CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Briljantlaan 11-15_Motivering wijzigingsbesluit

Gemeenteraad 21 mei 2026, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling TAM-Omgevingsplan Briljantlaan 11-1550.778 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

Overige gevallen van ernstige bodemverontreiniging moeten binnen een bepaalde termijn worden gesaneerd als er tevens sprake is van risico's. Het gaat daarbij om humane of milieuhygiënische risico's en om risico's voor verspreiding van de verontreiniging. De sanering gebeurt ten minste functiegericht en kosteneffectief. Nieuwbouw op of graafwerkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging zijn ongeacht de risico's niet toegestaan zonder saneringsmaatregelen, middels een melding of een vergunning. bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)

69

Hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond kan bij onverdachte terreinen plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan. Daarnaast gelden er verschillende bruidsschatregels waarmee ook rekening gehouden moet worden. Deze zijn terug te vinden in paragraaf 22.3.7 (Bodembeheer) van het omgevingsplan Utrecht: Er geldt nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden. Zo gelden er regels voor het treffen van een noodzakelijke maatregelen om een afdeklaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit geldt ook voor toevalsvondsten waarbij tijdelijke beschermingsmaatregelen blootstelling doet voorkomen; Voor kleinschalig graven boven de interventiewaarde van bodemkwaliteit gelden in bepaalde gevallen regels met betrekking tot het aanleveren van gegevens voor het begin van het graven, de tijdelijke opslag van vrijkomende grond (niet langer dan 8 weken) en milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven. Bij een beschikking voorafgaand verleend aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet waar geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat een spoedige sanering noodzakelijk is, worden maatregelen genomen die redelijkerwijs verlangd kunnen worden om verdere verontreiniging te beperken of ongedaan te maken.

In het Kadaster zijn deze beschikkingen opnieuw voorzien van een code zodat deze beschikkingen vindbaar en inzichtelijk blijven in het kader deze regeling. Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning moet een bodemonderzoek conform de NEN 5740 worden verricht. Op basis van dit onderzoek wordt beoordeeld of de locatie geschikt is voor de geplande functie of dat er nog een nader onderzoek of een bodemsanering noodzakelijk is, voordat de locatie geschikt is voor de geplande functie. Als er voor de bouwwerkzaamheden een grondwateronttrekking nodig is, moet gekeken worden of nabijgelegen grondwaterverontreinigingen hierdoor kunnen verplaatsen, waarbij een saneringsvergunning aangevraagd of melding (eventueel op grond van gebiedsgerichte aanpak Utrecht) gedaan moet worden. Plansituatie Voor de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied, is door IDDS een milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend milieukundig bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen van deze motivering. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater) ter plaatse van het plangebied en het bepalen of in het plangebied een verontreiniging met asbest in de bodem aanwezig is.

Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies getrokken: nabij de wasboxen is in de grond en het grondwater een sterke verontreiniging met minerale olie aanwezig. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging; ter plaatse van peilbuis 04 is de grond licht verontreinigd met minerale olie. Het grondwater is matig verontreinigd met minerale olie. De omvang van voorgenoemde verontreiniging is niet bekend; in de grond is geen asbest aangetoond. Gelet op de onderzoeksresultaten kan de hypothese verdacht voor de onderzoekslocatie worden gehandhaafd. Op de locatie is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Uit het bodemonderzoek volgt verder dat, los van de aanwezige olieverontreinigingen, het plangebied geschikt is voor het beoogde gebruik. De sterke verontreiniging met minerale olie is te relateren aan de voormalige bedrijfsactiviteiten in het plangebied. Daarmee valt het onder de zorgplicht en is sprake van een saneringsplicht. In het kader van deze saneringsplicht, is het uitvoeren van een nader bodemonderzoek noodzakelijk teneinde de omvang van de verontreiniging vast te stellen. Dit nader bodemonderzoek kan echter pas uitgevoerd worden, na sloop van de bestaande bebouwing. Sloop van de bebouwing zal pas plaatsvinden, nadat een omgevingsvergunning voor de voorgenomen ontwikkeling is verkregen.

Om die reden wordt ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning, een plan van aanpak voor de sanering met uitgangspunten (saneringsdoelstelling) opgesteld. In de nog aan te vragen (en te verlenen) omgevingsvergunning kan te zijner tijd een voorschrift worden opgenomen over de uitvoering van aanvullend (ter plaatse van gesloopte opstallen) en nader (voor het afperken van de ernstige en/of onder de zorgplicht vallende verontreinigingen) bodemonderzoek en het geschikt maken voor het beoogde gebruik en het saneren van de verontreinigingen die onder de zorgplicht vallen. Met inachtneming van de hiervoor genoemde sanerings- c.q. zorgplicht voor de locaties met de olieverontreinigingen, kan in het kader van dit TAM-omgevingsplan gesteld worden dat sprake is van 7 0 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)

Utrecht

een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie Uit het bodemonderzoek volgt dat er ter plaatse van de wasboxen sprake is van een sterke verontreiniging met minerale olie. De sterke verontreiniging met minerale olie is te relateren aan de voormalige bedrijfsactiviteiten in het plangebied. Daarmee valt het onder de zorgplicht en is sprake van een saneringsplicht. In het kader van deze saneringsplicht, is het uitvoeren van een nader bodemonderzoek noodzakelijk teneinde de omvang van de verontreiniging vast te stellen. Dit nader bodemonderzoek kan echter pas uitgevoerd worden, na sloop van de bestaande bebouwing. Met inachtneming van de hiervoor genoemde sanerings- c.q. zorgplicht voor de locaties met de olieverontreinigingen, kan in het kader van dit TAM-omgevingsplan gesteld worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.11 Natuurbescherming Op grond van de Omgevingswet moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van een wijziging van het omgevingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de regels uit de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast kunnen regels gelden op grond van de Omgevingsverordening provincie Utrecht. Beschermde dier- en plantensoorten Voorafgaand aan de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan moet worden onderzocht: of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied; of er een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit in het kader van soortenbescherming nodig is; of er sprake is van een Natura-2000-activiteit die vergunningplichtig is op grond van de Omgevingswet of er een passende beoordeling nodig is op grond van artikel 10.24 Bkl. Als er een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit nodig is, moet aannemelijk zijn dat deze verleend zal worden. Daarnaast moet er duidelijkheid zijn over eventuele vergunningsvoorwaarden en het treffen van mitigerende maatregelen. Utrechtse soortenlijst Naast de beschermde soorten onder de Omgevingswet geldt binnen de gemeente de Utrechtse soortenlijst.

