Ter informatie - Masterplan Leidsche Rijn (1995).pdf
Tekst van het document
projectmanager procesmanager
Riek Bakker Wijnand Looise Wim Beelen Han v.d. Berg Han Brons Bert Coenen Ben van Dongen Enno Ebels Herman Hietbrink Nora Hugenholtz Wim van Kampen René Leppink Nel Lindeman André van Schaik Reinier Schat Harry Servaas Rob Uijtjens Jan de Weerd Anne Wittekamp
milieudeskundige coördinator/planeconoom CAD-operator verkeersdeskundige CAD-operator stedebouwkundig ontwerper medewerker economische zaken contactfunctionaris Utrecht projectleider civiele techniek, kabels & leidingen medewerker sport en recreatie projectassistent volkshuisvestingsdeskundige planoloog voorzieningen verkeersdeskundige projectsecretaris stedebouwkundig ontwerper coördinator civiele techniek
Ton Auée milieudeskundige Wim Greyn volkshuisvestingsdeskundige Ron de Haas contactfunctionaris Vleuten-De Meem Paul van Munster planeconoom StefVerheul contactfunctionaris Vleuten-De Meem Paul de Gorter Willem v.d. Vorm
planner senior planner
Gereon Bargeman stedebouwkundig planoloog Patricia Bijvoet onderzoeker landschap Ewout Dorman historisch-morfologisch onderzoeker Maurits de Hoog coördinator programmatisch onderzoek Renate Meijer historisch-morfologisch onderzoeker Rients Dijkstra Godfried de Graaff Ivan Ivanovski Vincent Lo-A-Njoe Michelle Provoost Wouter Vanstiphout Herman Verkerk Harmen v.d. Wal Laura Weeber Vincent de Rijk
coördinator ontwerp Masterplan maquettebouwer CAD-ontwerper stedebouwkundig ontwerper architectuur-historicus architectuur-historicus CAD-ontwerper stedebouwkundig ontwerper stedebouwkundig ontwerper maquettebouwer
Lodewijk van Nieuwenhuijze Livina Tummers
landschapsarchitect landschapsarchitect
Cor Geluk
landschapsontwerper
Roel Meilof Jan-Anne Waagmeester
verkeersdeskundige verkeersdeskundige
Judith van Gilst
communicatie-adviseur
Hilary Laupman
communicatie-adviseur
Redactie Vertaling samenvatting Produktie Grafisch ontwerp Drukwerk Lithografie Bindwerk
Philip Spangenberg (Urban Matters), Amsterdam S.A. Herman (Tibbon Translations), Amsterdam Hilary Laupman, Rotterdam Melle Broeksma, Baam CalfT & Meischke, Amsterdam ProjektieColor, Hoofddorp Haskerland, Joure
foto pagina 9 foto's pagina 35 & 81 foto's pagina 36 t/m 40 foto's pagina 61 t/m 64 afbeelding omslag voor
De Jong Luchtfotografie Maarten Laupman Andrej Chemikov Hans Werlemann uitsnede uit de kaartgebieden 3ig en 3ih: rechten Topografische dienst Emmen uitsnede uit de bodemkaart van Nederland, kaart 31 Utrecht, dlo- staring Centrum, Wageningen Projectbureau Leidsche Rijn
afbeelding pagina 35 overig beeldmateriaal
>'i.r iy:. Si:h
'40^ ' • •■■^■"ï'
'■
.
1<
- z-■' ^ »;/> ■..• . •»4 •••••.•. ."•••*i
^'"4^/4'' ■■Aiyf ■ -■ -"
r Beschriiv
':rzm i
.-i '^j .' ' 1
..•^a, >v: \,t-./J
• :i - > . T^JU. I3f "••• ■-"V: :."F4- '' -•■ ' v~':H"'ï;ïr4^®5^ V ' - •- -- • -V ^ r. ^•••> - v-^.K-.'' "
'
.• ''"»?
" ■
■"■■
" ■"■■•
■. 4:-'
I f-■ -.: ... .-.. ;■>= •
., ï», '■• .. •'.. ' ■ ■'' ■
V..t:sr ■ c i'ï' <■ r■ ■ •'' ■' 4!'ï--%ïï ■ -.; •^i'-STïPSï^C !V:s-
1I .y.
VV^'V'i#3^
» X 1.' - 1 t.' . .-.r * /( '■t V' ■
. . . .-. ■ ".■-... . - - " ■ ' -•," '1:
-i
■ -4 ' • : ■?^S Va.
■ /"■■ '• •■ >".^':i\Vf4^4'"5Kffl»
'i* ®wL
T. r. -i..
,rti;' J i ii i.<-.
Inhoud 1. Inleiding
29
2. Hti bestvïürliil' en juridisch kader Bindende afspraken De status van het Masterplan
31 32
1. Korak^ ensDi'ken ven het plangebied Situatie Historische ontwikkeling Bodemfysica Huidig grondgebruik
33 33 34 34
4. Visie or iet project Compactheid 43 Duurzaamheid 43 Identiteit . 45 Onderlinge samenhang 45 Een sterke flank _ 49 Meerwaarde _ 50 Ruimtelijke randvoorwaarden 50 Contouren van het programma _ 56 Het programma in onderdelen _ 56 Flexibiliteit en sturingsmogelijkheden 59 6. Het siedeboü',/K ;dig plci De bijzondere elementen 65 De vlekken _ _ , , . . 72 De vërkëersinffastructuur 75 Kinderen in Leidsche Rijn 83 . binorïdeie liaalDOüi .i^ id Grondexploitatie 85 Risico's _ 85 Conclusie 86 8 ►■tfSTrinq en piGiuiing Randvoorwaarden 87 De integratie van de a2 87 Fasering programma-onderdelen 89
Het Masterplan Leidsche Rijn heeft betrekking op een zogeheten viNEX-locatie. Deze locatie ligt zowel op het grondgebied van de gemeente Utrecht als op dat van de gemeente Vleuten-De Meem. Onlangs heeft, in het kader van de op handen zijnde ontwikkeling, een correctie van de grens tussen beide gemeenten plaatsgevonden. Deze is in westelijke richting opgeschoven, zodat het Utrechtse aandeel in het plan¬ gebied is toegenomen. Leidsche Rijn heeft haar naam te danken aan de gelijknamige rivier, die in gekanaliseerde vorm door het gebied loopt. Doel van het Masterplan is een uitwerking van de verstedelijkingsrichting Utrecht/Vleuten-De Meern ten behoeve van 20.000 woningen, waarvan 10.000 op het grondgebied van Utrecht en 10.000 op het grondgebied van Vleuten-de Meem, voor de periode 1995-2005. Tevens moeten de mogelijkheden voor doorgroei tot 30.000 wonin¬ gen in de periode 2005-2015 erin worden betrokken. Het plan is in drie stappen ontwikkeld. De eerste stap behelst het programma, dat wil zeggen de hoeveelheden, de aard en hoedanigheid van de elementen evenals hun positie ten opzichte van elkaar. Dit programma is uitgangspunt geweest voor de twee volgende stappen: het mimtelijk model en de financiële haalbaarheid. Het conceptMasterplan is in januari 1995 openbaar gemaakt en breed gepresenteerd.
De vele reac¬ ties hierop zijn meegenomen in de besluitvorming over het definitieve plan. Het Mas¬ terplan Leidsche Rijn is vastgesteld door de raden van de gemeenten Utrecht en Vleu¬ ten-De Meem in juni 1995. Het Masterplan bevat: - een nadere afbakening van het plangebied: - een afbakening van de grenzen van deelgebieden; - een vaststelling van de capaciteit voor woningen, kantoren, bedrijven en voorzie¬ ningen; - de hoofdopzet van wonen, werken en infrastmctuur (inclusief fiets); - de uitwerldng van de groenstmctuur en een ecologische hoofdstmctuur; - de opzet voor de waterhuishouding; - een voorstel voor de toepassing van grootschalige warmte-krachtkoppeling; - een voorstel voor de fasering; - een tijdschema voor de planontwikkeling en de planuitvoering. Bovendien geeft het een globaal inzicht in de financieel-economische uitvoerbaarheid. Het Masterplan is op te vatten als een haalbaarheidsstudie naar de verstedelijkingsmogelijkheden van Leidsche Rijn. Voorafgaand aan de feitelijke beschrijving van het Masterplan wordt in hoofdstuk 2 een korte uiteenzetting gegeven over het bestuurlijk en juridisch kader waarbinnen de planvorming zich voltrekt. Hoofdstuk 3 is gewijd aan de karakteristieken van het plangebied, zoals de situatie en de huidige inrichting. In hoofdstuk 4 wordt de visie die ten grondslag ligt aan het Masterplan ontvouwd.
