TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg
Tekst van het document
Ook is beschreven hoe Utrecht zich kan ontwikkelen tot tien-minutenstad. Daarmee zorgt de gemeente ervoor dat de groei van het aantal inwoners en woningen in balans blijft met een toename van groen in de stad, met een groei van banen en voorzieningen, met een passende infrastructuur voor verkeer en vervoer en met de ambities op basis van de energietransitie. Om bij de groei de specifieke kwaliteiten van de stad te behouden, kiezen we ervoor een stad te zijn waarin alle belangrijke functies voor dagelijks gebruik dichtbij de woon- en werkomgeving te vinden zijn: Utrecht, de tien-minutenstad. Daarbij zijn twee hoofdstructuren leidend voor het ordenen van de nieuwe plekken in de stad, namelijk de groenstructuur en de mobiliteitsstructuur. Groen, landschap en water in en rond de stad zijn een voorwaarde voor gezonde stedelijke ontwikkeling, voor groenbeleving en recreatie, maar ook voor bijvoorbeeld klimaatadaptatie en biodiversiteit. Daarmee wordt de bestaande stad ook versterkt. Er worden functies toegevoegd en de kwaliteit van de stad wordt verbeterd. We maken de keuze om de groei van de stad op een aantal plekken in de stad te concentreren, waar hoge bouwvolumes worden gerealiseerd. Daarmee verandert Utrecht van een stad met één centrum naar een stad met meerdere centra.
Op deze nieuwe knooppunten komen veel verschillende stedelijke functies samen: een mix van wonen, werken, voorzieningen en groen. Hierdoor beperkt de gemeente ook de groei van het aantal vervoersbewegingen. De Merwedekanaalzone, het Jaarbeursterrein en Leidsche Rijn zijn gebieden waar komende jaren veel gebouwd wordt. Maar er wordt ook gebouwd op kleinere plekken, zoals bij de 2e Daalsedijk en het Kruisvaartterrein. Ook in de binnenstad, het stationsgebied, het Utrecht Science Park, Leidsche Rijn Centrum en Papendorp is ruimte voor extra woningen, winkels en bedrijven. En voor cultuur en maatschappelijke instellingen. Omdat er met de ambities van de RSU 2040 veel geld gemoeid gaat, is in de RSU 2040 ook een investeringsstrategie opgenomen. Daarnaast is een uitvoeringsstrategie opgesteld, waarin staat welke ontwikkelingen als eerste plaatsvinden en in welke tijdsvolgorde de stad zich tot 2040 ontwikkelt. Ook heeft de gemeenteraad op 12 maart 2020 het koersdocument Leefbare stad en maatschappelijke voorzieningen vastgesteld. Hierin staan de ontwikkelopgaven voor scholen, sportplekken en andere maatschappelijke voorzieningen. Het document 'nota gezondheidsbeleid Utrecht 2024-2027' is ook onderdeel van de koers. Zie hiervoor paragraaf 2.3.2.2.3.
Plangebied In de RSU 2040 is opgenomen dat in de stad ruimte wordt geboden voor energie-infrastructuur die nodig is voor de vervanging van de infrastructuur voor aardgas en fossiele autobrandstoffen en ter verduurzaming van de stadverwarming. De bouw van het hoogspanningsstation sluit aan bij deze doelstelling. 2.3.2.2
Thematisch beleid
2.3.2.2.1 Natuur Bomenbeleid Utrecht (2009) aangevuld september 2018 De nota Bomenbeleid Utrecht is in 2009 vastgesteld. Hierop is een aanvulling gedaan op 27 september 2018 voor een herplantplicht. Een van de belangrijkste doelen van het Utrechtse bomenbeleid is een samenhangende bomenstructuur voor de stad te verbeteren en te ontwikkelen, gebaseerd op cultuurhistorische, ruimtelijke en ecologische uitgangspunten en milieu. Voor 2030 zet de gemeente in op het behoud en de ontwikkeling van de bomenstructuur. Dit zal gebeuren door twee beleidsdoelstellingen: bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
23
Waar mogelijk ontbrekende bomen in de bomenstructuur aanvullen om zo een samenhangende structuur te creëren. Dat betekent bij de ruimtelijke plannen in de komende jaren bezien waar bomen kunnen worden toegevoegd om zo de bomenlanen en pleinen te completeren. De bomenstructuur verder verbeteren door extra zorg aan beheer en onderhoud te besteden. Dit kan resulteren in extra zorg bij aanplanting van bomen, bij groeiplaatsen van oudere bomen, bij de verzorging van de bomen in de jeugdfase en bij bomenziekten. Sinds 1 januari 2007 kennen alle gemeentelijke ruimtelijke plannen in de stad een bomenparagraaf. De bomenparagraaf biedt vanaf het begin en in alle fasen van een planproces de mogelijkheid een belangenafweging te maken over de gevolgen van een ruimtelijk plan voor bomen. Plangebied Voor dit plan worden geen bomen gekapt. Zie 5.11 voor een uitgebreide toelichting.
Nota Utrechtse soortenlijst (2018) Op 7 juni 2018 heeft de gemeenteraad de Nota Utrechtse soortenlijst vastgesteld, ter bescherming en stimulering van de voor Utrecht belangrijke plant- en diersoorten en daarmee ter bevordering van de biodiversiteit in de stad. Onder de bescherming vallen 5 vogelsoorten, 3 vissoorten, 6 soorten wilde bijen, 40 plantensoorten en 10 paddenstoelsoorten. De Utrechtse soortenlijst wordt meegewogen bij de voorbereiding van gemeentelijke ruimtelijke plannen. Bij een gebiedsontwikkeling waarbij de gemeente Utrecht initiatiefnemer is moet naar de aanwezigheid van deze Utrechtse soorten onderzoek worden gedaan. Bij gebiedsontwikkelingen van derden wordt dringend geadviseerd om de Utrechtse soortenlijst bij de onderzoeken te betrekken. Plangebied De Utrechtse soortenlijst is meegenomen bij dit plan. Van een aantal soorten op deze lijst is de aanwezigheid niet uit te sluiten. In de natuurtoets (zie Bijlage 1) is in paragraaf 2.3.11 opgenomen hoe om wordt gegaan met soorten uit de Utrechtse Soortenlijst. In deze paragraaf is ook opgenomen wat het mogelijke effect is op deze soorten en welke maatregelen wij kunnen nemen om mogelijke effecten te mitigeren of voorkomen. De conclusies hiervan zijn opgenomen in 5.10 onder Utrechtse soortenlijst.
