CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Ter informatie - Masterplan Leidsche Rijn (1995).pdf

Gemeenteraad 3 februari 2022, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling Stedenbouwkundig Programma van Eisen Papendorp Noord62.150 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 7

Velen beschikken niet over (het gebruik van) een auto en de afstand die te voet kan worden afgelegd is niet groot. Essentieel voor deze groep is dat voorzieningen zoals winkels, een postkantoor en halten van het openbaar vervoer zich binnen een straal van ca. 400 meter van de woning bevinden. Om te bewerkstelligen dat ouderen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen zijn voorzieningen in de woning én in de woonomgeving en de aanwezigheid van een verzorgingsnetwerk een vereiste.

Tweeverdieners en alleenstaanden Een kenmerk van tweeverdieners en alleenstaanden is dat zij door hun vele bezig¬ heden in het algemeen weinig tijd ter beschikking hebben. Voor deze groep is het van belang dat zij hun verplaatsingen (in de woonomgeving) zo efficiënt mogelijk kunnen organiseren ('multi-purpose'-verplaatsingen). Een concentratie van voorzieningen in de nabijheid van halten van het openbaar vervoer of langs (fiets)routes naar werkge¬ bieden komt hieraan tegemoet. Mensen met beperkingen in het dagelijksfunctioneren Om Leidsche Rijn ook voor gehandicapten en invaliden een aantrekkelijk woonge¬ bied te laten zijn, moet de eis van aanpasbaarheid niet beperkt blijven tot de woning. Ook bij de inrichting van de woonomgeving moet met de toegankelijkheid voor deze groep rekening gehouden worden.

Bij de afnemende financieringsbereidheid van het Rijk komt de betaalbaarheid van het wonen meer en meer onder druk te staan. In het rvhp is ervoor gekozen om bij het verdelen van de subsidies prioriteit te verlenen aan de uitbreidingsgebieden, zodat in die gebieden ten minste 30% van de woningen in de sociale sector gerealiseerd kan worden. Dit gegeven laat onverlet dat er ook naar andere mogelijkheden gezocht moet worden om het wonen betaalbaar te houden. In Leidsche Rijn - én in de andere uitbreidingsgebieden in de regio Utrecht - zal 30% van de woningen in de sociale sector gereahseerd worden. Hierbij wordt de volgende verdeling over huur- en koopwoningen aangehouden: - 1/3 deel huurwoningen met een huur tot ƒ670,-; - 1/3 deel huurwoningen met een huur van ƒ670,- tot ƒ810,-; - 1/3 deel koopwoningen met een koopprijs tot ƒ160.000,-; De woningen met een huur tot ƒ670,- zijn bereikbaar voor huishoudens met de laag¬ ste inkomens. Deze kunnen een beroep doen op huursubsidie tot een maximum van ƒ300,-. De grens van ƒ670,- sluit namelijk aan bij de tabellen van de Individuele Huur¬ subsidie. De woningen met een huur van ƒ670,- tot ƒ810,- en de koopwoningen zijn in principe bereikbaar voor de doelgroepen van het volkshuisvestingsbeleid, waartoe behoren eenpersoonshuishoudens met een inkomen tot ƒ35.000,- en meerpersoonshuishoudens met een inkomen tot ƒ46.000,-.

Echt goedkoop bouwen is gegeven het huidige volkshuisvestingsbeleid niet moge¬ lijk. Woningen met een huur van minder dan ƒ600,- zouden een dusdanig groot beslag leggen op de subsidie, dat de 30% -norm in gevaar komt. Daarom is ervoor gekozen de subsidie te besteden aan woningen met een huur van ƒ600,- tot ƒ810,-. De invulling van de 10% koopwoningen tot ƒ160.000,- zal plaatsvinden afhankelijk van de marktomstandigheden. Momenteel is de marktwaarde van deze woningen bij oplevering aanzienlijk hoger dan de waarde die overeenkomt met de stichtingskosten. Dit betekent dat de bereikbaarheid van deze woningen voor de doelgroep alleen voor de eerste bewoning geldt. In regionaal verband wordt bekeken hoe met dit probleem moet worden omgegaan. Het eenvoudigweg schrappen van deze categorie woningen bergt als gevaar in zich dat er alleen maar duurdere koopwoningen worden gebouwd. Hierdoor wordt de doorstroming bemoeilijkt. Gestudeerd wordt op mogelijkheden om woningen te bouwen voor een prijs van ƒ170.000,-, zonder gebruik van subsidie en met een grondprijs tegen marktwaarde. De middelen die daardoor vrijkomen kunnen dan worden aangewend om meer gesubsidieerde huurwoningen te realiseren. Naast het Rijk dat de subsidies ter beschikking stelt, heeft ook de regio een eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot de betaalbaarheid van de woningen.

Moge¬ lijkheden liggen er in dat verband in het grondprijsbeleid. Ook kunnen door de woningcorporaties de middelen die vrijkomen door de verkoop van huurwoningen uit de bestaande voorraad, voor de financiering van de nieuwbouw worden ingezet. Daarnaast verdient het aanbeveling om mogelijkheden te creëren voor woonvor¬ men die minder beslag leggen op de financiële middelen, zoals: - woningen op kleine kavels die door de bewoners zelfgebouwd worden; - woningcasco's die door de bewoners zelf afgebouwd worden; - mengvormen van koop- en huurwoningen; - kleine woningen; - woningen met een minimum-kwaliteit; - ligplaatsen voor woonschepen. De schaal van Leidsche Rijn biedt ruimte voor een continu experimentenprogramma. De kansen om in de grootste bouwlocatie van het land creatieve oplossingen met een nationale uitstraling tot stand te brengen, dienen ten volle te worden benut.

Bij het opstellen van een faseringsplan voor de realisering van het woningbouw¬ programma voor Leidsche Rijn moet met de volgende factoren rekening gehouden worden: - de afspraken in het viNEX-onderhandelaarsakkoord; - de afstemming op de bouwproduktie in andere delen van de regio; - de beschikbaarheid van financiële middelen voor gesubsidieerde woningbouw; - de fasering van de herstructurering van de bestaande woningvoorraad; - het streven naar een continue bouwstroom.

Daarnaast spelen zogeheten externe factoren een rol, zoals de beschikbaarheid van gronden, draagvlakken voor het openbaar vervoer en voor voorzieningen en de groei van de werkgelegenheid.

resterende lo.ooo woningen zullen, in de tweede fase, gerealiseerd worden op het grondgebied van de gemeente Utrecht. De verdeling naar financieringscategorie is; 30% in de sociale sector en 70% in de marktsector.

Het viNEX-onderhandelaarsakkoord In het viNEX-onderhandelaarsakkoord is afgesproken dat er in Leidsche Rijn in de periode tot 2005, 20.000 woningen gebouwd zullen worden. Dit betekent een gemid¬ delde jaarproduktie van 2.000 woningen. Daar er echter op z'n vroegst in 1997 begon¬ nen zal kunnen worden met de bouw, zal de jaarproduktie rond de 2.500 woningen moeten liggen.

Basisprogramma en twee varianten Wat het totale aantal woningen betreft is ten aanzien van het stapelingspercentage en de verdeling over huur/koop en prijsklasse uitgegaan van een basisprogramma en van twee varianten (zie tabel 13). Uitgangspunten voor het basisprogramma zijn 30% stapeling en nadruk op zowel de relatief goedkope als de relatief dure woningen. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de wens om met de woningvoorraad in Leidsche Rijn starters op de woningmarkt een kans te bieden (de relatiefgoedkope woningen) en de doorstroming te bevorderen (de relatief dure woningen). In variant 1 is een lager stapeUngspercentage aangehouden (20%) en is in de sociale sector de verhouding tussen huur- en koopwoningen gewijzigd ten gunste van de laat¬ ste. In variant 2 worden ten koste van het aantal duurdere koopwoningen meer koop¬ woningen in de midden-prijsklasse aangeboden, terwijl ook in deze variant in de socia¬ le sector de verhouding tussen huur- en koopwoningen gewijzigd is ten gunste van de laatste.

De regiomie bouwproduktie Door natuurlijke aanwas groeit de regionale bevolking jaarlijks met 2.000 huishou¬ dens. Als gevolg van de te verwachten groei van de werkgelegenheid wordt rekening gehouden met een jaarlijkse toename van de woningvraag van huishoudens van bui¬ ten de regio (vestigers) van ca. 2.500 huishoudens. Dit betekent dat met een regionale bouwproduktie van 4.500 woningen per jaar het huidige basistekort (in het rvhp geschat op 10.000 tot 20.000 woningen) gelijk blijft. In tabel 12 is een raming weergegeven van de jaarlijkse bouwproduktie van alle loca¬ ties in de regio Utrecht in de periode 1995-2004. Om de minimale produktie van 4.500 woningen per jaar te halen zal een sterker accent op de eerste jaren gelegd moeten worden. Bij het opvoeren van de jaarproduktie dient echter rekening gehouden te worden met de maximale marktopnamecapaciteit (regionaal geraamd op 6.000 woningen per jaar). Regionale afstemming is dus van groot belang.