Het belangrijkste deel van de beschrijving van het Masterplan zijn de hoofdstukken 5,6 en 7. Hierin worden respec¬ tievelijk het programma, het stedebouwkundig plan (ofmimtelijk model) en de finan¬ ciële haalbaarheid van het plan behandeld. In het slothoofdstuk komen de fasering en de planning aan de orde.
H€t lïestMiy*ii!< i, i-. jyriiiisch Aan de opdracht zoals die aan het Projectbureau Leidsche Rijn is verleend, is al veel bestuurlijk overleg en bestuurlijke besluitvorming voorafgegaan. In dit hoofdstuk worden de bindende afspraken toegelicht. Ook wordt ingegaan op de status van bet Masterplan. Bindendf ^ Richtinggevend voor de opgave zijn de vinex, bet Intergemeentelijk Structuurplan (isp) en bet samenwerkingsconvenant tussen de gemeenten Utrecht en Vleuten-De Meem. Oe VINEX In de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (ministerie van vrom, 1990), waarvan de afkorting vinex als begrip een eigen leven is gaan leiden, worden als opties voor de ruimtelijke ontwikkelingen in de regio Utrecht in de periode 1995-2005 genoemd: - een maximale benutting van bet bestaand stedelijk gebied door middel van her¬ structurering en verdichting: - de ontwikkeling van nieuwe woongebieden in Houten en in Utrecbt/Vleuten-De Meem, gekoppeld met de aanleg van een hoogwaardige openbaar vervoer- (hov-) verbinding. Het startconvenant In het kader van de vinex hebben de ministers van vrom.
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Verkeer en Waterstaat en Binnenlandse Zaken, de provincie Utrecht, het Regionaal Beraad Utrecht (rbu), de gemeenten Utrecht, Harmeien, Houten en Nieuwegein, en de Vervoerregio Utrecht op 8 maart 1993 het viNEX-startconvenant gete¬ kend, ter voorbereiding op het af te sluiten viNEX-uitvoeringscontract. Het 'Spoor¬ boekje VINEX voor de regio Utrecht' (28 april 1993) noemt 22 projecten en onderwer¬ pen die van belang zijn voor de voorbereiding van het uitvoeringscontract. In het bestuurlijk overleg is afgesproken om, waar mogelijk, de uitvoering van de viNEX-projecten te laten samenvallen met de werkzaamheden in het kader van het isp. Dit geldt ook voor onderwerpen die een relatie hebben met bijvoorbeeld het Streekplan, de Vervoerregio en de Milieu-effectrapportage (mer). Het onderhandelaarsakkoord Op 8 febmari 1994 hebben het Rijk en de regio het viNEX-onderhandelaarsakkoord afgesloten, als tussenstap naar de ondertekening van het uitvoeringscontract. In dit akkoord is overeengekomen dat in de periode 1995-2005 in de regio Utrecht 31.600 woningen worden gerealiseerd, waarvan 20.000 woningen in de verstedelijkingsrichting Utrecht/Vleuten-De Meem (de locatie Leidsche Rijn).
Voorts is afgesproken dat het zwaartepunt van de woningbouwproduktie zal liggen in de eerste helft van die perio¬ de (dus vóór het jaar 2000), om het woningtekort in te lopen. In de nieuwe uitbreidinsgebieden zal gemiddeld tenminste 70% van de woningvoorraad bestaan uit wonin¬ gen waarvan de stichtingskosten hoger zijn dan ƒ154.000 (prijspeil 1994). Voor verstedelijking op de lange termijn heeft de regio gekozen voor een verdere ontwikkeling van de locatie Leidsche Rijn en de ontwikkeling van de locatie Rijnen¬ burg ten westen van Nieuwegein. De ontwikkeling van Oudenrijn en Galecop/Nieuwegein wordt hierop afgestemd. Voorts is afgesproken dat door de provincie een gebiedsperspectiefvoor het groen wordt opgesteld. Het uitvoeringscontract Op 13 oktober 1994 is het 'Protocol inzake vaststelling van het viNEX-uitvoeringscontract Regio Utrecht' getekend. Dit is een juridische vertaling van het onderhande¬ laarsakkoord. Het protocol is vervolgens ter goedkeuring voorgelegd aan de verschil¬ lende gemeenteraden, wat uiteindelijk heeft geleid tot daadwerkelijke ondertekening van het contract door alle daarbij betrokken partijen. Onder auspiciën van het Regionaal Beraad Utrecht (rbu) is een isp opgesteld voor het gehele RBU-gebied. Ook in dit traject is een aantal tussenstappen gemaakt.
Na de 'Stmctuurvisie Utrecht 2015' en de 'Contourennota' zijn de hoofdrichtingen voor het isp vastgelegd in de nota 'Hoofdlijnen isp' (1993). De algemene uitgangspunten van deze nota zijn: - versterking van de positie van Utrecht in de Randstad; - ondersteuning van de centmmfunctie van de stad Utrecht in de regio; - verbetering van de kwahteit van het woon- en leefklimaat; - versterking van de regionaal-economische stmctuur; - beperking en geleiding van de mobiliteitsontwikkeling; - het veiligstellen en ontwikkelen van landschappelijke en ecologische kwaliteiten, waaronder bevordering van ecologisch bouwen; - het waarborgen van flexibiliteit en realiseringskansen. Het isp en het Masterplan Leidsche Rijn zijn gelijktijdig vastgesteld.
Flankenstudie Ten behoeve van een gedetailleerde uitwerking is voor alle deelgebieden een zoge¬ heten 'flankenstudie' gemaakt. Het Masterplan Leidsche Rijn heeft betrekking op de westflank van de Utrechtse regio. De resultaten van het Masterplan worden zowel in het viNEx-traject als in het isp-traject gebmikt. Het mimtelijke ontwikkelingsper¬ spectief van het isp voor de lange termijn (1995-2015) vormt mede het kader voor de afspraken in het viNEX-uitvoeringscontract tot het jaar 2005. 'V
,
Dinsdag 19 april 1994 is een convenant getekend door de colleges van b&w van de gemeenten Utrecht en Vleuten-De Meem. In het convenant zijn de volgende afspraken gemaakt: - een gezamenlijk Masterplan wordt gemaakt onder leiding van projectmanager mw. H.E. Bakker van het bureau bvr, adviseurs stedelijke ontwikkeling en management; - het plan wordt door beide gemeenten gezamenlijk ontwikkeld en de eindverant¬ woordelijkheid wordt gedeeld; - in overleg met Gedeputeerde Staten van Utrecht wordt een voorstel voor een nieu¬ we grens tussen beide gemeenten ter procedure aangeboden.
Het Masterplan Leidsche Rijn (bestaande uit deze tekst en de daarbij behorende plankaart) heeft formeel beschouwd geen wettelijke status en geen juridisch binden¬ de werking, zoals bestemmmingsplannen dat hebben. Het dient in feite beschouwd te worden als het mimtelijke en programmatische startpunt voor de ontwikkeling en de realisatie van de plannen voor het gebied. Wel is het Masterplan onderdeel van het Intergemeentelijk Stmctuurplan (isp), vast¬ gesteld door de raden van de gemeenten die deelnemen in het Regionaal Beraad Utrecht. Het vormt namelijk de uitwerking, c.q. de invulling van de zogeheten westflank. Dit isp dat overigens op korte termijn zal worden vertaald in een regionaal stmctuurplan als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (wro), wordt als toet¬ singskader gehanteerd voor de op te stellen bestemmingsplannen en de verdeling van de viNEX-gelden. De provincie zal in het kader van de goedkeuring van bestemmingsplannen - naast toetsing aan het streekplan - rekening houden met de inhoud van het regionaal stmc¬ tuurplan. Zolang er nog geen regionaal stmctuurplan is, zullen bestemmingsplannen en aanvragen als bedoeld in artikel 19 wro vóór indiening bij Gedeputeerde Staten door het Dagelijks Bestuur van het rbu worden getoetst aan het regionaal grondbe¬ leid.