Hierin zijn kwetsbare soorten die voor Utrecht erg belangrijk zijn opgenomen. De Utrechtse Soortenlijst is onderdeel van de Omgevingsvisie. De gemeenteraad heeft besloten dat bij gemeentelijke ruimtelijke plannen de Utrechtse soortenlijst bij het onderzoek en ontwikkelingen wordt betrokken zodat de soorten zo goed mogelijk beschermd worden. Bij ruimtelijke plannen van derden beveelt de gemeente nadrukkelijk aan om de Utrechtse soortenlijst mee te nemen in onderzoek en ontwikkelingen. Wanneer de Utrechtse soortenlijst niet wordt meegenomen in het plan of project, dan wordt dit gemotiveerd. Diervriendelijk bouwen Welke maatregelen worden genomen om diervriendelijk te bouwen? In gebouwen kunnen beschermde soorten voorkomen, die niet zomaar verstoord mogen worden. Voor eigen projecten en bepaalde soorten heeft de gemeente een soortenmanagementplan (SMP). Voor werkzaamheden die onder het SMP vallen, is geen vergunning van de provincie nodig voor een flora- en fauna-activiteit. Hiermee kunnen we ontwikkelingen laten plaatsvinden zonder voor elk gebouw een los natuuronderzoek uit te voeren, door negatieve effecten op voorhand te mitigeren en compenseren en een ecologische plus te realiseren. Deze voorwaarden staan in het SMP beschreven. Het SMP is ook voor een aantal gemachtigden beschikbaar, waaronder woningbouwcorporaties.

In eigen projecten en projecten van derden stelt de gemeente kaders aan het inbouwen van nestlocaties voor vogels en vleermuizen. Samen met een ecoloog wordt gekeken naar welke voorzieningen passend zijn in het gebied. Ontwikkelingen die (nog) niet onder het SMP kunnen werken, vragen zelf een vergunning aan. Het compenseren van eventueel verloren verblijfplaatsen wordt dan onderdeel van de vergunningvoorschriften. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden natuurinclusieve maatregelen getroffen die zijn afgestemd op het gebied en de aanwezige ecologie. In de gevels worden voorzieningen opgenomen voor gebouwbewonende soorten (zoals vleermuisverblijven en neststenen voor gierzwaluw/huismus). De groeninrichting wordt zodanig vormgegeven dat deze de biodiversiteit versterkt, met variatie in bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)

71

hoogte en soortenkeuze aansluitend op de Utrechtse soortenlijst. Deze maatregelen worden uitgewerkt in het ecologisch werkprotocol en geborgd in het definitieve ontwerp en de uitvoering. Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden Stikstofdepositie In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. Bij een wijziging van het omgevingsplan moet inzichtelijk worden gemaakt of de beoogde ontwikkeling effecten heeft op de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Als een activiteit leidt tot extra stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden en er niet kan worden uitgesloten dat dit leidt tot significante effecten op deze gebieden, wordt de activiteit aangemerkt als een Natura 2000-activiteit volgens de Omgevingswet en is deze vergunningsplichtig.

Wanneer met een berekening met AERIUS Calculator wordt aangetoond dat er geen significante stikstofdepositie optreedt wordt de activiteit niet bestempeld als Natura 2000-activiteit en hoeft er geen omgevingsvergunning te worden verleend. Als er wel stikstofdepositie optreedt, maar er wordt aangetoond dat deze toename in stikstofdepositie geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden (middels een voortoets), is de activiteit ook geen Natura 2000-activiteit. Intern salderen is onderdeel van zo'n voortoets. Het project of plan is dus niet vergunningsplichtig als met een voortoets wordt aangetoond dat er geen significante negatieve effecten zijn in Natura 2000-gebieden of als de verslechtering van de stikstofdepositie optreedt op hectares, waarin de Kritische Depositiewaarde niet wordt overschreden. Indien in de voortoets niet kan worden uitgesloten dat er geen significante effecten optreden is de activiteit een Natura 2000-activiteit en is deze vergunningsplichtig. Er kan alleen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit worden afgegeven als uit vervolgonderzoek, in de vorm van een passende Beoordeling, blijkt dat de kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast.

Geeft die beoordeling deze zekerheid niet, dan kan vergunningverlening alleen plaatsvinden als aan de volgende voorwaarden is voldaan: er zijn reële alternatieven voor de activiteit; er is sprake van een dwingende reden van groot openbaar belang; er vindt natuurcompensatie plaats. Als er een passende beoordeling nodig is, geldt er ook een plan-mer-plicht (art. 16.36 Ow). Als het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor al eerder een passende beoordeling is gemaakt, hoeft er niet opnieuw een passende beoordeling te worden gemaakt (voor zover deze redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kan opleveren over de significante gevolgen ervan). Nationaal Natuur Netwerk (v.m. EHS) en Groene Contour In de Omgevingsverordening provincie Utrecht (artikel 6.1 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen van) een wijziging van het omgevingsplan aan moeten voldoen. Algemene zorgplicht Ten slotte gelden voor Natura 2000-activiteiten en Flora- en Fauna-activiteiten de specifieke zorgplichten van de artikelen 11.6 en 11.27 uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van natuurbescherming is verplicht om alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen.

Als de gevolgen niet kunnen worden voorkomen moet zorggedragen worden voor het zo veel mogelijk beperken of het ongedaan maken van die gevolgen. Als de gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt moet worden bezien of de activiteit achterwege gelaten kan worden, voor zover dit redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Daarom moet iemand die een bepaalde activiteit wil verrichten zich vooraf op de hoogte stellen van de aanwezige flora en fauna, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van zijn handelen. Om een juiste invulling te kunnen geven aan de zorgplicht is de Leidraad werken met beschermde flora en fauna van de gemeente Utrecht van toepassing. Voor aanvang van de werkzaamheden moet een ecologisch werkprotocol worden opgesteld door een deskundige. Plangebied Voor de voorgenomen herontwikkeling is door MBH Consult is een 'omgevingsscan natuur' 7 2 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)

Utrecht

uitgevoerd. Deze omgevingsscan is opgenomen in de bijlagen van deze motivering. In de quickscan is onderzocht of: de voorgenomen ingreep mogelijk een effect heeft op beschermde natuurgebieden (Natura 2000, NNN en bijzondere landschappen); beschermde planten- en diersoorten in het plangebied kunnen voorkomen; de ingreep mogelijk een effect heeft op deze beschermde soorten; het plangebied een belangrijke functie voor beschermde planten- en diersoorten kan vervullen (bijvoorbeeld als essentieel foerageergebied, vliegroute, nest- of verblijfplaats); op basis van bovenstaande bevindingen nader onderzoek nodig is. Gebiedsbescherming Uit de omgevingsscan volgt dat gezien de ligging ten opzichte van de Natura 2000-gebieden (dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft "Oostelijke Vechtplassen" op ca. 7,4 kilometer afstand) en de uit te voeren activiteiten, geen directe effecten op de Natura 2000-gebieden te verwachten zijn. Wel kan er een mogelijk indirect effect van stikstofdepositie optreden. Hiertoe is een separaat onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is eveneens uitgevoerd door MBH Consult en opgenomen als bijlage van deze motivering. Uit de stikstofdepositieberekening volgt dat het projecteffect van de voorgenomen ontwikkeling in zowel de bouwfase als de gebruiksfase ten hoogste 0,00 mol/ha/jaar bedraagt.