Woningbouwprogramma voor Leidsche Rijn, periode 1995-2015, in procenten basisprogramma

Raming van dejaarlijkse bouwproduktie in het MU-gebied, periode 1995-2004, in aantallen maximaal op te leveren woningen 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 totaal Leidsche Rijn Houten-Zuid Utrechtfunctieverandering Utrecht ucp-verdichting Nieuwegein binnenstedelijk totaal

50 29 79

600 1.800 3.000 2.900 2.900 2.900 2.900 300 720 1.080 1.440 900 780 480 166 273 648 615 250 < 1.000 150 210 210 < 430 36 200 100 250 200 < 785 16.375 202 1.373 3.418 5.155 5.000

300 6.000 » 3.000 > 1.000 >• 1.600 >31.600

U II IIP IV V VI VII

Huur Huur Koop Koop Koop Koop Koop

< 810 > 810 < 160.000 160-200 200-280 280-400 > 400.000 Totaal

totaal

gestapeld

21 6 10 16 21 20 5 100

14 4 4 3 2 2 1 30

variant 1 totaal gestapeld 15 10 15 10 25 20 5 100

4 2 4 5 2 2 1 20

variant 2 totaal

gestapeld

15 10 15 25 20 10 5 100

6 4 6 6 4 3 1 30

1 Sociale sector

Bron RBUjisr 14juni 1995 Woningbouwprogramma (basisprogramma) voor Leidsche Rijn naar bouwperiode en gemeente, periode 1995-2015, in procenten

Financiële middelen In het programma wordt uitgegaan van 30% sociale woningbouw. De realisering hiervan is afhankelijk van het ter beschikking stellen van subsidie door het Rijk. De voorlopige meeijarentoezeggingen zijn vooralsnog echter weinig hoopgevend. Grote inspanningen van alle betrokken partijen zijn vereist om - ook op jaarbasis - de haal¬ baarheid van het aandeel sociale woningbouw te waarborgen. Herstructurering van de bestaande woningvoorraad Woningbouw in Leidsche Rijn speelt een rol bij de herstructureringsmogelijkheden van de bestaande voorraad. Bij het opstellen van het programma voor de lange termijn zijn aannamen gedaan inzake verkoop, sloop, vervangende nieuwbouw en renovatie van de bestaande woningen (zie tabel 3). Daarbij is uitgegaan van een gelijkmatige spreiding over de periode 1995-2005. Indien substantieel van deze lijn wordt afgewe¬ ken, vergt dat een nadere overweging van het programma in het betreffende jaar. Streven naar een continue bouwstroom Zowel in Leidsche Rijn als regionaal wordt gestreefd naar een continue bouwstroom. De belangrijkste reden is het voorkómen van pieken in de bouwstroom, zodat de maxi¬ male marktopnamecapaciteit niet overschreden wordt. Gelet op het bovenstaande kan ten aanzien van de fasering gesteld worden dat voor de periode 1997-2004 een bouwstroom van ongeveer 2.500 woningen per jaar wense¬ lijk is.

Mocht onder druk van externe factoren in een bepaalde periode een hogere pro¬ duktie wenselijk zijn, dan dient rekening gehouden te worden met de maximale marktopnamecapaciteit van de regio.

In deze paragraaf wordt het voorafgaande samengevat tot een integraal woning¬ bouwprogramma voor Leidsche Rijn. In het kwantitatieve programma is een onder¬ scheid gemaakt tussen een basisprogramma (dat overeenkomt met het in een eerdere paragraaf op basis van het regionale programma berekende programma) en twee varianten. De beide varianten zijn afgeleid uit de alternatieve modellen voor het regio¬ nale programma. Kwantitatief is voor het programma de viNEX-taakstelIing richtinggevend. Dit bete¬ kent dat in Leidsche Rijn in totaal 30.000 woningen gerealiseerd zullen worden, waar¬ van 20.000 in de eerste fase (1995-2005) en 10.000 in de tweede fase (2005-2015). De 20.000 woningen die in de eerste fase worden gerealiseerd, zijn gelijkelijk verdeeld over de plandelen van de gemeente Utrecht en van de gemeente Vleuten-De Meem. De

r II iir IV V VI VII

Utrecht 1995-2005

Vleuten-De Meem 1995-2005 totaal gestapeld

Prijsklassen

totaal

gestapeld

< 810 > 810 < 160.000 160-200 200-280 280-400 > 400.000 Totaal

21 5 9 16 22 21 6 100

12 3 2 2 2 3 1 25

21 5 9 16 22 21 6 100

Aantal woningen

10.000

2.500

10.000

Huur Huur Koop Koop Koop Koop Koop

utrecht 2005-2015 totaal

gestapeld

12 3 2 2 2 3 1 25

22 8 13 16 20 17 4 100

18 6 7 4 2 2 1 40

2.500

10.000

4.000

1 Sociale sector Stapeling en dichtheid In tabel 14 wordt het basisprogramma voor de woningbouw, gesplitst naar bouwpe¬ riode en naar gemeente, weergegeven. Hieruit blijkt dat het stapelingspercentage in de eerste fase lager ligt dan 30% (25%). Dit zal in de tweede fase worden gecompenseerd (40%). Hiermee wordt ingespeeld op de toekomstige wijziging in de bevolkingssamen¬ stelling (toenemende vergrijzing en individualisering). Redenen om een stapelings¬ percentage van 30% aan te houden zijn: - meer variatie- en differentiatiemogelijkheden; - het scheppen van stedelijkheid; - ruimtebesparing; - het scheppen van draagvlak voor het openbaar vervoer. Conform het verschil in stapelingspercentage in de eerste en de tweede fase zal ook de dichtheid per fase enigszins verschillen. Voor het totale plangebied wordt een dicht¬ heid van 37 won/ha aangehouden. Een variatie in dichtheid (hoger bij halten van het openbaar vervoer en langs de 'groene' en 'blauwe' randen van het plangebied, lager op andere plekken) maakt het totstandbrengen van een verscheidenheid in woonmilieus mogelijk.

Ruimtebeslag Tabel 15 laat zien met welk ruimtebeslag rekening gehouden moet worden. Er is een onderscheid gemaakt in het netto-woongebied (de woningen en de directe woonom¬ geving) en het netto-plangebied (het netto-woongebied plus elementen op wijkni¬ veau). Aangegeven is wat het gemiddelde ruimtebeslag per woning is op de onder¬ scheiden niveaus, wat de bijbehorende dichtheid in woningen per hectare is en hoe¬ veel woningen gerealiseerd kunnen worden op de beschikbare 800 ha. De bandbreed¬ te blijkt uiteindelijk relatief smal. Er is uitgegaan van standaardnormen voor kavelgrootten. In de uitvoering bestaat zo nog de mogelijkheid door meer specifieke oplossingen een optimalisering te berei¬ ken. De verhardingsnorm is gebaseerd op de principeprofielen voor woon- en buurt¬ straten in een gebied waar een maximum-snelheidsbeperking geldt van 30 km/uur. De groennormen zijn gebaseerd op een standaardgetal voor recreatiefgroen in de woon¬ omgeving, dat algemeen gebruikt wordt wanneer een relatief groot oppervlak tech¬ nisch groen gerealiseerd wordt. Dat is in Leidsche Rijn het geval. De gebruikte opper¬ vlakten technisch groen zijn gebaseerd op het ontworpen waterhuishoudingssysteem. Onder het oppervlak 'restzone' is een marge opgenomen voor de aansluiting op te handhaven elementen, voor incidentele hinderzones en voor bijzondere functies zoals kleinschalige werkgelegenheid.

