TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg
Tekst van het document
Het geluid door activiteiten op het hoogspanningsstation op geluidgevoelige gebouwen moet voldoen aan de waarden genoemd in art. 22.63, eerste lid. Deze waarden zijn weergegeven in tabel 2. Tabel 2: Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw Dagperiode (07:00 - 19:00 uur) Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten
Avondperiode (19:00 - 23:00 uur) 45 dB(A)
Nachtperiode (23:00 - 07:00 uur) 40 dB(A)
65 dB(A)
50 dB(A)
50 dB(A) 70 dB(A)
Het geluid ten gevolge van de activiteiten op het hoogspanningsstation zijn getoetst aan de waarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximale geluidniveau (LAmax) uit tabel 2. Het maximale geluidniveau van 65 dB(A) in de dagperiode is aanmerkelijk lager dan de geldende geluidregels in het omgevingsplan, waar in de dagperiode een maximaal geluidniveaus van 70 dB(A) toelaatbaar wordt geacht. Ook op de grens van het planologisch bouwvlak van Heycopperkade 1 is het maximale geluidniveau niet hoger dan 70 dB(A) in de dagperiode. Het hoogspanningsstation voldoet daarmee aan de waarden uit het omgevingsplan. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) inclusief tonaliteitstoeslag van 5 dB bedraagt ten hoogste 21 dB(A) zowel de dag-, als avond- als de nachtperiode en is daarmee ruimschoots lager dan de grenswaarden uit het omgevingsplan. Conclusie In het geluidsonderzoek zijn de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT en de maximale geluidniveaus LAmax ten gevolge van het hoogspanningsstation berekend en getoetst aan de wetgeving. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidniveaus ten gevolge van het hoogspanningsstation voor zowel het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau als het maximale geluidniveau voldoen aan de wetgeving en aan de waarden uit de Beleidsnota Geluid en Trillingen van de Gemeente Utrecht.
Hiermee staan geluidseisen niet aan de uitvoering van dit plan in de weg.
5.6
Omgevingsveiligheid
Kader Het werken met, de opslag van en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico's voor omwonenden, bedrijven en passanten. De norm- en richtwaarden voor het risico van het transport van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hierin staan twee soorten risico's beschreven waarop norm- en richtwaarden van toepassing zijn. Dit betreft: Het plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans dat een persoon die onbeschermd en continu aanwezig is buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht, overlijdt vanwege een ongewoon voorval, dat veroorzaakt wordt door die activiteit. Hierbij geldt voor 4 2 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
Utrecht
(zeer) kwetsbare gebouwen en locaties een grenswaarde van 1 op de 1.000.000 per jaar. Het groepsrisico (GR). Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Voor het plaatsgebonden risico geldt dat (beperkt) kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties niet binnen een bepaalde afstand mogen komen te liggen van aangewezen activiteiten met externe veiligheidsrisico's. Deze activiteiten en de daarbij behorende geldende afstanden zijn opgenomen in bijlage VII van het Bkl. Het groepsrisico is relevant als er binnen een aandachtsgebied een ontwikkeling plaatsvindt. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen die binnenshuis verblijven zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er zijn aandachtsgebieden voor de scenario's voor brand, explosie en voor een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstandenrekenkundig te bepalen. Voor het groepsrisico geldt geen norm, maar een verantwoordingsplicht met betrekking tot de thema's bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
Wanneer in een omgevingsplan een locatie is gelegen in een brand- of explosie aandachtsgebied, wordt deze locatie aangewezen als een brand- of explosievoorschriftengebied. Binnen dit voorschriftengebied gelden vervolgens voor nieuwbouw de extra bouweisen die in het Bkl staan. Het aanwijzen van een voorschriftengebied is verplicht als er op de locatie zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten of aanwezig zijn. Voor nieuwe kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen kan gemotiveerd afgeweken worden van het opnemen van een voorschriftengebied in het omgevingsplan. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels uit het Bkl van toepassing. Dit geldt ook voor het thema omgevingsveiligheid. Naast deze beoordelingsregels heeft de gemeente Utrecht ook de Beleidsnota Omgevingsveiligheid Utrecht vastgesteld. Daarin is bijvoorbeeld beleid opgenomen voor het vestigen of uitbreiden van een risicovol bedrijf. In dit omgevingsveiligheidsbeleid wordt expliciet aangegeven dat rekening gehouden moet worden met het beperken van de effecten van een risicovol bedrijf op haar omgeving. De gemeente stuurt hierop door maatregelen te adviseren die leiden tot een beperking van het groepsrisico binnen een aandachtsgebied. Plangebied De Omgevingswet beoogt specifiek mensen in gebouwen te beschermen, omdat de meeste mensen zich voor het grootste deel van de dag binnenshuis bevinden.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt voor risico's op branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden met het belang (artikel 5.2, Bkl) van: •
Het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan;
•
De mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; e n
•
De geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio's.
In het project worden geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties mogelijk gemaakt (artikel 5.3, Bkl). Enerzijds betreft het project geen risicobron in de zin van externe veiligheid, omdat het geen opslag, productie en/of transport van gevaarlijke stoffen betreft of het in werking hebben van windturbines. Anderzijds wordt de (uitbreiding van) een transformatorstation niet benoemd als een (beperkt) kwetsbaar gebouw in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het wettelijk toetsingskader is daarom niet van toepassing. Ondanks dat het wettelijke toetsingskader niet van toepassing is, kan het project invloed ondervinden van risicobronnen in de omgeving. Immers, het bezwijken van hoogspanningsinfrastructuur kan als gevolg van falende risicobronnen tot maatschappelijke ontwrichting leiden. Er zijn hiervoor geen wettelijke eisen waaraan voldaan moet worden. Deze risicoafweging is primair aan de initiatiefnemer (TenneT). Het transformatorstation is gelegen op voldoende afstand van risicobronnen. De betreffende risicobronnen zijn de A12 en de A2 (minimale afstand circa 160 meter). Gezien de afstand tot deze risicobronnen zijn de veiligheidsrisico's daarmee zo veel als mogelijk vermeden. Daarnaast is het transformatorstation onbemand. Dit betekent dat er incidenteel mensen in het transformatorstation aanwezig zullen zijn.