Bij een dergelijke projectbijdrage treden er geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden. Een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit onder de Omgevingswet is voor het plan niet noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van het aspect stikstofdepositie er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan. Hierbij wordt nog opgemerkt dat de stikstofdepositieberekening, voor wat betreft de ingevoerde verkeersgeneratie van de voorgenomen ontwikkeling, uitgaat van een overschatting van het aantal verkeersbewegingen. In de stikstofdepositieberekening is uitgegaan van 880 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Inmiddels is door Goudappel vastgesteld dat de verkeersgeneratie (zonder salderen en exclusief mobiliteitsreducties) circa 380 verkeersbewegingen per etmaal bedraagt; de emissies zijn daarmee conservatief berekend en in werkelijkheid nog lager. Het plangebied bevindt zich verder niet in NNN als genoemd in de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht, waardoor geen sprake is van aantasting van het NNN. Het plangebied bevindt zich eveneens niet in of direct naast een bijzonder landschap of natuurgebied, zoals benoemd in de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht. Zodoende vindt ook geen aantasting plaats van bijzondere landschappen of natuurgebieden.

Soortbescherming Uit de omgevingsscan volgt dat een vervolgonderzoek noodzakelijk is naar de gierzwaluw (in opstal 6) en naar zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van de gewone, kleine en ruige dwergvleermuis, grootoorvleermuis, laatvlieger en meervleermuis (opstallen 3 en 4). Het nader onderzoek is uitgevoerd en opgenomen in de bijlagen van deze motivering. Uit het nader onderzoek volgt dat: 3.

de sloop van de bebouwing niet leidt tot verstoring, vernieling van verblijfplaatsen of doding van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis of ruige dwergvleermuis. Alle soorten, behalve de gewone dwergvleermuis, zijn niet aangetroffen in het plangebied. Van de gewone dwergvleermuis zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen. Van essentieel foerageergebied of vliegroutes is ook geen sprake. Met de geplande werkzaamheden wordt artikel 11.46 van de Omgevingswet niet overtreden. Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit of het treffen van mitigerende maatregelen is niet aan de orde. 4. de sloop van de bebouwing niet leidt tot verstoring, vernieling van nest- of rustplaatsen of doding van de gierzwaluw. Met de veldbezoeken zijn alleen overvliegende gierzwaluwen waargenomen welke geen nesten of rustplaatsen hebben binnen het plangebied of de invloedssferen. Met de geplande werkzaamheden wordt artikel 11.37 van de Omgevingswet niet overtreden. Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit of het treffen van mitigerende maatregelen is niet aan de orde. 5. het voorkomen van beschermde soorten van de Utrechtse soortenlijst is uitgesloten door de karakteristieken van het plangebied. De geplande werkzaamheden hebben daarom geen negatief effect op deze soorten.

Verder volgt uit de omgevingsscan dat alle vogelnesten in functie zijn beschermd. Alle werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen (circa 1 maart – 15 augustus, afhankelijk van klimatologische omstandigheden) plaats te vinden. Wanneer de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd, dient vooraf een broedvogelcheck te worden gedaan door een deskundige. Wanneer nesten worden aangetroffen die in gebruik zijn, dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest verlaten is. In de actieve periode van vleermuizen (april t/m bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)

73

oktober) dienen de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden. Het gebruik van (bouw) verlichting dient voorkomen te worden om zo overvliegende vleermuizen niet te verstoren. De rugstreeppad kan zich vestigen wanneer werkzaamheden beginnen. Er wordt geadviseerd om tijdens werkzaamheden het ontstaan van poelen water en open zand te voorkomen. Wanneer een rugstreeppad zich vestigt in een poel, dan is dit water als voortplantingsplaats beschermd van mei tot en met juli. Werkzaamheden dienen uitgesteld te worden totdat de poel verlaten is. Tot slot dient altijd rekening gehouden te worden met de zorgplicht (artikel 1.27 Bal). Diervriendelijk bouwen Uitgangspunt bij de voorgenomen ontwikkeling is om diervriendelijk te bouwen. In het plangebied worden plekken gecreëerd voor tenminste twee gebouwbewonende soorten en een hoogwaardig habitat voor twee andere soorten. Hierbij wordt het niveau brons voor hoogwaardige habitats aangehouden conform het thema natuurinclusiviteit en biodiversiteit van het Convenant Toekomstbestendig Bouwen (versie oktober 2024). De beplanting in het plangebied wordt daarnaast zo ingezet dat hiermee maatregelen voor diervriendelijk bouwen versterkt worden. Dat wil zeggen dat eventuele beplanting een afwisselende hoogte en soorteninvulling kent.

De nieuwe beplanting en de nieuwe bomen zijn verder aantrekkelijk voor mens en dier en bij de soortkeuze wordt rekening gehouden met de soorten van de Utrechtse soortenlijst. Conclusie Voor wat betreft het aspect natuurbescherming is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op basis van het afgeronde vervolgonderzoek van MBH Consult zijn geen belemmeringen aanwezig vanuit soortenbescherming; een vergunningplicht voor een flora- en fauna-activiteit is niet aan de orde. Stikstofdepositie In het kader van de beoordeling van mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden is onderzoek verricht naar de stikstofdepositie als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Daarbij is gebruikgemaakt van het geactualiseerde onderzoek stikstofdepositie van MBH Consult B.V. d.d. 8 oktober 2025, uitgevoerd met AERIUS Calculator 2025. In de berekeningen zijn zowel de bouwfase als de gebruiksfase van het plan betrokken. Voor de gebruiksfase is gerekend met rekenjaar 2028. Uit de geactualiseerde berekening volgt dat de stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een vergunning voor een Natura 2000-activiteit is derhalve niet aan de orde. Het aspect stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het TAM-omgevingsplan.

5.12 Bomen Uit de beschrijving van de bomenparagraaf moet blijken: welke en hoeveel bomen aanwezig zijn in het plangebied; welke bomen gekapt moeten worden; hoe het omliggende terrein, na realiseren van het bouwinitiatief, wordt ingericht; of te kappen bomen zijn te herplanten of niet? Op welke wijze aan de herplantplicht wordt voldaan. Vanaf 21 november 2018 geldt de herplantplicht bij kapvergunningen. Deze beleidsregel is op 1 februari 2025 geactualiseerd met extra voorwaarden voor te herplanten soorten. Als verplanten of behoud van een boom niet mogelijk is, dan geldt bij compensatie de volgende volgorde: 1 e keus herplant op locatie, 2 e keus herplant dichtbij locatie, 3 e keus herplant elders. Als blijkt dat herplant niet mogelijk is, kan in het uiterste geval worden overgegaan tot financiële compensatie waarbij de inkomsten worden geoormerkt voor het aanplanten van bomen en groen elders in de gemeente Utrecht. De herplantplicht is niet van toepassing op gevallen waarin het college of de raad op basis van een ruimtelijk plan een besluit heeft genomen of omgevingsvergunningen waarvan de aanvraag voor 21 november 2018 is ingediend. In afdeling 8.1 van het omgevingsplan zijn de regels over het aantasten van bomen of andere houtopstanden opgenomen. In artikel 8.2 is de verbodsbepaling en vergunningsplicht opgenomen en zijn de regels over de 'herplantplicht' geborgd.