Gemiddeld ruimtebeslag en capaciteit netto-plangebied (indicatief) basisprogramma

vanant 2

Totaal netto-plangebied

800 ha

800 ha

800 ha

Netto-woongebied (m^fwon) Uitgee/baar Verharding Recreatie/groen Technisch groen|water' Totaal ruimtebeslag NWG Dichtheid (won/ha)

152,8 71.2 12.3 6,0 242,3 41,3

159,3 71,3 12,3 6,0 248,9 40,2

135,9 66,9 12,3 6,0 221,1 45,2

Overig (m^/won) Wijkinfrastructuur Wijkgroen Voorzieningen Technisch groen[woter^ Taluds Restzone^ Totaal ruimtebeslag NPG Dichtheid (won/ha) Capaciteit (aantal woningen)

1,0 6.6 5,3 6,8 4,2 2.7 268,9 37,2 29.751

1,0 6.6 5,3 6,8 4,2 2.7 275,5 26,3 29.038

1,0 6.6 5,3 6,8 4,2 2.7 247,7 40,4 32.297

1 Technisch groen/water: wadi's 2 Technisch groenjwater. water ten behoeve van buffering in netto-plangebied 3 Restzone ten behoeve van: verkavelingsveriiezen, hinder en kleinschalige bedrijvigheid In kwalitatieve zin is in het woningbouwprogramma uitwerking gegeven aan de wens een gedifferentieerd nieuw woongebied te maken en tegelijkertijd maatwerk te leveren. De gemiddelde woning (uit tabel 15) is het saldo van zeer uiteenlopende program¬ ma's voor deelgebieden. Vooralsnog wordt gedacht aan tien deelgebieden met een uit¬ eenlopende situering en omvang (2000-4000 woningen). De situering bij openbaar vervoer ofvoorzieningen, tussen de linten ofbij parkgebieden en water is aanleiding geweest voor de verschillen in het programma in dichtheid en stapelingspercentage. De kwaliteiten van de locatie worden tot het uiterste benut. Bijzondere woonvormen Uitgangspunt is de uitplaatsing van de glastuinbouw. Tussen de bestaande, te hand¬ haven woningen in de linten komt bij deze uitplaatsing ruimte vrij. In de delen met een woonbestemming kan deze ruimte benut worden voor (speciaal voor dit doel aan te wijzen) bijzondere woonvormen en experimenten: van zelfbouwkavels tot appar¬ tementencomplexen in het groen. Een deel van het water kan benut worden als lig¬ plaats voor woonschepen.

Daaraan moeten dan kwaliteitseisen gesteld worden, bij¬ voorbeeld in de vorm van een minimum-investeringsniveau. Met de mogelijk te reali¬ seren woningaantallen in de linten en op het water is in de capaciteitsberekeningen geen rekening gehouden. Deze aantallen betreffen een surplus. Aanpasbaarheid en flexibiliteit De bijzondere woonvormen in de linten en op het water laten onverlet dat ook in de deelgebieden zelf een hoge kwaliteit geleverd moet worden. De kritische consument zal geen genoegen nemen met een standaardwoning. Aanpasbaarheid, een grote woonkamer, een extra kamer eventueel te gebruiken om thuis te werken en voldoen¬ de buitenruimte in verschillende soorten en maten vormen een absolute eis. Aandacht is ook nodig voor de kwaliteit van gestapelde woningen. Liftontsluitingen, overdekt parkeren op eigen terrein, combinaties met andere functies dienen tot de standaard te behoren.

Hoofdstuk 3 Werken Voor de toekomstige beroepsbevolking van Leidsche Rijn wordt ruimte voor werk¬ gelegenheid gereserveerd. In de regio bestaat thans een tekort aan werklocaties. Mede gelet op het streven naar de beheersing van de automobiliteit betekent dit dat het aanbod van werklocaties in Leidsche Rijn een belangrijke rol zal spelen in de regio. Derhalve worden de werklo¬ caties in een regionale context beschouwd. Dit hoofdstuk richt zich op de werkgebieden in Leidsche Rijn, uitgesplitst naar kan¬ torenlocaties en bedrijfsterreinen. Begonnen wordt met een korte uiteenzetting over de uitgangspunten. Daarop volgt een paragraaf die gewijd is aan de classificatie van locaties op basis van bereikbaarheidsprofielen. In twee afzonderlijke paragrafen wordt het regionale programma voor respectievelijk kantoren en bedrijven behan¬ deld. In de slotparagraaf worden deze regionale programma's vertaald naar een pro¬ gramma voor Leidsche Rijn. Uiiqonuspunten Doel van het regionale economische beleid is het scheppen en instandhouden van werkgelegenheid. Een van de middelen om dit doel te verwezenlijken is de versterking van de positie van Utrecht in de Randstad door de ligging van de regio op een knoop¬ punt van hoofdtransportassen zo veel mogelijk uit te buiten.

Een versterking kan bereikt worden door in de economische structuur van de regio een grotere mate van diversiteit tot stand te brengen. Hierop zal met het aanbod van kantorenlocaties en bedrijfsterreinen ingespeeld moeten worden. De vraag naar kantorenlocaties en bedrijfsterreinen is momenteel groter dan het aanbod en het ziet ernaar uit dat de behoefte in de toekomst nog aanzienlijk zal toe¬ nemen. Met het oog op de beheersing van de automobiliteit wordt er bij het situeren van werkgebieden gestreefd naar een zo groot mogelijke menging met de woonfunctie op verschillende ruimtelijke schaalniveaus. Menging heeft ook het voordeel dat bepaalde voorzieningen efficiënter kunnen worden gebruikt en dat er zuiniger met ruimte wordt omgesprongen. Bovendien kan menging tot een verlevendiging van het stadsbeeld leiden. Op de lagere ruimtelijke schaalniveaus - de buurt - komt menging tegemoet aan de tendens om aan huis te werken, een tendens die mede het gevolg is van ontwikkelingen op het gebied van de communicatietechnologie. Een belangrijke doelstelling is het creëren van 'social return'. De essentie hiervan is werkzoekenden in de regio zoveel mogelijk te laten profiteren van grootschalige investeringsprojecten. Dit betekent onder andere dat er een effectieve koppeling moet worden aangebracht tussen de vraag naar en (te kwalificeren en te bemiddelen) aan¬ bod van werk.

Kansrijke economische activiteiten in de regio Utrecht zijn: In de kantorensector: - (inter-)nationaal georiënteerde dienstverlening: - regionaal georiënteerde dienstverlening, non-profit- en overige kantoorgebonden activiteiten; In de bedrijvensector: - hoogwaardige, kennisgeoriënteerde bedrijvigheid; - logistieke dienstverlening en handel; - distributie, transport en industrie. A-, 6- en C-locaties Bij het opstellen van regionale programma's voor kantoren en bedrijven is het van belang om naast kwantitatieve criteria zoals het benodigd oppervlak, ook kwalitatie¬ ve criteria te hanteren. Immers door verschillende economische activiteiten worden uiteenlopende locatie-eisen gesteld. Eén van de aspecten waarin locaties onderling verschillen is de wijze waarop zij bereikbaar zijn - en bereikbaarheid speelt een belangrijke rol in het mobiliteitsbeleid. Naar de mate waarin kantoren- en bedrijfslo¬ caties per openbaar vervoer en per auto bereikbaar zijn worden zij geclassificeerd als A-, B- en C-locaties. Ook wordt wel gesproken van locaties met een A-, B- of C- (bereikbaarheidsjprofiel. A-locaties A-locaties zijn de zogeheten openbaar-vervoerlocaties. Zij liggen nabij hoogwaardi¬ ge knooppunten van (inter)nationale treinverbindingen en overige vormen van open¬ baar vervoer. A-locaties zijn bij uitstek kantorenlocaties.

Zij zijn het domein van hoog¬ waardige (inter)nationaal georiënteerde dienstverlening. Het aantal A-locaties is beperkt tot de omgeving van de hoofdstations van de grotere stedelijke regio's. In de regio Utrecht is de omgeving van het Centraal Station van Utrecht, het ucp-gebied de A-locatie.

B-locaties B-locaties kunnen worden omschreven als gecombineerde openbaar vervoer-/autolocaties. In de grotere stedelijke regio's liggen zij in de periferie, in de nabijheid van een voorstadstation of een Hov-halte. Zij zijn tevens goed ontsloten vanaf de regiona¬ le en landelijke autoverkeersinfrastructuur. Bij de B-locaties is sprake van zowel kan¬ torenlocaties als bedrijfslocaties. C-locaties C-locaties zijn autolocaties. Zij liggen in het algemeen aan de rand van de bebouw¬ de kom, in de onmiddellijke nabijheid van een afslag van een autosnelweg. C-locaties zijn bedrijfslocaties. r:'vUoUtrechi Met het oog op de toekomstige behoefte aan kantoorlocaties en bedrijfsterreinen (waarop in een andere paragraaf nader wordt ingegaan) zijn de bestaande terreinen die beschikbaar zijn ofop korte termijn beschikbaar komen (restcapaciteit), en te ont¬ wikkelen terreinen in de regio geïnventariseerd en als B- of als C-locatie geclassifi¬ ceerd. Bij de aanwijzing als B-locatie is daarbij geanticipeerd op de realisering van de vol¬ gende geprojecteerde Hov-lijnen; - Utrecht cs - Rijnsweerd/Uithof (door de binnenstad én 'om de zuid'); - Utrecht cs - Oudenrijn - Vleuten; - Utrecht cs - Houten-Zuid; - Utrecht cs - Lage Weide-Zuid - Vleuten; - de tangent Zuilen/Maarssenbroek - Leidsche Rijn - Nieuwegein en Houten.