2.3.2.2.2 Erfgoed en cultuurhistorie Archeologie De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een gebiedsaanduiding voor archeologie op te nemen in het Omgevingsplan Gemeente Utrecht. In deze gebiedsaanduiding is opgenomen dat de voor archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Hiermee wordt geregeld dat onder een met het omgevingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met regels in het omgevingsplan. Met de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig. Plangebied In het omgevingsplan bestaan ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen verschillende 'zones archeologische verwachting'. In paragraaf 5.13 van dit plan wordt verder ingegaan op de archeologie in het plangebied. 2.3.2.2.3
Gezond stedelijk leven
Samen gezondheidsverschillenverkleinen – nota gezondheidsbeleidUtrecht 2024-2027 De ambitie van de nota is dat in 2040 de gezondheidsverschillen in Utrecht tussen de laagste en hoogste sociaaleconomische groepen met 30% zijn afgenomen. Dit doen we door onder andere op gezonde leefomgeving een gezonde basis te bieden, in te grijpen waar de ongelijkheid groeit en maatwerk te bieden waar dat nodig en passend is. Gezonde leefomgeving is één van de 6 thema's waarop wordt ingezet om dit te bereiken. Een gezonde leefomgeving van Utrechters is zo ingericht dat Utrechters beschermd zijn tegen negatieve milieufactoren, de fysieke leefomgeving gezonde leefgewoonten ondersteunt en de fysieke leefomgeving sociale kracht versterkt. Utrechters zijn beschermd tegen negatieve milieufactoren Inwoners ademen schonere lucht in en ondervinden minimale geluidshinder. We streven naar het zo snel mogelijk behalen van de WHO-advieswaarden 2021. De lokale ambitiewaarden voor geluid is 63 dB voor nieuwe situaties langs wegen en spoorwegen. Ook worden stille plekken beschermd. We 2 4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
Utrecht
passen de ambitiewaarden, grenswaarden en regels uit de beleidsnota Geluid en trillingen toe om de effecten van geluid op de gezondheid te beperken. Plangebied In paragraaf 5.5 is ingegaan op de geluidssituatie (inclusief de beleidsnota Geluid en Trillingen) en in paragraaf 5.8 is ingegaan op de luchtkwaliteit in het plangebied. Ook is er onderzoek gedaan naar de eventuele invloed van magneetvelden die door hoogspanningskabels veroorzaakt kunnen worden. Zie hiervoor paragraaf 5.2 Beleidsnota Geluid en Trillingen (2024) Gezond stedelijk leven betekent dat onze inwoners recht hebben op een fijne en gezonde woonomgeving. Onze kinderen moeten kunnen opgroeien in een leefbare stad, levendig maar zonder té veel lawaai of trillingen. Mensen en dieren kunnen last hebben van geluid of trillingen en te veel geluid is slecht voor de gezondheid. Bij (gebieds)ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onder het stelsel van de Omgevingswet gelden regels voor geluid en trillingen. Er is ook vrijheid voor een eigen, lokale invulling. In het coalitieakkoord 2022-2026 Investeren in Utrecht staat dat we in Utrecht bij nieuwe ontwikkelingen strengere geluidsnormen gebruiken dan de landelijke wettelijke waarden. In de Beleidsnota Geluid en Trillingen staat hoe we om willen gaan met geluid en trillingen.
Zowel voor de bestaande stad als bij de nieuwe ontwikkelingen én hoe we invulling geven aan strenger dan de wet. De nota is onderdeel van de omgevingsvisie Utrecht. De nota passen we toe bij het toestaan van bijvoorbeeld nieuwe woningen en de aanleg of wijziging van wegen. Ook kijken we naar de (ontwikkeling van) de bestaande stad en de invloed van geluid en trillingen op de kwaliteit van leven. Waar nodig eisen we bij ruimtelijke ontwikkelingen daarom extra maatregelen. Geluid Verkeer is een belangrijke veroorzaker van geluidshinder. Daarom nemen we in Utrecht maatregelen om de hinder van verkeer te verminderen. We verlagen de snelheid waar mogelijk of leggen stiller asfalt aan. Op plekken waar al veel geluid is en we toch nieuwe woningen willen bouwen, stellen we extra voorwaarden aan het ontwerp van de gebouwen. Het is bijvoorbeeld verplicht een geluidluwe gevel en een rustige buitenruimte te hebben. Een goede indeling van de woning zorgt ervoor dat er binnenshuis altijd een rustige plek is. Deze voorwaarden staan niet alleen in de beleidsnota maar ook in de regels van het omgevingsplan. In Utrecht moeten bedrijven in stillere gebieden aan 5 dB lagere geluidnormen voldoen dan in drukkere gebieden. Enkele keren per jaar mag door bedrijven of sportclubs meer geluid worden gemaakt. Bijvoorbeeld als er een festiviteit is. Voor stemgeluid bestaan geen wettelijke normen.
Op het moment dat we ergens een terras, schoolplein of sportveld willen toestaan, controleren we eenmalig dat dit niet tot te veel overlast leidt. Voor onversterkte muziek, zoals van carillons, stellen we geen eisen. Godsdienstvrijheid is een reden om bepaalde geluiden, zoals klokgelui, uit te zonderen. We koesteren plekken waar het stil of rustig is. Utrecht heeft veel locaties in de stad die veel stiller zijn dan langs de drukke wegen. We proberen bestaande rustige gebieden te behouden, uit te breiden en nieuwe rustige gebieden te creëren. We streven ernaar dat iedereen binnen 10 minuten loopafstand van huis een stil gebied zoals een park of hofje kan vinden. Zo zorgen we er ook voor dat er voor dieren (rustige) schuil- en rustplaatsen zijn. Trillingen zijn voor dit plangebied niet van toepassing. Plangebied Voor deze ontwikkeling is een geluidsonderzoek gedaan waarbij de beleidsnota Geluid en Trillingen is meegenomen. Hieruit blijkt dat geluidseisen niet aan de uitvoering van dit plan in de weg staan. Zie paragraaf 5.5 voor de toelichting op het geluidsaspect. Nota Omgevingsveiligheid Utrecht (2024) In de 'Beleidsnota Omgevingsveiligheid Utrecht' staat hoe we als gemeente Utrecht omgaan met de risico's van het vervoeren van gevaarlijke stoffen en het werken met gevaarlijke stoffen binnen de gemeente.
Dagelijks worden grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen vervoerd, opslagen en verwerkt. Dit kan een gevaar vormen voor mensen die wonen of werken in de omgeving daarvan. Mogelijke gevaren voor de omgeving zijn een brand, een explosie of een wolk met giftige stoffen. Er kan schade aan gebouwen optreden, mensen kunnen gewond raken of zelfs overlijden. Met ons beleid voor omgevingsveiligheid richten we ons op beheersing van die gevaren. Plangebied Voor deze ontwikkeling speelt omgevingsveiligheid geen rol. Zie hiervoor verder paragraaf 5.6.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
25
2.3.2.2.4 Bodem, ondergrond en water Nota Bodembeheerplan 2017-2027 'Grondig Werken 4' (2017) en Aanvulling Nota Bodembeheerplan 2017-2027 beleid PFAS (2020) De gemeente Utrecht wil duurzaam omgaan met grondstoffen en dus ook met grond. Dit doen we door hergebruik van grond eenvoudiger te maken. In de Nota Bodembeheer staan de regels voor het toepassen en hergebruik van grond in de gemeente Utrecht. In 2017 is de Nota Bodembeheer 2017-2027 'Grondig Werken 4' vastgesteld. In 2020 is de Nota uitgebreid met een aanvullende nota over PFAS. De gemeente Utrecht volgt zoveel mogelijk het algemene landelijke beleid zoals dat is opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en in het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). Dit landelijke beleid past niet in elke lokale situatie, vandaar dat voor hergebruik van gebiedseigen grond andere regels gelden dan voor het toepassen van grond van buiten de gemeente. Plangebied Het bodemonderzoek in Bijlage 5 geeft voldoende inzicht in de bodemkwaliteit van het plangebied. Het onderzoek toont geen verontreinigingen aan die de locatie ongeschikt maken voor het beoogde gebruik. Op basis van de laatste data is binnen de grenzen van het onderzoeksgebied geen sprake van grondwaterverontreiniging. Daarentegen is bodemverontreiniging ter plaatse van gedempte watergangen en de dam niet uit te sluiten.