7 4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)

Utrecht

Plangebied Uit de Boom Effect Analyse (BEA) volgt dat alle 11 geïnventariseerde bomen binnen het plangebied behouden kunnen blijven. Geen enkele boom hoeft te worden gekapt. De bomen verkeren in een goede conditie en hebben een hoge toekomstverwachting (> 15 jaar). Het voornemen is om de bomen tijdelijk te verplanten naar een boomdepot, zodat de bestaande groeiplaatsen volledig opnieuw kunnen worden ingericht – inclusief gronduitwisseling en het verwijderen van storende puinlagen in de ondergrond. Na herinrichting van de groeiplaatsen worden de bomen teruggeplaatst in een optimale ruimtelijke samenstelling, waarbij breed uitgroeiende soorten voldoende doorwortelbare ruimte krijgen. De jonge leeftijd en goede conditie van de bomen maken de slagingskans van verplanting hoog. In de nadere uitwerking van het ontwerp (DO-fase) wordt bepaald welke bomen daadwerkelijk verplant worden en welke op hun huidige standplaats gehandhaafd kunnen blijven. Deze aanpak is erop gericht om ten opzichte van de huidige situatie een kwalitatief betere groenstructuur te realiseren: de bomen krijgen verbeterde groeiplaatsen, een doordachte positionering en meer ontwikkelingsruimte. Aanvullend voorziet het inrichtingsplan in de aanplant van nieuwe bomen in de openbare ruimte rondom de nieuwbouw. Per saldo neemt de hoeveelheid groen in het plangebied naar verwachting toe.

In de DO-fase zal een geactualiseerde analyse uitgevoerd worden en wordt een Werkplan Bomen opgesteld ter borging van de boombeschermende maatregelen tijdens de bouwfase.

5.13 Water en klimaatadaptatie Door de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan het functioneren van het watersysteem worden beïnvloed en onder druk komen te staan. In een waterparagraaf wordt een ruimtelijke motivering gegeven van de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie, de 'watertoets'. Door in een vroeg stadium de weging van het waterbelang mee te nemen in de planontwikkeling en af te stemmen met de waterbeheerder(s) wordt voorkomen dat door een ruimtelijke ontwikkeling de kansen voor de waterhuishouding niet worden benut en de bedreigingen niet worden herkend. Door de bestaande (geo)hydrologische situatie en randvoorwaarden, de geplande ontwikkeling en de ruimtelijke consequenties ten aanzien van de waterhuishouding te analyseren, kan het streven naar een duurzaam en robuust watersysteem tijdig in het ontwerpproces worden geïntegreerd. Met ingang van de Omgevingswet per 1 januari 2024 vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De waterparagraaf is opgesteld ter verantwoording en afsluiting van de weging van het waterbelang voor de herinrichting van het gebied in de gemeente Utrecht. Kader In het algemeen is het beleid van het Rijk, de provincie Utrecht, de gemeente Utrecht, het waterschap HDSR en het waterschap AGV (Waternet) gericht op een duurzaam en robuust waterbeheer.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden (indien doelmatig) de waterkwaliteitstrits 'gescheiden inzamelen-gescheiden afvoeren-gescheiden verwerken' en de waterkwantiteitstrits 'water vasthouden-bergen-vertraagd afvoeren' gehanteerd. Dit beleid is per overheidsniveau in de onderstaande beleidsdocumenten verankerd: Europese richtlijn: Kaderrichtlijn Water (KRW); Rijksbeleid: Nationaal Waterplan, Deltaplan Ruimtelijke adaptatie, Delta-aanpak waterkwaliteit, WB21, NBW, Omgevingswet, Richtlijnen Vaarwegen, etc.; Provinciale Omgevingsvisie; Provinciale Omgevingsverordening; Gemeentelijk beleid: de visie Water en Riolering en de visie Klimaatadaptatie ; Waterschapsbeleid HDSR: Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Stroomopwaarts, klimaatbestendig en duurzaam', de Waterschapsverordening, Onderhoudsverordening, Profielenlegger en Onderhoudslegger; Waterschapsbeleid AGV: Waterbeheerprogramma 2022-2027, de Waterschapsverordening, Legger voor wateren, Legger voor dijken, Beleidsregels voor de waterschapsverordening, Beleidsregels bronnering en sanering. In deze paragraaf zijn het beleid, de richtlijnen en de eisen uit bovengenoemde beleidsdocumenten verder uitgewerkt en toegepast op het plangebied. De ambitie van de gemeente Utrecht is het gezond houden, robuust maken en toekomstbestendig maken van het water- en rioleringssysteem, voor iedereen.

Daarbij wordt bijgedragen aan de volgende opgaven voor de stad: De basis op orde, door het borgen van een robuust water- en rioleringssysteem. bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)

75

Het realiseren van een toekomstbestendige stad via een klimaatbestendig en circulair water- en rioleringssysteem. Het realiseren van een gezonde leefomgeving en een gezond water- en rioleringssysteem voor zowel mens, plant als dier. Oppervlaktewaterkwaliteit De gemeente streeft in overeenstemming met het beleid van de Europese Kaderrichtlijn Water samen met de waterbeheerder naar een goede ecologische en chemische kwaliteit van het oppervlaktewater. Dit betekent dat de waterkwaliteit veerkrachtig is, ook bij extreem weer en lange termijn klimaateffecten. Dit sluit aan bij de ambitie vastgesteld door de Gemeente Utrecht in regionaal (Winnet) verband (regionaal afvalwaterketen beleid, 2014). Deze zegt dat de waterkwaliteit van bestaand en nieuw te realiseren open water moet voldoen aan het streefbeeld zichtbaar. Afvalwater Het ontstaan van afvalwater wordt zoveel mogelijk voorkomen of beperkt. Als afvalwater toch ontstaat, wordt het zo min mogelijk verontreinigd. Afvalwaterstromen worden daarom gescheiden gehouden, behalve als door het samenvoegen van de stromen de verwerking geen problemen ondervindt. Binnen de bebouwde kom moet huishoudelijk afvalwater op de riolering worden geloosd. Ook bedrijfsafvalwater wordt op deze manier ingezameld, tenzij dit ten koste gaat van het doelmatig functioneren van de riolering of de rioolwaterzuivering.

In dat geval moet de eigenaar zelf de behandeling van het afvalwater verzorgen. Buiten de bebouwde kom geldt hetzelfde, tenzij de capaciteit van het openbare vuilwaterriool niet toereikend is of een decentrale zuiveringstechniek een beter resultaat geeft dan de centrale zuivering van het waterschap. Hemelwater Een combinatie van groen, water, slimme kavelinrichting en ontwerp van de toekomstige gebouwen kan ingezet worden om wateroverlast en calamiteiten in de toekomst te voorkomen. Het gebied moet zo ingericht worden dat zelfs bij een zeer extreme regenbui er geen schade optreedt. Het Rijk, waterschap en de gemeente stellen hier de volgende eisen aan. Klimaatdoelen Wet Milieubeheer Om de klimaatdoelen te behalen, is in de Wet Milieubeheer in artikel 10.29a ingegaan op de voorkeursvolgorde hoe met hemelwater om te gaan. In de weging van het waterbelang is dit op het projectgebied toegepast en geconcretiseerd. De voorkeursvolgorde is: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Vasthouden en nuttig gebruiken (geen lozing); Infiltratie op de bodem (bovengronds via het groen); Infiltratie in de bodem (ondergronds); Directe lozing in het oppervlaktewater; Lozing in een hemelwaterstelsel; Wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is om gebruik te maken van bovenstaande lozingsroutes: afvoer naar rioolwaterzuivering.