Deze aanwezigheid is o.a. voor het beheer, onderhoud, verhelpen van storingen en toezichthouden bij werkzaamheden. bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
43
De komst van het nieuwe 150kV hoogspanningsstation Oudenrijn gaat gepaard met de verkabeling van het huidige tracé tussen station Oudenrijn en station Nieuwegein. Het huidige tracé met hoogspanningsmasten steekt het Amsterdam-Rijnkanaal over ter hoogte van de wijk Blokhoeve in Nieuwegein. In de nieuwe situatie zullen de kabels onder het Amsterdam-Rijnkanaal door gaan. Het Amsterdam-Rijnkanaal is in het Basisnet aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De verkabeling die onder het Amsterdam-Rijnkanaal doorgaat heeft geen invloed op het vervoer van gevaarlijk stoffen. De kabels zullen op zodanige diepte worden geboord (circa 20-30 meter) dat deze het Amsterdam-Rijnkanaal niet zullen raken. Met de verkabeling worden tevens geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten gerealiseerd. De kabels hebben geen effect op de het vervoer van gevaarlijke stoffen en bijbehorende veilgheidszones. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid staat niet aan de uitvoering van dit plan in de weg.
5.7
Ontplofbare Oorlogsresten
Kader In het plangebied worden bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. De Arbeidsomstandighedenwet stelt dat er gezorgd moet worden voor een veilige werkplek. Daarom moet een onderzoek naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) worden uitgevoerd. Voor ontplofbare oorlogsresten (OO) zijn de volgende beleidskaders relevant: 1.
CS-OOO versie 15 oktober 2020: Het Certificatieschema voor het Opsporen van ontplofbare oorlogsresten, bedoeld in de artikelen 4.17e en 4.17f van de Arbeidsomstandighedenregeling, is door de Stichting Veilig Omgaan met Explosieve Stoffen (VOMES) op 15 oktober 2020 vastgesteld. Het certificatieschema voor het managementsysteemcertificaat Opsporen van ontplofbare oorlogsresten heeft betrekking op het opsporen van ontplofbare oorlogsresten die in de (water)bodem zijn achtergebleven tijdens en na de Eerste en Tweede wereldoorlog. En heeft tot doel om te borgen dat het opsporen van ontplofbare oorlogsresten op een veilige wijze plaatsvindt. 2. CS-VROO versie 1 mei 2024: Het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse ontplofbare oorlogsresten heeft betrekking op het uitvoeren van Vooronderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten en het uitvoeren van een Risicoanalyse. En is vastgesteld op 1 mei 2024 door het Centraal College van Deskundigen OO en uitgegeven door de Stichting Veilig Omgaan met Explosieve Stoffen (VOMES). Plangebied en conclusie Het uitgevoerde vooronderzoek (Bijlage 9) betreft een archiefonderzoek waarbij uit verschillende archieven feitenmateriaal over oorlogshandelingen ter plaatse van het tracé is onderzocht. Daarbij is beoordeeld of als gevolg van de oorlogshandelingen ontplofbare resten in de bodem kunnen zijn achtergebleven.
Op basis van de beschikbare gegevens is afgeleid of er op het tracé al dan niet ontplofbare oorlogsresten te verwachten zijn en zo ja, op welke tracédelen. Daarnaast is afgeleid welke soorten explosieven het betreft en tot welke diepte deze zouden kunnen voorkomen. De conclusies van het vooronderzoek voor het plangebied zijn: a.
b.
c. d. e.
Vanwege de voormalige aanwezigheid van stellingen binnen het gebied zijn er deelgebieden aanwezig waar de aanwezigheid van OO niet kan worden uitgesloten. Het gaat om explosieven die ter plaatse van de voormalige stellingen kunnen zijn gedumpt / achtergelaten. De potentieel aanwezige soorten munitie zijn de volgende: Handgranaten Geweergranaten Klein kaliber munitie Geschutgranaten Ontstekingsinrichtingen. Van een enkele soort ontplofbare oorlogsresten zou naar verwachting één of enkele exemplaren aanwezig kunnen zijn. In ruimtelijke zin zijn de verdachte deelgebieden aanwezig aan de oostzijde van het onderzoeksgebied. De verdachte deelgebieden hebben allen een beperkte oppervlakte (circa 100 m2). De eventueel aanwezige explosieven worden verwacht in de bovenste 2 m van de bodem (laag vanaf maaiveld tot 2 m-mv). De verdachte gebieden bevinden zich niet ter plaatse van de stationslocatie of ter plaatse van de tracévarianten. De minimale afstand tot de tracés is circa 30 meter.
4 4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
Utrecht
De gemeente Utrecht heeft echter recentelijk een gemeentebreed vooronderzoek laten uitvoeren door Expload (kenmerk 2310001_1447D1, 7 oktober 2024). In dit onderzoek worden stellingen waar geen gevechtshandelingen hebben plaatsgevonden of die niet overhaast zijn verlaten als onverdacht beschouwd. Dit sluit ook aan bij het Cs-VROO. Dat neemt als uitgangspunt bij militaire infrastructuur dat bij het verwijderen van de stelling eventueel achtergelaten munitie is verwijderd. Indien er geen meldingen zijn van gevechtsacties, bezetting of dumpingen, is het uitgangspunt dat geen verdacht gebied wordt afgebakend. Het vooronderzoek uit Bijlage 9 acht vervolgacties niet noodzakelijk omdat er in het kader van het project waarschijnlijk geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden in de verdachte gebieden. Wel adviseert het vooronderzoek vervolgonderzoek wanneer er ter plaatse van de verdachte deelgebieden wel grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd (bijvoorbeeld cultuurtechnisch herstel van eventuele werkterreinen of bouwwegen).
Gezien het gemeentebrede onderzoek van Expload waarin stellingen waar geen gevechtshandelingen hebben plaatsgevonden of die niet overhaast zijn verlaten als onverdacht worden beschouwd, is het niet nodig om vervolgonderzoek uit te voeren wanneer sprake is van grondroerende werkzaamheden in gebieden die in het vooronderzoek uit Bijlage 9 als verdacht werden aangemerkt. Westraven Op de locatie van de gestuurde boring ter hoogte van Westraven is onderzoek uitgevoerd naar mogelijk aanwezige onontplofte oorlogsresten. Uit dit onderzoek is gebleken dat ter hoogte van het schiereiland in het Amsterdam Rijnkanaal mogelijk onontplofte oorlogsresten aanwezig kunnen zijn. Dit betreft mogelijk gedumpte handgranaten, geweergranaten en klein kaliber munitie (zie figuur 8 hieronder).
Figuur 8 Mogelijk ontplofbare oorlogsresten Ter plaatse van dit schiereiland wordt de nieuwe kabelverbinding met een gestuurde boring onder het Amsterdam Rijnkanaal heen geboord. Deze gestuurde boring vindt plaats op een diepte van circa 20-30 meter. De mogelijk aanwezige onontplofte oorlogsresten bevinden zich niet op deze dieptes bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
45
maar liggen, als deze nog aanwezig zijn, meer aan de oppervlakte. Het is dan ook niet aannemelijk dat de gestuurde boring met deze oorlogsresten in aanraking komt. In de uitvoeringfase moet, in het kader van veiligheid, rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van deze oorlogsresten. Mochten ter hoogte van deze locatie onverhoopt wel open ontgravingen plaats gaan vinden dan moet de aannemer, alvorens de werkzaamheden te starten, nader (detectie)onderzoek uitvoeren. Dit wordt als eis richting de aannemer meegegeven. Conclusie De verdachte gebieden bevinden zich niet ter plaatse van de stationslocatie of ter plaatse van de tracévarianten. De minimale afstand tot de tracés is ca. 30 m. Voor het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan vormt de mogelijke aanwezigheid van deze oorlogsresten geen belemmeringen.