Dit is veroorzaakt door de dammen die in het gebied zijn geplaatst. Vóór het aanvragen van de omgevingsvergunning moeten alle vervolgonderzoeken (voor chemische bodemkwaliteit) bekend zijn. Alvorens werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd. Zie paragraaf 5.9 voor de toelichting op het bodemonderzoek. Het aspect bodem staat de uitvoering van dit plan niet in de weg. Visie Water en Riolering en visie Klimaatadaptatie (2022) Visie Water en riolering De gemeente heeft vanuit de wet een aantal specifieke zorgplichten en daarmee taken op het gebied van water en riolering. De Visie Water en Riolering bevat het gemeentelijke beleidskader voor de invulling van deze zorgplichten. In deze visie zijn het scheiden van afvalwater en hemelwater en omgaan met extreme buien het uitgangspunt. Relevant voor deze ontwikkeling zijn de kaders voor klimaatbestendigheid: Het stedelijk watersysteem en de openbare ruimte zo ingericht dat er bij een bui van 80 mm in één uur geen schade aan panden, en in de openbare ruimte beperkte slechts overlast, mag optreden. De precieze eisen waaraan hinder en overlast getoetst worden staan in deze visie genoemd. Visie Klimaatadaptatie Terwijl het aantal inwoners in Utrecht verdubbelt groeit het oppervlak nauwelijks mee, in 2040 is de verwachting dat er meer dan 450.000 inwoners zijn.
De Visie Klimaatadaptatie sluit aan op de visie Water en Riolering en geeft aan wat nodig is om Utrecht voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering. Utrecht zal in de toekomst naar verwachting steeds vaker te maken krijgen met de gevolgen van het veranderende klimaat. Het is dan ook van belang om hier bij nieuwe bouwontwikkelingen rekening mee te houden en de bebouwde omgeving zo goed mogelijk aan te passen aan het veranderende klimaat. De eisen, doelen en ambities op het gebied van klimaat, water en riolering zijn in deze visie beschreven. De gemeente Utrecht streeft ernaar om minimaal 90% van de jaarlijkse neerslag vast te houden op de plek waar dit valt. In de Visie Klimaatadaptatie is daarom de voorkeursvolgorde voor het verwerken van regenwater vastgelegd. De voorkeursvolgorde (hergebruik, groene daken, bovengronds infiltreren, ondergronds infiltreren, afvoeren naar oppervlaktewater) is terug te vinden in beide visiedocumenten. In principe wordt bij ontwikkelingen het regenwater via de eerste drie stappen verwerkt. Praktisch gezien betekent dit dat er een bergingsvoorziening nodig is met een inhoud van minimaal 15 mm per m² aangesloten verhard oppervlak. Door deze beleidskeuze vergroten we de sponswerking van de stad en verminderen we de kans op schade door droogte. Groen tenzij-principe.
Een forse afname van het verharde oppervlak in de stad een belangrijke ambitie. Regenwater kan hierdoor makkelijker opgevangen worden in de bodem. Op deze manier wordt zowel het grondwater aanvult als het watersysteem ontlast. Hitte. Het wordt naar verwachting steeds vaker en langer heet in de stad. Om hittestress tegen te gaan, creëren we meer schaduw, bij voorkeur door bomen te planten en groen aan te leggen. De hoofdambities zijn; 2 6 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
Utrecht
a. b. c.
Dat er in elke straat op een hete dag in de schaduw gelopen en gefietst kan worden. Er een bereikbare koele verblijfsplek in de buurt is. Zoveel mogelijk groen/ zo weinig mogelijk verharding.
Plangebied Het aspect water inclusief klimaatadaptatie wordt in dit plan uitgebreid toegelicht in paragraaf 5.12. 2.3.2.3 Gebiedsbeleid Bestemmingsplan Windpark Rijnenburg en Reijerscop In lijn met de Visie en Uitnodigingskader Energielandschap Rijnenburg en Reijerscop is door initiatiefnemer Eneco en Rijne Energie een plan voor een windpark met vier windturbines ontwikkeld. Voor dit plan is een bestemmingsplan opgesteld en door de gemeenteraad vastgesteld op 6 juni 2024. De meest oostelijke windmolen is direct oostelijk van het voorziene hoogspanningsstation geprojecteerd. De ligging van het hoogspanningsstation en benodigde kabelverbindingen liggen buiten de veiligheidszone die behoort bij deze geprojecteerde windturbine. Plangebied Het hoogspanningsstation houdt rekening met het vastgestelde bestemmingsplan Windpark Rijnenburg en Reijerscop en de voorziene oostelijke windturbine naast het station.
Programmatische Verkenning Rijnenburg In lijn met de oplegger op de RSU2040 wordt voor Rijnenburg een compacte gemengde stedelijke wijk beoogd, met onder meer 22.000 tot 25.000 woningen, bijbehorende (groen)voorzieningen en ruimte voor werkgelegenheid. Een wijk met een duurzaam mobiliteitsprofiel, ontsloten door hoogwaardig OV. Met in het noordelijk deel een landschapspark voor stad en regio met ruimte voor permanente opwekking van energie, sport, natuur, waterberging en recreatie. De Programmatische Verkenning is door het College vastgesteld. De Programmatische Verkenning beschrijft welke thematische uitgangspunten voor de onderwerpen Programma, Mobiliteit en Gezonde leefomgeving belangrijk zijn voor de ontwikkeling van Rijnenburg. De Programmatische Verkenning bevat geen onderlinge weging van de thema's en stelt geen nadere kaders vast voor de ontwikkeling van Rijnenburg, ook zijn de effecten op de omgeving nog niet onderzocht; dit wordt onderdeel van de in de volgende fase op te stellen Uitgangspuntennotitie (verwacht: 2026). Plangebied De realisatie van het hoogspanningsstation past in een permanent energielandschap in het noordelijk deel van de polder Rijnenburg. Uitbreiding van de energie-infrastructuur zorgt voor een adequate energievoorziening die de realisatie van woningbouw en andere functies in dit gebied mogelijk maakt.
2.4
Conclusie
Dit plan past binnen de beleidsdoelstellingen van alle overheidsniveaus met als belangrijkste doel het streven naar zuinig en duurzaam ruimtegebruik waarbij adequate en voldoende levering van elektriciteit in de toekomst kan worden geborgd.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
27
2 8 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
Utrecht
Hoofdstuk 3
Bestaande situatie
3.1
Beschrijving van het plangebied
3.1.1
Historische ontwikkeling
Het plangebied bestaat momenteel uit graslandschap met de bestemming agrarisch. Het gebied rondom het hoogspanningsstation (Rijnenburger polder) heeft een agrarische bestemming en heeft verschillende eigenaren. Zo zijn er agrariërs die kavels in eigendom hebben maar zijn er ook ontwikkelaars die de grond gekocht hebben met als doel om woningen te bouwen. De gemeente heeft in de polder enkele grondposities. TenneT voert met de grondeigenaren minnelijk overleg over de aankoop van de gronden. 3.1.2
Monumenten, beeldbepalende elementen en cultuurhistorie
Het gebied ten zuiden van de locatie van het hoogspanningsstation van TenneT is archeologisch waardevol vanwege sporen van Romeinse nederzettingen. In de Middeleeuwen ontstonden hier nederzettingen en de Ridderhofstad Rijnenburg. De polderstructuur gaat terug tot de vroege middeleeuwen (11e eeuw), en is sindsdien nauwelijks veranderd. In de 17e eeuw werd het gebied onderdeel van de Oude Hollandse Waterlinie en fungeerde Rijnenburg als inundatiegebied. Ter bescherming van de kwaliteiten van het landschap is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt. Hierin staat beschreven hoe het station in het landschap wordt ingepast zodat de landschappelijke kwaliteiten behouden blijven. Dit landschappelijke inpassingsplan wordt in paragraaf 4.2.2 nader besproken. 3.1.3
Structuurbepalende elementen
Het plangebied valt binnen het Landschap Groene Hart zoals beschreven in de omgevingsverordening van de provincie Utrecht. De kernkwaliteiten die bij het landschap horen zijn openheid; (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.); landschappelijke diversiteit; rust & stilte. Zie paragraaf 2.2.1 van de toelichting voor een uitgebreide beschrijving. Zie ook het landschappelijke inpassingsplan in paragraaf 4.2.2.
