Ter informatie - Masterplan Leidsche Rijn (1995).pdf
Tekst van het document
Leidsche Rijn bestaande situatie
Brecn<0|en \ Pf>ldet f
Polde}^ kórth
Legenda Legend mêin road: church tower tower. hoofdweg met a kerktoren, toren. gescheiden rijbanen dual carriageway high dome koepel O b hoge kerk zonder toren church without tower andere hoofdweg other main road getrianguleerde punten: triangufation pointsverharde weg met meta/led road: toren. church tower. tower. b a kerktoren, gescheiden rijbanen dual carriageway high dome koepel % b hoge 0 andere verharde weg other metalled road kerk zonder toren church without tower c d □ c vuurtoren lighthouse weg met losse of loose or light building d gebouw slechte verharding surface road punt other mark eG fA fe ander unmetailed road onverharde weg merksteen state survey stone RD rijksdriehoeksmeting pad path town hall a gemeentehuis cycle-track fietspad post office a|- bf c\- bc postkantoor road under construction weg in aanleg politiebureau poUce station planned road weg in ontwerp a kapel chapel cross b kruis spoorweg: dubbelspoor railway: doublé track ■1 "t signpost c wegwijzer spoonA'eg: enkelspoor railway: single track windmilt 8 windmolen station; laadperron station, loading-bay watermill b watermolen a ^ bO windpump c windmolentje tram: op eigen baan tramway: reserved track 8 oliepompinstallatie oH-pumpmg unit tram: op de weg tramway: street-track signalpost a-f bp?f b seinmast underground-station wireless mast metrostation c zendmast dijk: 2,5 m of hoger dike- 2.5 m high or
over cairn a hunebed b monument monument dijk: 1-2,5 m hoog dike: 1-2.5 m high pumping-station c poldergemaal kade: lager dan 1 m eatth bank: less than 1 m begraafplaats cemetety '|t t; b_ ab hoogbouw dike with road iiiiüüiüii berijdbare dijk high-rise building ingraving cutting road numbering a wegnummering ,!m3] ''a b parkeerplaats parking viaduct viaduct filling-station [S] 'n c tankstation 8 rijstrokenvermelding lane-information viaduct op pijlers viaduct on piers b kilometerpaal kilometre post road closing c wegafsluiting tunnel tunnel firing range schietbaan vaste brug hxed bridge afiastering wire fence movable bridge beweegbare brug hoogspanningsleiding high tension line brug op pijlers bridge on piers rijksgrens national boundary kanaal met schutsluis canal with lock provincial boundary provinciegrens a grondduiker culvert siphon municipal boundary gemeentegrens b stuw t c sluis sluice boundary of grens militair oefenterrein military trammg-area a brug bridge a b b vonder footbndge hoogtelijnen contours c duiker culvert hoogtegetal spot height a steile rand escarpment a pontveer ferry b b helling slope b voetveer ferry for pedestnans a weide met sloten meadow with ditches c peilschaal water-level gauge orchard b boomgaard d kilometerraaipaal kilometre post c heg.
smalle houtrand hedge e kilomeierraaibord kilometre sign d boomkwekerij tree nursery beacon f baak '\ e kassen glasshouses g versterkt talud reinforced slope arable land f bouwland h krib jetty t g loofbos deaduous forest I stroomrichtingpijl direction of flow h naaldbos coniferous forest j eb/vloed aanduiding indication of tides mixed forest I gemengd bos k lichtopstand hght beacon j griend osier I laagwaterlijn low water mark k heide heath m hoogwaterlijn high water mark I zand sand n dieptelijnen bathymetric contours m dras en riet marsh and reed O droogvallende grond tidal flat
Master
plan
Leidsche
Rijn
In opdracht van de gemeenten Utrecht en Vleuten-De Meem Projectbureau Leidsche Rijn, 1995
Impressie van de inrichting van het centrale park van Leidsche Rijn
Ten geleide 5 Voorwoord 7 Samenvatting ii Summaiy in English 15 Raadsbesluit 19 Lijst van afkortingen 21 Literatuurlijst 22 Lijst van medewerkers 23 Colofon 24
1 Inleiding 2 Het bestumlijk en juridisch kader 3 Karakteristieken van het plangebied 4 Visie op het project 5 Programma 6 Het stedebouwkundig plan 7 financiële haalbaarheid 8 Fasering en planning
29 31 33 43 49 65 85 87
- 7. ( 1 Inleiding 2 Wonen 3 Werken 4 Voorzieningen 5 Verkeer 6 Milieubeheer en civiele techniek Bijlage
95 97 113 119 129 137 149
ISBN 90-9008634-x Aan de inhoud van deze publikatie kunnen geen rechten worden ontleend.
Niets uit deze uitgave mag worden overgenomen zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever.
In april 1994 is door de gemeentebesturen van Utrecht en Vleuten-De Meem opdracht gegeven tot het opstellen van een masterplan voor het gebied Leidsche Rijn. In de daarop volgende periode is ongelooflijk veel werk verzet door Riek Bakker en haar medewerkers in het Projectbureau Leidsche Rijn. Mede door hun deskundigheid, inzet, enthousiasme en inventiviteit ligt nu het Masterplan Leidsche Rijn voor u, waar¬ mee de raden van beide gemeenten in juni 1995 van harte hebben ingestemd. Het plan biedt naar onze overtuiging kansrijke mogelijkheden voor een compacte en duurzame ontwikkeling met handhaving en versterking van de identiteit van de beide gemeenten. Daarbij is dankbaar gebruik gemaakt van het overweldigende aan¬ tal reacties dat wij hebben ontvangen naar aanleiding van de presentatie door de Stuurgroep Leidsche Rijn en Riek Bakker van het concept-Masterplan in januari 1995. Dat vormt voor ons het bewijs dat velen, zowel inwoners van het gebied als belangen¬ groeperingen an andere (overheids)instanties, zich niet alleen betrokken voelen bij de ruimtelijke ontwikkelingen van het gebied, maar ook bereid zijn een constructieve bijdrage daaraan te leveren. Dat neemt niet weg dat niet iedereen even gelukkig is met de grootschalige stede¬ lijke ontwikkeling van dit gebied.
Wij zien ons daarom voor de opgave gesteld om niet alleen voor de nieuwe bewoners van Leidsche Rijn een aantrekkelijk, betaalbaar en milieuvriendelijk gebied te realiseren - ook voor de huidige bewoners moet het een plek blijven waar het tot in lengte van jaren plezierig wonen, werken en recreëren is. In dit plan worden de in het gebied aanwezige dorpskernen gerespecteerd. Tevens zal het plan voor het bestaand stedelijk gebied van Utrecht een versterking in verschil¬ lende opzichten betekenen. Met het onderhavige Masterplan zijn wij er uiteraard nog niet. Het is een belangrij¬ ke eerste stap op weg naar de daadwerkelijke ontwikkeling van een gebied waarin vele duizenden mensen hun thuis zullen vinden. Het is aan ons allen om daar verder vorm aan te geven. Annemiek Rijckenberg, wethouder gemeente Utrecht Hellen Melcherts-Buhler, wethouder gemeente Vleuten-De Meern
Voor U ligt het Masterplan Leidsche Rijn. Dit plan is in korte tijd tot stand gekomen. Daarbij hebben alle 'spelers in het spel' hun rol vervuld en hun verantwoordelijkheid genomen. In de eerste plaats zijn de inzet en de betrokkenheid van de verantwoordelijke bestuurders gedurende het gehele planproces groot geweest. Beide gemeenteraden, van Utrecht en van Vleuten-De Meem hebben nagenoeg unaniem ingestemd met het Masterplan. De kansrijke oplossing van de A2 is inmiddels zowel door de minister van vrom, mevrouw De Boer, als door de minister van Verkeer en Waterstaat, mevrouw Jorritsma, als een belangrijke inspanningsverplichting voor het gehele plan Leidsche Rijn aangemerkt. Zonder de medewerking en de inzet van het ministerie van vrom. Rijks¬ waterstaat regio Utrecht, de provincie Utrecht, het Regionaal Beraad Utrecht, de vervoerregio Utrecht en het Projectbureau Leidsche Rijn zou het zover niet hebben kun¬ nen komen. De oplossing die in zicht lijkt voor de verplaatsing van de glastuinbouw, is mede te danken aan de medewerking van het gemeentebestuur van Harmeien. Met de integratie van de A2 en de verplaatsing van de glastuinbouw lijkt de weg vrij voor de volgende fase van het Masterplan: de realisatie.