Het Masterplan zal als onderdeel van het isp en vervolgens van het regionaal stmc¬ tuurplan dus een belangrijk toetsingskader bieden voor de mimtelijke ontwikkeling van dit gebied. Daamaast is het Masterplan in zekere zin ook een 'mimtelijk contract' tussen de gemeenten Utrecht en Vleuten-De Meem. Het geeft de richting aan van de voorgeno¬ men ontwikkeling van het gebied. Daar waar het plan als meer dan richtinggevend wordt beschouwd, komt dat tot uitdmkking in de door de beide gemeenteraden vast¬ gestelde 'kernpunten'. Deze betreffen onderdelen van het plan die van zodanig belang worden geacht dat daarvan bij de verdere uitwerking en realisatie niet kan worden afgeweken, tenzij daarover volledige overeenstemming tussen beide gemeentebestu¬ ren bestaat. Deze kempunten zijn onderdeel van het door beide gemeenteraden geno¬ men besluit (zie Raadsbesluit).
middeleeuwse huizen omvormen tot buitens met tuinen. Tezelfdertijd trad in de lint¬ bebouwing tussen Utrecht en De Meem, langs de zuidoever van de Leidsche Rijn, een verdichting op.
Met een capaciteit van ca. 30.000 woningen (en ca. 280 ha bruto bedrijven en 70 ha bruto kantoren) is Leidsche Rijn de grootste bouwlocatie van Nederland. In dit hoofdstuk wordt een schets gegeven van deze toekomstige bouwlocatie, aan de hand van de situatie, de historische ontwikkeling, de bodemfysica en het huidige grondgebruik.
Het plangebied ligt direct ten westen van de stad Utrecht. Het wordt begrensd door de A2 in het noorden, door het Amsterdam-Rijnkanaal (de grens van de huidige bebouwde kom van Utrecht) in het oosten en de A12, inclusief het verkeersplein Oudenrijn, in het zuiden. Ten westen van het plangebied liggen het kasteel De Haar, met het dorp Haarzuilens, en de landelijke kern Harmeien. Het plangebied heeft een bruto oppervlak van meer dan 25 km^ en strekt zich uit over het grondgebied van twee gemeenten. Utrecht en Vleuten-De Meem. De grens tussen beide gemeenten die onlangs - in verband met de op handen zijnde ontwikke¬ ling van het gebied - in westelijke richting is verlegd, slingert zich van noordwest naar zuidoost dwars door het plangebied. In het plangebied bevinden zich de beide hoofdkemen van de gemeente Vleuten-De Meem, Vleuten en De Meem die, te zamen met de verspreide bebouwing in het gebied, onderdak bieden aan ca. 17.000 mensen. Het gebied wordt, in oost-westrichting, doorsneden door de spoorweg van Utrecht naar Woerden en de gekanaliseerde Leidsche Rijn, het element waaraan het plangebied zijn naam ontleent. Dicht bij het Amsterdam-Rijnkanaal, maar nadmkkelijk binnen de grenzen van het plangebied, vormt de A2 een barrière van formaat in de noord-zuidrichting. De bewoners van het gebied hebben door de nabijheid van oudsher een sterke band met de stad Utrecht.
Wat winkelen betreft bestaat er ook een oriëntatie op het nabij¬ gelegen Maarssenbroek, een in dejaren '70 en '80 tot stand gekomen grootschalige uit¬ breidingswijk van de gemeente Maarssen. De relatie met Nieuwegein is momenteel slechts marginaal. Door de ontwikkeling van de locatie Rijnenburg (na 2005) en de aan¬ leg van nieuwe tangentiale verbindingen zal die relatie in de toekomst in betekenis toenemen. Gelegen op de binnenflank van de noordvleugel van de Randstad, aan de rand van het Groene Hart, heeft Leidsche Rijn van alle Utrechtse locaties de snelste verbindin¬ gen met de andere stadsgewesten van de Randstad. Utrecht, vanuit grote delen van het land de poort tot de Randstad, is een knooppunt van inffastmctuur. Hier kmisen elkaar de autosnelwegen (a2 en A12) en de spoorwegen, respectievelijk in de richting van Amsterdam en de 'mainport' Schiphol en in de richting van Den Haag en (de 'mainport') Rotterdam. Door de gunstige ligging, in de regio en in de Randstad, heeft Leidsche Rijn grote economische potenties, terwijl de nabijheid van het Groene Hart recreatieve perspec¬ tieven biedt.
Leidsche Rijn kent een eeuwenlange bewoningsgeschiedenis. Juist dit aspect maakt het plangebied tot één van de interessantste bouwlocaties in Nederland. In de Romeinse tijd werd het gebied gedomineerd door de rivier de Rijn, die in die tijd bij Katwijk in de Noordzee uitmondde. De rivier was ter plekke even breed als momenteel ter hoogte van Keulen. Zij vormde de grens van het Romeinse Rijk. Van de vele vestingen die deze grens verdedigden, was het castellum in De Meem waar¬ schijnlijk nog belangrijker dan het castellum in Utrecht, waarvan de restanten zich onder het Domplein bevinden. Hoewel de rivier al in de vroege middeleeuwen begon te verzanden, lieten de bisschoppen van Utrecht - die toen de scepter over de Lage Lan¬ den zwaaiden - nog lange tijd door hun leenmannen versterkte boerderijen en burch¬ ten langs de oevers van de vele armen bouwen. Om de belangrijke handelsstromen in de oost-westrichting op gang te houden, werd de rivier tussen Utrecht en Harmeien gekanaliseerd en rechtgetrokken - in de vorm van de (huidige) Leidsche Rijn. Ondanks deze ingreep verlegden de handelsstromen zich echter meer en meer in de noord-zuidrichting, zodat voor het gebied een mstiger periode aanbrak. De waterhuishouding werd gereguleerd en het gebied kon worden ontgonnen voor agrarisch gebmik.
Als basis voor de ontginning fungeerden de Leidsche Rijn in het zuiden en de Thematerweg in het noorden. Langs deze beide wegen en in het dorp Vleuten bevindt zich dan ook de oudste bebouwing van het gebied. In de 17de eeuw ontdekten rijke Utrech¬ ters de landschappelijke.aantrekkelijkheid van Leidsche Rijn. Zij lieten de versterkte
Met de aanleg van grote inffastmcturele elementen in het tijdperk van de opkomst van de industrie werden in het plangebied twee zware barrières gecreëerd die een ver¬ storing van eeuwenoude relaties met zich meebrachten: de spoorweg vanuit Rotter¬ dam naar Utrecht en het Merwedekanaal. De spoorweg, gelegen op de stroomrag van de voormalige rivier, deelt het plangebied doormidden in een noordelijke en een zui¬ delijke helft. De aanleg van het Merwedekanaal vormde de aanzet tot een reeks van barrières in de relatie met de stad Utrecht. De nieuwe infrastructuur gafeen economische impuls aan de stad Utrecht, wat een omvangrijke expansie inluidde - én, indirect, gevolgen had voor het karakter en de structuur van het plangebied. Mét de expansie van de stad werd namelijk de vraag naar tuinbouwprodukten groter. Tuinders die aanvankelijk hun bedrijfdirect ten wes¬ ten van de Utrechtse binnenstad (in de omgeving van de huidige Croeselaan) uitoe¬ fenden, kozen de vruchtbare grond op de stroomrag in het Leidsche-Rijngebied als nieuwe vestigingsplaats. In 1904 werd er de eerste kas gebouwd en allengs ontwikkel¬ den de oude wegen op de stroomrag zich tot linten van voornamelijk tuinderswonin¬ gen (zoals bijvoorbeeld Alendorp).
In deze eeuw werden aan de bestaande infrastructuur het Amsterdam-Rijnkanaal en de beide autosnelwegen (a2 en A12) toegevoegd - waarmee aan de rand van het plan¬ gebied nieuwe barrières tot stand kwamen. Een nieuwe expansiegolf, voortkomend uit de ruimtenood in de stad Utrecht, werd in de jaren '70 en '80 opgevangen door de realisering van de groeikernen Nieuwegein, Houten en het uitbreidingsgebied Maarssenbroek. Ook de kemen Vianen en IJsselstein namen (en nemen nog steeds) hun deel in de groei. Wederom lag bij deze ont¬ wikkelingen het accent op de noord-zuidrichting. Vleuten en De Meem bleven voor¬ alsnog in de luwte, al leverde vooral de laatste kem, inclusief het aangrenzende bedrijfsterrein Oudenrijn (voorheen Strijkviertel) vanaf de jaren '60 een bescheiden bijdrage aan de groei in de regio. Met de aanwijzing van Leidsche Rijn als viNEX-locatie zal de dominantie van de noord-zuidrichting in de regio Utrecht worden doorbroken.
