. Bij de totstandkoming van de positionering en het plot van het beoogde gebouw zijn de zichtlijnen naar het landschap reeds bepalend geweest. Het is belangrijk om de diagonale landschappelijke structuur van de Zandlaan grenzend aan het plangebied te behouden, en waar mogelijk te versterken, inclusief de laanbeplanting. Hierbij dient de diagonaal wel een solitair element in het landschap te blijven. Een landschappelijke randzone van open landschap rondom de Zandlaan is dus wenselijk.
De hiervoor genoemde aanbevelingen zijn nadrukkelijk betrokken bij de positionering van het bouwvlak van het voorliggende bestemmingsplan, waarbij de zichtlijnen naar het achterliggende landschap zoveel mogelijk zijn behouden. Daarnaast blijft de Zandlaan als solitair element in het landschap behouden.
5.15 Archeologie 5.15.1 Wettelijk kader De Erfgoedwet heeft betrekking op archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 38a schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 2007 geratificeerd. Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'.
Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed.
5 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Studentenhuisvesting High Five, Cambridgelaan U S P " (vastgesteld)
Utrecht
5.15.2 Verordening en bestemmingsplan De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een verordening op te stellen voor het hele grondgebied van de gemeente. In de verordening op de archeologische monumentenzorg is een vergunningenstelsel opgenomen ter bescherming van het archeologische erfgoed, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. In bestemmingsplannen wordt verwezen naar de verordening en een regel opgenomen (dubbelbestemming Waarde - Archeologie). In deze dubbelbestemming is opgenomen dat de voor Waarde- archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Met deze specifieke gebruiksregel wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg. Door de verordening en de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig.
5.15.3 Gemeentelijke archeologische waardenkaart De Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht ligt ten grondslag aan de verordening op de archeologische Monumentenzorg. Deze waardenkaart is geënt op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarde (IKAW) van de provincie en op de kennis en ervaring opgedaan in tientallen jaren archeologisch onderzoek in de stad. Hij geeft inzicht in de ligging van beschermde archeologische rijksmonumenten, gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische verwachting en gebieden van archeologische verwachting en bij welk te verstoren oppervlakte en diepte een vergunningsplicht geldt. In de op de waardenkaart aangeduide gebieden waar een vergunningplicht geldt zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning vereist worden om resten uit het verleden op te laten sporen en zo nodig veilig te stellen. Beschermde archeologische rijksmonumenten worden op grond van de Erfgoedwet beschermd. Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijven paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk II van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin staat dat aantasting van de beschermde archeologische monumenten niet is toegestaan.
Voor wijziging, sloop of verwijdering van een archeologisch Rijksmonument moet een vergunning worden aangevraagd waarop de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beslist. Gebieden van hoge archeologische waarde (rood) zijn gebieden waarvan bekend is dat er archeologische waarden zijn, maar die niet beschermd zijn als archeologisch rijks- of gemeentelijk monument. Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm. Gebieden van hoge archeologische verwachting (geel) zijn zones waar op grond van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek dan wel op basis van historisch geografisch onderzoek archeologische waarden te verwachten zijn (er wordt een middelhoge tot hoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht). Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm. Bij gebieden met een archeologische verwachting (groen) zijn de verwachtingen lager (er wordt een middelhoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht). Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 1000 m2 en dieper dan 50 cm. Daarnaast zijn op de kaart witte gebieden aangewezen. Voor deze zones geldt geen verwachting en geen vergunningstelsel. 5.15.4 Archeologie in het plangebied High Five Binnen het plangebied High Five zijn geen archeologische rijksmonumenten aanwezig.