Naast het totstandbrengen van een combinatie van wat men de 'hardware' (fysieke gegevenheden) en de 'software' (ideeën en ontwerpen) zou kunnen noemen heeft het projectbureau de organisatie in het leven geroepen en het proces bedacht waarmee het plan tot stand gekomen is. Dit noemt men ook wel eens de 'orgware'. Ter illustratie hiervan kan erop gewezen worden dat het plan in vier fasen tot stand gebracht is. Fase één was een stevige discussie over het programma. Hierbij werden alle betrokkenen en belangstellenden uitgenodigd hun wensen en verlangens ken¬ baar te maken. De volgende fase was, gewapend met de aldus vergaarde kennis, het ruimtebeslag van het programma te bepalen en de onderdelen te ordenen en deze zo gunstig en kansrijk mogelijk ten opzichte van elkaar te situeren. De begrippen compactheid, duurzaamheid en identiteit stonden daarbij centraal. Gedurende deze arbeid heeft toetsing aan het financiële 'geweten' voortdurend een cruciale rol gespeeld. De derde fase was de vervaardiging en de presentatie van het concept-Masterplan. Aan de hand van dit concept-plan is tijdens veelvuldige bijeenkomsten een zo groot mogelijk aantal belanghebbenden geconsulteerd. De belangstelling was overweldi¬ gend en daarmee ook het aantal reacties - die in het algemeen positiefwaren. De laatste fase betrof de verwerking van de verzamelde reacties.
Aan de hand hier¬ van is het concept-Masterplan uitgewerkt tot het definitieve Masterplan. Dank zij de gevolgde werkwijze is het Masterplan niet alleen een 'haalbaar' plan, maar ook een 'breed gedragen' plan geworden. De politieke wil was - en is nog steeds - aanwezig en het draagvlak bij de bevolking en bij belanghebbenden is gemeten en positief bevonden. Dit heeft ertoe geleid dat beide gemeenteraden met het plan heb¬ ben ingestemd en het van een goed rapportcijfer hebben voorzien. Ook in een wijde¬ re kring van betrokkenen is er 'commitment' ten aanzien van het plan - getuige bij¬ voorbeeld de afspraken omtrent de integratie van de A2. Draagvlak en 'commitment' zijn bij dergelijke omvangrijke plannen van doorslaggevende betekenis voor de uit¬ voerbaarheid. Tot slot, ons vakgebied staat of valt met mensenwerk: afstemmen, bedenken, uit¬ zoeken, zorgvuldig zijn, volhouden, wegen en bovenal creatief zijn. Als projectma¬ nager van Leidsche Rijn prijs ik mij gelukkig leiding te hebben mogen geven aan een prachtige, enthousiaste club van mensen die, allen op hun eigen manier met hun eigen kennis en kunde, samen deze opdracht tot een goed einde hebben weten te bren¬ gen. Riek Bakker BVR, adviseurs stedelijke ontwikkeling en management bv
In april 1994 hebben de gemeentebesturen van Utrecht en Vleuten-De Meem aan bet Projectbureau Leidscbe Rijn de opdracht gegeven een masterplan op te stellen voor bet gebied Leidscbe Rijn. Dit plangebied dat zijn naam dankt aan de gekanaliseerde rivier de Leidscbe Rijn, ligt ten dele op bet grondgebied van de gemeente Utrecht, ten dele op dat van de gemeente Vleuten-De Meem. Met de opdrachtgevers zijn afspraken gemaakt over bet werkproces, de openbaarheid van stukken en bet tijdsbestek waarin diverse onder¬ delen van bet plan aangeleverd moesten worden. In een tijdsbestek van acht maanden is door bet projectbureau een concept-masterplan opgesteld. Hierover is in de eerste maanden van 1995 een brede maatschappelijke discussie gevoerd. De uitkomsten van die discussie zijn verwerkt in bet definitieve Masterplan Leidscbe Rijn dat in juni 1995 door beide gemeentebesturen is vastgesteld. Een masterplan beeft, anders dan bijvoorbeeld een bestemmingsplan, geen wettelij¬ ke status en geenjuridisch bindende werking. Het is vooral bedoeld om richtingte geven aan toekomstige raimtelijke ontwikkelingen. In bet geval van bet Masterplan Leidscbe Rijn is er ook sprake van een betekenis als 'mimtelijk contract' tussen de beide gemeen¬ ten die verantwoordelijk zijn voor de mimtelijke ontwikkelingen - Utrecht en VleutenDe Meem.
Het Masterplan is erop gericht Leidscbe Rijn te ontwikkelen tot een stedelijk gebied met bet doel een bijdrage te leveren aan de oplossing van de grote woningnood in de re¬ gio Utrecht. Deze ontwikkeling wordt gesteund door bet Rijk dat Leidscbe Rijn, één van de grootste bouwlocaties in Nederland, beeft aangewezen als een zogebeten vinex-1ocatie. (viNEX is een afkorting van de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening Extra. In deze nota worden richtlijnen gegeven voor de verstedelijking.) Op grond van de aanwij¬ zing als viNEX-locatie zijn er verregaande afspraken gemaakt tussen bet Rijk en bet Re¬ gionaal Beraad Utrecht (rbu), een orgaan waarin tien gemeenten in de regio Utrecht par¬ ticiperen. Deze afspraken, die zijn vastgelegd in bet viNEX-uitvoeringscontract, omvat¬ ten onder andere de omvang van bet (woningbouw)programma, de ontsluiting van bet gebied door (hoogwaardig) openbaar vervoer, de realiseringstermijn en de financiering. Het plan is zodanig opgezet dat bet overeengekomen programma er in de volledige omvang in ondergebracht kan worden. Het laat bovendien mimte voor de inpassing van extra programma-onderdelen die Leidscbe Rijn een bijzonder imago kunnen geven. Het plangebied dat een bmto oppervlak van 2560 ba beeft, ligt in bet westen van de regio Utrecht, tegen de bebouwde kom van de stad Utrecht aan, waarvan bet wordt ge¬ scheiden door bet Amsterdam-Rijnkanaal.
Op korte afstand van bet kanaal ligt, in bet plangebied, de A2. In bet noorden, waar de weg in westelijke richtingafbuig^t, vormt deze de grens van bet plangebied. De zuidelijke grens wordt gevormd doorde A12. In oost-westricbting wordt bet plangebied doorsneden door de spoorweg van Utrecht naar Woerden. In bet westelijk deel van bet plangebied liggen de kernen Vleuten en De Meem. Zijn fysiscb-geografiscbe karakteristiek (bodemopbouw) ontleent bet gebied aan de voormalige loop van de Rijn, waamit in bet midden een stroommg is ontstaan. Ten noor¬ den en ten zuiden biervan bevinden zich lager gelegen komgronden. De inrichting van bet gebied, resultante van een eeuwenlange bewoningsgescbiedenis, kenmerkt zich door een afwisseling van 'stedelijke' en landschappelijke elementen. Cultuurhistorische en natuurwaarden zijn onder deze elementen rijk vertegenwoor¬ digd. Aan de randen van bet plangebied -ten dele binnen de grenzen ervan, ten delejuist daarbuiten - bevinden zich enkele industrieterreinen.