Waar ooit een van de vele takken van de Rijn heeft gelopen, heeft de rivier grote pak¬ ketten zand en klei afgezet. Door inversie tekent de bedding zich in het lanschap afals een verhoging - een stroomrag. De stroomrag ligt centraal in het plangebied en is hier, in verhouding tot verder stroomopwaarts of -afwaarts gelegen plekken bijzonder breed. Vrijwel de gehele zone tussen de Leidsche Rijn en de Thematerweg kan tot de stroomrag gerekend worden. De bodem is hier draagkrachtig. Veel van de bestaande bebouwing is op staal gefundeerd. Aan weerszijden van de stroomrag, ten noorden van de Thematerweg en ten zuiden van de Leidsche Rijn, liggen de komgronden. Dit zijn uitlopers van respectievelijk het Noordhollands-Utrechtse en het Utrechts-Zuidhollandse veenweidegebied. De kom¬ gronden liggen lager dan de stroomrag. Grootschalige bemaling heeft de veen- en kleibodem vanaf de 16de eeuw doen inklinken. In de komgronden bevindt zich kwel. Zou ten behoeve van het plan de grootschalige bemaling worden stopgezet, dan zou met name in de winter het grondwater de bodem blank doen staan. Partieel ophogen met zand is in dat geval noodzakelijk. Komgronden zijn minder draagkrachtig dan stroomraggronden. Onderzocht moet nog worden in hoeverre hier wél op palen dient te worden gefundeerd. Inversie heeft ook plaatsgevonden op plekken in het stroomraggebied waar geen rivierbedding geweest is.
Deze kleiige gebieden liggen iets lager dan hun omgeving. Zij zijn herkenbaar aan de naam 'weide': Vleuterweide, Hoge Weide, Lage Weide en Haarweide.
Het plangebied doorkruisend, ontstaat de indruk van een weliswaar groen, maar toch sterk verstedelijkt gebied. Ongeveer een vijfde deel van de totale oppervlakte van het plangebied heeft momenteel al een woonbestemming (ca. 500 ha). Woonbebou¬ wing bevindt zich geconcentreerd in de kemen Vleuten en De Meem, met hun respec¬ tievelijke uitbreidingsgebieden De Tol en 't Weer, en verspreid over het plangebied langs een groot aantal zogeheten linten. Aanzienlijk minder ruimte dan het wonen neemt de glastuinbouw - ooit de belang¬ rijkste functie van Leidsche Rijn - in beslag. In totaal bedraagt het oppervlak netto ca. 102 ha. Glastuinbouwgebieden bevinden zich voornamelijk ten zuiden van de spoor¬ weg, in het hart van het stroomraggebied. De vruchtbare zavelgrond van de stroom¬ rag is erg in trek bij de tuinders, die hier naast glastuinbouw ook vollegrondtuinbouw bedrijven. In de zogeheten 'weide'-gebieden op de stroomrag wordt voornamelijk veeteelt en wat marginale akkerbouw bedreven. Op de komgronden in het noorden en zuiden is akkerbouw vrijwel onmogelijk. Veeboeren benutten hier momenteel de vruchtbare
Leidsche Rijn in de Randstad
---nr
Defoto's op deze en volgende pagina's geven een impressie van het bestaande plangebied
'sli.
I>l 'ill
delen. De gronden die tijdens de ontginning te ver zijn afgevlet, zijn voor agrarisch gebruik niet te benutten. Op deze gronden wordt een groot aantal bosjes aangetrof¬ fen. De griend ten noordoosten van Vleuten is bet meest markante voorbeeld. Ook andere vormen van bedrijvigbeid zijn in bet plangebied aanwezig. Direct ten westen van bet Amsterdam-Rijnkanaal bevindt zicb aan weerszijden van de oprit naar de De Meembrug bet bedrijfsterrein Papendorp-Noord. In bet noordelijk deel is de aluminiumfabriek Nedal gevestigd. In bet zuidelijke deel bevindt zicb, naast nog enkele andere bedrijven, de asfaltmenginstallatie van Volker-Stevin. Van nog grotere impor¬ tantie is bet nabij De Meem gelegen bedrijfsterrein Oudenrijn. Vanafde jaren '60 heb¬ ben zicb bier allerlei soorten industrieën, maar vooral transportbedrijven, gevestigd. Onlangs is bet oppervlak met een nieuwe uitbreiding bijna verdubbeld. In bet deel van dit bedrijfsterrein dat grenst aan de A12 bevinden zicb ook kantoren. >»In een zo verstedelijkt gebied zijn primaire voorzieningen natuurlijk al aanwezig. Vleuten-De Meem beeft een mim voorzieningenpakket, toegesneden op een bevol¬ king van ca. 17.000 inwoners. Beide kemen hebben eigen sociaal-culturele, medische, maatschappelijke, onderwijs- en winkelvoorzieningen.
In Vleuten en in De Meem zijn winkelcentra, waarvan bet bmto vloeroppervlak respectievelijk 5.000 m^ en 8.000 m^ bedraagt. Het winkelcentmm van De Meem beeft een aanbod dat net iets boven de dagelijkse levensbehoeften uitgaat. Voor een meer gespecialiseerd aanbod zijn de bewoners aangewezen op bet winkelcentmm Kanaleneiland in Utrecht-West of op bet nieuwere Bisonspoor in Maarssenbroek. Het centram van Utrecht dat uiteraard de grootste keuze biedt, bevindt zicb op een afstand van niet meer dan 6 km van bet hart van Leidscbe Rijn. Ook voor voorzieningen als middelbare scholen en ziekenhuizen zijn de bewoners aangewezen op de stad en op Maarssenbroek. Tussen Vleuten en De Meem in bevindt zicb een sportcomplex (Fletiomare) met een zwembad, een sporthal en sportvelden. In de bloemenveiling waar gedurende de week agrarische produkten worden geveild, wordt op zaterdag een 'zwarte beurs' gehou¬ den. Tot bet voorzieningenpakket van Vleuten-De Meem behoren voorts enkele klei¬ ne begraafplaatsen. Vooral een functie voor de bewoners van bet westelijk deel van Utrecht hebben enkele volkstuin- en sportcomplexen in bet oosten van bet plangebied, nabij bet Amsterdam-Rijnkanaal en de az (Hoge Weide, Strijland en J.C. Vertboren).
en als: - '...een proces van verandering waarin de benutting van hulpbronnen, de richting van investe¬ ringen, de oriëntatie van technologische ontwikkeling en institutionele verandering alle met elkaar in harmonie zijn en (alle) zowel de huidige als de toekomstige mogelijkheid vergroten om aan de menselijke behoeften en wensen tegemoet te komen.' De huidige opgave van de ruimtelijke ordening wordt gedomineerd door de woning¬ bouw. De enorme aantallen woningen die in de komende vijftien a twintig jaar gebouwd moeten worden, zullen bepalend zijn voor bet gezicht van de steden ofzelfs voor bet gezicht van Nederland. De behoefte aan een uitbreiding van de woningvoor¬ raad is groot. Meer nog dan elders in Nederland geldt dit in de regio Utrecht. Het Masterplan Leidsche Rijn kan bijdragen aan een historisch belangrijk besluit om de woningnood in de regio Utrecht op te lossen. Bij de ontwikkeling van de visie die ten grondslag ligt aan het Masterplan ligt het voor de hand een vergelijking te maken met de opgave voor de grote stadsuitbreidin¬ gen in de jaren '60 en '70. De vraag van toen komt sterk overeen met de vraag van nu. Tóen zijn door planologen en stedebouwkundigen plannen gemaakt met een sterk ideologisch karakter. Nü staat in de planontwikkeling het waarborgen van kwaliteit en toekomstwaarde centraal, wat bijdragen uit tal van andere disciplines onontbeer¬ lijk maakt.
Voor het welslagen van de opgave zullen alle betrokkenen hun verant¬ woordelijkheid moeten nemen. De begrippen 'compactheid', 'duurzaamheid' en 'identiteit' spelen een hoofdrol in de ontwikkeling van een visie voor het plan Leidsche Rijn. Het is daarom belangrijk om deze begrippen van definities te voorzien die op de schaal van het Masterplan han¬ teerbaar zijn. Ook is het belangrijk om de verbanden die er tussen deze begrippen bestaan onder de aandacht te brengen. De eindkwaliteit van het plan wordt bepaald door de mate waarin compactheid, duurzaamheid en identiteit op elkaar inwerken. En hoe sterker, hoe beter.
Het idee van de 'compacte stad' is actueel gemaakt in de vinex. Hierin wordt de aan¬ dacht gevestigd op de gevolgen van een versnipperde groei van de nationale woning¬ voorraad. Er ontstaan talloze relatief kleine stedelijke gebieden met daartussen stuk¬ ken landschap van steeds geringere omvang. Deze verspreid liggende gebieden zullen bovendien een toename van het (auto)verkeer in de hand werken, eveneens ten nade¬ le van het landschap. Als reactie op deze versnippering en de daaruit voortvloeiende mobiliteitstoename is de 'klassieke' stadsuitbreiding opnieuw in de belangstelling komen te staan. 'Compacte stad' is de nieuwe term voor deze vorm van groei. 'Compact' wordt vaak geïnterpreteerd als: dicht op elkaar. Elk nieuw stedelijk gebied is in die optiek compact als de bebouwingsdichtheid maar hoog genoeg is. Deze definitie is schraal en achterhaald. Het gaat niet om een hoge dichtheid, maar vooral om een sterke verbondenheid met bestaande concentraties van bebouwing.