Tevens is ervan uitgegaan dat op termijn het hoofdwegennet, zowel in zijn verbin¬ dende als in zijn ontsluitende functie, op een vereist capaciteitsniveau is gebracht. B-locaties bestemd voor kantoren restcapaciteit (379.200 m^) Houten-Zuid (64.000 m^) De Bilt (7.500 m^) Blokhoeve (Nieuwegein) (30.000 m^) Nieuwraven (120.000 m^) locaties Leidsche Rijn (700.000 m^) B-locaties bestemd voor bedrijven restcapaciteit Houten-Zuid locaties Leidsche Rijn

(6 ha) (12 ha) (88 ha)

C-locaties, niet bestemd voor bedrijven met een hoge hindercategorie - restcapaciteit (100 ha) - Houten-BARK (40 ha) - Nieuwraven (10 ha) - locaties Leidsche Rijn (94 ha) Overige C-locaties Het Klooster Vianen-Oost

(34 ha) (47 ha)

In tabel 16 is de vraag naar kantoorruimte in de regio in de periode 1993-2015, ver¬ deeld over de korte, de middellange en de lange termijn en uitgesplitst naar A- en Blocaties weergegeven. Hieruit bUjkt dat er op de lange termijn behoefte bestaat aan 806.000 m^ kantoorruimte op A-locaties en 825.000 m^ kantoorruimte op B-locaties. Het toekomstig aanbod aan kantooruimte op A-locaties in de regio is beperkt tot het ucp-gebied, dat kan voorzien in 300.000 m^. Wat betreft kantoorruimte op B-locaties is er een groter en gevarieerder aanbod. Exclusief restcapaciteit komt er in totaal 906.500 m^ kantoorruimte beschikbaar.

Vraag naar kantorenruimte in de regio, periode 1993-2015, in m^ bvo Periode A-locaties B-locaties 1993-2000 2000-2005 2005-2015 Totaal

283.000 193.000 330.000 806.000

285.000 210.000 330.000 825.000

Totaal 568.000 403.000 660.000 1.631.000

1993-2015 In tabel 17 zijn de tekorten en overschotten aan kantoorruimte in de regio in de periode 1993-2015, uitgesplitst naar A- en B-locaties en inclusief restcapaciteit, weer¬ gegeven. Hieruit blijkt dat hoewel vraag en aanbod in totaal in evenwicht zijn, er een aanzienlijk tekort aan kantoorruimte op A-locaties is (433.000 m^) - en een vergelijk¬ baar overschot aan kantoorruimte op B-locaties (460.700 m^).

Tekorten aan bedrijf^erreinen in de regio, periode 1993-2015, in netto ha

Tekorten en overschotten aan kantoorruimte in de regio, periode 1993-2015, in

behoefte restcapaciteit nieuwe plannen tekort/overschot

A-prqfiel

B-projiel

Totaal

806.000 43.000 330.000 -433.000

825.000 379.000 907.000 -•-461.000

1.631.000 422.000 1.237.000 -•-28.000

1993-2000 In tabel 18 zijn de tekorten en overschotten op de korte termijn (1993-2000) weerge¬ geven. In het aanbod kan in deze periode uitsluitend voorzien worden door de bestaande restcapaciteit. Dan blijkt het tekort aan kantoorruimte op A-locaties ver¬ houdingsgewijs nog nijpender te zijn (240.000 m^ bij een vraag van 283.000 m^) - ter¬ wijl er een overschot aan kantoorruimte op B-locaties is.

behoefte restcapaciteit nieuwe plannen tekort/overzicht

B-profiel

C-profiel

Totaal

242 6 100 -136

345 100 220 -25

587 106 320 -161

1993-2000 In tabel 21 zijn de tekorten op de korte termijn (1993-2000) weergegeven. In het aan¬ bod kan in deze periode uitsluitend voorzien worden door de bestaande restcapaciteit. Er blijkt op korte termijn een enorm tekort aan bedrijfsterreinen op B-locaties te zijn.

Tekorten aan bedrijfsterreinen in de regio op de korte termijn, periode 1993-2000, in netto ha Tekorten en overschotten aan kantoorruimte in de regio op de korte termijn, periode 1993-2000, in

behoefte restcapaciteit tekort/overschot

A-profiel

B-profiel

Totaal

283.000 43.000 -240.000

285.000 379.000 + 94.000

568.000 422.000 -146.000

Bij de confrontatie tussen vraag en aanbod kunnen de volgende kanttekeningen gemaakt worden. In de eerste fase van het ucp kan slechts gedeeltelijk in de behoefte aan A-locaties worden voorzien (100.000 m^). Voorkomen moet worden dat door een overmaat aan aanbod van nieuwe plannen hoogwaardige (inter)nationale zakelijke dienstverlening uitwijkt naar B-locaties en dat op die manier de uitvoering van het mobiliteitsbeleid wordt verzwakt. Daarom zal ook in Leidsche Rijn uiterst zorgvuldig en terughoudend moeten worden omgegaan met het ontwikkelen op korte termijn van B-locaties. Met name de omgeving van station Leidsche Rijn zal een aantrekkelijk milieu vormen voor (inter-)nationale zakelijke dienstverlening. De ontwikkeling hiervan is overigens pas na 2005 voorzien. Aan de vraag naar kantooruimte voor de regionaal georiënteerde dienstverlening en de overige kantoorgebonden activiteiten kunnen op korte termijn Houten-Zuid en de restcapaciteit tegemoet komen. De locaties in Leidsche Rijn (Polder Papendorp en de omgeving van station Leidsche Rijn) zullen vooral een opvangfunctie vervullen voor de behoefte op middellange termijn (2000-2015). Ook dan is een zorgvuldige afstem¬ ming nodig met het ucp.

In tabel 19 is de vraag naar bedrijfsterreinen in de regio in de periode 1993-2015, ver¬ deeld over de korte, de middellange en de lange termijn en uitgesplitst naar B- en Clocaties weergegeven. Hieruit blijkt dat er op de lange termijn behoefte bestaat aan 242 ha op B-locaties en 345 ha op C-locaties - waarvan 170 ha voor logistieke dienst¬ verlening en handel en 175 ha voor distributie, transport en industrie. Het toekomstig aanbod aan bedrijfsterreinen op B-locaties in de regio omvat exclu¬ sief restcapaciteit 100 ha. Naast een restcapaciteit komt er aan C-locaties op termijn 225 ha beschikbaar.

Vraag naar Bedrijfsterreinen in de regio, periode 1993-2015, in netto ha Periode

B-profiel

C-profiel

Totaal

1993-2000 2000-2005 2005-2015 Totaal

86 66 90 242

118 67 160 345

204 133 250 587

1993-2015 In tabel 20 zijn de tekorten aan bedrijfsterreinen in de regio in de periode 1993-2015, uitgesplitst naar B- en C-locaties en inclusief restcapaciteit, weergegeven. Hieruit blijkt dat er een groot tekort aan bedrijfsterreinen op B-locaties en een gerin¬ ger tekort aan bedrijfsterreinen op C-locaties is.

behoefte restcapaciteit tekort/overschot

B-projiel

C-profiel

Totaal

86 6 -80

118 100 -18

204 106 -98

In de periode tot 2005 moeten naast de restcapaciteit Houten-Zuid en Polder Papen¬ dorp in Leidsche Rijn beschikbaar komen, waardoor het tekort aan B-locaties enigs¬ zins kan afnemen. Na 2005 komt ook het bedrijfsterrein met een B-profiel bij station Leidsche Rijn gereed. Om het tekort aan B-locaties op te heffen zijn verschillende oplossingen denkbaar. Er kunnen additionele locaties met een (potentieel) B-profiel worden aangewezen. Ook kunnen B-locaties voor kantoren herbestemd worden voor bedrijven. Ten slotte kunnen C-locaties opgewaardeerd worden tot B-locaties. In het laatste geval zullen eisen gesteld worden aan de ontsluiting per openbaar vervoer. Als C-locatie komt in de periode tot 2005 ook het eerste deel van het langs de A2 gele¬ gen bedrijfsterrein gereed. Dit is niet bestemd voor bedrijven met een hoge hindercategorie. Deze zijn aangewezen op andere locaties in de regio (Het Klooster en VianenOost). Aan kleinschalige lokale bedrijfsterreinen bedraagt tot het jaar 2015 de regionale behoefte ca. 110 ha. Deze behoefte is verdisconteerd in de oppervlakten van locaties met een B- en C-profiel die weergegeven zijn in tabel 19. Deze behoefte komt ten dele voort uit stad- ofwijkgebonden bedrijven in de sfeer van handel, zakelijke dienstver¬ lening en ambachtelijke bedrijven. Ook speelt hierbij herlocatie als gevolg van uit¬ plaatsing uit stadsvernieuwingsgebieden een rol.