3.2
Beschrijving van de bestaande functies in het plangebied
Het plangebied voor wat betreft het hoogspanningsstation zelf is gelegen op een perceel aan de Heycopperkade in de gemeente Utrecht. Op dit moment bestaat het gebied uit grasland en akkerbouw (mais). De huidige bestemming is agrarisch. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan het perceel van de woning aan de Heycopperkade 1. Deze woning valt onder de bestemming Agrarisch. Ten westen van het plangebied ligt het bestaande hoogspanningsstation van Stedin die de functie Bedrijf-Nutsvoorziening heeft. Ten westen van het plangebied ligt een tijdelijke zorglocatie van het Leger des Heils met bijbehorende barakgebouwen aan de Heycopperkade 2b. Aan de zuid- en de oostzijde bestaat het gebied uit grasland en sloten en grasland en de watergang 'Middelwetering'. Deze locaties hebben respectievelijk de bestemming Agrarisch en Water. De hoogspanningskabels richting het noorden gaan door de bestemmingen Agrarisch, Verkeer en Groen heen. De kabels richting het zuiden en vervolgens richting het oosten gaan ook door de bestemmingen agrarisch, water, en verkeer. De kabels bij Westraven gaan door de bestemming Water en Bedrijf-Nutsvoorziening heen.
3.3
Conclusie
Naar aanleiding van hetgeen aan bod is gekomen in de voorgaande paragrafen bestaan er geen knelpunten in de bestaande situatie.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
29
3 0 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
Utrecht
Hoofdstuk 4 4.1
Projectbeschrijving
4.1.1
Programma
Planbeschrijving
Beschrijving van het project De scope van het project voor het hoogspanningsstation Oudenrijn bestaat uit vier onderdelen (zie figuur 3): De bouw van een 150 kilovolt (kV) hoogspanningsstation van circa 30.000 m2 met velden en twee compensatiespoelen; Het realiseren van een ondergrondse kabelverbinding vanuit station Oudenrijn naar: 1. Mast 11 in Rijnvliet tot aan station Oudenrijn, 2. Station Oudenrijn tot de westzijde van de A2 (verbinding naar Nieuwegein) 3. Aansluiting station Oudenrijn op het naastgelegen station van Stedin; De gestuurde boring onder het Amsterdam Rijnkanaal op grondgebied van de gemeente Utrecht; Het verwijderen van bestaande bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Dit is onderdeel van het project van TenneT maar geen onderdeel van deze omgevingsplanwijziging. Het beoogde hoogspanningsstation Oudenrijn krijgt een ruimtebeslag van ongeveer 30.000 m2. Dit zijn ongeveer 6 voetbalvelden. Het hoogspanningsstation wordt als schakel toegevoegd in het bestaande tracé tussen het station Utrecht Lage Weide en het station Nieuwegein. Dit vraagt een hogere transportcapaciteit van de bestaande 150kV hoogspanningsverbinding, wat met zich meebrengt dat de bestaande bovengrondse hoogspanningslijn vervangen moeten worden.
Voor het grondgebied van de gemeente Nieuwegein wordt al langer gewerkt om de hoogspanningsmasten te verwijderen en de bestaande verbinding ondergronds te brengen. Met het ontwikkelen van het nieuwe station Oudenrijn heeft TenneT besloten om de hoogspanningskabels meteen over een langere afstand onder de grond aan te brengen. Het deel van het tracé vanaf mast 11 in Rijnvliet (net boven de A12), via het station Oudenrijn, tot en met mast 17 ten westen van de A2 wordt ook ondergronds gebracht. Vervolgens loopt het tracé door over het grondgebied van de gemeente Nieuwegein tot aan het hoogspanningsstation Nieuwegein. Het station en bijbehorende kabels zijn van regionaal belang omdat zij een verbinding vormen tussen de stations in Nieuwegein en Lage Weide (Utrecht).
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
31
Figuur 3. 1: nieuw hoogspanningsstation; 2a: ondergrondse verkabeling, 2b: ondergrondse verkabeling; 2c: ondergrondse verkabeling; 3: huidige bovengrondse bekabeling; 4: ondergrondse bekabeling. Het tracé voor de ondergrondse 150kV verbinding is in afstemming tussen de gemeente, TenneT en de grondeigenaren bepaald. Waar en hoe diep de kabels komen te liggen, is afhankelijk van de beschikbare ruimte en manier waarop ze worden aangelegd. Er zijn grofweg twee technieken: een open ontgraving of een gestuurde boring. Een open ontgraving wordt meestal toegepast in de gebieden met weinig belemmeringen zoals in de berm van een weg, of in agrarisch gebied. In stedelijk gebied ligt de kabel op 1,20 meter onder maaiveld, in agrarisch op minimaal 1,80 meter onder maaiveld. Een (horizontaal) gestuurde boring wordt toegepast in gebieden waar juist veel belemmeringen zijn. Bijvoorbeeld bij kruising van (snel)wegen of water. Wanneer de kabels door middel van gestuurde boringen in de grond worden gebracht, ligt de kabel tussen de 10 en 25 meter onder de grond.
Figuur 4: Impressie werkterrein boring
3 2 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
Utrecht
Figuur 5: Impressie werkstrook open ontgraving De overlast van een gestuurde boring voor de omgeving is beperkt. Voor de gestuurde boring moet bij het intredepunt een werkterrein worden ingericht voor het benodigde materieel (onder andere de boorinstallatie). Daarnaast wordt er bij het intredepunt een gat gegraven voor de boorkop. Het terrein bij het intredepunt wordt tijdens de aanlegfase afgezet met hekwerk. Bij het uittredepunt wordt eveneens een gat gegraven en is een werkterrein aanwezig voor het benodigde materieel. De gestuurde boringen hebben zeer weinig effect op de grondwaterstand, aangezien met de huidige boortechnieken nagenoeg geen grondwaterstandsverlaging nodig is. Voor de boring wordt een boorplan opgesteld conform NEN3650/3651. Dit boorplan wordt ruim voor de aanvang van de werkzaamheden aan het waterschap overlegd. Voor dit project zal de kabel waar mogelijk met een gestuurde boring worden aangelegd. Dat is in ieder geval nodig bij de kruising van de snelwegen A12 en A2. Vanwege de onzekerheid over de toekomstige invulling van het gebied tot landschapspark wordt het zuidelijke deel van de kabel tot aan de A2 ook zoveel mogelijk met een gestuurde boring aangelegd.