5.8
Luchtkwaliteit
Kader Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met fijnstof, door vooral verkeer, maar - naar mate het verkeer schoner wordt - ook door andere bronnen zoals houtstook. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Een groot deel van de luchtkwaliteit komt van buiten Utrecht. Wegverkeer, mobiele (bouw)werktuigen en houtstook zijn de belangrijkste lokale bronnen van luchtverontreiniging. Omdat de gemeente Utrecht een aandachtsgebied is voor zowel stikstofdioxide (NO2) als fijnstof (PM10), moet de luchtkwaliteit getoetst en gemonitord worden. Als een plan in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties NO2 en/of PM10, moet de luchtkwaliteit worden beoordeeld. Dit volgt uit paragraaf 5.1.4.1 en artikel 9.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het beoordelen van de luchtkwaliteit betekent dat het bevoegd gezag motiveert dat: er geen overschrijding dreigt van de omgevingswaarden voor NO2, PM10 of andere stoffen, of de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren: 1. 2.
Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Middels een kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) kan aannemelijk worden gemaakt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt.
In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in artikel 5.54 Bkl kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit moet kwalitatief of kwantitatief aangetoond worden. Sinds 2017 wordt overal in Utrecht voldaan aan de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor gezonde lucht. Deze WHO-advieswaarden zijn bedoeld om de gezondheid te beschermen. Deze zijn voor fijnstof strenger dan de grenswaarden van de EU. De WHO stelt zelfs dat er géén veilige concentratie is aan te geven voor fijnstof; op grond van haalbaarheid heeft zij daarom een gezondheids-kundige advieswaarde vastgesteld voor PM10 en PM2,5. Stof NO2 (stikstofdioxide) PM10 (fijnstof) PM2,5 (fijnstof)
Grenswaarde EU 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
WHO-advies waarde-2005 40 µg/m3 20 µg/m3 10 µg/m3
WHO-advies waarde-2021 10 µg/m3 15 µg/m3 5 µg/m3
4 6 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
Toetsingsperiode Jaargemiddelde Jaargemiddelde Jaargemiddelde
Utrecht
WHO-advieswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 In 2015 heeft de gemeente Utrecht een motie aangenomen waarin de gemeente zich als doel stelt om in de toekomst (2030) naast de wettelijke grenswaarden ook te voldoen aan de WHO-advieswaarden uit 2005 voor fijnstof. Deze advieswaarden (WHO 2005) zijn strenger dan de wettelijke grenswaarden voor PM10 (20 µg/m3) en voor PM2,5 (10 µg/m3). Deze motie is uitgewerkt in het raadsbesluit 'Utrecht kiest voor gezonde lucht – luchtkwaliteitsbeleid en uitvoeringsprogramma' van december 2020, waarin is vastgelegd om toe te werken naar de WHO-advieswaarden-2005, die expliciet zijn benoemd in de samenvatting bij het raadsbesluit. Op 22 september 2021 heeft de WHO nieuwe advieswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide opgesteld, die (beduidend) lager liggen dan de WHO-advieswaarden uit 2005. In het coalitieakkoord van de gemeente Utrecht is opgenomen dat wij streven naar het behalen van de nieuwe aangescherpte WHO-advieswaarden. Ook neemt de gemeente Utrecht deel aan het Schone Lucht Akkoord, waarin rijksoverheid, provincies en gemeenten samenwerken aan maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. De beoordeling van luchtkwaliteit vindt wel plaats als het gaat om een activiteit in (of nabij) aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10).
De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. In artikel 2.38 van de Omgevingsregeling staan meer specifiek de gemeenten die vallen onder de agglomeraties. De aandachtsgebieden voor NO2 en PM10 zijn met rood aangeduid in figuur 11 en de aandachtsgebieden voor allen PM10 zijn in het blauw aangeduid.
Figuur 9: Aandachtsgebieden NO2 en PM10
Plangebied De aanleg van een hoogspanningsstation en bijbehorende kabelverbindingen heeft een kleine negatieve invloed op de luchtkwaliteit tijdens de realisatiefase. Dit effect is tijdelijk en beperkt. De gebruiksfase heeft een verwaarloosbaar klein negatief effect op de luchtkwaliteit. Dit effect wordt beoordeeld als 0 (toename 0,01 ìg/m3 jaargemiddeld). Er wordt voldaan aan de vigerende normstellingen voor luchtkwaliteit. Conclusie De aanleg van het hoogspanningsstation en bijbehorende kabelverbindingen heeft een kleine bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
47
negatieve invloed op de luchtkwaliteit. Deze invloed bestaat enkel in de realisatiefase en is tijdelijk en beperkt van aard. Er wordt voldaan aan de vigerende normstellingen voor luchtkwaliteit. Eisen voor luchtkwaliteit staan niet aan de uitvoering van dit plan in de weg.
5.9
Bodem
Kader De landelijke regels voor bodembescherming en werkzaamheden in de bodem zijn opgenomen in de Omgevingswet. Het kader voor de regels bestaat uit: het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; het evenwichtig toedelen van functies aan locaties; het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Voor historische verontreinigingen die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onder de Wet bodembescherming vielen moet rekening gehouden worden met het overgangsrecht. Dit geldt ook voor de verontreinigingen die zijn ontstaan voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet Bodem zijn de regels hiervoor opgenomen. In paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat dat bij de planvorming rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden moet bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek worden vastgesteld. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.
Naast nieuwbouwactiviteiten kan ook aan andere activiteiten gedacht worden waarvoor de bodem geschikt moet zijn, zoals graven, saneren, grondwateronttrekkingen, het toepassen van verontreinigde grond en/of het uitvoeren van milieubelastende activiteiten. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt verschillende instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn; op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde; op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Bij het plan wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functie(s).
Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de voormalige Wet bodembescherming (nu: Omgevingswet met daarbij de bijhorende regelgeving met betrekking tot het thema bodem): Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en als er toch bodemverontreiniging ontstaat, moet de bodem direct worden gesaneerd. Een geval van bodemverontreiniging waarbij de verontreiniging geheel of grotendeels na 1987 is ontstaan, is een 'nieuw' geval. Deze zorgplicht houdt in dat nieuwe gevallen van bodemverontreiniging zoveel mogelijk ongedaan moeten worden gemaakt. Voor verontreinigingen die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn veroorzaakt geldt overgangsrecht, waarmee artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing blijft. Overige gevallen van ernstige bodemverontreiniging moeten binnen een bepaalde termijn worden gesaneerd als er tevens sprake is van risico's. Het gaat daarbij om humane of milieuhygiënische risico's en om risico's voor verspreiding van de verontreiniging. De sanering gebeurt ten minste functiegericht en kosteneffectief. Nieuwbouw op of graafwerkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging zijn ongeacht de risico's niet toegestaan zonder saneringsmaatregelen, middels een melding of een vergunning.
Hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond kan bij onverdachte terreinen plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan.
4 8 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
Utrecht
Daarnaast gelden er verschillende bruidsschatregels waarmee ook rekening gehouden moet worden. Deze zijn terug te vinden in paragraaf 22.3.7 (Bodembeheer) van het omgevingsplan Utrecht: Er geldt nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden. Zo gelden er regels voor het treffen van een noodzakelijke maatregelen om een afdeklaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit geldt ook voor toevalsvondsten waarbij tijdelijke beschermingsmaatregelen blootstelling doet voorkomen; Voor kleinschalig graven boven de interventiewaarde van bodemkwaliteit gelden in bepaalde gevallen regels met betrekking tot het aanleveren van gegevens voor het begin van het graven, de tijdelijke opslag van vrijkomende grond (niet langer dan 8 weken) en milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven. Bij een beschikking voorafgaand verleend aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet waar geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat een spoedige sanering noodzakelijk is, worden maatregelen genomen die redelijkerwijs verlangd kunnen worden om verdere verontreiniging te beperken of ongedaan te maken. In het Kadaster zijn deze beschikkingen opnieuw voorzien van een code zodat deze beschikkingen vindbaar en inzichtelijk blijven in het kader deze regeling. Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning moet een bodemonderzoek conform de NEN 5740 worden verricht.
Op basis van dit onderzoek wordt beoordeeld of de locatie geschikt is voor de geplande functie of dat nog een nader onderzoek of een bodemsanering noodzakelijk is, voordat de locatie geschikt is voor de geplande functie. Als voor de bouwwerkzaamheden een grondwateronttrekking nodig is, moet gekeken worden of nabijgelegen grondwaterverontreinigingen hierdoor kunnen verplaatsen, waarbij een saneringsvergunning aangevraagd of melding (eventueel op grond van gebiedsgerichte aanpak Utrecht) gedaan moet worden. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor burgers en bedrijven. In het Bal zijn de regels met betrekking tot bodemwerkzaamheden opgenomen. Er zijn geen regels opgenomen voor graven in de landbodem als het een bodemvolume van 25 m3 of minder betreft. Graven in de landbodem in een bodemvolume van meer dan 25 m3 geldt als Milieu Belastende Activiteit (MBA). Bij het verrichten van een graafactiviteit als MBA moet voldaan worden aan de regels over graven zoals aangegeven in paragraaf 4.119 (bodemkwaliteit gelijk of onder interventiewaarde bodemkwaliteit) of paragraaf 4.120 (bodemkwaliteit boven interventiewaarde bodemkwaliteit) van het Bal. Ten aanzien van saneren kent het Bal twee standaardaanpakken om de bodem geschikt te maken voor de (toekomstige) functie: 1. 2.
Verwijderen van verontreinigingen; Afdekken van de verontreinigingen (leeflaag of duurzame verharding).
Zorgplicht bodemverontreiniging onder de Omgevingswet: ongewoon voorval en specifieke zorgplicht Deze zorgplicht geldt voor nieuwe bodemverontreinigingen of aantastingen die na inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn ontstaan. Nieuwe verontreinigingen of aantastingen van de bodem moeten zoveel als mogelijk worden voorkomen of beperkt. Een ongewoon voorval dat verontreiniging of aantasting van de bodem tot gevolg heeft, valt onder het begrip 'ongewoon voorval' uit de Omgevingswet. De specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is van toepassing als de bodemverontreiniging of aantasting ontstaat (of dreigt te ontstaan) bij een milieubelastende activiteit.
PFAS Door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) is op 8 juli 2019 het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” opgesteld en ingediend bij de Tweede Kamer. Het meest recente aangepaste handelingskader dateert van december 2023 in verband met invoering van de Omgevingswet (met aanpassingen op 29 november 2019, 2 juli 2020 en 13 december 2021). Het handelingskader is verplicht gesteld en bevat een onderzoeksplicht voor PFAS voor toe te passen grond en baggerspecie alsmede afvoer van grond naar een verwerker (acceptatievoorwaarden). De gemeente heeft lokaal beleid voor PFAS in de vorm van lokale achtergrondwaarden (zie: PFAS: bodemkwaliteitskaart en beleid | gemeente Utrecht). De bodemkwaliteitskaart is een erkend bewijsmiddel, waarmee de onderzoeksplicht bij afvoer van grond vervalt. Grond is verdacht op het diffuus voorkomen van PFAS als het gaat om bovengrond of als grond geroerd is, zoals bijvoorbeeld bij een ophooglaag. PFAS is de verzamelnaam voor perfluorverbindingen. Deze worden al decennia gebruikt in industriële en andere processen en in vele producten. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
49
zoals blusschuim, verf, pannen, kleding (ook Gore-Tex schoenen en handschoenen) en cosmetica. Door het wijdverbreide gebruik van PFAS wordt het in Nederland inmiddels niet alleen bij puntbronnen, maar diffuus verspreid in het milieu aangetroffen als gevolg van atmosferische depositie. Onder verharding wordt PFAS vaak in lagere concentraties gemeten. PFAS is resistent in het milieu en heeft een mobiel karakter in de bodem. Provinciaal beleid De provincie Utrecht heeft beleid met betrekking tot het aspect bodem. Dit beleid is gericht op onder andere grondwaterbeheer, historische grondwaterverontreinigingen en gesloten stortplaatsen. Gemeentelijk beleid De gemeente Utrecht wordt voor wat betreft de taken op het gebied van bodem ondersteund door de Omgevingsdienst Utrecht. De omgevingsdienst houdt onder andere toezicht op de uitvoering van het beleid van de gemeente voor wat betreft hergebruik van grond, baggerspecie en bouwstoffen. Plangebied Binnen het aangegeven onderzoeksgebied is een historisch milieukundig vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725: 2023 (zie Bijlage 5). Hieronder zijn de resultaten uit het vooronderzoek weergegeven. Het noordwestelijke deel van het onderzoeksgebied grenst aan de Strijkviertelplas. Van deze plas is bekend dat in het verleden stortmateriaal in is gedumpt. De verwachting is niet dat dit van invloed is op het huidige onderzoeksgebied.