De eigen¬ schappen van compactheid worden in de visie voor het plan Leidsche Rijn als volgt ver¬ taald en toegepast: - een nieuw woongebied komt op fiets- en openbaar-vervoerafstand van een goed ont¬ wikkeld, bestaand stadscentrum te liggen; - er komt aldus voor de (toekomstige) bewoners een categorie van voorzieningen beschikbaar waarvoor in het gebied zelf lange tijd een te gering draagvlak zou zijn (bijvoorbeeld theaters en bioscopen); - het nieuwe woongebied is niet volledig op zichzelfaangewezen maar profiteert van de sfeer, het karakter en de geschiedenis van een bestaande stad. Op grond van de eis van compactheid is een volledige integratie van de A2, de auto¬ snelweg tussen Utrecht en Amsterdam, dan ook als een dwingende voorwaarde in het Masterplan opgenomen. Onder 'integratie' wordt in dit verband verstaan een over¬ kapping van de weg. Door de overkapping die zo geconstrueerd zal worden dat deze voor diverse stedelijke functies gebruikt kan worden, van taluds te voorzien krijgt de A2, over een afstand van ca. twee kilometer, de gedaante van een rug in het landschap.
Het tweede begrip in het drieluik is 'duurzaamheid'. Omdat dit begrip nogal uit¬ eenlopende interpretaties en/of verwachtingen oproept, wordt eerst de achtergrond ervan geschetst. Duurzaamheid als begrip kreeg eind jaren '80 een nieuwe betekenis met de publikatie van het rapport van de World Commission on Environment and Development 'Our Common Future', beter bekend als het Brundtland-rapport. De uitputting van natuurlijke hulpbronnen en de vervuiling van lucht en water, veroorzaakt door het gebruik van die hulpbronnen, vormen een bedreiging voor de toekomst van onze pla¬ neet. Het Brundtland-rapport geeft aan dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen menselijke activiteiten en de beperkingen opgelegd door het milieu, maar ook dat er een groeiend bewustzijn is van dit feit. In het rapport wordt het begrip van duurzame ontwikkeling gepresenteerd als een manier om de nieuwe uitdagingen die deze tegen¬ strijdigheid met zich meebrengt, aan te nemen. De commissie definieerde duurzame ontwikkeling als: - '...het voldoen aan de behoeften en wensen van de huidige generatie zonder dat de mogelijk¬ heden van de toekomstige generaties om aan hun behoeften te voldoen in het geding raken.'
Samengaan van ecologie en economie In plaats van de bescherming van het milieu en de bevordering van economische ontwikkeling als twee gescheiden thema's te zien, is de uitdaging van een duurzame ontwikkeling de integratie van deze twee. Eigenlijk vertegenwoordigt het Brundtlandrapport een definitieve breuk met de zogeheten milieubenadering. Het pleit namelijk niet voor de aanpak van specifieke milieuproblemen maar het biedt een geheel nieuw ontwikkelingsconcept. Het verklaart hoe milieuproblemen, financiële dilemma's, politieke vraagstukken en institutionele strategieën op elkaar inwerken en hoe dat proces de duurzaamheid kan bevorderen ofjuist in gevaar brengen. Dus ecologie en economie worden als steeds sterker met elkaar verweven terreinen gezien - op lokaal, regionaal, nationaal en mondiaal niveau. Bovendien wordt het milieu niet gezien als een 'heilige koe' maar als een verzameling van hulpbronnen waarop alle ontwikke¬ ling is gebaseerd. Het gaat er om die hulpbronnen op een efficiënte manier te beheren om ook in de toekomst welvaart te garanderen. Samenvattend kan geconcludeerd worden dat duurzame ontwikkeling wel degelijk verandering inhoudt. Ten aanzien van het milieu is in het Masterplan de lijn van het Brundtland-rapport doorgetrokken.
Natuurlijk is er aan de hand van normen en regels vastgesteld wat niet mag - maar vooral is erop gelet in hoeverre milieu-aspecten meerwaarde kunnen ople¬ veren. Milieu-eisen, die soms lastig zijn in te passen, zijn beschouwd als een aspect van duurzaamheid, als middel, als vehikel voor de verbetering van de (leefjkwaliteit van de toekomstige woonomgeving. Een probleem is overigens wel dat deze verbeteringen zich nog niet (ofniet eenvoudig) laten vertalen in financiële termen. Het voorstel voor de integratie van de a2 illustreert dat. Er is getracht een afweging te maken tussen enerzijds de kosten en anderzijds het rendement in termen van duurzaamheid (en compactheid). Deze afweging leidt vooralsnog tot een positieve beslissing omtrent de integratie, vooral ook gezien de omvang van het nieuwe woongebied dat van deze ingreep profiteert. Het gegeven dat door de integratie van de A2 bovendien 'bovenstedelijk' groen, dat anders noodzakeUjk zou zijn om stank en geluid te weren, vrij komt voor ander gebruik, lijkt ook in financieel opzicht de balans in positieve zin te doen doorslaan Dit betekent dat uit een oogpunt van duurzaamheid de integratie een 'must' is. Hoofdelementen als raamwerk Duurzaamheid gaat in essentie over het niet uitputten van mogelijkheden ten kos¬ te van volgende generaties.
Anders gezegd: tegemoet komen aan de wensen van nu mag de wensen van morgen niet frustreren. Er zijn veel technieken in ontwikkeling die in het stadium van de uitvoering van een plan hieraan een bijdrage kunnen leve¬ ren, bijvoorbeeld op het gebied van de waterhuishouding, het materiaalgebruik en het energieverbruik. Op het veel abstractere niveau van het Masterplan stelt duurzaamheid vooral eisen aan de flexibiliteit: het gaat erom ingrepen te vermijden die een te grote claim leggen op toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden. Dit betekent dat het stedebouwkundig plan over de kwaliteit moet beschikken om misschien zelfs fundamenteel nieuwe ont¬ wikkelingen op te kunnen nemen zonder krachteloos te worden. Het is daarom van belang om met precisie vast te leggen welke elementen in het plan een blijvende waar¬ de vertegenwoordigen, en welke aan verandering onderhevig kunnen zijn. Tot de eer¬ ste categorie behoren vooral de 'publieke' onderdelen van het ontwerp: de infrastruc¬ tuur (ontsluiting), de belangrijkste openbare ruimten (de bijzondere elementen) en de voorzieningencentra. Tot de tweede categorie behoort vooral de gedetailleerde invul¬ ling van het programma, zowel op het gebied van wonen als van werken.
In het Masterplan moeten de hoofdelementen vastliggen en inhoud hebben zodat het programma er in alle denkbare variaties ingevoegd kan worden met behoud van de kwaliteiten van de hoofdstructuur. Daarnaast vereist duurzaamheid het waarderen en gebruik maken van aanwezige kwaliteiten: niet het volledig wegvagen van land¬ schap, maar het opnemen van de rijkdom ervan; niet het volledig omverwerpen van de structuur van het gebied, maar het inpassen van de goede bestaande elementen (bebouwing, water, wegennet). Duurzaam bouwen zal uitgangspunt zijn. Het gaat hierbij om het beperken van het energiegebruik en om het gebruik van materialen die het mileu zo min mogelijk belasten.
In de visie op het project neemt identiteit een belangrijke plaats in. Identiteit heeft te maken met karakter. De stad Utrecht en de kernen van Vleuten-De Meem hebben karakters die onderUng sterk verschillen. Behoud en zelfs versterking van het eigen karakter wordt gewenst. Deze wens staat op gespannen voet met de wens naar eenheid en samenhang in het plan. Hier ligt dus een probleem? Nee, er is sprake van een mis¬ verstand - het misverstand dat ruimtelijke eenheid een voorwaarde is voor het wel¬ slagen van het plan, alsof een plan een afgeronde eenheid in tijd en ruimte zou zijn. Om de verbeelding te prikkelen wordt een denkbeeldig uitstapje gemaakt naar de binnenstad van Amsterdam, een stedelijk gebied met een onmiskenbare, eigen iden¬ titeit. Is er sprake van eenheid? Uit morfologische analysen blijkt juist dat die bin¬ nenstad (bedoeld wordt het gebied binnen de Singelgracht) een veelheid en verschei¬ denheid aan structuren bezit. Onderscheiden kunnen worden de middeleeuwse kern, de i6de-eeuwse schil, de grachtengordel, de Jordaan en nog een stuk of negen kleine¬ re delen. Deze verschillen onderling in structuur, maat en principe. Hieruit blijkt dat het niet in de eerste plaats de eenheid in de ruimtelijke structuur is die de identiteit bepaalt.