- verkeer; - milieubeheer. Ook naar gebied kan een indeling in bet programma gemaakt worden: - elementen van bet netto-plangebied; - elementen die tot bet bmto-plangebied gerekend worden; - te handhaven elementen. Het netto-plangebied, dat een oppervlak van 800 ba beeft, omvat bet volledige woningbouwprogramma. Tevens behoren tot bet netto-plangebied de voorzieningen en de ele¬ menten van de verkeersinfrastractuur op wijk- en buurtniveau. Het bmto-plangebied, dat een oppervlak van 1790 ba beeft, omvat naast bet netto¬ plangebied de zogebeten bmto-elementen; de werkgebieden, de voorzieningen op stadsdeelniveau, de boofdverkeersontsluiting en elementen met een milieu-fimctie. Voor de bmto-elementen is een oppervlak van 990 ba beschikbaar. De te handhaven elementen - bestaande bebouwing, een deel van de bedrijfsterrei¬ nen, alle waardevolle elementen en (milieu)binderzones - beslaan een oppervlak van 950 ba Hiervan kan een kleine 200 ba benut worden voor daartoe geëigende programma-onderdelen, zoals wegen en groenvoorzieningen. Bij bet programma-in-onderdelen (functies) wordt een onderscheid gemaakt in twee perioden; - een eerste fase (die overeenkomt met de looptijd van bet viNEX-uitvoeringscontract) van 1995 tot 2005; - een tweede fase van 2005 tot 2015. Wonen Het totale programma omvat 30.000 woningen.
Hiervan worden er 20.000 gereali¬ seerd in de eerste fase, gelijkelijk verdeeld over bet Utrechtse en bet Vleutense deel van bet plangebied. De resterende 10.000 woningen worden in de tweede fase in bet Utrechtse deel gerealiseerd. De verdeling naar financieringscategorie is; tenminste 30% in de sociale sector en de rest in de marktsector. Het programma voor Leidscbe Rijn is afgeleid van bet regionale woningbouwpro¬ gramma (vastgelegd in bet Regionaal Volkshuisvestingsplan rbu), dat afgestemd is op de regionale woningbehoefte. Daar enerzijds de behoefte afhankelijk is van factoren, waarin variaties kunnen optreden, en anderzijds in bet programma verschillende prio¬ riteiten kunnen worden gesteld, wordt ten aanzien van bet stapelingspercentage en de verdeling over buur/koop en prijsklasse uitgegaan van een basisprogramma en twee varianten. In bet basisprogramma dat prioriteit geeft aan starters op de woningmarkt en aan 'doorstromers', wordt uitgegaan van 30% stapeling en nadruk op zowel de relatiefgoed¬ kope als de relatiefdure woningen. De bijbehorende dichtheid bedraagt 37 woningen per hectare. Zowel bij bet stapelingspercentage als bij de dichtheid gaat bet om gemid¬ delden.
Variaties worden gehanteerd naar fase - toenemende vergrijzing in de tweede fase leidt tot een grotere vraag naar gestapelde woningen - en naar plek in bet plange¬ bied - hogere dichtheden bij balten van bet openbaarvervoer en in bet algemeen in bet Utrechtse plandeel. In kwalitatief opzicht is bet programma gericht op bet totstandbrengen van een zo groot mogelijke (woonmilieu)differentiatie en op aanpasbare en flexibele woningen. Ook is rekening gehouden met bijzondere woonvormen. Werken In Leidscbe Rijn zullen zo'n 30.000 mensen een arbeidsplaats vinden in kantoren en bedrijven. Wat betreft kantoren voorziet bet programma op grote locaties met een Bprofiel -wat wil zeggen goed bereikbaarper openbaarvervoer én per auto- in een totaal vloeroppervlak van 700.000 m^. Op kleinere locaties is 40.000 m^ gereserveerd. Voor bedrijfsterreinen wordt een onderscheid gemaakt in locaties met en B-profiel en loca¬ ties met een C-profiel. De laatste zijn autolocaties, gesitueerd nabij een afslag van een autosnelweg. In bet programma is voor bedrijfsterreinen op elk van beide typen loca¬ ties een bruto oppervlak van 140 ba opgenomen. Bij de invulling van bet programma wordt nadrukkelijk rekening gehouden met ontwikkelingen op regionale schaal.
In de visie die ten grondslag ligt aan bet Masterplan nemen drie begrippen een cen¬ trale plaats in; compactheid, duurzaamheid en identiteit. Het concept van de 'compacte stad' is door beide gemeenten stevig omarmd. Compact is opgevat als sterk verbonden met een bestaande concentratie van bebouwing, in dit geval de stad Utrecht. Dit betekent dat bet aanbod van (groot)stedelijke voorzieningen onder handbereik ligt en de {auto)mobiliteit kan worden beheerst. Met 'duurzaamheid' wordt gedoeld op bet streven naar een evenwicht in ecologische en economische aspecten - om te voorkomen dat mogelijkheden worden uitgeput. In concreto betekent dit dat aanwezige kwaliteiten worden gerespecteerd en waar moge¬ lijk versterkt. In bet plan wordt rekening gehouden met de onderling sterk verschillende karakters van de stad Utrecht enerzijds en de kemen van Vleuten-De Meem anderzijds - zonder overigens de samenhang der delen uit bet oog te verliezen. Op deze wijze wordt inhoud gegeven aan bet begrip 'identiteit'. Door compactheid, duurzaamheid en identiteit te combineren wordt bet Masterplan als bet ware 'opgetild' naar een niveau, waarop bet ambitie, kwaliteit, durfen realisme in zich kan verenigen.
Voorzieningen Voor voorzieningen - zoals winkels, scholen, gezondheidscentra, buurthuizen, sportvoorzieningen en openbare groenvoorzieningen - is een totale oppervlakte van 289 ba in bet programma opgenomen. 35 ba is bestemd voorgebouwde voorzieningen. Ca. 15 a 20 ba biervan is bestemd voor voorzieningen die geïntegreerd worden in woon¬ gebieden. Het overige oppervlak wordt toebedeeld aan drie concentraties die respec¬ tievelijk bet karakter van een stadsdeelcentrum, een wijkcentrum en een buurtcen¬ trum hebben. Voor sportvelden en overige groenvoorzieningen met een niet-openbaar karakter is exclusiefbestaande en te verplaatsen voorzieningen - ruim 100 ba gereserveerd. In bet programma is een stadsdeelpark met een oppervlak van 55 ba opgenomen. Behalve dit park zullen voor openbare groen- en recreatievoorzieningen bestaande groen- en waterelementen ter beschikking staan - die te zamen een oppervlak van 180 ba hebben. Ten behoeve van toeristiscb-recreatieve attracties met een landelijke uitstraling is in bet programma een oppervlak van 28 ba opgenomen. Deze voorzieningen zullen bet imago van Leidscbe Rijn als een plek waar bet goed wonen en toeven is, ondersteunen.