In het grondwater ter plaatse van de voormalige stortplaats is een verontreiniging met vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCl) aanwezig. De verontreiniging is afkomstig van percelen ten noorden van de plas. De verontreiniging bevindt zich circa 250 meter ten noorden van het huidige onderzoeksgebied en verspreidt zich in zuidwestelijke richting. Op basis van de beschikbare gegevens, waarvan de meest recente uit 2021 dateren, is binnen de grenzen van het onderzoeksgebied geen sprake van een grondwaterverontreiniging met VOCl. De VOCl-verontreiniging is wel een aandachtspunt bij grondwateronttrekking in het kader van het geplande project. Het deel van het onderzoeksgebied ten noorden van de A12 bevindt zich in de bufferzone zoals gedefinieerd in het beleid ten aanzien van gebiedsgericht grondwaterbeheer van Gemeente Utrecht. Afhankelijk van de exacte aard van de werkzaamheden is het indienen van een melding bij de gemeente van de grondwateronttrekking mogelijk noodzakelijk. In het agrarische gebied is de aanwezigheid van bodemverontreiniging ter plaatse van gedempte watergangen en de dam niet uit te sluiten. De dammen in het gebied zijn veelal verstevigd met puin en de watergangen kunnen (deels) zijn gedempt met verontreinigd materiaal. De asfaltverharding van het Achterom langs de C.H. Letschertweg (N198) is plaatselijk teerhoudend. In de wegbermen van de C.H.
Letschertweg is de grond verontreinigd met PAK. Deze zal worden gekruist middels een gestuurde boring. De verdachte locatie ligt hiermee op voldoende afstand. Ter plaatse van de Heycopperkade 2a is in de puinverharding een sterke metalenverontreiniging in de grond aangetoond. De betreffende verontreiniging beperkt zich tot het woonperceel en strekt zich niet uit tot het rondom aanwezige landelijke gebied. De puinverharding is mogelijk verplaatst naar de dam welke het perceel verbindt met de noordelijk gelegen openbare weg. Door uitloging is het mogelijk dat de onderliggende bodem verontreinigd is geraakt. Deze locatie bevindt zich op ruim voldoende afstand (>50 m) van de voorgenomen werklocaties en is derhalve niet relevant. Ter plaatse van de Heycopperkade 1 bevindt zich een verhard pad welke langs de sloot het agrarische perceel in loopt. Hier dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van teerhoudend asfalt. Dit pad is mogelijk gefundeerd met asbesthoudend materiaal. Tevens kan door uitloging en/of vermenging de onderliggende bodem verontreinigd zijn geraakt. In het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied zijn verschillende voormalige boomgaarden aanwezig. Gezien de bodemopbouw is intensieve teelt niet waarschijnlijk. Het gebruik van OCB's ter plaatse van de voormalige boomgaarden is echter niet volledig uit te sluiten.
Buiten de voorgenoemde verontreinigingen zijn tijdens voorgaande bodemonderzoeken in het gebied ten hoogste lichte verontreinigingen aangetoond. Conclusie Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is er binnen de grenzen van het onderzoeksgebied geen sprake van grondwaterverontreiniging. Daarentegen is bodemverontreiniging ter plaatse van gedempte watergangen en de dam niet uit te sluiten. Dit is veroorzaakt door de dammen die in het gebied zijn geplaatst. 5 0 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
Utrecht
Ter plaatse van de Heycopperkade 1 bevindt zich een verhard pad die langs de sloot het agrarische perceel in loopt. Hierbij moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van teerhoudend asfalt. Dit pad is mogelijk gefundeerd met asbesthoudend materiaal. Ook kan door uitloging en/of vermenging de onderliggende bodem verontreinigd zijn geraakt. De verwachting is dat de kwaliteitsklasse industrie niet wordt overschreden. Het huidige onderzoek is voldoende voor het wijzigen van het omgevingsplan. Er is voldoende inzicht in de bodemkwaliteit en er is geen verwachting dat sprake is van verontreinigingen die de locatie ongeschikt maken voor het beoogde gebruik. Vóór het aanvragen van de omgevingsvergunning moeten alle vervolgonderzoeken (voor chemische bodemkwaliteit) bekend zijn. Voordat de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd is aanvullend onderzoek nodig. Omdat verontreiniging niet uit te sluiten is moet er vervolgonderzoek plaatsvinden om de verontreiniging in de bodem uit te kunnen sluiten of aan te tonen. In het geval dat in het vervolgonderzoek bodemverontreiniging wordt aangetoond, moeten de daarbij behorende (sanerings)maatregelen worden getroffen.
5.10 Natuurbescherming Op grond van de Omgevingswet moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van een wijziging van het omgevingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de regels uit de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast kunnen regels gelden op grond van de omgevingsverordening provincie Utrecht. 1. Soortenbescherming In de Omgevingswet is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie geldt een vergunningsplicht bij verschillende schadelijke handelingen die zijn vermeld in artikel 11.37, 11.46 en 11.54 Bal van de Ow. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1) Vogels (artikel 11.37 Bal); 2) Strikt beschermde soorten (artikel 11.46 Bal); 3) Andere soorten (artikel 11.54 en bijlage IX, onder A en onder B Bal). Beschermde dier- en plantensoorten Voorafgaand aan de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan moet worden onderzocht: of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied; of er verbodsbepalingen uit de Omgevingswet over de flora- en fauna-activiteiten en Natura-2000-activiteiten worden overtreden; of er vrijstellingen gelden of dat er een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig is.
Als er een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig is, moet aannemelijk zijn dat deze verleend zal worden. Daarnaast moet er duidelijkheid zijn over eventuele vergunningsvoorwaarden en het treffen van mitigerende maatregelen. 2. Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden Stikstofdepositie In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. Bij een wijziging van het omgevingsplan moet inzichtelijk worden gemaakt of de beoogde ontwikkeling effecten heeft op de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Als een activiteit leidt tot extra stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden en er niet kan worden uitgesloten dat dit leidt tot significante effecten op deze gebieden, wordt de activiteit aangemerkt als een Natura 2000-activiteit volgens de Omgevingswet en is deze vergunningsplichtig.