Belangrijker als drager van de identiteit zijn de bijzondere elementen, die een verbinding kunnen leggen tussen verleden, heden en toekomst, tussen hier en daar. Vertaald naar Leidsche Rijn gaat het om het accentueren van die elementen die Leidsche Rijn onderscheiden van andere (stedelijke) gebieden: bijzondere combinaties van functies, grote openbare ruimten met specifieke activiteiten en evenementen, bijzon¬ dere, 'unieke' gebouwen. Belangrijk is dat Leidsche Rijn karakter krijgt, dat over pak¬ weg een halve eeuw meer dan één antwoord mogelijk is op de vraag: 'Wat voor gebied is Leidsche Rijn?' Daarbij is het van ondergeschikt belang ofLeidsche Rijn als stedelijk gebied een geheel vormt of uit een aantal afzonderlijke delen bestaat.
De relatie tussen compactheid en duurzaamheid culmineert in de integratie van de A2. Het gaat bij de A2 niet alleen om een verlegging - uiteraard zijn daar goede en prak¬ tische redenen voor - het gaat vooral om de integratie. Door de integratie gaat Utrecht als het ware 'van het slot'. De stad kan zich bevrijden van een knellende band. De lan¬ delijke infrastructuur houdt de stad niet langer in de tang. De integratie van de A2 zorgt ervoor dat er grote bouwlocaties langs de oevers van het Amsterdam-Rijnkanaal vrijkomen. Er ontstaat planologische vrijheid - vrijheid om bebouwing en open ruim¬ te op de best denkbare plaatsen te ontwerpen én vrijheid om zorgvuldig om te gaan met de bijzondere onderdelen van het bestaande landschap, de natuur, archeologi¬ sche vondsten en belangrijke monumenten. De relatie tussen compactheid en identiteit - het waarderen en kunnen inpassen van waardevolle elementen in het plangebied - brengt een rijkdom van verschillen in het bouwprogramma in: het gezicht van de nieuwe stadswijken wordt mede bepaald door de inpassing van de beste onderdelen van het gebied Leidsche Rijn.
Toekomstige inlaatbehoefte: 160.000 m3 gezuiverd rivierwater
vi^, of ■yO(/r 1■< 7:
20
VlcJ-
-j
— 3--^
lo -/r Me^crtnel-rifh
bio(oY>iC.llt' ziai/cr>^Cj|
cWt-
^3/ltr-tAA \rA'>ir^i^\2^T(Ay^.
gen voor continuïteit en geven vanafhet begin een vanzelfsprekende identiteit aan de onderdelen. Nieuwe groenelementen zijn zo gesitueerd dat, aansluitend op bestaan¬ de elementen, midden in Leidsche Rijn een groot groengebied ontstaat - van het Huis te Vleuten tot aan het Castellum en van de Eng tot aan Nijeveld. Het groengebied is een nieuw hart waarop de woongebieden in het Vleutense en het Utrechtse deel op een vanzelfsprekende manier georiënteerd zijn. Met het Masterplan voor Leidsche Rijn wordt beoogd een duurzaam en kwalitatief goed perspectief te bieden voor de ontwikkeling van het plangebied. Voor de mogelij¬ ke ontwikkelingsrichting van Leidsche Rijn zijn in de startfase vier programmatische scenario's opgesteld: suburb, sterke flank, poort van de Randstad en nationaal ont¬ moetingspunt. De scenario's geven inzicht in de kansen voor Leidsche Rijn tegen de achtergrond van mogelijke ambities en bereikbare marktontwikkelingen. Een brede discussie heeft geresulteerd in een voorkeur voor de uitwerking van het scenario 'ster¬ ke flank' - waarbij aangetekend kan worden dat de regio Utrecht al de functie van poort van de Randstad heeft. Onder een sterke flank wordt verstaan een hecht in de regio verankerd, duurzaam woongebied, waarin bestaande ruimtelijke kwaliteiten benut zijn.
Het Masterplan en het programma voor Leidsche Rijn zijn zo flexibel dat het moge¬ lijk is om tijdens de planontwikkeling en de uitvoering expliciete kansen om een hoge meerwaarde te bereiken ook daadwerkelijk te benutten. Zo kan ingespeeld worden op een veranderende bevolkingssamenstelling en daarmee samenhangende woningvraag in de regio, op ontwikkelingen in de sfeer van werkgelegenheid en voorzienin¬ gen die voortvloeien uit de ligging van het plangebied in de Randstad en op verande¬ ringen die zich voltrekken in de (kem)stad en in het omringende buitengebied. In dit hoofdstuk komen eerst de programmatische aspecten van een sterke flank en de meerwaarde die kan worden gegenereerd door in te spelen op actuele ontwikke¬ lingen aan de orde. Vervolgens worden de gegevenheden behandeld waarmee, om uit¬ eenlopende redenen, bij de planvorming rekening gehouden moet worden - de ruim¬ telijke randvoorwaarden. In het kort worden de contouren van het programma geschetst. Kern van het hoofdstuk vormt het programma in onderdelen. Het hoofd¬ stuk wordt afgesloten met een paragraaf over flexibiliteit en sturingsmogelijkheden.
Een sterke flank is, zoals gezegd, een hecht in de regio verankerd, duurzaam woon¬ gebied, waarin bestaande ruimtelijke kwaliteiten benut zijn. Vier aspecten hebben daarbij bijzondere aandacht gekregen: - het woningbouwprogramma; - mobiliteitsaspecten; - de waterhuishouding; - bestaande ruimtelijke kwaliteiten. Veel aandacht is besteed aan de vraag voor wie in Leidsche Rijn gebouwd wordt. Woningbouw in Leidsche Rijn is een strategische toevoeging aan de regionale woning¬ voorraad. Met 30.000 nieuwe woningen zal het woningtekort in de regio slechts voor een deel ingelopen kunnen worden. Het komt er dan ook op aan het woningbouw¬ programma zo goed mogelijk af te stemmen op de ontwikkelingen op de woning¬ markt. Daartoe moeten vragen beantwoord kunnen worden als: welke groepen zijn er op de markt, wat zijn hun wensen en wat voor woningen komen na doorstroming vrij? Er is een zodanige lijn uitgezet dat Leidsche Rijn ontwikkeld wordt tot een woonge¬ bied met een gemengde bevolkingssamenstelling en dat tegelijkertijd de bestaande woningvoorraad in de stad niet zwaar onder druk komt te staan. Aan het woningbouwprogramma is een pakket van voorzieningen, groen en werkgelegenheid toege¬ voegd, dat er voor zorgt dat Leidsche Rijn - ook op langere termijn - een veelkleurig en gedifferentieerd deel van de regio zal zijn.
Terugdringen van de groei van de automobiliteit is een belangrijk uitgangspunt. Leidsche Rijn zal gekenmerkt worden door goede fietsmogelijkheden. Daarbij worden bestaande barrières in het plangebied en tussen het plangebied en de stad geslecht of geïntegreerd. Doorgaand (regionaal) autoverkeer wordt uit het woongebied geweerd. Randstadspoor en een gedifferentieerd Hov-systeem zorgen voor een perfecte ont¬ sluiting van woon- en werkgebieden en verbinden Leidsche Rijn met de stad en de regio.
De meerwaarde komt tot uiting in de volgende drie aspecten. Voor de ontwikkeling van de plandelen die in de tweede fase, na het jaar 2005, wor¬ den gerealiseerd kan ingespeeld worden op trends in de bevolkingsontwikkeling, die vermoedelijk gepaard gaan met een grotere woningvraag van ouderen en meer in het algemeen van kleine huishoudens. Dit kan leiden tot een versterking in beeld en func¬ tioneren van het 'compacte-stad'-karakter van Leidsche Rijn. Een van de nieuwe stations wordt interregiostation - namelijk het station dat gele¬ gen is in het Utrechtse deel van het plangebied, ter hoogte van de geïntegreerde A2 (station Leidsche Rijn). Hierdoor verbeteren de vestigingsvoorwaarden voor kantoren en bedrijven met relatief veel werkgelegenheid (B-profiel). Het grote tekort aan loca¬ ties voor dit type kantoren en bedrijven kan ingelopen worden en Leidsche Rijn wordt meer gedifferentieerd. Wanneer bovendien de tangentiale Hov-lijn doorgetrokken wordt in de richting van Maarssen ofZuilen kan ook Lage Weide een werkgebied wor¬ den met meer intensieve werkgelegenheid. In Leidsche Rijn is ruimte beschikbaar voor eventuele voorzieningen, die het gebied een specifiek karakter geven en die betekenis hebben voor de regio als geheel.