Naar functies wordt bet programma voor Leidscbe Rijn ingedeeld in: - wonen; - werken: - voorzieningen;
Verkeer Het programma-onderdeel verkeer reflecteert bet streven om in Leidscbe Rijn bet gebruikvan de auto zo beperkt mogelijk te houden - met name bij verplaatsingen in bet plangebied en tussen bet plangebied en de stad Utrecht. Openbaar vervoer en fietsverkeer krijgen ruim baan. Het openbaar vervoer wordt verzorgd door bet Randstadspoor
en het hov. Het Randstadspoor is een nieuw type (regionale) treindienst over de bestaande, te verdubbelen spoorweg. Drie stations ontsluiten het plangebied, waarvan één ook een interregio-status krijgt, hov is de afkorting van hoogwaardig openbaarver¬ voer, gekenmerkt door een hoge frequentie en een hoge snelheid. Een hoge snelheid wordt bereikt door een gestrekte lijnvoering en een eigen baan. Vooralsnog wordt uit¬ gegaan van busvervoer, maar omzetting van de Hov-lijnen in tramlijnen is mogelijk. Voor de uitbreiding van de spoorweginfrastructuur en voor de Hov-banen zijn respec¬ tievelijk 24 ha en 15 ha gereserveerd. Voor het fietsverkeer wordt uitgegaan van een netwerk van vrijliggende paden met een maaswijdte van 500 meter. Onderscheid wordt gemaakt in hoofdroutes en aanvul¬ lende routes. De hoofdroutes hebben tevens een functie voor de verbinding van Leidsche Rijn met de stad Utrecht en met woon- en recreatiegebieden in de omgeving. Op buurtniveau wordt het fietsverkeer gecombineerd met het autoverkeer. Het aantal hoofdroutes voor het autoverkeer blijft beperkt. Uitgangspunt is dat aan het autoverkeer meer beperkingen worden opgelegd naarmate de ontsluiting door openbaarvervoeren de mogelijkheden van het gebruikvan de fiets beter zijn.
In het ver¬ lengde hiervan wordt ook in de parkeemorm - gemiddeld 1,2 parkeerplaatsen per woning-een differentiatie gehanteerd, zodat ook de kansenvoor autoluwe en autovrije wijken kunnen worden benut. Voor de autoverkeersontsluiting is 50 ha gereserveerd. Een oppervlak van 114 ha is bestemd voor wegen van hogere orde die door het plange¬ bied voeren. Het gaat hierbij in hoofdzaak om het tracé van de te integreren A2. In het programma is, in de nabijheid van een knooppunt van openbaar vervoer, een transferium opgenomen. Milieubeheer Conform het ruimtelijke ordeningsbeleid wordt in Leidsche Rijn op tal van punten rekening gehouden met een verantwoord milieubeheer. Als bijzonderheden moeten genoemd worden het waterhuishoudingssysteem en de energievoorziening. Het waterhuishoudingssysteem heeft een 'gebiedseigen' karakter - en speelt daar¬ mee in op 'duurzaamheid'. De essentie van het systeem is het opvangen en vasthouden van hemelwater. Dit geschiedt deels door berging in de grond, deels door berging in open water. Voor voorzieningen voor het waterhuishoudingssysteem is in totaal 175 ha gereserveerd. Wat de energievoorziening betreft zal voor de verwarming van de woningen mede gebruik gemaakt worden van afvalwarmte van een elektriciteitscentrale ofvan de toe¬ passing van decentrale warmtekrachtkoppelingseenheden.
Bij de fasering van de uit¬ voering van het plan wordt er rekening mee gehouden dat flexibel en actiefingespeeld kan worden op nieuwe ontwikkelingen. Uitgangspunt voor het stedebouwkundig plan is dat het enerzijds al in dit stadium voldoende houvast moet bieden, anderzijds flexibel is met het oog op onzekere ont¬ wikkelingen in de toekomst - de uitvoering zal immers twintig jaar in beslag nemen. Hieraan is tegemoet gekomen door in het plan een onderscheid te maken tussen bij¬ zondere elementen die als het ware het raamwerk vormen, en vlekken voor de meer reguliere functies. Tot de bijzondere elementen behoren: - de geïntegreerde A2; - het Amsterdam-Rijnkanaal; - het centrale park; - de elementen van het waterhuishoudingssysteem. De bijzondere elementen staan niet op zichzelf, maar vormen een hecht verband. Het zijn de karaktervolle (identiteit), hechte verbindende (compact) basiselementen die het plan lucht geven voor de toekomst en tegelijkertijd de mogelijkheid bieden om het waardevolle in het gebied te optimaliseren (duurzaam). De geïntegreerde A2 Een van de opzienbarendste ingrepen die in het stedebouwkundig plan worden voor¬ gesteld, is de integratie van de A2. De weg wordt in westelijke richting opgeschoven en over een lengte van ca. twee kilometer overkapt. De overkapping wordt zo geconstru¬ eerd dat deze voor diverse stedelijke functies gebruikt kan worden.
Voorzien van taluds krijgt de A2 de gedaante van een rug in het landschap. Een bijkomend voordeel van deze oplossing is dat milieuzones achterwege kunnen blijven. Dit betekent dat er meer bebouwing in de onmiddellijke nabijheid van Utrecht gerealiseerd kan worden en dat het uitgespaarde groen elders in het plangebied gesitueerd kan worden. De integratie van de A2 is een randvoorwaarde voor de verwezenlijking van het plan en wel om de volgende redenen; - compactheid: de bereikbaarheid (per fiets, per openbaar vervoer en per auto) van van Utrecht wordt vergroot; - duurzaamheid en efficiënt grondgebruik: dank zij de integratie kunnen het centrale park en het plassengebied gemaakt worden; - identiteit: beide gemeenten kunnen hun eigen identiteit versterken; - economie en milieu: er kan met minder strekkende meter weg en een korter lengte¬ profiel van de A2 worden volstaan; - technische efficiency: de voorgestelde 'dakconstructie' is eenvoudiger te realiseren en flexibeler dan een tunnelconsfructie onder het maaiveld en door de tracé-verleg¬ ging kan de weg worden verbreed zonder het verkeer te hinderen; - het isolement van Polder Papendorp wordt opgeheven, zodat dit gebied tot woon- en werklocatie ontwikkeld kan worden; - de kans op herstructurering van het bedrijfsterrein Lage Weide neemt toe; en 'last but not least';
- de kwaliteit van het leef- en woonmilieu van de toekomstige bewoners van Leidsche Rijn wordt bevorderd. HetAmsterdam-Rijnkanaal Door de integratie van de a2 komt de westelijke oevervan hetAmsterdam-Rijnkanaal voor bebouwing beschikbaar. Dit betekent dat het kanaal niet meer de grens van de bebouwde kom vormt, maar in de bebouwde kom komt te liggen. Dit biedt de moge¬ lijkheid om het wateroppervlak tot een belangrijke 'beelddrager' te ontwikkelen. Deze kwaliteit zal versterkt - en daardoor zichtbaar - worden wanneer aan de bestaande bruggen nieuwe worden toegevoegd. Het centrale park In het plan is ervoor gekozen één groot, samenhangend deel van het landschap te handhaven - in het hart van het gebied. Door de centrale ligging ontstaat er een zeer lang raakvlak tussen bebouwing en groen (landschap). Omvang en schaal van het park zijn spectaculair. Het park biedt ook ruimte aan niet-openbare groenvoorzieningen, zoals sportvelden, volkstuinen, een camping en een toeristisch-recreatieve attractie in de vorm van een themapark. Via groene linten wordt het park vervlochten met het omringende woongebied. Het is op die manier een schakel in de verbinding van het Utrechtse deel van het plangebied met het centrale park.