Wanneer met een berekening met AERIUS Calculator wordt aangetoond dat er geen significante stikstofdepositie optreedt wordt de activiteit niet bestempeld als Natura 2000-activiteit en hoeft er geen omgevingsvergunning te worden verleend. Als er wel stikstofdepositie optreedt, maar er wordt aangetoond dat deze toename in stikstofdepositie geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden (middels een voortoets), is de activiteit ook geen Natura 2000-activiteit. Intern salderen is geen onderdeel van zo'n voortoets. Het project of plan is dus niet vergunningsplichtig als met een voortoets wordt aangetoond dat er geen significante negatieve effecten zijn in Natura bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
51
2000-gebieden of als de verslechtering van de stikstofdepositie optreedt op hectares, waarin de Kritische Depositiewaarde niet wordt overschreden. Indien in de voortoets niet kan worden uitgesloten dat er geen significante effecten optreden is de activiteit een Natura 2000-activiteit en is deze vergunningsplichtig. Er kan alleen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit worden afgegeven als uit vervolgonderzoek, in de vorm van een passende Beoordeling, blijkt dat de kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast. Geeft die beoordeling deze zekerheid niet, dan kan vergunningverlening alleen plaatsvinden als aan de volgende voorwaarden is voldaan: er zijn reële alternatieven voor de activiteit; er is sprake van een dwingende reden van groot openbaar belang; er vindt natuurcompensatie plaats. Als er een passende beoordeling nodig is, geldt er ook een plan-mer-plicht (art. 16.36 Ow). Als het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor al eerder een passende beoordeling is gemaakt, hoeft er niet opnieuw een passende beoordeling te worden gemaakt (voor zover deze redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kan opleveren over de significante gevolgen ervan). De gebiedsbescherming is vastgelegd in artikel 11.1 tot en met 11.9 Bal van de Ow. Hierin wordt de aanwijzing en bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld.
Hiermee zijn de verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, voor zover die betrekking hebben op gebiedsbescherming, geïmplementeerd in het Nederlands recht. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudingdoelstellingen voor die gebieden zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden. De instandhoudingdoelstellingen beschrijven de doelen voor behoud en/of verbetering van de voor het gebied aangewezen habitattypen en soorten. Voor activiteiten of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Deze omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit worden verleend door de provincies of eventueel in onderhavig geval door de Minister van LNV. Nationaal Natuur Netwerk (v.m. EHS) en Groene Contour In de omgevingsverordening Provincie Utrecht (artikel 6.1 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen van) een wijziging van het omgevingsplan aan moeten voldoen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het nationaal beleid met betrekking tot de gebiedsbescherming van het Natuurnetwerk Nederland is opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De bescherming van het NNN staat nader uitgewerkt in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL).
Hierin staan instructieregels voor de omgevingsverordening van de provincies. De bescherming werkt vervolgens door in de bestemmingsplannen van de gemeenten. De instructieregels uit het BKL verplichten de provincies tot: 1.
het aanwijzen van Natuurnetwerk Nederland gebieden en vaststelling geometrische begrenzing (artikel 2.44 lid 4 Ow en artikel 7.6 Bkl ) 2. het vastleggen van de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden (actueel en potentieel) (artikel 7.7 Bkl) 3. het stellen van regels in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden (artikel 7.8 Bkl, eerste lid) 4. De regels die in de omgevingsverordening komen verzekeren in ieder geval dat (artikel 7.8 Bkl, tweede lid): a. de kwaliteit en oppervlakte van het NNN-gebied niet achteruitgaan b. de samenhang tussen de gebieden van het NNN wordt geborgd c. als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. 3. Utrechtse soortenlijst Naast de beschermde soorten onder de Omgevingswet geldt binnen de gemeente de Utrechtse soortenlijst. Hierin zijn kwetsbare soorten die voor Utrecht erg belangrijk zijn opgenomen. De Utrechtse Soortenlijst is onderdeel van de Omgevingsvisie.
De gemeenteraad heeft besloten dat bij gemeentelijke ruimtelijke plannen de Utrechtse soortenlijst bij het onderzoek en ontwikkelingen wordt betrokken zodat de soorten zo goed mogelijk beschermd worden. 5 2 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
Utrecht
Bij ruimtelijke plannen van derden beveelt de gemeente nadrukkelijk aan om de Utrechtse soortenlijst mee te nemen in onderzoek en ontwikkelingen. Wanneer de Utrechtse soortenlijst niet wordt meegenomen in het plan of project, dan wordt dit gemotiveerd. 4. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden is vastgelegd in paragraaf 11.3.1 en 11.3.2 Bal (artikel 11.111 t/m 11.133). De algemene regels over het vellen van houtopstanden uit het Bal zijn echter alleen van toepassing buiten de 'bebouwingscontour houtkap' zoals die is opgenomen in het omgevingsplan. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is in bepaalde gevallen voor het vellen van een houtopstand een meldplicht en een herplantplicht toepasselijk (zie paragraaf 11.3.2 Bal): 1. 2.
melding voor het vellen van een houtopstand (artikel 11.126 Bal). herplantplicht (artikel 11.129 Bal)
Bevoegd gezag is normaal gesproken Gedeputeerde Staten (zie artikel 11.113 Bal) en in sommige situaties de minister van LNV (artikel 11.114 Bal en artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit). Zie voor de bomenparagraaf hoofdstuk 5.11 van deze motivering.
5. Algemene zorgplicht Ten slotte gelden voor Natura 2000-activiteiten en Flora- en Fauna-activiteiten de specifieke zorgplichten van de artikelen 11.6 en 11.27 uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van natuurbescherming is verplicht om alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. Als de gevolgen niet kunnen worden voorkomen moet zorg gedragen worden voor het zo veel mogelijk beperken of het ongedaan maken van die gevolgen. Als de gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt moet worden bezien of de activiteit achterwege gelaten kan worden, voor zover dit redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Daarom moet iemand die een bepaalde activiteit wil verrichten zich vooraf op de hoogte stellen van de aanwezige flora en fauna, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van zijn handelen. Om een juiste invulling te kunnen geven aan de zorgplicht is de Leidraad werken met beschermde flora en fauna van de gemeente Utrecht van toepassing. Voor aanvang van de werkzaamheden moet een ecologisch werkprotocol worden opgesteld door een deskundige.
Plangebied Ten aanzien van het aspect natuur heeft een bureaustudie ecologie (quickscan ecologie (bureaustudie + oriënterend terreinbezoek) plaatsgevonden. Zie hiervoor Bijlage 1. Daarna is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 14). De resultaten en conclusies hiervan zijn hieronder te vinden. 1. Soortenbescherming Vogels Soorten met een jaarrond beschermd nest Uit de bureaustudie blijkt dat een aantal vogelsoorten is waargenomen in de omgeving van het projectgebied waarvan de broedplaatsen jaarrond beschermd zijn en waar bij verwijdering of aantasting van de vaste rust- en verblijfplaats, alsook bij wezenlijke aantasting van de functionele leefomgeving, altijd een vergunning moet worden aangevraagd. Dit zijn boombroedende soorten (zoals buizerd en ransuil), gebouwbroedende soorten (zoals huismus en gierzwaluw) en overige soorten (zoals grote gele kwikstaart en ooievaar). Aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van jaarrond beschermde nesten dient plaats te vinden. Het bosschage tussen de A12 en het Oudenrijnse pad dient geïnspecteerd te worden op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten en de hoogspanningsmasten dienen geïnspecteerd te worden op aanwezige nesten.
Soorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest (categorie 5) Er zijn diverse mogelijk jaarrond beschermde nesten aanwezig rondom het projectgebied. Zo kunnen soorten als koolmees, zwarte mees en pimpelmees tot broeden komen in de bosschages. De huiszwaluw en boerenzwaluw zijn aanwezig bij de bebouwing in het projectgebied. Echter zijn er geen ecologisch zwaarwegende redenen om mogelijk aanwezige soorten als jaarrond beschermd te bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
53
beschouwen in deze situatie, gezien er voldoende alternatief broedgebied in de omgeving aanwezig is. In dit geval worden deze soorten dan ook beschouwd als algemene broedvogels.
Algemene broedvogels De omgeving en het projectgebied is geschikt voor een groot aantal algemene broedvogels. In en langs de watergangen kunnen soorten als meerkoet en wilde eend tot broeden komen, in de graslanden en de omliggende agrarische percelen diverse grondbroeders als kievit en scholekster en in de bomen en bosschages diverse duivensoorten en zangvogels. De aanwezigheid van nesten van algemene broedvogels binnen en rondom het projectgebied kan niet uitgesloten worden. Bij voorkeur wordt er buiten het broedseizoen gewerkt (circa maart t/m juli). Indien niet mogelijk dient het projectgebied ongeschikt gemaakt te worden. Indien dit niet mogelijk is, dient het projectgebied door een ecoloog gecontroleerd te worden op broedvogels. Zoogdieren Vleermuizen De aanwezigheid van kraam-, paar- en zomerverblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten, zoals de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis (geen kraam), laatvlieger en meervleermuis in de omgeving van de werkzaamheden kan niet worden uitgesloten. Door de afstand tussen de werkzaamheden en de aanwezige verstoring rond de bebouwing worden echter geen aanvullende verstorende effecten van de werkzaamheden op deze verblijfplaatsen verwacht. Ook de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kan niet worden uitgesloten binnen het gehele projectgebied.
Op de terreindelen waar bomenkap het meest voor de hand ligt (de bomen direct ten zuiden van mast 11 en bij de eendenkooi achter Ringkade 5) zijn echter geen holten of loshangend schors waargenomen en zijn dus geen verblijfplaatsen te verwachten. Wanneer er gekapt wordt op overige delen van het projectgebied, is aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk. Essentiële vliegroutes binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden kan wel worden uitgesloten, net zoals essentieel foerageergebied binnen het projectgebied. Wanneer er bij de exacte werkzaamheden bekend wordt dat de opdrachtgever voornemens is om bomen te kappen of bebouwing aan te tasten, dient er aanvullend en waar nodig nader onderzoek te worden uitgevoerd naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Overige zoogdieren Het projectgebied bevat alle elementen die kleine marterachtigen nodig hebben in hun leefgebied waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van kleine marterachtigen binnen het projectgebied niet kan worden uitgesloten. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van de eekhoorn en de steenmarter is uitgesloten middels nader onderzoek. Binnen het plangebied is habitat aanwezig voor konijnen en hazen, zij zijn waargenomen op verschillende delen van het projectgebied.
Het plangebied zal voornamelijk gebruikt worden als foerageergebied voor deze soorten. In directe omgeving is voldoende leefgebied aanwezig waardoor konijnen en hazen uit kunnen wijken naar omliggend gebied. Naar de aanwezigheid van eventuele verblijfplaatsen (holen) zal nader veldonderzoek worden uitgevoerd. Indien verblijfplaatsen aanwezig zijn zullen passende maatregelen worden getroffen om verstoring te voorkomen. Bijvoorbeeld door te werken buiten kwetsbare periodes. Indien noodzakelijk zal een omgevingsvergunning voor de activiteit Flora en Fauna worden aangevraagd. Omdat passende maatregelen getroffen kunnen worden is het aannemelijk dat een dergelijke vergunning kan worden verkregen. Vissen Middels aanvullend veldonderzoek is de aanwezigheid van grote modderkruiper in de watergangen rondom de werkzaamheden uitgesloten. Amfibieën De aanwezigheid van de Alpenwatersalamander binnen het projectgebied is uitgesloten. Het projectgebied en de omringende graslanden zijn geschikt leefgebied voor de heikikker, waardoor aanwezigheid van deze soort niet uitgesloten kan worden. Hetzelfde geldt voor de aanwezigheid van de rugstreeppad. Door het ontbreken van stenige ruderale terreinen binnen het projectgebied kan de aanwezigheid 5 4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
Utrecht
van de vroedmeesterpad worden uitgesloten. Bij de geplande verkabeling worden hoogst waarschijnlijk migratieroutes, voortplantingswateren en landhabitat van heikikker en rugstreeppad aangetast. Indien mogelijk negatieve effecten optreden voor de heikikker en rugstreeppad, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden waarna mogelijk een vergunning aangevraagd moet worden. Insecten De aanwezigheid van de grote weerschijnvlinder kan niet uitgesloten worden binnen het projectgebied. Aanwezigheid van andere beschermde insecten wordt niet verwacht door het ontbreken van een geschikte biotoop en het bekende beschermingsgebied. Kreeftachtigen en weekdieren Middels aanvullend veldonderzoek is de aanwezigheid van platte schijfhoren in de watergangen rondom de werkzaamheden uitgesloten. Zaadplanten, bladmossen en varens De aanwezigheid van beschermde zaadplanten, bladmossen en varens wordt niet verwacht binnen het projectgebied. Invasieve soorten Binnen het projectgebied zijn geen invasieve soorten waargenomen. Effecten met betrekking op invasieve soorten ten gevolge van werkzaamheden zijn op voorhand uitgesloten.