Het plangebied bevindt zich op de gemeentelijke archeologische waardenkaart in een gebied van middelhoge archeologische verwachting (WA5). Net buiten het plangebied, in het zuidelijke puntje van het weiland is bovendien sprake van een hoge archeologische waarde (WA3). Dit betreft de mogelijke aanwezigheid van een groepsschuilplaats uit 1940 (zie onderstaande afbeelding). Voor het gebied van middelhoge verwachting geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm. Voor de hoge archeologische waarde geldt een vergunningplicht bij bodemingrepen groter dan 30 m2 en dieper dan 30 cm. De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied overschrijdt de vrijstellingsgrenzen (oppervlakte en diepte) en is daarmee vergunningplichtig. Aan de vergunning worden voorwaarden verbonden ten aanzien van het archeologisch onderzoek dat uitgevoerd moet worden.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Studentenhuisvesting High Five, Cambridgelaan U S P " (vastgesteld)
55
Afbeelding: Het plangebied High Five (met rode lijn aangegeven) op de archeologische waardenkaart van de gemeente Utrecht (2022) Archeologisch onderzoek en verwachting Binnen het plangebied is een archeologisch bureauonderzoek (zie Bijlage 13) en een verkennend archeologisch booronderzoek (IVO-O) (zie Bijlage 14) uitgevoerd. Uit deze onderzoeken blijkt dat er in het plangebied een intacte oorspronkelijke bodemopbouw onder de moderne bouwvoor aanwezig is. Onder de 'bouwvoor' (de bovenste laag grond) zijn oeverafzettingen op veen op dekzand aangetroffen. Er zijn twee potentiële archeologische niveaus aan te wijzen: de top van de oeverafzettingen en de top van het dekzand. Voor de oeverafzettingen geldt een middelhoge verwachting op resten uit de Romeinse tijd tot en met Late Middeleeuwen. Voor de top van het dekzand geldt een hoge archeologische verwachting voor resten uit het (Laat-)Paleolithicum tot en met Laat Neolithicum. De archeologische resten in de oeverafzettingen zijn vanaf 30 cm beneden huidig maaiveld te verwachten. Het hoogste voorkomen van het dekzand is op ongeveer 50 cm beneden huidig maaiveld aangetroffen. In het zuidelijk deel van het weiland (waarschijnlijk net buiten het plangebied van dit bestemmingsplan) is mogelijk een (deel van een) groepsschuilplaats uit WO II (1940) aanwezig.
Om vast te stellen of archeologische waarden in het plangebied aanwezig zijn moet een archeologisch proefsleuvenonderzoek (IVO-P) worden uitgevoerd. Op basis van de resultaten van 5 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Studentenhuisvesting High Five, Cambridgelaan U S P " (vastgesteld)
Utrecht
het proefsleuvenonderzoek kan worden bepaald of aanvullend archeologisch onderzoek door middel van een Definitieve Opgraving noodzakelijk is. Conclusie Archeologisch onderzoek moet uitwijzen of archeologische waarden door de voorgenomen bodemingrepen worden bedreigd. Eventuele archeologische waarden kunnen waarschijnlijk ex situ (door middel van opgraven) worden behouden. Archeologie is daarom naar verwachting geen belemmering voor de realisatie van het plan.
5.16 Kabels en leidingen De meeste kabels en leidingen liggen langs de wegen rondom het plangebied. In het plangebied van het bestemmingsplan liggen slechts enkele kabels en leidingen (zie Bijlage 16). Deze kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de realisatie van het woongebouw.
5.17 Gezond stedelijk leven Kader In paragraaf 2.3.2.2.6 is het gemeentelijke beleid voor een gezond stedelijk leven uiteengezet. In Utrecht streven wij naar gezond stedelijk leven voor iedereen (Nota Volksgezondheid 'Gezondheid voor iedereen'). Een gezonde leefomgeving van Utrechters is zo ingericht dat gezond leven gemakkelijk is, de druk op gezondheid zo laag mogelijk is en dat mensen zich prettig voelen. Hieronder wordt aangegeven op welke manier hier invulling aan is gegeven. Plansituatie Gezond leven is gemakkelijk Om wandelen en fietsen te faciliteren wordt de buitenruimte aangesloten op de nabijgelegen loopen fietsverbindingen en wordt onder het woongebouw een goed bereikbare en makkelijk toegankelijke stallingsruimte voor fietsen gerealiseerd. Druk op gezondheid zo laag mogelijk Geluid heeft invloed op de gezondheid van mensen. Het akoestisch onderzoek naar verkeerslawaai laat zien dat er geen onaanvaardbare belemmeringen voor de functie wonen op deze locatie zijn. Voor 118 woningen in High Five zijn hogere waarden van 54 tot maximaal 57 dB nodig. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt hiermee niet overschreden. Rondom het woongebouw zijn in de buitenruimte terrassen en kleinschalige buitensportgelegenheden voorzien. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat in de avondperiode de richtwaarde van 40 dB(A) wordt overschreden.