Het centrale park fungeert ook als een ecologische corridor tussen het waterlandschap in het noorden en het slagen¬ landschap in het zuiden van het plangebied (zie hieronder). De elementen van het waterhuishoudingssysteem In het gebied van de stroomrug wordt het hemelwater door middel van infiltratie in het grondwater geborgen. In de lager gelegen komgronden, waar infiltratie niet moge¬ lijk is, moet gebruik gemaakt worden van open water. De voorzieningen die daarvoor nodig zijn, zijn zo ontworpen dat zij tevens een belangrijke ecologische en een recre¬ atieve functie kunnen vervullen. In het noordelijk deel van het plangebied is voor de wateropslag een reeks van plassen ontworpen - het waterlandschap. Dit waterland¬ schap biedt de mogelijkheid om Haarzuilens optimaal op het plangebied aan te sluiten en de noordzijde van de kern Vleuten van een fraaie rand te voorzien. In het zuidelijk deel is gekozen voor een langwerpige polderverkaveling met veel sloten - het slagen¬ landschap. Vlekken In de vlekken worden de woningen, de kantoren en bedrijven en de voorzieningen ondergebracht. In dit stadium van de planvorming heeft het ontwerp van de vlekken een globaal karakter. Zo zijn voor de woonvlekken die uiteraard de meeste ruimte in beslag nemen, de randvoorwaarden vastgelegd om een maximale variatie in de invul¬ ling ervan te kunnen realiseren (milieudifferentiatie).
Wat de werkvlekken betreft is de ligging van vier grotere locaties bepaald: de omgeving van het station Leidsche Rijn, Polder Papendorp, een terrein langs de A2 en de omgeving van de plas Strijkviertel (Oudenrijn). Verkeersinfrastructuur De sterke binding van Leidsche Rijn aan de bebouwde kom van Utrecht wordt gereflecteerd in de dominantie van de oost-westrichting in de verkeersinfrastructuur. De hoofdontsluiting voor het autoverkeer krijgt gestalte in twee centrale assen. Deze assen worden door middel van verbindingswegen 'gevoed' vanafrespectievelijk de A2 en de A12. De assen die een stedelijk profiel krijgen, sluiten via bruggen over het Amsterdam-Rijnkanaal aan op bestaande wegen in Utrecht. Zij zullen echter zo ont¬ worpen worden dat zij voor doorgaand autoverkeer niet aantrekkelijk zijn. Haaks op de centrale assen staan de buurtontsluitingswegen. Op een enkele uitzondering na lopen deze dood in de woongebieden. De hoofdroutes voor openbaar vervoer zijn de bestaande spoorweg en twee min of meerparallel daaraan lopende Hov-trajecten. Voor het fietsverkeer zijn als 'dragers' van het netwerk drie oost-westassen ontworpen, waarvan er twee als stadsassen door de woonvlekken - en langs de voorzieningencentra - voeren en een derde als groene as door het centrale park. In de noord-zuidrichting is vooral het fietsnetwerk sterk aanwezig.
Er zijn twee hoofdroutes ontworpen - deels via bestaande wegen. Deze sluiten aan op regionale fietsroutes. Aan het Hov-netwerk zal op langere termijn een tangent worden toege¬ voegd die via een nog nader te bepalen route Leidsche Rijn zal verbinden met Maarssenbroek in het noorden en Nieuwegein in het zuiden. De financiële haalbaarheid van het plan is aangetoond. Voor de fasering en de plan¬ ning is een gedetailleerd programma opgesteld. De woningbouw is hierin dominant. In de eerste fase (tot ca. het jaar 2000) wordt de hoofdontsluiting aangelegd. Zo spoedig mogelijk zal het hov volgen, evenals de noodzakelijke civieltechnische werken. Zowel op het gebied van de gemeente Vleuten-De Meem als op het gebied van de gemeente Utrecht kan met woningbouw worden gestart. Het raamwerk van het plan is spectaculair en zorgt ervoor dat 'alle registers open¬ gaan' als het om de kwaliteit van leven voor de huidige en toekomstige bewoners gaat. De invulling is flexibel en voor ideeën en discussie open. Het is een plan dat tegen een stootje kan, ook in de toekomst.
In April 1994 the municipal councils ofUtrecht and Vleuten-De Meem commissioned Leidsche Rijn project bureau to draw up a master plan for the Leidsche Rijn area. The area covered by the plan takes its name ffom the canalised Leidsche Rijn river and lies partially in Utrecht and partially in Vleuten-De Meem municipal districts. Agreements were made with the clients regarding the method ofworking, the public availability of the documents and the period within which the various sections ofthe plan would he suhmitted. A draft master plan was drawn up by the project bureau in a period of eight months. A broad public debate was conducted on the basis ofthis draft in the early months of 1995. Subsequently, the results of this debate were incorporated in the definitive Leidsche Rijn Master Plan adopted by both municipal councils in June 1995. Unlike an official zoning plan, a master plan has no legal status and is not binding, lts purpose is to provide guidelines for future town planning developments. The Leidsche Rijn Master Plan represents a 'town-planning contract' between the municipalities responsible for the town-planning developments - Utrecht and Vleuten-De Meern. The Master Plan is designed to develop Leidsche Rijn into an urban area and so contribute to the solution of the significant housing shortage in the Utrecht region.
This development is supported by the Dutch govemment which has designated Leidsche Rijn, one ofthe largest constmction areas in the Netherlands, as a so-called viNEX location (vinex is an abbreviation for Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening Extra - Fourth Memorandum Town Planning Extra, a memorandum outlining fiiture urbanisation plans). Having been designated as a vinex location, far-reaching agreements were made between the Dutch govemment and Regionaal Beraad Utrecht (REU - the Regional Council Utrecht), a committee on which ten municipalities in the Utrecht area sit. These agreements were incorporated in the VINEX implementation agreement and cover the size of the (housing) programme, the accessibility of the area with (high quality) public transport, the period for realisation and funding. The plan was designed to allow the agreed programme to be included in its entirety. Moreover, space is reserved for the inclusion of extra programme sections to give Leidsche Rijn a distinctive image. Covering a total of 2560 hectares, the plan area lies in the west of Utrecht region, adjacent to the built up area of the city of Utrecht hut separated by the AmsterdamRijn canal. Running through the plan area, not far from the canal, is the a2 motorway. To the north, where this road veers west, it mns along the edge of the plan area. The southern edge is formed by the A12 motorway.
Dissecting the area on an east-west axis is the rail link connecting Utrecht and Woerden. The nuclei Vleuten and De Meem are in the west of the area. The physical-geography (soil composition) of the area is defined by the former course ofthe Rhine which formed a sand bar in the centre. Lower basins developed to the north and south. After centuries of habitation, the area comprises a mixture of urban and mral elements. Cultural and natural elements represent a high proportion of these. Surrounding the plan area - and here and there within the bounds - are a number of industrial estates. Three concepts are central to the Master Plan: compactness, durability and identity. Both municipalities embraced the concept of the 'compact city'. Compactness is defined as closely bound to the existing concentration of built-up areas, i.e. the city of Utrecht. The urban (metropolitan) facilities are within easy reach and mobility (by car) is controlled. 'Durability' refers to the need to flnd a balance between the ecological and economie aspects - to prevent opportunities being wasted. In concrete terms, it implies that existing qualities are respected and reinforced wherever possible. "This plan takes into account the considerable differences in character of the city of Utrecht and the Vleuten-De Meem nuclei - without losing sight of the correlation of the whole.
This gives content to the concept of'identity'. Incorporating compactness, durability and identity raises the level of the Master Plan to combine ambition, quality, courage and realism. The Leidsche Rijn programme is divided into the following ftmctions: - housing; - employment; - facilities; - traffic; - environmental controls. The programme is also divided geographically into:
- elements of the net plan area; - elements of the gross plan area; - elements to be preserved. Covering 800 hectares, the net plan area comprises the complete housing programme. Also included in the net plan area are the district and neighbourhood ifacilities and infrastmcture. The gross plan area covers 1790 hectares and, in addition to the net plan area, comprises the so-called gross plan elements: industrial areas, urban facilities, connections to main roads and environmental elements; 990 hectares are available for these gross plan elements. Elements which are to be preserved - existing buildings, sections of industrial estates, all the worthwhile elements and the environmental buffer zones, cover 950 hectares. Here some 200 hectares are available for appropriate sections of the programme, such as roads and nature facilities. The division ofthe programme into ftmctions also involves a partition into two periods: - first phase, (outlined in the vinex implementation agreement) from 1995 to 2005; - second phase, ffom 2005 to 2015. Housing In all, the programme will provide 30,000 houses. Of these, 20,000 will be realised during the first phase, divided equally between the Utrecht and Vleuten sections of the plan area. The remaining 10,000 houses will be realised in the Utrecht section during the second phase.