Het gaat hierbij onder meer om een grootschalige detailhandelsvestiging - waarvan de politie¬ ke wenselijkheid nog nader onderzocht wordt een toeristische attractie, een trans¬ ferium en recreatieve voorzieningen in aansluiting op de grote groenprojecten aan de westzijde van de het gebied.
Bij de planvorming moet rekening gehouden worden met de aanwezigheid van ele¬ menten die gehandhaafd blijven. Het gaat hierbij enerzijds om elementen, waarvan verplaatsing niet mogelijk is of onevenredig hoge kosten met zich meebrengt, ander¬ zijds om elementen die het waard zijn om behouden te blijven. Ten slotte blijft de bebouwing en een deel van de bestaande voorzieningen gehandhaafd. Tot de elementen die niet verplaatst kunnen worden behoren leidingen en kabels, nuts- en verkeersvoorzieningen en bedrijven in en aan de rand van het plangebied. Het randvoorwaardestellende karakter van deze elementen berust in belangrijke mate op de hinder die zij veroorzaken. Om de toekomstige bebouwing van het plangebied te vrijwaren van deze hinder moeten zogeheten hinderzones in acht genomen worden. In dit verband moet ook met bodemvervuiling rekening gehouden worden. Op de hinderkaart op de pagina hiernaast zijn die gebieden aangegeven die in het plan niet of slechts voor een beperkt aantal functies kunnen worden gebruikt. Hinderzones van leidingen en kabels Het centrale karakter van de ligging van Leidsche Rijn blijkt uit de grote hoeveel¬ heid onder- en bovengrondse infrastructuur die het gebied doorsnijdt. Het overgrote deel van de aanwezige kabels en leidingen zal kunnen büjven liggen. De leidingen¬ tracés kunnen echter niet worden bebouwd.
Zij hebben alle, afhankelijk van de soort, een eigen hinderzone waarmee in het plan rekening moet worden gehouden. (Overi¬ gens kunnen delen van deze zones geïntegreerd worden in een park of een andere openbare ruimte.) Leidingen waarvoor in het plan een andere oplossing moet worden gezocht zijn de gasleiding langs de A2 en de bovengrondse hoogspanningsleiding in het oosten van het plangebied. Deze laatste zal ondergronds moeten worden gelegd. Een nieuw tracé vanaf Lage Weide, langs de oever van het Amsterdam-Rijnkanaal ofgeïntegreerd met het verlegde tracé van de A2, lijkt het meest voor de hand te liggen. In dit tracé kan ook de gasleiding worden opgenomen. Voor de watertransportleiding van Rijn-Kennemerland moet nog worden onderzocht ofdeze in het plan kan worden opgenomen, dan wel gedeeltelijk verlegd moet worden.
Voor Leidsche Rijn is een systeem van waterhuishouding ontwikkeld dat er voor zorgt dat het oppervlaktewater schoon is en dat de afvoer van hemelwater naar de rioolwaterzuivering beperkt blijft. Bovendien draagt het systeem bij aan het behoud van bestaande en de ontwikkeling van nieuwe natuur-elementen. In de planvorming wordt er rekening mee gehouden dat water en groen niet alleen recreatieve moge¬ lijkheden bieden, maar ook van belang zijn als ecologische verbindingszones naar de grote aaneengesloten groengebieden aan de west- en zuidzijde van het plangebied.
Hinder- en gevarenzones van nuts- en verkeersvoorzieningen Zowel geluid- als stankhinderzones omringen de rioolwaterzuiveringsinstallatie langs de Leidsche Rijn in het westen van het plangebied. In het plan zullen deze in acht moeten worden genomen. Tenminste een deel van de hinderzone kan worden benut door een plaatselijk bedrijfsterrein in de nabijheid van de installatie te lokaliseren. De waterwingebieden bij de kern De Meem kunnen niet worden bebouwd (maar wel als buurt- ofwijkpark in de woonomgeving worden opgenomen). Wat de bestaande verkeersinfrastructuur betreft moeten geluidhinderzones in acht genomen worden langs de autosnelwegen en langs de spoorweg. Voor de laatste geldt een breedte van 80 meter aan weerszijden. Langs het Amsterdam-Rijnkanaal moet een calamiteitenzone van 35 meter worden vrijgehouden (bij walradar).
Een belangrijk aspect bij de ontwikkeling van Leidsche Rijn tot een sterke flank is het zorgvuldig omgaan met bestaande ruimtelijke kwaliteiten. Bestaande bebouwing, de linten, waardevolle beplanting en archeologische monumenten worden groten¬ deels gehandhaafd en geïntegreerd in het nieuwe woongebied. Deze elementen zor¬
Hinder- en gevarenzones van bedrijven De drie bedrijfsterreinen in de buurt van het plangebied. Oudenrijn, PapendorpNoord en Lage Weide, hebben alle geluidhinderzones. De zone van Oudenrijn moet worden gerespecteerd. De 50 dB(A)-lijn is daarbij maatgevend, zodat de calamiteiten¬ zone die in acht dient te worden genomen rond bijvoorbeeld het bedrijfEngelhard-De
TUI
Kwaliteitskaaii Leidsche Rijn Woonkern Natuurgebeid uit de ehs Natuurontwikkeüngs gebeid Te handhaven solitaire boom (cat. i) Te handhaven solitaire boom (cat. 2) Te handhaven haag Te handhaven bomenrij Te handhaven dubbele bomenrij Te handhaven monumentale bomenlaan Te handhaven hoogstamboomgaard Te handhaven landgoed en bosopstand Te compenseren bosopstand ] Te handhaven / te compenseren J bosopstand Te handhaven openbaargroen Te handhaven sportveld, zwembad en begraafplaats Te verplaatsen sportveld en volkstuin Te handhaven water Te integreren oude rivierbedding Te integreren culuurhistorische wegen Te integreren overige wegen Te integreren archeologisch monument Te integreren potentiële archeologische vindplaats
Meem in de geluidhindercontour wordt opgenomen. Voor de geluidhinder rond bedrijfsterrein Lage Weide is onderzoek verricht naar de werkelijke contour. Bekeken is daarbij in hoeverre door sanering van een enkel bedrijf de contour van 5odB(A) zal wijzigen. Vooral de contour ten zuiden van de spoorweg is voor het plan zeer bepa¬ lend. Voor Papendorp-Noord is dit onderzoek al gedaan. Het ligt voor de hand om de twee bedrijven die de meeste milieuhinder veroorzaken, niet in het plan in te passen. Een nadere oplossing wordt in overleg met deze bedrijven gezocht. Vanwege de ligging in het toekomstige woongebied en de daarmee niet te vermij¬ den hinder die zij veroorzaakt, wordt voorgesteld de bestaande veiling niet te hani haven. Bodemvervuiling Van lichte verontreiniging van de bodem is sprake in het bestaande deel van het bedrijfsterrein Oudenrijn en in het glastuinbouwgebied. Daarnaast zijn er in het plan¬ gebied vijfvoormalige stortplaatsen. Voor sanering is in het viNEX-uitvoeringscontract geld gereserveerd. Het plangebied bevat veel elementen die op grond van hun cultuurhistorische of landschappelijke kwaliteit het waard zijn om behouden te blijven, wat betekent dat deze in het plan niet of slechts gedeeltelijk voor bepaalde functies kunnen worden gebruikt. Op de kwaliteitskaart op de pagina hiernaast staan de betreffende elemen¬ ten aangegeven.