Hierdoor zijn er bovengronds meer functies mogelijk Bij de gestuurde boringen is het tevens van belang dat rekening gehouden wordt met eventuele toekomstige verbredingen van de A12 en A2 en met de fundering van bestaande (en mogelijk toekomstige) geluidschermen. Er is in het basisontwerp van het hoogspanningsstation rekening gehouden met de mogelijke uitbreiding van de snelwegen. In de Omgevingsregeling heeft Rijkswaterstaat een vrijwaringszone opgenomen voor de toekomstige uitbreiding van de rijksautowegen. Ook bij verdere uitwerking van het ontwerp wordt rekening gehouden met de mogelijke verbredingen van de A12 en A2 en met de fundering van bestaande en mogelijke toekomstige geluidschermen. Ook wordt hierbij afstemming gezocht met Rijkswaterstaat.
Nut en noodzaak Het energiesysteem is sterk onderhevig aan ontwikkelingen. Zo wordt er steeds meer duurzame energie opgewekt, door middel van zonnepanelen en windturbines. Echter wordt er ook steeds meer elektriciteit gebruikt. Dit komt onder andere door het groeiend gebruik van elektrische auto's en door het gebruik van digitale datastromen. Deze snelle ontwikkelingen in het energiesysteem stellen nieuwe eisen aan het energienetwerk. Er is snelgroeiende vraag naar transportcapaciteit van het net. De snelgroeiende vraag naar transportcapaciteit levert in bepaalde delen van ons land een wachtrij op van gebruikers, die niet allemaal tegelijk toegelaten kunnen worden op het net. Hierdoor ontstaat netcongestie, dit is niet wenselijk omdat bedrijven en industrie worden gelimiteerd om te verduurzamen door beperkte transportcapaciteit van energie infrastructuur. Daarnaast belemmert de beperkte transportcapaciteit het proces van salderen. Deze problemen spelen ook in Utrecht. Daarom is het noodzakelijk om het hoogspanningsstation Oudenrijn te plaatsen. Het is van belang om de capaciteit van het net te vergroten, om netcongestie tegen te gaan en ervoor te zorgen dat iedereen aangesloten kan worden op het netwerk.
Daarbij is het van belang om het hoogspanningsstation te plaatsen om de RES te realiseren, waarbij windmolens en zonnepanelen worden geplaatst die aangesloten moeten worden op het net. Ook kan het station voorzien in het transporteren van energie naar toekomstige woningen in de polder Rijnenburg. De beschikbaarheid van transportcapaciteit is essentieel om de stedelijke ambities voor de gemeente Utrecht te realiseren. Locatiekeuze projectgebied TenneT heeft een nettechnische verkenning uitgevoerd om te komen tot een oplossing van de bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
33
geconstateerde knelpunten op de 150kV verbinding 'Utrecht Lage Weide – Oudenrijn – Nieuwegein'. Door het toevoegen van een hoogspanningsstation nabij het station van Stedin in de polder Rijnenburg kunnen de knelpunten het beste worden opgelost. Dit is de enige plek dichtbij deze 150kV verbinding waar genoeg ruimte voorhanden is, nabij een station van Stedin, om een nieuw hoogspanningsstation van dit formaat te kunnen realiseren. In het bepalen van de locatie van het station is afstemming geweest met de grondeigenaren, TenneT en gemeente Utrecht. De voorkeurslocatie ligt direct ten oosten van het station van Stedin, met de bovengrondse hoogspanningsverbinding tussen beide stations (zie 2c op figuur 1). Deze locatie houdt rekening met autonome ontwikkelingen zoals de voorziene, meest oostelijke windturbine van het windpark Rijnenburg. Deze locatie is ook goed inpasbaar met het oog op de gebiedsontwikkeling van het energielandschap Rijnenburg. Planrealisatie Het doel van de initiatiefnemer TenneT is om de gronden minnelijk te verwerven voor de realisatie van het hoogspanningsstation. Het is noodzakelijk dat TenneT de gronden verwerft. Een eventueel beroep op 'zelfrealisatie' door betrokken grondeigenaren is hier niet aan de orde. Grondeigenaren worden niet in staat geacht tot zelfrealisatie conform de voorgestane invulling met een 150 kV hoogspanningsstation te komen.
TenneT moet ook eigenaar zijn van de gronden waarop zij hun assets bouwen om veiligheid en leveringszekerheid te kunnen garanderen. TenneT, als netbeheerder, hanteert het beginsel van veiligheid en leveringszekerheid. Dit betekent dat TenneT streeft naar een betrouwbare elektriciteitsvoorziening voor iedereen, waarbij veiligheid van mensen en installaties voorop staat. TenneT beheert het hoogspanningsnet en zorgt ervoor dat dit veilig en betrouwbaar functioneert, zodat consumenten en bedrijven altijd over elektriciteit kunnen beschikken. In het geval dat niet binnen afzienbare tijd overeenstemming wordt bereikt met grondeigenaren over de verwerving dan is in uiterste geval onteigening in beeld. Deze wijziging van het Omgevingsplan, voor de realisatie van een hoogspanningsstation (inclusief landschappelijke inpassing), zal uiteindelijk als grondslag voor zo'n onteigening kunnen dienen.
Kabeltracés In paragraaf 5.14 wordt uitgebreid ingegaan op de kabels en leidingen voor dit project.
4.2
Verkeer en openbare ruimte
4.2.1
Verkeer
Alleen TenneT, de beheerder en eigenaar van het Hoogspanningsstation moet het station kunnen bereiken. Er is een toegangsweg naar het bestaande station van Stedin dat ten zuidwesten ligt van het te bouwen hoogspanningsstation van TenneT. Op deze weg wordt aangehaakt middels een toegangsweg naar het hoogspanningsstation van TenneT. 4.2.2
Landschappelijke inpassing
Inleiding Het hoogspanningsstation dat gerealiseerd gaat worden heeft een ruimtebeslag van ongeveer 30.000 m2. Het is van belang dat het station goed wordt ingepast in het landschap. Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het station wordt omringd met groen en water. Het landschappelijke inpassingsplan is te vinden in Bijlage 10. Hieronder wordt het landschappelijke inpassingsplan beschreven.
Kader Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen. Het hoogspanningsstation valt binnen een van de vijf door de provincie benoemde bijzondere 3 4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
Utrecht
landschappen, namelijk Landschap Groene Hart. Daarmee moet worden voldaan aan artikel 7.9 Omgevingsverordening provincie Utrecht (bijzondere landschappen). Voor het landschap Groene Hart moeten de volgende kernkwaliteiten worden behouden (zie paragraaf 2.2.1 voor een uitgebreide toelichting hierop) : i. openheid; j. (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.); k. landschappelijke diversiteit; l. rust & stilte. Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van een omgevingsplan. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging.
Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Plangebied Landschap De landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan geeft invulling aan het feit dat landschap zoveel mogelijk moet worden beschermd conform het Europees landschapsverdrag. Het uiteindelijke ontwerp speelt in op de bestaande kwaliteiten van het landschap (Bijlage 10). De structuur van een eendenkooi, met een centraal waterbekken omgeven door kooibos, dient als inspiratie. In het ontwerp is het energiestation centraal gepositioneerd, terwijl de beplanting langs de randen een groene omlijsting vormt die de sfeer en uitstraling van een eendenkooi oproept. De landschappelijke inpassing maakt hiermee gebruik van de karakteristieke blokstructuur om het energiestation visueel te integreren en af te schermen. Daarnaast zorgen toegepaste gradiënten voor een geleidelijk overgang naar de omliggende omgeving, wat niet alleen bijdraagt aan een harmonieus geheel, maar ook de biodiversiteit bevordert. Het ontwerp kenmerkt zich door een strakke vormgeving aan de west- en oostzijde, waarmee de verkavelingsstructuur wordt versterkt. Aan de noord- en zuidzijde is gekozen voor een meer natuurlijke en gevarieerde inrichting, die niet alleen zorgt voor een dikkere zichtbuffer, maar ook bijdraagt aan natuurinclusiviteit en klimaatadaptatie.