Hiervoor is 25 a 35 ha gereserveerd. Kleinschalige lokale bedrijfsterreinen zullen gesitueerd worden in bestaand en in te ontwikkelen stedelijk gebied. Hier doet de mogelijkheid zich voor om woon- en werkflmcties te mengen.

Behalve 30.000 woningen zullen in Leidsche Rijn zo'n 30.000 arbeidsplaatsen gere¬ aliseerd kunnen worden op de werklocaties. Bij dit aantal is niet inbegrepen het aan¬ tal plaatsen dat gegenereerd wordt door de werkgelegenheid in de detailhandel en de voorzieningen en de kleinschalige werkgelegenheid, die in de deelgebieden geïnte¬ greerd zal kunnen worden. Evenmin inbegrepen zijn de bestaande arbeidsplaatsen in het gebied. Er is een omvangrijke regionale behoefte aan kantoor- en bedrijfsterreinen. Leid¬ sche Rijn kan daarvan profiteren mede door de gunstige ligging ten opzichte van de nationale infrastructuur (a2, A12, spoorlijn Utrecht-Den Haag/Rotterdam). Ook een groeipool in de Randstad als Schiphol ligt op korte afstand. In Leidsche Rijn zijn vier concentratiegebieden voor werkgelegenheid aangewezen: Polder Papendorp, de omgeving van het station Leidsche Rijn, een terrein langs de A2 en de omgeving van de plas Strijkviertel (Oudenrijn). Polder Papendorp is georiënteerd op de a2 en de A12 en zal voorts worden aange¬ sloten op een Hov-lijn. Dit werkgebied is bestemd voor kantoren en bedrijven met een B-profiel. De planuitvoering zal vóór 2005 ter hand worden genomen.

Gezien de fase¬ ring van de verplaatsing van de a2 en het realiseringstijdstip van het interregiostation Leidsche Rijn wordt gekozen voor een start met de ontwikkeling van de B-kantoren¬ locatie bij het station in de periode na 2005. Het gebied in de omgeving van station Leidsche Rijn is vooral een openbaar-vervoerlocatie. Het wordt ontsloten door het Randstadspoor en door een tangentiale hovlijn. Het gebied is bestemd voor kantoren en bedrijven met een B-profiel. Voorwaarde voor de realisering zijn de verlegging (en de integratie) van de A2 en de ingebruikna¬ me van het station, zodat het gebied pas in de tweede fase beschikbaar komt. Bij de

kantoorontwikkelingen in zowel Polder Papendorp als in de omgeving van station Leidsche Rijn zal een afstemming met het ucp plaatsvinden. Het terrein langs de az is gedeeltelijk bestemd voor bedrijven met een C-profiel. De ontwikkeling en de uitgifte van dit gebied kan op korte termijn beginnen en, afhan¬ kelijk van de vraag, in de loop van de planuitvoering versneld of vertraagd worden. Voorts worden enkele kleinere locaties verspreid over het plangebied gereserveerd. Wat betreft kantoren voorziet het programma in de realisering - in de periode 19952015 - van 700.000 m^ vloeroppervlak. Inclusief de parkeervoorzieningen - die op grond van een strikt parkeerbeleid ten dele in compacte overdekte parkeergarages moeten worden ondergebracht - is een bruto-terreinoppervlak aangehouden van 60 ha. Voorzien zijn twee grote locaties. Polder Papendorp en de omgeving van station Leidsche Rijn, en enkele kleinere locaties verspreid over het plangebied. Bij Polder Papendorp ligt het accent op de kleinere en middelgrote kantoren met een regionale en/of (inter)nationale oriëntatie en gekenmerkt door 'front ofïice'-activiteiten. Dit laatste aspect stelt eisen aan een goede bereikbaarheid per auto. Als refe¬ rentie voor het kantorenmilieu van Polder Papendorp kan Rijnsweerd-Noord ge¬ noemd worden.

Bij de omgeving van station Leidsche Rijn ligt het accent op de middelgrote en gro¬ tere kantoren, eveneens met een regionale en/of(inter)nationale oriëntatie, maar met meer nadruk op 'back office'-activiteiten. Bereikbaarheid per openbaar vervoer is hier¬ bij een belangrijk gegeven. Als referentie kan Rotterdam Alexanderpolder/Oosterhof genoemd worden. De kleine locaties verspreid over het plangebied zijn bestemd voor kleine en mid¬ delgrote kantoren met een vooral lokale en/of regionale oriëntatie. Tot de categorie kleine locaties behoren de omgeving van het te verplaatsen spoor¬ wegstation Vleuten en het nieuwe centrum van Vleuten-De Meem. Te zamen zal op deze locaties 40.000 m^ kantoorvloeroppervlak worden gerealiseerd. Om redenen van identiteit en sociale veiligheid gaat de voorkeur uit naar de volgende verdeling: 15.000 m^ in het stationsgebied en 25.000 m^ in het nieuwe centrumgebied. Een groeisector van formaat in de regio is onder andere hoogwaardige kennisgeoriënteerde bedrijvigheid zoals drukkerijen, assemblagebedrijven, laboratoria en ser¬ vicecentra. Het programma voorziet in een bruto-oppervlak op B-locaties van 140 ha. Netto uitgeefbaar is 90 ha. Afhankelijk van de aard van de bedrijven komt Polder Papendorp, de omgeving van station Leidsche Rijn of Oudenrijn voor vestiging in aan¬ merking.

Ook voor bedrijven met een C-profiel is in Leidsche Rijn een bruto-terreinoppervlak van 140 ha gereserveerd (netto uitgeefbaar: 90 ha). Tot deze categorie behoren logis¬ tieke dienstverlening en handel en distributie, transport en industrie. Voor deze laat¬ ste geldt de beperking 'tot en met hindercategorie 4'. Op grond van het milieubeleid zal voor milieuhinderlijke, zwaardere industrie (hindercategorie 6) in Leidsche Rijn geen plaats zijn.

Het aantal woningen dat in Leidsche Rijn zal worden gerealiseerd is dermate groot dat een uitgebreid voorzieningenpakket vereist is om het plangebied van voldoende kwaliteit te verzekeren. Bij het bepalen van de aard en de omvang van dit pakket wordt rekening gehouden met het bestaande aanbod in de regio én met behoeften in de regio. Om Leidsche Rijn een sterk imago te geven worden in het programma boven¬ dien enkele voorzieningen met een bovenregionale uitstraling opgenomen. In de eerste paragraafvan dit hoofdstuk worden de uitgangspunten die gehanteerd zijn bij het opstellen van het programma voor de voorzieningen uiteengezet. Hierop volgen zeven paragrafen waarin per sector het programma wordt toegelicht: - detailhandel - onderwijs - gezondheidszorg - welzijn en cultuur - overheid en openbare veiligheid - sport en niet-openbaar groen - openbaar groen en openluchtrecreatie - bovenregionale voorzieningen Het hoofdstuk wordt afgesloten met een paragraaf waarin het integrale voorzienin¬ genprogramma voor Leidsche Rijn is samengevat.

In de detailhandel is een proces van schaalvergroting gaande. Voor het programma betekent dit dat de winkelvoorzieningen zoveel mogelijk geconcentreerd worden in centra die qua verzorgingsgebied tenminste een wijk - met een draagvlak van 18.000 a 20.000 mensen - bestrijken. Hierbij wordt een uitzondering gemaakt voor de bestaande winkelcentra van de kernen Vleuten en De Meem die in de toekomstige stmctuur de functie van buurtwinkelcentrum zullen vervullen. In tabel 23 is het toekomstig aantal inwoners van Leidsche Rijn, uitgesphtst naar de bestaande kernen, het Vleutense plandeel en het Utrechtse plandeel weergegeven. Om ervoor te zorgen dat de winkelcentra goed bereikbaar zijn, wordt bij de situ¬ ering ervan rekening gehouden met de ligging van de hoofdontsluitingsroutes. Om ook in het woon-winkelverkeer het gebmik van de auto te beperken moeten de win¬ kelcentra optimaal bereikbaar zijn per fiets en aangesloten zijn op het openbaar-ver¬ voernetwerk. De centra krijgen zoveel mogelijk een multifunctioneel karakter. Dit houdt in dat er ook andere voorzieningen, zoals sociaal-culturele voorzieningen, in worden onder¬ gebracht. Op die manier kunnen de centra als brandpunten in een wijk gaan functio¬ neren.