Funding is divided as follows: at least 30% ffom the public sector and the remainder ffom the market sector. The Leidsche Rijn programme is based on the regional housing programme (outlined in the rbu's Regional Housing Plan) designed to meet the regional demand for housing. Since demand is dependent of factors subject to variation, and since different priorities can be set within the programme, the percentage of stacked dwellings, the mix of rented and owner-occupied housing and the price range is based on a basic programme with two variants. The basic programme gives priority to first-time home-owners or tenants and to 'passers through', and is based on a factor of 30% stacked dwellings, while emphasising both relatively cheap and relatively expensive housing. The density is 37 homes per hectare. Both the stacking percentage and the density factor are averages. Variations are applicable per phase - an increasing percentage of older residents during the second phase will lead to higher demand for stacked housing and per plan area - greater density near public transport stops and in general in the Utrecht section. Qualitatively, the programme is designed to achieve a maximum (housing environment) differentiation, including homes adjusted for the disabled and housing with flexible layouts. Space is also reserved for households with distinctive housing needs.
Employment Leidsche Rijn will provide space for 30,000 blue- and white-collar jobs. In the programme, offices located in large B-profile areas - i.e. accessible by public transport and car - will provide a total floor surface of 700,000 m^; 40,000 m^ is reserved in smaller locations. A distinction is made in the case of industry between B-profile and C-profile locations. The latter are accessible by car and are situated near a motorway junction. In the programme each of these types is allocated a total of 140 hectares. In the design of the programme account is taken of developments on a regional level. Facilities Facilities such as shops, schools, healthcare centres, social centres, sport facilities and natural environments open to the public are accorded a total area of 289 hectares in the programme. Built facilities receive 35 hectares. Around 15 to 20 hectares of this is reserved for facilities in residential areas. The remaining space is reserved for three concentrations designed as an urban centre, a district centre and a neighbourhood centre. Around 100 hectares is reserved for private sport fields and other nature facilities, excluding existing facilities and those set to be moved. A central park of 55 hectares is included in the programme.
In addition, existing nature and aquatic elements will be employed for nature and recreational facilities covering a total surface area of 180 hectares. An area of 28 hectares is set aside in the programme for national recreational tourist attractions. These facilities will underscore Leidsche Rijn's image as a good place to live, work and play. Traffic Central to the traffic section of the programme is the idea that the use of cars should be limited as much as possible - particularly for transport within the plan area and between the plan area and the city ofUtrecht. Public transport and bicycles will be given a prominent place. Public transport will be provided by Randstadspoor and Hov. Randstadspoor is a new type of (regional) train service for existing rail connections, which will be doubled here. Three stations connect the plan area, of which one will have inter-regional status, hov stands for high-quality public transport, i.e. fast and frequent. Speed will be achieved with straight routes and a separate public transport link. Busses are at present being considered, but it may be
possible to transform the public transport link into a tram line. For the expansion of the railway infrastructure and hov links 24 and 15 hectares have been reserved respectively. Autonomous cycle lanes will form a mesh 500 metres across. A distinction will be made between main and subsidiary paths, the main paths acting simultaneously to connect Leidsche Rijn with the city of Utrecht and with residential and recreational centres in the area. At neighbourhood level, cycle routes are combined with road trafïïc routes. The number of main roads for cars is limited. The principle being that more limitations are placed on cars as public transport and bicycle facilities are improved. Furthermore, a differentiation is applied in the parking norm - an average of 1.2 parking places per dwelling in order to take advantage of the opportunities for minimizing and prohibiting cars. Roads for cars are allocated 50 hectares. A surface area of 114 hectares is for major roads intersecting the plan area. This is mainly for the integration ofthe a2 motorway. A transferium is included in the programme in the vicinity of a public transport intersection. Environmental controls In line with contemporary environmental thinking Leidsche Rijn will adhere to responsible environmental practice in various ways. In particular, in the case of water management and energy supply.
Water management is organised autonomously in this area - and this goes together with the concept of'durability'. The essence of the system is the retrieval and retention of precipitation. This is achieved in part by collecting rainfall in the ground and in part by collection in open water. Water management facilities are allocated a total of 175 hectares. Energy facilities will include household heating drawn both from power station waste heat and from the application of decentralised total energy units. The phased implementation ofthe plan allows a flexible and active approach towards new developments. The design of the town is based on the principle that there should be sufficiënt certainty at this stage, but that the plan should remain sufficiently flexible to meet unpredictable developments in the future - after all, implementation will take some twenty years to complete. This is achieved in the plan by distinguishing between the specific elements forming the framework and patches for the more regular functions The speciflc elements include: - the integrated A2 motorway; - the Amsterdam-Rijn canal - the central park - the water management facilities. The specific elements are not separate components; they form a tight-knit group.
They are the characteristic (identity), closely bound (compact) basic elements which make the plan viable for the future and at the same time, make it possible to optimise the positive aspects of the area (durability). The integrated pa One of the most remarkable concepts in the design is the integration of the A2 motorway. The road is moved westward and capped over a two-kilometre stretch. The rooflng is constructed in such a way as to serve various functions in the plan area. With its slopes the a2 forms a ridge in the landscape. An added advantage of this construction is that it bypasses the need for environment zones. As a result, the built-up area can be concentrated nearer to Utrecht and the green area this saves can be located elsewhere.
Integration of the A2 is an essential condition for the implementation of the plan for the following reasons: - compactness: increased accessibility (by bicycle, public transport and car) from Utrecht; - durability and efficiënt use of land: integration will allow the construction of the park and the aquatic landscapes; - identity: both municipalities will be able to reinforce their identities; - economy and environment: the A2 will require less road surface and will not have to be as long; - technical efficiency: the proposed roofing can be realised more simply and flexibly than a tunnel under the surface and, by moving the route, the road can be widened without obstructing traffic; - it will end Polder Papendorp's isolation, allowing this area to be used for housing and employment; - it will help make it possible to restructure the Lage Weide industrial estate; and last but not least: - it will improve the quality of life of Leidsche Rijn's future residents, employees and visitors. Amsterdam-Rijn canal Integration of the a2 motorway will leave the west bank of the Amsterdam-Rijn canal available for development. The canal will no longer form the edge ofthe builtup area: it will flow inside it. The water can then be developed as a major image factor. This will be strengthened - all the more visibly - with the addition of new bridges.
Central park A large, continuous section of the landscape will be preserved in the heart of the area. Located centrally, the green (landscape) it will adjoin the built-up area over a considerable stretch of land. The size and scale of the park is spectacular. It offers space for non-public open-air 'green' facilities such as sport fields, allotments, a camp site and recreational tourist attractions, such as a theme park. Ribbons of green will connect the park with the surrounding residential areas. This section of the Utrecht part of the plan area will form a link with the Green Heart. The central park will also act as an ecological corridor connecting the aquatic landscape in the north with the typical elongated fields south of the plan area (see below). Water management In the sand bar area precipitation is collected by infiltration into the ground water. In the lower basin soils, where infiltration is impossible, the open water is used. The required facilities are designed to fulfil a major ecological and recreational purpose simultaneously. In the north of the plan area reservoirs are designed in the form of a series of lakes. This aquatic landscape provides the opportunity to incorporate Haarzuilens into the plan area in an optimum way and to give the area north of Vleuten a splendid border. Elongated fields in a typical polder landscape characterise the south section.