De landschappelijke inpassing geeft invulling aan de benodigde mitigerende waterhuishoudkundige maatregelen zoals het realiseren van oppervlaktewater en het verbeteren van de waterkwaliteit door middel van natuurvriendelijke oevers. Daarnaast kunnen eventuele ecologische mitigerende maatregelen binnen de landschappelijke inpassingszone worden gerealiseerd. De opbouw van de beplanting volgt een variant van het kern-mantel-zoomprincipe. Dit principe creëert een overgangszone tussen ecosystemen en bevordert de veerkracht. Deze aanpak zorgt er ook voor dat de struwelen visueel dynamischer en aantrekkelijker worden binnen de landschappelijke context.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
35
Figuur 6: landschapsplan Beplanting De beplantingskeuze omvat een grote diversiteit aan inheemse heester- en boomsoorten, geselecteerd uit de gereedschapskoffer van de gemeente en de beplantingslijst van TenneT, met niet-diepwortelende soorten. Deze soorten voldoen aan de specifieke eisen van een veen op kleibodem. Daarnaast zijn de soorten zorgvuldig gekozen op basis van bloei, bessenhoudend vermogen, groenblijvendheid en nectarwaarde. Beheer Jaarlijks wordt een schouw uitgevoerd om de ruimtelijke kwaliteit van het terrein te beoordelen, waarna eventuele beheermaatregelen worden vastgesteld. Dit kan het rooien van gevaarlijke of zieke/dode beplanting en bomen omvatten, evenals het plegen van inboet bij het wegvallen van soorten. Ook wordt er gekeken naar de staat van de oevers en de plasdras. Het maaien van deze zones vindt om de drie jaar plaats, waarbij het maaisel moet worden afgevoerd. Verder worden deze zones sowieso iedere 10 jaar voorzien van groot onderhoud, hierbij valt te denken aan baggeren. Het kruidenrijke bloemenrijk grasland wordt 2 maal per jaar gemaaid en bij voorkeur gefaseerd, zodat er steeds delen kunnen bloeien. Het maaisel moet worden afgevoerd. Conclusie Het nieuwe hoogspanningsstation wordt op een zo'n zorgvuldig mogelijk manier ingepast in het huidige landschap.
Daarbij is ook zoveel mogelijk rekening gehouden met de onzekere toekomstige ontwikkeling van de omgeving met het landschapspark en woningbouw.
3 6 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
Utrecht
Hoofdstuk 5 Onderzoek en randvoorwaarden 5.1
Inleiding
In toenemende mate wordt de milieukwaliteit van belang bij de ontwikkeling van functies in landelijk en stedelijk gebied. Het milieubeleid heeft zich in de loop van enkele decennia ontwikkeld tot een complexe materie, die er in de praktijk toe leidt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen met verschillende milieuaspecten rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de relevante (milieu)aspecten in het plangebied en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd.
5.2
Magneetvelden
Kader Overal waar stroom doorheen loopt, ontstaat een magnetisch veld. Bij het gebruik van een elektrische oven, een lamp of bijvoorbeeld een mobiele telefoon. Ook rond hoogspanningsverbindingen ontstaat een magnetisch veld. In Nederland zijn geen wettelijke normen gesteld voor de blootstelling aan magneetvelden die ontstaan bij een hoogspanningsverbinding. Wel is er op Europees en nationaal niveau beleid waarin de mate van blootstelling aan magnetische velden worden aanbevolen. In de Europese Richtlijn 1999/519/EC wordt blootstelling van de bevolking aan een magneetveldsterkte van meer dan 100 microtesla (µT) afgeraden. Die limiet geldt voor alle hoogspanningsverbindingen. Bij de hoogspanningsverbindingen en hoogspanningsstations van TenneT wordt nergens op voor publiek toegankelijke plaatsen deze blootstellingslimiet overschreden. In Nederland geldt vanaf 2005 een voorzorgbeleid voor magnetische velden bij bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Dit beleid richt zich op het zo veel mogelijk voorkomen van langdurige blootstelling. Het beleid is in 2023 herijkt. Voor hoogspanningsleidingen is het advies hiervoor een dusdanige afstand te houden dat voldaan wordt aan een grenswaarde van 0,4 microtesla. Voor de andere onderdelen van het elektriciteitsnet gelden geen afstandsmaatregelen.
Het voorzorgsbeginsel waarbij blootstelling aan magneetvelden als gevolg van hoogspanningsverbindingen idealiter niet boven 0,4 microtesla uitkomt geldt alleen voor bovengrondse hoogspanningskabels. Het herijkte voorzorgbeleid is erop gericht om, waar mogelijk, blootstelling aan magneetvelden van alle netcomponenten (hoogspanningslijnen, -kabels en -stations) naar verhouding beperkt te houden. Voor hoogspanningsstations geldt vanuit dit beleid dat bronmaatregelen genomen moeten worden.
Plangebied De kabels worden ondergronds aangelegd. TenneT volgt het advies in het Europese en nationale beleid waarin de mate van blootstelling aan magnetische velden wordt aanbevolen. TenneT volgt dit advies op bij de bouw van een hoogspanningsverbinding of -station met technische maatregelen die magneetvelden bij de bron verkleinen. De afstand maatregel (magneetveldcontouren) uit het voorzorgbeleid heeft alleen betrekking op bovengrondse verbindingen. Het voorliggend plan betreft het mogelijk maken van een hoogspanningsstation en bijbehorende ondergrondse kabelverbindingen. Voor het hoogspanningsstation geldt dat maatregelen om magneetvelden zoveel mogelijk te beperken in het ontwerp zijn opgenomen. TenneT neemt voldoende bronmaatregelen. De sterkte van een magneetveld hangt af van de diepte en de manier waarop de kabels in de grond liggen, bijvoorbeeld naast elkaar of in driehoek. De ondergrondse kabels van TenneT worden in een driehoek gelegd zodat magneetvelden minimaal zijn. Ook liggen de kabels meer dan vijf meter onder de grond. Ook plaatst TenneT in het ontwerp componenten die magneetvelden veroorzaken zo ver als mogelijk van de aanwezige woningen. De dichtstbijzijnde woning in de directe omgeving van het hoogspanningsstation bevindt zich aan de Heycopperkade, op een afstand van meer dan 100 meter.
Deze afstand is ruim voldoende om buiten de magneetvelden rond het transformatorstation te vallen. De magnetische veldsterkte rond de nieuw aan te leggen ondergrondse kabelverbindingen heeft alleen rond de locaties van de open ontgravingen een zeer beperkte invloed op de omgeving. In Tabel 3 is de reikwijdte van de magnetische veldsterkte van 0,4 µT op 1 meter boven maaiveld als gevolg van de 150 kV bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
37
kabelverbinding weergegeven. Tabel 3: Optredende magnetische veldsterkte op 1 meter boven maaiveld. Nr.