Toekomstig aantal inwoners van Leidsche Rijn, uitgesplitst naar de bestaande kernen, het Vleutense plandeel en het Utrechtse plandeel deelgebied

bestaand De Meem ±10.000 — ±10.000 Vleuten ± 6.000 — ± 6.000 nieuwbouw

Een absolute voorwaarde voor het totstandbrengen van een optimale voorzienin¬ genstructuur in Leidsche Rijn is de versterking van de aanwezige kwaliteiten, met name de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten. Deze spelen een belang¬ rijke rol in het programma voor recreatieve voorzieningen. Echter ook de bestaande voorzieningen in de kernen Vleuten en De Meem, zoals winkels, scholen en sportvoorzieningen zullen in de voorzieningenstructuur worden geïntegreerd. Een belangrijk uitgangspunt voor het voorzieningenprogramma vormt uiteraard de omvang en de samenstelling van de toekomstige bevolking van Leidsche Rijn. Deze bepalen het draagvlak. In tabel 22 is een prognose hiervan, voor het jaar 2005 en voor het jaar 2015, weergegeven. Hieruit blijkt dat het totaal aantal inwoners in 2005 ruim 65.000 en in 2015 bijna 87.000 zal bedragen. Dit betekent dat Leidsche Rijn in de eind¬ fase qua inwoneraantal de omvang heeft van steden als Delft en Leeuwarden!

Prognose omvang en samenstelling van de bevolking van Leidsche Rijn, in 2005 en in 2015 bevolking (personen)

2005

2015

%

0-4 jaar 5-11 jaar 12-17jaar 18-34 jaar 35-54 jaar 55-74 jaar 75-ptas totaal bevolking

4.600 5.700 3.700 14.700 23.600 10.700 2.300 65.300

6.100 7.700 5.000 19.600 31.400 14.300 3.000 86.900

7 9 6 23 36 16 4 100

gemiddelde woningbezetting

2,35

2,30

nvt

In de structuur van de voorzieningen wordt een hiërarchische ordening aange¬ bracht. Voor deze ordening worden, van laag naar hoog, de volgende schaalniveaus gehanteerd: buurt, wijk, stadsdeel (het niveau van Leidsche Rijn), regio. Per niveau krijgen de voorzieningen een eigen profiel. Voorzieningen op buurt- en wijkniveau worden zoveel mogelijk met woningen gemengd. Om kosten (en ruimte) te besparen worden de voorzieningen zoveel mogelijk gecombineerd. Dit geldt met name voor onderwijs-, sport- en sociaal-culturele voor¬ zieningen. Bij de situering van de voorzieningen staat een goede bereikbaarheid per fiets en met het openbaar vervoer voorop. Zo kan het gebruik van de auto in het woon-winkelverkeer, maar vooral ook in het vrije-tijdsverkeer, beperkt blijven. Er is uitgegaan van een integraal programma voor het gehele plangebied. Dit bete¬ kent dat in het hiernavolgende voor een aantal sectoren nog geen onderscheid gemaakt is tussen het Utrechtse en het Vleutense deel van het plangebied.

Uitgangspunt voor het programma voor de detailhandel in Leidsche Rijn is de reali¬ sering van een duurzame voorzieningenstructuur. Bedoeld wordt een structuur waar¬ in vraag en aanbod zowel ruimtelijk als economisch voor langere termijn optimaal op elkaar zijn afgestemd.

huidig aantal aantal aantal inwoners nieuwe woningen inwoners in 2015

deel Vleuten-De Meem — ±10.000 ±22.000 deel Utrecht — ± 20.000 ± 44.000 totaal Leidsche Rijn ± 82.000

Om tijdens de bouwperiode een minimaal aanbod van voorzieningen te kunnen garanderen, zal ernaar gestreefd worden om ofwel de winkelcentra gefaseerd te reaUseren ofwel noodwinkelvoorzieningen te creëren. In hoeverre dit in de praktijk moge¬ lijk is, zal per geval afhangen van het verwachte draagvlak en de animo van de onder¬ nemers). Voor de detailhandel is in het netto-plangebied 5,6 ha, in het bmto-plangebied 10,4 ha gereserveerd. In tabel 24 zijn de belangrijkste elementen van dit programma-onderdeel weergegeven. Bij de in de tabel vermelde oppervlaktematen is nog geen rekening gehouden met overige voorzieningen. Als vuistregel kan aangehouden worden dat hiervoor de cijfers met ca. 20% verhoogd moeten worden. Uit de tabel blijkt dat de winkelvoorzieningen zijn geconcentreerd in: - een stadsdeelcentrum met een bruto-vloeroppervlak van 30.000 a 40.000 m^, in het Utrechtse deel van Leidsche Rijn; - twee wijkcentra met een bruto-vloeroppervlak van 10.000 a 12.000 m^, waarvan één in het Utrechtse en één in het Vleutense deel; - twee buurtcentra met een bruto-vloeroppervlak van respectievelijk 5.000 m^ en 8.000 m^, zijnde de bestaande winkelcentra van de kernen Vleuten en de Meern.

Detailhandelsstructuur van Leidsche Rijn deelgebied Vleuten-De Meem Vleuten De Meem wijkwinkelcentrum

omvang in

inwoners bvo verzorgingsgebied

5.000 6.000 8.000 10.000 10.000-12.000 15.000-25.000

Utrecht stadsdeelcentmm 30.000 - 40.000 > 80.000 wijkwinkelcentmm 10.000-12.000 >15.000 Een stadsdeelcentrum heeft naast een aanbod van dagelijkse en 'convenience'-goederen tevens een gespecialiseerd aanbod van duurzame consumptiegoederen. Het bevat een warenhuis. In een wijkcentrum domineert het supermarktaanbod. Daar¬ naast wordt een uitgebreid pakket aan dagelijkse en 'convenience'-goederen geboden, gericht op efficiënt winkelen. Naast de supermarkten kunnen ook wat grotere zaken in de 'non food'-sector tot op zekere hoogte een trekkersfunctie vervullen. Het stadsdeelcentrum Het stadsdeelcentrum, waarin ook onderwijs-, gezondheidszorg- en welzijnsvoor¬ zieningen zullen worden ondergebracht, heeft een regionale verzorgingsfunctie voor de gehele westflank van Utrecht en is qua omvang afgestemd op het toekomstige inwo¬ nertal van dit gebied (zo'n 100.000 mensen). Het profiel is complementair aan dat van het centrum van Utrecht. Het stadsdeelcentrum heeft tevens een wijkverzorgende functie voor het direct aangrenzende gebied. In verband met het voortschrijdende proces van schaalvergroting in de detailhandel dat leidt tot een versterking van de hogere schaalniveaus, worden bij het reserveren van ruimte voor het stadsdeelcen¬ trum behoorlijke marges gehanteerd.

iH' Het stadsdeelcentrum wordt gesitueerd in het Utrechtse plandeel bij het station Leidsche Rijn, dus op een knooppunt van verkeersroutes en vervoerslijnen. Speciale aandacht is vereist voor de ontsluiting vanuit het Vleutense deel van het plangebied. Het nieuwe stadsdeelcentrum krijgt ook een regionale centrumfunctie op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en welzijn en recreatie. Het wijkcentrum in het Utrechtse plandeel Het wijkcentrum heeft een verzorgingsfunctie voor de zuidelijke delen van het Utrechtse deel van het plangebied, die onderling gescheiden worden door het tracé van de a2. Voor de situering is een goede bereikbaarheid vanuit beide delen een abso¬ lute voorwaarde - dat wil zeggen aan de Hov-as die in noord-zuid-richting door het plangebied loopt. Indien bij de uitwerking van de plannen blijkt dat aan deze voor¬ waarde niet voldaan kan worden, komen twee alternatieve opties in beeld, te weten een aanvullend buurtsteunpunt in het deel dat 'onderverzorgd' dreigt te raken oftwee vervangende (versterkte) buurtcentra. In de plannen is overigens hoe dan ook ruimte voor een eventuele toevoeging van buurtvoorzieningen. Het wijkcentrum in het Vleutense plandeel Het ligt in de bedoeling het wijkcentrum in het Vleutense plandeel te combineren met een groot aantal andere voorzieningen, waaronder een nieuw gemeentehuis.

Op die manier kan het uitgroeien tot het nieuwe hart van de gemeente Vleuten-De Meem. De buurtcentra De bestaande winkelcentra van de kernen Vleuten en De Meern zullen in de nieuwe situatie een functie blijven vervullen voor hun huidige verzorgingsgebied. Nog afgewogen wordt of in het programma een grootschalige detailhandelsvesti¬ ging zal worden opgenomen. Indien de afweging positief uitvalt, zal in Leidsche Rijn ruimte voor een dergelijke concentratie van grootschalige perifere bedrijven gereser¬ veerd worden.