Waterschapsbeleid Bij ruimtelijke ontwikkelingen is de wateropgave en de benodigde watercompensatie afhankelijk van de aard en omvang van de toename aan verhard, afvoerend oppervlak en van de omgang met het hemelwater. Toename van verhard oppervlak moet worden gecompenseerd in de vorm van nieuw aan te leggen oppervlaktewater met een minimaal oppervlak binnen het peilgebied. HDSR: Bij een toename van het verhard oppervlak van minimaal 500 m2 dan geldt de eis: 15% oppervlaktewater in het plangebied ten opzichte van het toegenomen verhard oppervlak of een gelijkwaardige waterbergingsvoorziening. AGV: Bij een toename van het verhard oppervlak van minimaal 1.000 m2 in stedelijk gebied of 5.000 m2 in het buitengebied dan geldt de eis: 10% oppervlaktewater in het plangebied ten opzichte van het toegenomen verhard oppervlak of een gelijkwaardige waterbergingsvoorziening. Bij voorkeur moet 100%, maar minimaal 90% van de jaarlijkse neerslag over het totaal verhard oppervlak opgevangen en geïnfiltreerd worden in de bodem (stap 1 tot en met 3 van de voorkeursvolgorde). Dat kan bereikt worden met minimaal 15 mm waterberging ten opzichte van het verharde oppervlak binnen het plangebied. Het terrein is zodanig ingericht dat het water de bergingsvoorziening kan bereiken. De waterberging moet na 48 uur weer volledig beschikbaar zijn voor nieuwe buien.

7 6 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)

Utrecht

In het waterhuishoudingsplan moet worden aangegeven of al het regenwater in het plangebied geborgen kan worden of dat een overloopvoorziening richting oppervlaktewater of hemelwaterstelsel zal worden aangebracht. Vanaf stap 4 van de voorkeursvolgorde moet onderbouwd worden waarom de stappen met meer voorkeur niet haalbaar zijn. Dit zijn namelijk vormen van het afwentelen van de wateropgave op de omgeving. Rechtstreekse afvoer van hemelwater naar oppervlaktewater is vergunning- of meldingsplichtig in het kader van de Omgevingswet. Om vervuiling van afstromend hemelwater en verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, is het niet toegestaan om uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, lood en koper) zonder KOMO-keurmerk toe te passen voor dak, dakgoot en regenpijp als het hemelwater vanaf deze oppervlakken direct afvoert naar het oppervlaktewater. Uitgangspunten in de Visie Water en Riolering Vuil water en schoon regenwater worden zoveel mogelijk gescheiden afgevoerd. Regenwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden op de plek waar het valt. Als het water wordt afgevoerd dan gebeurt dit zichtbaar over het oppervlak. Is dit niet mogelijk dan pas kan het hemelwater ondergronds worden afgevoerd. Bij buien tot 20 mm in een uur kan de ruimte gebruikt worden zoals die bedoeld is. Met andere woorden: geen water op straat.

Het gebied moet zo ingericht worden dat zelfs bij een zeer extreme regenbui geen schade optreedt. Hieraan wordt voldaan, als een extreme bui van 80 mm in één uur, verwerkt kan worden zonder dat schade optreedt door instromend regenwater in gebouwen, vitale infrastructuur of nutsvoorzieningen. Ook treden er geen gezond- en veiligheidsrisico's op, zoals bijvoorbeeld door opdrijvende putdeksels of (verdund) afvalwater op straat. Wegen, parkeerplaatsen, pleinen en groenvoorzieningen kunnen bijdragen aan tijdelijke waterberging bij extreme regenval. Aandachtspunten hierbij zijn de profilering van het terrein en hoogteligging. Er moet dus gezorgd worden voor voldoende hoogteverschil tussen vloer- en wegpeilen: het vloerpeil van panden ligt minimaal 15 cm boven het straatpeil. Regenwater mag niet langer dan 3 uur na het einde van een bui op straat blijven staan. De huidige situatie mag niet verslechteren. Grondwater Bij nieuwbouw mag de bestaande geohydrologische situatie niet wijzigen. De grondwaterstanden mogen niet negatief worden beïnvloed (geen grondwaterstandverlaging). Verhoging van de grondwaterstand is wel toegestaan voor zover dit aan de grond gegeven bestemming waar de grondwaterstand wordt verhoogd deze niet wordt belemmerd. Het is de verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar dat een hoge of een lage grondwaterstand geen problemen veroorzaakt op het perceel.

Uitgangspunt hiervoor zijn de Representatieve Hoge en Lage Grondwaterstand (RHG/RLG). Minimaal 90% van de jaarlijkse neerslag infiltreert in de bodem (zie paragraaf Hemelwater). Het doel is enerzijds het in stand houden van de huidige geohydrologische situatie, anderzijds het voorkomen van verdroging door klimaatverandering. Onttrekking en lozing van grondwater Tijdelijke onttrekking van grondwater tijdens de bouwfase is vergunningplichtig en onder voorwaarden toegestaan, evenals tijdelijke lozing van bemalingswater op het oppervlaktewater. Nader onderzoek naar de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater is noodzakelijk om na te gaan of er een lozingsvergunning nodig is om overtollig water te onttrekken en af te voeren. Voor alle onderbemalingen, bronneringen en andere grondwateronttrekkingen moet een vergunning worden aangevraagd via het omgevingsloket. Als de grondwateronttrekking bij deze criteria onder de grenswaarden blijft, kan volstaan worden met een melding. Een (tijdelijke) lozing van grondwater op de openbare riolering is niet toegestaan, tenzij bij Algemene maatregel van bestuur (lozingsbesluiten) of bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in de Wet Milieubeheer anders is bepaald.

Werkzaamheden in of aan watergangen, waterkeringen en beschermingszones Voor het dempen en graven, aanleggen van vlonders en steigers, bouwen in en langs water en uitvoeren van HDD boringen onder watergangen, waterkeringen, kunstwerken en peilscheidingen door, is een watervergunning van de beheerder(s) (HDSR/AGV/Rijkswaterstaat) noodzakelijk. Alle wateraspecten worden in de watervergunning geregeld. Hittestress Hittestress wordt vooral bepaald door de gevoelstemperatuur. Dit is, naast luchttemperatuur, gebaseerd op factoren zoals luchtvochtigheid, de aanwezigheid van wind en de straling van de zon en omliggende gebouwen. Om hittestress tegen te gaan kan worden ingezet op de volgende maatregelen: bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)

77

Inzetten op het creëren van koele plekken met een lage gevoelstemperatuur en looproutes met schaduw, bij voorkeur door bomen, zo min mogelijk verharden (groen tenzij), het aanleggen van groene gevels en daken en bewegend water (fonteinen). Streven naar een stadsbreed percentage groen van minimaal 40%. Hierdoor is er voldoende mogelijkheid voor verdamping door bomen en groen en het vasthouden van water. Uitgangspunt is dat iedere woning binnen 200 meter loopafstand over een koele groene plek van minimaal 200 m2 moet kunnen beschikken. Daarnaast moet je in iedere straat op een hete dag in de schaduw (bij voorkeur door bomen) kunnen lopen. Op de belangrijkste looproutes moet er op het heetst van de dag 40% schaduw aanwezig zijn en in overige loopgebieden is er op het heetst van de dag 30% schaduw. Zo blijven essentiële functies in de stad voor iedereen beschikbaar. Om hittestress in gebouwen te voorkomen moet het gebouw zo worden gebouwd, dat gevels koel blijven, een goede ventilatie in het gebouw aanwezig is en in de zomer geen directe zoninval optreedt. In het plangebied worden bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. De Arbeidsomstandighedenwet stelt dat er gezorgd moet worden voor een veilige werkplek. De gemeente heeft sinds maart 2025 een gemeentebrede kaart vastgesteld voor Ontplofbare Oorlogsresten.