Verbindi Type ng Open UOHK-N ontgravi IWG 150 ng UOHK-N Boring IWG 150 UOHK-M Open ast 11 ontgravi 150 ng UOHK-M ast 11 Boring 150 Open UOHK-St ontgravi edin 150 ng
Diepte (m)
Reikwijd te (m)
-1,8
10
-16
-
-1,8
10
-20
-
-1,8
15
De bronmaatregelen van Tennet minimaliseren de magneetvelden op 1 meter boven maaiveld. Aangezien de bovengrondse hoogspanningsverbindingen verdwijnen en op de ondergrondse verbindingen de nodige bronmaatregelen worden getroffen zullen de magneetvelden netto gezien substantieel afnemen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat magneetvelden vanuit het transformatorstation de dichtstbijzijnde woningen niet raken. Ook de magneetvelden rond de ondergrondse kabelverbindingen hebben geen effect op de woningen. Daardoor is het aspect magneetvelden geen belemmering voor de realisatie van onderhavig project.
5.3
Bedrijven en milieuzonering
Kader De gemeente Utrecht streeft naar een situatie waarin wonen en werken in een stad op een goede manier samengaan. Beide functies zijn zeer belangrijk voor Utrecht, maar ook moet voorkomen worden dat milieuhinder van bedrijven een negatieve invloed heeft op de woonomgeving en andere gevoelige gebouwen, of dat omgekeerd de milieubelastende activiteiten waaronder bedrijvigheid, worden belemmerd door de aanwezigheid van woningen en andere gevoelige gebouwen. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een algemeen geaccepteerd hulpmiddel in de ruimtelijke ordening. In 2024 is een geactualiseerde editie hiervan gepubliceerd. Binnen de gemeente Utrecht is deze geactualiseerde versie nog geen algemeen geaccepteerd hulpmiddel. Daarom wordt teruggevallen op de editie uit 2009. In de publicatie wordt voor verschillende bedrijfstypen per milieucategorie een indicatieve richtafstand aangegeven die aangehouden wordt voor beoordeling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Deze afstanden zijn van belang wanneer in de directe nabijheid van bedrijvigheid gevoelige bestemmingen zoals woningen worden gerealiseerd en vice versa. Middels nader onderzoek kan eventueel gemotiveerd afgeweken worden van de richtafstand uit de VNG-publicatie.
Plangebied en conclusie Een transformatorstation van 200-1000 MVA valt onder categorie 4.2 van de bedrijfscategorieën volgens de VNG brochure. Hiervoor geldt een richtafstand van 300 meter (bepalende factor is geluid, voor gevaar geldt een afstand van 50 meter). Voor toetsing is worst case uitgegaan van de richtafstanden die gelden voor een 'rustige woonwijk'. Het plangebied betreft een gebied met de functie Bedrijf-Nutsvoorziening. De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie betreft een zorgcomplex ten westen van het plangebied. Echter heeft dit zorgcomplex een tijdelijke vergunning welke na 5 juni 2025 niet meer verlengd kan worden. Dit zal dus geen invloed hebben op de realisatie van het nieuwe hoogspanningsstation. Mocht een aanvraag worden ingediend voor een nieuwe vergunning zal bij de beoordeling daarvan bepaald moeten worden of het zorgcomplex past binnen de contour van het hoogspanningsstation. De woning ten noorden van het plangebied bevindt zich op circa 150 meter. Hiermee wordt niet voldaan aan de van toepassing zijnde richtafstand volgens de VNG publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (300 meter bij een geïnstalleerd maximaal in te schakelen vermogen tussen 200 en 1000 MVA, cat. 3 8 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
Utrecht
4.2). Indien binnen de richtafstanden geluidgevoelige bestemmingen aanwezig zijn dient nader akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden om te bezien of er binnen deze richtafstanden wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat. Binnen de richtafstanden voor 'gevaar' zijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig. Om de geluideffecten op de betreffende woning te bepalen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 5.5). Uit dit onderzoek blijkt dat wordt voldaan aan de wettelijke normen die voor een goed woon- en leefklimaat gelden. Binnen de richtafstand bevinden zich geen andere gevoelige functies. Geconcludeerd wordt dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor de vaststelling van het plan.
5.4
Milieueffectrapportage
Kader Het doel van een milieueffectrapportage (mer) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over deze plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten, die projecten mogelijk maken welke aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. In bijlage V van het Omgevingsbesluit wordt aangegeven welke projecten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Wanneer projecten mer-beoordelingsplichtig zijn moet worden beoordeeld of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Uit deze mer-beoordeling kan de conclusie volgen dat er een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Plansituatie Om te beoordelen of het project aanzienlijke milieueffecten met zich meebrengt, is een zogenoemde project-mer-beoordeling gedaan (zie bijlage 11). Een project-mer-beoordeling is een toets om te bepalen of er bij een voorgenomen activiteit, die genoemd staat in bijlage V van het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. In bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) worden de projecten benoemd die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.
Kolom 2 van bijlage V bevat in samenhang met kolom 1, de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Kolom 3 van bijlage V bevat in samenhang met kolom 1, de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet waarvoor moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Het aanleggen van een hoogspanningsstation is geen activiteit die terugkomt in bijlage V van het Ob. Wel is het aanleggen, wijzigen of uitbreiden van een hoogspanningsleiding mer-(beoordelings)plichtig. Dit type project komt terug onder J8 'Hoogspanningsleidingen' van bijlage V van het Ob (zie onderstaande figuur). Uit kolom 2 blijkt dat er een mer-plicht geldt wanneer er sprake is van 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding van: 1°. een spanning van 220 kV of meer, en 2°. een lengte van meer dan 15 km'. Omdat er bij de beoogde ontwikkeling sprake is van 150kV en er geen kabel wordt aangelegd met een lengte van 15km of meer, is er geen sprake van een mer-plicht maar slechts van een mer-beoordelingsplicht.
Figuur 7. Bijlage V van het Omgevingsbesluit.
Conclusie Op basis van de mer-beoordeling kan worden geconcludeerd dat er geen aanzienlijke bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
39
(milieu)effecten te verwachten zijn (Bijlage 11). Wel dienen er voor een aantal thema's maatregelen genomen te worden om eventuele negatieve effecten te mitigeren.
5.5
Geluidhinder
Kader In het kader van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (bijvoorbeeld nieuwe woningen toestaan) of het wijzigen van geluidsbronnen (bijvoorbeeld wegen, industrieterreinen) moet de aanvaardbaarheid beoordeeld worden. Hierbij spelen de regels en normen van het Bkl, het omgevingsplan en de Beleidsnota Geluid en Trillingen een cruciale rol. Deze regels zijn er om bij ruimtelijke ontwikkelingen een objectieve afweging te kunnen maken. Hiervoor is veelal gericht geluidsonderzoek nodig. Het wettelijk kader wordt voornamelijk gevormd door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), aangevuld met de Beleidsnota Geluid en Trillingen. In het Bkl is geregeld dat je bij het toedelen van functies aan locaties binnen aandachtsgebieden langs of om geluidsbronnen, zoals (spoor)wegen of industrie geluidsonderzoek moet doen en moet toetsen aan de geldende normen en regels. Dit stelsel is in de Beleidsnota Geluid en Trillingen voor Utrecht nader verfijnd. Hieronder is een samenvatting opgenomen van het (wettelijk kader) voor het toelaten van nieuwe geluidgevoelige functies. Geluidaandachtgebied Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl).