Bij het opstellen van het programma voor de onderwijsvoorzieningen in Leidsche Rijn wordt rekening gehouden met het bestaande aanbod in de regio - met name met de aanwezigheid van de voorzieningen voor hoger onderwijs in de stad Utrecht. Het accent zal derhalve komen te liggen op voorzieningen voor basisondeiwijs, voortge¬ zet onderwijs, volwasseneneducatie, basiseducatie en beroepsvoorbereidend onder¬ wijs. In het plangebied bevinden zich momenteel negen basisscholen: drie in de kern Vleuten, vijf in de kem De Meem en één in het dorp Haarzuilens. Deze worden uiter¬ aard in het programma verdisconteerd. Er moet rekening gehouden worden met het gegeven dat de gemeenten Vleuten-De Meem en Utrecht verschillende normen en uit¬ gangspunten hanteren ten aanzien van basisscholen. Vleuten-De Meem gaat uit van een gemiddelde schoolgrootte van 300 leerlingen. Utrecht hanteert een stichtings¬ norm van 270 leerlingen. Bovendien is het in Utrecht gebmik steeds drie basisscholen - een openbare, een protestants-christelijke en een rooms katholieke - op één plek te concentreren. Een algemeen uitgangspunt is een zodanige spreiding dat de scholen op loop- en fietsafstand van de woningen liggen en dat op de routes de (verkeers)veiligheid gewaarborgd is.

Wat betreft het voortgezet onderwijs is het beleid gericht op de oprichting van bre¬ de scholengemeenschappen voor alle vormen van voortgezet onderwijs (vbo, mavo, HAVO en vwo). Voor deze onderwijsvoorzieningen is een goede bereikbaarheid per trein en overig openbaar vervoer vereist. Daarom genieten centraal gelegen locaties in het plangebied de voorkeur. In het programma voor onderwijsvoorzieningen wordt onderscheid gemaakt in basisscholen, scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en voorzieningen in de open lucht. In totaal is hiervoor in het netto-plangebied 8,6 ha, in het bmto-plangebied 10,6 ha gereserveerd. Basisscholen Op basis van het uitgangspunt van 20 basisschoolleerlingen per 100 woningen zijn er in het Utrechtse deel 17 basisscholen nodig. Deze scholen verzorgen een stabiel leer¬ lingenaantal van 4.000. Het piek-aantal leerlingen zal in het jaar 2015 worden bereikt en zal liggen op ongeveer 7.000 leerlingen. In het Vleutense deel van het plangebied zijn zeven nieuwe basisscholen nodig. Deze scholen verzorgen een stabiel leerlingen¬ aantal van ongeveer 2.000. Het piek-aantal leerlingen zal in het jaar 2010 worden bereikt en zal liggen op ongeveer 5.000 leerlingen. Om de piek op te vangen zullen al bij de bouw van de scholen tijdelijke voorzienin¬ gen getroffen worden.

Na het temglopen van het leerlingaantal kunnen deze tijdelij¬ ke voorzieningen plaats maken voor een andere functie. Per drie basisscholen kunnen er twee gymnastieklokalen worden gebouwd. De ter¬ reinbehoefte bedraagt op deze wijze 10.300 m^ voor drie basisscholen en twee gym¬ nastieklokalen. Scholen voor voortgezet onderwijs Voor het voortgezet onderwijs wordt een leerlingenaantal van 4.300 verwacht. Voor brede scholengemeenschappen is een oppervlakte van in totaal 4,3 ha opgenomen. In totaal zijn 12 gymnastieklokalen nodig. Dit aantal kan echter worden gereduceerd door het gecombineerd gebmik van de in de sportsector geplande sporthallen.

Scholen voor speciaal onderwijs Voor de huisvesting van het (voortgezet) speciaal onderwijs (lom, m.l.k., i.o.b.k.) is rekening gehouden met de bouw van in totaal 30 lokalen. Dit leidt tot een terreinbe¬ hoefte van 12.500 m^. Deze te reserveren oppervlakte moet bezien worden in het kader van het landelijke project 'Weer samen naar school', dat als doelstelling heeft kinderen zo lang mogelijk aan het reguliere onderwijs te laten deelnemen. Uit het oog¬ punt van spreiding verdient het aanbeveling een voorziening voor speciaal onderwijs in het Vleutense deel van Leidsche Rijn te situeren. Voorzieningen in de open lucht In het programma zijn een School Biologisch Centmm en twee stadsboerderijen opgenomen. Hiervoor zijn bmto-oppervlakten van respectievelijk 1 ha en tweemaal 1,5 ha gereserveerd.

Het programma voor voorzieningen in de gezondheidszorg is opgesteld in overleg met belanghebbenden, waaronder de in de regio opererende zorgverzekeraars. Evenals in het geval van de winkel- en onderwijsvoorzieningen is hierbij rekening gehouden met het bestaande aanbod in de regio. Dan blijkt er in Leidsche Rijn althans binnen afzienbare tijd - geen draagvlak te zijn voor een ziekenhuis. Wat de voorzieningen betreft zal de nadrak liggen op preventie en eerste lijn. De omvang hier¬ van wordt bepaald aan de hand van landelijke normen. Momenteel is een integrale visie op de gezondheidszorg in Leidsche Rijn in ontwik¬ keling. Centraal daarin staan een onderlinge afstemming van de voorzieningen en het doorvoeren van innovaties. Voomitlopend hierop is in het programma al uitgegaan van het totstandbrengen van zoveel mogelijk combinaties in de voorzieningen. Voor voorzieningen in de gezondheidszorg is in het netto-plangebied 1,5 ha, in het bmto-plangebied 4,5 ha gereserveerd. Eerstelijnsvoorzieningen In Leidsche Rijn zal in de toekomst een draagvlak zijn voor 32 tandartsen en 36 huis¬ artsen. De tandartsen zullen voor het merendeel een praktijk aan huis hebben. Wat de huisartsen betreft wordt er op grond van actuele tendensen van uitgegaan dat deze in clusters van drie in een gezondheidscentmm zullen werken.

Voorzieningen voor kruiswerk/thuiszorg en gg&gd Voor de combinatie kmiswerk/thuiszorg zijn in het programma drie basiseenheden en een coördinatiecentmm opgenomen. Voor de jeugdgezondheidszorg van de gg&gd - die gecombineerd wordt met de zorg van kinderen van 0 tot 4 jaar - is minimaal één wijkgebouw nodig. Mogelijk kan een dergelijk wijkgebouw in de toekomst een gecom¬ bineerde nulde- (preventieve) en eerstelijnsvoorziening huisvesten. Integraal medisch zorgcentrum De regionale zorgverzekeraar anova heeft het voorstel gedaan om een integraal medisch zorgcentmm, ook wel Mediplaza genoemd, op te zetten. In dit centmm zal de centrale apotheekvoorziening voor het gehele plangebied worden ondergebracht, gecombineerd met een commerciële voorziening op het gebied van medische instmmenten en hulpmiddelen. Dit centmm zal ten dele een landelijke functie hebben en behoeft dan ook een centrale, goed bereikbare locatie. Verzorgings- en verpleegtehuizen Verzorgingstehuizen zullen in de toekomst niet meer gebouwd worden. In plaats daarvan zullen, op beperkte schaal, verzorgingsvoorzieningen in zogeheten woon¬ zorgcomplexen worden ingericht. In afwachting van de ontwikkelingen op dit gebied is in het programma rekening gehouden met de realisering van één verpleegtehuis.

Centrum voor verslaafdenzorg Voor de therapeutische begeleiding van verslaafden is er in de regio behoefte aan een nieuw centmm. Dit is in het programma voor Leidsche Rijn opgenomen. Het zal een verzorgende functie hebben voor een mimer gebied dan alleen het plangebied. Polikliniek In het programma is een zogeheten buitenpolikliniek opgenomen. Deze zal gelieerd zijn aan de bestaande ziekenhuizen in de regio.