Deze is gebaseerd op uitgebreid bureauonderzoek (en alle eerdere onderzoeksgegevens). Plansituatie Het plangebied is gelegen in het werkgebied van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR). Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. De nieuw aan te leggen parkeergarage wordt ten hoogste 60 cm onder maaiveld aangelegd (onderkant vloer garage) en blijft daarmee boven de grondwaterstand. De grondwaterstand varieert namelijk tussen de 1,37 en 1,52 meter beneden maaiveld. Waterkwantiteit In de huidige situatie is het plangebied volledig verhard. In de toekomstige situatie zal het verhard oppervlak afnemen, vanwege de toevoeging van groen. Zie hiervoor ook onderstaande figuren van de huidige en toekomstige situatie: Huidige situatie

Toekomstige situatie

7 8 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)

Utrecht

Op basis van de Waterschapsverordening is het plangebied gelegen in 'bebouwd gebied'. Op basis van artikel 4.326 lid 4 van de Waterschapsverordening geldt pas een compensatieplicht voor verhard oppervlak binnen bebouwd gebied, als er meer dan 500 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht. Hiervan is geen sprake. Waterberging Conform het gemeentelijk beleid dient het plangebied zo te worden ingericht dat bij een zeer extreme regenbui geen schade optreedt. Hieraan wordt voldaan, als een extreme bui van 80 mm in één uur, verwerkt kan worden zonder dat schade optreedt door instromend regenwater in gebouwen, vitale infrastructuur of nutsvoorzieningen. Ook treden er geen gezond- en veiligheidsrisico's op, zoals bijvoorbeeld door opdrijvende putdeksels of (verdund) afvalwater op straat. Daarnaast dient een groot deel van de neerslag (50 mm) op privaat terrein te worden geïnfiltreerd, vastgehouden en/of geborgen in voorzieningen op privaat terrein. Het plangebied wordt zodanig ingericht dat een regenbui van minimaal 50 mm op privaat terrein kan worden vastgehouden, teneinde de riolering te ontzien tijdens een regenbui. De regenbui wordt opgevangen op de retentiedaken. Het gebouwd oppervlakte (privaat gebied) betreft ca. 1.800 2.000 m². Dat betekent dat ca. 90-100 m³ regenwater dient te worden gebufferd. In de retentielaag onder de binnentuin van ca. 200-250 m² kan ca.

30-40 m³ gebufferd worden door toepassing van waterretentiekratten van 170mm hoog en in de retentielagen van de hoger gelegen daken (ca. 1.100 m²) kan ca. 40 m³ gebufferd worden door toepassing van drainagebufferlagen. Het overige regenwater (ca. 10-20 m³) wordt opgevangen in de buffertank. In de nadere uitwerking kan de exacte oplossing en dimensionering wijzigen. Beperkingengebieden Op basis van de Waterschapsverordening is het plangebied niet gelegen in een beperkingengebied (van bijvoorbeeld een watergang of waterkering). Riolering De voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten op de bestaande riolering ter plaatse. Klimaatadaptatie Naast de hiervoor beschreven waterberging, worden nog overige maatregelen op het gebied van klimaatadaptatie getroffen: Een deel van het dak van de toekomstige parkeergarage wordt ingericht als collectieve ontmoetingsplek voor bewoners met voldoende schaduw voor de woonkwaliteit en reductie van hittestress; Er wordt voorzien in groene gevels op plintniveau. Beplanting kan hier via speciaal daarvoor geplaatste staaldraden omhoog klimmen. Op deze manier staan de planten in volle grond. De beplantingskeuze is gebaseerd op de hoeveelheid zon en gaat uit van planten die niet gaan woekeren of de gevel en/ of de gevel beschadigen.

Voorgaande draagt eveneens bij aan het reduceren van hittestress; De daken en openbare ruimte worden benut voor een verdeling tussen zonnepanelen en beplanting en dragen zodoende bij aan de ambities op het gebied van energie, regenwateropvang en biodiversiteit. Voor de inrichting van het openbare gebied en de daktuin boven de parkeergarage ligt de focus op een mix tussen sociale interactie, klimaatadaptatie en beplanting. Voor de inrichting van de bovenste twee daken (op de vijfde en elfde verdieping) ligt de nadruk op energieopwekking en waterretentie (klimaatadaptatie). Door het toevoegen van meer groen in de openbare ruimte, wordt een bijdrage geleverd aan het reduceren van hittestress. bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)

79

Conclusie Voor wat betreft het aspect water en klimaatadaptatie is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de regels van dit TAM-omgevingsplan worden ten aanzien van de waterberging verplichtingen opgenomen.

5.14 Archeologie Kader In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Een van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaard moeten blijven. Alleen als dat niet kan, is behoud door middel van opgraven en bewaren in depot een optie. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium moet plaatsvinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek moeten worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed. De Erfgoedwet heeft betrekking op archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.

Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 38a schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond te aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Het omgevingsplan van de gemeente Utrecht In het omgevingsplan zijn regels voor de bescherming van archeologie opgenomen in het hoofdstuk grondwerk. Met grondwerk worden de activiteiten die de bodem verstoren bedoeld. Op basis van onderzoek heeft de gemeente vastgesteld hoe groot de kans is dat op een locatie archeologische resten gevonden kunnen worden. Op basis van de trefkans is aan locaties een verwachtingswaarde toegekend. Een locatie met een grote trefkans heeft verwachtingswaarde WA1, een locatie met de laagste trefkans heeft verwachtingswaarde WA6. Op een locaties waar de trefkans zeer klein is of waar bekend is dat er geen archeologisch resten zijn op een locatie, is geen verwachtingswaarde opgenomen en gelden dus ook geen regels. De locaties met de diverse archeologische verwachtingswaarde zijn zo in het omgevingsplan opgenomen, dat bij een klik op de kaart zichtbaar is of er een waarde geldt, welke waarde dat dan is en welke regel van toepassing is.

Gebieden van zeer hoge archeologische waarde (WA2) zijn gebieden waarvan bekend is dat er belangwekkende archeologische waarden zijn, maar die (nog) niet beschermd zijn als archeologisch rijks- of gemeentelijk monument. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 centimeter. Gebieden van hoge archeologische waarde (WA3) zijn gebieden waar op grond van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek dan wel op basis van historisch geografisch onderzoek bekend is dat er archeologische waarden zijn, maar waarvan de begrenzing nog niet vastgesteld is. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 30 m2 en dieper dan 30 centimeter. Gebieden van hoge archeologische verwachting (WA4) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan groot is vanwege historisch-topografische bronnen en landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 centimeter. Gebieden van middelhoge archeologische verwachting (WA5) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan middelgroot is. Dit is gebaseerd op de landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 30 centimeter.