2. Gebiedsbescherming Natura-2000 Het projectgebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is "Oostelijke Vechtplassen", op ongeveer 8,3 kilometer afstand van het projectgebied. Verder liggen binnen een straal van 25 kilometer Natura 2000-gebieden; 'Uiterwaarden Lek' 9 kilometer, 'Zouweboezem' 12 kilometer 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' 17 kilometer, 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' 14 kilometer, 'Botshol' 21 kilometer, 'Kolland & Overlangbroek' 22 kilometer, 'Rijntakken' 22 kilometer en 'Naardermeer' 23 kilometer. Natura 2000-gebied 'Oostelijke Vechtplassen' is een groot natuurgebied in Utrecht en Noord-Holland. Het bestaat grotendeels uit vergraven laagveengebieden met veel watergangen. Hierdoor is een divers landschap met rietlanden, meren, bossen, graslanden en moerassen. De 'Oostelijke Vechtplassen' wordt gezien als één van de belangrijkste laagveenmoerassen van Nederland. De Oostelijke Vechtplassen is aangewezen als Habitat-en Vogelrichtlijngebied.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
55
Figuur 10: Ligging van het projectgebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden. (bron: AERIUS) De Natura 2000-gebieden liggen buiten de invloedsfeer van alle storingsfactoren, zoals bijvoorbeeld verdroging of geluid- en lichtverstoring, met uitzondering van verzuring en vermesting. Gezien de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden en de voorgenomen werkzaamheden zijn effecten als gevolg van vermesting en verzuring door stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Daarom is er een AERIUS berekening uitgevoerd (zie Bijlage 2). Uit de opgestelde AERIUS-modellen blijkt dat de realisatiefase van de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een stikstofdepositie hoger dan 0,02 mol/ha/jaar op enig stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Voor de bouw van het hoogspanningsstation worden agrarische gronden aangekocht welke momenteel worden bemest. Als hiervoor interne saldering wordt toegepast, is de stikstofdepositie niet meer dan 0,00 mol/ha/ja. Op 18 december 2024 heeft de afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State een uitspraak (ECLI:NL:RVS:2024:4923) gedaan met als gevolg dat interne saldering niet meer in de voortoets mag worden meegenomen maar alleen mogelijk is middels een Omgevingsvergunning met daarbij behorende passende beoordeling.
Stikstofuitstoot is voor de realisatie van het hoogspanningsstation alleen van toepassing tijdens de bouw van het hoogspanningsstation. Het project van de bouw en aanleg van het hoogspanningsstation met bekabeling en het gebruik van het hoogspanningsstation veroorzaakt tijdens de bouw tijdelijk een zeer beperkte stikstofdepositie van 0,02 mol/ha/jr en 0,01 mol/ha/jr op verschillende overbelaste habitattypen en leefgebieden van de Natura 2000-gebieden Oostelijke Vechtplassen en Zouweboezem. Na de bouw vindt geen uitstoot van stikstof meer plaats Wanneer wordt aangetoond dat de toename in stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol/ha/ja geen 5 6 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
Utrecht
significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden is de activiteit geen vergunningplichtige Natura 2000-activiteit. Hiertoe is een voortoets uitgevoerd waarin ecologische effecten van de werkzaamheden in het kader van het project op de Natura 2000-gebieden zijn beschouwd (zie Bijlage 3). Hierbij wordt vastgesteld of het project door de tijdelijke depositiewaarde al dan niet significante effecten op de ecologie in de natuurgebieden met zich meebrengt. Voor de inventarisatie van de potentiële effecten van de geplande werkzaamheden op Natura 2000-gebieden en de beoordeling van deze effecten wordt verwezen naar de rapportage van Avecas Bijlage 3. Hieruit blijkt dat de enige potentiële effecten van de werkzaamheden in het kader van het project op Natura 2000-gebieden vermesting en verzuring voor stikstofdepositie zijn. Dit effect is beoordeeld op basis van de resultaten van de stukstofdepositieberekening met betrekking tot het project en de eigenschappen van de natuur in de Natura 2000-gebieden Op basis van de beoordeling in het rapport van Avecas wordt geconcludeerd dat de tijdelijke en zeer beperkte stikstofdepositie van respectievelijk 0,02 mol/ha/jr en 0,01 mol/ha/jr als gevolg van het project ter plaatse van Natura 2000-gebieden Oostlijke Vechtplassen en Zouweboezem geen significante ecologische effecten met zich meebrengen.
De tijdelijke stikstofdepositie is miniem ten opzichte van de kritische depositiewaarden en achtergrondwaarden en is voor de meeste natuurwaarden van ondergeschikt belang ten opzichte van andere belangrijke factoren zoals hydrologie, fosfaatbelasting en dergelijke. Ook is de tijdelijke stikstofdepositie van zeer tijdelijke aard, niet herleidbaar tot het project en beperkt het de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden Oostelijke Vechtplassen en Zouweboezem niet. Overige effecten van verstoring en dergelijke zijn ook uitgesloten vanwege de afstand van het project tot de Natura 2000-gebieden. Op basis van de analyse van de effecten van het project op de Natura 2000-gebieden is de conclusie dat significante effecten op voorhand zijn uit te sluiten en hiermee geen sprake is van een vergunningplichtige Natura-2000 activiteit.
Natuur Netwerk Nederland Het projectgebied bevindt zich niet binnen een gebied aangewezen als NNN-gebied. Het dichtstbijzijnde NNN- gebied ligt op 2 kilometer ten zuidwesten van het projectgebied. Het betreft een gebied met beheertypen; N04.02 Zoete plas, N05.05 Dynamisch moeras, N12.02 Kruiden- en faunarijk grasveld en N14.02 Hoog- en laagveenbos. De provincie Utrecht hanteert geen maatregelen ten aanzien van externe werking op een gebied aangewezen NNN. Door de afstand, de tussenliggende elementen zoals infrastructuur, bebouwing en watergangen en de tijdelijke aard van de werkzaamheden kan een negatief effect op dit gebied worden uitgesloten.
Figuur 11. Ligging van het projectgebied ten opzichte van het NNN. Overig provinciaal beleid Negatieve effecten op gebieden aangewezen als waterparels, groene contour, ganzenfoerageergebied en weidevogelkerngebied kunnen uitgesloten worden. Binnen het projectgebied staan een aantal wilgenlanen die aangemerkt zijn als beschermd klein landschapselement. Indien de geplande werkzaamheden deze elementen aantasten of verwijderd moeten worden, dient een vergunning aangevraagd te worden. bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
57
3. Utrechtse soortenlijst In de omgeving van de werkzaamheden bevinden zich verschillende mogelijk geschikte groeiplaatsen voor vaatplanten en leefgebieden voor dieren die vermeld staan op de Utrechtse soortenlijst. Gezien het veldbezoek dat buiten de bloeiperiode van een groot deel van deze planten is uitgevoerd is aanwezigheid hiervan niet uit te sluiten. Daarnaast is het veldonderzoek recent uitgevoerd waardoor veel planten ook vegetatief niet waarneembaar waren. Onderstaand zijn de soorten van de Utrechtse Soortenlijst opgesomd welke mogelijk aanwezig zijn in het projectgebied alsmede de elementen binnen het projectgebied waar deze aangetroffen kunnen worden. Vissen Bittervoorn – Bevindt zich vaak in sloten en plassen met waterplanten. Kleine modderkruiper - Vindt beschutting in ondiepe sloten en moerassige wateren met veel organisch materiaal.