Patches Housing, offices, industry and services will be located in areas as yet unspecified. At this stage of planning the designs for these areas remain global in character. The majority of space is of course reserved for housing, based on the precondition of a maximum in variety (differentiation). Eour major locations have been selected as emplo3ment areas: the Leidsche Rijn station area. Polder Papendorp, a terrain adjacent to the A2 and Oudenrijn district. Infrastructure Leidsche Rijn's strong ties to Utrecht's built-up area are refiected in the dominant role of east-west intersections in the transport network. The main connection for motorised traffic consists of two central axes. These are fed by connecting roads from the A2 and A12. The axis roads have an urban profile and connect with existing roads in Utrecht across bridges over the Amsterdam-Rijn canal. They will be designed not to attract through traffic. Perpendicular to the central axes are the roads leading to the various districts. Apart from one or two exceptions these roads end in residential areas. The main public transport routes comprise the existing rail link and two more or less parallel hov links.
The principal routes on which the whole network ofbicycle lanes is based comprise three east-west axes; two are urban axes passing through the residential areas and the facilities centres and the third is a 'green' axis through the central park. North-south paths crisscross the bicycle network. Two principal routes are projected: in part, using existing roads. These connect with regional bicycle lanes. A tangent link will be added to the hov network some time in the future connecting Leidsche Rijn with Maarssenbroek to the north and Nieuwegein to the south by a route yet to be determined. The plan has been shown to be financially feasible. A detailed plan bas been drawn up outlining the phasing and planning. Housing is the main element here. The first phase (to the year 2000) will see the main road links made. The hov will soon follow, as will the necessaiy civil engineering works. Housing projects can start both in the Vleuten-De Meem and the Utrecht areas. The framework of the plan is spectacular and all stops will have to be pulled out to achieve the quality of life for the residents, present and future. Flexibility is essential in filling in the details, and ideas and discussion are welcome. This plan can stand up to a few knocks, and will do in future too.
'd'
De raad van de Gemeente Vleuten-De Meern heeft op 27 juni 1995 en de Raad van de Gemeente Utrecht heeft op 29 juni 1995 het volgende m.b.t. het Masterplan Leidsche Rijn besloten: I Vast te stellen het Masterplan 'Leidsche Rijn', zoals aangepast aan de laatste wijzi¬ gingen en met de daarbij behorende plankaart, en dat aan te merken als richtinggevend voor de verdere ontwikkeling en realisatie van plannen voor het gebied 'Leidsche Rijn'. II Aan te merken als 'Kernpunten', waarvan bij de verdere ontwikkeling en realisatie van plannen voor 'Leidsche Rijn' niet dan na overeenstemming tussen de gemeentebe¬ sturen van Utrecht en Vleuten-De Meem kan worden afgeweken, de navolgende onder¬ delen van het Masterplan 'Leidsche Rijn': Kernpunt 1: Ruimtelijke kwaliteit. - De totale omvang van het plangebied bedraagt ca. 2558 ha. - De omvang van het te handhaven gebied bedraagt ca. 768 ha. - De omvang van het brato-plangebied bedraagt ca. 1790 ha. - De omvang van het netto-plangebied bedraagt ca. 800 ha. Kernpunt 2: Wonen. In de periode tot 2005 zullen in het plangebied ca. 20.000 woningen worden gereali¬ seerd, waarvan ca. 10.000 op het grondgebied van Utrecht en ca. 10.000 op het grondge¬ bied van Vleuten-De Meern. In de periode van 2005 tot 2015 zullen op het grondgebied van Utrecht aanvullend nog ca. 10.000 woningen worden gerealiseerd.
Alle aantallen zullen aan het einde van de betreffende periode gerealiseerd moeten zijn. Van het totaal aantal woningen zal minimaal 30% in de sociale sector, derhalve als sociale huurwoning of sociale koopwoning, worden gerealiseerd. Deze differentiatie zal in elk afzonderlijk gemeentelijk grondgebied worden aangehouden. Kernpunt 3: Verkeer en vervoer. De A2 zalwordengeïntegreerd en verlegd als aangegeven in het Masterplan. De hoofd¬ infrastructuur in het plangebied zal worden aangelegd overeenkomstig de op de bij het Masterplan behorende plankaart aangegeven ligging. Er zal naarwordengestreefd deze hoofdinfrastructuur fysieke en visuele ruimtelijke profielen te geven van een consis¬ tente en hoge kwaliteit. In het plangebied zullen de op voornoemde plankaart aangegeven aansluitingen op de A2 ter hoogte van de Zuilense Ring en op de A12 ten westen van Veldhuizen worden gerealiseerd. Ten slotte zullen in het plangebied drie Hoogwaardig Openbaar Vervoer verbindin¬ gen, als aangegeven op de plankaart, worden aangelegd, en zullen in het plangebied drie nieuwe Randstad-railstations van de ns worden gerealiseerd, omgeven door woningbouw van adequate dichtheid. Kernpunt 4: Vestiging van kantoren en bedrijven.
Met betrekking tot de ontwikkeling en realisatie van kantoren- en bedrijvenlocaties in het plangebied zal het in vinex en het Structuurschema Verkeer en Vervoer 11 vast¬ gelegde ABC-locatiebeleid worden aangehouden, overeenkomstig de daartoe opgestel¬ de locatielijst. Kernpunt 5: (GroenjVoorzieningen. De bovenwijkse groen- en andere voorzieningen in het plangebied zullen worden geconcentreerd in het op de plankaart aangegeven middengebied. Kernpunt 6: Milieu, duurzaam bouwen en ecologische zone. Bij de uitvoering van de plannen voor 'Leidsche Rijn' zal zorgvuldig worden omge¬ gaan met het water en de waterhuishouding in het plangebied, zoals in het Masterplan en op de daarbij behorende plankaart aangegeven. Bij de uitvoering van de plannen zal ernaar worden gestreefd een gesloten grondba¬ lans aan te houden. Bij de energievoorziening van de in het plangebied te realiseren gebouwen zal wor¬ den gestreefd naar een energiebesparing van 25% als aangegeven in het Nationaal Milieubeleidsplan-Plus. De op de bij het Masterplan behorende plankaart aangegeven ecologische zone zal zich uitstrekken van de a2, ten oosten van \Teuten tot de A12 ten westen van De Meern, en een zodanige minimale breedte hebben dat zij als een volwaardige ecologische zone kan functioneren.
Het op voornoemde plankaart aangegeven middengebied zal een 'groene' functie krijgen, en gelegen zijn als op de plankaart aangegeven. Ten slotte zal in het plangebied een waterstructuur worden aangelegd met een lig¬ ging en globale omvang als op de plankaart aangegeven. Kernpunt 7: Grondexploitatie. Bij de ontwikkeling en uitvoering van het Masterplan zullen de beide gemeenten een eigen, gescheiden grondexploitatie aanhouden. Zij zullen voorts, met name over de gemeenschappelijke projecten, overleg voeren teneinde een goede afstemming te waarborgen. Een concreet procedurevoorstel zal op afzienbare termijn aan de Raad worden voorgelegd.
III. Organisatiestructuur. Aan de beide Raden zal op korte termijn een voorstel voor een organisatiestructuur voor de verdere uitwerking van het Masterplan, alsmede de daarbij behorende Stuurgroep Leidsche Rijn worden voorgelegd. De Stuurgroep zal binnenkort worden ingesteld. Bij de verdere uitwerking van het Masterplan zullen de beide gemeenten, zo dat onverhoopt nodig mocht blijken, gebruik maken van de in het Convenant tussen Utrecht en Vleuten-De Meem opgenomen bemiddelings- en arbitrageregeling. IV. Verdere uitwerking. Burgemeester en Wethouders op te dragen de definitieve tekst van het Masterplan vast te stellen, en de verdere uitwerking daarvan in plannen van aanpak, stedebouwkundige plannen en bestemmingsplannen, voortvarend ter hand nemen.