Het bevoegd gezag houdt bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied altijd rekening met het belang van het beschermen van de gezondheid en het milieu. Hiervoor bevat het Bkl een systematiek met waarden en eisen waarbinnen het bevoegd gezag de aanvaardbaarheid van geluid beoordeelt (artikel 5.78s Bkl). De waarden Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een nieuw geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor vier geluidbronsoorten gelden, staan in de onderstaande tabel. Geluidbronsoort Rijkswegen Gemeentewegen Hoofdspoorwegen Industrieterreinen
Standaardwaarden (5.78t Bkl) 50 Lden 53 Lden 55 Lden 50 Lden
Grenswaarde (5.78u Bkl) 60 Lden 70 Lden 65 Lden 55 Lden
De hoofdregel is het voldoen aan de standaardwaarde (artikel 5.78t Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Bij deze afweging geldt een aantal eisen. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele specifieke uitzonderingen. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als: Er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78u, lid 1a Bkl); De overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt is door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78u, lid 1 onder b Bkl); Bij voorwaarde 1 en 2 hoeft het bevoegd gezag geen beperkende maatregelen te overwegen die financieel ondoelmatig zijn of waartegen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78u, lid 3 Bkl); Het bevoegd gezag het gecumuleerd geluid1 beoordeelt (artikel 5.78ac Bkl); Het bevoegd gezag het gezamenlijk geluid2 bepaalt (artikel 5.78ad Bkl); Het bevoegd gezag het
belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel in bij het overwegen van geluidbeperkende maatregelen betrekt (5.78ab lid 1 Bkl). De hierboven genoemde waarden worden uitgedrukt in Lden. Dit is een gemiddelde van de geluidsniveaus in een etmaal, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillen in hinder in de te onderscheiden etmaalperioden. Het berekende geluidsniveau van de 4 0 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
Utrecht
avondperiode wordt verhoogd met 5 dB; de nachtperiode met 10 dB. De geluidsbelasting wordt bepaald via een wettelijk voorgeschreven rekenmethode voor een representatief maatgevend toekomstig jaar. Gemeentelijk geluidbeleid In de Beleidsnota Geluid en Trillingen wordt aan de landelijke standaard- en grenswaarde een ambitiewaarde en een Utrechtse-grenswaarde toegevoegd. De Utrechtse ambitiewaarde is de waarde die vanuit het oogpunt van gezondheid bij voorkeur niet wordt overschreden bij nieuwe ontwikkelingen. Bij het toedelen van functies aan locaties streven we ernaar om deze waarde niet te overschrijden. De Utrechtse grenswaarde is een lokale aanscherping van de (landelijke) grenswaarde in het Bkl met het oog op de gezondheid. Daarnaast geeft deze aanscherping de nodige beweegruimte (tot aan de landelijke grenswaarde) voor het toevoegen of aanpassen van infrastructuur of opvangen van autonome groei. Ambitiewaarde Vanuit gezondheidsoogpunt willen we geen nieuwe geluidsgevoelige functies toestaan boven de 63 dB per geluidbronsoort.
We passen de ambitiewaarde van 63 dB toe (heeft alleen effect wanneer de grenswaarde voor de geluidbronsoort hoger is dan 63 dB) bij het toedelen van nieuwe functies aan locaties; Overschrijding van de ambitiewaarde staan we alleen toe bij zwaarwegende belangen of wanneer het plan leidt tot een verbetering van de akoestische situatie ter plaatse (bijvoorbeeld doordat een bouwplan fungeert als een relevante afscherming voor een groot aantal andere woningen). Grenswaarden Er geldt een Utrechtse-grenswaarde, in plaats van de landelijke grenswaarde van 70 dB, voor het gemeentelijk wegverkeer bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige functies, te weten: 63 dB in de uitleggebieden zoals Leidsche Rijn en Vleuterweide; 68 dB voor de rest van de stad; Voor de overige geluidbronnen (rail, industrie, rijks- en provinciale wegen) gelden de (landelijke) grenswaarden. Voorwaarden en eisen geluidluwe gevel De gemeente Utrecht zet zich in voor een leefbare woonsituatie, juist op locaties met een hogere geluidbelasting. Dit doen we door voorwaarden te verbinden aan het realiseren van woningen zoals het hebben van een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. De initiatiefnemer moet zich inspannen om hieraan te voldoen en een leefbare woonomgeving te creëren, als compensatie voor het bouwen in een lawaaiige situatie. Dit is planologisch verankerd in de regels in het omgevingsplan.
De volgende regels en voorwaarden met betrekking tot een geluidluwe gevel gelden in Utrecht: Elke nieuwe woning moet een geluidluwe zijde c.q. gevel krijgen; Een gevel is luw als deze voor alle bronsoorten voldoet aan de standaardwaarde; Minimaal 30% van de verblijfsruimten of het verblijfsoppervlak is aan de luwe zijde gelegen; Bij toepassing van dove gevels of gevels met bouwkundige maatregelen boven de reguliere grenswaarde dient 50% van de verblijfsruimten of het verblijfsoppervlak aan de luwe zijde te liggen; In aansluiting op de Ruimtelijke Strategie Utrecht stellen we dat aan de luwe zijde bij voorkeur de slaapkamers zijn gelegen; Bij onzelfstandige studentenwoningen en kleine woningen (<30 m2) (die conform het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bkl) geen buitenruimte hoeven te hebben) kan het soms lastig zijn om een luwe gevel te realiseren. Toch streven we hier wel naar. Als er echter zwaarwegende bezwaren bestaan vanuit stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard én er sprake is van een evenwichtige toedeling van deze woningen over het plangebied, kan hiervan worden afgeweken.
Wel geldt altijd dat op gebouwniveau tenminste 50% van de wooneenheden is gesitueerd aan een gevel waar het geluid maximaal 5 dB boven de standaardwaarde is; Een suskast-achtige constructie voor een raam die alleen geluidarm ventileren mogelijk maakt, wordt door ons niet gezien als geluidluwe gevel. Een buitenruimte kan, eventueel inclusief lokale afscherming, een instrument zijn om een luwe gevel te bewerkstelligen. Ten aanzien van een buitenruimte gelden de volgende eisen: Als de woning beschikt over een individuele buitenruimte dan ligt deze bij voorkeur aan de luwe zijde; het geluid is niet meer dan 5 dB boven de standaardwaarde. Als er meerdere bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)
41
buitenruimten zijn dan geldt deze eis voor één van de buitenruimten; Op hoog belaste locaties mag ook een volledig afsluitbare buitenruimte (balkon of loggia) worden toegepast om een luwe gevel te creëren. In geopende toestand dient hier nog wel een minimumkwaliteit van maximaal 5 dB boven de standaardwaarden te worden aangehouden, wat aansluit bij de eis voor buitenruimten; Woningen die kleiner zijn dan 50 m2 hoeven vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geen individuele buitenruimte te hebben maar kennen wel eisen met betrekking tot het hebben van een gemeenschappelijke buitenruimte. De eis voor het geluid in die buitenruimte bedraagt maximaal 5 dB boven de standaardwaarden. Andere typen geluid De beoordeling van andere typen geluid dan het geluid van rijkswegen, gemeentewegen, hoofdspoorwegen of industrieterreinen dient in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties plaats te vinden. In een aantal gevallen is hierover in de Beleidsnota Geluid en Trillingen reeds een beoordelingswijze of een kader opgenomen. Plangebied Het geluid afkomstig van het nieuw te realiseren hoogspanningsstation moet voldoen aan de regels uit het omgevingsplan van de gemeente Utrecht, zie hiervoor het geluidsonderzoek in Bijlage 8. De regels over geluid staan in paragraaf 22.3.4 van het omgevingsplan.