Een belangrijke bijdrage aan de leefbaarheid in Leidsche Rijn is een goede 'sociale inffastmctuur'. Voorwaarde hiervoor is een stmctuur van sociaal-culturele voorzie¬ ningen met een gevarieerd aanbod. Normen ten aanzien van sociaal-culturele voorzieningen staan momenteel ter dis¬ cussie. Accommodaties dienen dan ook multifunctioneel ontwikkeld te worden en fle¬ xibel te gebmiken zijn. Combinaties van voorzieningen op het terrein van kinderop¬ vang, onderwijs, sport en recreatie zijn dan ook wenselijk. De voorzieningen kunnen tevens ten dienste staan aan maatschappelijke organisaties, clubs en verenigingen. De concrete invulling van het programma is sterk afhankelijk van de toekomstige bevolkingssamenstelling van Leidsche Rijn. De bestaande voorzieningen in de kemen Vleuten en De Meem worden in het programma geïntegreerd. Er moet naar gestreefd worden de sociaal-culturele voorzieningen zoveel mogelijk 2

met de woonfunctie te mengen. In iedere wijk zou ten minste één voorziening aan¬ wezig moeten zijn. Ook is het van belang om in de woonomgeving specifieke ruimten in te richten voor kinderen (speelplekken) en voor ouderen en jongeren (ontmoe¬ tingsplaatsen). Voor voorzieningen op het gebied van welzijn en cultuur is 5,1 ha gereserveerd, waarvan 0,1 ha in het netto-plangebied. (Sociaal-culturele) wijk- en buurtcentra In het programma is per wijk (ca. 18.000 mensen) een sociaal-cultureel centrum met twee dependances opgenomen. In deze centra is een uitgebreid scala aan voorzienin¬ gen ondergebracht, zoals een dienstencentrum voor ouderen, een peuterspeelzaal, een steunpunt voor arbeidsoriëntatie en voorzieningen voor maatschappelijk werk, opbouwwerk en jongerenwerk. Hoewel in het algemeen het aanbod aan culturele voorzieningen in de stad Utrecht voldoende zal zijn om de behoefte te dekken, is in het programma aan één van de soci¬ aal-culturele centra een zaal met een capaciteit van ongeveer 500 stoelen toegevoegd. Dit centrum zal gesitueerd worden in het nieuwe hart van Vleuten-De Meem. Accommodaties voor vrijwilligersorganisaties In het plangebied zal een aantal vrijwilligersorganisaties actief zijn, bijvoorbeeld scouting, gehandicaptenorganisaties, kerkelijke organisaties en organisaties van min¬ derheden.

Ten dele kunnen deze organisaties worden gehuisvest in de sociaal-cultu¬ rele centra. In totaal zal een bruto-oppervlakte van ca. 1.000 m^ worden gereserveerd. Bibliotheken In het programma wordt rekening gehouden met het oprichten van drie bibliothe¬ ken. Daarvan hebben er twee een verzorgende functie op wijkniveau en heeft een der¬ de, naast deze wijkfunctie, ook een verzorgende functie voor het gehele plangebied. Ruimten voor levensbeschouwelijke beleving Naast de al aanwezige accommodaties zijn in het programma vier ruimten voor levensbeschouwelijke beleving opgenomen. Voorzieningen voor kinderopvang Uitgangspunt voor het ruimtebeslag van voorzieningen voor kinderopvang is dat 10% van de kinderen van o tot 12 jaar van deze voorzieningen gebruik maakt. Dit bete¬ kent dat in Leidsche Rijn acht kinderdagverblijven gerealiseerd kunnen worden. De voorkeur gaat uit naar een combinatie ervan met bijvoorbeeld onderwijsvoor¬ zieningen. Ook kunnen enkele kinderdagverblijven in de werkgebieden gesitueerd worden. Speelvoorzieningen Er is rekening gehouden met speelplekken op buurt-, wijk- en stadsdeelniveau: - één buurtspeelplek per 200 woningen; - één wijkspeelplek per 2000 woningen; - twee grote, hoogwaardige speelplaatsen op stadsdeelniveau. Hiermee is ca. 5 ha gemoeid. In de uitvoering kan met deze voorziening flexibel wor¬ den omgegaan.

In Utrecht zijn in elke wijk meerdere (bouw)speeltuinen die organisatorisch onder de wijkwelzijnsorganisatie vallen. De speeltuinen zijn het hele jaar geopend en beschikken over een binnenaccommodatie en diverse speelterreinen. Een ideale bouwspeeltuin is 7.000 m^ en bevindt zich binnen een straal van 800 meter van de woning. Wanneer deze norm op Leidsche Rijn zou worden toegepast, betekent dit dat er vijf speeltuinen gerealiseerd kunnen worden, waarbij combinaties met een kinder¬ boerderij, scholen of sociaal-culturele voorzieningen mogelijk zijn. Chrerheid en oper^bare veiliyheid De omvang van de toekomstige bevolking van Leidsche Rijn maakt het noodzakelijk - en aannemelijk - in het programma voorzieningen op het gebied van de overheids¬ administratie en de openbare veiligheid op te nemen. Het gaat hierbij om een gemeen¬ tehuis c.q. een stadsdeelkantoor, een politiepost en een brandweerkazerne. Tevens zal er een plan voor integrale veiligheid worden gemaakt. "lograniJTHL Voor voorzieningen op het gebied van de overheidsadministratie en de openbare veiligheid is in het bruto-plangebied 1,6 ha gereserveerd. Gemeentehuis c.q. stadsdeelkantoor Er wordt uitgegaan van een behoefte aan twee gebouwen voor de gemeentelijke administratie, elk met een vloeroppervlak van 1.500 m^.

In het Vleutense deel zal dit mogelijk een nieuw gemeentehuis zijn, te vestigen in het nieuwe centrum van Vleu¬ ten-De Meem. In het Utrechtse deel van het plangebied gaat het om een dependance van gemeentelijke diensten. Deze wordt gesitueerd in het stadsdeelcentmm bij het station Leidsche Rijn. Politiepost In het programma is een nieuwe politiepost met een vloeroppervlak van ongeveer 1.000 m^ opgenomen. Deze voorziening wordt bij voorkeur gecombineerd met het gemeentehuis van Vleuten-De Meem ofhet stadsdeelkantoor in het Utrechtse deel van Leidsche Rijn.

Brandweer Voorlopig wordt ervan uitgegaan dat er mimte gereserveerd moet worden voor een brandweerkazeme. Bij de keuze van de locatie en het bepalen van het mimtebeslag moeten de volgende aandachtspunten aan de orde komen: - exteme risicofactoren; - de bereikbaarheid; - de spreiding van bluswaterpunten; - vluchtroutes bij rampen.

Sportvoorzieningen bestaan uit gebouwde voorzieningen ('indoor') en voorzienin¬ gen in de open lucht. De laatste zijn te beschouwen als niet-openbare groenvoorzie¬ ningen. Tot deze categorie behoren ook volkstuinen en begraafplaatsen. De 'indoor'-voorzieningen omvatten zwembaden, sporthallen, sportzalen, 'indoor'tennisbanen en -squashbanen. Als uitgangspunten voor de locatie van deze voorzie¬ ningen worden gehanteerd concentratie - bij voorkeur in de nabijheid van andere voorzieningen - en combinatie met scholen (gymnastieklokalen) en sociaal-culturele voorzieningen. In en nabij het plangebied is een aantal 'indoor'-voorzieningen aanwezig. Er zijn twee zwembaden, Fletiomare en Aqua-centram Den Hommel. Fletiomare heeft het karakter van een instmctiebad en is tevens gericht op zwemmen in verenigingsver¬ band. Aqua-centmm Den Hommel heeft daarentegen vooral een recreatief karakter. Het beschikt over een groot recreatiebad, een sauna, een fitnesscentmm en een Turk¬ se tuin. Er zijn plannen om binnenkort een 'indoor'-tennis/squashcentmm en buiten¬ tennisbanen aan het complex toe te voegen. Tot de bestaande voorzieningen behoren ook het sportcentmm Oudenrijn en enkele sportzalen. Voorts zijn er vijf'indoor'-tennisbanen en vier squashbanen. De voorzieningen in de open lucht ofbuitensportvoorzieningen omvatten sportvel¬ den en tennisbanen.

In het Vleutense deel van het plangebied is aan buitensportvoor¬ zieningen een oppervlak van ca. 14 ha aanwezig. Hiervan blijft 8 ha gehandhaafd. Ook in het Utrechtse deel zijn sportvelden aanwezig. Deze beslaan gezamenlijk een opper¬ vlak van ca. 39 ha Het grootste deel hiervan zal verplaatst worden. Een gering deel zal worden opgeheven in verband met het streven naar een intensiever en efficiënter gebmik van sportvelden. In het plangebied bevinden zich meerdere volkstuincomplexen, zowel in het Vleu¬ tense deel als in het Utrechtse deel. De laatste vervullen een functie voor bewoners van Utrecht. De complexen in het Vleutense deel die een oppervlak van 4,2 ha beslaan, blijven gehandhaafd. De complexen in het Utrechtse deel, met een gezamenlijk opper¬ vlak van 8,3 ha, zullen worden verplaatst. De totale capaciteit zal worden vergroot naar 23 ha. Er zijn, verspreid over het plangebied, vier begraafplaatsen. Deze zullen worden gehandhaafd. P wu . nmG Voor nieuwe sportvoorzieningen, volkstuinen en begraafplaatsen is in het brutoplangebied 76 ha gereserveerd. Te zamen met de te verplaatsen sportvelden en volks¬ tuinen, waarmee een oppervlak van 52 ha is gemoeid, zal dit programma-onderdeel dus een bruto-ruimtebeslag van bijna 128 ha hebben. Dit betekent dat deze sector naar omvang het belangrijkste onderdeel van het voorzieningenprogramma is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=3c0f1ed4-327c-4cb1-8e8a-4ccdc1ac6afb