BARK Boven Amsterdam-Rijnkanaal BiZa ministerie van Binnenlandse Zaken BRU Bestuur Regio Utrecht bvo bruto vloeroppervlak CAU Corridor Amsterdam-Utrecht DB Dagelijks Bestuur GS Gedeputeerde Staten Hov Hoogwaardig Openbaar Vervoer isp Intergemeentelijk Structuurplan LNV ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij MER Milieu-effectrapportage NAP Nieuw Amsterdams (water)peil NMP Nationaal Milieubeleidsplan NPG Netto plangebied NRU Noordelijke Rondweg Utrecht NWG Netto woongebied PPG Provinciale Planologische dienst ps Provinciale Staten RBU Regionaal Beraad Utrecht RGS Randstadgoenstruktuur Rsp Regionaal Struktuurplan RVHP Regionaal Volkshuisvestingsplan RWP Regionaal Verkeer- en Vervoerplan Rwzi Rioolwaterzuiveringsinstallatie ucp Utrecht Centrum Plan v&w ministerie van Verkeer & Waterstaat viNEX Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening Extra VROM ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieu WKK Warmtekoppelingseenheden WRO Wet op de Ruimtelijke Ordening WVO Wet verontreiniging oppervlaktewater
Voor de leesbaarheid van het Masterplan is zoveel mogelijk vermeden de gebruikte literatuur te vermelden. Daarvoor dient deze bijlage. Bij de totstandkoming van dit plan zijn dermate veel nota's en plannen geraad¬ pleegd, dat het ondoenlijk is deze allemaal te vermelden. Daarom hieronder een beknopte selectie van de belangrijkste en meest actuele bronnen die gebruikt zijn. Ruimtelijke Ordening algemeen Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra, alsmede de daaruit voortgekomen convenanten (ministerie vrom). Streekplan Provincie Utrecht; juli 1994 (Provinciebestuur Utrecht). Intergemeentelijk Structuurplan, alsmede de daaraan ten grondslag liggende voorstudies (Regionaal Beraad Utrecht). Diverse bestemmingsplannen en struc¬ tuurvisies van de gemeenten Utrecht en Vleuten-De Meem. Uitbreiding Leidsche Rijn, Referenties Ruim¬ tegebruik; okt. 1993 (Zandvoort Orde¬ ning en Advies). Tussenrapportage Project Leidsche Rijn; april 1994 (werkgroep Leidsche Rijn gemeente Utrecht). Positie en identiteit van de veranderende gemeente Vleuten-De Meem; juli 1994 (Pro¬ jectbureau gemeente Vleuten-De Meem). Condities voor verplaatsing glastuinbouw Vleuten-De Meem naar Harmelerwaard; nov. 1994 (Regionaal Beraad Utrecht). Masterplan nader bekeken; febr. 1995 (Pro¬ jectbureau Vleuten-De Meem). Eindrapport Project Sociale Veiligheid; juni 1991 en Evaluatie Sociale Veiligheid; febr.
1994 (gemeente Utrecht).
juni 1993 (gemeente Utrecht). sw-stad Utrecht/Vleuten-De Meem; juni 1993 (Bureau Goudappel Coffeng / vhp Stedebouwkundigen). Parkeemota Utrecht; aug. 1993 (gemeen¬ te Utrecht). Corridorstudie Amsterdam-Utrecht; 1993 (Rijkswaterstaat). Verslag workshop Integratie az; dec. 1993 (bgc/vhp). Kansen voor auto-arme wijken op nieuwbouwlokaties in de regio Utrecht; okt. 1994 (Werkgroep 2000). Analyse modelvarianten hoofdwegenstmctuur Leidsche Rijn; febr. 1995 (Bureau Goudappel Coffeng). Werknotitie Modelresultaten Hov-varianten; april 1995 (Bureau Goudappel Coffeng).
Milieu-techniek en energievoorziening Startnotitie Energievoorziening Leidsche Rijn; sept. 1994 (WoonEnergie). Bepaling geluidskontouren Nedal en Stevin Utrecht; sept. 1994 (Kortenhoeven & Partners). Geluidsonderzoek Lage Weide en het plange¬ bied ten westen van de az; nov. 1994 (Lichtveld Buis & Partners). ■ Milieu kwaliteitsbeeld - Bandbreedte in beeld; testcase Leidsche Rijn; 1995 (Regio¬ naal Beraad Utrecht). Volkshuisvesting Energieoptimalisatiestudie Leidsche Rijn; febr. 1995 (Comprimo). Regionaal Woningmarktonderzoek rbugebied; jan. 1994: (Regionaal Beraad ■ REMü-standpunt Duurzame energievoorzie¬ Utrecht). ning Leidsche Rijn; febr. 1995 (remu). Regionaal Volkshuisvestingsplan rbu; april ■ Berekeningen voor energievoorzieningsopties lokatie Leidsche Rijn; febr. 1995 (Centmm 1995 (Regionaal Beraad Utrecht). voor energiebesparing en schone tech¬ Werkgelegenheid nologie). UNiE-rapport Voor een sterke en leefbare ■ Duurzame energievoorziening Leidsche Rijn; Utrechtse regio; okt. 1992 (i.o.v. Regionaal maart 1995 (WoonEnergie). Beraad Utrecht). ■ Energievisie gcn Leidsche Rijn en Energieop¬ Kantorennota Utrecht; juni 1993 (gemeen¬ timalisatie Leidsche Rijn; maart 1995 te Utrecht). (gcn). Werkgelegenheidslokaties in regionaal per¬ spectief; jan. 1994 (dhv).
Civiel-techniek Kantoren- en bedrijfsterreinenstrategie voor ■ Hydrologische modelstudie bouwlokatie de regio Utrecht; nov. 1994 (Bureau voor Leidsche Rijn; mei 1993 (iwaco). Economische Argumentatie i.o.v. ■ Waterhuishoudkundige verkenning plan Regionaal Beraad Utrecht). Leidsche Rijn; nov. 1994 (Tauw Civiel en Actieplan Werkgelegenheid; okt. 1994 Bouw). (gemeente Utrecht). ■ Leidsche Rijn - Civiel Techniek; jan. 1995 (gemeente Utrecht). Voorzieningen ■ Onderzoek zandvoorkomens in gepland plasLeidsche Rijn; Welzijn, zorg en maatschappe¬ sengebied in Leidsche Rijn; mei 1995 (fuglijke dienstverlening in de nieuwe stad; febr. RO BV). 1995 (stade). ■ Studie waterkwaliteit Leidsche Rijn; mei • Ontwikkelingsvisie detailhandelsstmctuur 1995 (Tauw Civiel en Bouw). Leidsche Rijn; dec. 1994 (Instituut Mid¬ den- en Kleinbedrijf). Cultuur-historie en landschap Zorgvisie Leidsche Rijn; 1995 (Prof. Schrij¬ ■ Historisch-morfologische Atlas Leidsche Rijn; vers i.o.v. GG&GD Utrecht) dec. 1994 (De Hoog I ontwerp + onderzoek). Verkeer en vervoer ■ Cultuurhistorische Effectrapportage 1994 ■ Fietsnota Utrecht; april 1992 (gemeente (gemeente Utrecht / rob). Utrecht). ■ Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan; okt. Fasering enfinanciële haalbaarheid 1992 (provincie Utrecht). ■ Bestuurlijke rapportage second opinion Regionaal Verkeers- en Vervoerplan; 1993 financiële haalbaarheid Leidsche Rijn; febr.
(Vervoerregio Utrecht). 1995 (kolpron). ■ Hoofdwegennet verkeersstmctuur Utrecht;