Gebieden van lage archeologische verwachting (WA6) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan klein is. Dit is gebaseerd op de landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 5000 m2 en dieper dan 50 centimeter. Beschermde archeologische rijksmonumenten worden op grond van de Erfgoedwet beschermd. Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijven paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk II van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin staat dat 8 0 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)

Utrecht

aantasting van de beschermde archeologische monumenten niet is toegestaan. Voor wijziging, sloop of verwijdering van een archeologisch Rijksmonument moet een vergunning worden aangevraagd waarop de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beslist. Plangebied Door IDDS Archeologie is in juni 2025 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen van deze motivering. De resultaten worden hieronder weergegeven. Op basis van de gemeentelijke beleidskaart is het plangebied gelegen binnen een zone met een middelhoge archeologische verwachting (WA5). Binnen dit gebied zijn alle graafwerkzaamheden vergunningsplichtig die groter zijn dan 500 m² en dieper reiken dan 0,30 m -mv. Op basis van het bureauonderzoek is de verwachting dat binnen het tracé een kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten uit de periodes Laat Paleolithicum - Mesolithicum en de Late Middeleeuwen Nieuwe Tijd. De resten van de eerste periodes bevinden zich echter zeer diep, op 4,0 m -mv, en worden niet bedreigd door de graafwerkzaamheden. Voor de laatste periode geldt een hoge verwachting voor het aantreffen op archeologische resten; deze zijn te verwachten vanaf het maaiveld. Geadviseerd wordt een verkennend booronderzoek uit te laten voeren binnen het plangebied.

Het doel van het booronderzoek is om de bodemopbouw binnen het plangebied in kaart te brengen en het verwachtingsmodel te toetsen. Binnen het plangebied hebben in de tweede helft van de 20e eeuw diepgaande graafwerkzaamheden plaatsgevonden ten behoeve van de bouw van het tankstation en de vernieuwing ervan. Op meerdere locaties zijn brandstoftanks geplaatst, waarschijnlijk weer verwijderd en opnieuw geplaatst. Ook was bij het eerste tankstation een smeerput aangelegd waarvan de onderkant van de vloer op 1,90 m -mv lag. De tanks zijn veelal diep ingegraven en hebben de bodemopbouw ter plaatse diep verstoord. Hoewel de exacte diepteligging van de tanks niet bekend is, kan worden aangenomen dat archeologische sporen, behalve water- en beerputten, niet meer verwacht hoeven te worden. Geadviseerd wordt deze locaties vrij te geven voor vervolgonderzoek. Voor het aanvragen van een Omgevingsvergunning is het archeologisch bureauonderzoek en het selectiebesluit voldoende. In de omgevingsvergunning worden dan voorschriften opgenomen over het archeologisch vervolgonderzoek. Conclusie In een deel van het plangebied bestaat de kans op het aantreffen van archeologische resten. Geadviseerd wordt een verkennend booronderzoek uit te laten voeren binnen het plangebied. Voor archeologie gelden de regels uit Afdeling 7.3 van het Omgevingsplan Utrecht.

Op basis van het selectiebesluit is archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk, waarvoor bij de omgevingsvergunning voorschriften worden opgenomen. Met inachtneming van voorgaande, is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.15 Kabels en leidingen Kader In (de omgeving van) de projectlocatie kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden. Plangebied en conclusie De aanwezige kabels en leidingen in het plangebied zijn inzichtelijk gemaakt via een KLIC-melding. Binnen het plangebied zijn kabels en leidingen voor riolering, water, gas, elektra, data aanwezig ten behoeve van de bestaande opstallen op het perceel. Deze zullen door initiatiefnemers verwijderd worden in overleg met de nutsbedrijven. De toestemming van een eventuele verlegging moeten de initiatiefnemers zelf aanvragen en de daarmee samenhangende kosten zijn voor rekening van de aanvrager. Wanneer het inrichtingsplan opgesteld gaat worden zullen de gegevens uit de KLIC-melding meegenomen moeten worden. Uit de KLIC-melding volgt eveneens dat in het plangebied geen planologische relevante leidingen (zoals buisleidingen en/of hoogspanningsverbindingen) aanwezig zijn.

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)

81

5.16 Kwaliteit van de leefomgeving Methodiek In het kader van kwaliteit van de leefomgeving wordt door de gemeente in ruimtelijke plannen in belangrijke mate steeds meer aandacht gevraagd voor de aspecten bezonning, sociale veiligheid en windhinder, omdat dit aspecten zijn die de kwaliteit van de openbare ruimte en naastgelegen ruimtelijke objecten kunnen beïnvloeden. Daarnaast zijn in de vastgestelde Stedenbouwvisie Utrecht uitgangspunten geformuleerd wanneer aanvullend onderzoek naar windhinder en bezonning moet worden uitgevoerd. Windonderzoek is verplicht bij hoogbouw (gebouwen hoger dan 30 meter) en bij grotere gebiedsontwikkelingen (500 woningen of meer) en moet worden uitgevoerd conform de landelijke methode. Windgevaar en windhinder moeten beiden (apart) onderzocht worden. Voor elke ontwikkeling moet daarnaast de bezonning op omliggende woningen worden uitgewerkt op basis van twee bezonningsuren per dag, met als toetsingsdatum 21 maart of 21 september. Plangebied De voorgenomen ontwikkeling voorziet in bebouwing tot maximaal 19 en 40 meter hoogte. Om die reden is een bezonningsonderzoek en windklimaatonderzoek uitgevoerd. Beide onderzoeken zijn als bijlagen bij deze motivering opgenomen. De resultaten worden hieronder besproken. Bezonning Door OMRT is een bezonningsonderzoek uitgevoerd.

Het doel van het bezonningsonderzoek is om na te gaan wat de impact van de beoogde nieuwbouw op zijn omgeving is. Hierbij wordt specifiek naar het aantal zonuren op de gevels rondom het plangebied gekeken en getoetst aan de lichte TNO-norm. De lichte TNO-norm stelt een minimum van 2 zonuren per dag voor alle omliggende gevels tijdens de toetsperiode als eis. Omliggende gebouwen die na het toevoegen van het nieuw bouwvolume ten minste 2 zonlichturen ontvangen voldoen volgens de lichte TNO-norm. Bestaande situatie In het bezonningsonderzoek is de bestaande situatie geanalyseerd. Het plangebied heeft aan de noord- en westzijde aangrenzende bebouwing. Aan de westzijde staat een voormalige, industriële loods, nu gevuld met meerdere functie (geen woonfunctie), en aan de noordzijde bevindt zich een huisvestingsgebouw. Omdat dit gebouw op de begane grond geen woonfunctie heeft, zijn de zonuren berekend op de eerste verdieping (5,75m hoogte). In de huidige situatie zijn er geen gevels van woningen ten noordnoordoosten van de projectlocatie die minder dan 2 uur zonuren ontvangen.