Cultuurhistorische waarden Leidsche Rijn is rijk aan archeologische vindplaatsen. Zes van deze vindplaatsen hebben al de status archeologisch monument. Voor drie andere is deze status momen¬ teel in voorbereiding. Deze (potentiële) monumenten kunnen slechts ten dele en dan nog alleen ten behoeve van een groene functie tot het netto-plangebied worden gere¬ kend. Ook met de overige (vermoedelijke) vindplaatsen moet zeer voorzichtig worden omgegaan. De rijke bewoningsgeschiedenis van het plangebied zal onderdeel moeten uitmaken van het plan. Eventuele opgravingen dienen in het plan te worden benut. Ook delen van de oude loop van de rivier die zich nog in het landschap manifeste¬ ren moeten worden gerespecteerd. Ook die delen van de rivierloop die niet meer als zodanig herkenbaar zijn, worden bewaard. Grote delen van de bestaande lokale weginfrastructuur zijn in cultuurhistorisch opzicht van belang, evenals de restanten van oprijlanen naar diverse buitens ofhoven. Deze moeten worden behouden. Nog onderzocht moet worden ofdelen ervan als fiets¬ pad of als onderdeel van de nieuwe weginfrastructuur tot het netto-plangebied gere¬ kend kunnen worden. Groen- en natuurwaarden De beide landgoederen Haarzuilens en Park Voorn dragen in belangrijke mate bij aan de groene identiteit van het plangebied. Ook van betekenis voor de groene iden¬ titeit zijn de monumentale bomen.
Voor zover mogelijk blijven deze alle gehand¬ haafd, inclusief de bomenrijen en de lanen die zich als onderdeel van de lokale infra¬ structuur in het plangebied bevinden. Hagen van goede kwaliteit die niet behoren tot de openbare ruimte worden ook gehandhaafd, evenals bosopstanden van zeer goede kwaUteit. De in diverse nota's aangewezen ecologische hoofdstructuur rond de grienden zal in de afweging tussen al de te behouden groen- en natuurwaarden en het uiteindelijk te realiseren woningbouwprogramma moeten wijken voor de verstedelijkingsdruk. Er is in het gebied ten westen van de weg tussen Vleuten en Maarssen, aangewezen als potentieel natuurontwikkelingsgebied, zowel binnen als buiten het plangebied vol¬ doende ruimte aanwezig om deze natuurwaarden te compenseren. Vrijwel alle hoofdbebouwing in het plangebied blijft gehandhaafd. Om in individu¬ ele gevallen een afweging te kunnen maken wordt de onroerend-goedwaarde met een bepaalde ondergrens als richtlijn gehanteerd. Een uitzondering wordt gemaakt voor de bebouwing in het meest oostelijk deel van het plangebied. Aangezien de huidige bebouwing langs de Huppeldijk en in Polder Papendorp in de toekomst op een bedrijf¬ sterrein komt te liggen, ligt handhaving van de bebouwing langs deze wegen, voorzo¬ ver geen monumenten in het geding zijn, niet voor de hand.
De bij de hoofdbebouwing behorende bijgebouwen en erven kunnen niet in alle gevallen worden gehandhaafd. Als een gemiddelde wordt voor de diepte van de te handhaven lintbebouwing een maat van 60 meter vanuit het hart van de ontsluitende weg aangehouden. Indien tussen twee panden meer dan 60 meter aanwezig is, kan het lint worden verbroken en kan de betreffende ruimte worden gebruikt voor de ont¬ sluiting voor het achterliggende gebied. Uiteraard gaat het hier om vuistregels, waar¬ aan geen enkel recht kan worden ontleend. De waterhuishouding van Leidsche Rijn is bijzonder gecompliceerd. Het voornemen bestaat om niet meer op grote schaal te bemalen. De consequenties hiervan voor de fundering van de bestaande bebouwing worden nader onderzocht. Voorzieningen Voor zover het bij de voorzieningen om gebouwen gaat, bevinden deze zich vrijwel alle in de bestaande kernen, die integraal gehandhaafd blijven. Voor het overgrote deel van de in het plangebied aanwezige open-luchtvoorzieningen, zoals sport- en volkstuincomplexen zal echter een nieuwe locatie moeten worden gevonden. Dit geldt ook voor een deel van de woonwagenterreinen en voor het terrein van de Vleutense scouting. Alleen het oostelijk deel van het sportpark Fletiomare en
het zwembad kunnen waarschijnlijk worden gehandhaafd. Dit is ook het geval met de begraafplaats aan de Europaweg tussen Vleuten en De Meem.
Het plangebied Leidsche Rijn heeft een oppervlak van 2.558 ha. Bij de toedeling van het programma aan dit oppervlak wordt het volgende onderscheid gehanteerd: - te handhaven elementen; - het bmto-plangebied; - het netto-plangebied. Onder te handhaven elementen vallen alle waardevolle elementen in het gebied, waaronder bebouwing en een groot deel van de bestaande bedrijvigheid. Ook alle van bebouwing vrij te houden leiding- en hinderzones en saneringslocaties kunnen hier¬ toe gerekend worden, evenals het bestaande water. Het gaat hier om een oppervlak van ca. 950 ha. Een deel van dit oppervlak kan ten behoeve van nieuwe functies in het plan geïntegreerd worden. Bestaande wegen kunnen immers een rol spelen in de ont¬ sluiting van woongebieden, bestaande groenelementen en een deel van de archeolo¬ gische monumenten kunnen onderdeel zijn van parken, in hinderzones kunnen minder-geluidgevoelige bestemmingen gerealiseerd worden. Echt 'onbmikbaar' voor nieuwe ontwikkelingen is een oppervlak van ca. 768 ha. Voor het bmto-plangebied res¬ teert derhalve 1.790 ha. Het bmto-plangebied omvat de werkgebieden, het brede pakket van stadsdeelvoor¬ zieningen, de hoofdontsluiting, een beperkt aantal nieuwe hinderzones en de grote wateroppervlakten die nodig zijn om de neerslag in het gebied te bufferen. Hiervoor is een oppervlak nodig van 990 ha.
Een klein deel hiervan kan door dubbel grondgebmik geïntegreerd worden. In dit oppervlak zijn ook de extra voorzieningen (eventu¬ eel een grootschalige detailhandelsvestiging, een transferium, een toeristische attrac¬ tie) verdisconteerd. Voor het netto-plangebied resteert 800 ha. Tot het netto-plangebied worden gerekend de woningen (30.000) met alle bijbeho¬ rende voorzieningen, wegen en groen op wijk- en buurtniveau.
Voor het woningbouwprogramma voor Leidsche Rijn is in kwantitatieve zin de viNEX-taakstelling richtinggevend: 20.000 woningen in de eerste fase (de periode tot het jaar 2005), waarvan tenminste 30% in de sociale sector. Voor de tweede fase (20052015) wordt uitgegaan van een uitbouw tot in totaal 30.000 woningen. Ook in deze fase zal een vergelijkbare woningdifferentiatie worden aangehouden. Referentiekader voor het woningbouwprogramma is het Regionaal Volkshuisvestingsplan (rvhp). Basisprogramma en varianten Tabel 14 (deel II) geeft een beeld van de mogelijke verdeling van het aantal wonin¬ gen over de verschillende prijsklassen en van het aandeel gestapelde woningen. Als uitgangspunt voor het bouwprogramma gelden de beleidskeuzen uit het rvhp, die gericht zijn op regionale doorstroming en het voorzien in de woningbehoefte van star¬ ters. Het regionale bouwprogramma voor de korte termijn is in een lange-termijnperspectiefgeplaatst, uitgaande van veronderstellingen over ontwikkelingen in de bevolIdngssamenstelling van de regio en in de bestaande woningvoorraad. Het basispro¬ gramma dat uit deze berekening voortkomt, gaat uit van een grote vraag naar relatief goedkope (gestapelde) woningen en naar relatief dure woningen op grote kavels. Het stapelingspercentage bedraagt 30%.
Voor de ontwikkeling van Leidsche Rijn in de komende 20 jaar is dit basisprogramma als uitgangspunt gekozen. Een aantal varianten hierop is denkbaar. Zo kan worden uitgegaan van minder sta¬ peling, vanuit de veronderstelling dat de op gestapelde woningen gerichte woning¬ zoekenden zich meer op de bestaande woningvoorraad in de stad zullen oriënteren (variant 1). Ook kan, in het geval van een minder gunstig economisch perspectief, gedacht worden aan een geringer aantal dure woningen ten gunste van het aantal woningen in de midden-prijsklasse (variant 2). Fasen en plandelen Het basisprogramma heeft betrekking op de totale planperiode. Het betreft een optelling van een programma voor de eerste fase (1995-2005) en een programma voor de tweede fase (2005-2015). De relatieve verschillen tussen beide programma's worden vooral veroorzaakt door de gevolgen van een aantal demografische ontwikkelingen op de lange termijn. Prognoses geven aan dat er na 2005 een toenemende vergrijzing van de bevolking in de regio zal optreden. Daarnaast is er sprake van een verder toene¬ mende individualisering (meer éénpersoonshuishoudens). Met name door deze twee facoren neemt de behoefte aan gestapelde woningen aanzienlijk toe. Het spreekt ove¬ rigens voor zich dat de onzekerheden in het programma voor de tweede fase groter zijn dan in dat voor de eerste fase.