Vanuit gezondheid is dit onwenselijk. Geluidwering die nodig is om aan de normwaarde van 30 dB(A) voor het binnenniveau te voldoen is haalbaar en zal worden toegepast. Iedereen die in Utrecht woont en/of werkt heeft recht op gezonde lucht. Stoffen als roet en fijnstof schaden de gezondheid van onze inwoners, zeker die van kinderen, ouderen en mensen met longziekten. Het plan voldoet aan de eis dat een ontwikkeling niet in betekenende mate mag bijdragen aan de concentraties van stoffen waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen. Voor het aspect luchtkwaliteit zijn vanuit gezondheid geen belemmeringen om het plan te realiseren. Mensen voelen zich prettig Het plan biedt ruime mogelijkheden voor ontmoeten, verblijven, recreëren en/of bewegen in een groene, parkachtige omgeving. De plint van het gebouw wordt DE plek waar studenten elkaar ontmoeten, kunnen studeren, ontspannen en sporten. Bij het inrichten van de plint zijn de behoeftes van studenten onderzocht en meegenomen in het plan. De plint biedt ruimte aan gemeenschappelijke functies zoals sportruimten, horeca, studieplekken en een wasserette. Daarnaast komen studenten die in onzelfstandige kamers wonen, elkaar tegen in de gezamenlijke keuken en woonkamer. Studenten die een zelfstandige studio hebben, komen elkaar tegen in de gang.
Er wordt naar gestreefd om gezond en betaalbaar voedsel aan te bieden in de horeca in de plint. De aanwezigheid van groen is goed voor de gezondheid van mensen en voor de biodiversiteit. Het plan voorziet in een groen ingerichte buitenruimte, met ruimte voor onder andere sport en recreatie. Bij de terreininrichting van de buitenruimte wordt onderscheid gemaakt tussen rust en reuring. In de noordelijke helft van het plangebied ligt de nadruk op reuring (intensief gebruik) en de zuidelijke helft juist op rust (extensief gebruik). Qua recreatie is onder andere voorzien in een buitensportzone, aansluitend bij de inpandige sportfaciliteiten, en zijn recreatieve voorzieningen zoals een moestuin en jeu de boules baan beoogd. Conclusie bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Studentenhuisvesting High Five, Cambridgelaan U S P " (vastgesteld)
57
De conclusie is dat concrete maatregelen worden getroffen waarmee invulling wordt gegeven aan de missie van de gezonde stad. De ontwikkeling is in overeenstemming met het volksgezondheidsbeleid.
5.18 Toegankelijkheid Kader Utrecht wil een stad zijn waar iedereen mee kan doen, waar we niemand buitensluiten. Een inclusieve toegankelijke stad. We willen dat alle inwoners en bezoekers, met en zonder beperking, alle (openbare) gebouwen, woningen, de openbare ruimte en dienstverlening kunnen gebruiken. Utrecht werkt al sinds 2007 actief aan toegankelijkheid, eerst met Agenda 22 en nu volgens het VN-verdrag handicap. Het uitgangspunt van het VN-verdrag handicap is 'niets over ons zonder ons'. Samenwerking met de belangenorganisaties voor inwoners met een beperking in een zo vroeg mogelijk stadium van de planontwikkeling is daarmee noodzakelijk. De ambities van de gemeente voor het VN-verdrag handicap staan in de agenda 'Utrecht voor iedereen toegankelijk'. In de agenda 'Utrecht voor iedereen toegankelijk' zijn drie kansen omschreven die we als gemeente willen pakken. Dit zijn: sneller en concreet resultaat, niet alleen fysiek maar ook sociaal toegankelijk en samenwerken met de stad. Met het uitvoeringsprogramma 'Utrecht voor iedereen toegankelijk' laten we zien wat we al doen en wat we nieuw op pakken. Dit zijn acties die nodig zijn voor het benutten van de drie kansen. Daarnaast moeten gebouwen en woningen voldoen aan het Bouwbesluit 2012. In 2022 treedt een aantal wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 in werking.