Zonuren omgeving – bestaand (bron: bezonningsonderzoek OMRT) Voor de planontwikkeling is een bezonningsstudie uitgevoerd conform de TNO-richtlijn “Bezonning in de Stad” en in lijn met de Utrechtse Omgevingsvisiewaarin het maatgevend toetsmoment 21 maart 8 2 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)

Utrecht

wordt gehanteerd bij stedelijke verdichting. De bestaande woningen rondom het plangebied behouden op 21 maart minimaal twee uur directe bezonning op de gevels, waarmee aan de norm wordt voldaan. Het onderzoek laat zien dat op 19 februari (een aanvullende worst-case wintermeting) bij 14 ramen van het noordelijk gelegen huisvestingsgebouw de bezonningsduur tussen 1,25 en 1,75 uur uitkomt. Dit aantal is aanzienlijk lager dan in de eerder beschouwde maximale massa (23 ramen), hetgeen de verbetering in stedenbouwkundige opzet bevestigt. Vanaf 21 maart is er bij geen enkel raam sprake van een normonderschrijding. De ontwikkeling past binnen de hoogstedelijke context van Rotsoord en sluit aan bij de beleidsmatige inzet op meer woningen nabij OV-knooppunten, waarbij beperkte bezonningsafname in de winterperiode planologisch aanvaardbaar is. Daarmee vormt het aspect bezonning geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Winderhinder Windhinder bestaande situatie Uit de analyse van de bestaande situatie volgt dat: rondom LE:EN sprake is van windhinder klasse A, waardoor het windklimaat op de terrassen goed geschikt is voor langdurig verblijven. op de kruising tussen de straten Ravenoord en Briljantlaan sprake is van windhinder klasse B en C. Dit wordt veroorzaakt doordat de wind langs het huisvestingsgebouw (Keramus) dat aan de Ravenoord stroomt en door de hoogte van dit gebouw.

In de straat Helling eveneens sprake is van windhinder klasse B en C. De aanwezigheid van windhinder klasse C zorgt ervoor dat er in deze gebieden niet comfortabel langdurig kan worden gezeten, slenteren gaat matig. onder het plangebied is er windhinder klasse B door de terugval van wind om de hoek van het gebouw heen. Dit geldt ook voor het noordoosten tussen twee bestaande gebouwen.

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)

83

Windklimaat in de bestaande situatie (bron: windstudie OMRT) Windhinder toekomstige situatie Voor de toekomstige situatie is een model gemaakt op basis van de maximaal planologische variant en een model gemaakt op basis van het huidige ontwerp. Uit de analyse van de maximale planologische variant volgt dat: op een aantal plekken een afname is in de kwaliteitsklasse van windhinder, maar ook sprake van een verbetering. De verbetering treedt op ten noordoosten van het plangebied. Daarnaast blijft het windklimaat op de terrassen van LE:EN in windklasse A vallen. in de omgeving verandert de windhinder van maximaal klasse C tot klasse E in een klein gebied. Over het Tolsteegplantsoen ontstaat een gebied met windklasse D en windhinder klasse C verder in de stroom. waar in de huidige situatie geen windhinder wordt ervaren aan de westzijde van het plangebied, verandert dit in de toekomstige situatie naar windhinder klasse B en C. ten noorden van het huisvestingsgebouw Keramus verandert het windklimaat naar windhinder klasse D, doordat er meer wind door de poort stroomt. de gebieden met windhinder klasse C zijn goed genoeg voor doorlopen. Voor de gebieden met windhinder klasse D geldt dat deze matig zijn voor doorlopen, maar slecht voor slenteren en langdurig zitten. In het kleine gebied met windhinder klasse E is de situatie slecht voor doorlopen, slenteren en langdurig zitten.

8 4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)

Utrecht

Windklimaat toekomstige situatie op basis van massa (bron: windstudie OMRT) Uit de analyse van de toekomstige situatie op basis van het huidige ontwerp volgt dat de resultaten in eerste opzicht vergelijkbaar zijn met de maximale planologische variant. Echter, omdat het nieuwe ontwerp minder massief is zijn is de contouren van de windhinderklasses kleiner. Er is dus minder windhinder in het gebied ten opzichte van de maximale planologische variant, zie ook hieronder.

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)

85

Windklimaat toekomstige situatie op basis van ontwerp (bron: windstudie OMRT) De adviezen in het rapport met betrekking tot positionering van de entrees worden overgenomen in de nadere planuitwerking. Sociale veiligheid In de huidige situatie zijn in het plangebied een tankstation met kleine shop en kantoor, een wasstraat, wasboxen en garageboxen aanwezig. Daarnaast is geen openbare ruimte in het plangebied aanwezig. De buitenruimte is verhard en heeft een stenige uitstraling. Er wordt sinds 2023 gewerkt aan een nieuwe inrichting van de openbare ruimte rondom het plangebied. Deze nieuwe inrichting van de openbare ruimte kan bijdragen aan het verhogen van de sociale veiligheid in het plangebied (toevoegen van groen, meer zicht op straat en het voorkomen van 'onveilige hoekjes'). Daarnaast voorziet de voorgenomen ontwikkeling in de realisatie van woningen. Een toename van bewoners in het (plan)gebied kan ook voor meer sociale controle en veiligheid in de wijk zorgen. Conclusie Voor wat betreft het aspect kwaliteit van de leefomgeving is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de regels van dit TAM-omgevingsplan hoeven geen regels opgenomen te worden met betrekking tot dit aspect.

8 6 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Briljantlaan 1 1 - 1 5 " (vastgesteld)

Utrecht

5.17 Gezond stedelijk leven Kader In paragraaf 2.3.2.3.8 is het gemeentelijke beleid voor een gezond stedelijk leven uiteengezet. In Utrecht streven wij naar gezond stedelijk leven voor iedereen (Ruimtelijke Strategie Utrecht). Vanuit gezondheidsperspectief is de hoofdambitie om gezondheidsverschillen binnen Utrecht te verkleinen (Nota Samen gezondheidsverschillen verkleinen 2024–2027). Een gezonde leefomgeving van Utrechters is zo ingericht dat Utrechters beschermd zijn tegen negatieve milieufactoren, de fysieke leefomgeving gezonde leefgewoonten ondersteunt en de fysieke leefomgeving sociale kracht versterkt. Hieronder wordt aangegeven op welke manier hier invulling aan is gegeven. Plangebied De ontwikkeling van deze locatie zorgt voor nieuwe woningen en ontmoeting-/werkruimtes én er ontstaat extra verblijfsruimte in de openbare ruimte van Rotsoord die de verbindende schakel van de wandelroute door Rotsoord vormt. Door de levendige invulling van de plint krijgt het pand een aantrekkelijke uitstraling en versterkt het de kwaliteit van de openbare ruimte. Daarbij dragen de functies in de plint bij aan het profiel van Rotsoord als een culturele en creatieve hotspot. De openbare ruimte die na realisatie wordt toegevoegd, krijgt een goede verblijfskwaliteit. In het nieuw te realiseren gebouw wordt het makkelijk gemaakt om te kiezen voor gezond gedrag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=64e50d68-fce6-45ab-a033-db7b4e5dd2b0